Sadhoes & Yogi's van India
Homepage Shiva en zijn volgelingen Vishnoe: Rama & Krishna
Sadhvi's: vrouwelijke sadhoes Ascese en zelfkwelling Kumbha mela's
Vreemdeling sadhoes Noten & Bibliografie Oude foto's
Een Amerikaanse Sadhoe
door Dolf Hartsuiker Tijdens de Kumbha Mela in Ujjain in 1992; een waar verhaal.
Elke buitenlander in India, hoe lang die er ook verblijft en hoe verregaand die ook ‘ver-indiaasd’, blijft altijd een vreemdeling. Maar toch, je kan als vreemdeling in India ook een ‘heilige’, een sadhoe, zijn en als zodanig door de plaatselijke bevolking benaderd — gerespecteerd, vereerd, ‘verafgood — worden, als je je tenminste op de juiste wijze kleedt en gedraagt. Evenzogoed blijf je als vreemdeling makkelijk herkenbaar, al is het alleen maar door het verschil in lengte, huid en haar; zelfs in het gekrioel van de Indiase massa’s is dat op een kilometer afstand nog zichtbaar.

Maar ik — na vele reizen in India toch wel vertrouwd met de variaties in Indiase lichaamsbouw en -kleur — dacht, al was het maar voor een fractie van een seconde, dat deze heilige man misschien uit het noorden van India kwam, waar mensen een lichte huid hebben. Ik zag hem van opzij, hij stak de straat over, door een woelende menigte van pelgrims en sadhoes, naar een publieke kraan om zijn koperen waterpot te vullen. Hij zag er perfect uit als sadhoe, volgens de regels. Hij was praktisch nakt op een touwtje met minuscuul lapje na, en geheel overdekt met grijze as, ook zijn haren, baard en gezicht. Maar op sommige plaatsen, waar de as wat dunner was, schemerde een blanke huid er door heen. Toen hij terug kwam, zag ik zijn gezicht beter: op zijn voorhoofd was het teken geschilderd dat Vishnoe symboliseert — twee witte verticale strepen en daartussen een rode—maar daaronder zag ik licht-blauwe ogen. Hij zag mij niet (hij had zijn bril niet op, zal later blijken).

Voor de zekerheid vroeg ik het nog even aan een jongen, die al een tijdje bij me rond hing: ‘foreigner baba?’ (baba is een populairder woord voor sadhoe) ‘Yes!’ zei hij. Veel meer Engels sprak hij niet, maar met gebaren en Hindi, waar ik een paar woorden van begreep, maakte hij me duidelijk dat hij me wel naar de tent van deze ‘foreigner’ — en zijn guru — kon brengen. Ik aarzelde even. Westerse en Japanse sadhoes, zowel mannelijke als vrouwelijke, had ik al eerder ontmoet en ik beschouwde hen enigszins als een ‘randverschijnsel ’— interessant genoeg, daar niet van — van mijn eigenlijke onderwerp, te weten het fotograferen en bestuderen van Indiase sadhoes.
Dat was dan ook mijn doel tijdens dit waanzinnig grote religieuze festival, waar in een maand tijd 30 miljoen Hindoe pelgrims en 50 duizend sadhoes zouden komen. Over een oppervlakte van 15 km2 waren enorme tentenkampen verrezen, een stad van tenten om de eigenlijke stad heen, verdeeld — globaal — in twee territoria: één voor de aanhangers van Vishnoe (Vishnoeïeten), waar ik me nu bevond, en een ander, ver hier vandaan, voor de aanhangers van Shiva (Shivaïeten).
Daarbinnen had weer elke sekte en sub-sekte een eigen kamp, met als centrum een tent-tempel — verschillend per sekte — en de grote tent van de hoofd-leider, de Mahant (letterlijk, de ‘Grote’).
In beide gebieden had ik enkele ‘foreigner’ Baba’s gezien, uitgedost volgens de normen van de respectievelijke sekten: de Shivaïeten in het rood gekleed, met horizontale voorhoofdsbeschildering; en de Vishnoeïeten in het wit, met verticale voorhoofdsbeschildering.
Siyaram Das, een volgeling van Rama
In het algemeen, tijdens een eerste ontmoeting, gedroegen ze zich jegens mij — duidelijk geen sadhoe of ‘religioso’ — nogal arrogant, de ‘ik ben heiliger dan jij’ houding. Dit in tegenstelling tot de meeste Indiase sadhoes, die vanuit een ‘fatalistische’ filosofie (karma en wedergeboorte) juist wel begrip hebben voor elke levensstijl; die weten dat de ‘weg in de wereld’, hoewel veel langer en moeilijker, ook tot verlichting kan leiden.
Maar goed, ik besloot met de jongen mee te gaan. De zon stond toch al te hoog om nog goede foto’s te kunnen maken. We gingen van de weg af, door het tentenkamp van de Terah Bhai Tyagis, de ‘wereldverzakers van de 13 broers’. Ze zijn zo genoemd naar de dertien (terah) stichters van deze ascetische orde, discipelen van één guru, en daardoor ‘broers’ (bhai).
Er waren een paar honderd ‘verzakers’ (tyagis) in dit kamp, en velen waren nog bezig met het op- en inrichten van tenten.
Deze tyagi's bivakkeren in de open lucht, onder de banyan boom.
Aan de rand van het kamp, een beetje apart, bij een eenzame boom, stonden een paar tenten. De jongen wees en zei, ‘that is!’ Geen slechte locatie, rustig, en met uitzicht over een golvend landschap van dorre onbewerkte grond en struikgewas. Het licht was verblindend en een hete wind woei over de zinderende velden. De boom, met zijn schaduw, lokte.

