Sadhoes & Yogi's van India
Homepage Shiva en zijn volgelingen Vishnoe: Rama & Krishna
Sadhvi's: vrouwelijke sadhoes Ascese en zelfkwelling Kumbha mela's
Vreemdeling sadhoes Noten & Bibliografie Oude foto's
Benares

door Dolf Hartsuiker

Benares is al sinds de oudheid een centrum voor religieuze studie en wordt door alle Hindoes beschouwd als de heiligste stad van India. Honderden tempels. kloosters en instituten van alle mogelijke Hindoe sekten zijn hier gevestigd. Hoewel Benares gewijd is aan de godheid Shiva, is deze stad toch ook heilig voor andere Hindoes, zoals volgelingen van de godheid Vishnoe, omdat volgens een oeroude mythe Shiva van Vishnoe het voorrecht heeft gekregen om iedereen die in 'zijn' stad zou sterven directe en definitieve spirituele verlichting te geven en op te nemen in de godenhemel.
Daarom willen alle vrome Hindoes in Benares sterven en daar gecremeerd worden.

Grote aantallen pelgrims en sadhoes komen hier elke dag om in de heilige Ganges te baden en zich zodoende van hun zonden te reinigen.

De ghats, dat zijn de stenen trappen die naar het water leiden. spreiden zich uit over een lengte van vijf kilometer langs de rivieroever, en worden beschouwd als het heiligste gebied van Benares.
Pelgrims onder aanvoering van hun locale baba spoeden zich langs de ghats.
Ik heb mijn intrek genomen in een klein hotelletje aan een ghat, met uitzicht over de rivier. Als de zon opkomt uit de grijze ochtendnevel boven de vage boomtoppen ver weg aan de overkant van de Ganges, schijnt een zacht roze licht horizontaal mijn kamer in.
Het leven aan de rivier is dan al een tijdje aan de gang. Sinds een uur of twee staan beroeps-wassers al in het water met wasgoed ritmisch op grote platte stenen te slaan. De eerste pelgrims en religieuzen hebben hun reinigingsrituelen al verricht.
Maar met het opkomen van de zon die de ochtendkilte verdrijft, wordt het snel drukker. Stadsbewoners, die hier elke ochtend hun bad nemen en hun kleding wassen omdat ze thuis geen stromend water hebben, dalen de trappen af naar het water, een stukje zeep en een schoon kledingstuk in de hand.
Bij bepaalde ghats, die om historische, mythologische redenen extra heilig zijn, verdringen honderden pelgrims zich op de treden in en uit het water.
Onder de bekende parasols zitten professionele, rituele 'badmeesters', waar een bader tegen betaling zijn kleding in bewaring kan geven en waar hij na het bad een rode stip op het voorhoofd kan krijgen, om aan te geven dat hij gereinigd is, dat hij zijn religieuze plicht vervuld heeft.
Op een middag sta ik op een soort terras of balkon hoog boven de ghat waar de lijken verbrand worden. Aangezien Benares zo'n populaire plaats is om te sterven, is het cremeren een continubedrijf. Ook 's avonds en 's nachts branden de vuren, en op lage muren eromheen zitten mensen zich te warmen, de handen uitgestrekt naar de felle gloed. De doordringende geur van schroeiend haar en bradend vlees schijnt ze niet te deren. Vanaf deze plaats op het balkon kan ik de gebeurtenissen beneden goed gadeslaan en zo wat mijmeren over de vergankelijkheid van
het aardse bestaan.
Door de nauwe steegjes worden op wrakke draagbaren de lijken aangevoerd. Dragers en begeleiders roepen steeds in koor: 'Rama nama satya hè', wat betekent 'de waarheid is (in) de naam van God'. Ze lopen de trappen af, tussen de vuren door en deponeren het in doeken gewikkelde lijk half in het water van de Ganges. Daar zal het lichaam voor de laatste maal door het heilige water gereinigd worden.
