1943 - 1949 - 1957; Oriënt - 1959 - 1964; turn on, tune in - 1966; Provo Volte - 1967; Flight to Lowllands Paradise - 1969; India, Goa, Puri, Kathmandu, Khyber Pass - 1970; Krisis Interventie Centrum - 1974; yoga - 1975; Persijn - 1977, beeldend kunstenaar -1978; India, Puri - 1980, India, Aurangabad, Goa - 1987-88; India, Sadhoes 1, Bombay, Omkareshwar - 1990; India, Sadhoes 3, Uttrakashi - 1991; India, Sadhoes 4, Girnar - 1992; India, Sadhoes 5, Kumbha Mela in Ujjain - 1993; Boek - 2006; Antonius Abt - 2007 e.v.
Over de auteur    
Ik kan niet alle gebeurtenissen hierin opnemen, maar vermeld vrijwel alleen die belevenissen die van invloed zijn geweest op mijn artistieke, wetenschappelijke en religieuze ontwikkeling.
1943
Ik werd op 24 december 1943 in Den Haag geboren.
De bezetting door de Duitsers was toen al enkele jaren aan de gang, en inmiddels hadden de nazi’s hun ware tronie laten zien. Toch kozen mijn ouders ervoor mij de naam Adolf te geven. Dat is me altijd een raadsel gebleven — en heeft me enigszins achtervolgd (ik werd er wel mee gepest).
Mijn ouders hadden er wel een verklaring voor. Mijn moeder kwam uit een katholiek gezin, mijn vader uit een protestants. In die tijd was de vijandschap tussen gelovigen van die twee religieuze stromingen zeer levendig, en na hun huwelijk keken de wederzijdse families in het dorp Apeldoorn elkaar met de nek aan. “Twee geloven op één kussen, daar slaapt de duivel tussen.”
In een poging de twee families te verzoenen, werd ik vernoemd naar mijn grootvader van vaderszijde, Adolf (dat vernoemen was sowieso wel gebruikelijk in de Nederlandse traditie), naar mijn grootvader van moederszijde, Jan, naar de oudste broer van mijn moeder, Bernhard, en naar de oudste broer van mijn vader, Frederik. Zo wordt je als kind opgezadeld met de familiale geschiedenis en hang-ups. Maar toch, Adolf? In die tijd? Mijn ouders waren overigens helemaal niet Duits gezind; integendeel, de laatste jaren van de bezetting waren ze communistisch.
1949
Er waren veel spanningen in ons gezin — hoezeer ze in zekere zin ook hun best deden er iets van te maken.
De opvoeding leek erop gericht de “wil te breken”, de kinderen met sarcasme en belachelijk maken te kleineren, hun weerstand of zelfvertrouwen te ondermijnen. Men probeerde mij te vormen tot een soort ambtenaar. Zo moest ik van mijn moeder een stropdas om naar de lagere school. Zodra ik de hoek van de straat om was, deed ik hem af, maar was wel zo slim (en aangepast) om hem voor de schoolfoto weer om te doen. En als ik thuis kwam had ik hem ook weer om natuurlijk.
Op de kleuterschool begon ik al te spijbelen. Op de lagere school was ik zeer weerbarstig en driftig — ik had een enorm wantrouwen naar autoriteiten. Ik weigerde te leren: voor vlijt en gedrag had ik een 4.
De kleuterschool, 1949. De jongen met stropdas, dat ben ik
Verder was ik een vrolijk ventje, nieuwsgierig en vol ondernemingslust. Ik onttrok me aan het gezin door veel te lezen en veel buiten te spelen, op straat en in de duinen.
Mijn vriendje was toen Rudi van de Berg en samen haalden we veel kattenkwaad uit. Van mijn moeder mocht ik niet meer met hem omgaan, dus deden we het stiekem. Zoals zoveel dingen stiekem moesten gebeuren. (In de zeventiger jaren is Rudi onder de naam Rudy Bennett zanger van “The Motions” geworden, een Haagse popgroep, maar toen had ik allang geen contact meer met hem.)
In die tijd had ik ook eigenlijk mijn eerste religieuze — hoewel, eerder heidens magische — ervaring. Ik vond een gladde, ovale steen, waarvan ik “vibraties” meende op te vangen, een vaag gevoel van psychische aanwezigheid. Ik verpakte deze steen in een sigarenkistje en verborg hem in een ‘altaar’ in mijn ‘hut’ onder een struik in de duinen. Het was een groot geheim, en ik heb het nooit aan iemand verteld, tot ik het nu opschreef.
Toen ik in later jaren de hunebedden, menhirs en megalieten (1985 Carnac, 1995 Malta) bezocht, besefte ik dat de oprichters en bouwers hiervan min of meer (waarschijnlijk veel meer) door dezelfde ideeën en gevoelens bezield waren geweest.
1957 Oriënt
Een belangrijk gevolg van de verschillen in geloof bij mijn ouders — Katholiek versus Protestants — en de negatieve reacties van families, pastoor en dominee, was dat mijn ouders onkerkelijk werden en besloten de kinderen niet-kerkelijk op te voeden. Zo werd ik niet gedoopt en gingen we niet naar de kerk.
Maar mijn ouders ervoeren toch een religieuze lacune en ze onderzochten diverse alternatieve religieuze groeperingen. Toen ik een jaar of twaalf was, waren ze even lid van de Rozenkruisers, maar die waren te “streng” (niet-roken, niet-drinken, vegetarisch) en toen werden ze lid van de Soefi beweging, de Scheveningse afdeling, met een kerk of tempel vlak bij het Vredespaleis.
Zo kwamen Oosterse invloeden het gezin binnen. Een paar interessante kennissen kwamen op visite, met name Tante Tula. Ze noemde zich Tula di Vista en beweerde een Portugese prinses te zijn, maar leek een vrouw van Indische origine. Zeker was wel dat ze met de schilder Smorenberg getrouwd was geweest. Ze vertelde ons prachtige verhalen van haar reizen door Indonesië. Ze was zelf ook schilderes en ik bezocht een paar maal haar atelier, een appartement vol met fascinerende objecten meegebracht van haar Oosterse reizen. Alles aan haar was “artistiek”, zo anders dan de burgerlijkheid van mijn ouders.
Andere oosterse invloeden kwamen via de boeken van Pir Vilayat Khan, de stichter van de Sufi orde, die in de boekenkast stonden. En nog belangrijker voor mij: het boek “Sport en Yoga” van Yesudian, S.R. en E. Haich (Deventer, 1954.), dat mijn vader op zijn verjaardag in 1956 van mijn oma kreeg.
Dit was waarschijnlijk het eerste boek over hatha yoga dat in Nederland werd uitgegeven. Door het “Sport” te noemen, kon men hatha yoga de Westerse cultuur ‘binnensmokkelen’. Door het zo expliciet met sport — een typisch Westerse preoccupatie — en dus gezondheid in verband te brengen, voorkwam men eventuele weerstand uit Christelijke hoek. Wanneer yoga als een mystieke techniek geïntroduceerd zou zijn, zou het teveel geassocieerd kunnen worden met Hindoeïsme, een potentiële concurrent van de gevestigde Christelijke orde bij het winnen van zieltjes van gelovigen.
Deze verwachting was niet geheel ten onrechte, zoals bleek uit een Christelijk werkje dat ik jaren geleden eens onder ogen kreeg en waarin werd beweerd dat het beoefenen van hatha yoga, ook al waren dat dan alleen maar lichamelijke oefeningen, onvermijdelijk zou leiden tot het afdwalen van het rechte pad, dat wil zeggen het Christelijk geloof. Daar had men waarschijnlijk wel gelijk in.
Ook binnen de yoga wordt er zo over gedacht: het beoefenen van één vorm van yoga, bijvoorbeeld hatha yoga, leidt op den duur onvermijdelijk tot de andere vormen van yoga, zoals bhakti yoga (de weg van devotie), jñâna yoga (de weg van kennis, gnosis), karma yoga (de weg van actie en goede werken), en râja yoga (de koninklijke weg die alle andere vormen omvat, maar die vooral gericht is op meditatie).
“Sport en Yoga” stond ongelezen in de boekenkast, maar ik las alle boeken die daarin stonden, dus ook dit boek, en ik begon de daarin beschreven yoga oefeningen te doen, vooral met de bedoeling op mijn hoofd te kunnen staan. Maar ook de achterliggende filosofie vond ik interessant. Ik heb het boek nog steeds, en met onderbrekingen heb ik hatha yoga tientallen jaren beoefend.
Overigens nam ik de religieuze intenties van mijn ouders niet zo serieus. Mijn vader vond ik hypocriet: vroom tijdens de diensten en naar zijn mede-Soefi’s, aardig naar de visite, maar in het gezin een bullebak die (dreiging met) geweld kon gebruiken om de kinderen in het gareel te krijgen. In die tijd was dat overigens een normale methode van opvoeding.
Mijn moeder bespotte hem — en de Soefi’s — juist ook met deze hypocrisie.
1959 Spijbelaar
Ook op de middelbare school spijbelde ik vaak. Ik ging dan naar een bioscoop in Den Haag, waar ’s morgens non-stop films draaiden, of naar het Gemeentemuseum, of naar de Openbare Leeszaal.
In het museum waren vooral Haagse kunstenaars te zien, zoals Mondriaan (tot in zijn impressionistische periode), Constant en Berserik. Vooral de laatste heeft invloed op mij gehad bij mijn eerste schilderingen.
In de leeszaal las ik eens in een literair tijdschrift een merkwaardig relaas van mystieke en extatische geestestoestanden die opgewekt waren door een chemisch preparaat. Het deed me ook denken aan een soort geneesmiddel waar mijn moeder, die in de psychiatrie werkte, het wel eens over had gehad, een middel waarmee schizofrenie nagebootst zou kunnen worden. De beschrijving in het tijdschrift was buitengewoon interessant: ik dacht, dat wil ik ook!
Er later op terugkijkend, denk ik dat het een artikel van Simon Vinkenoog was over zijn ervaringen met LSD onder leiding van de psychiater Van Ree die er in 1959 mee experimenteerde.
Via een buurjongen, vriend, kwam ik in contact met jazz. Zijn vader had platen van Miles Davis en John Coltrane. Hij stimuleerde me ook te gaan schilderen en gedichten te schrijven. We deden aan “Jazz & Poetry”; schuchtere pogingen. Rock-‘n-Roll vonden we toen ordinair.
Een enorme impact had de film “On the Beach” gebaseerd op het boek van Nevil Shute, over de uitstervende mensheid na een atoomoorlog, een apocalyptisch visioen dat goed paste bij mijn eigen ideeën over de toekomst. In die tijd van Koude Oorlog was een dergelijk scenario heel voorstelbaar. De aanloop naar de Cuba crisis was al bezig; mijn moeder hamsterde bonen in blik, meel en suiker.
Het boek “1984” van George Orwell had ook grote invloed op mijn maatschappijvisie. Hoewel Nederland niet direct een totalitaire staat genoemd kon worden, waren er zeker fascistoïde kenmerken, vooral bij de politie, zichtbaar gemaakt door hun optreden tegen de opstandige jeugd.
Toen ik eens (1961) met de tram op weg was naar school, was er een verkeersopstopping op de Laan van Meerdervoort. Toen de tram op een geven moment verder reed, bleek dat het kruispunt bezet was geweest door scholieren (van het Haagse Montessori Lyceum), die een "Ban de Bom" demonstratie hielden. Deze vorm van protest stuitte op verzet van de bestuurders en er werden demonstranten gearresteerd en veroordeeld.
Later kwamen daar bij, zoals bekend, het afranselen met de lange latten, het ophitsen van de honden, het op de pacifistische jongeren inrijden met motoren, het waterkanon, enzovoort.
1964 TURN ON — TUNE IN — DROP OUT
In 1964 ging ik psychologie studeren aan de Universiteit van Utrecht. Psychologie in die tijd was erg in de ban van het behaviorisme — de psyche was ver te zoeken — dus dat viel eigenlijk een beetje tegen. Maar verder ervoer ik het studentenleven als een enorme bevrijding. Zowel de studie zelf, die me makkelijk afging — i.t.t. tot het gedoe op de middelbare school — die interessant was omdat je nu tenminste te maken kreeg met de bronnen, en niet met slecht voorgekauwde tweedehands stof. En natuurlijk het vrije leven als student op je eigen kamer.
Ik werd lid van de studentenvereniging Prometheus. Op de een van de eerste avonden op de sociëteit rook ik een merkwaardige zoete geur. Een van de leden, Thomas, rookte een marihuana sigaretje! “Geef mij een trekje,” zei ik. En zo rookte ik mijn eerste joint, van Marokkaanse kif, en kreeg een onbedaarlijke lachkick.
Thomas was als redacteur betrokken bij het verenigingsblad Ignis Prometheï, en spoedig deed ik ook hieraan mee.
Spoedig namen Thomas en ik onze eerste dosis LSD, toen nog een onzichtbaar druppeltje op een in zilverpapier verpakt suikerklontje. Een kosmische trip, maar voordat je de kosmos in kon zeilen, moest het ego worden afgebroken, verpulverd. Aan het eind van de trip werd het dan weer gereconstrueerd. De mystieke filosofie van yoga deed mijn ervaringen op hun plaats vallen. Ik ervoer het als louterend, zuiverend. Maar bij sommigen van mijn vrienden — zoals Thomas, en na vele trips — werkte het op den duur negatief uit. (Net een maand voordat ik dit schrijf in 2012 is Thomas overleden; zijn leven ontwricht door psychoses en herhaalde opnames in een psychiatrische inrichting; zijn lichaam ontwricht door de medicamenten.)
In de loop der jaren zou ik nog een tiental keren een trip maken. Het doel was mystieke ervaring, geen “genot”, hoewel de ervaringen zeer diepgaand, overweldigend, verbijsterend waren. Überhaupt waren onze psychedelische experimenten, ook het gebruik van hasj, gericht op mystiek en was onze levensstijl eerder ascetisch dan hedonistisch van aard, ook al werd het later aangeduid als “se#, drugs & rock-’n-roll”. We verwierpen bezit; we wilden niets vastleggen; we streefden naar leven in het hier en nu; we verwierpen autoriteit; we keken neer op de burger.
Wat psychedelische info betreft, lazen we boeken als “The Doors of Perception” van Aldous Huxley; later werd ook Timothy Leary bekend. Zijn strijdkreet “Turn on, Tune in, Drop out” sierde een tijd lang de muur van mijn studentenkamer. Verder was Herman Hesse populair.
Muziek: Rolling Stones, Jimi Hendrix.
1965 Reis naar Libanon; liftend heen en terug.
1966 Reis naar Pakistan; liftend heen en terug.
1966 Provo Volte
Prinsjesdag
De cover van het gestencilde blaadje van Volte, met een foto van de "gekooide ambtenaar".
1967 A Flight to Lowlands Paradise
Zoals uit bijgaande krantenknipsels blijkt was de totstandkoming van de Flight vooral een groepsgebeuren, namelijk de groep Volte. De “harde kern” die verantwoordelijk was voor de organisatie van de Flight, zoals ook blijkt uit de krantenknipsels, bestond uit Bunk Bessels, ik, Rob van Gemert, Hans van Amerongen, Ann, Arne Zuidhoek, Hans de Rijk en Cees Meeuwsen. Dit is ongeveer in volgorde van belangrijkheid.