Onder de boom, op een simpel, inklapbaar bed, zat een wat oudere, gezette Baba; half-nakt, zijn haar in lange strengen, en een grijze baard. Op de grond, aan de voeten van de guru, zat de ‘foreigner’ Baba. De guru zag me aankomen en riep tegen zijn discipel, ‘Rampriya Das, here is a friend.’ Ik groette hen met de gebruikelijke formule, ‘Jay Shri Rama’ (‘Leve Heer Rama’—Rama is een incarnatie van Vishnoe wiens aardse avonturen verhaald worden in het grote epos de Ramayana) en zij riepen hetzelfde terug. Een rieten mat werd aangeschoven en ik ging zitten. Ik wees nog op de jongen, mijn tijdelijke ‘gids’, om hem ook uit te nodigen, maar hij werd weggewuifd.
De guru richtte zich tot mij. Hij had geen tanden meer in zijn mond en was dus soms moeilijk verstaanbaar, maar zijn Engels was niet slecht. Hij liet er geen gras over groeien en begon meteen de absolute noodzakelijkheid van het hebben van een guru te verkondigen. ‘Guru mind is like elephant,’ zei hij. Een wat wonderlijke beeldspraak, maar de olifant is een vaker gebruikt symbool, een dier zonder angst voor andere dieren, sterk en behoedzaam, en met die wonderbaarlijke ‘vijfde hand’, de slurf. ‘Life with no Guru is like going in train with no ticket.’ Dat was een leuke, daar moesten we even om lachen. Hij ging er nog even op door, de problemen schetsend als de ‘ticket-collector’ zou komen. Maar hij had nog een wijsheid, ‘Guru is direct telephone with God.’
De ‘foreigner’ Baba zat er aandachtig bij, kaarsrecht in de lotus-houding, maar het was duidelijk dat hij popelde om zelfs iets te zeggen. Toen ik hem aankeek bij de woorden ‘direct telephone with God’, sprong hij dan ook meteen in de conversatie, en was daarna niet meer te stuiten.
Zeven jaar geleden was hij door zijn guru geïnitieerd en had hij zijn Sadhoe naam gekregen: Rampriya Das, wat ongeveer betekent ‘dienaar’ (das) van de ‘geliefde’ (priya) Rama. De guru luisterde mee en gaf als commentaar, ‘Rama-priya Das is now seven year old boy.’
Want initiatie in een Sadhoe sekte betekent in feite het begin van een nieuw leven.
Rampriya Das beaamde dat; hij was ontzettend veel veranderd sinds die tijd, een ware metamorfose, een wedergeboorte in een heilig bestaan, maar hij moest nog zoveel leren.
Hij sprak Engels met een zwaar Amerikaans accent en zeer snel, zodat de guru het al spoedig niet meer kon volgen en er nog nauwelijks een woord tussen kon krijgen.
Voor de zekerheid vroeg ik hem, ‘Where are you from?’ Opzettelijk imiteerde ik de nieuwsgierige Indiër, die deze vraag stelt aan elke buitenlander — en waar vreemdelingen, die pas in India zijn, vaak geprikkeld op reageren omdat ze het voelen als aantasting van hun privacy.
Rampriya Das
Rampriya Das had er geen moeite mee en zei dat hij uit Californië kwam. Hij woonde in een camper, in de bergen, en probeerde ook daar als een sadhoe te leven. Dat gaf natuurlijk problemen met de autoriteiten, die hem als een van de vele straatbewoners behandelden. De regering trouwens, daar klopte geen ruk van, dat was een samenzwering van Big Business, de maffia en de CIA. De Amerikaanse bevolking was totaal gedesillusioneerd, de rijken werden rijker, maar de armsten, zo’n twintig procent, leefden op straat. Dit was een bewuste politiek, ‘survival of the meanest’, erop gericht om andersdenkenden eronder te houden. Zo ging hij maar door — over vervuiling, criminaliteit, racisme — met scherpe stem en met zijn felle ogen strak op mij gericht: hij wilde mij overtuigen.

Maar gelukkig, hij had zijn guru gevonden, en nu was het allemaal anders. Verzaligd keek hij even op naar zijn guru, en vertelde me toen zijn naam: Lakshman Das, ‘dienaar’ van Lakshman (de half-broer van Rama).
Lakshman Das maakte van de gelegenheid gebruik om mij te vragen of ik rookte, en hij bedoelde hasj of wiet. Toen ik dat bevestigde, liet hij een zak met te groene wiet zien, en ik zei dat ik wel wat beters had. Ik gaf hem een stukje hasj, dat ik van een andere Sadhoe gekregen had, en hij ging een chilam (pijp) maken.
Rampriya Das vertelde dat hij niet meer rookte; hij kreeg er zweren van, en hij liet me de littekens zien. Hij had het ook niet meer nodig, hij deed nu zijn yoga oefeningen en deed ook japa, dat is, het ‘eindeloos’ reciteren van de naam van Rama. Hij deed per dag zo’n duizend ‘rozenkransen’ (mala’s) en wilde — zoals dat hoort— dat aantal geleidelijk aan opvoeren. Discipline was belangrijk. Hier moest hij even lachen. Zijn vader namelijk was een beroepsmilitair geweest, ‘a fascist bastard’, die ook in het gezin een militaire tucht en orde handhaafde. Als kind had Rampriya Das zich daar hevig tegen verzet en sinds hij als opstandige jongen van huis was weggelopen had hij zijn vader niet meer gezien. ‘My father should see me now,’ lachtte hij.

