Sadhus & Yogis of India
Alexander de Grote en de Gymnosophisten

De ontmoeting van Alexander de Grote in India in 327 v.Chr. met de 'naaktlopende wijsgeren', de voorlopers van de hedendaagse sadhoes, die ook van invloed zijn geweest op de Christelijke asceten, met daarin vervat een kritiek op de betreffende passages in het boek van Jona Lendering, Alexander de Grote; de Ondergang van het Perzische rijk. (1)
Door Dolf Hartsuiker
Alexander Drie versies ontmoeting Gymnosofisten (L) "Saddhu's" (L) Dandamis, Kalanos (L)
Zelfverbranding Kalanos (L) Gymnosofisten (R) Zelfverbranding Kalanos (R) Twee films Noten
Inleidende beschouwing over Alexander de Grote en de Gymnosofisten
Omdat het de eerste keer is dat de Europeanen iets vernamen over de wijsgeren van India en hun filosofie, is de ontmoeting van Alexander de Grote — of zijn loods Onesikritos — met de ‘naakte wijsgeren’ in 327 v.Chr. zeer interessant.
Enerzijds verschaft dit verhaal enige informatie over het functioneren van de Indiase heilige mannen in die tijd, de voorlopers van de hedendaagse sadhoes, waarvan verder weinig historische feiten bekend zijn.
Alexander ontmoet de Gymnosofisten.
Augustine, La Cité de Dieu, Paris, Maître François (illuminator); c. 1475-1480.
Op deze illuminatie zien we ook vrouwelijke Gymnosofisten!
Anderzijds is deze ontmoeting van belang voor het begrijpen van de ontwikkeling van de ascese in het Christendom, misschien zelfs voor het Christendom als geheel.
Ik ga er namelijk vanuit dat deze onder invloed heeft gestaan van Indiase ideeën en praktijken betreffende ascese en mystiek, die, zoals ik hieronder kort aan zal geven, in India zijn ‘uitgevonden’ en van daaruit zich verbreid hebben.
In mijn kritiek op het boek van Jona Lendering wil ik me dan ook beperken tot de beschrijvingen van de contacten tussen de Macedoniërs en de gymnosofisten, de ‘naakte wijsgeren’, waarvan het belangrijkste contact, de ontmoeting van Alexander de Grote — of zijn loods Onesikritos — met de gymnosofisten op pagina’s 285 tot 286 van zijn boek beschreven wordt.
Maar eerst een korte inleiding.
Pythagoras
De eerste sporen die we van Indiase invloeden in Europa aantreffen, zien we bij Pythagoras, maar deze behoren nog tot het terrein van legenden en mythen. Ik zal de hoofdpunten betreffende Pythagoras even samenvatten.
Van Pythagoras, die in ongeveer dezelfde tijd leefde als de Boeddha en Mahavira (de stichter van de Jain religie), wordt beweerd dat hij uit India afkomstig was of er zelf geweest zou zijn. Zijn ideeën over wedergeboorte en zijn praktijk van vegetarisme, en zijn levensstijl als goeroe omringd door zijn discipelen, zijn zo Indiaas, en passen zo weinig in zijn Griekse omgeving,(2) dat het haast niet anders kan of hij moet wel door Indiase denkbeelden beïnvloed zijn.
De Grieken die later over hem schreven hadden er zelf ook geen idee van hoe hij aan het idee van reïncarnatie kwam; vandaar dat ze veronderstelden dat hij zelf in India geweest was, want inmiddels wisten ze al wel dat het idee van zielsverhuizing daar nogal gangbaar was. Daarnaast is er ook het denkbeeld dat hij in Egypte contact heeft gehad met daar levende wijzen, die dan niet zozeer van Egyptische oorsprong waren, maar nazaten van Indiase asceten die in Egypte terecht gekomen waren.
Alexander’s wetenschappelijke expeditie
Hoe het ook zij, pas met Alexander de Grote komen we op het terrein van goed gedocumenteerde historische gebeurtenissen. De militaire expeditie die hij ondernam om het Perzische rijk te veroveren moest namelijk ook een wetenschappelijke expeditie zijn, en er waren dan ook filosofen, historici en geografen onder zijn gevolg. Velen die hem vergezelden hebben publicaties over dit avontuur geschreven, die in fragmenten via latere schrijvers tot ons gekomen zijn. (3)
Hun verhalen van de ‘ontmoeting van Alexander met de gymnosofisten’ hebben ervoor gezorgd dat deze asceten wijd en zijd, door de hele Hellenistische wereld, bekendheid kregen. En hun beschrijvingen van de doodsverachting en onbewogenheid van de Indiase asceet Kalanos toen hij zich voor de verzamelde troepen levend liet verbranden, maakten ook buitengewoon veel indruk.
Deze verhalen maakten dat de Grieken en allen die leefden in de Hellenistische invloedssfeer, Griekenland, het Midden Oosten, Perzië, Noord Afrika en Egypte met de nieuwe hoofdstad Alexandrië (immers gesticht door Alexander de Grote), destijds al, honderden jaren voor Christus, goed op de hoogte waren van de denkbeelden en praktijken van de Indiase asceten.
Deze Hellenistische invloedssfeer heeft zo’n duizend jaar stand gehouden.
Alexandrië bij Egypte
In Alexandrië begon met Ptolemaeus, een generaal van Alexander de Grote, die ook mee geweest was op de veldtocht naar India, een koninklijke dynastie die tot Cleopatra (r. 51-30 v.Chr.), heeft stand gehouden. Alexandrië, waar het lijk van Alexander eeuwenlang in een tombe lag opgebaard, was vooral een handelsstad waar goederen uit het Oosten werden overgeslagen voor transport naar het Westen, maar daarnaast was het toch ook eeuwenlang een van de belangrijkste centra voor culturele uitwisseling waar Oost en West elkaar ontmoetten. We denken in dit verband aan de beroemde bibliotheek van het Museon van Alexandrië, de universiteit waar geleerden op kosten van de overheid kennis vergaarden — gesticht in 283 v.Chr. door Ptolemaeus die zijn bibliothecaris opdracht gaf boeken uit de hele wereld, dus ook India, te verzamelen. (4) Het Museon omvatte een botanische en zoölogische tuin, en een astronomisch observatorium. Er werkten meer dan honderd geleerden die boeken kopieerden, boeken schreven, les gaven, onderzoek deden en discussieerden. Naar schatting waren er op het hoogtepunt zo’n zevenhonderdduizend boeken in de bibliotheek.
De kennis over en van India en de gymnosofisten — die Ptolemaeus tenslotte zelf heeft ontmoet — zal daar zeker bewaard zijn gebleven en van daaruit ook verspreid zijn.
Ik vermeld Egypte zo nadrukkelijk omdat daar de eerste tekenen van Christelijk ascese zich manifesteerden, via o.a. de Heilige Antonius, wiens leven door bisschop Athanasius van Alexandrië in 356-362 n.Chr. beschreven is (zie ook op deze site). In een andere publicatie zal ik de ontstaanswijze van de Christelijk ascese verder uitwerken.
De 3 versies van de Ontmoeting
In de loop der eeuwen raakten er diverse versies van het verhaal over de Ontmoeting in omloop, die er in hoofdlijnen op neer komen dat:
  • alleen Onesikritos de gymnosofisten heeft ontmoet;
  • eerst Onesikritos de gymnosofisten heeft ontmoet en daarna Alexander;
  • Alexander meteen de gymnosofisten heeft ontmoet.

Ik zal hieronder deze versies even de revue laten passeren.

