Sadhoes & Yogi's van India
Homepage Shiva en zijn volgelingen Vishnoe: Rama & Krishna
Sadhvi's: vrouwelijke sadhoes Ascese en zelfkwelling Kumbha mela's
Vreemdeling sadhoes Noten & Bibliografie Oude foto's
Holy Smoke
door Dolf Hartsuiker 1991
Van alle sadhoes die ik tijdens vorige trips door India heb ontmoet, staat Mathura Das me wel het duidelijkst voor de geest. Zijn lange haar dat in warrig gedraaide lokken — een soort dreadlocks — tot over zijn schouders valt en zijn pokdalige gezicht dat een beetje lijkt op dat van Jimi Hendrix. Zijn jongensachtige lijf, slank en tanig, terwijl hij toch minstens vijfendertig moet zijn. Zijn diepe stem, fonkelende ogen en bulderende lach. Zijn vrolijke wijsheden, en soms ernstige vermaningen.
In eerste instantie komt hij misschien wat macho over, maar hij is in feite zachtaardig, en zeer royaal: alles wat hij krijgt geeft hij weer weg.
Het is vooral om Mathura Das weer te zien dat ik net zo’n duizend kilometers heb afgelegd en naar Omkareshwar ben gegaan.

Dit is een klein eilandje in de rivier de Narmada, dat vanuit de lucht gezien lijkt op de Sanskriet letters voor “OM”, de heilige mantra. De Narmada is ook heilig, dus redenen genoeg voor de heiligheid van deze plaats.
Hindoe pelgrims nemen een bad in de Narmada voor de reiniging van lichaam en ziel. En over een pad dat om het hele eiland heen loopt maken ze een magische cirkelgang rond deze ‘power-spot’, traceren ze het “OM” teken met hun voeten — het goddelijke vererend en tegelijkertijd spirituele energie absorberend. Ze bezoeken er en passant ook de sadhoes: ‘aanschouwen’ hen, maken offerandes en ontvangen hun zegen.
0074
De zon is net op als ik aankom, maar ik voel me niet moe, dus besluit ik meteen al een kijkje bij Mathura Das gaan nemen. Speciaal voor hem heb ik wat hasj bewaard, een stukje zwarte Manali van redelijke kwaliteit dat ik van een andere sadhoe gekregen heb. In mijn hotelkamer snijd ik het in twee stukjes — elk genoeg voor één chillum (een hasj-pijp, meestal van aardewerk, in de vorm van een flessehals, die in twee handen gehouden moet worden om eruit te kunnen roken).
De twee, drie straten van het dorp vermijdend, neem ik de kortste route over een smal pad door een landelijk gebiedje, een grassige vlakte met hier en daar wat huisjes onder grote bomen, naar een eeuwenoude Shiva-tempel. Daarachter staat een gedeeltelijk vervallen, tempel-achtig gebouwtje dat oorspronkelijk uit drie kamers heeft bestaan, maar het dak van de middelste kamer is ooit eens ingestort.
Tegen de achterwand van deze ruimte, en dus onder de open hemel, heeft Mathura Das zijn vuurplaats gevestigd.
En het heilige vuur van de sadhoe, de dhoenie, is zijn ‘thuis’. Mathura Das mag nooit onder een dak slapen volgens de regels van zijn sadhoe-orde, maar voor zijn godheid Rama heeft hij in het linker kamertje een tempel met altaar en godsbeeld ingericht.
Ik loop rond het witgekalkte gebouwtje, onder het bladerdak van reusachtige — en heilige — bomen, en ga een bordes aan de voorkant van het huis op. Er is niemand te zien, maar het vuur smeult, dus kan hij niet ver weg zijn.
Terwijl ik sta te dubben of ik dan maar naar de rivier zal gaan, komt er uit het tempel-kamertje een jonge halfnaĆkte sadhoe te voorschijn. Hij heeft Aziatische gelaatstrekken, een dunne baard en sluik zwart haar tot op zijn schouders. Een Nepalees of Tibetaan misschien?