Dat ik mezelf op de tweede plaats heb gezet, heeft te maken met de feiten dat ik degene was die de naam “Flight to Lowlands Paradise” verzonnen heeft, in hoge mate verantwoordelijk was voor de programmering (zo ging ik samen met Bunk naar Londen om de Engelse groepen te contracteren), en als penningmeester fungeerde.
De totstandkoming van de Flight werd verder nog mogelijk gemaakt door de vroege steun van Hitweek, de enige popkrant in die dagen, in de persoon van Willem de Ridder, met gratis reclame en publicaties; Simon Vinkenoog; jeugdcentrum “de Kargadoor”, in de persoon van Koos van Duinen (logistieke ondersteuning); café de Tregter, in de persoon van Gert Hogenkamp, waar veel ‘vergaderingen’ plaatsvonden, en die ook voor de ontvangst van de Engelse groepen zorgde, en catering; de muziekzaak Staffhorst, gratis gebruik van instrumentarium, en voorverkoop van kaarten, sponsoring; de krant “Het Vrije Volk” met veel publiciteit, en een speciale editie in de nacht van de Flight.; de burgemeester van Utrecht, jhr. De Ranitz.
En verder werkten alle artiesten mee tegen alleen maar een onkostenvergoeding.

A Flight to Lowlands Paradise werd gehouden op 24-25 november 1967.
Op 24 november 1967 was het dan zover: de deuren van de Utrechtse Margriethal zwaaiden open voor zo'n 10.000 mensen. Van acht uur ’s avonds tot acht uur de volgende ochtend vond gelijktijdig op diverse podia een enorme happening plaats met veel muziek, dans, films, lichtshows, experimenteel theater, poëzie, een paint-in-wall, een theologische discussiehoek en uiteraard de voor die tijd onvermijdelijke vloeistofdia’s. Voor tien gulden was je de hele nacht onderdeel van een enorm spektakel. En als je iets te melden had, dan kon je dat kwijt in een regelmatig verschijnende krant die ter plekke gestencild werd.
Grote internationale namen stonden er eigenlijk niet geprogrammeerd in 1967. Het aantal buitenlandse acts op het affiche bleef beperkt tot Crazy World of Arthur Brown, The Deviants en The Exploding Galaxy. Verder waren er veel bekende Nederlandse bands als The Outsiders, Blues Dimension, Cuby and the Blizzards, The Golden Earrings, Group 1850 en The Bintangs gecontracteerd. Ook minder bekende namen als The Zipps, The Tykes en The Rhythms maakten hun opwachting. Het Haagse undergroundblad ‘Iets’ (nr. 17) deed verslag van Lowlands met een paar foto's van beeldhouwer Jacques Jutte, die naakt saxofoon stond te spelen op het festival en door rechercheurs werd weggevoerd.
1969 Afstuderen & Reis naar India
Ik studeerde cum laude af in september 1969, in de experimentele sociale psychologie. Mijn afstudeerscriptie voor mijn hoofdvak sociale psychologie ging over machtsstructuren; de scriptie voor mijn bijvak, persoonlijkheidsleer, ging over achtergronden van Vietnam-demonstranten, een gezamenlijk project met Peter Tellegen, onder supervisie van Lex van Naerssen.
Ik was al een paar jaar student-assistent geweest, en mijn hoogleraar, Mauk Mulder, bood me een voorlopig assistentschap aan. Maar ik had het wel even gezien daar in dat bekrompen universitaire wereldje, en wilde een reis naar India maken, avonturen beleven, dus wees dat af.
Binnen een maand waren we vertrokken, Ann en ik, liftend en lopend. Als bagage hadden we elk niet meer dan een pukkel met daaronder een slaapzak aan twee riempjes; als landkaart had ik een paar pagina’s uit een agenda; en we hadden elk zo’n ƒ 600.
In Joegoslavië kregen we een lift van een konvooi van drie oude Mercedessen. Ze zouden helemaal tot aan Teheran rijden. Eerst zaten we samen in één auto. Later elk in een aparte auto. Ik had een tiental grammen speed bij me, en daar waren ze echt dol op. Zo konden we nachten door rijden, high op de speed, onder prachtige sterrenhemels, met sterrenbollen die vanuit het zwart fluweel als grote lampen naar beneden leken te hangen.
Sofia
In Sofia bezochten onze chauffeurs lokale prostituees. Wij wachtten urenlang in een van de auto’s. Het was een koude avond dus lieten we de auto stationair draaien; achter ons stond een tijdlang een militair aandoend voertuig, een soort jeep, met daarin de geheime politie, dachten we, die ons in de gaten leek te houden:?
Toen de mannen met de vrouwen terugkwamen, wilden de dames naar de kerk. Met z’n allen gingen we naar een grote kerk. Het was een orthodoxe dienst. Van twee kanten klonk prachtig gezang, een solist op een balkon en een koor, verborgen achter een afgeschoten gedeelte. Een priester met een hoge tiara glinsterend van de diamanten, met lang wit haar en een lange witte baard, met zeer helder blauwe ogen, kwam vanachter de klapdeurtjes te voorschijn. Het was een indrukwekkende multimedia show, en voor het eerst zag en voelde ik wat een goede Mis teweeg kon brengen. De ontroering, pracht en schittering zijn een hemelse, zo niet goddelijke afspiegeling.
De gelovigen waren voornamelijk oude sjofel geklede vrouwen. Na de dienst ging men in de rij staan voor de zegen door handoplegging bij de schitterende priester; het leek alsof hij onze dames met minachting bezag en hen niet wilde zegenen.
1969, begin van de reis 1970, halverwege de reis Augustus 1970, eind van de reis Ann
Iran
De weg van Teheran naar Mashad was toen een brede zandweg, en we hebben daar wel eens een dag gestaan, terwijl er maar een paar auto’s voorbijkwamen, en we niet meegenomen werden.
Ergens op deze route ontmoetten we een zeer merkwaardig persoon. Achteraf gezien, was hij een fakir (in de oorspronkelijke betekenis van dat woord) ofwel een “sadhoe” van de Moslim religie. Maar daar hadden we nog nooit van gehoord.
We ontmoetten hem in een klein restaurantje, eigenlijk een grote hut van leem, waar hij ons uitnodigde voor de maaltijd. Hij was zeer vrolijk, exuberant. Hij hoefde niet te betalen voor de maaltijd en hij werd met zeer veel egards behandeld. Mijn herinnering is vaag, maar ik neem aan dat hij toch ook een paar woorden Engels sprak, of communiceerden we in gebaren? Bij het afscheid gaf hij ons zijn foto, en noemde zijn naam: Baba Nondad.