Brahmanen, uit Jacob van Maerlant's Der Naturen Bloeme, Vlaanderen, c. 1350.
Op deze illuminatie zien we (alleen) vrouwelijke Gymnosofisten.
Versie 1
In de eerste, en waarschijnlijk historisch gezien meest correcte versie, was het niet Alexander zelf die met de gymnosofisten contact had, maar zijn belangrijkste loods Onesikritos, die erop uit was gestuurd nadat geruchten over deze groep het kamp hadden bereikt. Volgens de verhalen waren dit asceten die aan extreme zelfonthouding deden, als gevolg waarvan zij door de bevolking met veel respect werden behandeld, heilige mannen die geen vergelijk in de Griekse wereld hadden.
Net buiten de stad Taksashila vond Onesikritos de groep van vijftien heilige mannen, die daar de hele dag op een blakerende rots in de woestijn in verschillende houdingen stonden, zaten of lagen, naakt en zonder beschutting tegen de hete zon, en zonder zich te bewegen tot de avond viel.
Hij nodigde hen uit voor een audiëntie met Alexander, maar dat sloegen ze af. (5) Degene die de leiding leek te hebben, Dandamis, zei dat de koning maar naar hun moest toekomen, als hij wat over hun doctrines te weten wilde komen, liefst ook naakt. Beloningen konden hen niet verleiden — ze hadden niets nodig — en voor straffen waren ze niet bang — ze hadden de wereld verzaakt; hun kon niets gebeuren.
De communicatie had zo zijn beperkingen, want er moesten drie tolken aan te pas komen: van Grieks naar Perzisch, naar Sanskriet, naar het lokale dialect. En er waren zeker ook invloeden van de Cynische achtergrond van Onesikritos op de weergave van de conversatie, maar genoeg authentieks is toch overgebleven. Het detail, bijvoorbeeld, opgemerkt door Onesikritos dat geen van hen bijzonder ‘geleerd’ waren, is zeer authentiek. Ascetisme verdraagt zich immers zeer slecht met schriftgeleerdheid.
Versie 2
De versie die ik hierboven heb weergegeven waar alleen Onesikritos met de gymnosofisten spreekt, komt waarschijnlijk het meest overeen met de realiteit, maar in latere versies wordt het meestal zo voorgesteld dat Alexander zelf een confrontatie heeft met Dandamis de leider van dat gezelschap.
De eerste variant van deze confrontatie, treffen we op een papyrus dat in Caïro in 1950 ontdekt werd, dat stamde uit de tweede eeuw na Christus, en dat zich nu in de bibliotheek van Genève bevindt. (6)
In dit verhaal ventileert Dandamis allerlei krasse meningen die aardig overeenkomen met de Cynisch-Stoïcijnse doctrines die populair waren in de Hellenistische wereld in die tijd.
Brahmanen, uit Jacob van Maerlant's Der Naturen Bloeme, Vlaanderen of Utrecht; c. 1450-1500.
Op deze illuminatie zien we (alleen) vrouwelijke Gymnosofisten.
Dit verhaal (zowel als de andere variant, die ik hierna geef) toont dan ook grote overeenkomsten met de ontmoeting van Alexander met de Cynische filosoof Diogenes: het thema van de koning die alles heeft in contrast met de filosoof die niets nodig heeft. Volgens dit laatste verhaal lag Diogenes in de zon en stond Alexander voor hem en vroeg of hij hem een gunst kon bewijzen, en Diogenes zou geantwoord hebben, vrij grof, “doe een stap opzij, je staat in mijn zon.” En in plaats van hem te straffen voor zijn grofheid spreekt Alexander zijn bewondering uit.
In de papyrus versie van de ontmoeting van Alexander met Dandamis, uit de laatste scherpe kritiek op de levenswijze van de Griek, waarbij hij als tekortkomingen noemt: het dragen van kleren, het eten van vlees, hebzucht, verspilling, dronkenschap, ruziemaken, oorlog voeren en het onderwerpen van volkeren. Hij vermaant Alexander zijn bloedige carrière op te geven en als een wijsgeer in eenzaamheid te gaan leven. Alexander antwoordt dat hij de wereld wel zou willen verzaken, maar dat niet kan doen omdat de band met zijn soldaten te sterk is. In feite accepteert Alexander, de wereldveroveraar, hiermee de morele superioriteit van de ascetische levenswijze.
Hoewel er dus duidelijke overeenkomsten zijn met de Cynisch-Stoïcijnse levensopvattingen, moeten we wel in het oog houden dat het doel van de wereldverzaking zeer verschillend was. Bij de Cynici en Stoïcijnen gaat het om een filosofische levenshouding waarbij het geluk (happiness) vooropstaat, en waarvoor het dus nodig is los te staan van externe factoren die dat geluk zouden kunnen bedreigen. Daar ontbreekt dus de spirituele dimensie, zoals bij de gymnosofisten, voor wie het doel van de ascese en wereldverzaking de mystieke nabijheid van of het contact met de goden is.
Versie 3
Tenslotte duikt er nog weer een andere variant op van het verhaal van de ontmoeting tussen Alexander de Grote met de naakte Indiase wijsgeren, een populaire christelijke variant uit de vierde eeuw, die wijd verbreid is in Griekse en Latijnse manuscripten. (7) Deze wordt ten onrechte toegeschreven aan de historicus Arrianus uit de tweede eeuw en daarom wordt de auteur van dit verhaal aangeduid als pseudo-Arrianus.
Dit verhaal begint met een verhandeling van de gymnosofisten die een levensstijl bepleiten die slechts de minimale fysieke behoeften tevredenstelt; zij verwerpen rijkdom, luxe en de verderfelijkheden van het Griekse leven.
Hun collega-asceet Kalanos wordt scherp bekritiseerd omdat hij door mee te gaan met Alexander’s leger naar het kamp van de ‘rijkdom’ is overgelopen.
De gymnosofisten geven een beschrijving van hun levensstijl: ze leven in bossen en kleden zich in bladeren, slapen op de naakte grond, nemen kuisheid en stilte in acht, onthouden zich van vlees en gekookt voedsel, voeden zich slechts met de vruchten van de aarde en drinken alleen rivierwater. Zij zingen voortdurend hymnes, verachten de genoegens van het vlees, en voeren een ononderbroken strijd tegen de zintuigen. Op zich een heel correcte beschrijving van de levenswijze der sadhoes.
Vervolgens wordt het bezoek van Onesikritos aan Dandamis beschreven, waarbij de laatste zegt niet op audiëntie bij Alexander te willen gaan, omdat een wijze niets nodig heeft. Dreigementen zijn niet in staat hem van mening te doen veranderen, want hij is niet bang voor de dood. Daarop gaat Alexander persoonlijk naar de heilige man toe en dan verloopt het verhaal zo ongeveer als in de hierboven gegeven papyrus versie.
Tenslotte complimenteert Dandamis Alexander met zijn liefde voor de wijsheid; en hij op zijn beurt prijst de opinies en levensstijl van de gymnosofisten.
Het interessante van deze pseudo-Arrianus versie is dat die duidelijk te maken heeft met de toenemende populariteit van het christelijke monasticisme in de 4e eeuw. Qua inhoud conformeert het standpunt van de gymnosofisten zich zowel aan Cynisch-Stoïcijnse ideeën als ook aan de opinies van belangrijke Kerkvaders van die tijd.
Er staan in ieder geval geen heikele theologische standpunten in, zoals bijvoorbeeld over reïncarnatie, de eigenschappen van de ziel of de godheid. In feite werd deze pseudo-Arrianus verhandeling de favoriete lectuur in de christelijke kloosters, zowel in het Oosten als in het Westen — aanvankelijk nog een welkome ondersteuning van de heidenen voor een christelijk-ascetische wijze van leven. (8)
Alexander Drie versies ontmoeting Gymnosofisten (L) "Saddhu's" (L) Dandamis, Kalanos (L)
Zelfverbranding Kalanos (L) Gymnosofisten (R) Zelfverbranding Kalanos (R) Twee films Noten
Mijn kritiek op Lendering
In zijn boek, Alexander de Grote; de Ondergang van het Perzische rijk, heeft Jona Lendering gekozen voor versie 2 van het verhaal van de ontmoeting — en laat hij dus nadat Onesikritos ze eerst ontmoet heeft, Alexander zelf spreken met de gymnosofisten — waarvan hij een nogal beknopte weergave geeft op pagina’s 284-7.

Omdat het niet zoveel tekst is, zal ik deze grotendeels hieronder citeren (nog weer een andere moderne, ‘romantische’ versie zal ik helemaal aan het eind geven).
Alexander, buste, British Museum, Londen
De ontmoeting van Alexander met de Gymnosofisten
Toch bleef de kennismaking oppervlakkig, niet in de laatste plaats omdat drie tolken nodig waren om met plaatselijke informanten te spreken, van het Grieks dat de meeste Macedonische officieren machtig waren naar het Perzisch, van het Perzisch naar het Baktrisch en vervolgens naar het Prakrit dat in de Punjab werd gesproken. Spraakverwarring was aan de orde van de dag en het is daarom niet zo vreemd dat een van de in onze bronnen genoemde Indiërs, Kalanos, is voorzien van een naam die een verbastering is van kalyana, 'hallo'.
In de bossen rond de Indische steden woonden vaak ascetische wijzen, saddhu's, die ervan hielden in het openbaar te spreken over filosofie. Er waren voldoende mensen die kwamen luisteren naar de discussies van de wijzen, onder wie echte vrijdenkers waren. Sommigen hadden kritiek op het kastenstelsel; anderen verklaarden dat alle materie een illusie was; en weer anderen, die meenden dat alleen de materie reëel was, verweten de brahmanen dat ze offerden aan niet-bestaande goden. Voor filosofisch onderlegde Macedoniërs en Grieken moeten de saddhu's een van de grootste bezienswaardigheden van Taxila zijn geweest. Ze kenden zulke haveloze denkers maar al te goed: ook de Athener Sokrates had erbij gelopen als een zwerver en had het heerlijk gevonden in het openbaar met Jan en alleman te debatteren.
Alexander's hoveling Onesikritos was een leerling van de Griekse ascetische wijsgeer Diogenes van Sinope en leek als geen ander geschikt om een paar Indische asceten uit te nodigen. Het was de koning inmiddels duidelijk geworden dat hij het bezette gebied nooit zou kunnen beheersen als hij niet op een of andere manier een meereizende adviseur zou vinden. Maar brahmanen mochten geen lange reizen maken, en hoewel men daarmee in de Punjab de hand wel eens lichtte, is het aannemelijk dat Ambhi's hovelingen toch scrupules hadden. Alexander moest zijn adviseurs dus ergens anders vandaan halen.
Onesikritos had plezier in zijn missie en deed er later met enige zelfspot verslag van. Hij werd namelijk onthaald met hoongelach en zijn tolken legden uit dat hij er tussen de vrijwel naakte mannen potsierlijk uitzag met zijn laarzen, wapens en zonnehoed. Nadat hij zijn kleren had uitgetrokken, probeerde hij een gesprek te voeren, maar dat verliep vanzelfsprekend moeizaam. Toch meende hij erin te zijn geslaagd de namen van de twee mannen te weten te komen, Kalanos en Dandamis. Ook gaf hij door dat Alexander ze zou belonen als ze kwamen, maar zou straffen als ze dat niet deden.

