Sadhoes & Yogi's van India
Homepage Shiva en zijn volgelingen Vishnoe: Rama & Krishna
Sadhvi's: vrouwelijke sadhoes Ascese en zelfkwelling Kumbha mela's
Vreemdeling sadhoes Noten & Bibliografie Oude foto's
Er zijn een aantal woorden (betreffende se+) die ik niet meer gewoon kan schrijven vanwege ongewenste belangstelling
gegenereerd door zoekmachines op het internet.
Ascese en zelfkwelling

Sadhoes: het subcontinent India telt ze bij honderdduizenden, zo niet miljoenen.
Welke rol vervult de ascese, de zware weg van onthouding, onthechting en armoede — tot in de meest extreme vormen van zelfkwelling — binnen de Hindoe traditie?
In dit artikel worden de westerse opvattingen over ascese met de hindoeïstische metafysica en psychologie vergeleken en uiteengezet welke vormen deze ascese bij de verschillende sekten kan aannemen.

Christelijke ascese Anarchie en kaste Shiva en het pantheon "Gehoornde God"
Muni (Rig Veda) Tapas & tapasya Se+uele onthouding Vasten
Hatha-yoga Zelfkwellingen Zwijgen (mauni) Ascetische omgeving
Naaktlopen Lang haar Vuur Krankzinnigheid
Inwijding Bedelen en armoede Sterven Realisatie & Herprogrammering

Asceten en atleten
Ons woord ascese stamt uit het Grieks en onze huidige opvattingen erover en gevoelens erbij zijn door christelijk denken en doen gevormd. Het is afgeleid van askèsis, 'oefening' of 'training'. Dit woord werd geïntroduceerd door de stoïcijnen, omdat die de overeenkomsten wilden benadrukken tussen de training, gericht op lichamelijke perfectie (atleten), en oefeningen, gericht op geestelijke volmaaktheid (asceten). Beide woorden hebben een gemeenschappelijke etymologische basis, askeo, 'ik bewerk een stof, snijd, (be)oefen' (ook het woord 'sekte' is hiervan afgeleid).
Het begrip ascese is door latere filosofen, theologen en mystici meer uitgebreid en toegespitst, waardoor het de betekenis verkreeg van systematische ontkenning, onderwerping en beheersing van lichamelijke behoeften of begeerten door onthouding, zelfdiscipline en zelfkwelling. In de praktijk komt dit neer op een afwijzing van alle lustbevrediging en comfort, een streven naar totale onverschilligheid tegenover zintuiglijke indrukken, zowel genot als pijn, en het opzettelijk kiezen van onaangename leefsituaties en het zelf veroorzaken van lichamelijke pijn.
Het doel van de ascese is het bereiken van een staat van morele volmaaktheid en wijsheid, bevrijding van het aardse, verwerving van magische krachten en mystieke inzichten, en uiteindelijk de spirituele eenwording met de Absolute Zijnsgrond (God, Brahma, Allah).
Voor de massa en voor de specialist
Deze omschrijving is in het algemeen van toepassing op alle vormen van. ascese die in meer of minder extreme mate onder alle volken en in alle godsdiensten voorkomen. Een onderscheid dient gemaakt te worden tussen enerzijds de beperkingen en onthoudingen die gelden voor de grote massa of bepaalde groepen van een bevolking, die in het algemeen milder zijn en niet als ascese maar als de 'gewone' moraal gepresenteerd en beleefd worden; anderzijds is er de radicale levenswijze van de ware asceet die als mystiek 'specialist' de extremere vormen van ascese systematisch beoefent.
De ascese van de massa vond haar oorsprong in het verkrijgen en in stand houden van cultische reinheid door de onthouding, al dan niet permanent, van bepaalde spijzen en soms ook de se+ualiteit. In de categorie van permanente onthouding vallen het verbod op varkensvlees voor joden en moslims, het vegetarisme van Hindoes en het verbod op alcoholgebruik door moslims en Hindoes. Als voorbeelden van tijdelijke onthouding kunnen de mohammedaanse Ramadan en het christelijke vasten op Aswoensdag en Goede Vrijdag genoemd worden.
Christelijke ascese
De asceet als mystiek 'specialist' heeft in het christendom zeker een belangrijke rol gespeeld, hoewel deze individuen op zijn zachtst gezegd nooit erg populair waren bij het centrale gezag van de Kerk.
Enkele bekende christelijke asceten zijn: de Heilige Antonius Abt die als twintigjarige een kluizenaarsleven ging leiden in verschillende woestijnen in Egypte (zijn demonische verzoekingen hebben tot op heden veel kunstenaars geïnspireerd), Simeon Stylitus de Oudere die zevenendertig jaar op een pilaar (die eerst drie, maar uiteindelijk twintig meter hoog was) heeft doorgebracht, Simeon Stylitus de Jongere die vijfenveertig jaar op dezelfde zuil verbleef, Franciscus van Assisi die verkoos in armoede te leven en door bedelen in zijn onderhoud te voorzien en Suster Bertken uit Utrecht die zich levenslang liet insluiten in een kluis van de Buurkerk aldaar.
In het Westen bestaat i.h.a. de indruk dat ascese een Christelijke uitvinding is (met eventueel een vleugje Griekse invloed) — en dat de Heilige Antonius de eerste beoefenaar daarvan is — een indruk die destijds (±400 n.C.) door de kerkvaders werd gevestigd en vervolgens door de Kerk en theologen in stand werd gehouden.
Ik ben daarentegen van mening dat ascese — evenals de mystiek als individuele weg tot het goddelijke zonder tussenkomst van een priester — een Indiase uitvinding is, die zijn wortels heeft in de Indus Vallei Cultuur en die zich verder in confrontatie met de Vedische cultuur ontwikkeld heeft.
Zie ook hier beneden, bij de 'Gehoornde God' en bij de muni's.
De Heilige Antonius Abt
Onthoudingen, boetedoeningen en zelfkwellingen, die lange tijd het leven van monniken en priesters bepaald hebben, verliezen geleidelijk aan hun betekenis en worden steeds verder afgezwakt of afgeschaft. Er zijn nog wel enkele overblijfselen van deze traditie, zoals het celibaat van de rooms-katholieke priesters en enkele kloosterorden waar. nonnen en monniken in afzondering, zwijgend en celibatair hun dagen met contemplatie vullen, maar waarschijnlijk zullen deze ascetische resten op den duur verdwijnen.
Anarchie en kaste
Het Hindoeïsme laat een geheel andere ontwikkeling zien. De duizenden jaren oude traditie van mysticisme en ascese is van generatie op generatie ononderbroken voortgezet, zodat er ook heden ten dage nog levende boetedoeners en zelfkwelIers zijn. Of dat zo zal blijven nu India zich openstelt voor westerse invloeden valt moeilijk te voorspellen.
Dit voortbestaan van mystiek en ascese zou verband kunnen houden met de unieke 'anarchistische' kenmerken van het Hindoeïsme, als een 'religie' die niet gedomineerd wordt door één Absolute God, geen centraal gezag van één Kerk kent, niet de waarheid van één heilig Boek erkent en geen onaantastbare vergoddelijkte Stichter heeft. Daardoor kunnen alle mogelijke metafysische opvattingen (één God, een Drie-eenheid, duizend goden en godinnen, geen god) naast elkaar blijven bestaan en kunnen alle mogelijke godsdienstige praktijken beoefend worden zonder dat een centraal gezag zulke anti-autoritaire, individualistische strevingen als mysticisme en ascese zou kunnen inperken.
Dat wil overigens niet zeggen dat er geen spanningen en tegenstellingen bestaan tussen de asceten als individuele mystici (sadhoes, yogi's, sannyasins) en de gevestigde religieuze groeperingen van de priesterkaste (de brahmanen). Integendeel.
Aan de andere kant hebben juist de rigide kaste-instelling en de daarbij behorende maatschappelijke taakverdeling ertoe bijgedragen de beoefening van mystiek en ascese — door de daarvoor ingerichte sociale niche — in stand te houden.
Shiva en het Hindoe pantheon
In dit verband is de volgende mythe uit de Mahabharata heel illustratief.
Daksha is bezig met een typisch brahmaanse priesteractiviteit: het plegen van een uitgebreid offer op een bergtop in de Himalaya. Alle goden met hun echtgenoten zijn uitgenodigd, behalve de goddelijke asceet Shiva en zijn vrouw Uma. Hij is onaanvaardbaar voor dit illustere gezelschap omdat hij naŒkt loopt, zich in de jungle tussen de wilde beesten ophoudt, zich inwrijft met as, een schedel draagt, andere onreine praktijken uitoefent en zich als een dronkeman gedraagt.
Uma is zeer beledigd en neemt geen genoegen met de opmerking van Shiva dat zijn volgelingen hem aanbidden met de ware meditatieve wijsheid waarbij geen brahmanen en hun offerandes nodig zijn.
Meegesleurd door haar kwaadheid neemt Shiva vervolgens de gestalte van de verschrikkelijke Virabhadra aan om, samen met Uma, in de gestalte van de allesvernietigende Mahakali, het offer te verwoesten.
Dan erkent Daksha zijn fout, draagt zijn offer ook aan Shiva op, en zo loopt het verhaal met een sisser af.
De "Gehoornde God"
De in deze mythe weergegeven tegenstelling tussen brahmaanse priesters en asceten is van historische oorsprong.
Het wordt aangenomen, in ieder geval door mijzelf, dat de ascetische en mystieke traditie met Shiva als prototypische asceet zijn wortels heeft in de cultuur van de Indusvallei, die allang bestond voor de "invasie" van de Ariërs die de latere dominante brahmanenkaste zouden vormen.
Een belangrijke aanwijzing dat het "prototype van Shiva" toen al bestond wordt gevonden in een viertal zegels, waarvan de belangrijkste hiernaast is afgebeeld.
Daarop is een naŚkte asceet (of shaman) afgebeeld, zittend in een soort lotus-houding, met ere+te p-.-.. Hij getooid met de horens van een buffel; vandaar zijn benaming als de "Gehoornde God.".
Hij lijkt drie gezichten te hebben en is omringd door verschillende dieren.
Vanwege dit laatste aspect werd hij geïdentificeerd met "Shiva, als de Heer der Dieren."
De ere+te p-.-. werd natuurlijk geassocieerd met de liñgam (hoewel de ere+te p-.-. door andere onderzoekers werd gezien als onderdeel van de heupband).
Het zegel uit de Indusvallei cultuur van 2500 v.C.