Eigenlijk trokken we zelf rond als sadhoes, maar dat wisten we toen nog niet: lopend en liftend, met maar een zeer kleine tas, praktisch zonder geld, vaak aan de kant van de weg slapend, in ruïnes, in schuren, in de goedkoopste hotels.
Baba Nondad
Goa
Onderweg hadden we van Goa gehoord. Vanuit Bombay zou er een boot naartoe varen. We liepen naar het gebouw aan de haven waar we twee tickets boekten, en de volgende dag drongen we in de massa mensen mee om aan boord te komen. We sliepen natuurlijk dekklasse. De reis duurde een dag en een nacht.
Onderweg spraken we met een medereiziger die ons een en ander vertelde over Goa. Slecht geïnformeerd als ik was, dacht ik dat het een stad was, maar het bleek een staat te zijn, een Portugese enclave.
De volgende ochtend nodigde hij ons uit met hem mee te gaan, want hij wist een leuke bestemming. Over een loopplank liepen we naar de kade waar de grote boot had afgemeerd, en daar lagen al kleine bootjes, een soort kano’s klaar, om ons voor een paar paisa naar de overkant van de rivier te brengen. Daar stapten we in een gammele bus. We reden een uur of zo over een smalle weg door een zacht en warm landschap van palmbomen, lege velden en witgeschilderde villa’s. De bus stopte in een klein dorp met lage, villa-achtige huizen. Dit was Calangute, zei onze gids, en hij wees ook het postkantoortje aan, ook in een soort villaatje, en een winkel en de kapper. Van hier gingen we over een smalle weg naar het strand. We liepen langs de zee in Noordelijke richting, toch zeker wel een half uur, over mooi geel, warm zand. Toen moesten we door een riviertje waden, die daar in zee stroomde, en gingen we langs een klooster op een vooruitstekende rots. waarvan de monniken het niet zo zagen zitten dat die halfnaakte hippies zo langsliepen, vertelde onze gids, zodat ze een hek hadden aangebracht, waardoor we om moesten lopen. We gingen op en neer langs de berg, over rotsen, over een geitenpaadje, de ruisende zee aan de linkerhand, en bereikten een halvemaanvormig strand. Aan de ene kant de zee, aan de andere kant een palmbomen bos, met daartussen hier en daar huizen, weer van die villa-achtige, witgeschilderde huizen — dat was Anjuna.
Een van die huizen was onze bestemming. We gingen naar binnen en onze gids werd hartelijk begroet door een paar jonge mensen die binnen waren. De ruimtes waren open; er waren geen deuren of glazen ramen.
Een wat oudere magere man kwam op ons af, en zei: “welcome, I’m Eddie, find yourself a place.”
We legden onze matjes in een hoek van een kamer. Eddie legde uit hoe het er aan toe ging. Er was elke ochtend en avond eten; je hoefde niet te betalen maar als je genoeg geld had was een bijdrage natuurlijk welkom.
Hij werd "Eight-finger Eddie" genoemd, omdat hij was geboren met drie vingers aan zijn rechterhand. Het zag er heel natuurlijk uit, en zoals hij zei, was het voor hem als bassist, die hij geweest was in New York, uitstekend geschikt om de snaren te tokkelen.
’s Avonds zat hij met zijn benen onder zich gevouwen rechtop, met zijn armen te “dansen” op de klassieke Indiase muziek uit zijn kleine transistorradio, wel een uur lang. Bliksemsnel draaide en wentelde hij zijn armen en handen; het was meditatie. Hij had overigens geen guru-achtige pretenties. Toen althans; in later jaren, toen ik hem nog een paar keer ontmoette, had hij wel iets van een guru gekregen; hij had ook een pamflet geschreven met zijn ideeën.

Eight-finger Eddie met zijn transistorradio, in 1971

’s Morgens vroeg ging ik naar het strand en deed daar tussen struiken mijn yoga-oefeningen. Wij hippies liepen daar naakt op het strand — het was voor mij voor het eerst dat ik publiekelijk naakt liep — terwijl de lokale vissers er bezig waren met hun netten en bootjes, zonder acht te slaan op ons. Twee gescheiden werelden, maar toch harmonieus.
Er waren toen zo’n twintig à dertig mensen (en dat waren toen zo’n beetje alle buitenlanders in heel Goa) in Eddie’s commune — want zo kon je het wel noemen. Twee jongens (jonge mannen), met voor die tijd extreem lang haar, kookten elke dag de groentebrij die opgediend werd in halve kokosnoten. Er werd muziek gemaakt, en geblowd natuurlijk.
Eens, tegen de avond, kwamen we terug van het strand en Eddie wachtte ons buiten op. “Iedereen heeft een trip genomen,” vertelde hij, “eens kijken wat ik nog voor jullie heb.” Hij gaf ons twee langwerpige capsules, die we ogenblikkelijk doorslikten. We zaten met z’n allen in de grote kamer. Eerst kregen we nog eten. Maar het begon al te werken, en ik voelde me geheel opgaan in de groep, met één groot spijsverteringskanaal. Toen zeilde ik de diamanten kosmos in, een caleidoscoop van edelstenen, schittering en ontzag. Later ging ik even naar buiten: het huis stond te zinderen; kleuren en stralen spatten eruit; er was tromgeroffel en gefluit; het had ook iets van een heksenketel. Ik dacht, dit moet ik Ann laten zien. Ik ging weer naar binnen; werd eigenlijk naar binnen gezogen alsof ik de groep niet had mogen verlaten, zozeer was ik er deel van. Binnen leek het alsof iedereen de ledematen had uitgewisseld; mijn bovenlijf was te kort, ik had de armen van iemand anders. Eddie, die niet tripte, zat in de kamer met zijn armen te dansen. De paranoïde gedachte besprong mij dat deze groepstrip met uitwisseling van de ledematen een truc was van Eddie, om zo zijn hand met drie vingers om te ruilen voor een goede hand. Ergens wist ik wel dat dit een absurde notie was, maar de paranoia had zijn intrede gedaan en was weer moeilijk uit te bannen. Ik ging op mijn matje zitten in onze hoek en wist middels de lotushouding mijn eigen lichaam weer te reconstrueren. Tegenover mij lag een jongen die niet mee tripte te slapen; hij maakte een lege indruk, alsof zijn geest of ziel toch in de groep was opgedeeld. Om mij heen bleef het kolken; men tromde, floot en bewoog. Tegen de ochtend keerde de rust weer.

Puri
Ann en ik arriveerden in Puri achterin een kleine auto van een handelsreiziger die op pelgrimage was. Hij nam ons mee naar een dharmshala vlak bij de Jagannath Tempel, een gebouw met meerdere verdiepingen, waar hij ons tegen enige weerstand in (we waren geen Hindoe) een kamer wist te bezorgen. Mijn uiterlijk was wel in mijn voordeel: ik had toen lang haar, een baard, en een rond brilletje en zag er, achteraf gezien, eigenlijk uit als een sadhoe of swami.
De handelsreiziger bazuinde ook rond dat ik kon handlezen, en dat ik er niets voor vroeg. Daardoor werd het een drukte van belang in onze kamer. Een oude man, een devote pelgrim met rode tilak op zijn voorhoofd, toonde me zijn hand. Op de bal van zijn hand zag ik een huidpatroon in de vorm van spiraal, wat geacht wordt een ‘sterke’ vorm te zijn die verwijst naar bijzondere talenten, en die zeer zeldzaam is op deze plaats, de Maanberg, representant van het onderbewuste. Toen ik er lovende woorden over sprak, er een veelbelovende religieuze draai aan gevend — van het onderbewuste naar de goden is maar een kleine stap — barstte hij in tranen uit. Later vroeg een man me mee te gaan naar een andere kamer om daar de hand van een vrouw te lezen. Om religieuze redenen was ze “in purdah” zei hij. Er waren meerdere mensen in die kamer. Zij was geheel bedekt met een sari, waar alleen haar rechterhand uitstak. De man vroeg hoe oud ze was. Ik schatte haar in als een jonge vrouw maar de man zei dat ze zestig was. Ze deed de sari van haar hoofd en, inderdaad, het was een oude vrouw. De sessie was meteen over. Niks “purdah”! Ik was in de val gelokt en door de mand gevallen.

