.

Korus Kikker in Mirapoli

Een Fabel

tekst Dolf Hartsuiker, tekeningen en aquarellen Ilse de Jonge


Het was een zonnige dag, maar toch was Mipi Mier niet gelukkig.
Met tranen in haar ogen rende ze over een smal paadje door het bos, maar de blaadjes en zaadjes die ze anders altijd in haar emmertjes verzamelde liet ze nu links liggen.
Langs een lange grasspriet klom ze omhoog, veegde de tranen uit haar ogen en keek om zich heen. Ze was verder van haar stad dan ooit tevoren en ze slaakte een diepe zucht.
Nog steeds had ze het huppelkruid niet gevonden en de dokter had nog zo gezegd dat er vreselijke haast bij was: “Ik reken op je, Mipi, jij bent de werkster met de meeste ervaring. Als jij het kruid niet snel vindt, dan zie ik het somber in voor onze koningin.”
Ze snifte in de wind en rook de zoete geur van water.
Die kant moest ze op, want huppelkruid groeit meestal bij het water had de dokter gezegd. Turend over een zacht golvend grasland zag ze in de verte een stenen muurtje. Daar kwam die geur vandaan, daar moest het water zijn.
Mipi liet zich op de grond vallen en rende zo snel als ze kon door een woud van grassprieten, ondertussen de zon in de gaten houdend om haar richting te bepalen.
Helemaal buiten adem kwam ze aan bij de muur van gemetselde stenen, maar ze klauterde meteen naar boven en kwam zo uit op de rand van een ronde waterput.
Ze liep naar de opening en keek voorzichtig over de rand naar beneden, in een diepe, duistere afgrond. De binnenwand was overdekt met donker mos en hier en daar groeiden kleine groene plantjes. En toen zag ze, helemaal onderin de put, vlak bij het zwarte water, een paar takjes huppelkruid.
Dolblij, zonder verder na te denken, stortte ze zich over de rand en roetsjte naar beneden langs het vochtige mos, in één keer door, tot bij het huppelkruid.
Maar net toen ze een mals blaadje wilde plukken, zag ze iets bewegen en ze verstarde van schrik.
Voorzichtig, vanuit haar ooghoeken, keek ze nog eens goed. Direct beneden haar was een andere mier, ook een werkster zo te zien, die ondersteboven aan een ander takje huppelkruid hing. Zou dat een werkster uit haar stad zijn? Ze boog zich voorover om de ander eens goed te besnuffelen en die andere mier bewoog net zo, maar dan omhoog, naar haar toe. Allebei strekten ze zich nog iets verder uit, tot hun neuzen elkaar bijna raakten, en toen .... ploep!
Met een héél klein ploepje viel Mipi in het water, en haar emmertjes zonken meteen naar de bodem.
“Help, help!” riep ze, met een hoog, dun stemmetje, dat geen mens zou kunnen horen. Wanhopig probeerde ze tegen de muur op te krabbelen, maar ze viel steeds weer terug.
En die andere werkster was ook verdwenen. Was er dan niemand om haar te redden?
“Help, help!” riep ze nog eens.
Er trok een rimpeling door het water en een paar grote groene ogen keken haar aan. Een kikker! Nou was ze zeker verloren.
Maar de kikker zei met rustige stem, “Wees maar niet bang, ik zal je redden. Ik zwem onder je door en dan kan jij op mijn rug gaan zitten.”
Hij dook onder en plotseling voelde ze zich opgetild worden, uit het water. Ze klemde zich vast en met een grote sprong vloog de kikker omhoog en landde zachtjes op de rand van de put. Hij strekte zijn hoofd naar beneden en beverig klom ze er vanaf. Wat een gebeurtenissen, ze moest er even bij gaan zitten.
De kikker keek haar vriendelijk aan en vroeg, “Wat deed je daar eigenlijk, in mijn put?”
“Niks, meneer,” zei Mipi met een benauwd piepstemmetje.
“Kom nou, maak dat de kat wijs,” zei de kikker, “en je hoeft niet zo bang te zijn, hoor. Ik zal je echt niet opeten. Ik ben vegetariër, ha, ha, ha” — hij lachte hartelijk.
Mipi begreep niet wat er te lachen viel, maar ze voelde zich wel een beetje gerustgesteld.
“Wat is dat, meneer?” vroeg ze beleefd.
“Dat is iemand die alleen maar planten eet en zo,” zei de kikker, “wat onder kikkers bepaald niet de gewoonte is.
En, nog iets anders, noem mij maar Korus, want zo heet ik.”
“Goed, meneer,” zei Mipi.
“En jij, hoe heet jij?”
“Ik heet Mipi Mier.”
“Okee Mipi, vertel eens op, wat was je daar aan het doen? En doe het op je gemak, ik heb de hele dag de tijd.”
“Nou, ik heb eigenlijk nogal haast,” zei ze, “daar gaat het nou juist om. Ik wilde snel wat huppelkruid plukken om naar onze koningin te brengen en toen zag ik een andere mier en toen viel ik in het water.”
Korus lachte, “Die andere mier, dat was je spiegelbeeld, joh, en dat je in het water viel, heb ik ook wel gezien. Maar waarom heeft jullie koningin huppelkruid nodig?”
Mipi kreeg tranen in haar ogen toen ze eraan dacht. “Ze zit de hele dag maar te huilen. Ze eet niet meer. Ze zegt niks meer. En de dokter heeft gezegd, dat als dat zo door gaat, dat ze dan niet lang meer zal leven. En zonder de koningin is de hele stad tot uitsterven gedoemd. De hele stad huilt nu. En de dokter zei dat alleen huppelkruid nog kon helpen.” Ze begon hard te snikken.
Korus was nu heel ernstig geworden.
