Sadhoes & Yogi's van India
Homepage Shiva en zijn volgelingen Vishnoe: Rama & Krishna
Sadhvi's: vrouwelijke sadhoes Ascese en zelfkwelling Kumbha mela's
Vreemdeling sadhoes Noten & Bibliografie Oude foto's
Gangasagar

door Dolf Hartsuiker

Januari 1988
De overtocht over de rivier de Ganges duurt langer dan ik dacht. We zakken een flink eind de rivier af. Ik ben op weg naar het jaarlijkse festival in Gangasagar. een heel klein plaatsje dat ligt op een van de grotere eilanden in de uitgestrekte Gangesdelta. Hoewel de Ganges over honderden kilometers uiteen waaiert in tientallen kleinere en grotere mondingen, wordt zij (Ganga) geacht toch dáár in de oceaan (sagar) te stromen.
Vanzelfsprekend is die plek zeer heilig; zij speelt dan ook een belangrijke rol in de Hindoe mythologie. Volgens de Mahabharata, een groots epos, daalde de godin Ganga hier af naar de onderwereld om de as van de zestigduizend zonen van koning Sagar die door de woede van de wijsgeer Kapila waren verteerd, ritueel te reinigen, zodat hun zielen rust konden vinden in het hiernamaals. Kapila is sinds onheuglijke tijden de beschermheilige van het eiland.
Elk jaar wordt deze gebeurtenis weer herdacht of herbeleefd in het festival dat ook Gangasagar heet. Op het juiste, astrologisch uitgerekende moment nemen eerst duizenden sadhoes en dan honderdduizenden pelgrims een bad op de mythologisch bepaalde plaats in zee om zo ook deel te nemen aan de goddelijke reiniging.
Onze boot nadert de aanlegsteiger.
De zojuist nog sluimerende groep pelgrims neemt nerveus positie in om dringend en duwend het schip te kunnen verlaten. Het voorbeeld van drie sadhoes volgend, wacht ik rustig tot iedereen van boord is. Met z'n vieren wandelen we over de steiger, door met bamboehekken afgezette paden, naar de gereedstaande bussen.
Het is toch weer prima geregeld. De Indiase politie heeft natuurlijk veel ervaring met het beteugelen van grote massa's. Er is aanvankelijk plaats genoeg in de bus, maar zoals gewoonlijk wordt ‘ie geheel volgestouwd tot ook mensen op de grond zitten.
We rijden zo'n twintig kilometer over een smal landweggetje met links en rechts landbouwvelden en kleine goed verzorgde boerderijen. Dezelfde passagiers als van de boot, voor een groot deel uit Rajasthan zo'n 1500 kilometer hier vandaan, zingen weer. Vanwege mijn gezelschap denken ze dat ik ook een soort sadhoe bent, uit Kashmir of zo, daar wonen namelijk hele lichte mensen.
We stappen vlak bij Gangasagar uit, de bus mag niet verder.
Mijn eerste zorg is nu het vinden van accommodatie. Er is geen hotel, er is eigenlijk ook geen dorp, maar misschien dat ik in een klooster (ashram) van een grote tempel onderdak kan krijgen. Na enig vragen kom ik terecht bij het 'kantoortje' van de Bharat Sevashram Sangha, een uitgebreid complex gebouwen aan een groot binnenplein, en een belangrijke religieuze groepering van dezelfde naam die elk jaar het festival organiseert.
Na een uur of wat 'bekeken' te zijn en na overleg tussen de oude man die de kamers toewijst en een paar religieuze bazen van de organisatie blijkt dat ik voor één nacht een kamer kan krijgen.
Ik weet vrijwel zeker dat ik langer kan blijven als ik me volgens hun regels gedraag en ik bedank de oude man hartelijk. Het verblijf is gratis, maar ik mag wel een donatie geven.
Het is een ruime, schone kamer, met twee bedden en lakens, en een badkamertje.
Ik doe schone kleren aan en ga het festivalterrein verkennen. Dat ligt verrassend dichtbij, op zo'n vijf minuten afstand.