Maar nu had hij zijn guru. Die was meer dan een vader voor hem. Ze hadden wel eens verschil van mening, maar de basis was ‘love’. Lakshman Das gaf hierop commentaar, ‘deze leerling is zo eigenwijs, hij heeft klappen nodig.’ Ze lachten uitbundig en Lakshman Das legde zijn arm om de schouder van Rampriya Das en trok hem even tegen zich aan. Ik was wat overweldigd door de woordenvloed van Rampriya Das, en dan ook nog dit lichamelijk vertoon van affectie, tamelijk ongebruikelijk.
De guru was inmiddels klaar met de chilam; er was nog een sadhoe uit hun kamp bij komen zitten, en we rookten met zijn drieën. Rampriya Das praatte onverstoorbaar door.
Het was fantastisch om lid te zijn van de broederschap van sadhoes, en afstand te doen van de wereld. Al die mensen die hun leven verdeden met het najagen van materiële pleziertjes, al die hebzucht, al die technologie, al die vervuiling en stress — dat kon alleen maar eindigen in een totale catastrofe. Als sadhoe ging hij juist de tegenovergestelde kant op, naar een steeds simpeler leven. Terug naar de ‘roots’, terug in de tijd — in harmonie met de natuur zoals in het stenen tijdperk — en uiteindelijk terug in — of zelfs ‘door ’— de moederschoot, naar de oorsprong van het leven.
Sadhoes zijn natuurlijk ook niet perfect, maar ze doen er tenminste wat aan. Lakshman Das was gaan liggen. ‘Good charas (hasj),’ mompelde hij, en hij sloot zijn ogen.
Over de moederschoot gesproken. ‘What about se+?’ vroeg ik. Een van de belangrijkste kenmerken van het sadhoe-leven is namelijk totale se+uele onthouding. De se+uele energie dient gesublimeerd te worden tot spirituele energie. In een vrijwel se+loze cultuur — aan de oppervlakte althans — als de Indiase zou dat waarschijnlijk minder problemen geven dan in een westerse cultuur, waar je dagelijks wordt geconfronteerd met se+uele verlokkingen. De preutsheid van de Indiase cultuur maakt ook het praten erover vrijwel onmogelijk. Zelfs Indiase sadhoes, die dus ‘boven’ se+ualiteit zouden moeten staan, vermeden of ontweken dit onderwerp in de regel.
Rampriya Das, als westerling, kon er vrijuit over praten. ‘Onthouding was moeilijk,’ zei hij, ‘vooral in het begin.’ Daarom droeg hij — zoals de andere Sadhoes van zijn sekte — zijn strakke gordel van touw en het nog strakkere lapje over zijn geslachtsorgaan. Deze gordel wordt arbandh genoemd, wat betekent ‘beneden afgesloten’, en dient ter voorkoming van se+uele gevoelens en de lichamelijke manifestatie daarvan, ere+tie dus.
In het begin was hij wel eens in de fout gegaan. Dat kwam natuurlijk ook doordat hij niet continu in India kon blijven. Om geld te verdienen moest hij geregeld terug naar Amerika, en daar had hij voor een paar maanden een vriendin gehad. Maar dat was al weer jaren geleden. ‘Droom je er nooit over?’ vroeg ik. ‘Tegenwoordig niet meer,’ zei hij, ‘maar om dat te voorkomen draag ik de arbandh ook ‘s nachts. En ik draag hem trouwens ook in de States, onder mijn gewone kleding.’
Ik merkte op dat zijn horloge — modern, plastic, quartz — identiek was aan dat van zijn guru.
‘Dat heb ik hem gegeven,’ zei hij, enigszins overbodig. ‘Ik geef hem alles wat ik heb,’ en hij somde wat op. Hij had een mixer meegebracht deze keer, want de guru had onlangs al zijn tanden verloren, maar nu kon hij allerlei gezonde dingen fijn malen. Hij had hun ashram totaal opgeknapt, een pomp geïnstalleerd en een waterreservoir. Dat had een paar duizend dollar gekost. Maar in zekere zin was dat ook een investering, want later zou hij de ashram ‘erven’. Op het stuk land om de ashram wilde hij een bos planten, in het kader van een internationaal ontwikkelingsplan voor herbebossing.
Rampriya Das had ‘recht’ op de ashram, omdat hij was bevorderd tot Mahant en door zijn guru was benoemd tot diens opvolger. Dat was verbazingwekkend, een buitenlandse Mahant, want deze titel impliceert een rang in de organisatie, een functie, respect en status.
Er was veel oppositie geweest in de Raad van Mahants tegen de bevordering van de buitenlander, maar zijn guru — als belangrijk Mahant, lid van de Raad — had een stuk uit de oeroude heilige geschriften geciteerd, waaruit bleek dat sadhoe-sekten volledig toegankelijk moesten zijn voor niet-Indiërs.
Ik vroeg me enigszins cynisch af of ook zijn gulle gaven een rol speelden in het uiteindelijk positieve besluit, want even later vertelde hij dat hij als Mahant een financiële bijdrage moest leveren in de kosten van dit kamp. Bovendien had hij deze tent hier gehuurd, het inklapbare bed voor de guru, de matten, de primus, wat huishoudelijk gerei, enz. Positief gezien toonde dat natuurlijk wel zijn totale betrokkenheid, zijn overgave aan de guru en de broederschap. En hij kreeg er wat voor terug, een soort geborgenheid in de ‘stam’, de ‘familie’ van sadhoes; en een zoon-vader relatie met de guru die hem leerde hoe hij zijn verlangen tot Verlichting — bevrijding van de Wereld en eenwording met het Kosmisch Bewustzijn — vorm moest geven.