Een belangrijke reden om de "Gehoornde God" met Shiva te vereenzelvigen, was de verschijning van de totale figuur die met zijn hoofddracht wel erg op de drietand of trishul leek waarmee de latere Shiva vaak wordt afgebeeld.
Omdat die drietand misschien een veel latere toevoeging was is dat nu eigenlijk niet de belangrijkste aanwijzing meer. Wat dat betreft zijn de twee gazellen die op het zegel onder de troon worden afgebeeld een veel betere, bestendiger, connectie, aangezien we die zowel bij Shiva, diverse godinnen, en zelfs bij de Boeddha in de loop der eeuwen blijven tegenkomen.
Ook zien we deze op een (vrij recente) afbeelding van Mahadevi Akka Yakka.

Drietand of trishul
De godheid Shiva wordt altijd afgebeeld met een drietand, zoals op de afbeelding hiernaast achter de stier Nandi te zien is, en in navolging van hem dragen veel Shaiva’s dit nu vooral symbolische wapen, dat dient ter bestrijding van onwetendheid of onbewustheid in de fysieke, mentale en spirituele sferen.
Daarnaast zijn er nog meer metafysische ‘drie-eenheden’, die met de drietand in verband gebracht worden, zoals: de macht van de kennis, de kracht van de begeerte en de energie van de actie; of de drie bewustzijnstoestanden van waken, dromen en diepe slaap; of de grove, subtiele en causale zijns-toestanden. Enz.
Als een rondtrekkende sadhoe een plaats heeft gevonden voor zijn dhoeni, dan stoot hij zijn trishul onder het uiten van de toepasselijke mantra’s in de grond, en bepaalt (als ‘axis mundi’) zo het centrum van zijn rituele territorium.
In het Westen kennen we de drietand als de wapens van Neptunus en de Duivel, die ongetwijfeld gerelateerd zijn aan die van Shiva.
Shiva, de Grote Yogi
Terugkomende op de incorporatie van Shiva in het Hindoe pantheon.
In de loop der eeuwen heeft een verregaande vermenging van de verschillende culturen plaatsgevonden.
Vedische rituelen gingen onderdeel uitmaken van de ascetische traditie en bepaalde ascetische ideeën en praktijken werden door de priester kaste overgenomen, wat uiteraard consequenties had voor de overige bevolkingsgroepen.
In de verhoudingen tussen de verschillende religieuze groeperingen zijn nog veel overblijfselen van dat oeroude antagonisme te bespeuren.
Shiva, de 'Vernietiger', de wilde, woeste, onberekenbare Grote Yogi, is hét voorbeeld voor de wereldverzakende asceet.
Een andere belangrijke godheid is Vishnoe, de 'Instandhouder', die een wat meer 'brahmaans' karakter heeft en die in de mythen vaak op gespannen voet met Shiva staat. Hij is veel vriendelijker, beter benaderbaar, geciviliseerder en aangepaster. Zijn volgelingen worden gekenmerkt door een houding van uiterste devotie.
Ten slotte dient Brahma, de 'Schepper' vermeld te worden, die mythologisch gezien van deze "Drie-eenheid" de hoogste in rang is, maar die merkwaardigerwijs vrijwel geen volgelingen heeft.
Muni's en Kapalika's
De meeste asceten behoren óf tot een shivaïtische óf tot een vishnoeïtische groepering, wat in principe voor de ascetische methode weinig uitmaakt. Een asceet zou evengoed atheïst kunnen zijn en een Kosmisch Bewustzijn kunnen veronderstellen.
De devotie tot en eenwording met een persoonlijke god of een van diens incarnaties wordt in het algemeen gezien als een stadium in de geestelijke ontwikkeling waaraan de devote Vishnoeïten niet voorbij willen gaan waarna de verwerkelijking van de abstracte 'Wereldziel' nagestreefd zou kunnen worden.