Dandamis antwoordde dat een man die zelfs niet over het miniemste stukje van de aarde de baas was geen zoon van Zeus was; dat hij Alexander's geschenken niet nodig had omdat hij die absoluut niet begeerde; en dat hij ook niet bang was voor zijn dreigementen, want dat, zolang hij leefde, het land van India hem voldoende voedsel gaf en dat hij, als hij stierf zou worden bevrijd van zijn van ouderdom versleten lichaam en overgaan naar een betere en reinere levensvorm.

Onesikritos bracht de boodschap over en Alexander begreep dat als de twee Indiërs niet naar hem kwamen, hij naar hen moest gaan. Hij had te veel behoefte aan een adviseur om Dandamis te straffen, misschien wel omdat Onesikritos hem ervan had overtuigd dat dreigen niets uithaalde. De saddhu legde Alexanders komst uit als blijk van nederigheid en belangstelling voor de filosofie, wat de veroveraar naar Indische maatstaven maakte tot modelkoning. Toch was het niet Dandamis, maar Kalanos die besloot met Alexander mee te reizen. [...]
Misschien meende Kalanos dat de wereld werkelijk op het punt stond ten einde te komen en dacht hij, anders dan Dandamis, dat Alexander een voorbode was van de verschrikkingen waarmee dat einde gepaard zou gaan. Hoe het ook zij, hij vergezelde de Macedoniërs nog een kleine twee jaar. Zoals gezegd keurden orthodoxe hindoes het maken van reizen buiten India af maar de bewoners van de Punjab hadden daarover eigen ideeën en het lijkt erop dat Kalanos, als saddhu, toch al een criticus was van het bestaande systeem.

Als we Lendering’s beknopte weergave vergelijken met de door mij weergegeven klassieke versies (die eigenlijk ook nogal beknopt zijn), dan zal duidelijk zijn dat qua kennis van de levenswijze van de Indiase asceten en hun filosofisch gedachtegoed middels de diverse versies van het verhaal over de Ontmoeting waren veel meer ideeën tot Europa doorgedrongen zijn dan in het boek van Lendering wordt gesuggereerd.
Wat mij betreft had de beschrijving (natuurlijk) dan ook wel een pagina langer gekund. Er is veel meer informatie uit klassieke teksten beschikbaar, zoals bijvoorbeeld hierboven aangegeven wordt, en zeker als ik het vergelijk met de minutieuze beschrijvingen van een half dozijn veldslagen (prima hoor, daar niet van), dan komt deze ontmoeting er toch wat bekaaid af.
Dat een wereldveroveraar bloedige veldslagen levert en lokale bevolkingen uitmoordt is niet echt nieuws, zelfs al gebeurt het op zo’n grote schaal als Alexander deed.
Alexander met een olifantenhuid op zijn hoofd. Munt van Ptolemaios
Het bijzondere waardoor Alexander eeuwenlang in de collectieve herinnering voort bleef leven is omdat hij als Grote Koning een confrontatie aanging met de naakte wijsgeren van India, die hem als het ware in zijn hemd lieten staan. Zij gingen immers niet in op zijn uitnodiging (of bevel) naar hem toe te komen, kwamen door zijn beloningen niet in verzoeking en waren niet bang van zijn dreigementen.
Geen Boeddhisten maar Hindoes
Wat goed is in het boek van Lendering, is dat hij deze wijsgeren niet bestempelt als Boeddhisten. Dat is wat in het algemeen wel gebeurt, waarschijnlijk omdat de meeste biografen en geschiedschrijvers wel op de hoogte zijn van de Griekse en Hellenistische geschiedenis maar niet of weinig van de Indiase, en dan hooguit de Boeddhisten kennen als enige Indiase asceten.
Het is wel jammer dat hij niet aangeeft hoe hij tot zijn afwijkende mening is gekomen, maar ik ben het er (natuurlijk) zonder meer mee eens dat het Hindoes zijn, en wel behorende tot een Hindoeïstische ascetische groepering die tegenwoordig bekend staat onder de naam ‘sadhoes’.
Maar de auteur is over deze groepering blijkbaar toch nog niet voldoende geïnformeerd, dus heb ik op zijn verhandeling wel een paar dingen aan te merken. Dat ik deze moeite heb genomen is overigens juist daaraan te danken dat de auteur deze Indiase asceten als sadhoes betitelt.
Geen “saddhus” maar ‘sadhoes’
Het is vreemd dat de auteur de spelling “saddhus” gebruikt. Ik meen me te herinneren dat de Oxford Dictionary deze spelling lange tijd hanteerde, maar tegenwoordig schrijven zij het ook als “sadhu”. En terecht. In het Sanskriet en Hindi bestaat het woord uit twee lettergrepen, de ’s-met-lange-aa’ en de ‘dh-met-korte-oe’.
Ook lijkt mij dat er geen reden is om in een Nederlandstalig boek een Engelse klankweergave als de ‘u’ te gebruiken, dus het woord als “saddhu” (of ‘verbeterd’ als ‘sadhu’) te spellen, terwijl de spelling ‘sadhoe’ de enig juiste is en heel adequaat de klanken zou weergeven.
Ik zou er overigens nog wel op willen wijzen dat het woord of begrip ‘sadhoe’ in 327 v.Chr. waarschijnlijk niet gebezigd werd (net als het woord ‘Hindoe’), maar voor de moderne lezer zou dat van ondergeschikt belang zijn. Het belangrijkste is toch dat hier aangegeven wordt dat het om Hindoeïstische asceten gaat.

Voor nog meer sadhoes, zie op mijn site.

Geen gymnosofisten?
Op pagina 285 geeft de auteur aan dat deze sadhoes “vrijwel naakte mannen” waren. Maar hoewel de beschrijvingen van Onesikritos c.s. helaas zeer summier zijn, waardoor het bijvoorbeeld moeilijk is wat preciezer hun sektarische affiliatie te weten te komen, zijn deze op één punt toch wel erg duidelijk: deze mannen — of in ieder geval een aantal van hen — waren geheel naakt. Vandaar dan ook de typerende benaming voor deze mannen: gymnosofisten, d.w.z. naaktlopende wijsgeren. En onder deze benaming zijn deze sadhoes ook eeuwenlang bekend gebleven, maar vreemd genoeg komt het hele woord gymnosofist in het boek van Lendering niet voor.
Een ander aspect van hun situatie die in de klassieke beschrijvingen wordt benadrukt — en welke niet wordt vermeld in het boek — is dat ze niet alleen naakt waren, maar ook zonder enige bescherming de hele dag op een kale rots doorbrachten, vrijwel zonder zich te bewegen. Juist die combinatie maakt veel indruk op de Macedoniërs.
Dandamis, Kalanos, kaste en sektarische affiliatie
De hoogste in rang van deze sadhoes werd door de Macedoniërs Dandamis genoemd. Een andere sadhoe in deze groep van wie we de naam weten, heette Kalanos. In het algemeen wordt geen poging gedaan om de naam Dandamis, die natuurlijk een Griekse verbastering is, te ontraadselen en ook in het boek van Lendering gebeurt dat niet. Dat is jammer omdat de naam van een sadhoe niet zomaar een toevallig gekozen of toegewezen naam is, maar een naam die tijdens de initiatie wordt gegeven en die gebaseerd is op sektarische affiliatie.
Zo zou naar mijn mening de naam Dandamis een verbastering kunnen zijn van ‘Danda Swami’, of ‘Danda Sami’, wat zowel een eigennaam als een aanduiding van rang en sekte zou kunnen zijn. Omdat hij de hoogste in rang is, en blijkens de conversatie zeer goed onderlegd, zou de titel van ‘Swami’ (of ‘Sami’) op zijn plaats kunnen zijn. Een ‘danda’ is een staf die als symbool van ascetisme door een bepaalde groepering van sadhoes gedragen wordt.
De meeste sadhoes dragen wel een of ander ‘wapen’ (tegenwoordig bijvoorbeeld vaak een drietand), maar de ‘danda’ mag alleen door Brahmaanse sadhoes gedragen worden.
Dat zou er dus op kunnen wijzen dat Dandamis een Brahmaan was, wat dan voor hem een reden zou kunnen zijn geweest niet in te gaan op de uitnodiging met Alexander’s entourage mee te gaan. Maar als dat al zo was, dan denk ik eigenlijk dat dat maar een ondergeschikte reden zou zijn geweest. Het gezelschap van bloeddorstige krijgers (en materialistische ‘hebbers’) zou hem als asceet sowieso tegen de borst gestuit hebben.
Dit blijkt trouwens ook uit de conversatie tussen hem en Onesikritos (of volgens de wat meer romantische versies: tussen hem en Alexander).
Swami Ananda Ashrama, een sadhoe van de Brahmanen kaste, doet linga puja, vergezeld van zijn danda.
Dat zou voor Kalanos geheel anders geweest kunnen zijn. Hoewel een sadhoe een Brahmaan kan zijn, zoals ik in het geval van Dandamis al aangaf, zijn sadhoes in het algemeen juist geen Brahmanen, maar behoren ze tot de lagere kasten. Dit heeft te maken met de historische ontwikkeling van ascetisme en mysticisme in India. In feite zijn deze ‘uitgevonden’ door de autochtone bevolking van India, voor of tijdens de Indus Vallei Cultuur, d.w.z. minimaal zo’n 2500 v.Chr. maar waarschijnlijk eerder. (Zie ook Ascese en Zelfkwelling op deze site)
Na de ‘invasie’ van de Ariërs (in ± 1500 v.Chr.), die later de dominante kasten zouden vormen, vindt er een vermenging plaats van de Vedische priester-religie die zij met zich meebrachten en de ascetische en mystieke praktijken (‘yoga’) die zij aantroffen. Maar toch blijft het verschil in afkomst zichtbaar, zodat de Arische Brahmanen de tempelpriesters worden (of blijven) en de aboriginals, de lagere kasten (of zelfs kastelozen) de sadhoes worden. De laatsten kunnen nooit priester worden, maar Brahmanen kunnen wel sadhoe worden.
Dat er van enige rivaliteit sprake zal zijn tussen sadhoes en priesters — beide groepen zijn immers religieuze experts en bemiddelaars met de goden — ligt voor de hand: op beide wordt beroep gedaan door dezelfde cliëntèle, met een beperkt budget.
Als we deze groep gymnosofisten nog eens nader bekijken, dan hoeven we er niet van uit te gaan dat dit een homogene groep is met allemaal dezelfde kaste achtergrond of met dezelfde sektarische affiliatie. Eigenlijk lijkt het er juist op dat dat niet het geval is.
De naam Kalanos wordt door Lendering ontraadseld als komende van ‘kalyana’ wat volgens hem ‘hallo’ zou betekenen. Hier kloppen een paar dingen niet. Dat de naam afgeleid zou zijn van ‘hallo’ zou een zekere lachwekkendheid inhouden, alsof Kalanos in de ogen van de Macedoniërs een soort clown was, en ook dat hij daarmee genoegen zou nemen. Zoals ik al aangaf, is de naam van een sadhoe een ernstige zaak: hij krijgt deze tijdens zijn initiatie van zijn goeroe; de naam heeft niet alleen sektarische maar ook metafysische betekenis.
Dus enige verbastering zal Kalanos wel geaccepteerd hebben, maar het moest niet te gek worden.
Er moet ook enig respect in geklonken hebben. Dat is belangrijk voor deze naakte wijsgeren (en voor wie niet?), en zoals trouwens ook uit de conversatie blijkt, hadden de Macedoniërs respect voor hen.