Een restaurant, een theehuis,
een kapper, een groentenboer,
een kruidenier;
het gele huisje op palen is een uitkijkpost.
Op het brede strand is over een lengte van enkele kilometers een tijdelijk stadje opgetrokken uit bamboe, riet, stro en zeildoek. In hutten en tenten vind je alles wat een mens nodig heeft: kruideniers, winkels met groenten, petroleum, restaurants, kappers, postkantoren, politieposten, brandweerposten en woonruimtes. Grote tenten zijn afgehuurd door groepen pelgrims die nog bezig zijn met het inrichten. Overal wordt nog gebouwd. Wat een gigantische inspanning en dat slechts voor een week!
In het centrum vlak bij de tempel, het enige permanente gebouw hier, zijn een paar 'straten' met aan weerskanten sadhoe 'huisjes'. Ook vervaardigd van bamboe en riet, met een gedeeltelijk afgeschoten achterkamertje en een voorportaal waar van klei een verhoging met vuurplaats is geboetseerd.

Veel sadhoes hebben de rieten wanden van hun voorportaal versierd met kleurige, meest rode, doeken en religieuze kalenderplaten, en er staan kleine altaartjes en andere magische attributen.
De sadhoe huisjes
Naar links en naar rechts groetend, ploeg ik door het rulle zand van deze straatjes. De meeste huisjes zijn al bewoond en de sadhoes zitten als levende standbeelden naast hun smeulende vuur (dhoeni). Vrijwel alle sadhoes hier zijn aanhangers van de god Shiva. Zeer veel behoren tot de groepering van Naga’s.
Een naŚkte sadhoe wenkt mij naderbij en maakt met gebaren duidelijk dat ik bij het vuur in zijn kleine voorportaal moet komen zitten. Ik doneer een tweeroepie biljet en hij geeft me een stukje zoetigheid, als prasaad wat zoveel betekent als' goddelijke genade'. Eten en drinken dat je van een sadhoe krijgt wordt geacht geheiligd te zijn door zijn aanraking of nabijheid. Het weigeren van prasaad is een ernstige belediging, niet zozeer van de sadhoe als wel van de godheid die hij vertegenwoordigt. Met een soort eerbied dien je het te nuttigen en ook geen kruimels of druppels laten vallen.
De communicatie met deze sadhoe wordt extra bemoeilijkt door het feit dat hij een 'zwijger' (mauni) is. Deze baba praat al zeven jaar niet meer.
Hij zit prachtig rechtop met zijn benen strak over elkaar gekruist. Net als de andere Naga's is hij ingewreven met as. Zijn lange haar draagt hij in een knot boven op zijn hoofd. Om zijn nek heeft hij een kralenketting van 108 grote roedraaksh-noten.
Roedraaksh betekent ogen (aaksh) van Roedra, een voorloper van de god Shiva. Deze kralen hebben een zeer uitgebreide symbolische betekenis, die onder andere samenhangt met het aantal groeilijnen — moekhi genoemd, wat 'monden' betekent — dat op een noot aanwezig is. Vijf is normaal; een noot met meer of minder lijnen heeft bijzondere kracht (vergelijk ons klavertje vier). Het getal 108 zit ook vol symboliek.
Het samenzijn met een 'zwijger' vergt al je begrip en aandacht, vooral als deze, zoals merkwaardigerwijs zo vaak het geval is, toch de hele tijd maar iets wil meedelen.
Spoedig geef ik mijn vruchteloze inspanningen tot begrijpen op, en vertrek met de in gebarentaal gedane belofte morgen terug te komen.