In de alleroudste religieuze Hindoe geschriften wordt de ascetische levenswijze al beschreven. Deze ideaalstaat wordt trouwens niet alleen de jonge aspirant-mysticus aanbevolen, maar ook de oude 'gewone' man als vervulling van zijn laatste levensfase, nadat hij zijn maatschappelijke plichten vervuld heeft.
In de Rig Veda (die dateert van 1500 v.C.) is een hymne gewijd aan ascetische magiërs die muni genoemd worden. Zij lopen naŒkt of dragen gele, onverzorgde vodden en hebben lang haar. Zij gaan waar de wind hen drijft, leven van de lucht, bereiken de hoogste extase door hun boetedoeningen, zijn de vrienden van de goden, beschikken over magische krachten en kunnen vliegen.
In een ander geschrift, de Vaikhanasa Dharmasutra, wordt de mystieke aspirant opgedragen zich terug te trekken in de eenzaamheid van het oerwoud om daar, gekleed in boombast, zonder beschutting, zonder vuur, aan de voet van een boom te leven, boetedoeningen te verrichten, alleen te eten wat het woud verschaft, de Veda's te reciteren en de geest te richten op godrealisatie.
In de Mahabharata wordt een ascetische groepering beschreven, de Kapalika's (van kapala = schedel), die een nauwe verwantschap vertonen met Shiva als Heer der Dieren: Zij dragen menselijke botten als ornament, gebruiken mensenschedels om uit te drinken en te eten, verrichten geen brahmaanse rituelen maar brengen dieren- en mensenoffers, leven op crematieplaatsen en smeren zich in met as van crematievuren, beoefenen een soort hatha-yoga, maken in hun riten gebruik van alcohol, drugs en ook se+, verzaken de wereld, gedragen zich als krankzinnigen, beschikken over magische krachten en beheersen de elementen.
In de loop der eeuwen worden in meer heilige geschriften minutieus allerlei verbijzonderingen en uitbreidingen van dit soort praktijken en achterliggende filosofieën uiteengezet.
Tapas
Het begrip tapas speelt hierin een belangrijke rol. Oorspronkelijk betekent dit Sanskriet woord verhitten of branden, wat betrekking heeft op een soort mentale hitte of energie die ontstaat door het beoefenen van ascese.
Deze energie kan de asceet verzamelen en aanwenden voor magische of spirituele doeleinden. 'Tapas' werd geleidelijk aan synoniem voor onthouding, boetedoening en zelfkastijding. Als zodanig zou tapas de meest directe vertaling van ascese vormen. Een beoefenaar van tapas wordt een 'tapaswi' genoemd.
(Zie ook Eliade over tapas.)
De ascetische praktijken zijn globaal in vier categorieën te onderscheiden: betreffende het lichaam, de psyche, de fysieke omgeving en de relaties. In werkelijkheid bestaan er natuurlijk overlappingen tussen de diverse categorieën; de verschillende vormen van ascese worden altijd in combinatie en onderlinge samenhang beoefend.
Bij de panch-agni tapasya zien we een zeer letterlijke opvatting van tapas, hitte, als zelfkwelling.
Binnen deze categorieën is er sprake van een soort opklimmende trap van extremisme, gaande van milde onthoudingen en zelfdiscipline via beperkingen en beproevingen, tot zelfkastijding en 'doding des vlezes', niet zelden resulterend in permanente verminking en werkelijke zelfdoding.

Talloze spirituele Leraren hebben overigens gewaarschuwd tegen de meest extreme vormen, die door hen als onnodige of zelfs averechtse methoden worden beschouwd, maar dat heeft niet mogen baten. Zo heeft bijvoorbeeld de Boeddha, na zelf jarenlang als sadhoe ascese beoefend te hebben, geconcludeerd dat dát niet de weg is. Zijn leerlingen vinden het later toch weer nodig extreme vormen van ascese te beoefenen.
Se+uele onthouding
Bij de lichamelijke ascese neemt de afwijzing van se+ualiteit de belangrijkste plaats in. Er zijn enkele uitzonderingen, zoals bij de al eerder genoemde Kapalika's en de meer recente tantristische Yogi's en Shakta's, die wel een. wereldverzakende levensstijl hebben, maar die juist de se+uele beleving en andere 'zinneprikkelingen' in de gepaste rituele context willen verheffen als middel tot spirituele eenwording met het goddelijke. Deze sekten zijn in de ogen van andere godsdienstbeoefenaren natuurlijk zeer verdacht en zij kunnen dit soort praktijken hooguit 'ondergronds' uitvoeren. Bij de praktische se+uele riten zou overigens geen zaadlozing mogen plaatsvinden. Het zaad dient bij het orgasme 'opgezogen' te worden en 'gesublimeerd' in de hoogste spirituele lichamelijke centra (chakra's).
Maar de ontkenning of onderdrukking van se+uele impulsen is regel. Het is in de eerste plaats de gelijkstelling van de zaadlozing met verlies van potentieel spirituele energie, die se+uele onthouding gebiedt. In de tweede plaats dient de se+uele begeerte naar vereniging met een vrouw omgevormd te worden tot een spiritueel verlangen naar de versmelting met de godheid. In de derde plaats wordt de vrouw als onrein beschouwd (vooral vanwege de menstruatie). En in de vierde plaats brengt se+ualiteit wellicht relaties met een vrouwen eventuele kinderen teweeg, wat te veel zou afleiden van de relatie met de godheid.
Deze twee laatste argumenten geven ook aan waarom de vrouw in de Hindoe traditie zo'n ondergeschikte plaats inneemt. Hoewel er wel wat vrouwelijke asceten zijn (en waren) worden ze eigenlijk beschouwd als een te 'lage' incarnatie om in dit leven al de godrealisatie te kunnen bereiken.
Pas na de volgende wedergeboorte, als man dus, waar ze nu door zuiver te leven naar toe zouden kunnen werken, zouden ze eventueel als volwaardige asceten naar vervolmaking kunnen streven.
Tegen het celibaat kan wel eens gezondigd worden, zeker in het begin van de ascetische loopbaan, maar uiteindelijk wordt deze zo diep verinnerlijkt dat de asceet absoluut geslachtloos wordt, wat goed te constateren valt bij de naŒktlopende sadhoes, de Naga's.
Hun lichamelijkheid is niet zinnenprikkelend meer, zodat ook preutse echtgenoten hun vrouwen met gerust hart kunnen toestaan deze naŒkte heilige mannen in hun kampen op te zoeken en te aanschouwen. En andersom beschouwen deze sadhoes de vrouw als moeder of als dochter.