Vaak moet een lijk uren wachten voor er plaats is op een nieuwe brandstapel. De grootte daarvan wordt bepaald door de financiën van de nabestaanden. Het lijk wordt op de brandstapel gelegd en toegedekt met nat gras.
Een van de nabestaanden, bij voorkeur de oudste zoon, kaalgeschoren als teken van rouw, loopt met brandend gras driemaal om de brandstapel heen en steekt hem dan aan.

Meestal moet er dan nog een expert aan te pas komen om het vuur goed op gang te krijgen, en men sprenkelt er nog flink was ghi (vloeibare boter) over heen.
De crematie-ghat tijdens een zeldzaam moment van rust
Na enkele uren branden, de tweede reiniging als het ware — door vuur dus ditmaal — wordt indien nodig de schedel ingeslagen om de geest te laten ontsnappen. De nabestaanden staan of hurken er maar wat bij, totdat (praktisch) alles verbrand is. Dan gooit de zoon, met de rug naar het vuur staande een aardewerk pot met Ganges-water over zijn hoofd. Die spat sissend in het vuur uiteen. Eventuele niet-verbrande delen worden in de rivier gegooid.
Het vuur wordt daarna snel leeggeroofd door kinderen uit de buurt, die de gloeiende kolen en takken opscheppen en in metalen schalen afvoeren. Er hangen ook wat weldoorvoede honden en koeien rond, en het is me wel gebleken dat deze koeien niet vegetarisch zijn.

Een crematieplaats vormt ook sinds mensenheugenis een ideale verblijfplaats voor sadhoes. In de klassieke Hindoe boeken wordt dat zelfs aanbevolen. Evenals het inwrijven van het lichaam met as van crematievuren. In een kleine open tempel aan deze ghat woont dus ook een sadhoe, en aan brandend hout voor zijn dhoeni (vuurplaats) heeft hij geen gebrek.
Terwijl ik sta te kijken naar de overslag van de enorme hoeveelheid brandhout die dagelijks met houten zeilschepen wordt aangevoerd en in ongelooflijk zware stapels op de hoofden van miezerige, pezige mannetjes de trappen wordt op gedragen en bij de opslagplaatsen neergekwakt, word ik opeens aangesproken door een zekere Shankar, die mijn aandacht en geld wil vragen voor zijn benarde gezinssituatie. Hoewel zijn dochter pas elf is, maakt hij zich nu al ernstige zorgen over haar bruidsschat. Althans, dat beweert hij.
Maar ik wil me niet laten afleiden en vraag wat zo'n hout-sjouwer nou verdient. Al pratend houd ik de bedrijvigheid beneden in de gaten en bespeur opeens een in het zwart geklede sadhoe met een lange drietand in de hand, die zich een weg baant door het gewoel rond de vuren.
'Hey look', zeg ik tegen Shankar, 'I want to take photos of that sadhu!'
We snellen naar beneden, achter langs een steegje door en wat trappen af. Daar zien we hem weer, met zijn zwarte tulband boven de menigte uitstekend.
Shankar spreekt hem aan. Zeer bereidwillig gaat hij mee naar de open Shiva-tempel achter de verbrandingsplaats. De sadhoe die daar woont is er niet, maar dat is geen probleem, want dit 'portiek' is min of meer publiek terrein. De zwarte sadhoe installeert zich op een glad gepleisterde stenen verhoging: hij spreidt zijn dekentje uit, legt zijn stoffen reistas ernaast, zet zijn drietand behoedzaam tegen de muur en gaat op de deken zitten met zijn benen onder
zich gevouwen.
Shankar en ik gaan op een andere stenen bank aan de zijkant zitten. Vrijwel meteen komen er nog een paar mannen bij, naast ons op de bank en op de grond. Ik leg een biljet van tien roepie op het dekentje van de sadhoe. Hij schenkt er geen aandacht aan, maar het maakt wel indruk op het publiek.
