Vita Antonii Abba's Iconografie Vuur Antonianen Kunsten Cultus Folklore Plant Dier Literatuur Paulus Hilarion Maria Simeon Adolphus
Nederlands Frans Italiaans Spaans Portugees Koptisch Duits Orthodox Engels Amerikaans Aziatisch
De iconografie van Sint Antonius
1. Tijdperken, 2. Varken, 3. Vuur, 4. Tau & staf, 5. Klok, 6. Duivel & demonen, 7. Boek & snoer, 8. Hoofd & lijf, 9. Relikwieën
2. Varken
Het varken in Egypte - geen varken in de Vita - de Griekse connectie - de Romeinse connectie - de Keltische connectie - Keltische varkenshoeders - de Germaanse connectie - de heilige varkenshoeder - het varken bij de Joden en Christenen - de Antoniaanse connectie - het varken als Antonius' assistent - andere metgezellen -


Het meest opmerkelijke iconografische kenmerk van Antonius is zijn varken, als zijn trouwe metgezel, terwijl het meest opmerkelijke ritueel — in de Lage Landen in elk geval — rond de viering van zijn gedenkdag op 17 januari het slachten van een varken is en het bij opbod verkopen van de varkenskop, en het eten van varkensvlees. [Zie Vieringen]
Antonius wordt met verschillende soorten varkens afgebeeld: van 'wild' varken met duidelijke hoek- of slagtanden, soms groot en zwart, soms wit of roze, maar meestal eigenlijk als een lief klein geslachtsloos varkentje of zelfs biggetje.
De korrekte houding is die waarbij het varkentje opkijkt naar Antonius.
Het varken in Egypte

Nu is een varken als metgezel van een Christelijke (Koptische) kluizenaar enigszins vreemd te noemen, want het varken geniet in Christelijke kringen nou niet zo'n beste reputatie. Maar dat was in vroeger tijden en op bepaalde plaatsen wel anders. Zoals hieronder zal worden uiteengezet waren (en zijn) er zelfs culturen waar het varken hoog wordt geschat.
Maar wat Antonius betreft: zou het varken met hem mee zijn gekomen uit Egypte?
Al met al ben ik slechts één vermelding tegengekomen waarin wordt beweerd, dat het zwijn voor vele jaren zijn uitverkoren metgezel in de woestijn was.
In de Kathedraal van Carlisle, waar zijn leven in een reeks van beelden wordt afgebeeld, geschilderd op de achterkant van de koorstoelen, en die vergezeld zijn door verzen, is er één couplet dat als volgt gaat:

Thus levyth he i wildern's xxii yere and more
Without any company bot the wylde boore.

Wat ik maar even zal vertalen:

Aldus leefde hij in de wildernis 22 jaar en meer
Zonder enig gezelschap behalve de wilde beer
.

In de Vita van Antonius wordt nergens melding gemaakt van een varken als metgezel (zie beneden), maar we hoeven er natuurlijk niet van uit te gaan dat de Vita de enige bron van informatie was over Antonius.

In het Egypte van de farao's waren er heel wat dieren die deel uitmaakten van het pantheon of anderzins heilig waren — zoals de stier, de slang, de hond, de krokodil, de ibis, de scarabee, enzovoort — maar het varken of het zwijn speelde daarin een wat minder opvallende rol, maar zeker niet geheel te verwaarlozen.
In Frazer's Gouden Tak staat over het varken toch heel wat interessante informatie over de rol van het varken in Egypte:

In het oude Egypte verkeerde het varken in de historische tijd in dezelfde tweeslachtige positie als in Syrië en Palestina, al springt op het eerste gezicht de onreinheid ervan meer in het oog dan de heiligheid. Volgens de meeste Griekse schrijvers verafschuwden de Egyptenaren het varken en beschouwden zij het als een smerig en weerzinwekkend dier. Als iemand een varken ook maar in het voorbijgaan aanraakte, stapte hij meteen met kleren en al de rivier in om de smet af te wassen. Men geloofde dat het drinken van varkensmelk melaatsheid veroorzaakte. Het was varkenshoeders, ook al waren zij geboren Egyptenaren, verboden een tempel te betreden; en zij waren de enige personen voor wie zo'n verbod gold. Niemand zou ooit zijn dochter aan een varkenshoeder uithuwelijken of met de dochter van een varkenshoeder trouwen; varkenshoeders trouwden onder elkaar.

Toch offerden de Egyptenaren eenmaal per jaar varkens aan de maan en aan Osiris; en zij offerden ze niet alleen, zij aten ook hun vlees, terwijl zij op geen enkele andere dag van het jaar varkens offerden of hun vlees nuttigden. Degenen die te arm waren om op deze dag een varken te offeren bakten koeken van deeg en offerden die als substituut.
Votief varkentje uit de Osiris-tempel te Abydos,
3100-2686 v.Chr.
British Museum.
Dit kan nauwelijks anders worden verklaard dan door de veronderstelling dat het varken een heilig dier was, dat eenmaal per jaar door zijn vereerders sacramenteel werd gegeten.
De veronderstelling dat het varken in Egypte heilig was wordt bevestigd door juist die feiten die in moderne ogen het tegendeel lijken te bewijzen. Zo geloofden de Egyptenaren, zoals wij hebben gezien, dat het drinken van varkensmelk melaatsheid veroorzaakte. Maar primitieve volken houden er exact analoge opvattingen over de planten en dieren die zij juist als de heiligste beschouwen op na.
Ook de regel dat men zichzelf en zijn kleren na het aanraken van een varken moest wassen pleit voor de opvatting dat het varken heilig was. Het is immers een wijdverbreid denkbeeld dat het effect van contact met een heilig voorwerp ongedaan gemaakt moet worden, door wassen of anderszins, voor men zich weer onder zijn medemensen mag mengen.
Kortom, de primitieve mens gelooft dat wat heilig is gevaarlijk is; het is geladen met een soort elektrische heiligheid die alles wat ermee in aanraking komt zo niet doodt, dan toch een schok toebrengt. Daarom is de primitieve mens er huiverig voor datgene wat hij als bijzonder heilig beschouwt aan te raken, of er zelfs maar naar te kijken.
In het licht van deze analoge gevallen moeten wij de ideeën en gebruiken van de Egyptenaren die met het varken in verband staan waarschijnlijk als volgt verklaren: zij waren gebaseerd op de opvatting dat het dier zeer heilig was, en niet op de opvatting dat het dier zeer onrein was. Of beter gezegd: zij impliceren dat het dier niet zo maar als een vies en weerzinwekkend dier werd gezien, maar werd beschouwd als een wezen dat met grote bovennatuurlijke krachten was begiftigd, en dat men het, in die hoedanigheid, tegemoet trad met dat primitieve gevoelen van religieuze ootmoed en vrees waarin ontzag en afkeer in vrijwel gelijke mate zijn verenigd.
Als een dier echter het voorwerp van zulke gemengde en impliciet tegenstrijdige gevoelens is, kan men zeggen dat het zich in een toestand van wankel evenwicht bevindt. In de loop van de tijd zal een van de tegenstrijdige gevoelens waarschijnlijk de overhand krijgen; en als het gevoelen dat uiteindelijk de overhand krijgt eerbied is, dan zal het dier dat voorwerp van dit gevoelen is tot god opklimmen; maar als het afschuw is zal het tot duivel afzakken.