Meer nog, hij kreeg respect. Ik vroeg hem namelijk — zoals ik dat aan alle buitenlandse sadhoes vroeg — of hij door de plaatselijke bevolking als ‘heilige man’ behandeld werd. Dat was — zoals ik ook van de anderen gehoord had — inderdaad het geval. In het algemeen tenminste, en vooral door de eenvoudige plattelanders (de overgrote meerderheid van de bevolking); die bogen voor hem in het stof, raakten zijn voeten aan, brachten hem eten en drinken, en vroegen om zijn zegen. De stedelingen, de moderne, verwesterde Indiërs hadden er vaak wat minder begrip voor.

Van verre werd geroepen. ‘Lunch is ready,’ zei Rampriya Das en behoedzaam wekte hij zijn guru. Een uitnodiging om mee te eten sloeg ik af; het zou me teveel tijd kosten. Rampriya Das rommelde in zijn rugzak en viste er een grote plastic zak met medicijnen en vitaminen uit. Hij stelde een soort cocktail samen van minstens vijf verschillende middelen — mij uitleggend waar ze allemaal goed voor waren: zijn zweren, zijn constipatie, zijn lever, zijn energie — en slokte ze naar binnen.
Lakshman Das, op zijn zij liggend op het bed, gaf grappend commentaar, ‘Rampriya Das very unhealthy boy.’

Lakshman Das & Rampriya Das
Een paar dagen later, ‘s morgens, bezocht ik hen weer, en ik werd ontvangen als de verloren zoon. Ze hadden hun kamp verder ingericht, met een vuurplaats en daaromheen een stukje geëgaliseerde grond bestreken met koemest, en ook aan de andere kant van de boom — ’s morgens in de schaduw — was een zitplek gemaakt.
De guru zat daar op zijn bed, en wij — Rampriya Das en ik — zaten aan zijn voeten. Lakshman Das liet er weer geen gras over groeien. ‘You must have Guru,’ zei hij, en hij doelde op zichzelf. Om mijn rechter pols bond hij een armbandje van gevlochten rode en witte nylon draden, met daaraan een kraal van toelsi hout (toelsi is een heilige plant, vooral voor Vishnoeïeten). ‘Your name is now Mangal Das,’ zei hij en hij legde uit waarom hij deze naam gekozen had: Mangal is een andere naam voor Hanoeman, die als de trouwe apen-god-legeraanvoerder van god-koning Rama een belangrijke rol speelt in de Ramayana; het is de naam van de planeet Mars; vandaag is het dinsdag (mangal), en de tempel vlakbij — en dus dit gebied — heet Mangal Nath.

Ik was wat overdonderd door deze opdringerige poging mij te bekeren — of beter, te recruteren. Tijdens vorige reizen had zich wel eens een vage leerling-leraar relatie ontwikkeld met enkele sadhoes die ik na herhaalde bezoeken beter had leren kennen, maar zoiets als dit — deze eenzijdige bestempeling tot discipel— had ik nog niet eerder meegemaakt.
Het was overigens geen echte, volledige initiatie — waar ik dus niets voor zou voelen omdat ik mijn ‘aanstaande’ guru nauwelijks kende, en omdat ik überhaupt niet gauw zou toetreden tot welke sekte dan ook. Ik liet het maar gebeuren, omdat ik benieuwd was hoe het verder zou lopen. En het armbandje stond zeer vrolijk, en mijn nieuwe naam beviel me wel.