Hij zat een tijdje in gepeins verzonken en mompelde toen voor zich uit, “Tegen zoveel verdriet is geen kruid gewassen.”
“Bedoelt u dat huppelkruid niet helpt?” vroeg Mipi wanhopig.
“Nou, misschien een beetje, maar belangrijker is dat we te weten komen waarom ze zo verdrietig is, misschien kunnen we er dan iets aan doen.”
“Kunt u dat dan, meneer, eh, Korus?”
“Ach,” zei Korus, “niet om op te scheppen hoor, maar ik kan zo veel. Ik zal je wat laten zien.”
Voor haar verbaasde ogen begon hij steeds kleiner te worden, steeds kleiner, tot hij net zo groot was als zij. Hij maakte een dansje, van het ene been op het andere, zwaaide met zijn hoed — waar haalde hij die nou ineens vandaan? — en lachte met een geluid van zilveren rinkel belletjes.
“Niet te geloven,” mompelde Mipi.
“Oh nee?” riep Korus, “dan moet je dit eens zien!”
“Kwaak!” kwaakte hij, en als een vuurpijl schoot hij recht omhoog, in de richting van de zon. Een witte lichtflits. En hij was verdwenen.
Opgelost in het niets!
Even voelde Mipi zich vreselijk alleen, maar toen met een luide ”kwaak,” stond hij plots weer voor haar neus, net zo groot als eerst
“Ach, even een sprongetje door de tijd,” zei Korus achteloos, “maar ik heb mijn tijd goed besteed, ha, ha, ha, en wat huppelkruid voor je geplukt.” En hij wees op de zakken van zijn jas die uitpuilden van de bladeren.
“Eh, meneer, eh, Korus, eh, bent u soms een Betoverde Prins?” vroeg Mipi bedeesd.
“Nee, dat is een heel ander verhaal. Maar kom, niet langer getreuzeld, we gaan eens kijken hoe het met jouw koningin gesteld is. Klim maar op mijn rug en wijs me eens aan welke kant we zo ongeveer op moeten."
Zonder aarzelen klom ze op zijn rug en hij zette zich af met een soepel sprongetje. In een boog zweefden ze over velden en bossen. Eerst voelde Mipi zich een beetje bang, zo hoog in de lucht, maar toen vond ze het heerlijk, zo moeiteloos zoevend door de warme wind, en vond ze het jammer dat haar stad Mirapoli al zo gauw in zicht kwam en dat ze moesten landen.
De poortwachtster had met verbazing staan kijken naar dat wonderbaarlijke tafereel van een vliegende kikker met een mier op zijn rug die recht voor de poort neerdaalde. En haar verbazing werd verbijstering toen die kikker een grote hoop bladeren op de grond wierp en in een paar tellen bijna net zo klein als een mier werd. Maar toen deze vreemdelingen de poort binnen wilden gaan, sloegen haar stoppen helemaal door.
“Halt, halt!” riep ze in alarm en ze zwaaide met haar lans.
Een paar rondlummelende soldaten die onraad roken kwamen al dreigend naderbij.
Maar de kikker hief zijn hand in een bezwerend gebaar. “Geen paniek, lieftallige dames,” sprak hij ,“ik kom hier om jullie koningin te genezen van haar droefheid.”
Toen sprak de mier die op de kikker z’n rug had gezeten, “Ga opzij, laat hem er door. Hij is Korus Kikker, de beroemde wonderdoener, de enige die onze koningin weer beter kan maken.”
En toen pas herkende de poortwachtster die vreemde mier als Mipi. Natuurlijk kende ze haar. Elke dag ging ze wel honderden keren de poort in en uit.
“Tja,” zei ze weifelend, “jij kan natuurlijk naar binnen, maar deze rare snoeshaan, die vooral ook zo’n vreemd luchtje verspreidt van water en kroos, dat kan niet.”
“Dat ik daar niet meteen aan gedacht heb,” sprak Korus en haalde snel een &Mac223;acon ‘Parfum de la Fourmi’ uit de binnenzak van zijn jas en besproeide zich overvloedig.
Iedereen was wég van dit geurtje, ze wilden allemaal zo ruiken en Korus sproeide het parfum vrijgevig in het rond.
“Genoeg getreuzeld,” zei hij toen vrolijk, “aan het werk, dames.” Hij wees op de berg bladeren. “Laten de kokkinnen meteen het huppelkruid-drankje gaan brouwen, en, Mipi, jij brengt me naar de koningin.“
En nog voordat Korus naar binnen ging, waren werksters al bezig het huppelkruid in kleine stukjes te hakken en naar binnen te dragen. Naar de grote kookpotten in de keuken.
Het gerucht dat er een wonderdoener in Mirapoli was, die hun koningin Mirabella zou genezen, verspreidde zich razendsnel. In de gangen en hallen van de stad stonden de mieren dan ook rijen dik om Korus in een soort optocht voorbij te zien schrijden. Voor hem marcheerde een groepje soldaten, aangevoerd door de stadsomroepster met roffelende trommel, en achter hem aan kwam Mipi die van trots haast naast haar schoenen liep.
De toeschouwers klapten in hun handen van blijdschap en riepen, “Lang leve de koningin!” en “Lang leve Korus Kikker!” De mieren op de voorste rij bogen diep en raakten Korus beleefd even aan. Hij knikte glimlachend van links naar rechts en wuifde vrolijk.

De lijfwacht van de koningin had de rode loper uitgerold over de trap naar de koninklijke vertrekken en de sleutelbewaarster had de dubbele deuren wijd open gezet. De ministers en raadgevers stonden in twee rijen opgesteld om Korus buigend te begroeten.
De Eerste Minister boog nog eens, schudde Korus de hand, en zei, “Welkom in Mirapoli. Ik hoop dat u onze koningin kunt helpen.”