Dat laatste was, over het geheel genomen, het lot van het varken in Egypte, want in de historische tijd schijnen de angst voor en de afkeer van het varken beslist zwaarder te hebben gewogen dan het ontzag en de verering waarvan het wellicht eens het voorwerp was en die het, zelfs in zijn gevallen staat, nooit helemaal verloor.
Men ging het varken beschouwen als een belichaming van Seth of Typhon, de Egyptische duivel en de vijand van Osiris. Het was immers in de gedaante van een zwart varken dat Typhon het oog van de god Horus uitrukte; Horus verbrandde hem en stelde het offer van het varken in, nadat de zonnegod Ra het dier onrein had verklaard. Ook het verhaal dat Typhon toen hij een zwijn achtervolgde het lichaam van Osiris vond en het verscheurde en dat dit de reden was waarom er eenmaal per jaar varkens werden geofferd, is duidelijk een gemoderniseerde versie van een oudere legende, waarin Osiris ... wordt verminkt of gedood door een wild zwijn, of door Typhon in de gedaante van een zwijn.
Zo zou het jaarlijkse offer van een varken aan Osiris heel goed geïnterpreteerd kunnen worden als een wraakneming op het gehate dier dat de god had verminkt of gedood. Maar als, ten eerste, een dier zegge en schrijve eenmaal per jaar plechtig wordt geofferd, betekent dat meestal of altijd dat het dier goddelijk is, dat het de rest van het jaar wordt gespaard en geëerbiedigd als god en alleen wordt gedood, áls het wordt gedood, in zijn hoedanigheid van god. Ten tweede [weten we] dat het dier dat aan de god wordt geofferd omdat het de vijand van de god is, misschien of zelfs waarschijnlijk de god zelf was. Daarom wijst het jaarlijkse offer van een varken aan Osiris, in combinatie met de vermeende vijandigheid van het dier jegens de god, erop dat, ten eerste, het varken oorspronkelijk een god was en, ten tweede, dat die god Osiris was.
In later tijd, toen Osiris antropomorf werd en zijn oorspronkelijke connectie met het varken in de vergetelheid was geraakt, werd het dier eerst van hem losgekoppeld en later als vijand tegenover hem gesteld door mythologen die geen andere reden voor het doden van een dier in verband met de verering van een god konden bedenken dan dat het dier de vijand van de god was; of, zoals Plutarchus het stelt: niet dat wat de goden lief is, maar wat het tegendeel daarvan is, is geschikt om geofferd te worden.
De opvatting dat het varken en Osiris één en dezelfde zijn ontleent niet weinig steun aan het feit dat precies op de dag waarop Osiris volgens de overlevering zelf was gedood, varkens aan hem werden geofferd;
[welke dag zou dat zijn?] want in dat geval was immers het doden van het varken de jaarlijks opgevoerde weergave van de dood van Osiris ...
Zeer interessant is de "goede relatie" die het varken in Egypte met de onderwereld heeft. Dit thema zal als een rode draad in de bespreking van vrijwel alle hierna volgende culturen lopen. Daar komt nog bij dat Osiris, na zijn wederopstanding, als koning over de doden in de andere wereld regeerde. Daar droeg hij de titels Heer van de Onderwereld, Heer van de Eeuwigheid, Heerser over de Doden.
     
Een aantal beelden van varkens uit uiteenlopende periodes: een zeug-met-biggen beeldje dat verband houdt met de Isis-verering, een geglazuurd aardewerken varkentje dat er uitziet als een spaarvarken maar een olielampje was, een ebbenhouten varkentje met een lelie op zijn voorhoofd uit de 9e eeuw v.Chr., en een zeug-amulet uit de 26e dynastie.
Uit later tijden is er een schenktuit van een kan in de vorm van een varkenskop. Helaas wordt niet exact vermeld wanneer deze kan in gebruik is geweest maar de aanduiding van de stijl als "hellenistisch" doet vermoeden dat het niet eerder dan ± 330 v.Chr. kan zijn geweest. Maar we moeten ervan uitgaan dat ook de Hellenistische invloeden op andere (in ieder geval, diëtistische) terreinen van invloed moet zijn geweest.
Als je uit een varkenssnuit kunt drinken, kan het varken toch niet onrein zijn.
Schenktuit in de vorm van een varkenskop. Louvre, Departement Egyptische Antiquiteiten.
Deze archeologische vondsten bevestigen nog eens het aanzien dat het varken genoot, en dat het varken in Egypte zeker niet als een onrein dier beschouwd werd.
Er zijn nog andere bronnen waaruit af te leiden is dat het varken wel degelijk gegeten werd.
En het varken speelde zelfs een rol in de geneeskunde. Een medische papyrus vermeldt verschillende genezingen met behulp van delen van een varken.
(Links) De paragraaf waarin de injectie van het oogvocht van een varken in een oor om die persoon van blindheid te genezen wordt beschreven.
Samenvattend kunnen we dus stellen dat het niet uit te sluiten is dat het varken als heilig Egyptisch dier invloed heeft gehad op de iconografie van Antonius. Hij zou dan bijvoorbeeld vereenzelvigd moeten zijn met Osiris, zoals hierboven beschreven en dan "Seth" — het varken — als metgezel hebben gehad.
Maar we moeten bij dit alles wel voor ogen houden dat de oude Egyptische invloeden in de tijd van Antonius al weer tot een ver verleden behoorden. Hij leefde immers veel meer in een Grieks-Romeinse invloedsfeer. Maar zoals we hieronder zullen zien, was het varken of zwijn ook bij de Grieken en Romeinen een (betrekkelijk) heilig dier.
De mogelijkheid dat Antonius in een soort 'oorspronkelijke' (Koptische) iconografie in Egypte door een ander dier vergezeld werd dan een varken, valt ook niet geheel uit te sluiten. Zo zou een hond hiervoor in aanmerking kunnen komen, zoals we kunnen zien bij de bespreking van het attribuut klokje, of de stier Apis, metgezel van de godheid Ptah: zie bij de bespreking van het attribuut Vuur, het Egyptische godenpaar van het Vuur. In deze redenering verdergaand, zouden deze dieren bij de import van Antonius in Europa een metamorfose tot varken hebben kunnen ondergaan.
Zoals we hierboven zagen speelde het varken een rol zowel als veroorzaker van ziektes als wel als genezer, en dit zou, via een omweg, ook een relatie kunnen zijn, voorzover Antonius die rol van het Egyptische varken (en Osiris) als genezer en levensbrenger overgenomen zou hebben.
Deze ontwikkeling van kluizenaar tot genezer heeft overigens voornamelijk in de Katholieke kerk plaats gevonden; in de Orthodoxe en Koptische kerk is Antonius de ascetische kluizenaar en mysticus gebleven.
Geen varken in de Vita
In de Vita is van een Egyptische, Griekse of Romeinse iconografische invloed absoluut geen sprake.
In de eerste plaats heeft het varken onder de invloed van het zich verspreidende Christendom met zijn Joodse 'roots', een negatief beeld gekregen.
En zeker onder invloed van het Christendom, werden de Egyptische diergoden, evenals de Griekse en Romeinse goden met een meer menselijke gestalte, als heidense afgoden en duivelse demonen beschouwd. Zo wordt er in de Vita van Antonius voor gewaarschuwd om niet:

[§ 74] ... het goddelijke op één lijn te stellen met geestloze dieren en dus viervoetige dieren en kruipende dingen en menselijke gelijkenissen te aanbidden.

Ook het offeren van dieren werd door de vroege Christenen in Egypte (en elders natuurlijk) als heidense praktijk sterk afgekeurd, laat staan dat ze de offerande van een varken zouden goedkeuren, of aan de nagedachtenis van een heilige persoon zouden willen verbinden.

Maar terugkomende op het varken en het offeren — en verorberen — van dieren. Antonius, op en top asceet en eenzame kluizenaar in de woestijn, at alleen maar brood en zout. Zoals het in de Vita staat:

[§ 7] Hij at maar één keer per dag, na zonsondergang, soms één keer in de twee dagen, dikwijls zelfs in de vier dagen. Zijn voedsel bestond uit brood en zout, zijn drank alleen uit water. Dat er van vlees en wijn geen sprake was, hoef ik niet eens te zeggen; immers, ook bij de andere geloofsijveraars zou men zoiets niet aantreffen.

Hij was dus continu vegetarisch, en dan is het toch een intessante contradictie dat zijn gedenkdag niet alleen wordt gevierd met het offeren van een varken maar ook nog met het daarna nuttigen van varkensvlees in allerlei vormen.
Ook zijn relatie met het vee, als beschermheilige van vooral het varken maar ook het paard, is totaal niet af te leiden uit zijn levensverhaal.

De enige connectie tussen de vroegere asceet en de latere beschermheilige die wel duidelijk bestaat is de rol van Antonius de kluizenaar als wonderdoener en genezer, maar dan wel een genezer van mensen en niet van dieren.

[§14] Door hem genas de Heer velen die gekomen waren van lichamelijke kwalen en anderen verloste hij van kwade geesten.

[§ 87] En het was alsof God een geneesheer aan Egypte had gegeven.

De wilde dieren in de Vita hebben eerder een demonisch karakter:

[§ 9 ] De demonen leken de vier muren van zijn vertrek te doorbreken en erdoor naar binnen te komen, waarbij ze het uiterlijk van wilde beesten en kruipende dingen hadden aangenomen. Direct was de hele plek vol van gestalten van leeuwen, beren, luipaarden, stieren, slangen, adders, schorpioenen en wolven...

[§ 52 ] Als hij de nacht wakend doorbracht, stuurde de duivel wilde beesten op hem af en vrijwel alle hyena's van de woestijn kwamen dan uit hun holen en omsingelden hem en hij stond in hun midden, terwijl elk van hen zijn muil opensperde en dreigde hem te bijten...