We zaten geregeld op een stenen platform op het plein voor de Jagannath tempel om de mensen gade te slaan. Op een keer begon grote koe vlak bij ons te urineren. Een oud vrouwtje met een mand op haar hoofd kwam aanlopen en hield haar rechterhand even in de copieuze gele straal en besprenkelde zichzelf met urine druppels. Een halfnaakte, verdwaasde man die daar gewoonlijk ronddoolde — in zijn dwaasheid enigszins goddelijk — en die volledig van de wereld leek, liep opeens achter de oude vrouw aan, overdreven heupwiegend, de linkerhand op zijn kaalgeschoren hoofd, en met zijn rechterhand maakte hij sprenkelende bewegingen, de spot drijvend met haar rituele handeling belachelijk — maar alleen voor wie het wilde zien.
Toen hij ons zag lachen, kwam hij naar ons toe en hurkte aan onze voeten. Hij pakte een van mijn voeten, tilde die hoog op en keek aandachtig naar mijn voetzool. Met een vinger traceerde hij de lijnen en mompelde wat. Hij was mijn voet aan het ‘lezen’! Hij deed een parodie op mij, als handlezer, maar hoe wist hij dat? Toen plaatste hij mijn voet op zijn hoofd. Het was geen gebaar van onderwerping (zoals dat in het Westen waarschijnlijk geïnterpreteerd zou worden), maar het was alsof hij zo mijn energie — mijn ‘zegen’ — wilde ontvangen.
Kathmandu
Ann en ik kwamen in kathmandu aan, bovenop zakken cement of zo, achter op de laadbak van een vrachtwagen. Vanaf de Indiase grens waren we al zo’n twaalf uur onderweg. Ergens hoog in de bergen stonden we een paar uur stil en hadden we in onze slaapzakken op de harde zakken cement een zeer koude nacht doorgebracht. Vroeg in de ochtend kroop de vrachtwagen over de zoveelste pas en zagen we weer de ijzige toppen van de Himalaya in de verte. Maar toen zagen we diep beneden ons, op lage heuvels in een groene, zonovergoten vallei, huizen, tempels en de stupa. We wisten niet precies waar we waren, maar dat kon niet anders dan Kathmandu zijn. De naam had een magische klank voor ons, iets als Xanadu.
Ook hier ontmoetten we Eddie weer. We zaten in hetzelfde guesthouse.
Eddie danste — met zijn hele lichaam, maar met veel gebruik van zijn magere armen, als een spin — in het café waar toen nog openlijk hasj gerookt mocht worden.
Khyber Pas
Out-of-the-body experience. [Nog te schrijven]
We bleven een jaar weg, en achteraf gezien was het vooral een pelgrimage, al zou ik het toen niet zo genoemd hebben, langs de heilige plaatsen, de ‘power-spots’, een halfbewust zoeken naar magie en spirit — Cosmic Consciousness — als ‘tourists of the occult’ (in Kakar: Shamans, mystics and doctors. p.192) En er waren zeker momenten dat we geraakt werden door de magie van het Oosten. Het waren reizen terug in de tijd, een omkering van alle waarden, een culturenrelativerende ‘brain-wash’. Afgezien dan nog van de verlokkingen van het palmenstrand en andere de exotische genoegens.
Een belangrijke les: het Christendom, met haar charitas, was als maatschappijvormende moraal te verkiezen boven Islam en Hindoeïsme — dat waren (zijn) toch keiharde samenlevingen.
1970-1971; Krisis Interventie Centrum
Psycholoog:
oprichter van de Krisis Interventie Centrum in Utrecht, voor hulp aan drugsgebruikers met problemen.

In mijn woon- werk- slaapkamer in het KIC.

Artikel in het HP van 3 maart 1971.
Psychologist:
1970-1971, founder of the Crisis Intervention Centre in Utrecht, for helping drug users in distress.

De cliënten relaxen voor de deur.
Het krantenartikel in het Utrechts Nieuwsblad, april 1971 (?).