Overigens betekent ‘kalyana’ meer dan ‘hallo’, of nog scherper, het betekent eigenlijk geen ‘hallo’, maar een heleboel andere dingen. Als ik het Hindi woordenboek (9) er even bijpak, dan lees ik bij ‘kalyana': “happiness, welfare, good interest, good fortune, salutariness, benediction, weal, gold, a kind of song; blessed, prosperous, lucky;” en bij ‘kalyani’: “auspicious, propitious, happy, beautiful; a cow.”

Het zou dus kunnen zijn dat Kalanos de aanroep “kalyana!” gebruikte om de ander geluk te wensen of zo iets, maar het lijkt me onwaarschijnlijk. Zoals een sadhoe zeker geen ‘hallo’ als begroeting zal gebruiken, is ook een soort wens uitspreken niet gebruikelijk, maar zal hij een aanroep tot de goden richten, zoals tegenwoordig bijvoorbeeld door Shivaïeten geroepen zal worden: “Om namah Shiva!” of “Om namoh Narayana!”
Santosh Puri, een Italiaanse sadhoe, en zijn goeroe, Kalyan Puri.
Volgens Plutarchus overigens, zoals hij dat beschrijft die in zijn biografie over Alexander de Grote (XI-65) is de naam Kalanos afgeleid van "Cale", wat "in de Indiase taal een vorm van begroeting is." Hoewel Lendering dat niet expliciet stelt, komt hier waarschijnlijk zijn idee vandaan dat "kalyana" 'hallo' zou betekenen. (Op zich zou dit een aardig voorbeeld van hedendaagse verbastering zijn). En in de Autobiografie van een Yogi van Yogananda (hoofdstuk 41), kwam ik de alleszins acceptabele interpretatie tegen dat "Cale" een verbastering van "Kali" zou zijn, wat als aanroep van de godin goed op zijn plaats zou zijn.
Maar zowel 'Kali' als ‘kalyana’ zouden alleen het eerste deel van de naam (Kala) verklaren, en geven geen verklaring voor het achtervoegsel ‘nos’.
De ontraadseling van de naam Kalanos zou in feite veel simpeler kunnen zijn, voorzover Kalyana of Kalyan gewoon namen zijn, die ook heden ten dage nog door sadhoes worden gebruikt. Ik ben zelf een Kalyan Puri tegengekomen, een oude, zeer gerespecteerde goeroe met veel leerlingen, waaronder ook Westerlingen, in Omkareshwar. En een Kalyana Giri, een mahamandaleshwar (een hoge rang) van de Juna Akhara Naga sadhoes. Het zijn namen die op een Shivaïtische affiliatie wijzen.

De naam Kalanos zou dus inderdaad een verbastering kunnen zijn van Kalyana en dan bijvoorbeeld in combinatie met de suffix en Shivaïtische sektarische aanduiding ‘Nath’, wat ‘heer’ betekent, dus: Kalyana Nath, uitgesproken als ‘kaaljaannaat’.

Maar naar mijn menig ligt een andere verbastering nog meer voor de hand, namelijk die van Kala Nath, een andere naam van Shiva, welke ‘Heer van de Tijd’ betekent. Als naam voor een sadhoe zou Kala Nath uitstekend zijn.
Kalyana Giri, mahamandaleshwar van de Juna Akhara Naga baba's
Een andere mogelijkheid, die de vorige niet uitsluit, is dat Kalanos deze naam van Shiva als aanroep (en uitroep) ter begroeting heeft gebruikt: “Kala Nath!” Uitgesproken als ‘kaalnaat’. Klinkt niet gek. En heeft betekenis: “time flies.”
Tenslotte, Kali Nath zou ook een goede optie zijn, te gebruiken als aanroep: "Kali!", en met de toevoeging 'nath' is het een prima sadhoe naam.
Wel op reis gaan en alcohol drinken
Als we ervan uitgaan dat ‘nos’ inderdaad een verbastering is van ‘nath’, dan houdt dat in dat Kalanos niet alleen tot een andere kaste maar ook tot een andere sekte dan Dandamis behoort.
Nu staan alle sadhoes sowieso buiten (of liever nog, boven) de kasten, en gelden voor hen andere regels dan voor de burgers, maar als Nath sadhoe zou Kalanos zelfs tot de Aghori’s kunnen behoren.
Dit is een sekte die zich totaal niet stoort aan voorschriften die voor ‘normale’ Hindoes (laat staan voor Brahmaanse priesters) gelden, maar die integendeel juist alles doen wat tegen de taboes indruist.
Als ‘gewone’ sadhoe zouden dus allerlei restricties, zoals reizen (het grote water oversteken), die voor de Brahmanen (p. 285) gelden op Kalanos al niet van toepassing zijn. En als hij ook nog eens een Aghori zou zijn, dan zou ook zijn eventuele consumptie van alcohol (p. 332, zie ook hieronder bij de dood van Kalanos) te verklaren zijn, hoewel uit deze passage niet blijkt dat hij zelf gedronken zou hebben, want dat feest vond plaats ná zijn dood. In ieder geval is voor Brahmanen alle alcohol, en niet alleen “overmatig alcoholgebruik” (p. 332) taboe.
Maar een Brahmaan was Kalanos dus zeker niet, en misschien was hij zelfs voor een sadhoe een “buitenbeentje” — en niet omdat hij “uit de Punjab” afkomstig zou zijn (p. 332), maar omdat hij een soort Aghori was, die als tegendraads asceet wel het gezelschap van beroepssoldaten, die moorden en verkrachtend rondtrokken, kon verdragen, misschien zelfs appreciëren.