Zie hoe rustig en niet-demonisch zijn varkentje erbij zit.

Maar hij heeft, in ieder geval later wel gezag over de wilde dieren, de 'echte' dan:

[§ 50] Aanvankelijk brachten de wilde dieren in de woestijn, op zoek naar water, schade toe aan het zaaigoed en de aanplant. Maar eens pakte hij zachtaardig een van die dieren beet en zei tot hen allemaal: “Waarom richten jullie nu toch die schade bij mij aan terwijl ik jullie helemaal niets aandoe? Ga weg en, in de naam van de Heer, kom hier niet meer in de buurt.” En sindsdien kwamen ze, alsof ze bang waren voor zijn bevel, niet meer in de buurt van die plek.

En er is de episode met de twee leeuwen in de Vita van Paulus (Hoofdstuk XIII), die het graf groeven.

Wat tamme dieren betreft, wordt in de Vita [§ 54] een kameel genoemd, als lastdier, "terwijl een kameel de broden en het water droeg".
En in één episode [§ 86] komt een stel tamme paarden voor, waarvan er één door plotselinge razernij bevangen wordt en een man, een vijand van de Christenen, in de dij bijt omdat hij niet naar Antonius wilde luisteren.
In de Vaderspreuken (5.04.1. en 5.10.2.), tenslotte, worden ezels genoemd, als rijdier of lastdier of als voorbeeld van domheid! Maar deze hebben verder weinig met Antonius te maken.
Tenslotte wil ik nog opmerken dat het varken ook niet in negatieve zin in de Vita vermeld wordt, als een van de demonische beesten bijvoorbeeld die hem lastigvallen. Wel worden in de Vita [§ 29] de Bijbelse zwijnen (Lc. 8,32) genoemd, alleen om de onmacht van de demonen te demonstreren (zie hieronder), maar niet als huisdier van Antonius of zo, laat staan als metgezel.

Al met al moet je dus concluderen dat je alleen afgaande op de informatie in de Vita niet kan verklaren hoe de relatie is ontstaan tussen de oorspronkelijke Koptische asceet en mysticus Antonius en de beschermheilige van het vee — Teun met het vérken — die hij later in Christelijk Europa is geworden.
Andere manieren van informatieoverdracht
Hierboven gaf ik al aan dat het niet uit te sluiten is dat Antonius op de een of andere manier door het volk — met zijn heidense, magische inclinaties — geassocieerd is met Osiris of Seth of met Griekse goden.
Maar het is vanzelfsprekend ondenkbaar dat de Christelijk bisschop Athanasius zo'n heidense, zelfs duivelse, connectie zou vermelden in zijn Vita.
Maar er zijn naast de Vita natuurlijk ook andere manieren van informatieoverdracht.
We moeten er zeker van uitgaan dat er naast de schriftelijke informatieoverdracht via de Vita ook een mondelinge en/of picturale overdracht heeft plaatsgevonden. Dat veronderstel ik zeker ook bij de andere attributen die met Antonius uit Egypte zijn meegekomen, zoals de T-staf (die we ook bij Seth zien, maar die ook gebruikt werd door de Kopten), de Tau (als verkorte ankh van Isis), het klokje, en zijn hoofddeksel.
Juist in die tijd, toen de meerderheid van de mensen niet kon lezen of schrijven, was mondelinge en/of picturale overdracht veel belangrijker dan schriftelijke.
Eén bron vermeldt het varken bij Antonius in Egypte, als duivelse verzoeker
Er is een één bron waar het varken in het leven van Antonius een wat prominentere rol speelt. Zij het wel in een duivelse gedaant als onderdeel van een Verzoeking die in een Bezoeking verkeert.
Deze legende, een verfraaiing van een wulpse verleidingssituatie, is in later tijden is ontstaan — zeg de Middeleeuwen — maar pretendeert zich toch af te spelen in het leven van Antonius. Het varken heeft door invloeden uit de Bijbel een duivelse gestalte gekregen.
De legende staat beschreven bij Petty Bange :

Zo werd aan het levensverhaal van Antonius, zoals dat in de gedrukte uitgave van het Vaderboek uit 1490 is opgenomen, een aantal legendarische passages toegevoegd die niet in de beschrijving van Athanasius en de Legenda Aurea voorkomen.
Uitvoerig wordt verteld over een duivelse koningin, die de aandacht van Antonius probeert te trekken terwijl zij met haar gezellinnen baadt in de rivier. Onder het voorwendsel dat zij zich onder zijn geestelijke leiding wil stellen, troont zij hem mee naar haar stad waar zij hem probeert te imponeren door uitingen van liefdadigheid, magische geneeskunst en rijkdom. Ten slotte stelt zij hem voor met haar te trouwen.
Wanneer zij hem daarbij zijn ordekleed wil ontrukken, doorziet Antonius haar en roept Jezus te hulp. Terstond verandert zij in een zwart varken. De bewoners van de stad veranderen in duivels, die hem vastgrijpen en langdurig martelen.

Antonius met varken in Barcelona

Er is een legende over Antonius die Barcelona bezoekt, dus in dezelfde periode als in de Vita. Hij geneest er zowel een mens (zoon of dochter) als een biggetje. Er bestaan een aantal versies van op verschillende plaatsen, ook in Frankrijk.
De langste versie gaat min of meer als volgt:

Er wordt gezegd dat in die tijden [de 4e eeuw dus], de faam van de wonderen van Sant Antoni geen grenzen kende en zelfs de oren van de Romeinse gouverneur van Barcelona had bereikt, die een ernstig zieke dochter had. 
De gouverneur stuurde afgezanten naar Egypte om de heilige, die in de woestijn leefde, op te zoeken. 
Na een lange reis die Antonius maakte door op een wolk de hele Middellandse Zee over te steken (deze vlakke en lange wolken worden "Bootjes van Sant Antoni" [“Barquitas de Sant Antoni”] genoemd) kwam hij in Barcelona aan op het zogenaamde "Kleine strand van Sant Antoni” ["Platgeta de Sant Antoni"], waar tegenwoordig het Parlementsgebouw van Catalonië staat. 

Sant Antoni verrichtte een wonder en genas het kleine meisje in een handomdraai. Daarna verbleef hij in het huis van een gezant, in afwachting van een schip dat hem naar Egypte zou terugbrengen.
En daar verscheen voor hem een zeug die in haar bek een biggetje droeg met een zwaargewond been en dat kon niet lopen. De moeder legde het biggetje aan de voeten van de heilige, die het zegende en het op hetzelfde moment genas. De dankbare zeug (of het biggetje), besloot daarna de heilige tot zijn dood te blijven volgen.

In een verkorte versie gaat het als volgt:

Toen Sint Antonius Barcelona bezocht, werd hem gevraagd om de zoon van de Koning van de Lombarden te genezen. Hij hoorde echter dat een zeug in de stad een lam en blind biggetje had, en dit ging hij eerst genezen, en pas later ging hij de prins behandelen. De scène, met de zeug die haar biggetje in haar mond brengt, wordt afgebeeld in een geïllustreerd manuscript in Malta.

Het feit dat het in het manuscript van Malta is opgenomen, toont aan dat in ieder geval de Antonianen van Saint-Antoine-l'Abbaye, in wier opdracht het vervaardigd was, het verhaal geloofden.
Een van de vele varianten op deze legende wordt verteld in Girona en Sant Cugat:

Antonius kwam naar Barcelona en de goeverneur vroeg hem zijn dochter te genezen. Antonius verrichtte een wonder en genas het meisje, en toen hij op het punt stond terug te keren naar zijn plaats van herkomst, de Thebaïde, kwam hij een zeug tegen die een kreupel biggetje in de bek droeg. De zeug legde het biggetje aan de voeten van Antonius, die weer een wonder verrichtte en het biggetje genas. De dankbare zeug besloot daarop de heilige nooit meer te verlaten en hem te begraven als hij stierf.

Weer een iets andere versie kwam ik tegen in Saint-Genis-des-Fontaines, in de Franse Pyreneeën, waar een beroemde abdij van dezelfde naam staat, met een beeld van Antonius.

De koning van Catalonië smeekte de kluizenaar Sint Antonius te komen om de demonen waardoor zijn vrouw en kinderen bezeten waren uit te drijven. Rijdend op een wolk ging hij naar Barcelona. Voor de deur van het huis van Provoost André bracht een zeug hem haar pasgeboren biggetjes, monsters zonder ogen of poten. De heilige maakte het teken van het kruis en op miraculeuze wijze kregen de biggen ogen en poten. Op dezelfde manier dreef hij bij de vrouw en de kinderen van de koning de duivel uit.