Ik vraag hem in mijn simpele Hindi, “Mathura Das waar is?” Hij wijst in de richting van de rivier en zegt, “snaan,” Hindi voor ‘baden’. Dan vraag ik hem, “zijn leerling u?” Hij knikt van ja. Zijn beperkte woordenschat doet vermoeden dat hij vrijwel zeker geen Nepalees of Tibetaan is, dus vraag ik hem, in het Engels, “where are you from?” En dan moet hij een soort bekennen — hij was liever in zijn rol van inboorling gebleven, denk ik — dat ‘ie uit Japan komt.

Als een echte sadhoe nodigt hij me uit voor een thee. Hij zet een pan met water en melk op de smeulende houtblokken en port in de as tot de vlammen omhoog schieten. Mompelend in een mix van gebroken Engels en sadhoe-jargon vraagt hij of ik wat hasj bij me heb, want hij heeft alleen slechte wiet. Hij laat me een plastic zak met zeer groene bladeren zien. Ik lieg en zeg dat ik niks heb, dus begint hij langzaam de wiet schoon te maken.
We roken de chillum en ik stel hem nog wat typisch Indiase (opdringerige) vragen, zoals,“what is your name,” en, “what is your purpose,” waar hij met verlegen lachjes en nauwelijks verstaanbaar gemompel op reageert. Maar zijn naam vang ik wel op — die is Mohan Das — en het blijkt dat hij twee jaar geleden door Mathura Das als sadhoe is ingewijd.
De wiet heeft geen effect.

Hij doet alles zeer traag, misschien opzettelijk, om te tonen hoe stoned hij is, of verlicht. Of is hij gewoon sloom? Eindelijk is de thee klaar en hij plengt een paar druppels in het vuur, een offerande aan de vuur-god, voordat hij de bekers inschenkt. Hij vraagt om een sigaret en zwijgend roken we, slurpend van de hete thee.
Zonnestralen pinkelen door de ritselende bladeren van de reusachtige boom die een dak vormt boven ons hoofd. Vogels fladderen kwetterend van tak tot tak. In de verte trekt een troep apen voorbij, slingerend door de bomen, dan weer rennend door het veld. Vooraan staan de oeroude stenen muren en spitsen van de Shiva tempel. Een kalm grazende koe. De tijd staat stil.
Sadhoes mogen dan weinig of geen materieel comfort hebben, maar ze wonen vaak wel op de mooiste plekken, vrij en onbekommerd.

Dan hoor ik van verre de zware, bulderende stem van Mathura Das. Hij komt het bordes op en herkent me ogenblikkelijk. Hij lacht en roept luid, “Sita Rama!” Een groet en aanroep tot de godheid Rama en zijn echtgenote Sita. Ik buig en tik met mijn rechterhand zijn voet aan. Hij legt even zijn hand op mijn hoofd en gaat dan zijn tempel-kamertje in, zingend en neuriënd, steeds de mantra herhalend, “Sita Rama, Sita Rama, Sita Rama, ...”
Een jonge sadhoe is met hem mee gekomen. Deze is in rode doeken gekleed en heeft een rode stip midden op zijn voorhoofd, duidelijke tekenen van een volgeling van Shiva. Hij komt naast me zitten en begint meteen met de gebruikelijke vragen, waar ik vandaan kom en zo.
Maar na paar minuten later komt Mathura Das zijn heiligdom uit, nu gekleed in een roze zijden sjaal om zijn middel, en alle aandacht richt zich op hem. Met barse stem roept hij uit, “Mohan Das make tea!” Onderdanig gaat Mohan Das aan de gang, maar hij is opeens zeer onhandig, laat alles vallen.
Mathura Das komt bij het vuur zitten en vraagt me om een sigaret. Ik neem aan dat hij die gewoon wil roken en wil er ook een aan Mohan Das geven, maar dat mag niet.
“He only smoke hash!” roept Mathura Das uit.