We kunnen verder alleen maar speculeren over wat het voor Kalanos betekende om met het leger van Alexander mee te trekken. Er zijn versies van het Alexander verhaal waarin Kalanos scherp bekritiseerd wordt door zijn collega-asceten die het zien als heulen met de materialisten, en als een gevaar voor zijn ascetische levenswijze. Maar hij ging toch. Dus wat had hij eraan?
Pir Ganga Nath, een kanphata yogi van de Nath sekte, in meditatieve pose bij zijn mooie dhuni met trishul van Shiva.
Was Alexander voor hem misschien een soort halfgod (zoals Alexander zichzelf inmiddels begon te zien), een reïncarnatie van een van de Hindoe goden zoals die ook bekend zijn uit de epische verhalen. We moeten er wel vanuit gaan dat Alexander een ‘magnetische’, charismatische persoonlijkheid was, en dat zelfs een sadhoe makkelijk in zijn ban zou kunnen geraken.
Alexander draagt de hoorns van een ram, die van zijn 'vader' de Egyptische god Amon; munt van Lysimachus, c.290.
Geen adviseur, en zeker geen advies tegen de Brahmanen
Het lijkt me overigens onwaarschijnlijk dat Kalanos als “adviseur” met Alexander meereisde. Zoals elders in de tekst blijkt (p. 331 en 337) waren er wel meer Indiërs die meereisden, want de reisrestrictie gold vooral voor Brahmanen die ritueel puur moesten blijven, maar niet (of in mindere mate) voor andere kasten, zoals de krijgerkaste (de Kshatriya’s), die waarschijnlijk wel wat nuttiger, in ieder geval wat wereldser adviezen in te brengen hadden.
De rol van Kalanos was meer die van exotische curiositeit, als een soort entertainer, zoals je die wel meer aantreft aan koninklijke hoven, met afwijkend maar toch ‘decoratief’ gedrag (zoals meditatie in de lotushouding), en verkondiger van ongewone wijsheden.
Hoewel Kalanos als sadhoe misschien geen voorstander zal zijn geweest van het kastensysteem (hoewel dat niet vanzelfsprekend is, want ook tegenwoordig nog zijn er sadhoes — ook uit de lage kasten — die er wél voorstander van zijn), is het zeker niet waarschijnlijk dat hij “de Macedonische staf negatieve informatie heeft verstrekt over de brahmanen” (p. 310), zodat Alexander’s leger zonder scrupules de “stad der Brahmanen” met de grond gelijk kon maken.
Alexander ontmoet de Brahmanen.
Augustine, La Cité de Dieu. Maître François (illuminator), Paris, ca. 1475-1480.
Geklede Brahmanen dit keer.
Zoals ik al aangaf was er wel rivaliteit tussen sadhoes en Brahmanen, maar van een zodanige vijandschap was absoluut geen sprake. De Brahmanen waren toen al zo’n duizend jaar de priesters, de onderwijzers, de artsen en kenners van de religieuze teksten. Op veel terreinen werd hun superioriteit erkend. Ook in de sadhoe organisaties bekleedden de Brahmanen vaak de hoogste posities (zoals dat nu nog steeds het geval is). Dandamis was waarschijnlijk zo’n Brahmaanse sadhoe, en als intellectuele leiders en goeroes werden deze door hun mede-sadhoes zeer gerespecteerd, ook door ongeletterde types zoals Kalanos er mogelijk een was.
Het is dus eigenlijk ondenkbaar dat Kalanos een dergelijke verradersrol gespeeld zou hebben.
En al te belangrijk voor de gehele gang van zaken is het nou ook weer niet dat Alexander de “stad der Brahmanen” vernietigde, want we moeten aannemen dat deze Brahmanen niet de eerste (of de laatste) waren die tijdens de campagne in India werden gedood.
Alexander Drie versies ontmoeting Gymnosofisten (L) "Saddhu's" (L) Dandamis, Kalanos (L)
Zelfverbranding Kalanos (L) Gymnosofisten (R) Zelfverbranding Kalanos (R) Twee films Noten
De zelfverbranding van Kalanos
Een heel ander verhaal dan de Ontmoeting is de zelfgekozen dood van Kalanos op de brandstapel voor de verzamelde troepen in Perzië. Het is een verhaal dat door de eeuwen heen de fantasie heeft geprikkeld, en de herinnering aan de gymnosofisten van India levend heeft gehouden.
Ik zal eerst de tekst citeren uit het boek van Lendering, pagina’s 331-332.
Nu dit alles was geregeld, werd het tijd om verder te gaan naar Sousa, waar een rendez-vous zou plaatsvinden met de vloot van Nearchos en waar Alexander wilde trouwen met twee Achaimenidische prinsessen. Een van zijn hovelingen zou hem echter niet volgen op die reis. De Indiër Kalanos was ziek geworden en verzocht Alexander een brandstapel te laten bouwen waarop hij zich levend wilde verbranden. Hoewel de koning er aanvankelijk weinig voor voelde, willigde hij uiteindelijk het verzoek van zijn adviseur in en gelastte Ptolemaios zorg te dragen voor het bouwwerk, dat werd voorzien van allerlei soorten reukwerk.
Naar Indisch gebruik werd Kalanos behangen met kransen en liggend op een draagbaar meegevoerd, terwijl hij liederen zong in zijn eigen taal. De Indiërs zeiden dat het lofliederen waren ter ere van de goden. [...]
Zo besteeg hij tenslotte de brandstapel en ging in alle rust liggen, ten aanschouwen van het hele leger.
Alexander vond dat het onkies was te kijken, omdat het een vriend betrof maar de anderen waren vol bewondering dat Kalanos in het vuur onbeweeglijk bleef liggen. Nearchos zegt dat toen degenen die daartoe aangewezen waren de brandstapel ontstaken, in opdracht van Alexander de trompetten weerklonken en het hele leger strijdkreten liet horen zoals ze deden wanneer ze het gevecht ingingen, en dat de olifanten meededen met schril en krijgshaftig getrompetter, alles ter ere van Kalanos.
Hoewel Kalanos' dood doet denken aan de Indische weduweverbranding, is deze vorm van zelfmoord binnen het orthodoxe hindoeïsme verboden.
Maar Kalanos kwam uit de Punjab en was een buitenbeentje. Alexanders ceremoniemeester Chares beschreef het drinkgelag waarmee de Macedoniërs afscheid namen van hun Indische vriend. Ook overmatig alcoholgebruik was voor traditionele hindoes taboe, maar Kalanos lijkt tijdens zijn leven ook op dit punt een eigen uitleg aan de regels te hebben gegeven.
Alexander nodigde veel vrienden en officieren aan de maaltijd en organiseerde een wedstrijd in het drinken van onvermengde wijn, met een krans voor de winnaar. Prornachos dronk het meest en kwam tot dertien liter. Hij ontving de prijs, een krans ter waarde van een talent, maar leefde daarna nog slechts drie dagen. Van de anderen stierven er eenenveertig na het drinken doordat tijdens hun dronkenschap een hevige kou inviel?
Zoals de auteur terecht aangeeft is “zelfmoord binnen het orthodoxe hindoeïsme verboden.” Overigens niet alleen “deze vorm”, d.w.z. het vrijwillig je laten verbranden op de brandstapel, maar elke vorm. Bovendien niet alleen voor “orthodoxe” maar voor alle Hindoes. En deze regel geldt ook voor sadhoes.
De enige religieuze groepering in India die zelfmoord goedkeurt, is de Jain gemeenschap, maar niet door verbranding, en alleen in bepaalde gevallen. Als een Jain asceet, een Digambar, d.w.z. ‘gekleed in de vier windrichtingen’ dus een naakte asceet (en de Jains zijn daar zeer consequent in), zijn einde voelt naderen of zelfs al als hij niet meer staande kan eten (een dwingend voorschrift voor een Digambar asceet), dan houdt hij op met eten. Ook van strikte Jain burgers is bekend dat zij soms zo hun einde bespoedigen.
Er zijn trouwens wel Jain websites waar beweerd wordt dat al die gymnosofisten Jain monniken van de Digambar orde waren. Zo zie je dat elke sekte die claim kan doen, wat natuurlijk wordt veroorzaakt door de vaagheid van de informatie, want de Macedoniërs hadden geen idee van al die sekten en kasten in India. Nu zou dat misschien voor Dandamis nog wel gegolden kunnen hebben, of voor andere niet met name genoemde asceten in die groep van gymnosofisten, maar toch lijkt het me niet waarschijnlijk.
Maar Kalanos was vrijwel zeker geen Jain: die waren toen al strikt vegetarisch en tegen elke vorm van geweld, dus zij zouden absoluut niet met de moordende Macedoniërs meegetrokken kunnen hebben.
Aangezien Kalanos op een brancard naar de brandstapel werd gedragen, moeten we er wel van uitgaan dat hij ernstig ziek was en misschien al stervende, en kunnen we zelfs veronderstellen dat hij mogelijkerwijs zijn laatste adem uitblies op de brandstapel voordat deze werd aangestoken — en meer nog, dat hij al van te voren wist dat hij precies op dat moment zou sterven — en dat het zo dus geen zelfmoord was, maar lijkverbranding. Maar dan nog blijft het vreemd, want lijkverbranding is door de Ariërs in India geïntroduceerd, en de sadhoes, als nazaten van de oorspronkelijk bevolking, laten zich, zoals voor de autochtonen de gewoonte was, meestal begraven, of ze laten hun lichaam onverbrand in een heilige rivier gooien. (Zie verder nog samadhi op deze site)
Ook bij de Perzen, waar zich dit nu allemaal afspeelde, was verbranding niet de gebruikelijke manier om een lijk op te ruimen. Integendeel. Voor een Zoroaster was het vuur heilig (evenals de grond trouwens), en mocht deze niet bezoedeld worden door een onrein mensenlichaam. Vandaar hun ‘torens der stilte’, waar de lijken in stukjes gesneden aan de aasdieren worden gevoerd. Maar we hoeven er niet vanuit te gaan dat de Macedoniërs zich veel aantrokken van de gevoeligheden van de plaatselijke bevolking.
Maar was het nou in Sousa, zoals het altijd wordt aangegeven, of in Pasargadai, zoals Lendering beweert?
Binnen het normale begrippenkader is het dus eigenlijk niet te verklaren hoe Kalanos op het idee gekomen is, zich levend te laten verbranden. Maar als sadhoe was hij de dood al voorbij (de initiatie is een soort sterven) en als yogi met enige graad van perfectie zou hij zeker in staat zijn geweest, de verbranding met alle zelfbeheersing, zelfs ‘pijnloos’, te ondergaan. En als sadhoe van de ‘Nath’ sekte hoefde hij zich aan geen enkele regel te houden.
Het was in ieder geval een mooi theater, dat eeuwenlang indruk heeft gemaakt, dus we kunnen ons afvragen of hij zich niet heeft laten opjutten door de überhaupt nogal theatrale sferen waarin hij vertoefde, zoals Lendering in relatie tot Alexander steeds weer benadrukt. En enig theater is sadhoes, die ik wel eens betitel als ‘performance artiesten’, niet vreemd. Als hij dan toch moest sterven, dan maar met een ‘big bang’!
Het feit dat we er nu 2300 jaar na dato nog steeds over praten bewijst wel dat hij daarmee succes heeft gehad.
Shiva en Kali op de smashana, of crematieplaats. Als Shiva hier brandt, is dat dan niet zelfgekozen?
Eenzelfde ‘performance’ werd zo’n 300 jaar later nog eens opgevoerd, maar toen in Athene, in de tijd van keizer Augustus (r. 27 v.Chr.-14 n.Chr.), door een sadhoe die meereisde in het gezelschap van Indiase ambassadeurs.
Zoals Augustus zelf liet vermelden in een inscriptie: “naar mij werden ambassadeurs van de koningen van India gezonden zoals er nog nooit eerder gezien waren in het kamp van enig Romeins generaal.”(10) Een van deze ambassades kwam uit Pandhya, een land in Zuid India, met een brief van hun koning, geschreven in het Grieks (!) om vriendschappelijk relaties met de keizer aan te knopen. Deze ambassadeurs werden vergezeld door een Indiase heilige man, die zich te Athene publiekelijk liet verbranden. Nu waren het verschrikkelijke tijden, net als in Alexander’s dagen, met slachtingen en verkrachtingen van burgers in allerlei oorlogen en twisten, maar zo’n vrijwillig gekozen dood door verbranding wist de gemoederen toen ook weer aardig in beweging te krijgen. Vanzelfsprekend werd deze daad gekoppeld aan die andere verbranding, die van Kalanos, 300 jaar eerder. Dat was men nog niet vergeten. De naam (of titel) van deze heilige man, zoals die op zijn grafzerk gebeiteld werd, was Zarmanochegas, wat wel eens uitgelegd wordt als shramana acharya, wat dan ‘leraar van asceten’ zou betekenen. Het was niet duidelijk tot welke religie hij behoorde, maar waarschijnlijk behoorde hij, gezien de term acharya, tot een Hindoeïstische i.h.b. een Vaishnava sekte. (11)