Een andere versie wordt verhaald door Guy de Maupassant, die veel lijkt op de juist hierboven vermeldde. Daar echter, is het alleen de koningin die bezeten is. En werd Antonius gevolgd door het dankbare biggetje.

In Kasterlee en Saint-Antoine-d'Artiguelongue wordt zonder vermelding van Barcelona of koning(in) eenzelfde legende verteld.

En er is een leuke illustratie, als een stripverhaal.

Het varken als heilig dier, de Griekse connectie
In Frazer's Gouden Tak staat heel wat interessante informatie over de rol van het varken in het oude Griekenland:

Als we bedenken dat in de Europese folklore het varken een gebruikelijke belichaming van de korengeest is, kunnen we nu de vraag stellen of het varken, dat zo nauw met Demeter was verbonden, oorspronkelijk niet de godin zelf, in de gedaante van een dier, geweest kan zijn. Het varken was aan haar gewijd; in de Griekse kunst werd zij met een varken in haar handen of vergezeld van een varken voorgesteld; er werd in het kader van haar mysteriën altijd een varken geofferd; de hiervoor gegeven reden was dat het varken het koren beschadigt en daarom een vijand van de godin is. Maar nadat een dier aanvankelijk als god, of de god als dier, is opgevat komt het vaak voor, zoals we hebben gezien, dat de god zijn dierlijke gedaante aflegt en zuiver antropomorf wordt; en dat men vervolgens het dier, dat aanvankelijk in de hoedanigheid van god werd gedood, gaat beschouwen als offerdier dat aan de god wordt geofferd omdat het een 'vijand' van de god is; kortom de god wordt aan zichzelf geofferd omdat hij zijn eigen vijand is. Dit is in het geval van Dionysus gebeurd en dit kan ook in het geval van Demeter zijn gebeurd.
En inderdaad bevestigen de riten tijdens een van de feesten te harer ere, de Thesmophoria, de opvatting dat het varken oorspronkelijk een belichaming van de korengodin zelf — ofwel Demeter, ofwel haar dochter en dubbelgangster Persephone — was.

De Attische Thesmophoria waren een herfstfeest dat uitsluitend door vrouwen in oktober werd gevierd; met rouwrituelen werd de afdaling van Persephone (of Demeter) in de onderwereld herdacht en met vreugdevertoon haar terugkeer uit het dodenrijk.
Daarom werd de eerste dag afwisselend Afdaling of Opklimming genoemd en gaf men de derde dag van het feest de naam Kalligeneia (schoon-geboren).
Net als in Egypte, is er ook in Griekenland weer een connectie
van het varken met de onderwereld.
Nu was het bij de Thesmophoria gebruikelijk varkens, deegkoeken en takken van pijnbomen in de 'afgronden van Demeter en Persephone' te gooien; dit waren naar het schijnt heilige grotten of gewelven. In deze grotten of gewelven huisden slangen die de grotten bewaakten en het vlees en de deegkoeken die erin werden gegooid grotendeels opaten.
Daarna — waarschijnlijk aan het begin van het feest van het volgende jaar — werden de verrotte resten van de varkens, de koeken en de pijnboom takken opgehaald door vrouwen die 'haalsters' werden genoemd; nadat zij drie dagen lang bepaalde regels van ceremoniële reinheid in acht hadden genomen, daalden deze vrouwen in de grotten af, verjoegen de slangen door in hun handen te klappen, haalden de restanten naar boven en legden die op het altaar.
(Links) Een aanbidster met het traditionele offerdier voor Demeter — een biggetje;
in haar andere hand draagt ze een heilig vaartuig dat later tijdens de feesten gebruikt wordt.
Iedereen die een stuk van het verrotte vlees en de koeken wist te bemachtigen en het met het zaaikoren op zijn akker uitstrooide, was naar men geloofde verzekerd van een goede oogst.
Ter verklaring van het primitieve en oeroude ritueel van de Thesmophoria werd de volgende legende verteld. Op het moment waarop Pluto Persephone ontvoerde was er op dezelfde plaats toevallig een zwijnenhoeder, Eubuleus genaamd, die zijn varkens daar hoedde; en zijn kudde werd verzwolgen door dezelfde kloof waarin Pluto met Persephone verdween. Dienovereenkomstig werden er bij de Thesmophoria ieder jaar varkens in grotten gegooid ter herinnering aan het verdwijnen van de varkens van Eubuleus.
Hieruit volgt dat het in de gewelven gooien van de zwijnen tijdens de Thesmophoria deel uitmaakte van de dramatische weergave van de afdaling van Persephone in de onderwereld; en uit het feit dat er geen beeld van Persephone in de grotten werd gegooid mogen we afleiden dat de varkens Persephone niet zozeer op haar afdaling begeleidden als wel de hoofdrol in de afdaling speelden, kortom dat de varkens Persephone waren. Later, toen Persephone of Demeter (want zij zijn elkaars equivalenten) een menselijke gedaante aannam, moest er een reden worden bedacht voor de gewoonte om tijdens haar feest varkens in grotten te gooien; dit deed men door te zeggen dat toen Pluto Persephone ontvoerde er toevallig een paar varkens in de buurt rondscharrelden die tegelijk met haar werden verzwolgen.
Voorts dient opgemerkt te worden dat de vrouwen bij de Thesmophoria varkensvlees aten. Het maal was, als ik het bij het rechte eind heb, waarschijnlijk een heilig sacrament of een communie, waarbij de gelovigen deel hadden aan het lichaam van de god.
Aldus verklaard hadden de Thesmophoria hun tegenhangers in de volksgebruiken van Noord-Europa... zo wordt in Hessen en Meingen op Aswoensdag of Maria-Lichtmis het vlees van varkens gegeten en worden hun botten bewaard tot de zaaitijd, om in de ingezaaide akker te worden gezet, of bij het zaad in de zak te worden gedaan...
Na het offeren bereidt een jonge man het hoofd van een varken
voor een tempel. 360-340 v.Chr.
We komen nu bij Attis en Adonis en daarbij springen enkele feiten in het oog die erop duiden dat ook deze vegetatiegoden, evenals andere goden in deze categorie, een dierlijke gedaante konden aannemen.
De vereerders van Attis onthielden zich van het eten van zwijnevlees. Dit lijkt erop te wijzen dat het varken werd beschouwd als een belichaming van Attis; de legende waarin Attis wordt gedood door een wild zwijn wijst in dezelfde richting.
Want [we] kunnen bijna als regel stellen dat een dier dat in een legende een god heeft verwond of gedood oorspronkelijk die god zelf was.
Wat Adonis betreft: diens connectie met het varken werd niet altijd verklaard door het verhaal dat hij door dit dier was gedood. Volgens een ander verhaal reet een wild zwijn de schors van de boom waarin Adonis werd geboren met zijn slagtanden open. Volgens een derde verhaal werd hij door Hephaestus gedood op de berg Libanon toen hij op zwijnejacht was.
Deze varianten van de legende tonen aan dat hoewel de connectie tussen het varken of zwijn en Adonis vaststond, de reden van die connectie niet altijd werd begrepen en dat er daarom verschillende verhalen werden verzonnen om haar te verklaren.
De dood van Adonis;
Giuseppe Mazzuoli (ca. 1644-1725);
Hermitage, St. Petersburg.
Het staat vast dat het varken bij de Syriërs als een heilig dier gold. In het grote religieuze centrum Hierapolis aan de Eufraat werden varkens niet geofferd of gegeten en was iemand als hij een varken aanraakte de rest van de dag onrein. Sommigen zeiden dat dit zo was omdat varkens onrein waren; anderen zeiden dat dit zo was omdat varkens heilig waren. Dit verschil van mening wijst op een schemertoestand van het religieuze denken, waarin de begrippen, 'heiligheid' en 'onreinheid' nog niet duidelijk van elkaar zijn gescheiden, en nog met elkaar zijn vermengd in een troebele oplossing, waaraan wij de naam 'taboe' geven.
Hiermee geheel in overeenstemming is het feit dat men het varken voor een belichaming van de goddelijke Adonis hield; en [het is] aannemelijk dat het verhaal over de vijandigheid van het dier jegens de god slechts een late, onjuiste interpretatie van de oude voorstelling van de god in de gedaante van een varken was. De regel dat varkens door vereerders van Attis en vermoedelijk ook van Adonis niet geofferd of gegeten mochten worden sluit de mogelijkheid niet uit dat in deze culten het varken bij plechtige gelegenheden als vertegenwoordiger van de god werd geslacht en door de gelovigen sacramenteel werd genuttigd. Het sacramenteel doden en eten van een dier impliceert dat het dier heilig is en dat het, in de regel, niet mag worden gedood.
Tenslotte wil ik volledigheidshalve nog even de Eleusinische Mysteriën vermelden, die overigens ook aan Demeter gewijd waren, en waarbij ook varkens werden geofferd.
De laatste overblijfselen van de Eleusinische mysteriën werden uitgeroeid in het jaar 396, door de invasie van Alarik, de koning van de Goten, die samen met de christenen “in hun donkere kleding", het Ariaanse christendom met zich meebracht en de oude heilige plaatsen ontheiligde.
Beeldje van een varken uit Eleusis
Het varken als heilig dier, de Romeinse connectie
Bij het Latijnen, net als bij de Kelten en Germanen, was het varken in de eerste plaats belangrijk in de voeding, en dus in de veeteelt. Tot de 2e eeuw v.C. was iedere Romein praktisch veehouder en landbouwer. Volgens Ovidius was het varken praktisch het enige vlees dat vroeger in Rome werd gegeten.
Men zal dus zich niet verwonderen dat de nadruk op de vruchtbaarheidsbetekenis van het varken, die reeds bij de Kelten en de Germanen werd geobserveerd, ook hier alleen maar overvloedig kan zijn:
  • elk jaar, op de eerste dag van de maand Mei, die zijn naam aan de begunstigde ontleent, werd een zeug en/of een "vet varken" aan Maia, godin van de lente, geofferd;
  • evenzo werden voor Tellus, godin van de Aarde, en Ceres, godin van de graangewassen, drachtige zeugen geofferd;
  • eveneens werd bij de bruidsriten een varken geofferd. Volgens Vallon: "aan het begin van de bruidsriten wijdden de vroegere koningen en de grote figuren van Etrurië de vereniging als nieuwe echtgenote en nieuwe echtgenoot door een varken te offeren."
  • een aanvullende rite was de zalving, door de echtgenote, van de deurposten van de ontvangstruimte met het vet van een varken;
  • aan dit complex van vruchtbaarheid dat met het varken is verbonden, is ook de beroemde mythe gerelateerd van de zeug die voor de stichting van Alba dertig biggetjes baarde.
  • aan hetzelfde complex kan tenslotte de rite gerelateerd zijn die tijdens elke eerste dag van de maand en algemeen (tenminste) in Rome en Laurentum wordt geobserveerd, volgens welke een minder belangrijke opperpriester aan Juno [de vruchtbaarheidsgodin] in de Curia Calabra offert, terwijl de vrouw van de rex sacrorum voor haar in de Regia een zeug of lam offert.