‘Mangal Das,’ zei de guru, ‘if you have problems, you think of me. Guru is direct telephone.’ Rampriya Das legde dat 'telephone' verder uit — ten overvloede — als de telepathische band tussen guru en leerling, die vooral tijdens meditatie werkzaam is, maar ook als de leerling er zich niet van bewust is. ‘De guru weet en ziet alles wat de discipel denkt en doet.’
Lakshman Das pakte een bonk hasj uit zijn tas en maakte een chilam. Er werd thee gebracht. Een paar pelgrims — eenvoudige dorpelingen — waren aan de rand van ons territorium komen zitten en keken eerbiedig — en nieuwsgierig — naar de guru en zijn buitenlandse discipelen. Rampriya Das, op en top de heilige man, gaf hun elk een handjevol druiven — als prasad, ‘voedsel van de goden’ — wat ze devoot en dankbaar in ontvangst namen en, weer op afstand, op aten.
Rampriya Das praatte weer op mij in. Zo mogelijk nog intenser, want ik hoorde nu een beetje bij de familie. Eerst weer wat negatieve opvattingen over het Westen, die vooral dienden om het contrast met de situatie hier en nu aan te geven. ‘This is the life, man!’ riep hij lachend en maakte een weids gebaar over het landschap, ‘free, no worries, no stress.’ (‘Zolang je geld hebt,’ dacht ik.)
Ook hier in India zou het wel verslechteren naarmate de westerse consumptiecultuur verder oprukt, maar voorlopig waren er nog zat plekken waar het goed toeven is. Hun ashram bij Mount Abu bijvoorbeeld. Normaal gesproken bracht hij daar al zijn tijd in India door. Hij wilde zoveel mogelijk bij zijn guru zijn. Aan hem had hij alles te danken; zijn totale verandering als mens, met nog maar één doel, de Bevrijding. Hij was er nog lang niet — de weg is lang en moeilijk — maar hij maakte vorderingen. Een jaar geleden had hij de as-initiatie ondergaan en hij wreef zich nu elke dag in met de as van het heilige sadhoe vuur. Volgend jaar wilde hij met de vuur-ascese gaan beginnen (meditatie en yoga temidden van koemest vuurtjes, op het heetst van de dag, in de zomer, zestien jaar lang). En hij had nog een heleboel plannen voor de ashram: uitbreiding met een gastenverblijf en de stichting van een internationale yoga-school, voor westerse leerlingen.
Ik had voorlopig weer genoeg gehoord en nam afscheid van hem en de — nu ook mijn? — guru.
‘Morgen is er een Optocht,’ zei Rampriya Das, ‘en ik zit op een olifant. Kom ook kijken en maak een paar foto’s.’ De guru legde uit waar de Optocht zou beginnen. In de stad, bij een pelgrimsverblijf, vlakbij het station.
De Optocht is de officiële binnenkomst van de heilige mannen — ’the saints come marching in ’— welke voor elke sekte op een verschillende dag plaats vindt. Er zijn een paar drumbands; vlaggen en ‘afgodsbeelden’ worden meegedragen; de ‘lagere’ sadhoes lopen blootsvoets in de stoet, maar de Mahants zitten in praalwagens, in jeeps en luxe auto’s, en dus ook — als koningen uit een oosters sprookje — op olifanten. Het gewone volk staat rijen dik langs de straten van de stad, hangt uit ramen en over balkons; vreugdevol en met ontzag verwelkomen ze de heilige mannen.
De volgende dag vond ik na enig vragen het beginpunt van de Optocht. Voor het pelgrimsverblijf stonden honderden mensen te wachten; het hek werd bewaakt door politiemannen, gewapend met stokken. Met mijn camera hoog in de aanslag — om mijn status als fotograaf te demonstreren — drong ik door de menigte; de politiemannen deden voor mij — de ‘internationale pers’ — even een stapje opzij, en sloten de rijen weer.
In de tuin stonden drie mooi opgeschilderde en opgetuigde olifanten, elk met zijn eigen ‘bestuurder’. Het zijn ‘huur-olifanten’, voor feestjes en partijen, en in de verschillende optochten zag je dan ook vaak dezelfde olifanten.
Een grote groep sadhoes dromde het gebouw uit. Ze zwermden om de olifanten heen en begonnen zich buiten het hek in rijen op te stellen.
Daar zag ik Lakshman Das en Rampriya Das. Hun olifant werd tot hurken gedwongen; met enige moeite klommen ze op zijn rug, op het platform, en met een zwiep richtte de olifant zich op. Ze vielen er bijna af, maar toen, vanuit de hoogte, zwaaide Rampriya Das naar mij. Hij had zijn bril op, maar deed hem af — en maakte een ‘zegenend’ gebaar — toen ik een foto nam.
Na enig geharrewar zette de optocht zich in beweging. Ik liep mee in de smalle ruimte tussen de stoet en het politie kordon en nam hier en daar positie in om foto’s te maken.
Het wegdek was door de plaatselijke brandweer nat gespoten, niet alleen om het schoon te maken, maar vooral ook om het asfalt af te koelen — om de blote voeten van de sadhoes voor brandblaren te behoeden. In de smalle straatjes van de stad gooiden mensen vanaf balkons handenvol bloemen en bloemblaadjes over de heilige mannen. De sadhoes gooiden op hun beurt bloemen en snoepgoed — prasad, ‘voedsel van de goden’ — weer terug het publiek in.
Ik hield natuurlijk vooral mijn vrienden op hun olifant in het vizier. Rampriya Das zat zichtbaar te genieten van de publiekelijke verafgoding en van tijd tot tijd stak hij zijn hand op en zegende het volk. Het was voor hem — de ‘foreigner’ sadhoe, pardon, de Mahant — een ware triomftocht. Ik vroeg me af hoeveel het hem gekost had, dit uiterlijk vertoon.
Bij een van mijn volgende bezoeken trof ik de guru alleen. ‘Rampriya Das neemt een bad,’ zei hij, en even later, ‘hij is een goede chela (discipel), hij zorgt goed voor me.’
Wilde hij insinueren dat ik geen goede ‘chela’ was?
Maar dan weer, in variatie op zijn favoriete onderwerp, ‘de guru is het Licht, hij verdrijft de Duisternis.’ Dat was een bekende ‘waarheid’, een cliché haast, maar als een guru dat van zichzelf verkondigt, lijkt het opeens een stuk minder waar, en ik luisterde maar half.
Mijn twijfels over deze guru waren gegroeid tijdens vorige bezoeken, toen hij meerdere malen, als ik even alleen met hem was, had gezeurd om hasj en, nadat ik loog dat ik dat niet had, om geld. Een ‘echte’ sadhoe, zeker een belangrijke Mahant, doet zoiets niet; die krijgt het, of doet zonder.