Op mijn verzoek legt Shankar aan de sadhoe uit dat ik geïnteresseerd ben in het leven van sadhoes en dat ik ook foto' s van hem zou willen maken. De sadhoe knikt instemmend.
Ik vraag naar zijn naam. Hij pakt een ballpoint die aan een van zijn kettingen hangt en schrijft daarmee in zijn linkerhandpalm. Hij laat de in rood geschreven Hindi woorden aan Shankar lezen, die ze voor mij vertaalt.
Hij heet Baba Pagal Sant Mauni Baba.
Dit zijn in feite allemaal 'titels' en aanspreekvormen. Baba is de meest algemene aanspreekvorm voor sadhoes en oude, eerbiedwaardige mannen. Pagal betekent' gek' , de bezetene van goddelijke waanzin. Deze aanduiding heeft een lange traditie, want al in de vroegste religieuze geschriften wordt asceten opgedragen zich als krankzinnigen te gedragen. Sant is 'sint' en betekent dus heilig. Mauni is een 'zwijger'.
Baba Pagal Sant Mauni Baba
Het blijkt dat Mauni Baba, zoals ik hem gemakshalve maar zal noemen, al 21 jaar niet meer gesproken heeft.
Zijn handen zijn zeer bijzonder. Niet alleen zijn de nagels opvallend lang, maar hij heeft ook twee duimen aan elke hand. Als je bedenkt dat in de Indiase handlijnkunde de ziel door de duim vertegenwoordigd wordt, dan kun je wel nagaan wat het bezit van een dubbele duim (wat ik in India overigens opvallend vaak gezien heb) of twee duimen per hand betekent. Dan ben je eigenlijk van je geboorte af al voorbeschikt tot het leven van een sadhoe. Hij koketteert er ook duidelijk mee. Later zal hij een soort symbolische 'voorstelling' doen waarbij een van de extra duimen als li–gam (f.--.s) fungeert en de andere dubbele duim als yoni (v-lva). In een andere context zou dat een obsceen gebaar zijn, maar binnen het Hindoeïsme duidt het op de vereniging van de twee kosmische oerprincipes.
Mauni Baba rommelt In zijn reistas, haalt er een plastic zakje marihuana uit en strooit een flinke hoeveelheid in de handpalm van Shankar. Deze moet het chilummengsel klaarmaken. Een beetje tabak erbij en met Ganges-water mengen en samenpersen. Mauni Baba geeft hem een grote zwart aardewerken chilum.
Na het slaken van de juiste kreten steekt Shankar de brand erin met een gloeiend stukje houtskool uit een van de crematievuren, blaast een grote rookwolk uit en geeft de chilum aan de Baba. Het gebruikelijke rookritueel volgt, dat zich deze middag nog vaak zal herhalen.
Zoals gewoonlijk staat ook hier weer een grote groep nieuwsgierigen naar ons te kijken. Zo nu en dan komt daaruit iemand naar voren die zich voor de sadhoe in het stof buigt en wat muntstukjes doneert.
Mauni Baba schrijft nu in zijn hand. Hij wil sterke drank hebben!
Dat is zeer uitzonderlijk. Hindoes drinken in het algemeen geen alcohol, laat staan sadhoes. Er zijn echter een paar sekten, zoals de Aghori's, die dat wel doen. Die eten ook wel vlees en gebruiken, naar verluidt, zelfs mensenvlees in hun rituelen. Zij zijn vaak zwart gekleed, zoals deze Baba, en hebben een zwarte streep op het voorhoofd. Mauni Baba heeft echter een rode streep.