Wat het begrafenisaspect betreft, dat bij de Kelten en de Germanen werd geobserveerd, dat ontbreekt niet in Rome: volgens Cicero, is een graftombe niet af zolang men er geen varken voor heeft geofferd. Het gaat dus niet over begrafenisvoedsel, maar wel over een rite van de eschatologische soort. Was het varken in de ogen van de oude Latijnen, zoals in die van de Kelten, een bevoorrechte bemiddelaar tussen deze wereld hier en de Andere?
Er bestond nog een eigenaardige militaire functie van het varken (van het varken, en niet alleen maar van het everzwijn). Men offerde aldus voor Juno Curitis runderen, een varken, een ram en een bok. Welnu, Junon Curitis (van curru, "kar"), is de oorlogsvorm van de godin Juno.

Bij zijn verdragen offerde Rome een varken aan Jupiter, als borg voor de gezworen eden. En één van grote adellijke families van Rome, de gens Claudia, offerde specifiek een varken, propudialis porcus, in de gevallen van noodzaak van rituele reiniging.
Bijzonder interessant, omdat hij nauwkeurige vergelijkingen mogelijk, is het offer dat suovetaurilia genoemd wordt en dat, zoals de naam al aangeeft, een varken, een schaap en een stier omvat, welke gericht is aan Mars [zie links], ofwel plaats vindt bij de beschermingsplechtigheden van het veld (lustratio agri), ofwel bij zuivering (zoals bij de wederopbouw van een tempel) ofwel bij herstel van een rituele ramp (zoals wanneer de speer waarover een generaal een devotio heeft uitgesproken in de handen van de vijand valt).
Onder de rammelaars van de kleine Romeinen, waren er verschillende in de vorm van een varken, en soms werd er bovenop een kind afgebeeld.
Een reliëf op de Boog van Constantijn te Rome toont de Keizer die een os, een schaap en een 'opgetuigd' varken offert.
Aangezien het everzwijn ook in de kultuur van het klassieke Rome in hoog in aanzien staat, is het niet verwonderlijk dit dier in vondsten uit de laat antieke periode steeds weer afgebeeld te zien.
Op de andere kant van de Boog van Constantijn, in een medaillon, is een zwijnejacht afgebeeld. Een everzwijn op de helm als totem/insigne
Voor wat betreft respect voor de strijdlustige eigenschappen van dit dier onderscheiden de Romeinen zich nauwelijks van hun noord-europese tegenstanders, de Kelten en de Germanen.
Dat de Romeinen het everzwijn hoog schatten, blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat het voor meerdere legioenen als wapendier gold, zoals voor het Legioen I Italica, het Legioen X Fretensis en het Legioen XX Victrix.
   