Naga baba's Rama Giri en Shyam Sundar Giri (rechts) die een ringetje om zijn p-.-. heeft. Daaraan is een zilveren kettinkje-en-kraal bevestigd, een kopie in miniatuur van de ketting-en-bal van een gevangene, en een bijna ornamentaal overblijfsel van de grotere versie van dit ontwerp dat vroeger door asceten gedragen werd om de se+uele energie “op te sluiten”.
Er zijn asceten die hun se+uele en amoureuze energie op een godin of god richtten en een 'verhouding' met hen aangaan, hetzij als echtgenoot of echtgenote, hetzij als minnaar of minnares, hetzij als vriend of vriendin. Dit doet zich vooral voor bij de uiterst devote aanhangers van Vishnoe, die dan een van zijn incarnaties beminnen.
Deze Sakhi's (zie ook het verhaal over Sakhi's) identificeren zich bijvoorbeeld met Sita, de vrouw van de godkoning Rama, of met Radha, zijn minnares, of met een van de gopi's (koeienhoedsters), de geliefden van Krishna. Al naar hun rol, kunnen zij de vrouw in kleding en gedrag imiteren.
In andere sekten is deze vorm van 'projectie' echter absoluut verboden.
Sommige asceten geven concreet uitdrukking aan hun aseksualiteit, of hun streven daarnaar, door permanent 'kuisheidsgordels' van hout (de kathiya baba's) of metaal (de lohalangari's) te dragen.
Afgezien van hun effectiviteit in het verhinderen van enige geslachtelijke activiteit, mag het dragen van deze onhandige, pijnlijke gordels op zich als zelfkastijding aangeduid worden.
Een variatie hierop is de 'kuisheidsketting' die aan een ring door de p-.-. bevestigd is en aan de andere kant met een pen in de grond bevestigd kan worden (is nu, voorzover ik weet, historisch).
Hiervan afgeleid, maar met een meer symbolische dan praktische betekenis zijn kleine zilveren ringetjes en kettinkjes die om de p-.-. bevestigd worden.
Jagannath Das, kathiya baba
Van zelfkwelling en eventueel zelfs permanente verminking is sprake bij een bijzondere initiatie (tang-tora) die voornamelijk door Naga sadhoes ondergaan zou worden. Tijdens deze inwijding wordt de asceet ritueel gemasturbeerd door een speciaal daartoe bevoegde leraar en het zaad wordt in het vuur geofferd, waarna spieren en zenuwen van de p-.-. 'gebroken' worden door deze krachtig heen en weer te rukken. Erectie en geslachtelijk functioneren zijn daarna niet meer mogelijk. De resulterende ongevoeligheid, maar ook de gesublimeerde se+uele kracht worden gedemonstreerd en in stand gehouden door met de p-.-. zware gewichten op te heffen of door deze om een stok te rollen en daarmee diverse houdingen aan te nemen.
(In hoeverre de tang-tora nog echt gebeurd, of zelfs ooit gebeurd is, is twijfelachtig; maar het is in ieder geval een mooi verhaal.)
Vasten en van de lucht leven
Een tweede belangrijk aspect van de lichamelijke ascese betreft de voeding. De meeste asceten eten slechts één keer per dag. Daarnaast zijn er astronomisch bepaalde dagen van de week en de maand plus nog speciale evenementen en festivals waarop totaal gevast wordt. Sommige asceten vasten geregeld, van enkele dagen tot enkele weken of maanden achtereen.
Het vasten wordt vooral religieus gezien als het offeren van het hongergevoel aan de godheid. Maar het is natuurlijk ook fysiologisch een reiniging van het organisme, en psychologisch een bevestiging van de wilskracht en een methode tot verheldering van het mentale functioneren.
Behalve het totale vasten is er een ander soort vasten, dat bestaat uit beperkingen in het soort voedsel dat men tot zich wil nemen. Vanuit het principe geen enkel levend wezen te willen doden is een streng vegetarisme (ook geen melk of eieren) de regel voor vrijwel alle asceten. Enkele groeperingen mogen wel vlees of vis eten, zij het in een rituele context, terwijl er ook sekten, de Aghori’s, schijnen te zijn (geweest) die ritueel mensenvlees verorberen; deze vormen uiteraard de uitzondering die de regel bevestigt.
Een graad strenger dan vegetarisme is het louter fruit of ‘jungle’ producten eten, wat vrij veel voorkomt. Meer extreme asceten eten alleen maar vruchten die vanzelf uit boom of struik gevallen zijn. Nog weer strenger dan alleen maar fruit eten is het louter melk drinken. Vanuit diëtistisch oogpunt lijkt dat onmogelijk, maar het kan toch langdurig en blijkbaar zonder nadelige gevolgen gedaan worden. Als product van de heilige koe wordt aan melk natuurlijk een bijzondere kracht toegekend. Al deze dieetbeperkingen worden aangegaan voor tientallen jaren of voor het leven.
Als logische consequentie volgt na het louter melk drinken het niets dan water drinken en ten slotte het van de lucht leven. Dit wordt wel gepresenteerd als een reële bestaansmogelijkheid, maar moet waarschijnlijk veeleer symbolisch geïnterpreteerd worden als het streven naar een totale fysieke onafhankelijkheid van de aarde.

Narayana Das, een "dudhadhari" (melkdrinker)
en "tatambari" (alleen jute stoffen voor kleding en beddegoed).
De beperking van alleen maar water drinken komt wel voor wanneer een asceet het einde van zijn leven voelt naderen en dit proces bewust wil bespoedigen. Hij begint dan aan zijn 'Grote Tocht naar het Noorden', waarbij hij in de richting van de Himalaya, de woonplaats der goden, loopt en niet meer eet tot hij erbij neervalt.
Of dit tegenwoordig nog gebeurt is de vraag.
Hatha-yoga
Een derde aspect van de lichamelijke ascese wordt gevormd door de diverse lichaamshoudingen. De bekendste is natuurlijk de lotushouding, de geperfectioneerde 'kleermakerszit', met vervlochten benen en kaarsrechte rug, de basishouding voor de meeste ademhalingsoefeningen en meditaties.
De oefeningen en houdingen van de hatha yoga kunnen op zich al ascetische kenmerken hebben, maar vormen bovenal een voorbereiding voor een perfect uit te voeren en langdurig vol te houden lotushouding, bij uitstek de houding van de asceet.
Deze milde vormen van ascese, zowel de lichaamshoudingen als de ademhalingsoefeningen, bevorderen de gezondheid en de mentale concentratie. Maar ook hier zijn er de extremistische asceten die bijvoorbeeld dagenlang op het hoofd staan, zich aan de enkels ophangen of langdurig andere houdingen aannemen.