Als ik hier later naar informeer, krijg ik geen duidelijk antwoord. Aan zijn andere attributen te oordelen is hij eerder een Kanphata Yogi. Zijn halsketting bijvoorbeeld bestaat uit diverse onderdelen die traditioneel voor deze groepering voorgeschreven zijn: zwarte wollen draad, een rode kraal, een roedraaksh-kraal, een grote ring en aan het eind een klein fluitje van rinoceroshoorn. Deze laatste twee zijn ook weer symbolische man-vrouw-elementen. Voordat de sadhoe zijn rituelen gaat bedrijven en voor het eten blaast hij op dit fluitje. Hij kan het ook gebruiken om mentaal zijn goeroe op te roepen.
Shankar zamelt geld in bij de zes à acht aanwezigen die tot de 'harde kern' van meerokers zijn gaan behoren, allen dragen zij meerdere roepies per persoon bij. Een jongetje wordt eropuit gestuurd en komt na korte tijd terug met een fles illegaal gestookte alcohol en een plastic zak met groene 'erwten', die gram genoemd worden. Mauni Baba deelt aan iedereen een handjevol gram uit. Men accepteert dit nu heilige voedsel met enige eerbied.
Hij schenkt een aardenwerken kom vol sterke drank en staart een minuut in zichzelf verzonken in oneindige verten, terwijl hij mentaal de juiste mystieke formules (mantra's) reciteert. Dan heft hij de kom op, doopt het hoornen fluitje even in de vloeistof — hij offert zo aan de godheid — en drinkt het in één lange teug op. Hij schenkt de kom meteen weer vol en kijkt vragend rond. Een paar mannen, onder wie Shankar, houden kopjes en kommetjes op om te laten vullen; de anderen, onder wie ik, houden de hand op om een paar druppels te ontvangen; Weigeren zou zeer onbeleefd zijn, het is nu tenslotte een godendrank geworden.
Iedereen drinkt, en weer slaat Mauni Baba in één keer de kom drank achterover. Dat zijn al zo'n tien borrels, schat ik. Hij schenkt weer in, maar laat de kom voorlopig staan. De fles is al praktisch leeg.
Ik moet nu naast hem komen zitten. Hij schrijft met zijn rode ballpoint in mijn notitieblok en wil, met de hulp van Shankar, allerlei metafysische principes uitleggen. Dat lukt natuurlijk niet zo best, te meer daar hij nu aardig aangeschoten begint te raken. Vanaf nu kan ik hem beter Pagal Baba gaan noemen.
Hij houdt mijn hand vast en kijkt me langdurig en zeer sentimenteel in mijn ogen. Hij wil dat we samen op reis gaan, samen lopen, samen in de trein; hij zal voor ons koken. Hij kijkt in zijn tas en haalt er na enig zoeken een roedraaksh-kraal uit en geeft hem aan mij. Die moet ik om mijn arm of nek dragen. Hij kust mijn handen, omhelst me, zoent me in mijn hals.
Ik weet niet goed wat ik hiermee aan moet. In India heerst zo'n groot taboe op lichamelijke aanraking dat zelfs een hand geven al tegen de etiquette is. Ik stel maar een paar afleidende vragen om ons samenzijn weer een meer afstandelijk, filosofisch karakter te geven.
Pagal Baba krast een grote rode punt in mijn notitieblok en schrijft met onvaste hand over soenya, de 'leegte', als object van meditatie. Hij drinkt zijn derde kom drank leeg en moet dan gaan plassen. Dat geeft hij aan met een typisch Indiaas gebaar: hij draait met zijn rechterwijsvinger rond zijn rechteroor. Veel Indiërs en sadhoes hebben een heilig, drie-strengig koord kruislings over de borst hangen (de hogere kaste) en als ze hun behoefte gaan doen, trekken ze dat op en wikkelen het om het oor, zodat het niet bezoedeld kan worden. Als Pagal Baba wil opstaan, valt hij bijna om. Shankar schiet hem te hulp, ondersteunt hem en loopt een stukje met hem op.
De zon is inmiddels ondergegaan. Zo nu en dan laaien de vlammen van de crematievuren hoog op en zenden grijze rookwolken en roodgloeiende deeltjes de donkere lucht in. De Baba komt terug. Hij heeft zichzelf weer wat meer onder controle, en ik neem afscheid van hem. Met moeite laat hij me gaan.