Ze maakte een droevig gebaar in de richting van een hemelbed in het midden van de zaal. Daar lag de koningin te huilen, tranen met tuiten.
Enkele hofdames, die zelf ook zeer droevig keken, veegden haar ogen af met zijden zakdoekjes, maar de tranenvloed leek niet te stuiten.
Bij het voeteneind van het grote bed — want de koningin was veel groter dan haar onderdanen — zat de dokter, somber en zorgelijk.
Ze sprong overeind toen Korus binnenkwam en riep, “Hooggeleerde heer, redt ons uit deze nood. Als er niet gauw iets gebeurt dan gaat ze zeker dood.”
“Aha, mevrouwtje, u bent zeker de dokter?” vroeg Korus.
“Ja, edele heer, ik ben Miranda, de lijfarts van hare majesteit.”
“Nou, beste dokter, er is geen reden om zo vreselijk somber te zijn, hoor,” zei Korus, “waar leven is, daar is hoop.”
Hij boog voor koningin Mirabella, kuchte en zei, “Ahum, majesteit, als u even op wilt houden met huilen, dan kunt u mij misschien vertellen wat eraan mankeert.”
Maar de koningin wuifde alleen maar zwakjes met haar scepter en barstte toen uit in een nog harder snikken dat haar hele lijf deed schokken. De hofdames keken Korus aan met een blik van ‘kijk nou eens wat je doet’.
En dokter Miranda zei, “Zo gaat het nou al dagenlang. Elke keer als je hare hoogheid wat vraagt, gaat ze nog harder huilen.”
Korus ging op de stoel van de dokter zitten. Hij vouwde zijn armen en benen over elkaar en sloot zijn ogen.
Na enige tijd stootte de lijfarts Korus aan en zei, “Sorry, eerwaarde heer, dat ik u wakker maak, maar lijkt het u ook niet beter dat ze zo snel mogelijk haar medicijn krijgt?”
“Ik zat niet te slapen,” zei Korus, “Ik keek naar binnen. Maar je hebt gelijk, laten we eerst eens gaan kijken hoe het met de huppeldrank staat.”
In optocht ging het weer door de gangen en trappen van Mirapoli en nog steeds stonden er rijen mieren om de stoet toe te juichen. Ook dokter Miranda, die naast Korus liep, werd een stuk vrolijker toen ze al die blije gezichten zag.
“Ik begrijp er niets van,” riep ze uit, “nog geen uur geleden liep iedereen te treuren, en kijk nou eens.”
“Na regen komt zonneschijn,” riep Korus opgewekt.
Ze kwamen langs de kinderkamers, waar verzorgsters met witte schorten de miere-peuters omhoog hielden zodat ze Korus beter konden zien. Ze liepen door lange hallen met uitgestrekte tuinen waar de mieregroenten geteeld werden, een soort paddestoelbloemkolen en zwamspruiten. De tuiniersters hielden even op met schoffelen en plukken om Korus te begroeten. Tenslotte kwamen ze bij de keukens, diep in de gewelven van Mirapoli.
De stoet bleef buiten staan en alleen Korus, de dokter en Mipi gingen naar binnen.

Kokkinnen roerden in grote ketels, in een groene bladersoep die heftig borrelde en dampte.
Keukenmeiden schepten er met een pollepel steeds een beetje uit en goten dat in een stomend vat, dat met allerlei buizen aan andere vaten en glazen kolven verbonden was.
Hierin werd het brouwsel gezuiverd en geconcentreerd, en uit een heel dun buisje viel zo om de minuut een heldere hemelsblauwe druppel in een fles met een smalle hals.
Korus ving een druppel op met het topje van zijn wijsvinger en likte het op. “Hm, heerlijk!” riep hij naar de dokter en Mipi, “proeven jullie ook maar eens.”
Ze namen ook een likje. Zoiets lekkers had Mipi nog nooit geproefd. “Je wordt er helemaal licht van, van binnen!” riep ze.
“Ik wist het wel,” mompelde Miranda, “ik wist wel dat het een goed kruid was.”
“Heel goed gezien, waarde collega, heel goed,” zei Korus en hij gaf de dokter een schouderklopje.
Ze straalde van trots omdat hij haar ‘collega’ genoemd had.
“Nou hier gaat het allemaal prima,” sprak Korus. “Als ze zo hard door blijven werken dan denk ik dat we over een uur wel genoeg hebben. Laten we nog wat door de stad gaan wandelen.”
Toen ze de keuken uitkwamen, waren hun begeleiders — de soldaten en de trommelende stadsomroepster — verdwenen. Het was ook rustiger geworden in de gangen, of beter gezegd, het was er nu een rustige drukte en Korus viel nauwelijks nog op.
De meeste bewoners leken al gewend te zijn aan het geruststellende idee dat er een wonderdoener in de stad was die verder wel voor de koningin zou zorgen, maar wat nog belangrijker was: ze moesten weer aan het werk.
Ordelijke groepen arbeidsters marcheerden voorbij. Een lange rij verpleegsters droeg korfjes met miere-baby’s van de kraamkamer naar een zonnig plekje; een colonne werksters vervoerde stukjes blad naar de groentetuinen waar ze als mest voor de zwamspruiten gebruikt zouden worden; en weer een andere rij sleepte takjes en dennennaalden aan, voor het bouwen van nieuwe gangen in Mirapoli.
Korus zei tegen de dokter, “Jullie mieren zijn toch altijd maar aan het werk, hè?”
“Ja, onze plichten gaan voor alles,” antwoordde ze ernstig, “niets doen of lol maken is er voor mieren niet bij, altijd komen we tijd tekort.”
Maar Mipi piepte ertussendoor, “De enigen die niet werken, dat zijn de prinsen en prinsessen!”