In het kader van de yoga wordt ook een aantal verregaande reinigingen voorgeschreven: een katoenen koord door de neusgaten voeren om de neusholten schoon te maken; een meterslang katoenen lint in te slikken en er weer uit te trekken om maag en slokdarm te reinigen (deze methoden zijn nu, voorzover ik weet, historisch, maar in India weet je natuurlijk nooit); en het opzuigen van water of andere reinigende vloeistoffen door de anus en urethra om darmen en blaas schoon te maken.
Deze laatste reinigingen en houdingen kan men extreem noemen, maar zij overschrijden niet de grens van de verminkende zelfkwelling, die wel voorkomt bij de houdingen van de staande of de eenarmige asceet.
Zelfkwellingen
De staander
De staander, khareshwari genaamd, heeft de gelofte afgelegd om lange tijd — meestal twaalf jaar of een veelvoud daarvan — niet meer te zitten of te liggen. Hij mag wel lopen. Hij rust en slaapt door met de armen of het bovenlichaam op een soort schommeltje te steunen, en zo nu en dan zijn opgetrokken been in een band onder het schommelt je te laten hangen. De enkels en de voeten raken danig opgezwollen en de onderbenen kunnen bedekt zijn met open en pas genezen zweren. Door de gestoorde bloedsomloop bestaat de kans op trombose en dus beroerte en hartinfarct. Als de voorgenomen periode voorbij is, kan hij weer gaan zitten, uiteraard een belangrijke gebeurtenis en aanleiding voor een groot feest. De benen en voeten nemen na verloop van tijd weer een betrekkelijk normale vorm aan.
De eenarmige asceet
Het staan lijkt minder kans op permanente verminking te bieden dan de houding van de eenarmige asceet, de urdhva bahu baba. Deze houdt jarenlang — ook weer een veelvoud van twaalf — zijn rechterarm boven zijn hoofd gestrekt, onafgebroken in onbruik. Het gevolg daarvan is dat de gewrichten verstijven en aan elkaar groeien, en dat de spieren atrofiëren. De arm lijkt nog het meest op een dunne stok met aan het eind wat bungelende worstjes, de vingers. De nagels worden niet meer geknipt en groeien centimeters lang; de hand wordt ook niet meer gewassen. De arm lijkt uit het lichaamsbewustzijn verdreven te zijn en geen deel meer uit te maken van het lichaam.
Als zodanig is deze ascese bijna letterlijk 'doding des vlezes' te noemen. Als de voorgenomen periode verstreken is, kan de asceet proberen de arm 'naar beneden' te krijgen en hem weer normaal te gebruiken. Meestal lukt dat niet.
Een logisch vervolg op de eenarmige is de twee-armige. Deze is totaal hulpeloos en aangewezen op de hulp van anderen om in leven te blijven. Hij zal bijvoorbeeld moeten eten zonder zijn handen te gebruiken. Dit is nu, voorzover ik weet, historisch, en te zien op de plaat van Picart, en, voor zover mij bekend, op één oude foto.
Vasanta Giri is nu al een twaalf jaar lang een “één-armige” sadhoe. Maar binnenkort mag hij zijn arm omlaag doen. Onder leiding van een guru die het zelf ook gedaan had, dwong hij zijn arm geleidelijk aan in die positie, hem eerst ondersteunend met een kruk.
khechari mudra
De tong kan door yogi's gebruikt worden om direct een bepaald spiritueel doel te bereiken. De tong wordt omgekruld en met het puntje ervan wordt ver achter in de keelholte een plek gestimuleerd, waar de bron van 'goddelijke nectar' zich bevindt. De bedoeling is om deze nectar te doen vloeien, hetgeen leidt tot ogenblikkelijke verlichting. Om zo ver naar achteren te kunnen komen moet het spiertje onder aan de tong stukje bij beetje doorgesneden worden en de tong door massage uitgerekt worden. (Deze methode is nu, voorzover ik weet, historisch, maar, zoals al eerder gezegd, in India weet je natuurlijk nooit)
dandavat parikrama
Een zeer actieve en uitputtende vorm van lichamelijke boetedoening is het maken van een wekenlange pelgrimstocht, of een dagenlange rondgang om een heiligdom, door het afpassen met de lichaamslengte, dandavat parikrama genaamd. Deze omslachtige manier van voortbewegen, die ook door 'gewone' pelgrims beoefend wordt, houdt in dat men zich in volle lengte uitstrekt op de grond, een steentje of zoiets bij het hoofd plaatst, opstaat en een paar stappen doet tot aan het steentje en het oppakt, zich weer uitstrekt, het steentje weer neerlegt, en zo maar verder, door stof, stenen, plassen, modder, tot men verdwaasd of extatisch het 'doel' bereikt.
samadhi
Daartegenover moet als contrast de letterlijk meest passieve vorm van lichamelijke ascese vermeld worden: het levend begraven worden oftewel samadhi. Dit kan slechts door volleerde meesters in de yoga uitgevoerd worden. Men veronderstelt dat de yogi zichzelf in een soort winterslaapbrengt: hij laat zijn hart stilstaan, hij ademt niet meer, de spijsvertering stopt.
Samadhi of levend begraven zijn.
In het midden van het vlakke stukje grond zien we een hand uit de aarde steken. De hand van een sadhoe dus die levend begraven is. Traag beweegt hij een korte mala in zijn vingers.
Werkelijk begraven worden is overigens niet noodzakelijk, maar kan als gedemonstreerd magisch 'wonder' een gewenst religieus effect op sceptische twijfelaars hebben. Het lichaam moet natuurlijk wel beveiligd en bewaakt worden. Na een vooraf bepaalde periode van enkele dagen of weken 'buiten' het lichaam — in astrale regionen, presumably — doorgebracht te hebben, keert hij terug en brengt zijn lichamelijke processen weer op gang.
Als de yogi een fout maakt in de procedure, wat soms gebeurt, zou hij niet meer terug kunnen keren en zijn tijdelijke 'zelfdoding' tot een finale verworden.
De zwijger, de mauni (= muni)
Als grensgeval tussen lichamelijke en psychische ascese is er het zwijgen. Niet meer spreken is in de eerste plaats een fysieke aangelegenheid van mond, tong, stembanden en longen, maar deze discipline is bovenal bedoeld om dát gedeelte van de psyche dat verwoorden wil, het zwijgen op te leggen. Al van oudsher geldt het zwijgen als een zeer belangrijke ascese, die ook heden ten dage nog veel beoefend wordt. De zwijgplicht wordt aangegaan voor een periode van twaalf jaar of een veelvoud daarvan, of voor de rest van het leven. Communicatie door middel van gebaren of schrijven is toegestaan, maar wordt tot een minimum beperkt. Als een zwijger weer gaat spreken, nodigt hij andere asceten en discipelen uit om daarvan getuige te zijn tijdens een feestelijke plechtigheid. Zijn eerste woorden zijn natuurlijk uiterst gewichtig.

Op ditzelfde grensvlak, maar dan als tegenovergestelde bestaat er het reciteren en op schrijven van mystieke formules of de naam van de godheid (mantra's). Het voortdurend opschrijven van steeds identieke woorden en spreuken lijkt op 'strafregels' schrijven. Het is natuurlijk een zeer lichamelijk gebeuren, maar ook hier gaat het om de mentale component, de constante herinnering van de naam van God, die geen ruimte in de geest voor andere gedachten laten.
Dit geldt ook voor het reciteren van mantra's, van enkele uren achtereen, hardop of alleen mentaal, tot continu 24 uur per dag, maar dan vrijwel alleen mentaal. Het continu innerlijk reciteren wordt als meest effectief beschouwd; het vormt een soort 'achtergrondruis' of 'grondtoon' voor de overige spirituele activiteiten. Op een gegeven moment is het dermate geautomatiseerd, dat het als vanzelf ook tijdens de slaap wordt voortgezet. De ascese van mantra recitatie is zeer bevorderlijk voor het snel bereiken van godrealisatie en wordt dan ook zeer veel beoefend. Vooral door aanhangers van Vishnoe die, zoals gezegd, meer devotie vertonen.
Overwegend mentaal is het memoreren en doorgronden van overgeleverde heilige teksten, in feite de enige 'intellectuele' activiteit die onder asceten nog enig aanzien heeft. Zo zou bijvoorbeeld het lezen of horen vertellen van het Ramayana epos - de 'bijbel' van Vishnoe-aanhangers - op zich al voldoende zijn om de goddelijke genade te ontvangen.