Offerdieren, w.o. een 'opgetuigd' varken op twee marmeren bas-reliëfs, die "Plutei di Traiano" genoemd worden, uit ± 100 n.Chr., nu te zien in de Curia op het Forum Romanum te Rome. De hoofdvoorstellingen van deze reliëfs betreffen twee charitatieve handelingen van Keizer Trajanus, namelijk de voedsel bedeling voor kinderen en de vernietiging van de boeken van schulden. Het zijn dus de twee 'achterkanten' die versierd zijn met vrijwel identieke afbeelding van de offerandes.
Het Romeinse varken op deze afbeeldingen is wel een zware, volwassen beer, dus in dat opzicht verschilt het wel erg van het varkentje van Antonius, dat gewoonlijk een ongeslachtelijk slank biggetje is.
En wat ik hier bedoel met 'opgetuigd', is dat het versierd is met een fraaie riem om zijn middel en dat er linten of kwasten aan zijn oren hangen. Een offerdier is ook niet zo maar een willekeurig dier, maar moet voldoen aan allerlei eisen van perfectie. Beren schijnen trouwens niet lekker te smaken, vandaar dat 'onze' vleesvarkens gecastreerd worden.
Op een muurschildering in Murau, Duitsland, uit 1300, en op een schildering van Crivelli (1469), is ook een riem of band rond het middel te zien.
Het varken als heilig dier, de Keltische connectie
In hun beschouwing van wilde zwijnen en tamme varkens verschillen de oude kulturen van Europa fundamenteel van de Joods-christelijke opvatting. Terwijl Joodse en Christelijke theologen dit dier, tam of wild, steeds in een negatief licht plaatsen en niet zelden als vertegenwoordigers van demonische machten laten doorgaan, geniet het zwijn in zijn wilde gestalte bij de Romeinen, zowel als bij de Germanen en Kelten, een groot respect.
Hierbij was men zich er zeer wel van bewust dat het wilde zwijn normaliter als tegenstander en niet als vriend van de mensen optreedt. Zijn agressieve, vaak vernielende wildheid, werd hem als kracht van de natuur toegekend. Men zag hierin niet alleen geen aanleiding voor demonisering, maar men nam een voorbeeld aan deze wezenlijke karakteristiek voor het eigen strijdlustige handelen.
Van alle volkeren in het voorchristelijke Europa zijn waren het de Kelten die het varken verreweg het meest vereerden. In de eerste plaats was het varken enorm van belang in de voeding. De vroegere Kelten fokten enorme kuddes varkens, en vanaf de Oudheid was er een belangrijke uitvoer van gezouten hammen vanuit Gallië naar Italië.
Volgens Strabo, waren de Galliërs grote eters van vlees, vooral van varkensvlees, hetzij vers of gezouten. "Gallië," zegt hij, "voedt zo veel kudden, en, vooral, zo veel varkens, dat het niet alleen Rome, maar heel Italië, van vet en zout vlees voorziet."
De grote ceremoniële maaltijden omvatten het slachten van een varken dat vervolgens overeenkomstig strikte regels wordt verdeeld: volgens Ierse teksten zijn de poten voor de koning, de ribben voor de koningin, de kop voor de varkenshoeder, en de schenkels voor de vechtersbazen.
Zoals talrijke archeologische vondsten bewijzen, genoot [het zwijn] bij de Kelten een cultische verering. Hoe zou het ook anders kunnen in een kultuur die zovele indrukwekkende en met namen bekende everzwijn-beelden heeft nagelaten. Zo bevinden zich in de Gallische tempelschat van Neuvy-en-Sulias [rechts] in de regio Orléans meerdere levensgrote standbeelden van everzwijnen.
[Deze tonen] wellicht al de invloed van Romeinse kunst en zouden dan mogelijk niet ontstaan zijn vóór de verovering van Gallië door Ceasar.
Vanaf de eerste tijden na hun verovering, hebben de Romeinen de zeug, het wijfjeszwijn, voor een van de meest normatieve symbolen van Gallië gehouden: het is immers met de voorstelling van een vrouw die een Gallisch vaandel vasthoudt met daarop een zeug waarmee Augustus het onderworpen Gallië op zijn keizerlijk pantser heeft laten vertegenwoordigen, zoals het op zijn mooie standbeeld getoond wordt, wat van de Prima Porta heet te zijn en bewaard is in het Vaticaan.
Dit symbool was niet door de Romeinen bedacht. De inheemse iconografie kende zeker al een godin die gekenmerkt werd door een teken/vaandel met zeug — zoals een mooie stele in rode zandsteen die in 1869 in Betting-Iès-Saint-Avold (Moezel) gevonden werd laat zien — en een beroemd beeldje van brons uit hetzelfde tijdperk dat in de Jura werd gevonden en dat juist het bekronend motief van een Gallisch symbool is, maakt het mogelijk om deze godin met zeug als de Gallische Diana te herkennen. [Helaas ontbreekt hier enige verdere verwijzing, laat staan een illustratie; of zou hij daarmee het beeldje van Arduinna bedoelen?]
Keltische representanten van “Diana” treffen we aan in de Ardennen, waar zij Arduina, Arduinna, of Ardbinna wordt genoemd.
Het archetypische beeld van Arduinna, de 'Godin van de Hoogten' die vroeger als 'Dame van de Bossen' bekend was, is dat van een jonge vrouw die korte tuniek draagt en die zijdelings op de rug van een everzwijn rijdt. Dit beeldje, dat in de 19de eeuw werd ontdekt, draagt geen inscriptie maar het ligt voor de hand te veronderstellen dat het Arduinna voorstelt, omdat het symbool van de Ardennen een everzwijn is, of vice versa, de Ardennen zijn naar haar vernoemd.
De woudgodin Ardbinna, die van een altaar en één enkele inscriptie in Gey, Duitsland, bekend is, is ongetwijfeld dezelfde godin. Deze vrouwelijke godheid komt overeen met de Romeinse Diana, waarmee zij ook etymologisch in verband gebracht kan worden. Zij werd afgebeeld als een jeugdige godin in jachtkledij, die met pijl en elleboog bewapend op een zwijn rijdt.
Tenslotte wordt Arduinna ook vermeld op een inscriptie in Rome, waar zij tezamen met Camulus, Jupiter, Mercurius en Hercules wordt aangeroepen.
In de Ardennen en omgeving schijnt de cultus van Arduinna zo wijdverbreid geweest te zijn dat in 565 n.Chr. St. Walfroy tot de bevolking van Villers-devant-Orval (Luxemburg, Lotharingen) predikte zich van de verering van Arduinna te onthouden. St. Walfroy ging daar op de heuvel (tegenwoordig Mont Saint-Walfroy genaamd) leven, waar eerder het heiligdom van Arduinna was, en stond er op een pilaar, het extreme klimaat in de Ardennen trotserend, totdat hem dat door de bisschop van Trier verboden werd. Walfroy (Wulflaik, Wulphy, Wulfilaïc) is de enige styliticus die het Westen gekend heeft.
Voor enkele Gallische gebieden is het waarschijnlijk aan te nemen dat er een verering van een eigen zwijnen-godheid, met de naam Moccus (oud-iers moch = zwijn), bestond.
Deze Moccus, ook "varken”, werd door de Romeinen, i.h.b. Julius Caesar met Mercurius geïdentificeerd.
Het varken was onder de Kelten als frequente representant van de graan-geest of van vegetatiegoden al een heilig dier, maar was blijkbaar een antropomorfe god van de vruchtbaarheid, Moccus, geworden, die misschien met Mercurius werd gelijkgesteld omdat de Griekse Hermes de vruchtbaarheid in kudden bevorderde.
Het vlees van het varken werd vaak gemengd met het zaadgraan of werd in de velden begraven om de vruchtbaarheid te bevorderen.
Moccus/Mercurius op werd zijn beurt weer met Lugh geïdentificeerd, de grootste Keltische god, de zonnegod, wiens naam verwant is aan het Latijnse lux, of, ‘licht', en ‘de schijnende' betekent. Zowel de verering van de godheid als zijn naam was wijdverspreid over Europa. Lyon in Frankrijk, bijvoorbeeld, werd oorspronkelijk Lugudunum genoemd, ofwel het Fort van Lugus, en ook de steden Laon, Leiden en Carlisle (oorspronkelijk Caer Lugubalion) werden naar Lugh vernoemd.
Tenslotte wordt Lugh weer in verband gebracht met de Bretonse god Vitiris, wiens altaren met varkens en everzwijnen waren versierd. En men heeft opgemerkt dat Lugh in de legendes van Bretagne zijn sporen heeft nagelaten als "de duivel" Huccan: wiens naam "klein varken" betekent.
De mythologische rol van het varken werkt natuurlijk door in een religieuze betekenis, en zeker voor zover dit te maken heeft met de Andere Wereld, i.h.b. de Onderwereld, waarmee het varken/zwijn en bijzondere goede relatie onderhoudt, dus met de ter aarde bestelling.
Dat het varken van belang is bij begrafenisrituelen wordt bevestigd door de aanwezigheid van beenderen van varkens in de graven, soms van hele skeletten. Zo bevatte een begrafeniswagen uit Champagne het skelet van een heel everzwijn. In het noorden van Engeland, in de IJzertijd, dus in de Keltische periode, bevatten de graven vaak varkensvlees als begrafenisvoedsel.
Stenen figuur uit Euffigneix;
uit de periode voorafgaand aan de Romeinse verovering van Gallië,
getooid met een everzwijn op zijn borst.
Keltische varkenshoeders

Varkenshoeders spelen een belangrijke rol in een aantal Keltische teksten. De varkenshoeder (muccido) is, zoals de portier en de intendant, een hoge ambtenaar van het hof van een koning van Ierland. En nog meer, de varkenshoeder is in werkelijkheid een druïde, en het varken zelf is een dier dat de priesterlijke functie verwijst.

Deze informatie wordt door Proinséas ni Chathain vermeld .
Wat betreft de verhevenheid van de functie van varkenshoeder, is kunnen we bijvoorbeeld verwijzen naar Sint Patrick, de beroemdste heilige van Ierland uit de 5e eeuw, die gedurende zijn eerste verblijf in Ierland, na zijn ontvoering door piraten, varkenshoeder van een koning is geweest en Patrick draagt dan ook de zeer veelzeggende bijnaam van succet, "varkenshoeder".
In de legende van heilige Patrick, wanneer de apostel voor de tweede keer naar Ierland gaat en hij en zijn bemanning in de monding van de rivier de Slane aanleggen, worden zij gevonden door de varkenshoeder van een zekere Dichu, die ze eerst voor dieven houdt. Maar Dichu zal zich tenslotte laten bekeren na de heilige woorden van Patrick gehoord te hebben. [Nog meer over Sint Patrick bij klokken]
Naast de heilige Patrick heeft de Keltische literatuur verder geen gebrek aan beroemde varkenshoeders. In de Mabinogi van Branwen zijn het de varkenshoeders die de mannen van het eiland van de Forten (Bretagne) opmerken die wraak komen nemen voor het kwaad hun koningin aangedaan.