“Hé,” zei Korus, “dat lijkt me interessant, dat wil ik wel eens zien.”
“Die bereiden zich voor op een andere, zeer belangrijke taak,” zei Miranda tegen Mipi, met haar wenkbrauwen streng gefronst, “en ga jij ook maar eens wat nuttigs doen.”
De dokter wendde zich weer tot Korus, “Maar als u de prinsen wilt ontmoeten, weledelgeleerde heer, dan zal ik u voor gaan.”
Mipi had verschrikt bevend en buigend afscheid genomen van Korus.
De dokter wees de weg en na nog een paar lange gangen en hallen doorkruist te hebben, bereikten ze het stadsdeel waar de vele prinselijke en prinsesselijke vertrekken lagen. Op goed geluk wees Korus een deur aan en ze betraden een weelderig ingerichte kamer.
Op lage krukjes zaten tientallen jonge prinsen voor grote ronde spiegels zichzelf te bewonderen. Aandachtig waren ze bezig zich mooi te maken. Ze strekten hun antennes tot ze kaarsrecht naar boven wezen, poeierden hun gezichten, vijlden hun nagels; wreven hun schilden op tot ze glommen als goud; en hun doorzichtige vleugels werden voorzichtig door hofdames afgesponst totdat ze schitterden in alle kleuren van de regenboog.
Één van de prinsen kwam op Korus af en zei, “Hoe maakt u het? Ik heet Miro.”
“Met mij gaat het goed en ik hoop van u hetzelfde” zei Korus, “mijn naam is Korus Kikker.”
“Ja, dat weet ik,” zei de prins, “uw naam en faam zijn u al vooruit gesneld. Er wordt beweerd dat u de enige bent die onze koningin weer beter kan maken?”
“Waar een wil is, is een weg,” zei Korus, “maar eerst moeten we meer weten.”
Prins Miro knikte bedachtzaam, “Dat zijn wijze woorden, mijn beste kikker, maar voor zover ik weet is in de geschiedenis van ons volk zoiets akeligs nog nooit eerder voorgekomen.”
“Wie weet, wie weet,” zei Korus, “maar misschien heeft het ook een goede kant.”
De andere prinsen waren er ook bij komen staan en keken nieuwsgierig naar Korus. Deze tastte diep in zijn binnenzak, haalde een viersnarige viool en strijkstok tevoorschijn en begon een vrolijk liedje te spelen.
En of ze wilden of niet, alle mieren — de prinsen, de hofdames en de dokter — begonnen te dansen. Steeds wilder en vrolijker zwierden ze in een kring rond Korus, die op en neer sprong en lachte met een geluid van zilveren rinkelbelletjes.
Even plotseling hield hij op met spelen, stopte de viool in zijn zak en zei tegen de nog nahijgende Miro, “Kijk, zoiets is in de geschiedenis van jullie volk ook nog nooit eerder voorgekomen.”
“Nee,” zei de prins, “zoveel plezier mogen we eigenlijk alleen maken op de dag dat we uitvliegen.”
“Oh ja?” vroeg Korus, “wanneer is dat dan?”
“Morgen!” riepen alle prinsen in koor, en door elkaar begonnen ze uit te leggen dat morgen hun grote dag was. Zij waren de eerste prinsen die ooit in Mirapoli waren opgegroeid en morgen, de dag na volle maan, zouden ze voor het eerst uitvliegen. Dan zouden ze de prinsessen van de naburige stad Mirageville ontmoeten die dan ook uitvlogen. In paren zouden ze samen dansen in de lucht en zoenen en vrijen. Daarna zouden de prinsessen weg vliegen en koningin worden van hun eigen volk.
“Hoe komt het dan eigenlijk dat een koningin geen vleugels meer heeft?” vroeg Korus.
Door elkaar heen riepen ze dat alleen maar prinsen en prinsessen vleugels hebben. Zodra een prinses koningin wordt en kinderen krijgt dan vallen haar vleugels af. Want die heeft ze dan niet meer nodig; ze moet toch altijd thuis blijven, haar kinderen opvoeden en haar rijk besturen.
“Over de koningin gesproken,” zei Korus, en hij keek op een dik gouden horloge dat hij uit zijn mouw schudde.
“Kom, dokter, het is tijd voor haar drankje.”

Met dokter Miranda voorop betrad Korus weer de koninklijke vertrekken. Hier was alles nog hetzelfde, één en al droefenis. Koningin Mirabella lag nog steeds op bed en huilde.
De dokter riep naar een hofdame, “Breng de huppeldrank, en snel!”
Korus ging rustig op de stoel bij het voeteneinde zitten terwijl Miranda zenuwachtig heen en weer bleef ijsberen totdat een kristallen bokaal boordevol hemelsblauwe drank binnen gebracht werd.
“Majesteit,” zei ze, “hier is uw medicijn. Als uwe doorluchtigheid zich even op wil richten dan kunt u uw drankje drinken.
Maar de koningin leek het niet te horen. Ze bleef op haar rug liggen.
“Probeer het hier eens mee,” zei Korus en hij viste een glazen trechter uit een van zijn jaszakken.
De dokter stak de trechter voorzichtig in de mond van de koningin en wenkte een hofdame om hem vast te houden.
Beetje bij beetje goot zij er wat huppeldrank in en Mirabella moest het zo wel doorslikken. Beetje bij beetje ook knapte ze ervan op. Ze hield op met huilen, maar bleef droevig kijken, met dikke ogen.
“Breng me naar de troon,” mompelde ze toen zwakjes. En ondersteund door haar hofdames, sleepte ze zich naar haar troon, ging zuchtend en steunend overeind zitten en kreunde, “Geef hier die bokaal!”
Ze dronk hem helemaal leeg, keek eens wat om zich heen en toen pas, voor het eerst, zag ze Korus.