Dan geef ik hem ook het stukje hasj en zijn gezicht licht op. Meteen gaat hij een chillum klaarmaken. Hij verhit de hasj met een lucifer en vermengt het in een kokosnoten bakje met de tabak.
“Hash problem,” zegt hij. Het is moeilijk te krijgen tegenwoordig en duur, tweehonderd roepies per tola (tien gram). En hij heeft minstens een tola per dag nodig, voor zichzelf en voor zijn gasten. Ik vraag me af hoe hij zo’n bedrag elke dag bij elkaar krijgt. Tweehonderd roepies is niet veel meer dan een tientje, maar toch, het is ongeveer een weekloon voor een ongeschoolde arbeider en de normale donaties die hij van pelgrims krijgt zijn hooguit een paar roepie per persoon.
De prijsstijgingen, zeg ik, worden vooral veroorzaakt door aankopen van buitenlanders, voor eigen gebruik in India of voor de export, want die kunnen alles betalen. Bovendien, voegt hij eraan toe, vinden er arrestaties plaats in de eigen aanvoerlijnen. Zelfs sadhoes zijn opgepakt.
“Really?” vraag ik verbaasd, want hoewel hasj tegenwoordig overal in India verboden is, wordt het roken van sadhoes getolereerd. Het is een oude traditie, en zij hebben het nodig voor hun verering van Shiva. Bovendien staan sadhoes een beetje buiten — en boven — de wet.
Ik noem even de coffeeshops in Nederland. Ze hebben er al eerder van gehoord maar kunnen het nauwelijks geloven. Ook de prijzen trouwens.
Dan is de chillum klaar. Met samengevoegde handen heft hij hem ten hemel en roept luidkeels,“Sita Rama!” Hij inhaleert diep, blaast een enorme rookwolk uit en hoest grondig.
De chillum gaat rond, en komt aan; de stemming stijgt. Mohan Das wordt aangespoord een extra trek te nemen en Mathura Das ziet erop toe dat hij diep genoeg inhaleert.
Daarna heeft Mohan Das geen rustig moment meer. Hij moet de thee rond delen en Mathura Das jaagt hem op met steeds weer nieuwe bevelen en geeft dan kritiek op alles wat hij doet.
Mohan Das raakt totaal in de war, weigert nog iets te doen, staart wezenloos voor zich uit en schijnt niets meer te horen.
“Cracked brain!” roept Mathura Das spottend en cirkelt met zijn wijsvinger naast zijn slaap, “screw loose!”
Met een lachje richt Mathura Das zich weer tot mij. Hij kijkt me indringend aan en buldert, “me full sadhu life!” In zijn beperkte Engels, maar evenzogoed zeer duidelijk, onthult hij dat hij de Realiteit kan zien achter de alledaagse werkelijkheid, zonder ogen; hij wijst op de achterkant van zijn hoofd en zegt, “me inside out!” Maar voor deze kennis moet hij een prijs betalen, hij leidt een hard bestaan, vol ontberingen en risico’s: “full sadhu-life dangerous!” Hij illustreert dat met een rammelende, schokkende beweging van armen en bovenlichaam, alsof hij in stukken uiteen valt, desintegreert, en roept nog eens, “dangerous!”
Na deze verhelderende performance verdwijnt hij weer in zijn tempel-kamertje.
De Shiva sadhoe, die Pashupati Giri blijkt te heten, richt zich weer tot mij.
“Money little problem,” zegt hij, “you give me hundred rupees?”
Ik schud mijn hoofd.
“Fifty also good,” zegt hij.
Ik zeg hem dat hij niet zo op geld gericht moet zijn, “sadhus have to be poor, and that’s what you wanted, wasn’t it?” Trouwens, denk ik, ‘goede’ sadhoes, zoals Mathura Das, hoeven nergens om te vragen, die krijgen alles wat ze nodig hebben.