In het Leven van Sint Paul Aurélien vindt men de figuur van de varkenshoeder altijd in dezelfde rol van opzichter/waker en bewaker/hoeder van een landstreek terug. De heilige Paul Aurélien (5e eeuw) die met zijn metgezellen van het eiland Bretagne is gekomen, ontmoet te Gourveau de varkenshoeder van de graaf Withur. De varkenshoeder brengt de heilige Paul Aurélien naar zijn meester en toont hem de stad die voortaan de naam van de heilige zal dragen (Saint–Pol–de–Léon).
Terwijl hij de stad verkent, ontmoet hij een zeug die haar kleintjes voedt. Hij temt haar door haar te liefkozen. De zeug zal vervolgens talrijke varkens voor de kuddes van de koning werpen. De heilige ontmoet nog een zwerm honingbijen, vervolgens een beer en vervolgens een wilde stier die hij uit de stad verjaagt.
Sint Pol wordt met een bel afgebeeld en met een draak. Dit laatste verwijst naar de draak — symbool van de heidense goden en afgoderij — die hij van het eiland Batz verdrijft. En zoals bij het hoofdstuk over de klok van Antonius is duidelijk geworden, dient een klok om duivels en demonen (en draken) te verjagen.
In de Keltische gemeenschap is de varkenshoeder een waker. Hij bewaakt niet alleen maar de kuddes van zijn meester. Hij is eveneens de wachter over het hele koninkrijk. De bijzondere rol van de bewaker van het varken wordt in het Leven van Sint Paul Aurélien met de aanwezigheid van de zeug, borg van de welvaart van de plaats, duidelijk.
Een andere gebeurtenis waarin een varkenshoeder een rol speelt, vind je in het Leven van Sint Malo, geschreven aan het einde van de 9e eeuw. Terwijl de heilige Malo zich naar de stad van Alet teruggeeft (waar hij bisschop zal worden), ontmoet hij een arme man die zich in een sloot verbergt:

Hij vroeg hem waarom hij zich daar verborg. Hij zei, "ik hoed de varkens van mijn meester Domnech. En een zeug had acht kleintjes onder haar; een ziekte is gekomen, zij is dood, en dit is de derde dag dat ik me verstop en dat ik niet in zijn aanwezigheid durf te komen.”
En de heilige Malo vroeg hem waar de zeug was, en toen toonde hij hem de zeug en de acht biggetjes die knorden; toen werd de heilige Malo door medelijden getroffen, hij raakte de zeug met zijn stok aan, en zij stond meteen op; en toen (liep de dienaar) met uiterste (vreugde) naar zijn meester (en) vertelde (hem alles).
De dienaar van God (d.i. Domnech) volgde hem op de weg (waarover de heilige Malo vertrok) en vereerde hem op de grond liggend en zei: "Uitverkorene van God, u moet vandaag bij mij komen om te rusten, en dit bezit dat de God me door zijn dienaar heeft gegeven, geef ik aan u.” En toen was hij een dag en een nacht bij met hem en de volgende ochtend vertrok hij naar zijn woning.

[Deze episode, evenals die van Sint Paul Aurélien, doet denken aan de legende van Antonius in Barcelona]
Zo neemt de heilige Malo bezit van zijn toekomstige bisdom. De varkenshoeder en zijn voedende zeug zijn de leveranciers van zijn toekomstige "koninkrijk" geworden. Zij valideren de plaats voorbehouden aan de heilige.

De overeenkomst tussen de beide benamingen van troep (in de militaire betekenis) en kudde (tot de 16e eeuw betekende troep in oud Frans "kudde") zou aanleiding kunnen zijn om in de kuddes varkens een metafoor van troepen soldaten te zien.
Aldus, door de kuddes varkens te hoeden, zou de varkenshoeder zich voorbereiden op een toekomstige rol van hoofd van het leger.
Ook Tristan uit de wijd en zijd bekende legende van Tristan en Isolde was varkenshoeder. Deze legende gaat terug naar bronnen uit een oude Keltische mythologie, voor-christelijk en voor-middeleeuws.
Uit deze legende wordt duidelijk dat voor helden in opleiding als Tristan, het hoeden van varkens verwant is aan een proef der kinderjaren. Deze beproeving zou de scholing van het bevel beogen. Tristan moet de integriteit van een kudde varkens bewaren door de meerdere aanvallen af te slaan. In zijn heldhaftige verzet toont hij zijn waarde. Het karakter van deze gebeurtenis als proef lijkt geen twijfel te laten en Tristan doet zo zijn oorlogsscholing op.
In een andere tekst is er duidelijk sprake van een gelijkstelling van Tristan en het everzwijn. Het everzwijn is het symbolische dier van de priesterlijke klasse. Het is gemakkelijk om het te verifiëren in de legende van Merlijn die zich tot zijn kleine varken richt alsof deze zijn vertrouweling is. Men zou dan moeten veronderstellen dat door zijn gelijkstelling met dit dier, Tristan druïdische kenmerken bezit. Daar kunnen we nog aan toevoegen dat Tristan musicus is en de muziek is bij uitstek een druïdisch voorrecht.
Ook uit andere Ierse mythologische teksten blijkt de priesterlijke en druïdische, de sprookjesachtige en goddelijke rol van de varkenshoeder in de oude Keltische tradities.
Dus, varkenshoeders zijn zowel legeraanvoerders, druïden als magiërs.
Een andere interessante samenhang met Antonius en zijn visioenen is wel dat varkenshoeders geacht werden ook visioenen te hebben en voorspellingen te doen.
Zo wordt verondersteld dat de functie van de varkenshoeders als ziener teruggaat tot de tijd dat zij heilig waren en belangrijke gespecialiseerde activiteiten vervulden in een primitieve samenleving die gewoonlijk dichtbij of in bossen gevestigd was. Het varken en zijn hoeder zouden dan waarschijnlijk hetzelfde voedsel eten, dat met hun beschermgod, een Keltische varkensgod, wordt geassocieerd, t.w. eikels. Het is axiomatisch dat de varkens eikels eten, en het is welbekend dat de eik een heilige boom is.
Zo wordt dan gedacht dat varkenshoeders hun visioenen kregen na het eten van eikels. Sommige werden beschouwd als tovenaars die hun magische krachten verkregen door het kauwen van eikenbladeren. Als andere mogelijkheid werd verondersteld dat de noot-achtige gallus, een aangroeisel op de eik, hallucinaties kon veroorzaken als deze werd gegeten.
Tenslotte, de druïden/varkenshoeders kregen niet alleen hallucinaties of visioenen maar zij zouden ook voorspellingen kunnen doen nadat zij eikels hadden gegeten.
[Over eiken en druïden zie ook bij de Dikke Eik van Liernu.]
Het varken als heilig dier, de Germaanse connectie

In onze streken werden tijdens vieringen van het Joel-feest everzwijnen geofferd aan het godenpaar Freyr en Freya, die steeds vergezeld waren door de heilige zwijnen Guldenborste en Hildisvin.

Het zwijn als heilig dier vinden we verder terug bij de Keltische Godin Cerridwen, de Sumerische Erershkigal en de Griekse Demeter.
Het is het heilige dier van de zwangere doodsgodin, de godin die heerst over de duistere periode van het jaar, waarin de God in de onderwereld verblijft.