Udasin baba's aan de Ganges
Ik ontmoet Shankar de volgende 'morgen op de afgesproken plaats, het balkon boven de crematie-ghat. Ik volg hem door de doolhof van smalle koele stegen van het oude Benares.
We komen aan bij een natuurstenen poort waarvan de dubbele houten deuren op een kier staan en belanden op een binnenplaats van een soort klooster (ashram). Een man komt op ons af en vraagt wat we komen doen.
Na de uitleg van Shankar verdwijnt de man in een gang en komt even later terug met een monnik met kaalgeschoren hoofd.
Deze vraagt in perfect Engels wat het doel van mijn komst is. In het kort vertel ik dat. De monnik denkt even na en nodigt mij dan uit verder te komen.
Hij stuurt Shankar weg. Dat verbaast mij enigszins, het zal wel iets met kaste te maken hebben. Ik zeg tegen Shankar dat ik hem later op zal zoeken en geld geven.
De monnik en ik gaan op een lange houten bank zitten in de schaduw van een boom. Hij heet Svayamprakash Giri. Sinds een jaar of acht is hij verbonden aan deze religieuze organisatie en een jaar geleden is hij geïnitieerd als sannyasi, dat wil zeggen een persoon die afstand heeft gedaan van het wereldse leven om zich geheel te wijden aan god-realisatie. Er is geen principieel verschil tussen sadhoes en sannyasi's. De laatsten zijn echter minder extreem in hun ascese en levenswijze en lijken meer geïntegreerd in een soort kloosterorden.
Volgens Svayamprakash is studie ook een vorm van ascese. Aan deze ashram is een Sanskriet school verbonden waar een tiental leerlingen gratis les, onderdak en voeding krijgt.
We converseren lang over de verschillen in religieuze instelling tussen Oost en West. Dat in het Oosten de religie veel meer met het dagelijks leven verweven is en nog steeds verregaand de moraal, zeden en gewoonten beïnvloedt, is zeer evident. Naar zijn idee is dit een onverbrekelijke verbondenheid, waar ook, zo nodig, Westerse twintigste-eeuwse opvattingen ingepast kunnen worden.
De toekomst voor sadhoes en sannyasi's als beoefenaars van spirituele en religieuze praktijken ziet hij dan ook zeer rooskleurig. Het zal dan wel nodig zijn dat ze zich in maatschappelijk opzicht wat creatiever en productiever gaan opstellen. Hij denkt dan vooral aan onderwijs en bepaalde vormen van hulpverlening. En bovendien leiden sadhoes zo'n simpel leven dat er altijd wel plaats voor ze zal zijn.
Deze argumenten heb ik wel vaker gehoord. Maar ik ben er heel wat somberder over. Deze redenering kan dan misschien nog wel voor hem gelden, maar ik zie types als Mauni Baba niet functioneren als 'hulpverlener' of in een of andere 'maatschappelijk relevante' functie. Dat valt niet te rijmen met hun principiële opstelling als 'randfiguren' en 'onmaatschappelijken '.

In de duizenden jaren oude hindoe-traditie is er op zijn minst een soort 'ecologische nis' geweest waarin sadhoes konden gedijen, terwijl er zelfs momenten in deze cultuur waren waarin zij als voorbeeld dienden voor een spirituele levensopvatting. Naarmate echter deze traditie wordt verdrongen door een Westerse, materialistische levenswijze, waardoor de totale sociale situatie verandert, zal er minder begrip en ondersteuning voor een dergelijke antimaterialistische, spirituele levensopvatting zijn.
Het uiteindelijke gevolg daarvan zou kunnen zijn dat de symbiotische relatie tussen vrome Hindoes en wereld verzakende sadhoes finaal wordt verstoord.

Contact: dolfhart@ziggo.nl