Maar het meest schokkend was die keer geweest dat hij een goedkope truc met me wilde uithalen. Toen Rampriya Das eens een keer weg was voor een boodschap of zo, zag ik Lakshman Das in zijn tas rommelen, heimelijk naar me kijkend, geheimzinnig dingen daarin verplaatsend.
Toen gaf hij me een aluminium muntstuk en vertelde me om mijn hand er strak omheen te sluiten. Ik wist wat er ging gebeuren, een Indische astroloog had jaren geleden al eens geprobeerd me hiermee voor de gek te houden. De astroloog zei dat als ik een mantra (die hij me net geven had) over mijn gesloten vuist zou spreken, het muntstuk door de kracht van de mantra as zou produceren (die, natuurlijk, ‘heilig' zou zijn). En inderdaad, het muntstuk werd heet en toen ik mijn hand opende, was er wat blauw-grijze as. Ik wist niet hoe hij het precies deed, maar dit 'wonder' was duidelijk het resultaat van oxidatie.

Dus zei ik, “guru-ji, ik ken deze truc."
Hij lachte, een beetje beschaamd. Om zijn poging tot misleiding enigszins te verdoezelen, bood hij aan om te verklaren hij hoe het werkte. Een substantie die hij ‘witte steen' noemde, zou, wanneer deze met water bevochtigd werd en op het muntstuk gewreven, het aluminium doen oxideren. Daarna weidde hij uit over de vele andere wonderbaarlijke en geneeskrachtig, eigenschappen van deze witte steen. Ik had mijn teleurstelling, mijn minachting verborgen.
Later had ik er met Rampriya Das over gesproken, die het als onschuldige grap rechtvaardigde. "Hij is echt een kind," had hij gezegd, "hij wil alleen maar spelen."

Ik had mijn ‘initiatie’-armbandje nog wel om, maar, symbolisch genoeg, de witte draden waren smoezelig geworden en de toelsi kraal was er ongemerkt af gevallen.
Zoals ik verwachtte, vroeg de guru, ‘Hé Mangal Das, heb je wat goeie charas voor me meegebracht?’
Ik schudde mijn hoofd. ‘Ik heb niks kunnen vinden,’ loog ik, want ik had het niet eens geprobeerd.
Hij vervolgde, ‘weet je, dit soort festivals kost een hoop geld, bla, bla, bla.'
Ik keek de andere kant op. Het uitzicht over het terrein was nu gedeeltelijk belemmerd door een scherm van felgekleurde doeken, twee meter hoog, en tientallen meters lang, parallel aan een droge geul. Achter dit katoenen ‘hek’ waren nu latrines gemaakt, die door honderden pelgrims en sadhoes gebruikt werden. Zo veel voor de mooie landschappen. Maar dan, dit is India, waar pittoreske plekken vaak de gemeenschappelijke schijtgronden blijken te zijn. En de latrines waren dan wel aan het oog, maar niet aan de neus onttrokken.
In de verte naderde Rampriya Das, zijn koperen water-pot in zijn rechterhand, n‰kt op zijn arbandh met lapje na, zijn witte huid onbeschermd door de as.
Hij groette me, als vanouds, zeer hartelijk. Een tatoeage op zijn bovenarm — een onuitwisbare herinnering aan zijn vorige leven — was nu goed zichtbaar. Hij pakte een plastic zak met grijze as, en wreef zich in van top tot teen. Als vanouds praatte hij aan één stuk door.
Hij wist niet of hij hier nog lang genoeg zou blijven om aan het ‘Keizers Bad’ (de onderdompeling in de heilige rivier die de mens van alle ‘zonden’ bevrijdt, en dus het hoogtepunt van het festival) mee te doen.
Hij werd niet goed van de DDT, die door de over-ijverige autoriteiten in dikke witte poeder-lijnen langs wegen, waterplassen en latrines werd gestrooid; die met het stof omhoog waaide en die je dus continu inademde.
De bedoeling was natuurlijk om epidemieën onder de pelgrims te voorkomen. En het leek te werken. In ieder geval vielen de insekten — maar volgens hem ook de vogels — stuiptrekkend uit de bomen. Dan waren er ook nog de ‘spuitgasten’ die, met een koperen tank met handpomp op de rug, door de kampen liepen om alle tenten met desinfecterende middelen te besproeien.
‘Ze vergiftigen de sadhoes,’ riep hij uit, ‘en die Indiërs willen niet naar me luisteren; ze noemen het nota bene “medicine”! DDT is allang verboden in het Westen, maar nu dumpen ze het in de Derde Wereld.’
De guru lag relaxed op het bed en zei schertsend tegen mij, ‘ach, Rampriya Das maakt zich veel te druk.’ Deze trok meteen heftig van leer tegen zijn guru, die mij daarop aankeek met een gezicht van ‘wat zei ik je?’ De schrille argumenten van Rampriya Das werden afgedaan met plagerige grapjes van de guru, en tenslotte moest Rampriya Das er ook om lachen. Hun woordenwisseling werd een komische act, compleet met een speelse stoeipartij, waarna ze elkaar met veel genegenheid even omarmden. ‘We kunnen nooit lang kwaad op elkaar zijn,’ zei Rampriya Das.
Rama-priya Das in een yoga houding. Zijn lichaam is bedekt met as van de heilige sadhoe vuren. Een kraal (van het heilige toelsi hout) hangt aan een touwtje om zijn nek en over zijn linker schouder draagt hij een draad die alleen gedragen mag worden door 'tweemaal geborenen', hoge kaste Hindoes en sadhoes van deze sekte.
Mijn laatste bezoek. Ze waren wel vriendelijk en riepen ‘Hé Mangal Das!’ toen ze me zagen, maar Lakshman Das had zijn interesse in mij als potentiële discipel verloren.
Hij wilde zich net terugtrekken op het bed in de tent om een dutje te gaan doen, toen er een groepje jeugdige reizigers arriveerde. ‘Foreigners’, drie jongens en drie meisjes. Lakshman Das veerde overeind, zijn ogen twinkelden als weleer, en hij riep ‘Welcome, sit down.’
Rampriya Das schoof ijverig matten aan en riep tegen de ‘bediende’ (een oudere pelgrim, die zich voor de rest van het festival, vanuit religieuze overwegingen, in ‘dienst van de guru’ had gesteld) dat er thee moest komen.