Jay Narayana Giri
De zon staat al laag aan de horizon en ik wil nog even een kijkje aan de kust nemen. Over het zand van een zacht glooiende brede 'hoofdstraat' koers ik richting zee. Aan het eind van de straat zit, strategisch in het midden, een lange rij bedelaars: melaatsen, gehandicapten, vrouwen met kleine kinderen, bejaarden en sadhoes. Of zijn het alleen maar bedelaars die zich als sadhoe vermomd hebben? Deze scheidslijn is uiterst vaag. Over heel India tref je dit verschijnsel aan. Bij ingangen van tempels of langs wegen naar heilige plaatsen, en natuurlijk tijdens festivals. verzamelen zich veel bedelaars omdat de religieus geaarde Hindoe daar het meest royaal met zijn aalmoes is.
Als de bedelaars mij zien aankomen, beginnen ze te jammeren en ze strekken hun handen smekend uit; de gebrekkigen vertonen duidelijk hun mismaking of verwonding; de melaatsen zwaaien met hun bloederige verbanden en etterende vingerstompjes; de baby’s huilen; de sadhoes zitten stil en vragen niets. Hier en daar laat ik een muntje vallen in een opgehouden plastic beker of aluminium bord. waardoor de anderen nog luider beginnen te weeklagen.
Enkelen die ik niets gegeven heb, roepen verwensingen; anderen ondergaan hun lot met gelatenheid. Zodra ik iets verder ben houden ze op met hun act en gaan ze weer rustig zitten of liggen wachten op de volgende voorbijganger.
Bij de overgang van het droge strand naar het natte zand staat een verkoopster van offerandes: bloemenkransen, kleine bladerbakjes met bloemen, en kokosnoten.
Een paar families lopen blootsvoets, met opgerolde broekspijpen en opgebonden sari's over drooggevallen zandbanken naar de branding die zo'n honderd meter verderop pas begint.
Enkelen dragen offerandes in hun opgeheven handen om in de zee te werpen.
Aan de vloedlijn liggen ook talloze reeds eerder geofferde bloemen.
En daartussen menselijke uitwerpselen!
Nu realiseer ik me dat er in deze tijdelijke stad geen toiletten of latrines te vinden zijn.
Dit aspect van de menselijke lichamelijkheid wordt in India wel vaker over het hoofd gezien, waardoor je, vooral bij zonsopgang, mensen met een blikje water in de hand naar een afgelegen veldje of beschut hoekje ziet gaan om daar, soms met tientallen tegelijk, gehurkt hun behoefte te doen, waarna ze zich reinigen met het meegebrachte water.
Het strand met zijn nabijheid van water is natuurlijk dé plek daarvoor. Maar als je dat met zijn honderdduizenden gaat doen, kan je nagaan wat een vieze boel het wordt. En om dan ook nog met z'n allen een 'reinigend' bad te nemen in de zee waarin de uitwerpselen drijven! Alleen met een Indiase 'geest' is een dergelijke paradox te bevatten.
Ik zie ervan af om nog langs de kust te lopen. Het is tijd om wat te gaan eten en terug te keren naar mijn kamer in de ashram.
De volgende ochtend
Om vier uur word ik gewekt door een vreselijk kabaal van trommels, toeters en bellen: de ochtendceremonie (poedja) in de nabijgelegen tempel. Als dit na zo'n twintig minuten is afgelopen. begint keiharde muziek te schallen. Zoiets verwachtte ik al sinds gisteren toen ik de grote conische luidsprekers zag, die over het hele kampement en ook langs de wegen ernaar toe aan de hoge betonnen lichtmasten zijn opgehangen. Zo nu en dan is het een tijdje stil, maar dan wordt er krakend weer een nieuwe plaat opgezet. Echt slapen is er niet meer bij en zodra het licht is sta ik op. Dit zal elke ochtend zo gaan.