Puur mentale vormen van ascese zijn contemplatie en de eerste stadia van meditatie. Als voorbeelden van mentale oefeningen kunnen genoemd worden; het uitschakelen van de zintuigen; het bewustmaken en activeren van de chakra's; het geheel leegmaken van de geest; het totaal vullen van de geest met het beeld van de godheid of een mantra; de concentratie op één punt. De hoogste niveaus van meditatie, de Verlichting en Eenwording zijn het resultaat van de ascese en dus niet op te vatten als de ascese zelf.
De ascetische omgeving
Het oerwoud is van oudsher de beste plaats om te verblijven, maar ook crematieplaatsen — ter realisering van het vergankelijke van al het aardse — worden aanbevolen, of verlaten krotten en afvalhopen. Kenmerkend is de voorkeur voor plaatsen die buiten of aan de rand van de gemeenschap gesitueerd zijn, wat de gewenste maatschappelijke positie van de asceet weerspiegelt.
De oorspronkelijke verblijfsregels schrijven voor dat een asceet zich niet lang op één plaats mag vestigen. Na een dag of drie moet hij weer verder trekken, behalve in de regentijd, als de wegen onbegaanbaar zijn en hij vier maanden op één plaats mag doorbrengen, en dan het liefst bij zijn guru. Tegenwoordig worden deze regels niet meer zo streng nageleefd en veel asceten leven jarenlang op een en dezelfde plek, afgewisseld met pelgrimages naar festivals of andere heilige plaatsen. Ook dan heeft de woon plek vaak een soort tijdelijk en toevallig karakter: Zij is niet hun tempel of huis of hut of boom of hoek. Deze plekken zijn eigendom van een religieuze organisatie, van de overheid, of liggen op publiek terrein.
Nog altijd zijn er talloze asceten die zich zonder dak boven het hoofd en zonder enige beschutting vierentwintig uur per dag aan de elementen — zon, regen, hitte, kou, wind — bloot stellen. Passief en onthecht ondergaan zij de wisselvalligheden van het weer.
Anderen daarentegen maken juist gebruik van de elementen als middel tot ascese. Zij staan in het koude jaargetijde urenlang tot aan de kin in het water en zitten in het warme jaargetijde op het heetst van de dag met vuurtjes om zich heen in de zon, waarbij zij hatha yoga doen, mantra's reciteren of mediteren.
Een andere vorm van water kastijding is het zitten onder een aardewerken pot met een klein gaatje erin, waaruit constant water op het hoofd drupt; een andere vorm van vuur kwelling is het ondersteboven hangen boven een smeulend vuurtje van koemest. (Deze laatste twee methoden zijn nu, voorzover ik weet, historisch.)

Grotten
Andere eenvoudiger en fysieke methoden om totale afzondering te bereiken zijn het ingemetseld worden en leven in onderaardse grotten of in permanente retraite in grotten op ijzige hoogte, in de afgelegen valleien van de Himalaya.
kleding
De oudste kledingvoorschriften benadrukken het zich hullen in boombast, gras, riet en dergelijke of bij gebrek daaraan, vuile, gevonden lompen. Het verkozen naŒktlopen is niet altijd mogelijk. Deze voorschriften zijn later wat losser geïnterpreteerd en de gevonden vodden hebben plaats gemaakt voor schone doeken. In het algemeen zijn er nog wel beperkingen in de hoeveelheid en soort kledingstukken die men kan dragen: één laag als het koud is of twee, wel of geen wol, en dergelijke.
Het onderscheid tussen de kleding van asceten en die van het volk wordt vooral bepaald door de kleur: meestal rood, oker, oranje, roze en wit, soms zwart. Zelfkastijdende asceten dragen met opzet stof van een bepaalde grassoort die de huid irriteert (vergelijk het haren hemd bij de christelijke asceten), of tegenwoordig jute, zoals de tatambari hierboven afgebeeld.
Het naŒktlopen
Het naŒktlopen is een eerbiedwaardige ascetische traditie, teruggaand tot de pre-Arische Indusvallei cultuur. Het impliceert en symboliseert onthechting, vrijheid en de onschuld van vóór de zondeval. Bij de Griekse filosofen waren de Indiase asceten al bekend onder de naam gymnosophisten (= naŒktlopende filosofen) en er is sprake van confrontaties tussen hen en Alexander de Grote.
De meeste naŒktlopers wrijven hun lichaam in met as, afkomstig van hun eigen vuur, van vuur uit een tempel of van crematievuren. Er wordt beweerd dat de as enigszins beschermt tegen insecten, warmte en kou, maar het heeft bovenal een symbolische betekenis: zij symboliseert het vergankelijke van al het aardse.
De godheid Shiva, de Grote Yogi, zelf met crematie-as bedekt, dient als voorbeeld voor de naŒktlopende sadhoes die zich met as inwrijven. Zij dragen ook de rituele attributen waarmee Shiva afgebeeld wordt, zoals drietand, waterpot, gebedssnoer en dergelijke.

In 325 voor Christus, toen Alexander de Grote India bereikte, ontmoette hij daar een aantal naŒkte asceten die qua filosofie en levenswijze — en zeker ook qua arrogantie — veel overeenkomsten vertoonden met Diogenes, de Griekse filosoof-in-de-ton.
Deze asceten werden door de Grieken aangeduid als ‘gymnosophisten’, d.w.z. naŒkte filosofen. Eén van hen, Kalanos (wat naar mijn idee de Griekse weergave is van Kalanath, d.w.z. 'Heer van de Tijd') reisde mee terug in het gevolg van Alexander, en onderweg, om ‘n voor de Grieken onduidelijke reden, besloot hij zijn leven te beëindigen. Voor de verzamelde troepen werd een brandstapel opgericht, en kalm en waardig nam de asceet daarop plaats en liet zich levend verbranden. Zoals gezegd, de Grieken begrepen niet waarom hij het deed; maar dát hij het deed, maakte grote indruk. Een geloof dat dat mogelijk maakte moest wel heel bijzonder zijn.