De ‘foreigners’ waren van verschillende nationaliteiten, Europeanen en zelfs een Braziliaan. Ze droegen een mengeling van Westerse en Indiase kledij — de ‘Goa-stijl’ — en kralen kettingen, armbanden en ringen. De jongens hadden lang haar. Al met al een soort neo-Hippies dus. In de trein, op weg waren naar dit festival, had een sadhoe hen over Lakshman Das verteld en zijn naam op een stukje papier geschreven.
Lakshman Das was zeer verguld met deze demonstratie van zijn ‘beroemdheid’ en vroeg, ‘hoe heette die sadhoe, en wat zei die nog meer over mij?’ De naam van die sadhoe waren ze vergeten, maar hij had iets gezegd over een buitenlandse discipel en zo.
Ze hadden blijkbaar al wat ervaring met het bezoeken van Sadhoes, want vrijwel meteen pakte een van de jongens een reusachtige chilam en een bonk hasj uit zijn tas, en spoedig ging de chilam in het rond.
‘Do you also smoke?’ vroeg een van de meisjes aan mij, aarzelend voordat ze de chilam doorgaf. Ik leek er niet meer bij te horen.
Lakshman Das liet er weer geen gras over groeien. ‘Guru is direct telephone with God,’ riep hij nogal plompverloren. De jeugdige reizigers keken verbaasd op; ze leken het niet te begrijpen, dus Rampriya Das begon het uit te leggen.
Snel en schel zoals gewoonlijk stortte hij zijn woordenvloed over hen uit. Hij vertelde wat een fantastische guru Lakshman Das was, en hoe fantastisch het was om sadhoe te zijn.
Even later zei Lakshman Das, ‘life with no Guru is like travelling in train with no ticket.’ Daar moesten ze even om lachen. Weer wat later, ‘Guru mind is like elephant.’ En toen — dat was wel heel erg snel — begon de guru iedereen nieuwe namen te geven, ‘jij heet voortaan Zo-en-zo Das, en jij, even denken, Zus-en-zo Das...’

Ik dacht er nog even aan om deze nieuwe ‘discipelen’ over mijn ervaringen — het gezeur om hasj en geld, in ruil voor oppervlakkige wijsheden — te vertellen; om ze te vertellen dat er wel heel wat betere gurus te vinden zijn — als ze die al zouden zoeken; maar ze zagen er wijs genoeg uit en ze leken ook niet erg onder de indruk. Waarschijnlijk speelden ze het spel maar een beetje mee, en anders zou het hun karma zijn.
Bovendien had ik nog steeds wel wat sympathie voor de guru — een heilige man is tenslotte ook maar een mens — en gunde ik hem zijn nieuwe leerlingen — en de hasj.
Maar toen ik die avond in mijn hotel terug kwam, sneed ik het armbandje van mijn pols. Het was vies geworden, niet vrolijk meer.
Epiloog 1

Tijdens de Haridwar Kumbha Mela in 1998

Op een Kumbha Mela is het niet altijd gemakkelijk om je vrienden en kennissen te vinden, en na heel wat zoeken had ik eindelijk Sukhdev Das gevonden, een kathiya baba (d.i. een sadhoe die permanent een houten "kuisheidsgordel" draagt), die ik eerder al in Ujjain had ontmoet, en die ik zeer graag mocht.
Wij waren blij elkaar weer te zien, en vertelden elkaar wat nieuwtjes over wederzijdse vrienden — sadhoes en burgers. Na een tijdje begon hij over reïncarnatie te spreken waarin hij stellig gelooft. Als je geen se+ hebt gehad, als zelfs het verlangen daarnaar er niet meer is, dan wordt je opnieuw als een bairagi (een Ramanandi ‘verzaker’) geboren; soms tussen bairagi-geboorten in als gezinshoofd, maar dan in Brindavan, de heilige stad van Krishna. En als die gezinshoofden het juiste soort bhakti (godsdienstige verering) uitvoeren, zullen zij zeker als baraigis herboren worden. Bairagis staan aan de top; de sannyasins (Shaiva ‘verzakers’), zo zei hij stellig, zijn "animals"!
Sukhdev Das, kathiya baba.
De thee werd rond gedeeld door één van zijn buitenlandse chela's (discipelen), Jagannath Das, een Amerikaan. Er waren ook twee niet geïnitieerde leerlingen, een Italiaan en een Israëliër. En de chilam, die met goede hasj was gevuld, ging rond.
Een nieuwe bezoeker arriveerde, een oudere Ramandi met grijze baard en grijze jata. Hij werd hartelijk verwelkomd door Sukhdev Das en werd uitgenodigd om naast hem op het houten platform of bed te komen zitten.
Ik had hem onmiddellijk herkend, het was Lakshman Das!
Toen hij me bekeek, zei ik met blije verrassing, "Lakshman Das ji!" En hij zei, "your name is Dolf." (Zou hij me nog als Mangal Das herinneren?)
Ik vroeg naar Rampriya Das maar het bleek dat hij er niet was.