“En wie bent u dan wel?” vroeg ze uit de hoogte.
“Ik ben Korus Kikker, Majesteit.”
“En wát bent u?”
“Tja, dat is niet zo makkelijk te zeggen. Ik ben een vrije vogel en die is niet in een paar woorden te vangen.”
“Je bent dus geen koning, hè, is het wel?
“Nee, majesteit, kikkers hebben geen koning, maar een president. En president ben ik ook niet.”
“Wat kom je hier dan doen?”
“Wel, dat zit zo. Één van uw werksters viel bij mij in de put. Ik viste haar eruit en ze vertelde toen dat u zo in de put zat, ha, ha, ha,” hij lachte zijn rinkelende lachje, “dat u al dagenlang huilde.
En toen heb ik aangeboden om met haar mee te gaan om u van uw droefheid te genezen.”
“Ben je dan een dokter?”
“Ach, ik ben van alles, behalve een betoverde prins,” zei Korus, die al die nutteloze vragen een beetje zat werd, “wat je maar wilt.”
Hij ging op zijn handen staan, zette zich zachtjes af en zweefde heel langzaam omhoog naar het plafond. Daar liep hij een paar passen ondersteboven en duikelde toen zo naar beneden dat hij met zijn voeten weer op de grond terecht kwam.
Alle aanwezigen klapten in hun handen, op de koningin na, maar ook zij was toch een beetje verbluft.
Ze vroeg, maar nu erg poeslief, “Mijn beste Korus, wat denk je dan dat je eraan kunt doen?”
“Ja, dat weet ik nog niet precies. Om te beginnen zal ik je moeten onderzoeken, maar daarvoor moeten we even alleen zijn.”
Mirabella klapte hard in haar handen en beval, “Allemaal de deur uit!”
“Ga maar eens lekker ontspannen liggen,” zei hij toen iedereen weg was en trok een &Mac223;onkerende spitse piramide van bergkristal aan een koord uit zijn binnenzak.
“Kijk naar het licht in deze steen,” sprak hij met een lage stem en hij liet de pendel langzaam voor haar ogen heen en weer slingeren.
“Je wordt zwaarder en zwaarder; je armen en benen zijn niet meer op te tillen, zo zwaar. Sluit nu je ogen en luister alleen nog naar mijn stem. Kijk nu naar binnen, naar je eigen licht, in je binnenste, en vertel me wat je ziet.”
Met een dromerige stem antwoordde ze, “Ik zie een blauwe hemel met witte wolken, en ik vlieg. Als vanzelf zweef ik over goudgele velden, en ik voel me licht en vrij als een vogeltje in de lucht.”
Ze lachte, heel gelukkig.
“Als ik met mijn vingers knip,” zei Korus, “dan doe je je ogen weer open, maar je moet alles onthouden wat je gezien hebt.”
Hij knipte met zijn vingers en ze zat meteen overeind met haar ogen wagenwijd open.
“Dat is wat ik altijd droom!” riep ze uit, “elke nacht droom ik dat ik nog kan vliegen, maar als ik dan wakker wordt, dan ben ik weer in deze kamer en voel ik me weer opgesloten als in een gouden kooi, en loodzwaar, als aan de grond geketend.”
Ze begon weer te huilen. “En morgen,” snikte ze, “morgen vliegen de prinsen en prinsessen uit en dan zie ik ze nooit meer terug.”
Korus legde zijn arm om haar heen en sprak op sussende toon, “Huil maar eens lekker uit, Mirabella, dat lucht op.”
Ze kroop tegen hem aan. “En de hele dag moet ik werken,” snikte ze verder, “het lijkt wel of ik veroordeeld ben tot levenslange dwangarbeid, ik, de koningin!”
Korus knikte, “Ja, ja, het leven van een mierekoningin gaat niet over rozen. Maar we weten nu in ieder geval waar de schoen wringt.”
Hij grinnikte zachtjes, “Ook een gouden muiltje kan te krap zitten, ha. ha, ha.
Maar alle gekheid op een stokje,” zei hij weer ernstig, “vanaf het begin van de schepping hebben mieren zo hard moeten werken, en dat heeft juist altijd de bewondering van de andere dieren opgewekt. Moet je horen wat erover geschreven is.”
Hij ging op de stoel zitten, haalde een dik boek met gouden letters uit zijn binnenzak, bladerde er even door en las toen voor met plechtig galmende stem, “Ga tot de mieren, gij luiaard, zie hare wegen en word wijs.”
Hij klapte het boek dicht en herhaalde nog eens, “Wijs! mijn beste koningin, ze vinden jullie wijs, kijk, hier staat het!”
Koningin Mirabella zei met gefronste wenkbrauwen, haar hersens tot het uiterste ingespannen, “Maar ik dacht dat de uilen wijs waren en wij mieren alleen maar ijverig.”
Ze huilde in ieder geval niet meer, maar dacht, “Goh, wij mieren zijn wijs.”
Ze groeide en gloeide een beetje van trots.
“Nou ja,” zei Korus, “jullie overdrijven het ook wel eens, hoor, jullie ijver, en dat is natuurlijk niet zo wijs. Je kent zeker wel de legende van ‘de Krekel en de Mier’, waaruit de mieren niet alleen als ijverig naar voren komen, maar ook nog als gierig?”
De koningin keek hem vragend aan. “Gierig,” mompelde ze, “wij?”
Eerst wijs en nou weer gierig, het werd haar wat te verwarrend en ze zei nogal vinnig — ze werd weer een beetje de oude, “Ja, hoe zit ‘t nou met dat verhaal?”