Nog zo’n verbranding kan haast geen toeval zijn. Zou het toch wel een gewoonte zijn geweest, of althans niet zo ongewoon als we denken? En wijst dit er ook niet op dat we nog lang niet alles van die perioden en volkeren kennen?
Alexander Drie versies ontmoeting Gymnosofisten (L) "Saddhu's" (L) Dandamis, Kalanos (L)
Zelfverbranding Kalanos (L) Gymnosofisten (R) Zelfverbranding Kalanos (R) Twee films Noten
Invloed op de vroege Christelijke asceten
Om nog even terug te komen op mijn veronderstelling dat onder andere de Alexander-verhalen over deze Indiase asceten, de gymnosofisten, van invloed zijn geweest op de vroege Christelijke asceten en hun ascese mede hebben vormgegeven, zou ik wat poëtisch ‘bewijsmateriaal’ aangaande de ‘eerste Christelijke kluizenaar’, de Heilige Antonius van Egypte willen aandragen, dat geleverd wordt door Gustave Flaubert in zijn toneelstuk “La Tentation de Saint Antoine”, dat hij schreef in 1874. (12)
Het hele toneelstuk geeft er overigens blijk van dat hij Sint Antonius en de tijd waarin hij leefde uit en te na heeft bestudeerd, en ervan uitgaat dat Antonius niet alleen op de hoogte was van de Ontmoeting en de Zelfverbrandingen, maar ook van het Hindoe pantheon, Boeddha, Appolonius, Pythagoras, de gymnosofisten van Egypte, enzovoort. (Zie ook op mijn website)
... [er] zit op een soort houtstapel iets vreemds — een man — ingesmeerd met koeiedrek, spiernaakt, dorder dan een mummie; aan het uiteinde van zijn beenderen, die dun als talhouten zijn, steken zijn gewrichten uit als knoesten. Aan zijn oren hangen trosjes schelpen; zijn gezicht is langgerekt en hij heeft een haviksneus. Zijn linkerarm is verstijfd en wijst als een staak recht omhoog. Hij zit daar al zo lang dat er vogels nestelen in zijn haar.
Aan de vier hoeken van zijn houtstapel laait een vuur op. Hij staart met wijdopen ogen naar de zon, die pal in zijn gezicht schijnt, en zegt zonder Antonius aan te kijken:
Brahmaan van de Nijloevers, wat vind je ervan?

Aan alle kanten lekken de vlammen tussen de stammetjes door.

DE GYMNOSOFIST gaat verder:
Zoals de rinoceros heb ik mij diep in de eenzaamheid teruggetrokken. Ik woonde in de boom achter mij.

Inderdaad vertoont de grote vijgeboom in zijn gegroefde stam een natuurlijke, manshoge uitholling.

Ik voedde mij met bloemen en vruchten, en nam de voorschriften in acht, zo dat zelfs de honden mij niet zagen eten. Daar het leven voortkomt uit verdorvenheid, verdorvenheid uit verlangen, verlangen uit zintuiglijke gewaarwording, zintuiglijke gewaarwording uit aanraking, heb ik alle doen gemeden, iedere aanraking.
Uit Oman's The Mystics, Ascetics and Saints of India.
Zonder mij ooit te bewegen, als een grafzuil, ademde ik met gesloten mond; en mijn blik richtend op mijn neus, schouwde ik de ether in mijn geest, de wereld in mijn ledematen, de maan in mijn hart, en ik peinsde over de essentie van de grote Ziel, waaraan voortdurend, als spranken uit het vuur, de levensprincipes ontspringen.
Tenslotte heb ik de hoogste Ziel doorgrond in alle wezens, alle wezens in de hoogste Ziel; en door de beteugeling van mijn zinnen heb ik mijn ziel in Haar doen opgaan.
Ik ontvang het weten rechtstreeks uit de hemel, zoals de vogel Tchataka, die zich aan niets dan regenstralen laaft.
Juist omdat ik de dingen ken, bestaan de dingen niet meer.
Voor mij, nu, bestaat er hoop noch angst, geluk noch deugd, dag noch nacht, jij noch ik, helemaal niets.
Door nietsontziende zelftucht ben ik boven de Machten komen te staan. Eén samentrekking van mijn geest kan honderd koningszonen doden, de goden onttronen, de wereld verwoesten.
Dit alles heeft hij met monotone stem gezegd. Om hem heen verschrompelen de bladeren. Over de grond vluchten ratten weg.
Traag zinkt zijn blik in de uitslaande vlammen, en hij voegt er aan toe:


Ik kreeg een afkeer van de vorm, een afkeer van de waarneming, een afkeer zelfs van het weten — want de gedachte is niet van langere duur dan haar vergankelijke aanleiding en zoals al het andere is ook de geest niet meer dan een illusie.
Al wat verwekt is, zal vergaan, al het gestorvene moet herleven; de wezens die voor het ogenblik verdwenen zijn, verwijlen een poos in de nog ongevormde moederschoot, en komen op de aarde terug om in smart andere schepselen te dienen.
Maar na mijn zwerftocht door eindeloos veel levens, in het omhulsel van goden, mensen en dieren, zie ik af van de reis: ik ben deze vermoeienis beu! Ik verlaat de vunze herberg die mijn lichaam is, deze muren van vlees, doordrenkt met bloed en bedekt met een afzichtelijke huid vol ongerechtigheden. En eindelijk zal mij tot beloning de slaap deelachtig worden in het diepst van het absolute, in de vernietiging.

De vlammen stijgen tot zijn borst en sluiten hem in. Zijn hoofd steekt er boven uit, als door een gat in een muur. Zijn opengesperde ogen kijken nog altijd.

[Even later herinnert Antonius zich dat hij al eerder van deze wijze van zelfverbranding heeft gehoord, en spreekt tot zichzelf:]

ANTONIUS
Rustig! Waar was ik? Wat gebeurde er? O ja! De gymnosofist!... Die manier van sterven komt veel voor bij de Indische wijzen. Kalanos stak zich in brand voor de ogen van Alexander; iemand anders heeft dat ook gedaan ten tijde van Augustus. Wat moet je dan het leven haten! Of zou het hoogmoed zijn die hen tot zoiets brengt?.. Nou ja, ze zijn zo onversaagd als martelaren!

De Ontmoeting en Zelfverbranding in De Perzische Jongen
Net zo goed als het wetenschappelijke geschiedenisboek van Lendering leest als een roman, zo leest de roman De Perzische Jongen als een wetenschappelijke geschiedenisboek. Het is wel een roman over Alexander, dus misschien hier en daar wat verfraaid (en daarom leest het zo lekker), maar zoals Mary Renault zelf aangeeft, en wat uit haar boek ook zeker duidelijk blijkt, heeft ze uitgebreide research verricht. “Alle openbare daden van Alexander die hier verhaald worden, zijn gebaseerd op de bronnen en de meest dramatische zijn de meest authentieke.” (13)
Ik zie dan ook geen reden om de geïnteresseerde lezer deze tekst te onthouden, een gefingeerde autobiografie van Bagoas, de Perzische jongen, en de geliefde van Alexander.
Bagoas
De Ontmoeting van Alexander met de gymnosofisten

Voor wat de Ontmoeting betreft heeft Mary Renault zich gehouden aan klassieke versie 3, waarin Alexander meteen bij de gymnosofisten op bezoek gaat.(14) Het is wel jammer dat zij de sekte(n) van de asceten niet benoemt.

Aan de buitenkant van de stad stuitte ik weer op een van de Indische wonderen: de kroostboom uit welks takken wortels spruiten die weer nieuwe bomen worden. De boom was zo breed dat een falanx onder zijn lover had kunnen kamperen; deze ene boom spreidde zich uit als een bos. Toen ik erheen liep om een kijkje te nemen zag ik eronder groepjes mannen zitten, sommigen zeer eerbiedwaardig, zo naakt als ze geboren waren.
Ook na de Macedoniërs verbaasde dit me; zelfs die gingen niet ongekleed zitten. Toch schenen deze oude mannen vol waardigheid en keurden mij geen blik waardig. Een, die hun leider scheen, met een ruige baard tot aan zijn middel, had een kring van leerlingen, oud en jong, om zich heen die vol bewondering toehoorden; een ander had als gehoor een jong kind en een oude grijsaard; weer een ander zat met gekruiste benen zo roerloos als een blok met neergeslagen ogen naar zijn buik te staren en leek nauwelijks te ademen.