Ik drink een glas thee in het eerste tent-restaurant van het kampement. Een armoedige man komt voor me staan en bedelt zeurderig om geld. Ik heb geen kleingeld en wuif hem weg. Hij gaat onwillig iets verderop staan maar blijft me in de gaten houden. Ik doe of ik dat niet merk. Een kalende langharige sadhoe, in smoezelig wit-beige gekleed, komt naast me op het houten bankje zitten. Ik denk in eerste instantie dat hij een 'verklede' bedelaar is en verwacht weer gezeur om een aalmoes, maar hij bestelt zelf een thee. De bedelaar van daarnet loopt op de sadhoe af en houdt vragend zijn hand op. De sadhoe tast in zijn schoudertasje, vist er een biljet van vijf roepie uit en geeft het onverschillig, zonder ernaar te kijken en zonder dankbaarheid te verwachten. Wat een gebaar! Ik vraag me even af of hij dat alleen maar doet om mij een les te leren of dat geld echt niets voor hem betekent.
Volgens de oeroude ascetische traditie dient voor een sadhoe goud en steen gelijkwaardig te zijn en moet alle bezit als een last worden ervaren waar je zo snel mogelijk vanaf moet. De enige persoonlijke eigendommen die een sadhoe mag hebben zijn de objecten die hij nodig heeft voor zijn rituelen, zoals gebedssnoer, drietand, waterpot en dergelijke; een enkel kledingstuk; sandalen; en een dekentje.
Er zijn bepaalde sekten die nog strengere regels stellen, waardoor het bijvoorbeeld verboden is om geld zelfs maar aan te raken. De sadhoes die daartoe behoren mogen om voedsel bedelen. Er zijn ook zeldzaam extreme asceten die zonder kleding of deken leven, en zonder andere vorm van beschutting.
De vrijgevige sadhoe glimlacht naar mij, steekt een sigaret op en biedt mij er een aan. Ik weiger beleefd. We drinken nog een thee, op mijn rekening, en nemen dan afscheid.
Ik loop een van de 'sadhoe-straten' in. Aan het begin daarvan woont een dikbuikige, al wat oudere, naŚkte sadhoe. Om de een of andere reden heeft hij veel bekijks. Er staat wat volk te dringen voor een, alleen bij hem noodzakelijke, afrastering van enkele bamboepalen. Ik kijk over de hoofden heen, maar kan eigenlijk niets spectaculairs bespeuren. Het rieten huisje is groter dan gebruikelijk en het voorportaal is mooi ingericht met brokaten doeken aan de wanden en een soort kleden en kussens op de lemen grond. Grote blokken hout smeulen in de vuurplaats. De sadhoe zit op een tijgervel en doet alsof hij alle belangstelling niet merkt.
Zodra hij mij ziet, wenkt hij me om binnen te komen. Ik buk onder de bamboepalen door en ga tegenover hem aan de andere kant van het vuur zitten.
Hij heeft een prachtige gezichtsbeschildering, nogal ongebruikelijk van design voor een Naga-sadhoe: drie horizontale oranje-gele strepen op het voorhoofd met in het midden van elk een rode stip, en ook een dikke streep geel over de wenkbrauwen en rond de ogen, met tussen de wenkbrauwen een afgevlakte V-vormige figuur. Ook op armen en benen heeft hij horizontale gele strepen. Om zijn haarknot heeft hij een roze doek gewikkeld. Behalve het gebruikelijke roedraaksh-gebedssnoer heeft hij ook nog twee parelkettingen om zijn nek hangen. Enige ijdelheid is deze sadhoe bepaald niet vreemd, denk ik zo.
De menigte buiten voor de hut is inmiddels aardig aangegroeid. Dringend en reikhalzend staart men naar het sensationele spektakel: een witte vreemdeling op bezoek bij een naŚkte sadhoe.
Ik voel me een beetje als een aap in een kooi, maar deze overweldigende belangstelling lijkt de sadhoe wel te bevallen. Als het opdringende volk de balustrade dreigt om te duwen, maakt hij enkele vervaarlijke bewegingen met een dikke stok en roept dreigende taal. De mensen stuiven naar achteren maar komen dan. enigszins op hun hoede. weer terug. Dit toneeltje zal zich nog enkele malen herhalen.
Ik leg de sadhoe uit dat ik foto' s wil maken. Hij geeft een korte opdracht aan een discipel van hem, of meer een soort bediende, die in de achterkamer verdwijnt en even later terugkomt met een in doeken verpakt fotoalbum.