Lang haar
De sadhoes laten, evenals Shiva, hun haar in lange verviltende strengen groeien die in een grote knot boven op het hoofd gedragen worden, welke jata genoemd worden. Aan hun jata wordt een magische kracht toegekend, ontleend aan de mythe waarin Shiva de rivier de Ganges — de godin Ganga — in zijn haarlokken opvangt en zo de kracht breekt waarmee zij anders de aarde zou verwoesten. Hoewel het haar, dat soms langer is dan het lichaam, beschutting en warmte kan verschaffen, wordt het onderhouden en torsen van deze kilo's zware vracht als een duidelijke vorm van ascese opgevat. Tegenover deze langharigen staan zij die al hun haar afscheren. Dit laatste gebeurt ook bij inwijdingen en als teken van rouw bij het overlijden van de leermeester.
Rama Sharan Puri, een sadhoe die in zijn devotie tot Shiva zijn haar al jarenlang niet meer geknipt heeft. Meestal draagt hij zijn haar in een gedraaide knot boven op zijn hoofd, die hij alleen ‘opent’ voor speciale gelegenheden en rituelen zoals het nemen van een (heilig) bad of het uitvoeren van religieuze ceremonies.
Vuur
Een eigen vuur, de dhuni, heeft een centrale plaats in het leven van de meeste asceten. Het dient niet alleen als bron van warmte en om op te koken, maar vooral ook om er dagelijks rituelen mee uit te voeren. Daarbij is het vuur zowel object van verering — de vuurgod Agni — alsook middel tot offerande aan andere goden.
Andere asceten onderhouden geen vuur. Zij plegen geen rituelen meer en eten ongekookt voedsel. De asceten die wel een vuur hebben, slapen er altijd dichtbij op een jute lap of op de harde grond, bij grote kou eventueel toegedekt met een dekentje. De vuurloze asceet gebruikt geen doek of deken, maar slaapt soms op bladeren of gras.
Als krankzinnige
Het bereiken van de status van 'outcast' en het leven in eenzaamheid worden door deze radicale asceet opzettelijk nagestreefd. In oude religieuze geschriften wordt hem ook aangeraden zich als een krankzinnige of dronkeman te gedragen, slecht gezelschap te zoeken, onreine daden te plegen, enzovoort, teneinde door de gevestigde orde verworpen te worden. Als compensatie staat daar tegenover dat het ongestraft overtreden van taboes hem een dienovereenkomstige magische kracht verschaft.
De inwijding
Vrijwel alle sadhoes behoren tot groeperingen, die óf aan Shiva, óf aan Vishnoe, óf aan een van hun incarnaties gewijd zijn. Bij intrede hierin vindt een inwijdingsceremonie plaats, waarin de aspirant-asceet definitief afstand doet van zijn oude wereldse relaties. Hij mag zijn clan, familie, vrienden en geboorteplaats nooit meer bezoeken.
Hij sterft als het ware 'uit' het oude wereldse leven -—de initiatie vertoont ook overeenkomsten met de gebruikelijke hindoeïstische overlijdensriten — en wordt in een nieuw spiritueel leven herboren.
De kaalgeschoren — als pasgeboren baby — aspirant krijgt een nieuwe naam, een nieuwe identiteit en in de eerste plaats een allesomvattende relatie met zijn guru, de aardse vertegenwoordiger van de godheid. Deze relatie dient in een later stadium uit te groeien tot een directe band met het goddelijke.
Zijn nieuwe familie wordt nu gevormd door de andere discipelen van zijn meester, die als broer aangeduid worden, en in wijder verband door alle andere asceten. De leden van eenzelfde groepering zien elkaar geregeld, bijvoorbeeld op de sterfdag van hun leermeester, of op andere belangrijke heiligendagen en religieuze festivals.
Kumbha Mela
Tijdens dergelijke vaak zeer grote festivals, zoals bijvoorbeeld de Kumbha Mela, waar miljoenen asceten komen, worden belangrijke beslissingen ten aanzien van de organisatie genomen. Verkiezingen van nieuwe leiders en administrateurs vinden bijvoorbeeld plaats, initiaties worden verricht, men doet geloften of beëindigt een boetedoening. Ook worden de laatste nieuwtjes uitgewisseld met leden van andere groeperingen. Hier is ook een wat uitgebreider contact mogelijk met pelgrims en de anders teruggetrokken levende asceten.
Zie verder de Kumbha mela pagina.
Genezers
Men vraagt asceten niet alleen om raad op spiritueel en sociaal-psychologisch terrein, maar men roept ook hun hulp in als genezers. Daarbij bedienen zij zich van kruiden, maar beoefenen vaker een combinatie van magische methoden en rituelen, waarbij hun adem en aanraking of bezwering, het uitspreken van mystieke formules en het aanbrengen van de heilige as een belangrijke rol spelen. Het op deze wijze beschikbaar zijn, zowel tijdens festivals als daarbuiten, zonder dat daar iets tegenover hoeft te staan, heeft ascetische kenmerken, evenals het zich blootstellen aan de gretige, nieuwsgierige blikken van het grote publiek.
Afgodsbeelden
Wat dit laatste betreft, het zich vertonen, fungeren de asceten als een soort afgodsbeelden. Voor de vrome Hindoe zijn het aanschouwen en het aanbidden van afbeeldingen en beelden van goden spiritueel verheffende daden. De asceet, die in zijn levenswijze een bepaalde godheid navolgt en deze vereenzelviging ook uiterlijk met traditionele mystieke symboliek, magische attributen en religieuze rituelen. gestalte geeft, wordt gezien als de aardse plaatsvervanger van die godheid en als zodanig met evenveel respect en devotie aanbeden. Bovendien kan de gelovige offerandes plegen aan de asceet-god, in natura — voedsel, kleding, bloemen, diensten, enzovoort — en in geld.
Het bedelen en de armoede
De rondtrekkende asceet, die zijn aalmoes niet vanzelf in de schoot geworpen krijgt, zal moeten bedelen. Dit economische aspect van de ascetische levenswijze kent tal van voorschriften. Sommige groeperingen is het bijvoorbeeld verboden geld aan te raken, dus kunnen zij alleen aalmoezen in natura accepteren, Andere mogen geen gekookt voedsel aannemen, terwijl weer anderen juist alleen maar klaargemaakt voedsel kunnen accepteren, maar niet meer dan ze in één keer kunnen opeten. Sommige mogen alleen bij hogere kasten bedelen; voor anderen geldt geen kastenonderscheid. Ook op dit terrein bestaan weer verdergaande beperkingen, zoals bij de asceten die alleen bij hun collega's mogen bedelen, en bij de asceten die helemaal niet mogen bedelen.
In geheel India kunnen deze asceten trouwens gebruik maken van voorzieningen voor gratis voedsel en onderdak, en zij kunnen 'zwart' in de trein reizen, wat oogluikend wordt toegestaan.
De asceet kiest principieel voor een armoedige levenswijze. Hij mag voor zichzelf geen goederen of voedsel verzamelen en bewaren. Wat hij te veel ontvangt dient hij af te dragen aan zijn religieuze organisatie. Als persoonlijk bezit mag hij niet meer hebben dan een paar kledingstukken, enkele noodzakelijke praktische objecten en de al eerder genoemde rituele attributen.
Het sterven / Samadhi
De laatste fase in het ascetenleven is het op de juiste wijze sterven. Dit wordt altijd voorgesteld als een bewuste daad van de asceet: hij geeft zijn lichaam op, hij verlaat het stoffelijk omhulsel, hij gaat over, enzovoort. Hoewel het sterven een vreugdevolle overgang naar een goddelijk bestaan is (of dient te zijn), wordt het vervroegd uitstappen door middel van zelfdoding negatief beoordeeld, tenzij daarvoor een gegronde reden is.
De heilige moet de levensschool tot de laatste klas blijven volgen, omdat hij alleen in dit aardse leven de unieke kans krijgt om te evolueren. Wie deze gelegenheid niet volledig benut door te weinig inspanning, slecht gedrag of vroegtijdig afhaken, zal in een lagere levensvorm reïncarneren. Een asceet echter die weet binnenkort van ouderdom of door een ongeneeslijke ziekte te zullen sterven, is het wel toegestaan zijn einde te bespoedigen. Dit kan hij doen door de al eerder genoemde Tocht naar het Noorden. Een andere gerespecteerde manier is het kiezen van een plaats, liefst in de jungle, waar de asceet na de gepaste rituele voorbereiding gaat zitten en zich niet meer verroert, niet meer eet of drinkt, en zo zijn lichaam verlaat.
Letterlijke zelfopoffering, door bijvoorbeeld verbranding of verdrinking, met als doel bij de goden gunsten af te dwingen voor het volk of een groep asceten, wordt als een positieve daad in de heilige geschriften vermeld, maar schijnt recentelijk in India niet meer voor te komen.
Aangezien een asceet zich in zijn leven door boetedoeningen en rituelen voldoende gereinigd heeft, hoeft hij na zijn dood niet gecremeerd - door vuur gereinigd - te worden. Volgens de Hindoe opvatting mag het lijk van een normaal mens Moeder Aarde niet bezoedelen, maar een asceet of heilige mag wel begraven of in een rivier geworpen worden. Dit laatste geldt trouwens ook voor kinderen (die nog niet verontreinigd zijn) en koeien (heilige dieren, nietwaar).
Als een dode asceet in de rivier gegooid wordt — bij voorkeur de Ganges, of een andere heilige rivier — wordt hij er door zijn discipelen of medeasceten heen gedragen, vastgebonden op een stoel zittend en uitgedost alsof hij nog leeft.