Hij haalde een ander boek te voorschijn,en begon voor te lezen. “Er was eens een krekel die de hele zomer viool speelde en zong en danste en plezier maakte. ‘Ga je mee dansen?’ vroeg hij aan een mier. Maar deze zei, ‘ik vind je muziek wel mooi, maar ik heb geen tijd om te dansen. Ik moet zaden en granen verzamelen, als voorraad voor de winter.’ Toen werd het winter. Het sneeuwde en het vroor en de krekel had niets te eten. Ten einde raad klopte hij aan bij de mier die lekker warm in haar huis zat en kon eten zo veel ze maar wilde uit haar overvolle voorraadkast. De krekel zei, ‘de hele zomer heb je kunnen genieten van mijn muziek, heb je nu misschien wat te eten voor mij?’ Maar de mier zei, ‘de hele zomer heb ik krom gelegen terwijl jij plezier maakte. Ga nu ook maar spelen.’ En ze sloeg de deur dicht.”
Korus borg het boek weer weg.
“Tja, dat was niet zo aardig van die mier,” mompelde koningin Mirabella, die niet alleen vlijtig maar vooral ook wijs wilde zijn. “Daar moet ik eens goed over nadenken. Maar zij was natuurlijk geen koningin, hè? Zij was maar een werkster, hè, en die weten gewoon niet beter. Maar ik, ik kan me nog herinneren dat ik niet hoefde te werken, als prinses.” Haar gezicht betrok weer, “En dat ik kon vliegen.” Ze zuchtte diep.
“Wat dat vliegen betreft,” riep Korus terwijl hij opsprong, “heb ik een goed idee! We gaan samen een eindje vliegen. Jij op mijn rug.”
“Kan je dan ook al vliegen?” vroeg ze verbaasd.
Hij stond even stil. “Ach, het is eigenlijk meer springen dan vliegen,” zei hij bescheiden. “Maar met volle maan,” voegde hij er iets minder bescheiden aan toe, “kan ik in drie sprongen in een mum van tijd de drie werelden omspannen, en zoals je weet, is het vandaag volle maan.”
Hij sprong omhoog, duikelde in de lucht drie keer over de kop, landde vederlicht op de grond en keek haar stralend aan.
‘De drie werelden?” mompelde de koningin, “zelfs één wereld lijkt me al een heel eind.”
“Mipi de werkster, je weet wel, durfde het wel. We zijn hier samen naar toe komen vliegen.”
“Als zij het durft, dan durf ik het ook, “ zei Mirabella beslist.
Ze trok aan haar bellekoord en de hofdames, de dokter en de Eerste Minister kwamen naar binnen gerend. “Laat de stadsomroepster verkondigen dat ik met Korus een eindje ga vliegen,” beval ze, “en breng het rijtuig voor!”
De dokter riep verschrikt, “Zou u dat nou wel doen, majesteit, in uw toestand?” En de Eerste Minister zei, “Maar, hoogheid, er is nog zo’n hoop werk ...”
Maar de koningin onderbrak haar. “Ach, wat staan jullie nou te bazelen,” riep ze, “een beetje buitenlucht zal me juist goed doen en ik hoef toch niet altijd te werken!”
De mieren stonden met hun oren te klapperen, zoiets hadden ze nog nooit gehoord.
Het rijtuig — in feite een enorme grote slak — hield halt voor de trap naar de koninklijke vertrekken. De koningin en Korus beklommen het glanzende slakkehuis. Korus ging voor de koningin zitten en nam de teugels.
Het werd natuurlijk een hele optocht.
Niet alleen de stadsomroepster en de soldaten, maar ook de blazerskapel, de hofdames, de lijfwacht, en de ministers stelden zich op voor de koets, en daarachter volgden de andere burgeressen.
Met een slakkegangetje gleden ze door de gangen van de stad. Toen ze voorbij de prinselijke en prinsesselijke vertrekken kwamen, voegden honderden prinsen en prinsessen zich bij de stoet. De prinsen zagen er stoer uit met hun zwaarden en schilden en de prinsessen hadden schattige bruidsjurkjes aan. Ze riepen in koor, “Leve de koningin!” En de prinsen roffelden met hun zwaarden op hun schilden.
“Ach,” klaagde de koningin en tranen sprongen in haar ogen, “wat zal ik ze missen als ze morgen uitgevlogen zijn.”
Korus knikte begrijpend, “Tja, maar het is even onvermijdelijk als het opkomen en ondergaan van de zon.”
Hij sloot zijn ogen en zei bedachtzaam, “En dit afscheid heeft ook een goede kant, Mirabella. Het is een nieuw begin, zowel voor jou als voor de prinsen en prinsessen. Zij gaan trouwen, krijgen kinderen en stichten hun eigen stad. En wat jou betreft, Mirabella, als zij vertrokken zijn, worden er weer nieuwe geboren. Zoals elk jaar.”
“Ach, je hebt natuurlijk gelijk,” zuchtte ze, "maar toch ...”
“En zoals je weet, hebben ze nu nog even de tijd van hun leven, voordat ze de zware lasten van het koningschap moeten dragen. Dus voor hun moet deze bruiloft een feest zijn, en daarom moet jij ook feestelijk zijn.”
Het slakke-rijtuig gleed door de poort en de koningin werd verblind door het felle licht. Ze was ook al zo lang niet meer buiten geweest. Met een kreet van schrik sloeg ze de handen voor haar ogen.
Lichtelijk in paniek kwamen de hofdames aangesneld, maar Korus had al een vliegeniersbril met donkere glazen uit zijn binnenzak gehaald en gespte die vast om haar hoofd, onder haar kroontje.
Voorzichtig opende ze haar ogen. Ze pakte een spiegeltje uit haar handtasje en bekeek haar gezicht. De bril stond flink stoer. En een beetje flinkheid kon ze wel gebruiken.
De open plek voor de poort zag zwart van de mieren. De hele stad was uitgelopen en duizenden mieren krioelden door elkaar.