Ik moet nu naast hem komen zitten en gezamenlijk kijken we naar enkele zwartwitfoto's. Er is een foto van hem samen met premier Indira Gandhi. Dat is niet mis. Dan is er een foto waarop hij met een lang touw aan zijn piemel een autobus lijkt voort te trekken, omstuwd door een menigte. Dat is ook niet mis.
Het publiek buiten wordt door enkelen die het kunnen zien op de hoogte gehouden van de voorstellingen op de foto's en men praat er opgewonden bewonderend over. Nu is het wel zo dat veel sadhoes in westerse terminologie te beschrijven zijn als artiesten die 'performances' doen of die zichzelf als aanschouwelijk 'kunstwerk' presenteren met het oogmerk in uiterlijke verschijning en gedrag het beeld van de godheid te imiteren om voor de vrome Hindoe een voorbeeld te zijn. Maar in bepaalde gevallen lijkt alleen de uiterlijke, geperverteerde vorm over te blijven — clowns en circusartiesten — welke evenzeer bejubeld wordt door de onwetende op sensatie beluste massa, maar de spirituele betekenis is dan ver te zoeken.
Ik vraag de sadhoe naar zijn naam. Na enig bladeren in andere boeken en schriften, pakt hij er een vel papier uit met voorbedrukt briefhoofd, en overhandigt dat aan mij. In Hindi en Engels staan naam en titels erop vermeld: Sri Sri 108 Digambar Naga Baba Sri Darshan Giri. Van deze reeks vormt Darshan de eigenlijke naam. Naga heb ik al eerder genoemd, evenals het zeer symbolische getal 108. Sri is de naam van de belangrijkste Moeder-Aarde godin uit de oudheid en wordt veel gebruikt als een soort titel voor sadhoes. Digambar betekent ‘gekleed in de vier windrichtingen’ of 'gekleed in lucht', dus naŚkt. Baba betekent zo iets als grootvader, oude wijze man, en is een populaire aanspreekvorm voor sadhoes. Darshan betekent 'aanschouwen van God'. Giri betekent oorspronkelijk berg en duidde mogelijkerwijs op sadhoes die in bergen woonden, maar nu is het de naam van een onderafdeling van Naga sadhoes.
Ik ben weer op mijn oude plaats aan de andere kant van het vuur gaan zitten en schrijf zijn naam over in mijn notitieblok. Ik vraag of ik een foto kan maken. Hij begint over de hoge prijs van brandhout voor zijn vuurplaats te praten. Deze niet zo subtiele hint begrijpend gooi ik een biljet van tien roepie naast het vuur. Hij gebaart dat het niet genoeg is, hij wil twintig roepie.
Enigszins verontwaardigd stop ik het biljet weer in mijn zak. Dat was nou ook weer niet zijn bedoeling en hij maakt een gebaar van 'rustig nou maar, niet zo haastig'.
Hij roept wat opdrachten tot zijn bediende die dan allerlei attributen komt aandragen: een zwaard in schede, een soort pijlkoker, een schoudertas, een hertevel, een slangachtige hoorn, een boek, een sjerp met medailles (!) en een opgerold stevig touw. Aha, denk ik, we krijgen een stunt!
Voor de hut staand doet hij de sjerp over de linkerschouder, dan de tas om; de pijlkoker en het touw gaan over de rechterschouder en daarbovenop het hertevel. Hij houdt de zilverige hoorn die met kleurige doekjes versierd is in de linkerhand. Ik moet het zwaard dragen en de bediende het boek. Zo uitgedost gaan we in optocht, Darshan Giri voorop, door de 'hoofdstraat' richting zee, een klein groepje nieuwsgierigen in ons kielzog.