Een passerende vrouw legde een krans van gele bloemen bij hem neer en toonde geen schaamte voor zijn naaktheid; hij evenmin, hij bewoog zelfs zijn ogen niet.
Nu herinnerde ik me dat dit de naakte filosofen moesten zijn die Alexander wilde zien. Ze leken niet veel op Anaxarchos of Kallisthenes.
En inderdaad, daar naderde Alexander zelf met enige vrienden, vergezeld van een van de zoons van koning Omphis. Leermeesters noch leerlingen stonden op of namen enige notitie van het gezelschap. De prins toonde geen boosheid en scheen niets anders te verwachten.
Hij riep zijn tolk die hen toesprak en Alexander aankondigde; ik hoorde zijn naam.
Daarop stond de leider op, gevolgd door alle anderen behalve de man die met gekruiste benen nog steeds naar zijn buik staarde. Ze trappelden enige keren met hun voeten op de grond en bleven stil staan.
Alexander zei: 'Vraag hen waarom ze dat deden.'
Bij het geluid van zijn stem keek de zittende man op en vestigde zijn blik op hem.
De leider sprak tegen de tolk, die in het Grieks zei: 'Hij vraagt, heer koning, waarom je van zó ver bent gekomen met zoveel moeite als niets van de aarde, waar je ook komt, je toebehoort behalve dat wat onder je voeten is, tot je sterft, waarna je wat meer hebt, genoeg om in te liggen.'
Alexander keek hem een poos ernstig aan en zei: 'Zeg hem dat ik niet over de aarde rondtrek om haar te bezitten. Ik tracht te leren wat zij is en ook wat mensen zijn.'
De filosoof bukte zich zwijgend en hield tussen duim en vinger wat stof op.
'Maar,' zei Alexander, 'ook de aarde kan veranderd worden, mensen eveneens.'
'Mensen heb je inderdaad veranderd. Door jou hebben ze vrees en wrok gekend, trots en begeerte, ketenen die hun zielen gedurende vele eeuwen zullen vasthouden. En jij, die denkt dat je vrij bent omdat je angst en de begeerten van het lichaam hebt overwonnen... de begeerten van de geest verschroeien je als een laaiend vuur. Weldra zullen ze je geheel verteren.'
Alexander dacht even na. 'Dat mag zijn. Zo wordt de was van de beeldhouwer verteerd binnen in de klei, maar in zijn plaats gieten ze het brons.'
Toen dit vertaald was, schudde de filosoof zijn hoofd.
Alexander zei: 'Zeg hem dat ik nog verder met hem zou willen praten. Als hij met mij mee wil gaan zal ik ervoor zorgen dat hij met eer behandeld wordt.'
De oude man hief het hoofd. Hij mocht dan denken dat hij vrij was, maar vrij van trots was hij niet. 'Nee koning. Evenmin zou ik het de minste van mijn kinderen hier toestaan. Wat kun je mij geven of afnemen? Alles wat ik heb, is dit naakte lichaam en zelfs dat heb ik niet nodig; door het mij af te nemen zou je mij bevrijden van mijn laatste last. Waarom zou ik met je meegaan?'
'Inderdaad, waarom?' zei Alexander. 'We zullen je niet meer lastigvallen.'