Het gonsde van de geruchten. De koningin zou gezegd hebben dat ze niet meer wilde werken! Zoiets stoms hadden mieren nog nooit gehoord.
En ze scheen dan wel niet meer te huilen, dankzij de toverkunsten van die kikker, maar tegelijkertijd zou hij haar in de war gebracht hebben, of erger nog, behekst! Want hoe kon ze anders zoiets zeggen?
En nou ging ze vliegen met die kikker. Dat was nog nooit vertoond. Een aantal mopperden dat het veel te gevaarlijk was, maar de meesten vonden dat hun koningin wel zou weten wat ze deed, ook al was het wat vreemd.
In het midden van de menigte was een kring vrijgemaakt en de slak gleed daar naar toe, onder handgeklap, gejuich en gejubel van de meerderheid — maar ook wat “boe” geroep van de morrende minderheid.
Koningin Mirabella en Korus stapten af. Zij wuifde majesteitelijk naar haar onderdanen, maar na een paar minuten maakte Korus gebaren om de menigte tot stilte te manen, en hij sprak, “Beste bewoners van Mirapoli, weest niet bevreesd. Jullie dappere koningin en ik gaan een vliegtocht maken, een sprongetje in het heel-al. Maar dat is niet zo ver als het klinkt. We doen het in een mum van tijd. Dus tot zo. Doei!”
En tegen de koningin zei hij, “Ga maar op mijn rug zitten en houd je vast aan mijn kraag.” Ze klom op zijn rug en vroeg met een angstig stemmetje vlak bij zijn oor, “We gaan toch niet te hoog, hè?”
“Nee hoor, maak je maar geen zorgen,” riep hij naar achteren, “hou je vast, daar gaan we!”
Korus maakte zich groter en in één moeite door zette hij zich af. “Kwaak!” kwaakte hij en als een vuurpijl schoot hij recht omhoog, in de richting van de zon.
Mirabella had zich vastgeklemd aan zijn kraag en durfde nauwelijks te kijken. Maar toen deed ze haar ogen open en ze dacht even dat ze weer droomde. Een blauwe lucht en witte wolkjes boven haar, en toen ze voorzichtig langs de brede rug van Korus naar beneden keek, zag ze de groene velden en bossen onder hen snel wegzakken.
Moeiteloos zoefden ze door de warme wind, steeds hoger en hoger. Ze schoten rakelings langs een paar vogels.
“Hé, wat is dat nou?” riepen die, maar Korus en Mirabella gingen te snel om te kunnen antwoorden. Zo stegen ze tot boven de wolken, het werd kouder en kouder en Mirabella kon de aarde niet meer zien.
“Ik wil terug!” riep ze.
“Okiedokie!” riep Korus en hij spreidde zijn jas uit en minderde vaart. In een boog zeilden ze naar beneden en doken het wolkendek weer in.
Mirabella had gedacht weer heerlijk door de warme wind te gaan zoeven, maar onder de wolken werd ze getroffen door grote, ijskoude druppels. Regen! Dat was ze vergeten. In haar dromen scheen altijd de zon. Binnen een paar tellen was ze doorweekt.
“Ik wil naar huis!” riep ze.
“Ach, een beetje regen,” riep Korus opgewekt, want hij kon er natuurlijk beter tegen, “wat geeft dat nou.”
Maar zijn woorden werden overstemd door de krakende zweepslag van een flitsende bliksemschicht en oorverdovende donderslagen die in de verte wegrommelden.
Mirabella sloeg haar handen voor haar vliegeniersbril. Helemaal in paniek vergat ze dat ze Korus vast moest houden en een felle windvlaag blies haar van zijn rug.
“Help, help,” riep ze, tuimelend en buitelend door de ruimte, her en der geblazen door de wind.
Ze wist niet meer wat boven of onder was en even leek het alsof ze in een zwart gat viel, een tunnel met aan het eind een intens, wit licht. Ze zag miljoenen sterren, duizenden werelden, en als in een spiegelhuis, een eindeloze rij miere-koninginnen voor en achter haar.
Gelukkig had Korus gemerkt dat ze was gevallen en zwierend en zwenkend met zijn flapperende jas vloog hij haar achterna, plukte haar uit de lucht en zette haar weer op zijn rug. Ze klampte zich vast en wenste dat het voorbij was, dat ze weer veilig in haar warme kamer zat. Wat deed ze ook in de lucht, zo zonder vleugels.
“Dat was even schrikken, hè,” riep Korus naar achteren, “maar niks aan de hand, hoor. Zie je daar die regenboog? Die staat boven Mirapoli. Als we daarlangs naar beneden glijden, zijn we er zo.”
Korus spreidde zijn jas, die opbolde in de wind, en minderde vaart. Heel voorzichtig keek Mirabella over zijn schouder, en ja hoor, daar in de wazige verte zag ze haar stad weer. Wat was ze blij.
Met een rustig gangetje gleden ze langs de regenboog omlaag. Een waterig zonnetje scheen door de grijze wolken en wierp een zacht geel licht over het doordrenkte, schoon gewassen landschap. De druppels aan de bladeren fonkelden als diamanten en een kruidige geur van vochtige aarde dampte omhoog.
Het was heerlijk en — nog even — adembenemend mooi.
“Kwaak!” hoorden de bewoners van Mirapoli hoog in de lucht, en toen zagen ze Korus, die recht naar beneden leek te vallen. Ze slaakten een massale zucht van verlichting. Gelukkig, de koningin zat nog op zijn rug.
Ze hadden zich vreselijke zorgen gemaakt toen de koningin en die kikker waren verdwenen, met een witte lichtflits opgelost in het niets. En die mum van tijd leek wel uren te duren.
Dus toen Korus met een zacht sprongetje landde, dansten ze allemaal van vreugde en riepen, “Leve de koningin!”