Bij de waterkant nemen zij met gepaste rituelen afscheid van hem, met een roeiboot brengen zij hem naar het midden van de rivier, en met een zware steen aan de stoel wordt hij overboord geworpen.
Als een asceet begraven wordt, plaatst men hem in de grafkuil, zittend in meditatiehouding (zie ook Oman voor een prachtige beschrijving van een begrafenisprocessie van 100 jaar geleden). Het woord voor het hoogste stadium van meditatie, de verlichting, is samadhi, wat ook dood betekent. De begraafplaats wordt gemarkeerd met een klein stenen gedenkteken, dat ook 'samadhi' genoemd wordt. Voor devote volgelingen van een heilige kan dit een bedevaartsplaats worden.
De god-realisatie
Bij het beschouwen van de hierboven geschetste ascetische praktijken is het belangrijk voor ogen te houden dat veel van deze onthoudingen, boetedoeningen en zelfkwellingen, ook de meest extreme, vandaag de dag in India nog uitgevoerd en gerespecteerd worden. Wellicht is het nog de enige plek ter wereld waar mensen zo massaal actief, fanatiek en radicaal iets als god-realisatie nastreven.
De westerling is geneigd zich af te vragen of dat doel eigenlijk wel bestaat, of het bereiken daarvan mogelijk is, of deze methoden de juiste zijn en om welke redenen deze mensen daarmee zo bezig zijn. Binnen een strikt materialistisch kader, waarin het bestaan van een God, een Kosmisch Bewustzijn, of een Ziel ontkend wordt, zijn het doel en de middelen vanzelfsprekend absurd. Een materialistisch-psychologische (Freudiaanse) analyse karakteriseert ascetische gedragingen en ervaringen alleen maar als defensiemechanismen, onbewuste agressie, verdrongen se+ualiteit, anorexia nervosa, vluchten in kinderfantasieën, zelfdestructieve psychose enzovoort.

Alleen vanuit een Oosters perspectief, vanuit een Hindoeïstische metafysica en psychologie zijn de ascetische praktijken van India te bevatten.
Binnen het Hindoeïsme zijn alle mogelijke metafysische opvattingen vertegenwoordigd: een persoonlijke God de Schepper, een God als Ziel van de Kosmos, een Drie-eenheid; er zijn lagere goden, halfgoden, spirituele entiteiten, enzovoort, die alle in een eigen verhouding tot de schepping en de mens staan.

Voor de pragmatische asceet is overigens de theoretische metafysica als intellectuele constructie van geen enkel belang. Voor hem telt voornamelijk de in deze metafysica gegeven mogelijkheid tot direct contact met de godheid door de mystieke ervaring. Zolang hij zelf nog niet de Waarheid ervaren heeft zal hij vertrouwen op de inzichten van zijn Leermeester, die de status van guru heeft omdat hij het Licht gezien heeft.
De herprogrammering van de blinde vlek
Waarom zoekt de asceet deze mystieke ervaring?
De eerste aanzet tot het begaan van zijn weg wordt gegeven door zijn verlangen, min of meer in elk mens aanwezig, te ontsnappen aan de vergankelijkheid, doelloosheid en uiteindelijke futiliteit van het wereldse bestaan. De menselijke psyche is zodanig geprogrammeerd dat zij voor dit gevoel van onvrede korte termijn oplossingen zoekt, om direct allerlei behoeften te bevredigen of lust en plezier te beleven. Deze programmering maakt ook dat de onverbrekelijke connectie daarvan met verdriet en pijn wordt miskend, een onwetendheid die niet alleen de doelloze, onbevredigende, vicieuze cirkel van begeerte, lust, frustratie, pijn, walging, etc. op gang houdt, maar tegelijkertijd een soort blinde vlek is die het zicht op een grotere realiteit belemmert.

De asceet richt zich op het her programmeren van de psyche, het doorbreken van de vicieuze cirkel, het oplossen van de onwetendheid, door oude instinctieve gewoonten (de korte termijn oplossingen) te vernietigen en nieuwe, hogere patronen te evolueren.

De kern van het 'psychisch programma', als eerste te ontmantelen, is het ego in al zijn gedaanten: ijdelheid, trots, machtsgevoel, ambitie, en ook de op het ego betrokken emoties als liefde en haat. Het gaat de asceet erom het ego te vernietigen en een egoloos handelen en een belangeloze liefde daarvoor in de plaats te stellen.
Een methode om de vicieuze cirkel van lust en pijn te doorbreken is het 'onthechten' van de emotionele binding tussen subject en positieve/negatieve ervaringen, iets heel anders dan verdringing of ontkenning. De ervaring wordt wel beleefd, maar niet betrokken op het eigen zelf. Veel ascetische onthoudingen, oefeningen en zelfkwellingen zijn hierop gericht.
Een aantal van deze boetedoeningen en zelfkastijdingen gaat zeer ver in de 'doding des vlezes' en er zijn, zoals gezegd, leraren die daartegen waarschuwen. De beoefenaren zélf zijn er vanuit hun keiharde logica van overtuigd dat, naar gelang de oude 'programmering' dieper verankerd is in het systeem, er dienovereenkomstig strengere methoden gehanteerd moeten worden. Voor hen zijn het juist de vérgaande vormen van ascese, die een fundamentele verandering kunnen teweegbrengen in het 'diepste' psychische complex, dat van de angst, de angst voor de dood, ziekte, waanzin, egoverlies, enzovoort.

Hoewel het zeer evident is dat de wilskracht in de ascese een belangrijke rol speelt, dient de asceet zich toch te realiseren dat hij het niet is die wil, dat hij niet de actievoerder is, maar dat het goddelijke dóór hem heen naar de perfectie streeft. Vanuit deze passiviteit, deze overgave aan de goddelijke evolutieprocessen, ontstaat dan zijn mogelijkheid tot verdere ontwikkeling, spirituele emancipatie en realisatie: de godverwerkelijking.

Veel meer info en foto's in mijn boek Contact Dolf Hartsuiker