Dan wijst Pashupati Giri op mijn tas — alsof hij met een x-ray brilletje mijn kostbare camera’s, traveller’s cheques en cash kan zien, alles bij elkaar wel twee jaar-inkomens voor een gemiddelde Indiase arbeider — en zegt, “you money automatic!”
Daar moet ik wel om lachen, maar ik heb genoeg van dit gezeur dus stap ik op.
Mathura Das komt zijn tempeltje uit en zegt dat ik nog een chillum moet roken, maar ik ga.
“You come back tomorrow!” zegt hij, “OK?”
De volgende ochtend neem ik de kortste route naar de rivier, over een pad met ruwe natuurstenen trap-treden dat over een lage heuvel leidt. Op de top sta ik even stil en kijk om me heen.
Beneden me zie ik een deel van het dorp, grote bomen tussen de huizen en tempels, en iets verderop het eiland Omkareshwar in de rivier: dun beboste heuvels, een groepje huizen tegen de helling op gebouwd, rondom een verwaarloosd zandstenen paleis — dat aan Benares doet denken — en een verblindend witte tempel. En de zonnige weerspiegeling van dit alles in de blauw-groene Narmada.
Ik denk aan gisteren, aan de nogal teleurstellende ontmoeting met Mathura Das. Vooral zijn relatie met Mohan Das heeft me zeer verbaasd. Gehoorzaamheid en dienstbaarheid worden van elke leerling verwacht, maar hij behandelt Mohan Das als een slaaf.
Maar, aan de andere kant, kan ik het wel juist beoordelen? Misschien geeft hij Mohan Das precies wat hij nodig heeft. Vanuit een Hindoeïstisch perspectief zou het nodig kunnen zijn voor de verwerking van zijn karma, zijn ‘noodlot’, bepaald door goede en slechte daden in zijn vorige levens. Bovendien, vanuit hetzelfde perspectief, is een sadhoe, een heilige die een Realiteit kan waarnemen die voor ons gewone stervelingen onbekend is, niet per definitie onfeilbaar?

Ik loop de heuvel af, door een paar straatjes, over brede trappen naar beneden en kom uit bij een zandstrandje aan de oever van de Narmada.
Een rood geklede sadhoe staat naar me te zwaaien vanaf de andere kant van het strandje, vlakbij een thee-tent. Het is Pashupati Giri die me wenkt om naderbij te komen. Dan zie ik ook Mathura Das daar zitten op de houten tafel van de thee-tent, onder een afdak van bruin zeildoek.
Mathura Das kijkt wat somber en klaagt over pijn in zijn arm. Met moeite kan hij hem strekken. Hij laat het me even zien en legt uit dat dat komt omdat hij nog geen hasj gerookt heeft.
Het was mijn bedoeling om mijn laatste stukje hasj voor later te bewaren, maar als ik hem zo zie lijden (echt of kleinzerig), geef ik het hem toch maar en zijn gezicht klaart meteen op. Maar eerst wil hij een bad nemen in de rivier.
Met het heilige water nog uit zijn lange haar druppend, komt Mathura Das naast me zitten. We roken de chillum, drinken een thee, en hij is weer zichzelf, vrolijk, hartelijk, goedlachs.
Voor ik uit Omkareshwar vertrek wil ik Mathura Das nog wat geld geven. Ik had aanvankelijk gedacht een royaal gebaar te kunnen maken met honderd roepies, maar na al die verhalen over hoge hasj-prijzen, lijkt dat opeens wat weinig, dus besluit ik hem twee honderd roepies geven.
Als ik probeer de bankbiljetten onopgemerkt uit mijn tas te vissen, ziet Mathura Das dat meteen. Hij wijst naar zijn tempel-kamertje en we gaan samen het donkere, naar wierook ruikende vertrek in. Ik wil hem het geld in zijn handen stoppen, maar hij wijst op een laag altaar waar een beeld van Rama staat: het moet een offerande zijn. Ik laat de biljetten naar beneden dwarrelen terwijl hij luid de godheid aanroept, “Sita Rama, Sita Rama!”

Contact: dolfhart@ziggo.nl