Korus kromp tot hij net iets groter was dan Mirabella, en ze stapte, nog een beetje wankel, op de grond.
Een paar hofdames kwamen toesnellen om haar te ondersteunen, maar ze zei snibbig, “Ik kan het zelf wel hoor!”
Ze deed de vliegeniersbril af, spreidde haar armen om het volk te begroeten en sprak, “Waarde onderdanen! Ik ben blij om jullie weer te zien. Het was een vlucht om nooit te vergeten, maar ik ben ook blij dat ik weer heelhuids op de grond sta. Vanaf nu is mijn lijfspreuk ‘Oost, west, thuis best’. Maar ik ben in ieder geval weer blij, dus zijn jullie ook blij, en dat hebben we vooral aan Korus te danken, en ook een beetje aan de dokter en aan, hoe heet ze ook weer, Mipi, die met het zoeken naar het huppelkruid Korus vond.
En om onze nieuwe blijheid te vieren, zullen we vanavond een feestmaaltijd houden.”
Er ging een opgewonden gemompel door de menigte.
“Ja, ik weet ‘t wel, het is de eerste keer dat we zoiets doen, maar zo zijn er vandaag al meer eerste keren geweest en die zijn goed bevallen. Ik heb trouwens nog een verrassing, vanaf nu hebben mieren recht op vrije tijd.”
“Vrije tijd?” werd er geroepen, “wat is dat?”
De koningin maande haar onderdanen tot stilte en besloot haar toespraak met, “En elk jaar zullen we voortaan deze dag vieren als de dag van de Grote Sprong Voorwaarts.”
's Avonds, onder het licht van de volle maan, buiten, op de open plek, zaten duizenden mieren aan lange tafels. De koningin troonde temidden van de honderden prinsen en prinsessen en aan haar rechterkant zat Korus, en links dokter Miranda. Ook Mipi had een ereplaats gekregen; ze mocht bij de prinsessen zitten.
Een heleboel werksters waren druk in de weer met het af en aan slepen van grote potten en pannen. Er was wat paniek in de keuken geweest, want wat was er nou feestelijk om te eten?
Maar tenslotte had de opperkokkin samen met de koningin een menu opgesteld. Vooraf een bordje venkelsoep en een bladerbroodje, dan paddestoel-bloemkool-puree met zwamspruiten en huppelkruidsalade, en als toetje korenbloempap met vlierbessensaus.
Iedereen kreeg ook een glaasje mierzoete honingdauw en voordat ze gingen eten bracht de koningin een dronk uit op Korus. Allemaal hieven ze hun glazen en riepen, “Lang leve Korus!”
En Mirabella gaf Korus een hele dikke kus.
Toen ze hun buik rond hadden gegeten, stond Korus op. Hij hield zijn hand omhoog totdat het muisstil werd en sprak, “Geachte koningin, dames en heren, ik zal een nu liedje gaan zingen dat ik speciaal voor dit feest gemaakt heb.
Het klinkt als “k’ moet dwalen, ‘k moet dwalen, langs bergen en langs dalen”. Dat kennen jullie zeker wel, hè?”
Hij begon te hoppen en te springen, hij zwaaide met zijn hoed, hij stampte met zijn voet, en hij zong — als een Hollandse nachtegaal:

“’k’ Wil springen, ‘k wil zingen, van alle mooie dingen.
Ik vloog met Mirabella door de lucht.
Ze vond ‘t o zo fijn, om even vrij te zijn.
Kom laten wij nu zingen gaan, springen gaan,
in het schijnsel van de volle maan.

k’ Wil streven, naar ‘t geven, van vreugde in ‘t leven.
Ik vloog met Mirabella door de lucht.
Ze vind ‘t o zo fijn, om veilig thuis te zijn.
Kom laten wij nu zingen gaan, springen gaan,
in het schijnsel van de volle maan.

k’ Moet dwalen, ‘k moet stralen, in nog veel meer verhalen.
Ik vloog met Mirabella door de lucht.
Ze vind ‘t o zo fijn, om koningin te zijn.
Kom laten wij nu zingen gaan, springen gaan,
in het schijnsel van de volle maan.”
De volgende dag lag Mirabella lui op haar bed.
Bij nader inzien had ze het algemene recht op vrije tijd wel wat te veel gevonden en had ze de stadsomroepster laten verkondigen dat één vrije dag per jaar wel genoeg was. En op die dag zouden ze de Grote Sprong Voorwaarts én het uitvliegen van de prinsen en prinsessen vieren. Dus vandaag was het feest in Mirapoli.
Vanmorgen had de koningin haar prinsen en prinsessen uitgezwaaid. Samen met die van Mirageville vlogen ze in paren door de lucht. Ze zwierden en zwenkten en deden dartele spelletjes. Het was een vrolijk gezicht, maar Mirabella vond het helemaal niet erg dat ze niet mee kon vliegen.
Nu lag ze heel tevreden te mijmeren. Ze dacht terug aan Korus, die malle kikker. Na het zingen van zijn lied was hij weer groter en groter geworden en met een luide “kwaak” weggesprongen. Als een vuurpijl was hij opgestegen in de richting van de volle maan, en met een lichtflits in het niets verdwenen.
Hoe deed hij dat ook al weer met die pendel? Ze herinnerde het zich weer. Eerst helemaal ontspannen en alles zwaar laten worden; dan kijken naar het licht, het licht in je binnenste. Haar oogleden zakten langzaam dicht, maar ze sliep niet. Ze zag een blauwe hemel met witte wolkjes en als vanzelf gleed ze in een soort zweefvlucht over goudgele velden. Ze voelde zich licht en vrij als een vogeltje in de lucht.


contact e-mail: Adolf Hartsuiker