Waardig schrijdend, fier rechtop, dikke buik vooruit, leidt hij onze expeditie, zich niet bekommerend om de verbaasde starende blikken en het onderdrukte gegrinnik van passanten en omstanders. Bij een tent-winkel in religieuze snuisterijen staat hij stil en informeert naar de prijzen van allerlei spulletjes: een kettinkje, een wierookstandaard, kralen, een chillum-pijpje. Hij vindt het allemaal te duur, dingt af, en koopt niets.
Zo gaan we langs nog een paar winkeltjes, zigzaggend van de ene kant van de straat naar de andere. Kopen doet ’ie niet. Maar we trekken wel de aandacht. Het valt me eigenlijk nog mee dat we maar een tiental semi-permanente toeschouwers om ons heen verzamelen.
Zo komen we terecht in de wijk waar de brandhouthandels gevestigd zijn, vlak bij de zee. Hij informeert bij een stuk of drie handelaren naar de prijzen, dingt af en loopt dan weg. Ik heb het zwaard aan de bediende gegeven en probeer ongemerkt wat actiefoto's van hem te nemen. Zodra hij dat in de gaten heeft gaat hij er even voor staan en poseert krijgshaftig met zijn zwaard en andere attributen.
Ik krijg geleidelijk aan toch meer waardering voor deze sadhoe, ook al doet hij in eerste instantie wat clownesk aan, als ik zie met wat voor onverstoorbare verhevenheid hij naŚkt door het ginnegappende publiek schrijdt.
De door schaamte veroorzaakte hilariteit raakt hem totaal niet en daardoor lijkt hij een subtiele verandering bij de toeschouwers te bewerkstelligen. Hij spiegelt het lachen terug, het ketst op hem af. waardoor de lachers zich vaag bewust worden dat ze uiteindelijk om hun eigen bekrompenheid lachen.
Het is opvallend dat in preuts India, waar in films geen zoen getoond mag worden en waar je op straat of in gezelschap geen vertoon van fysieke aantrekkingskracht tussen man en vrouw ziet, het naŒkt zijn van de Naga sadhoes met zo veel gemak wordt geaccepteerd, zelfs ook in aanwezigheid van vrouwen.
Sri Sri 108 Digambar Naga Baba Sri Darshan Giri
Waarschijnlijk omdat deze sadhoes volslagen aseksueel zijn en dus totaal niet zinnenprikkelend. Een andere oorzaak is de duizenden jaren oude traditie die nog steeds gerespecteerd wordt. Ver voor onze jaartelling worden naŒktlopende asceten reeds vermeld in de heilige Hindoe boeken zoals bijvoorbeeld de Veda's.
Darshan Giri laat een partij brandhout afwegen en dan blijkt dat ik ervoor mag betalen. Dat is slim geregeld van hem. Ik heb er wel plezier om en geef hem de twintig roepies waar hij al eerder om had gevraagd. De zware vracht hout wordt op de hoofden van twee dragers gestapeld die zich dan bij ons groepje aansluiten.
We wandelen terug door de hoofdstraat. Geen stunt dus. Waarom we al die spullen moesten meesjouwen is me een raadsel. Onderweg stoppen we nog even bij een marihuana-winkeltje. In een 'muur' van gevlochten rieten matten is een kleine vierkante opening, een loket. Daarachter, enigszins veilig en beschut, zit de verkoper. Cannabisproducten zijn tegenwoordig haast overal in India verboden, maar op veel heilige plaatsen en bij festivals is de op regeringsplantages gekweekte marihuana nog steeds te koop. En het gebruik door sadhoes wordt nog overal getolereerd. Zij worden geacht het nodig te hebben voor hun heilige rookritueel en ze staan sowieso een beetje buiten (boven) de wet.
Darshan Giri keurt de in een stuk krantepapier verpakte weed, informeert naar de prijs, en geeft het weer terug. Misschien verwacht hij dat ik het voor hem koop, maar ik vind dat ik al genoeg geld aan hem gespendeerd heb, en er zijn nog wel meer behoeftige sadhoes.