De gehele tijd had de man met de bloemenkrans roerloos naar Alexander zitten kijken. Nu stond hij op en sprak. Ik zag dat zijn woorden de anderen verontrustten; voor het eerst keek de leider boos.
De tolk gebaarde om stilte. "Hij zegt dit, heer koning: 'Zelfs de goden worden hun goddelijkheid moe en zoeken eindelijk bevrijding. Ik zal met je gaan tot je bevrijd wordt'."
Alexander glimlachte tegen hem en zei dat hij welkom was. Hij pakte uit een gaffel van de boom een oude lendendoek die hij omsloeg en een houten eetnap en volgde barrevoets.
Sarasvati Giri
Later hoorde ik van een Griek, die een schoenwinkel in de stad had, dat de anderen zo boos geweest waren omdat hij zich had laten verleiden door liefde voor een sterveling. Ze dachten dat, ook al was het een liefde van de ziel, deze een keten voor hem zou zijn en de oorzaak dat hij na zijn dood wedergeboren zou worden, hetgeen zij beschouwen als een straf. Dit was alles wat ik ervan begreep.
Zeker is dat hij van de koning niets anders aannam dan voedsel voor zijn houten nap, en dat slechts heel weinig. Omdat niemand zijn naam kon uitspreken, noemden wij hem Kalanos, naar het woord dat hij als begroeting gebruikte. We wenden al gauw aan hem, zittend onder een boom in de buurt van het paviljoen van de koning. Alexander vroeg hem binnen en sprak met hem met behulp van de tolk. Hij zei eens tegen me dat hoewel men dacht dat Kalanos niets deed, hij hard gestreden en overwonnen had om te zijn wat hij was.
Maar Alexander had niet lang de tijd om met hem te studeren; hij moest tegen koning Poros ten strijde trekken.
Alexander verslaat Poros (hier afgebeeld met het gezicht van een aap!). Uit Jacob van Maerlant's Spieghel Historiael; Vlaanderen, c. 1325-1335.
De Zelfverbranding van Kalanos
Het is een lange versie van het verhaal, waar ik een paar details uit verwijderd heb om het simpel te houden, toch nog vol ‘toeters en bellen’, maar daarom zeker niet minder waar. (15)
Wij marcheerden verder naar Soesa, waar we het leger van Hephaistion zouden ontmoeten. Het werd koud in de passen, maar de lucht was verrukkelijk en de grote verten ontroerden mijn hart. Ook Alexander was gelukkig; hij had een nieuw plan dat hij me nog niet wilde vertellen. Ik voelde dat hij popelde en wachtte rustig tot hij zover zou zijn.
Maar op een avond kwam hij met een bezorgd gezicht binnen en zei: 'Kalanos is ziek.'
'Kalanos? Die is nooit ziek. Zelfs in de woestijn bleef hij gezond.'
'Ik liet hem vanavond halen omdat ik zin had in een praatje met hem. Hij stuurde de bediende terug met het verzoek of ik bij hem wilde komen.'
'Hij vroeg jou bij hem te komen?' Ik moet bekennen dat ik verbijsterd was.
'Als vriend. Natuurlijk ging ik naar hem toe. Hij zat zoals hij altijd zit wanneer hij mediteert, alleen leunde hij nu tegen een boom. Gewoonlijk staat hij op als ik kom, hoewel hij weet dat hij het niet behoeft te doen. Maar hij vroeg me bij hem te komen zitten omdat zijn benen hem de dienst weigerden.'
'Ik heb hem sinds Persepolis niet meer gezien. Hoe heeft hij vandaag gelopen?' '
Iemand heeft hem een ezel geleend. Bagoas, hij ziet er nu zo oud uit. Toen hij bij mij kwam had ik geen notie hoe oud hij was, anders had ik hem nooit uit zijn omgeving weggehaald. Een man van zeventig kan zijn lichamelijke gewoonten niet zonder schade veranderen. Hij had jarenlang vredig geleefd, elke dag hetzelfde.'
'Hij ging mee uit liefde voor jou. Hij zegt dat jullie beider lot in een ander leven samengevoegd is. Hij zegt...' Ik zweeg, want ik was aan het doordraven. Hij keek op en zei: 'Vooruit, Bagoas.' Eindelijk antwoordde ik: 'Hij zegt dat je een gevallen god bent.'
Hij zat op de rand van zijn bed [...] met rimpels in zijn voorhoofd van het nadenken. Tenslotte zei hij slechts, terwijl hij zijn sandaal uittrok: 'Ik heb geprobeerd hem naar bed te krijgen, maar hij zei dat hij zijn meditatie moest afmaken. Ik had het hem moeten gelasten. Maar ik liet hem daar zitten.' Dat begreep ik; dat zou hij voor zichzelf ook gewild hebben. 'Het bevalt me niet zoals hij eruitziet. Hij is te oud om te veel van zijn krachten te vergen. Morgen zal ik hem een dokter sturen.'
De dokter kwam terug met de mededeling dat Kalanos een zwelling in zijn ingewanden had en in de ziekenwagen moest worden vervoerd. Hij weigerde met de woorden dat het zijn meditatie zou storen en dat zijn lichaam, het domme dier, als het dan al niet wilde gehoorzamen, hem in ieder geval niet de wet moest voorschrijven. Alexander gaf hem een mak paard voor de reis en ging aan het einde van elke dagmars kijken hoe hij het maakte; en dat was telkens slechter en zwakker. Anderen gingen ook informeren; Lysimachos bijvoorbeeld was zeer op hem gesteld; maar soms bleef Alexander alleen bij hem.
Op een avond kwam hij zo ontdaan terug dat het al zijn vrienden opviel. Pas toen wij tweeën alleen waren, zei hij: 'Hij is vastbesloten om te sterven.'
'Al'skander, ik geloof dat hij pijn heeft, al zegt hij het niet.'
'Pijn! Hij wil sterven op de brandstapel.'
Ik slaakte een kreet van afgrijzen. Op het terechtstellingsplein in Soesa zou het mij al geschokt hebben. Bovendien was het een bezoedeling van het heilige vuur.'Ik had dezelfde reactie. Maar hij zegt dat in zijn eigen land vrouwen het doen, liever dan hun echtgenoten te overleven.'
'Dat zeggen mannen! Ik heb het zien doen met een kind van tien en zij wilde leven. Ze overstemden haar gegil met muziek.'
'Sommigen doen het vrijwillig. Hij zegt dat hij zijn leven niet onnodig wil rekken.'
Suttee, ofwel de Indiase weduweverbranding
'Kan hij nog beter worden?'
'De dokter staat niet voor hem in. En hij wil zich niet aan een dieet houden... Ik heb het hem niet botweg geweigerd. Elke dag uitstel biedt een kans op herstel. Maar dat denk ik nu niet meer; ik geloof dat ik de voorboden van de dood kan zien. Eén ding heb ik echter besloten: als hij heengaat, gaat hij als een koning. Als het waar is dat wij vele levens leven, is hij dat ooit geweest.' Hij liep wat op en neer en zei toen: 'Ik zal aanwezig zijn, als zijn vriend. Maar ik kan er niet naar kijken. '
Zo bereikten we Soesa. Niets was vreemder voor me. Het paleis was precies hetzelfde gebleven [...]
Het hof met zijn fonteinen en vogels was goed onderhouden. Alexander zei dat het precies de plaats voor Kalanos was. Daar lag hij in een klein vertrek; en telkens als ik hem opzocht, vroeg hij mij een kooi open te zetten. Ik had niet de moed hem te vertellen dat het vogels uit den vreemde waren die zich in vrijheid waarschijnlijk slecht in leven zouden kunnen houden. Het was zijn laatste genoegen hen te zien wegvliegen.
[...] Alexander vertelde zijn vrienden wat Kalanos wenste en gaf Ptolemaios opdracht een koninklijke brandstapel gereed te maken. Die leek op de divan van een koning, versierd met banieren en bloemenkransen; eronder lag terpentijnhout en tondel en pek en wat verder nog het snelst en felst zou branden, vermengd met Arabische wierook. Op het plein voor het paleis, waar alle grote plechtigheden hadden plaatsgevonden sinds Darius de Grote, stonden de Gezellen in het gelid, met de herauten en trompetters. Aan de vierde kant stonden de olifanten, opnieuw beschilderd, met draperieën vol lovertjes en vergulde slagtanden. Koning Poros had niet beter kunnen verlangen.
Alexander had de stoet samengesteld: de knapste Perzen en Macedoniërs op de hoogste paarden, met al hun wapens; dan de dragers van offergaven met genoeg grafgoederen voor een koningsgraf, stoffen bezaaid met edelstenen en parels, gouden bekers, kruiken met zoete olie en kommen vol wierook. Zij zouden op de brandstapel worden gelegd en met Kalanos worden verbrand. Alexander kwam in de strijdwagen van Darius, in het wit ten teken van rouw. Zijn gezicht was strak en afgetobd. Ik denk dat hij al deze pracht en praal niet alleen ter ere van Kalanos had verzonnen, maar ook om diens dood wat draaglijker te maken.
Het laatste kwam de levende dode. Vier lange Macedoniërs droegen zijn draagbaar op hun schouders. Het prachtige strijdros uit Nysa dat hij had zullen berijden maar niet had kunnen bestijgen omdat hij te zwak was, werd aan de teugel naast hem voortgeleid om op de brandstapel geofferd te worden.
Hij droeg een dichte krans van bloemen om zijn hals en op zijn borst, zoals de Indiërs op hun trouwdag dragen. Toen hij dichterbij kwam, hoorden we dat hij zong.
Hij zong nog steeds tot zijn god toen ze hem op de lijkbaar legden. Daarna kwamen, op deze begrafenis van een levende, zijn vrienden afscheid van hem nemen.
Er kwamen allerlei mensen: generaals en soldaten, Indiërs, muzikanten, bedienden. De dragers van de offergaven stapelden de gaven op de brandstapel. Hij glimlachte en zei tegen Alexander: 'Dat is weer echt jouw vriendelijkheid, mij aandenkens te geven voor mijn vrienden.'
Hij gaf alles weg; het paard aan Lysimachos, de stoffen en de rest aan allen die hem goed gekend hadden. Toen ik zijn hand pakte, gaf hij mij een Perzische bokaal die geïncrusteerd was met een leeuw, terwijl hij zei: 'Vrees niet, jij zult tot het einde toe drinken en niemand zal je dat afnemen.'
Alexander kwam het laatst; uit eerbied trokken wij ons terug toen hij zich vooroverboog om hem te omhelzen. Maar Kalanos zei zacht — alleen zij die het dichtst bij stonden, hoorden het — 'Wij behoeven geen afscheid te nemen. Ik zie je terug in Babylon.'
Nu trok iedereen zich terug. De fakkeldragers kwamen naderbij, een hele troep om het vuur sneller te doen oplaaien. Toen de vlammen opsprongen, schreeuwde Alexander om de strijdpaean. De trompetten schalden, de soldaten bulderden, de kornaks schreeuwden tegen de olifanten, die hun slurven opstaken en het saluut trompetterden dat ze koningen brengen.
Hij was altijd zeer gevoelig voor de trots van de mensen van wie hij hield.
Omdat hij ervan overtuigd was dat geen ziek mens die verzengende pijn kon verdragen zonder een kreet, had hij ervoor gezorgd dat het niet te horen zou zijn.
Hij boog zijn hoofd toen het vuur bulderend oplaaide en keek niet. Maar ik kan getuigen dat Kalanos met gevouwen handen bleef liggen terwijl de bloemen eronder verschrompelden; de uitdrukking op zijn gezicht veranderde niet en hij deed zijn mond niet open. Ik keek alleen tot hij wanstaltig begon te worden; maar iedereen die tot aan het einde toe gekeken had, beaamde dat hij zich niet verroerd had.
Een echte verbranding is niet altijd een prettig gezicht. Hoewel Alexander toch wel het een en ander gewend moet zijn geweest, wilde hij het toch liever niet zien.
Hij had Alexander laten beloven te feesten en niet te rouwen om hem; als wijsheid goed en helend, behalve dat hij nog nooit met Macedoniërs had gefeest omdat hij zelf geen druppel wijn aanraakte. Ze waren die avond allemaal door het dolle heen, van afgrijzen of verdriet of allebei; maar iemand stelde voor een wedstrijd in het drinken te houden en Alexander stelde een prijs ter beschikking. Ik geloof dat de winnaar bijna tien liter naar binnen sloeg. Velen lagen tot in de ochtend bewusteloos op de ligbanken of op de vloer; niet de beste manier om een koude winternacht in Soesa door te brengen. De winnaar stierf aan een opgelopen kou, samen met verscheidene anderen, zodat Kalanos meer kreeg als offer dan een paard.
Alexander Drie versies ontmoeting Gymnosofisten (L) "Saddhu's" (L) Dandamis, Kalanos (L)
Zelfverbranding Kalanos (L) Gymnosofisten (R) Zelfverbranding Kalanos (R) Twee films Noten
Twee films over Alexander
  In de film Alexander the Great van Oliver Stone (2004) komen helaas beide episoden — de Gymnosofisten en Kalanos — niet voor. Maar het is sowieso een nogal middelmatige film en er komt zovéél niet in voor.
Wat de film wel duidelijk toont, is de bloederigheid van de strijd.
Er is ook een Alexander the Great film uit 1956, met Richard Burton in de hoofdrol. Maar die schijnt nog veel slechter te zijn, met een blonde pruik voor Burton, amateuristische vechtscènes en zwaarwichtige pseudo-filosofische dialogen.
In de beschrijvingen wordt geen melding gemaakt van ontmoetingen met Gymnosofisten of Kalanos.
Noten
1 Lendering, Jona, Alexander de Grote; de Ondergang van het Perzische rijk. Amsterdam, 2004. Zie ook zijn website, Livius.org
2 Sedlar, J.W. India and the Greek World; A study in the transmission of culture. New Jersey, 1980. p.32
3 Sedlar, p. 56. Kallisthenes, Aristoboulos, Nearchos de admiraal, Onesikritos zijn loods en Ptolemaios de generaal en latere koning van Egypte.
4 Sedlar, p. 263.
5 Sedlar, p. 68.
6 Sedlar, pp. 71-72.
7 Sedlar, pp. 72-73.
8 Sedlar, p. 73.
9 Pathak, R.C. Bhargava’s Standard Illustrated Dictionary, Hindi-English. Varanasi, India, 1990.
10 Sedlar, p. 81. De Ancyra inscriptie.
11 Sedlar, p.82. Volgens Sedlar zou hij een Boeddhist zijn, maar gezien zijn naam is het toch waarschijnlijker dat hij een ‘Hindoe’ is. Zoals zoveel onderzoekers in deze materie heeft ook Sedlar een predispositie voor Boeddhisten.
12 Flaubert, Gustave, vert. Hans van Pinxteren, De verzoeking van de heilige Antonius. Amsterdam, 1985. Amsterdam: Athenaeum-Polak & Van Gennep, 1985. Vertaling van: La tentation de Saint Antoine. - 1874.
13 Renault, Mary. De Perzische Jongen; de laatste levensjaren van Alexander de Grote. Roman. Vertaling van The Persian Boy, door F. Van der Velde, Baarn 1973. p. 379.
14 Renault, Mary. pp. 260-263.
15 Renault, Mary. pp. 316-319.

contact: dolfhart@ziggo.nl