De gevel van het KIC.
De deur werd herhaaldelijk ingetrapt; de ruiten zijn ingegooid,
met een fiets, door hooligans uit wijk C.
1974
De resultaten van jarenlange yoga-oefeningen: Sasdijk, 1974
1975-1976 Persijn
Als psycholoog werkzaam bij Persijn, een instelling voor verstandelijk gehandicapte kinderen in Maartensdijk.
1977 Beeldend kunstenaar:
Tentoonstellingen in het Centraal Museum Utrecht 1981; Slot Zeist 1983; Onder de Toren, Breda (1986), Art Enterprise en La Vie, Utrecht (1987), Galerie Van Soest, Wassenaar, Kunstmarkt Utrecht (1988); galerie Art Sense, Amersfoort (1990); Kunstmarkt Utrecht (1993).
Goa, 1980, Adolf Janus, The artist as a young man
1978, India
Puri Een reisverhaal
Tijdens de reis met Ann (zie boven) was ik al eens in Puri geweest. In 1987 ging ik weer naar Puri, nu met José. Het voornaamste reisdoel was Hariharananda, een Indiase guru van wie we enkele lezingen en meditatie bijeenkomsten in Nederland gevolgd hadden. We waren bij hem terecht gekomen via een bekende van ons uit de hippie scene, een voormalige hasj roker, die zich als discipel totaal aan Hariharananda overgeleverd had, en daarom niet meer rookte. Hij had mij gevraagd een poster voor deze bijeenkomsten te maken van een zwart-wit foto van de oude guru, met lange grijswitte haren en baard, en met ronde brillenglazen die zijn ogen vergrootten. Enthousiast had hij over zijn guru en zijn yoga methode verteld.
Swami Hariharananda, onderwees Kriya Yoga, wat inhield dat je je gewaar moest worden van innerlijk geluid, innerlijk licht en innerlijke beweging, welke ergens in het midden van het brein gesitueerd zouden zijn. Voldoende concentratie hierop zou haast vanzelf tot verlichting leiden. Tijdens een bijeenkomst illustreerde hij dit door op een zeer oude schoolkaart met een schematische voorstelling van het menselijk lichaam de diverse onderdelen aan te wijzen die hierbij betrokken zijn. Zijn uitleg van het yoga mechanisme, met pneumatische beeldspraak (“power building up, energy flow, etc.”), was nog simplistischer dan in de yoga literatuur gebruikelijk. Maar het praktische van Kriya Yoga sprak me wel aan, de Swami was een sympathieke oude baas, en zo ondergingen we zelfs een soort inwijding.
We zochten hem op in zijn ashram, een ommuurde en omhuisde bloementuin in een buitenwijk van Puri, met daarin een paar gebouwtjes. De tuinman bracht ons naar een gebouwtje met een verdieping, waar een Indiase chela van Hariharananda, met zwarte baard en in rode kledij, ons vertelde dat guruji nu even niet gestoord kon worden. Hij leidde ons rond in de goed verzorgde bloementuin, naar een klein mausoleum, de samadhi van Shri Yukteshwar, de guru van Hariharananda, die zelfs buiten India bekend is. Dat zou een goede meditatieplaats zijn, waar makkelijk contact met de geest van Yukteshwar gemaakt zou kunnen worden. Hij bracht ons terug naar de ashram, klopte op een deur en opende deze vrijwel meteen. De Swami zat op de rand van zijn bed achter een tafel met een blocnote in zijn hand en hij keek verstrooid op, de pose van ‘heilige gestoord in zijn meditatie’. Hij maakte een verfomfaaide, beslapen indruk, of hij zich net had opgericht van zijn bed bij de klop op zijn deur en snel iets ter hand genomen had. Hij deed alsof hij zich ons kon herinneren. Een inspirerend gesprek was het niet maar we volgden zijn advies op elke avond te komen mediteren.
In de tuin van de ashram ontmoetten we een meneer Das, een burger-discipel van Hariharananda die ons als mede-discipelen wel een kamer wilde verhuren. Dat kwam goed uit want we wilden een paar weken blijven. We richtten ons in, kochten een matras, een muskietennet, een petroleumbrander, potten en pannen, etc. Het was dicht bij het strand en de boulevard; een frisse zeewind blies vaak door de tralies van de glasloze ramen.
Met José en Shiva voor de ashram
Aanvankelijk gingen we aan het begin van elke avond trouw naar de ashram, naar de meditatie hal. We waren vaak de enigen. Het was er warm en broeierig en er waren zwermen muskieten, dus droegen we hemden met lange mouwen, wreven we ons in met wee ruikende antimuskietenzalf en zaten we onder een van de plafondventilators. Niet bevorderlijk voor de concentratie, maar ik meende wel eens wat ‘innerlijk licht’ waar te nemen.
Hariharananda zagen we weinig. Hij was verwikkeld in een juridische strijd met een andere leerling van Yukteshwar over de opvolging en vooral de eigendomsrechten van de ashram, waarvoor hij vaak naar Calcutta moest. En als we hem dan al eens in de tuin zagen lopen, zijn dikke buik zijn lange gewaad fors opbollend, dan groette hij afstandelijk, niet meer dan een zegenend gebaar.
De ashram bestond 75 jaar en er waren festiviteiten op komst. Alle gebouwen en muren kregen een verfbeurt, en ik, als ‘artist’, leverde mijn bijdrage door de in cement geboetseerde letters en logo boven de tuinpoort met rode en gele verf te beschilderen.
Op de dag van de viering was de tuin gevuld met dignitarissen, welgestelde discipelen van Hariharananda en religiosi. Overal hingen posters met Hariharananda’s portret, dezelfde zwart-wit foto die ik voor mijn poster gebruikt had; er waren ook mala’s te koop met zijn portret in een medaillon (het deed me aan Bhagwan Rajneesh denken); er lagen boeken en pamfletten met zijn portret op de omslag. Het was een ware persoonlijkheidscultus, iets waar ik allergisch voor ben. Een soort ontgoocheld gingen we meteen weg.
Als een serieus experiment had ik de Kriya Yoga — ondanks twijfels over de swami — echt een kans willen geven, dus streefde ik naar ‘puurheid’, dus geen hasj (en ik geloof zelfs ook geen seks of weinig). Maar dit streven werd ondermijnd door het frivole gedrag van J., die, terwijl ik thuis zat te mediteren of te tekenen, op het strand met een jonge knaap liep te flirten.
Deze nam haar ook mee naar een kleermaker die zich ook als een soort guru gedroeg, en waar elke avond een groepje jeugdige hippies en rugzaktoeristen bijeenkwam.
Door jaloersheid gedreven ging ik een volgende keer met haar mee. Opgewekt en vrolijk ontving hij zijn gasten in een kleine rommelige huiskamer boven zijn shop met trapnaaimachine, onthaalde ze op zelfgemaakte bhang-lassi, trommelde op zijn tabla en zong melancholieke liederen. De bhang kon ik natuurlijk niet afslaan. Ook de chilams van de hippies niet.
Nadat we bij de kleermaker de smaak weer te pakken hadden gekregen, gingen we geregeld naar de officiële Government Bhang Shop, waar je behalve bhang en ganja ook —onder de toonbank— opium kon kopen. De heer Das moet met verbazing gevolgd hebben hoe we binnenkwamen als vrome discipelen en in enkele weken ‘verwerden’ tot ganja rokende hippies.
Eerder al waren we op de strandboulevard ooit eens aangeklampt door een jonge Indiër, die zeer Westers gekleed was. Hij heette Shiva en sprak goed Engels. Hij bleek een ‘ten-percent-man’ te zijn, die toeristen naar winkels of hotels brengt waar hij dan tien procent van een eventuele transactie krijgt. Aan ons kon hij niet veel verdienen, maar desondanks (of dankzij?) was hij al spoedig een soort vriend (hij viel waarschijnlijk ook op J.). Scoorde hij hasj of wiet voor ons?
In de kamer naast ons was een Amerikaanse Hare Krishna aanhanger komen wonen. Hij was geheel volgens de regels uitgedost, in roze doeken, rechterhand in mala-zak, geschoren hoofd met haarlok en een gele tilak op zijn voorhoofd. Op een ochtend was hij bezig met koperen staafjes en allerlei parafernalia witte en gele tilaks aan te brengen op zijn voorhoofd, torso, armen en benen (zoals zoveel Westerse Hare Krishna’s had hij dikke witte kuiten). Ondertussen neuriede en zong hij het Hare Krishna deuntje. De uniformiteit van deze godsdienstigheid, die zich vooral in zo’n uiterlijke devotie moet manifesteren, en zeker als het door dikhuidige Westerlingen wordt bedreven, leidde tot mijn fraai allitererende definitie van godsdienst: “crutches for the crippled but no cure.”
Wat dat betreft is yoga heel anders. Wat mij er juist in aantrok, was dat het principieel geen religie veronderstelde, geen geloof, geen god. Althans in origine; later zijn deze elementen er toch weer in geslopen. We raakten aan de praat over zijn levenswijze als monnik, en ik merkte op dat het celibaat niet makkelijk was vol te houden. Hij zei toen, “the Dutch are very much obsessed with the vagina.”
We gingen toen al een tijdje niet meer naar de ashram. Eén keer nog, de dag voor ons vertrek uit Puri, zijn we er geweest. Samen met Shiva en zijn ‘vriend’, een fotograaf die voor enkele roepies kiekjes maakte van Indiase toeristen aan het strand of in zee. Voor de poort van de ashram liet ik een foto van ons drieën maken, met de door mij beschilderde belettering en het logo er duidelijk op.
1980 India
Aurangabad
Dit is een beetje een zoekplaatje, maar in het midden van het geëgaliseerde stukje grond steekt een hand uit de aarde omhoog. De hand van een Sadhoe die levend begraven is. Dat hij leeft wordt bewezen door het feit dat hij langzaam de kralen van de korte mala door zijn vingers laat glijden. De zittende man erachter houdt de kapar (kokosnoten schaal, kapar + schedel) in de gaten, waarin donaties geworpen kunnen worden.
Deze foto heeft voor mij een speciale betekenis. Ik maakte hem in 1980, tijdens een reis met José, en het was de eerste foto die ik van een Sadhoe maakte. En deze foto vormde uiteindelijk ook de aanleiding om met mijn Sadhoe-project te beginnen — zij het pas zeven jaar later.
In die tijd was ik nogal zuinig met het maken van foto’s. dus maakte ik er maar één!
Een reisverhaal
We verbleven toen meerdere dagen in Aurangabad vanwaar we de dichtbij gelegen grottempels van Ellora bezochten. Die wonderbaarlijke, in de loop van meerdere eeuwen door Jains, Boeddhisten en Hindoes in de rotswand uitgehakte tempels en kloosters, met gesculptuurde pilaren en godsbeelden, waarvan je je bijna niet kunt voorstellen dat deze door mensenhand zijn vormgegeven. Die mensenhand was wel duidelijk zichtbaar in de ‘restauratie’ pogingen met cement en baksteen van de hedendaagse Indiërs.
De meest fantastische monoliet was wel de Kailash tempel, genoemd naar de verblijfplaats van Shiva, een bergtop hoog in de Himalaya. Dit vrijstaande, rondom en inwendig open gebeitelde, barokke tempelcomplex zou heel wat beter in de rij van ‘wereldwonderen’ passen, dan de zo geroemde Mogul graftombe in Agra. Godenverering versus dodenherdenking: aan de vruchten herkent men de boom.
Sommige grotten zijn onaf. Het leek of de religieuze beeldhouwers abrupt de beitels neer hadden gelegd, of eigenlijk, dat ze te werk waren gesteld aan een nabijgelegen Mogul fort. Deze was gevormd uit een vrijstaande heuvel, een puist in het vlakke land, die rondom verticaal was afgebeiteld tot diep in de grond, waardoor een vestinggracht was ontstaan. Evenzeer een gigantische arbeid, maar wat een verschil in doel.
We wisten dat er die dag een gedeeltelijke zonsverduistering zou plaatsvinden en dat er tijdens die huiveringwekkende astrologische en mythologische gebeurtenis — de goddelijke zon wordt door monsters opgegeten — overal magische rituelen en festiviteiten zouden plaats vinden om het kosmische proces in goede banen te leiden.
Toch kwamen we min of meer toevallig terecht bij een tempelcomplex niet ver van Ellora, waar duizenden pelgrims bijeen gekomen waren voor de geruststellende religieuze rituelen. We liepen eerst wat verloren in de menigte, lieten ons meevoeren in het gedrang, door de tempel waar we een korte aanblik (darshan) hadden van de offeringsceremonie, en kwamen uit op een kleine kermis. Wat attracties betreft was het niet veel meer dan een simpele speeltuin. Er was een met handkracht bewogen draaimolen; er was een met voetkracht bewogen ‘reuzenrad’ van hout, niet hoger dan drie meter, met zes zitjes of zo, een tredmolen dus voor de operateur. Er waren wat stalletjes met snuisterijen, etenswaren en thee. Maar er was niet veel te beleven en we slenterden verder over een smalle zandweg.
Even na het middaguur begon het te schemeren. De vogels hielden op met zingen. De slanke spitse bladeren van de bomen projecteerden halvemaanvormige schaduwen op de grond. Het werd niet helemaal donker, maar het was een vreemd duister licht. Huiveringwekkend, inderdaad. Het duurde niet zo lang, en het leven hernam zijn normale loop.
Iets verderop zagen we een kleine samenscholing. Nieuwsgierig drongen we er door heen en zagen waar ze naar staarden: het was een hand die uit de grond stak in het midden van een langwerpige rechthoek geëgaliseerde aarde. Traag bewoog een korte rozenkrans tussen de vingers van die hand. Er zat dus een levende man onder de grond! Naast de rechthoek zat een jongen die een kokosnoot-bedelnap en een in de aarde gestoken drietand in de gaten hield. Hoewel daaruit bleek dat het niet zo maar een ‘wonderdoener’ was die onder de grond zat, maar een sadhoe, een heilige man, leek het toch eerder een goocheltruc van een fakir of zo, ademhalend door een buisje. Maar toch, het was een mooi spektakel en ik maakte er een foto van.
Even later stapten we in de bus die ons terug zou brengen naar het stadje. Door het glasloze getraliede raampje zag ik in de schaduw van een grote boom een naakte man zitten, zeer mager en met lang haar tot op de grond. Een klein groepje mensen zat eerbiedig in een halve cirkel voor hem. Tussen de tralies van het busraampje door maakte ik een foto van dit tafereel. Maar laf, op te grote afstand, als een echte toerist de confrontatie met de inheemsen uit de weg gaand, en ik wist dat het geen goede foto zou zijn.
Een stem achter mij vroeg: “Why do you take a snap of this fellow?”
Ik draaide me om en zag een dikke, westers geklede Indiër op de bank achter mij. Uit zijn vraag en intonatie klonk een duidelijke minachting voor de sadhoe, de arrogantie van de moderne middenklasse burger, die de sadhoe op zijn best beschouwt als bijgelovig overblijfsel van een duister verleden en op zijn slechtst als een parasiet van de maatschappij, een blok aan het been van de Vooruitgang. Als het aan hem lag, zouden ze niet lang meer vrij rondlopen.
En dat inspireerde me tot: “Because they will be gone in thirty years.”
Ik realiseerde me op dat moment dat de sadhoes een kleine minderheidsgroep vormden, die door verwesterlijking van de Indiase samenleving waarschijnlijk zou verdwijnen of verpauperen. Het was een bedreigde soort. Hun situatie deed me enigszins denken aan de Indianen van Noord Amerika, of de aborigines van Australië, eerdere slachtoffers van imperialistisch kapitalisme en consumentisme.
Ik realiseerde me ook dat er geen foto’s van sadhoes bestonden, zoals er destijds wel foto’s gemaakt waren van de Amerikaanse Indianen, zo’n honderd jaar geleden. Indrukwekkende portretten van chiefs die met een wilde vonk in de ogen strak de lens inkijken. En het zou toch jammer zijn als er van de sadhoes niet op zijn minst zulke sporen overbleven.
1987-88 Eerste sadhoe reis
Bij het fotograferen van sadhoes was in eerste instantie vooral geboeid door het kunstzinnige uiterlijk en vertoon van de sadhoes, en dat wilde ik door middel van foto’s vastleggen. Want tot mijn grote verbazing bestond er toen nog geen fotoboek of zo over de sadhoes. Ik wilde een boek met portretten maken, voordat ze verdwenen zouden zijn.
In ieder geval was het een mooie aanleiding om weer eens naar India te gaan. Aan de hand van vroegere reiservaringen en een paar boeken (vooral ‘Indian Sadhus’ van Ghurye uit 1953), had ik een voorlopige route uitgestippeld die langs een aantal plaatsen voerde waar ik hoopte sadhoes aan te treffen. Dit zijn vooral pelgrimsplaatsen met belangrijke tempels, bij een heilige rivier, zee, of berg. Plaatsen ook waar belangrijke religieuze festivals gehouden worden.
Bam Bam Baba, een sadhoe in Bombay Een reisverhaal