Samen met Lakshman Das was een oudere vrouw, een Westerling in losse rode kleding, binnengekomen en naast me gaan zitten. Zij droeg haar gebleekte jata in een paardenstaart en zij had een duidelijke snor van blonde haren die zich in twee lijnen tot aan haar kin uitstrekten. Op Indiërs moet zij als een heilige vrouw overkomen, hoewel ik, na wat met haar gepraat te hebben concludeerde dat zij dergelijke pretenties zeker niet had. Zij was Brits, haar naam was Nancy maar Sukhdev Das, in wiens kamp zij verbleef, noemde haar Kali-Ma, heel lieflijk, "my Kali-Ma."

Gisteren, vertelde zij me, had ze een verbazende ervaring met Lakshman Das gehad. Een mirakel! Hij had haar een 10-paisa-muntstuk gegeven, dat hij eerst nat had gemaakt en dat zij in haar hand moest houden. Dan moest zij er mantra’s over herhalen, zich concentreren op haar hand en toen was het muntstuk bijna ondraaglijk heet geworden, was opgelost in as, had bijna een gat in haar hand gebrand, maar er was geen litteken.
Lakshman Das had gezegd dat zij "great Kali-Power!" bezat. Zij was zeer blij met deze ervaring, met haar Kali-kracht.
Ik aarzelde. Zou ik haar die blijheid weg moeten ontnemen? De duisternis van het bijgeloof (maar troostend geloof en illusie) met het koude licht van reden moeten oplossen?
Maar toen vertelde ik het haar. Hoe Lakshman Das dezelfde truc met mij had proberen uit te halen. En ik verklaarde hoe het in zijn werk ging: het chemische product dat samen met het water ervoor zorgt dat het aluminium muntstuk snel oxideert; de hitte die door de oxidatie wordt veroorzaakt; en het grijs-witte aliminum-oxide poeder dat daar het gevolg van is.
Aanvankelijk weigerde zij om me te geloven, omdat zij gisteren het verhaal aan Sukhdev Das had verteld, en hij had de "Kali-Power" uitleg bevestigd.
Dus vertelde ik het haar nog eens, en eindigde met, "waarom zou ik tegen jou liegen? Confronteer hen met de feiten."
Wij hadden met zachte stemmen gesproken, maar Lakshman Das en Sukhdev Das op hun platform aan de andere kant van de dhuni gezeten, hadden zich zonder twijfel gerealiseerd waarover wij spraken, en Lakshman Das, wetend dat hij werd ontmaskerd als een leugenaar en bedrieger, wierp me vuile blikken toe.
Kali-ma, een beetje verontwaardigd, vroeg toen aan Lakshman Das, "wel, hoe zit het, deed je iets op dat muntstuk?"
Hij probeerde nog steeds het te ontkennen, maar toen zei ik hem dat hij me in Ujjain zelf had verteld welke substantie hij op het muntstuk had gewreven. Maar hij zei dat hij zich niet kon herinneren wat hij me had verteld. Een nogal slap excuus.
Sukhdev Das probeerde hem te steunen door op te merken dat de daadwerkelijke feiten niet van zo veel belang waren, maar dat wij ons zouden moeten realiseren hoeveel "joy" de gebeurtenis bij haar had veroorzaakt.
Maar Kali-ma en ik zeiden, bijna gelijktijdig en eenstemmig, "wij zijn erop uit om de waarheid te vinden!"
En toen gaf Lakshman Das toe, een beetje in ieder geval, en zei met een zachte stem, dat het een "truc" was, "goochelarij".
Het maakte hem kleiner, en Sukhdev Das, door zijn betrokkenheid, ook.

Wij rookten een chilam. Kali-ma nam een lange diepe trek. De baba's spraken nu over de tanden van Lakshman Das, of beter gezegd, het gebrek daaraan. Zijn gebit (ooit aan hem door Rampriya Das gegeven) was gebroken en hij had dringend een nieuw nodig.
"Twee duizend roepies," zei hij tegen Kali-Ma. Hoopte hij misschien dat zij hem het geld zou geven?
Het bleek dat zijn gebit tijdens een "overval" van zijn ashram in Abu was gebroken. Hij was in elkaar geslagen, zijn ashram was vernield, zelfs waren de toppen van de bomen in de tuin afgehakt. En, natuurlijk, hij had geen geld voor reparaties.
"Hoe zit het met Rampriya Das," vroeg ik, "was hij er niet om te helpen?"
"Nee, hij is al drie jaar niet meer geweest," antwoordde hij, "niet meer sinds de Ardha-Kumbh (halve Kumbha Mela) in Allahabad. Zelfs nu komt hij niet. En hier in Hardwar heeft hij nog wel zijn diksha (initiatie) gehad, twaalf jaar geleden."
Dat was inderdaad opmerkelijk; een dergelijke belangrijke 'verjaardag' missen kon alleen maar betekenen dat Rampriya Das met zijn guru had gebroken.
"Maar hij is vrij," verzuchtte Lakshman Das. "Ik heb veel problemen, maar ik ben gelukkig."
Slecht karma, dacht ik.
Epiloog 2

Tijdens de Allahabad Kumbha Mela in 2001

Tijdens de Allahabad Kumbha Mela in 2001 ontmoette ik Lakshman Das nog eens.
Wij rookten een paar chilams. Hij had geen chela's en Rampriya Das was nooit meer teruggekomen.
Het gerucht ging dat hij in Californië met een vriendin samenleefde.

Contact: dolfhart@ziggo.nl