En inderdaad, een van de drie sadhoes van mijn reisgezelschap van gisteren komt wat schichtig op me af en wil me even alleen spreken. Samen met zijn vrienden wil hij voor een week zo'n sadhoe-huisje huren en dat kost dertig roepies. Of ik dat even wil betalen. Met enige aarzeling geef ik hem het geld en voeg eraan toe dat hij in het vervolg maar eens bij een ander moet aankloppen.
Ik sluit me weer aan bij het groepje van Darshan Giri en we bereiken zonder verdere evenementen het sadhoe-straatje. De dragers kwakken het hout op de grond en de bediende stapelt het netjes op.
De roerige massa kijklustigen zwelt meteen weer aan, zodat het duister en benauwd wordt in het voorportaal. Ik neem afscheid en beloof hem een foto op te sturen, wat ik trouwens bij alle sadhoes doe.
Ik loop de sadhoe-straat verder in. Het is een tijd stil geweest maar nu klinkt er weer muziek door de luidsprekers. Een dame, aan haar kostbare sari te oordelen uit de betere standen, loopt lang de sadhoe-huisjes. Ze heeft een stapeltje één-roepie biljetten in haar hand. Bij elke vuurplaats, of er nou een sadhoe zit of niet, legt ze een biljetje neer. Dit stelselmatig uitdelen van aalmoezen aan sadhoes gebeurt zeer frequent, soms met hogere bedragen, soms met muntjes. Het is duidelijk dat het bezoeken van een festival voor een sadhoe ook een economische functie heeft. Hij investeert, bijvoorbeeld in de huur van een huisje en transport, maar er komt ook aardig wat geld binnen. Een groot deel daarvan wordt in de regel weer afgedragen aan zijn organisatie.
Er zijn heel wat sadhoes die zich geen huisje kunnen veroorloven of die het niet nodig vinden of die er principieel op tegen zijn. Deze hebben een eigen plek gemaakt achter een bamboe afrastering langs andere straten, door daar bijvoorbeeld met een schuin gespannen doek een halve tent te maken of door gewoon een lap op de grond te spreiden.
En dan zijn er nog de sadhoes (of zijn het als sadhoes verklede bedelaars?) die zich in de rij tussen de melaatsen en mismaakten bevinden en daar op die plek ook wonen, althans een eigen gebiedje afgebakend hebben. Het is wel opvallend dat de huisjes uitsluitend bewoond worden door de Naga-sadhoes terwijl op de andere plekken heel of half geklede sadhoes verblijven. Dat zou erop kunnen wijzen dat de Naga's een hogere status hebben en een navenant betere economische positie.
Ik word aangesproken door een vrij jonge Naga-sadhoe. Hij wil op de foto, samen met zijn oude leermeester. Ze gaan naast elkaar staan. Hun lijven zijn zoals gewoonlijk ingesmeerd met witte as. De kronkelende baard van de oude sadhoe reikt tot aan zijn knieën en de lange strengen van zijn gedeeltelijk opgebonden haar komen tot zijn kuiten. De jonge sadhoe heeft om het einde van zijn p-.-. een zilveren ringetje met daaraan een klein kettinkje. Dit symboliseert de controle over de se+uele energie en verwijst ook naar de speciale initiatie. Hij draagt twee verschillende roedraaksh-kettingen. Om zijn linkerpols heeft hij een horloge.
Vrij veel sadhoes hebben een horloge. Zo'n typisch westers instrument lijkt niet te passen in een context van oosterse, 'tijdloze' religieuze symboliek. Maar sadhoes kunnen ook pragmatisch zijn en ze bewegen zich tenslotte in een maatschappij, zij het 'in de marge', waarin tijd een steeds belangrijker rol speelt. Bovendien loopt de beweging van een horloge synchroon aan de schijnbare omwenteling van het meest goddelijke hemellichaam, de zon, en het bepalen van het astrologisch juiste moment is belangrijk in het leven van een sadhoe.
Daar komt nog bij dat veel sadhoes ondanks de algemene beperkende voorschriften omtrent een karig leven, ervan houden het lichaam op te sieren met armbanden, kettingen, ringen en oorringen die niet altijd een symbolische functie hebben. Een horloge is ook een sieraad.