In de verte zag ik door de mensenmassa heen een man met een rode tulband of zo lopen, gekleed in een hel geel hemd en een rode doek om zijn benen. Tussen de Westers geklede Indiërs (witte overhemden, donkere broeken) die in deze buurt van Bombay de toon aangaven was hij een zeer opvallende verschijning. Met een schok realiseerde ik me dat hij wel eens een sadhoe zou kunnen zijn. Even bespeurde ik mijn neiging om niet betrokken te willen raken, en betreurde ik het feit dat ik geen telelens had meegenomen. Maar dat had ik tenslotte opzettelijk gedaan, om mezelf te dwingen dichtbij te komen en niet als bange toerist op veilige afstand stiekem een foto te stelen.
Ik snelde dus die kant op, achter hem aan, de straat overstekend tussen razende taxi’s en rode dubbeldeksbussen door. Even was ik hem kwijt in het gewoel, maar toen zag ik hem weer, tussen een paar kraampjes van kledingverkopers (T-shirts, ondergoed, zakdoeken) door, stevende hij af op de manshoge muur rond de palmentuin van een imposant Victoriaans gebouw, het Prince of Wales Museum (waar ik nog nooit binnen was geweest). Hij plaatste zijn stok en tas tegen de pilaar van een gesloten hek en spreidde een rode doek op de grond uit.
Ik liep op hem af en zei, “good morning.” Vriendelijk glimlachend wees hij me een jute zak aan op de grond waar ik kon gaan zitten. Hij stuurde een jongetje er op uit om thee te gaan halen. Ik wilde ervoor betalen maar met een handgebaar hield hij me tegen. Hij betaalde ook niet; het was blijkbaar een gift van de thee-man, die hem vanuit de verte eerbiedig groette.
Aandachtig dronk hij zijn thee. Ondanks het geraas van het verkeer en het gekrioel van vele mensen zaten we daar rustig. In de schaduw van een paar grote bomen en enigszins beschut door de kraampjes met kleding. Een paar jongetjes, blootsvoets en armoedig gekleed in korte broek en T-shirt met gaten, stonden naar ons te staren, maar verder vielen we niet echt op. In een van de bomen, hoog tegen de stam, was een houten ‘vogelhuisje’ getimmerd, maar het was in feite een klein tempeltje met altaartje, waar verse bloemenkransen overheen hingen.
“Are you a sadhu?” vroeg ik, direct en plompverloren, maar in India is dat niet ongewoon.
“Everybody is a sadhu, we are all on the path,” antwoordde hij in goed Engels. Met deze semi-wijsheid, een cliché eigenlijk, ontweek hij handig mijn vraag.
En zonder overgang zei hij, “I have many friends in Europe and U.S.” Hij zocht in zijn tas naar een adressenboekje maar kon het niet vinden. Zo’n adressenboekje, dat elke masseur of oorschoonmaker met gevoel voor public relations je onder de neus douwt, zou mij toch niet overtuigd hebben van zijn sadhoeschap of wat dan ook. Maar, hij had ook een “girlfriend” in Holland en hij sprak inderdaad de plaatsnaam waar ze woonde — Alkmaar — correct uit.
Hij vertelde dat hij al jaren op deze plek woonde, dat hij van tijd tot tijd door de politie werd weggejaagd, maar dat hij altijd weer terugkwam. Hij lachte er hartelijk om en maakte zich totaal geen zorgen. Als excuus om mijn camera voor de dag te halen, maakte ik vanuit mijn zittende positie een foto van het kleine heiligdommetje in de boom en vroeg toen of ik een foto van hem mocht maken. Hij stemde meteen toe, poseerde met plezier, ging er even goed voor zitten, maar toch een soort nonchalant. Ik maakte snel een paar foto’s want het publiek stroomde al toe. Ik vroeg naar zijn naam en adres om hem later een foto te kunnen sturen. Hij heette Bam Bam Baba en hij gaf me een kaartje met daarop ‘zijn’ adres, dat van een bevriende winkelier (Xanadu Fashions) in de buurt. Zijn naam was wel grappig. ‘Bam Bam’ is een aanroep die door hasjrokers geslaakt wordt bij het aansteken van hun chilam, en het allitereerde zo leuk.
Ik vroeg hem of hij yoga of pranayama beoefende — om te demonstreren ook dat ik er wel iets vanaf wist. Dat had hij vroeger wel gedaan, antwoordde hij, maar dat was nu niet meer nodig.
“Now I only do japa” , zei hij en maakte een beweging met de vingers van zijn rechterhand alsof hij de kralen van een rozenkrans telde.
“I have simple life,” zei hij glimlachend, zijn basisfilosofie samenvattend, “no worries, God is taking care of me.” Hij wees naar de hemel.
Ik vroeg tot welke sekte hij behoorde (want er zijn talloze sadhoesekten wist ik uit het boek van Ghurye), maar hij zei, “No sect, I belong to ‘bird-caste’, you know, free, free like bird.”
Weer zo’n soort cliché. Was hij wel een ‘echte’ sadhoe? vroeg ik me af, maar hoe dan ook, zijn zorgeloosheid maakte wel indruk op me. Zijn blijheid, hier levend, op straat, zo blootgesteld aan de elementen, aan al die drukte.
“Do you know more sadhus here in Bombay?” vroeg ik.
“Oh, yes, many many.”
“Can we go together to look for them?”
“Oh yes, of course. You want to go now?”
Dat ging me iets te snel; ik moest dit totaal onverwachte succes — de tweede dag in India en nu al een sadhoe gefotografeerd — nog even verwerken. We spraken af dat ik morgen op dezelfde tijd terug zou komen. Toen ik wegging, legde ik een biljet van tien roepie aan zijn voeten op de rode lap. Zeer nonchalant, alsof het een waardeloos stukje papier was, stopte hij het in zijn stoffen tas.

De volgende dag
Bam Bam Baba zat op zijn plek en zag me, laverend tussen de kraampjes door, van verre aankomen. Hij zwaaide vrolijk.
“Good morning,” zei ik.
“Jay ho, jay ho,” antwoordde hij en legde een jute zak neer waarop ik kon zitten. Hij riep een jongetje en gaf hem opdracht thee te gaan halen. Ik gebaarde de jongen dat hij even moest wachten en gaf hem een paar roepies. In een oogwenk was hij weer terug met twee glazen melkthee en plaatste ze voor de sadhoe, hem eerbiedig aansprekend met “baba.”
Ik vroeg naar de betekenis van ‘baba’ en Bam Bam Baba legde uit dat het iets als ‘oude man’ betekent.
“All sadhus are called baba.”
Verder leek er niet veel te zeggen. Zwijgend slurpten we van het hete, zoete vocht. Het had iets huiselijks deze plek, ondanks de openbaarheid, de drukte en het lawaai om ons heen.
“Shall we go?” vroeg ik, toen de thee op was.
Hij pakte zijn tas en zijn stok, hing zijn rode zitlap over de pilaar, en stapte kordaat door de kraampjes heen, op weg, dacht ik, naar de standplaats van de rode dubbeldeks stadsbussen.
“Let’s take a taxi,” zei ik en meteen stak hij zijn hand op. We stapten in, hij gaf een opdracht aan de chauffeur en vergenoegd leunde hij achterover. We reden weer over de Marine Drive, terug in de richting waar ik net eerder vandaan gekomen was. Ik vertelde hem dat ik een groepje sadhoes op straat had zien rondhangen en legde uit waar dat ongeveer was. Volgens hem verbleven deze sadhoes op Chowpatti Beach, het stukje strand aan Marine Drive met dun bebladerde boompjes en tientallen kiosken waar softdrinks, ijs en snoep en zo verkocht worden en waar ‘s avonds de stedelingen even een frisse neus halen. Toen we er even later langs reden was er echter geen sadhoe te zien.
We gingen nog verder, richting Malabar Hill, waar de ‘Hanging Gardens’ zijn. Hier in de buurt moeten ergens ook de ‘Towers of Silence’ zijn, de plek waar de Parsi’s hun lijken deponeren om door honden en aasgieren te worden ‘gerecycled’. Taboe voor toeristen.
De taxi reed nog door wat smalle en betrekkelijk rustige woonstraten en stopte op een aanwijzing van Bam Bam Baba. We liepen een paar steegjes door, en tot mijn verrassing bereikten we een grote ‘tank’, een rechthoekig waterbassin zo groot als een voetbalveld. De zijkanten bestonden uit stenen trappen die afdaalden tot in het groenige water.
We liepen langs de kant, hoog boven het water. Op de onderste tree, zaten een paar vrouwen op hun hurken de was te doen, een man stond in zijn onderbroek in het water, een jongetje dook erin vanaf de kant. We naderden een boom in een hoek bovenaan de trappen. In de schaduw, op een cementen verhoging rond de wortels, zag ik een in het rood geklede man, een ‘sadhoe-achtige’ zal ik maar zeggen. Wij gingen naast hem zitten en Bam Bam Baba praatte even met hem.
Achter ons, tegen een wirwar van luchtwortels die als dikke aderen kriskras langs de stam groeiden, of die eigenlijk de stam vormden, stonden platte, fel oranje geverfde stenen met niet meer te herkennen reliëfsculptuur. Een leuk plaatje misschien. Ik voelde me te onzeker om zo maar een foto van deze man te maken, dus gebruikte ik Bam Bam Baba als voorwendsel. Ik liet hem wat opschikken zodat hij direct naast de ander kwam te zitten. Zodra deze mijn camera zag, nam hij een kaarsrecht houding aan en staarde door zijn dikke brillenglazen strak de lens in. Een jongetje ging er snel nog even bij zitten, eveneens strak starend. Dat zou wel geen fantastische foto opleveren, maar ik nam hem toch maar.
Ik ging weer in de schaduw zitten en vroeg aan Bam Bam Baba, “chaai?” Hij riep een jongetje. “Chaai!” zei ik, en wees op de aanwezigen, en even later bracht hij de glazen thee in een draadmetalen houder.
Het water van de tank zag er niet al te fris uit, eigenlijk nogal slijmerig, maar de man in zijn onderbroek had er geen moeite mee. Hoestend en proestend dook hij drie keer onder en maakte gebaren met zijn armen, water om zich heen sprenkelend, ongetwijfeld met religieuze bedoelingen.
Er heerste een haast landelijke rust. Wonderbaarlijk om dat nog zo midden in deze wereldstad aan te treffen, ook al zijn er in India wel miljoenen van dergelijke tanks. Vooral waar geen rivieren zijn, vormen dit soort tanks (reservoirs, bronnen, meren, putten), in het Hindi kund genoemd, een belangrijk onderdeel van het sociale ‘landschap’, niet alleen vanuit vanzelfsprekend praktische overwegingen, maar vooral ook vanuit religieus oogpunt. Een dagelijks bad nemen behoort tot de religieuze plichten van de Hindoes — je moet rein zijn voor je de goden mag benaderen — en zo tref je dan ook veel tanks aan bij tempels. In feite zijn veel tanks zelf heilig en hebben ze een goddelijke oorsprong — net als de heilige rivieren zijn het manifestaties van de Godin.
Zo ook deze. Bam Bam Baba vertelde me dat deze tank Ban Ganga heet, een naam die verwijst naar de heiligste rivier van India, de Ganges, de aardse gestalte van de godin Ganga (eigenlijk zijn alle heilige wateren in India manifestaties van haar). Ban Ganga werd door Lord Rama geschapen toen Sita, zijn vrouw, dorstig was en ze geen genoegen wilde nemen met het water uit de zee, hier vlak achter. Rama schoot zijn vlammende pijl in de grond en het water welde op.
Een stuk verderop, aan de lange kant van de tank, zag ik een groepje sadhoes op de trappen zitten tussen witte en rode lappen uitgespreid over de treden. Ze hadden hier net gebaad. We liepen erheen en zonder het te vragen begon ik foto’s te nemen. Twee sadhoes hadden een verticale schildering op het voorhoofd, twee witte strepen en een rode in het midden. Een ander had grijze vegen as over zijn voorhoofd, en weer een ander had een soort ‘derde oog’: een rode stip in een witte cirkel.
Een van deze baba’s begon wat stennis te maken. Hij was gekleed in een oranje hemd en lap en had een rode stip tussen de wenkbrauwen, kort grijs haar en baard, en grote ringen door de schelp van zijn oor. Het bleek dat hij persé alleen op de kiek wilde. Ik vond hem niet erg fotogeniek, maar deed het maar toch om hem een plezier te doen. Maar toen wilde hij er ook nog geld voor hebben! Hij begon te schreeuwen en trok aan mijn mouw. Dat materialistische gedoe viel me een beetje tegen. Sadhoes hebben toch niets nodig, dacht ik, laat staan dat ze je geld willen afpersen. In ieder geval, hopend om van dit gezeur af te komen, gaf ik tien roepies aan een andere baba en gebaarde dat ze het maar moesten verdelen. De man bleef protesteren, dus zei ik tegen Bam Bam Baba, “shall we go?”