Shyam Sundar Giri heeft een ringetje om zijn p-.-.. In vroeger tijden waren dit veel zwaardere ringen, die vaak ook dóór de p-.-. waren aangebracht, met daaraan lange kettingen of gewichten; die kettingen waren soms aan een pen in de grond geklonken.
Ik maak een praatje met de jonge sadhoe die Shyam Sundar Giri blijkt te heten. Hij is op zeer jeugdige leeftijd van huis weggelopen en op zoek gegaan naar zijn goeroe. Zijn ouders spoorden hem op en wilden hem overhalen weer naar huis te komen. Maar toen hij volhardde in zijn besluit hebben ze zich erbij neergelegd. Een klassiek verhaal.
Ik maak nog een foto van Shyam Sundar Giri, nu in zijn eentje, voor zijn huisje poserend met twee belangrijke attributen, de koperen drietand en de koperen waterpot. De vorm van deze waterpot is gebaseerd op het meest oorspronkelijke model dat uit één kalebas gesneden wordt en dat al sinds de oudheid in gebruik is. Het water uit deze pot wordt niet alleen voor praktische doelen gebruikt, maar vooral ook voor de dagelijkse rituelen — als wijwater dus.
De godheid Shiva wordt altijd afgebeeld met een drietand en in navolging daarvan dragen alle shivaïtische sadhoes dit vooral symbolische 'wapen' dat dient ter bestrijding van onwetendheid of onbewustzijn in de fysieke, mentale en spirituele sferen. Als een sadhoe een plaats heeft uitgekozen voor zijn vuur stoot hij zijn drietand onder het uiten van magische formules in de grond en bepaalt zo het centrum van zijn rituele territorium.
Shyam Sundar Giri nodigt me uit voor de thee. Als ik hem tien roepies wil aanbieden, weigert hij die!
Vriendelijk maar beslist.
Hij heeft ze niet nodig, zegt hij, ik moet ze maar aan een andere sadhoe geven.
Terwijl we in zijn voorportaal thee zitten te drinken, staat er voor het huisje een groep mensen te dringen om een glimp van mij op te vangen. Dit opstootje trekt ook de aandacht van een kleine politiepatrouille. De twee-sterren officier roept enige bevelen en de nieuwsgierigen verspreiden zich traag en gaan iets verderop staan kijken.
De grote en gezette politiechef vraagt aan mij: 'Are these people (hij bedoelt de sadhoes!) troubling you?' Ik vertel hem dat we gezellig thee zitten te drinken. Het is duidelijk te merken dat hij die sadhoes maar onbetrouwbaar volk vindt. Als deze blanke toerist iets zou overkomen zou dat voor hem trammelant kunnen betekenen. Hij informeert naar mijn verblijfplaats hier, naar mijn geboorteland en naar mijn doel hier. Ik geef hem uitvoerig antwoord.
Hij is zeer verbaasd dat ik in sadhoes geïnteresseerd ben. Het publiek is ondertussen natuurlijk weer naderbij gekomen. De politieman is voldoende tevreden gesteld door mijn beleefdheid. Hij geeft mij een hand — een nogal on-Indiaas gebaar — en maant de kijklustigen om door te lopen. Hij geeft zelf het goede voorbeeld en vertrekt, op de voet gevolgd door zijn ondergeschikten.
Shyam Sundar Giri nodigt me uit op mijn volgende reis bij hem langs te komen. Dan blijkt dat hij, net als ik, van plan is volgend jaar naar de Kumbha Mela (een zeer groot religieus festival) in Allahabad te gaan - zoals trouwens alle sadhoes die ik spreek - dus komen we elkaar daar wel tegen.

Ik heb besloten uit Gangasagar te vertrekken voordat de grote massa van pelgrims arriveert.
Het zullen er uiteindelijk zo'n 700.000 zijn, lees ik later in de krant.

Contact: dolfhart@ziggo.nl