Door een dorpsachtig buurtje met smalle straten en lage simpele huisjes liepen we naar de zee, waar Bam Bam Baba me op een plaats wees waar Hindoes gecremeerd worden. Bij het hek stond een bewaker of zo, maar verder was er geen activiteit.
We daalden af en liepen over ruwe rotsen richting branding. Er was hier blijkbaar een professionele wasserij want er lagen sari’s en andere lappen en kledingstukken uitgespreid over de rotsblokken te drogen. Bam Bam Baba wilde een foto van mij maken. Dat deed hij heel artistiek: hij ging languit op de rotsen liggen voor een ‘kikkerperspectief’.

Bam Bam Baba stelde voor dat we naar een tempel zouden gaan waar misschien nog meer sadhoes zijn. Onderweg in de taxi praatten we over de betekenis van de verschillende voorhoofdsschilderingen die in het Hindi tilak genoemd worden. Ik had er al over gelezen in Ghurye, maar het was me weer enigszins ontschoten. Bam Bam Baba frist mijn geheugen op: de verticale tilaks worden gebruikt door de aanhangers van Rama en de horizontale strepen en ook de ‘derde oog’ stippen door volgelingen van Shiva. Hij had zelf trouwens geen tilak. Waarom dat zo was werd me niet duidelijk en de vraag rees [weer ?], Is hij wel een ‘echte’ sadhoe?
De taxi stopte, ik betaalde, en we liepen nog een stukje door smalle straatjes langs kleine winkeltjes en stalletjes waar bloemen, zoetigheden, en religieuze prullaria verkocht werden, en waar rijen bedelaars hun hand uitstrekten voor een aalmoes. De gebruikelijke scene in de buurt van een tempel. Ik vroeg nog eens naar de naam van deze tempel: Aha Lakshmi, de ‘godin van de welvaart’, die meestal wordt afgebeeld met goudstukken stromend uit haar handpalmen en die natuurlijk zeer populair is bij de middenstand.
Het was er druk — zeker omdat het zondag was. Gezinnen met jonge kinderen, modern geklede mannen en vrouwen, stonden in de rij met bloemen en bloemenkransen in de hand, wachtend op hun beurt om het allerheiligste te betreden en hun offerandes aan de godin te doen. Een vrouw hurkte en raakte met haar voorhoofd de rand van een vuur-offer-plaats, brandende wierook stokjes in haar hand. Een oud mannetje, traditioneel gekleed in witte lappen, kwam op me af. Op zijn linkerhand droeg hij een rond zilveren ‘dienblad’ met daarop brandende wierook en een doosje rode kleurstof. Voordat ik er erg in had, had hij met zijn rechter wijsvinger een rode stip tussen mijn wenkbrauwen aangebracht. En toen hield hij zijn hand op: voor deze tilak moest ik betalen. Ik voelde me wat genept, want ik kende deze truc, een veel beoefende vorm van geldklopperij op heilige plaatsen, en had het kunnen voorkomen. Ik voelde me ook altijd enigszins opgelaten met zo’n stip of veeg, hoewel Indiërs het zeer kunnen waarderen. Maar goed, het was gebeurd, dus gaf ik hem toch maar een roepie.
Bam Bam Baba was al verder gelopen, achter de tempel langs, over een pad dat naar beneden leidde, naar de rotsen in de branding. Tegen het talud was een thee-tent gebouwd van palen, matten en lappen, waar een oud mannetje de scepter zwaaide. Bam Bam Baba bestelde een bhang-lassi (een yoghurtdrankje gemengd met marihuana-aftreksel; ik wist niet dat dat zomaar hier verkrijgbaar was) en ik nam een ThumbsUp of zo. Even zaten we rustig en keken we over de woelige baren, maar ik wilde eigenlijk terug — ik was hier niet voor het uitzicht gekomen.

Na Bam Bam Baba op zijn plek gedropt te hebben, terug in het hotel, boende ik meteen de rode stip van mijn voorhoofd.
Het was al met al een nuttige ochtend geweest.
Mijn queeste had me nu al op plaatsen in Bombay gebracht waar ik tijdens de vele eerdere verblijven hier niet geweest ben.
Zelfs in een metropool als Bombay zijn sadhoes.

Op de Kumbha Mela in Ujjain in 1992 kwam ik Bam Bam Baba weer tegen. Hij was nog steeds dezelfde.
"Are there any enlightened beings here?" vroeg ik.
"No one", zei hij, "they are all dramatists, like me."
"Not even one?" vroeg ik.
"Well, maybe one or two."

Omkareshwar
Bij de dhuni met Mathura Das
Mathura Das Een reisverhaal

Om half zeven piepte mijn wekker. Het was aardedonker in mijn raamloze kamertje en koud. Huiverend stond ik op, kleedde me snel aan in het zwakke licht van een kaal peertje, en haastte me door een verkorte badkamerroutine.
Buiten was het schemerig licht en in de straten hing een kille ochtendnevel. De luiken van de winkels werden net geopend. Voor een eetgelegenheid op het centrale pleintje — een grote permanente ‘tent’ met gevlochten rieten matten als muren — stonden mensen te kleumen met hun handen boven een smeulend vuurtje in een metalen vuurpot. Ik dronk er een thee en at een bol kruimelende zoetigheid ter grootte van een tennisbal.
De bloemenverkoopsters zaten al weer achter hun rieten manden en bij een meisje van een jaar of acht kocht ik een krans afrikaantjes om aan Mathura Das te geven. “Hari Oom, Hari Oom!” klonk het weer in alle toonaarden. De opkomende zon kleurde wat kleine wolkjes roze en het leek al meteen warmer te worden. Ik liep naar de rand van het dorp, achter het tempelcomplex langs, naar de plaats van Mathura Das.

Hij zat achter zijn vuur, nog een beetje slaperig. Aan de rechterkant van de verhoogde vuurplaats lag nog iemand te slapen, van top tot teen gehuld in een deken.
“Sita-Rama,” riep ik en Mathura Das was meteen wakker.
“Siiiita-Rama!” riep hij terug met zijn diepe volle stem, “good morning!” Ik gaf hem de krans van afrikaantjes, die hij goedkeurend aan het niet-smeulende eind van een groot houtblok in zijn vuur hing. Hij klopte met vlakke hand op de grond om aan te geven dat ik naast hem bij het rokende vuur moest komen zitten. Hij pakte met duim en wijsvinger wat witte as en met zijn duim maakte hij een streep midden op mijn voorhoofd, als een soort zegening. Toen porde hij vakkundig het vuur op zodat het een beetje begon te vlammen, en het werd aangenaam warm.
De zon kwam boven de tempeltorens uit, scheen net onder het dichte bladerdak door en zette ons en de vuurplaats in een zacht geel licht. Precies zoals ik gedacht had. Ik daalde af naar het terras en maakte een paar foto’s — weer vanuit het wormperspectief. Mathura Das zat ontspannen in de lotushouding, zijn slanke lijf kaarsrecht. Zijn lange haar hing in strengen over zijn borst. Met zijn handen maakte hij dezelfde moedra die ik bij Prema Das gezien had. Het symbolische gebaar van onderwerping, van wereld- en zelfverloochening: de open handpalmen op de knieën, de duim die met de wijsvinger een cirkel maakt, de ziel die het ego onderwerpt. Ik focuste op de glinster in zijn ogen, terwijl hij zacht, bijna droevig, de lens inkeek.

De slaper naast de vuurplaats was inmiddels half uit zijn dekentje gekropen en het bleek een witman te zijn. Ik maakte een foto van hen, zoals ze daar zaten en Mathura Das zei dat de buitenlander een foto van ons samen moest maken. Dus klom ik de vuurplaats op en ging naast hem zitten, braaf in de lotushouding. Terwijl de buitenlander de camera focuste, legde Mathura Das zijn rechterhand plat op mijn hoofd, in een zegenend gebaar.
Mathura Das begon thee te maken op zijn vuur, dus bleef ik daar maar zitten. Ik vroeg waarom zijn vuurplaats zo hoog was en hij antwoordde dat zijn vuur op deze plaats continu brandde sinds hij zich daar zeven jaar geleden gevestigd had. Hij gooide de as niet weg. Wanneer de as een bepaalde hoogte bereikt had, werden er stenen omheen gemetseld. Zo was zijn vuurplaats zo’n twee meter gegroeid. Met zachte stem sprak hij het Hindi woord voor vuur uit: “dhoeni.”
Ik wist al uit het boek van Ghurye dat de sadhus hun vuur als heilig beschouwen. Voor hen is het een manifestatie van de vuurgod Agni die met mantra’s en offerandes geëerd moet worden. Bovendien is vuur een middel tot verering van machtiger goden, want Agni is de boodschapper tussen hemel en aarde. De as, als een soort condensaat van het vuur, is dan eveneens heilig.
Hoe had hij de dhoeni de eerste keer aangestoken, vroeg ik, een magisch ritueel verwachtend.
“With match,” zei hij, en we lachten.
Ondertussen was de thee klaar. Het mengsel van theebladeren, water, suiker en melk was al een paar keer aan de kook geweest. Terwijl hij mantra’s neuriede, offerde hij een scheutje thee aan het vuur, waarin het sissend en rokend verdampte — waardoor het ook, zeer functioneel, zachter ging branden — en vulde onze roestvrijstalen drinkbekers. Met kleine teugjes slurpten we van het gloeiend hete vocht. De zon was boven het bladerdak verdwenen zodat de dhoeni nu in de schaduw lag. Het was nog steeds fris, maar het vuur en de thee maakten me door en door warm.
“How long have you been sadhu? vroeg ik.
Op zachte, haast intieme, toon vertelde hij over zijn leven van voor zijn initiatie. Toen hij zeven jaar oud was, bezocht hij met zijn ouders een groot religieus festival, de Kumbha Mela, in Hardwar. Een van de noodbruggen over de Ganges stortte in en honderden pelgrims verdronken, waaronder ook zijn ouders. (Dat moet in 1953 geweest zijn. Het was een grote ramp waar ik al eens eerder van gehoord had.) Een oude baba had zich toen over hem ontfermd. Het was een vingerwijzing Gods. Toen hij een jaar of zestien was, had hij de definitieve keuze voor het sadhoe-leven gemaakt en onderging hij zijn eerste initiatie. Hij was bij diverse guru’s in de leer geweest. De een was gespecialiseerd in yoga, de ander in de heilige geschriften en weer een ander in mantra’s. Jarenlang had hij rondgezworven door India, van de ene heilige plaats naar de andere. Maar sinds zeven jaar had hij zich, op aanraden van zijn guru, hier in Omkareshwar gevestigd.
Ik vroeg of hij yoga beoefende. Hij antwoordde dat hij dat vroeger wel had gedaan maar dat hij nu geen yoga meer hoefde te doen. Dat zei Bam Bam Baba ook al (en ik zou het nog wel vaker horen).
Hij deed nu japa,  “Sita-Rama, Sita-Rama, Jay Shri Rama,” vierentwintig uur per dag, continu.

1990 Derde sadhoe reis
Uttarkashi
Met Vijendre Puri in Uttarkashi. Hij leerde me devanagari lezen.
De laatste keer dat ik in Uttarkashi was, in 2000, bleek hij al een tijd dood te zijn, evenals Jacqueline Puri.
Vijendre Puri & Jacqueline Puri Een reisverhaal

Op mijn eerste dag in Uttarkashi (‘Benares van het noorden’), een klein stadje aan de heilige Ganges in de voetheuvels van de Himalaya, had ik net de belangrijkste tempel bezocht – een Shiva tempel – toen ik bij het verlaten van het terrein vanuit mijn ooghoeken een oranje geklede sadhoe zag. Hij had een grijze baard en zijn grijzende haar hing in strengen tot over zijn middel. Pas toen ik hem met samengevoegde handen begroette, viel me op dat er een vrouw achter hem stond, eveneens gekleed in oranje en met lange strengen van donkerblond haar. Haar gezicht was gebruind maar toch licht van kleur, het typische geelbruin van een Europeaan die lang in India is. Een buitenlandse sadhvi!
De oude sadhoe wenkte me naderbij en nodigde me uit voor een thee in zijn kleine huisje dat aan het tempelterrein grensde. In het midden van de kamer was een vierkante dhoenie, een beetje verdiept in de cementen vloer, waarin een paar stukken hout lagen te smeulen. We gingen op de grond zitten; de sadhoe op zijn asana, een dunne matras van opgevouwen dekens en doeken, en de sadhvi op haar plek, aan de andere kant van het vuur.
Ik vroeg haar of ze hier woonde, bij de sadhoe, en ze vertelde dat hij haar guru was en dat ze al meer dan tien jaar bij hem was. Na haar initiatie had hij haar Vasant Puri genoemd – ‘vasant’ betekent ‘lente’ – maar hij noemde haar gewoonlijk Jacqueline Puri. Hij was heel bekend, vooral onder zijn mede-sadhoes, want hij was twaalf jaar lang een ek-bahu baba geweest. Haar guru was ondertussen aan het rommelen in een donkere hoek van de kamer en kwam toen tevoorschijn met een ingelijste plaat of zo, die het verhaal moest illustreren. Hij stofte het glas af en wees op een paar vergeelde krantenartikelen en foto’s van hem met zijn arm omhoog.
“Famous,” zei hij lachend.
“Wanneer deed je hem weer naar beneden?”
Jacqueline Puri antwoordde voor hem. Zo’n acht jaar geleden had hij zijn arm omlaag gebracht en was hij hem geleidelijk aan weer gaan gebruiken, en nu kon hij er zelfs mee schrijven. Ze sprak met zachte stem, en haar Engels had een Frans accent, dus vroeg ik of ze uit Frankrijk kwam.
“Nee,” zei ze, “ik kom uit Zwitserland, maar het Franssprekende gedeelte, uit een heel klein dorpje waar je waarschijnlijk nog nooit van gehoord hebt.”
“Hoe kom je dan in dit kleine dorp terecht?”
“Wel, ik was al een tijd in India, maar toen ging ik een pelgrimage maken, een trip langs de vier heilige plaatsen in de Himalaya, in het gezelschap van een paar sadhoes, en ik deed dat op mijn blote voeten zoals het hoort, over rotsen en stenen, door ijs en sneeuw, honderden kilometers. Mijn voeten deden pijn, ik had een paar bloedende wonden, dus moest ik een tijdje in Uttarkashi blijven en wachten tot ze genezen waren. En toen, op een dag bezocht ik de tempel en zag ik hem.” Met een soort vertedering keek Jacqueline Puri naar haar guru en glimlachte.
De oude sadhoe had tijdens haar verhaal enthousiast zitten knikken, steeds uitroepend, “whole story, whole story!” En vertelde toen zijn deel. Een week voordat ze elkaar tegenkwamen, had hij gedroomd van een jonge vrouw in een appelboomgaard, en een astroloog had die droom uitgelegd als een voorspelling van een ontmoeting met een toekomstige discipel. En zo was het gebeurd.
Terwijl ik nog eens naar de krantenartikelen keek – een Zwitserse en een Amerikaanse – las ik dat ze vier jaar geleden waren getrouwd! Dat was zeer ongebruikelijk; sadhoes trouwen niet.
“Dat was alleen maar vanwege problemen met mijn visum,” legde Jacqueline Puri uit. “Om de zoveel tijd moest ik India verlaten en een nieuw visum aanvragen, en op deze manier hoopte ik een verblijfsvergunning te krijgen. Maar het was nog steeds niet geregeld, en in zekere zin heeft het onze problemen alleen maar verergerd, want de priesters van de tempel die de grond bezitten waarop dit huis staat, beschuldigen ons van ‘onzedelijk samenwonen’ op het tempelterrein. Ze verspreiden geruchten dat we seks bedrijven, wat natuurlijk absurd is, en ze hebben een rechtszaak tegen ons aangespannen om ons van hun land te verdrijven. Ik weet zeker dat we het uiteindelijk zullen winnen, maar het is zo’n gedoe.” Ze zuchtte, een beetje triest.

Vijendre Puri had een dik boek uit een oranje doek gewikkeld, een boek met lofzangen aan Shiva. Hij zette zijn leesbril op, volgde met zijn vinger de lijnen van de Sanskriet tekst en begon te zingen, zacht en op één toon, maar toch met veel gevoel. Jacqueline Puri zong mee, aanvankelijk wat aarzelend, en van tijd tot tijd verbeterde hij haar.
Het werd donker; van buiten klonken de tempelbellen. Jacqueline Puri stond op en stak een bundel wierookstaafjes aan. Eerst wuifde ze de wierook over en rond het heilige vuur, daarna in de richting van Vijendre Puri, en tenslotte voor een plaat van Shiva boven een klein altaar achterin de kamer. Ze knielde voor het vuur, boog haar hoofd tot de grond en raakte met haar voorhoofd de rand van de vuurplaats aan. Ze nam een beetje as uit het heilige vuur en wreef het over haar voorhoofd. Toen knielde ze voor Vijendre Puri, keek naar hem op, en ze keken elkaar in de ogen, minuten lang leek het wel, zonder met de ogen te knipperen. Het straalde een soort intimiteit uit, liefde, dat wil zeggen, prema.

Publicaties over sadhoes (foto's en tekst) in tijdschriften: BRES (nr 133) 1988 [Holland]; Himalaya (september) 1988 [Holland]; BRES (nr 144) 1990 [Nederland], onzeWereld (maart) 1990 [Holland]; onzeWereld (april) 1990 [Nederland], onzeWereld (juli / augustus) 1991 [Nederland], onzeWereld (februari) 1992 [Nederland], onzeWereld (november) 1993 [Holland]; Avenue (nr 1) 1994 [Nederland], Marie Claire (juli) 1994 [Duitsland]; Illustreret Videnskab (dec) 1994 [Denemarken]; Good Weekend (jan) 1995 [Australië].
Prayag Giri, een Naga Baba, aanbidt de godin Ganga Ma – Moeder Ganges – bij Gomukh, de plaats 4500 meter boven zeeniveau waar het ijzige smeltwater van de Himalaya-gletsjers de bron vormt van de grootste rivier van India. Prayag Giri, a Naga Baba, worshipping the goddess Ganga Ma – Mother Ganges – at Gomukh, the point 4500 metres above sea level where icy meltwater from the Himalayan glaciers becomes the source of the great river of India.
Gomukh, 1990
1991 Vierde sadhoe reis
Girnar, 1991;
Naga Baba Hari Giri
 
     
1992 Vijfde sadhoe reis
‘Camera yoga’ op de Kumbha Mela in Ujjain. ‘Camera yoga’ at the Kumbha Mela in Ujjain.
1993 Boek
1993 publicatie boek "Sadhus, Holy Men of India", door Thames and Hudson, Londen, Engeland.
1993 publication book "Sadhus, Holy Men of India", by Thames and Hudson, London, England.
Nog meer sadhoe reizen: 1994, 1998, 1999, 2000, 2001 Kumbha Mela in Allahabad
2006 Antonius Abt
Research naar Christen asceten en heiligen, in het bijzonder Antonius Abt van Egypte.
2007 e.v.
Op zoek naar Antonius in Rome, 2007.
Hieronder, Antonius bij de Sint Pieter.

Marie-José Pillen en de auteur op Antonius expeditie in Frankrijk, in Vézelay in 2008.

2016

Contact Dolf Hartsuiker