Frey
De vertellingen van de Edda en de oudnordische sagen verschaffen een echt kleurrijk beeld van het leven van de oudgermaanse goden. Hier komt men ook de god Frey tegen, een van de meest gerespecteerde figuren in de germaanse Olympus. Als Heer van de regen en de zonneschijn is hij de verschaffer van vruchtbare oogsten. Ook het zorgen voor vrede en welvaart wordt hem toevertrouwd.
De offers aan Freyr omvatten hoofdzakelijk paarden, runderen en varkens. De god bezit eveneens een wonderbaarlijk mannetjeszwijn, Gullinborsti, dat wil zeggen "Borstels van goud", die door de dwergen voor hem uit de huid van een varken is gecreëerd. Dit mannetjeszwijn kan sneller lopen dan een paard, door de lucht en op het water, dag en nacht, en de borstels verspreiden een licht om zich heen om de weg te wijzen. Freyr reist in een wagen die aan dit mannetjeszwijn gekoppeld is, die ook wel Slîdrugtanni ("Met de dreigende tanden") genoemd wordt.
Volgens de Hervörssaga offerde men een varken op de avond van Yul, dat wil zeggen het grote winterfeest van de oude Germaanse gemeenschap, het huidige kerstmis. Yul, omstreeks de tijd van de zonnewende of een beetje erna, was het moment waarop de wezens van de Andere Wereld die van deze wereld bedreigden, net als bij de Kelten tijdens Samhain (“Allerheiligen”), twee maanden eerder.
Men offerde dan aan Freyr het grootste mannetjeszwijn dat men kon vindende zogenoemde sonalgöltr (zoeneverzwijn). Men bezwoer daarmee klaarblijkelijk de zegen van de godheid voor een rijke oogst in het nieuwe jaar.
Frey met het everzwijn Gullinbursti, zijn metgezel en rijdier.
Op de dag voor Yul legde men de hand de borstels van het offervarken, men maakte goede voornemens [zoals in onze tijd tijdens nieuwjaar], deed wensen, bracht heildronken uit en zwoor eden.
Net zoals de riten van Samhain in West Europa voortleefden in die van het offer van het varken, vaak nog plaatshebbend in het begin van de winter, zo zijn er ook winterriten van de oude Germanen tot in onze tijd overgebleven. In het huidige Noorwegen, tijdens de twaalf dagen tussen Kerstmis en Driekoningen, plaats men soms een varken die een rode appel in de bek houdt in de etalages van de winkels
Het lijkt mogelijk, hoewel niet bewijsbaar, dat een bepaald kerstgebruik van het Queens College te Oxford uit dit everoffer voor het Joelfeest voortgekomen is. Hier wordt namelijk bij het officiële kerstmaal op feestelijke wijze een versierde zwijnekop opgediend. Daarbij wordt de traditionele 'boar's head carol' (hymne op de zwijnekop) gezongen, die een zegenwens voor de feestdagen inhoudt.
[In een noot]
Volgens de vriendelijke informatie van de Dekaan van het Queens College vindt het gebruik ook nu nog steeds plaats. Maar in plaats van een zwijnekop, die moeilijk verkrijgbaar is, gebruikt men tegenwoordig een eveneens indrukwekkende kop van een volgroeide zeug, die zo mogelijk 60 pond moet wegen.
Een vrijwel gelijkluidend relaas van de Engelse Kerstdis vinden we bij Sergent, die naar ik aanneem uit Schouwink geciteerd heeft, maar vreemd genoeg vermelden ze geen van beiden het hedendaagse offeren van varkenskoppen in de Lage Landen!
Freya
Freya, de zuster van Freyr, en van hetzelfde "functionele niveau", komt in "Het Lied van Hyndla" voor, gezeten op Hildisvîni, een naam die men als "Everzwijn van het gevecht" vertaalt — swîn betekent "varken, zeug" in oud Noors, en vanwege hilda, “gevecht”, lijkt "everzwijn” de beste vertaling. Dit mannetjeszwijn werd, net als dat van Freyr, door twee dwergen vervaardigd.
Men weet niet of men varkens aan Freya offerde zoals aan haar broer Freyr, maar een van haar bijnamen is Syr, "Zeug".
In de Hyndluljodh, schijnt zij haar vereerder, en naar het schijnt geliefde, Ottar de simpele, de gedaante van haar varken gegeven te hebben om hem te kunnen berijden. Het is, veronderstelt men, een incarnatie van haar eigen broer. Opmerkelijk is, dat zij de naam van Syr, "Zeug", aanneemt, terwijl zij naar een van haar andere geliefden, Odhr, op zoek is.
Naast deze functies die nauw verband houden met de vruchtbaarheid, is er voor varkens ook een rol bij begrafenissen of het ‘einde van de tijd’ weggelegd, zoals we die reeds bij de Kelten zagen. De dode krijgers komen samen in het paradijs van Odin, waar zij elke avond een feestmaaltijd houden van het everzwijn Saehrimnir, dat zij die dag hebben gedood en dat na hun maaltijd weer tot leven komt.
En net als bij de Kelten vindt men beenderen van varkens in de graven van het Germaanse gebied, en in een offerput zijn de beenderen van paarden, varkens en honden gevonden.
Last but not least: de bestanddelen van het varken speelden een rol in de magie. Volgens de Völuspá, een van de gedichten uit de poëtische Edda, die vertelt over de begintijd van de wereld en over het lot van de goden, heeft de god, Heimdall zijn grote kracht gekregen "van de aarde, de koude zee, en het bloed van het offervarken". Als zodanig is het een toverrecept.
De ... afbeeldingen van wilde zwijnen van de Aestiërs ["Aestiorum gentes"], een volksgroep uit het zuidelijke Oostzee gebied, schijnen eveneens tot een godin te behoren. Naar de opvatting van Tacitus zijn ze namelijk een uitdrukking van het geloof aan een moedergodin. De daarmee overeenkomende plaats in de Germania zou daarmee mogelijkerwijs het vroegste schriftelijke bewijs zijn voor religieuze gebruiken die met het everzwijn verband houden, waarvan ons pas door de veel later ontstane dichtwerken van de Edda en de Saga's een precies beeld is overgeleverd.
Zie ook het lieveheersbeestje, de vaquita de San Antón, dat in de oorspronkelijke Germaanse benaming Freyafugle, vogel van Freya werd genoemd, of freyjuhœna (Oud Noors) en Frouehenge, dat werd verchristelijkt tot onzelievevrouwebeestje of lieveheersbeestje.
De heilige varkenshoeder of de heilige met het varken als zijn metgezel
Net zoals we Wodan als de voorloper van Sinterklaas kunnen beschouwen (Noorse en Germaanse goden van het vuur), vind ik het wel zeer verleidelijk te veronderstellen dat Antonius in gekerstende vorm de opvolger is van Frey, met nu als metgezel een gedomesticeerd varkentje.
Een enkele keer lijkt deze afstamming ook in de iconografie van Antonius tot uiting te komen, zoals we zien in het beeld in Millegem, waar Antonius vergezeld wordt door een zwijn (rechts).
Maar eigenlijk vermoed ik dat er nog een tussenstadium geweest is, een andere heidens-heilige held, magiër of kluizenaar, één van de hierboven genoemde 'varkenshoeders', die als "overbrugging" diende tussen de Germaanse of Keltische goden en Antonius: de missing link.
Dus — in de Keltische traditie — zou Antonius ook als varkenshoeder gezien kunnen worden, en bij extensie als hoeder i.e. beschermer van het al het vee, in welker hoedanigheid hij ook nu nog steeds wordt aangeroepen.
Antonius vergezeld door een zwijn; de band rond de nek van het dier — en de daaraan hangende bel — doet denken aan de band van het varken in de Curia te Rome, hierboven afgebeeld.
Maar eigenlijk denk ik dat de missing link niet zozeer een varkenshoeder was, maar eerder een magiër of heilige met een varken als 'metgezel' of als 'assistent' — in de germaanse traditie — zoals Frey met zijn zwijn.
Te denken valt aan iemand als Merlijn, ook al zou hij dan een Kelt zijn, zeker de bekendste ‘druïde’.< Volgens één van de vele legenden over Merlijn (a.k.a. Myrddin) in Cumberland (Noordelijk Welsh Engeland) was hij profeet geworden na vijftig jaar in ellende rondzwerven met slechts het gezelschap van een wild biggetje. Dit zou zich in de 5e eeuw hebben afgespeeld.
Hij zou in de beeldvorming — lang, mager, streng, lange witte baard, lange mantel; denk ook aan Gandalf als beeld — zeker wel een rol kunnen hebben gespeeld in de totstandkoming van het beeld van Antonius.
Naast de andere Christelijke heiligen die nauwe betrekkingen onderhielden met het varken — Sint Patrick, Sint Malo, Sint Paul Aurélien — en die als rolmodel voor Antonius gefungeerd zouden kunnen hebben, is er ook nog Sint Cadog.
Zij waren evenwel allen 'varkenshoeders' en niet zozeer heiligen met een varken als metgezel. Maar in ieder geval geeft dat wel aan dat de combinatie Christelijke heilige en varken niet zo heel afwijkend is.
In Brittannië leefde van 497 tot 580 St. Cadog Ddoeth, Koning van Gwynllwg en Penychen, maar beter bekend als een van de grootste heiligen uit Wales.
Zijn iconografisch attribuut en dierlijke metgezel is wel de muis, wat verwijst naar een legendarische gebeurtenis uit zijn leven, maar hij wordt ook afgebeeld met een andere metgezel, namelijk een varkentje!
Dat kwam zo: Een tijd lang was hij een rondtrekkende kluizenaar in Penychen, het koninkrijk van zijn oom, Pawl. Een varkenshoeder wiens varkens waren verstoord door Cadog, klaagde over zijn aanwezigheid bij de Koning. De varkenshoeder had op een beloning gehoopt, maar in plaats daarvan gaf Koning Pawl zijn neef de vallei waar deze varkens zich voedden, en hier bouwde de jonge heilige zijn beroemde klooster van Llancarfan, waar hij vele jaren verbleef.
En de muis: Eens woedde er een grote hongersnood op het platteland, maar Cadog redde zijn volgelingen van de hongerdood door een muis te volgen die hem naar een geheime graanopslag leidde.
De speer tenslotte, zijn andere iconografisch attribuut: Hij was Abt over een groot aantal monniken in Bannaventa, een plaats op de grens van het Saksisch territorium, toen deze plaats in het jaar 580 werd overvallen, vermoedelijk door Saksers, en Cadog werd in zijn eigen kerk met een speer doorboort en gedood.
Hij was bevriend met de heilige Gildas, die bekend stond om zijn betoverde klokken (bellen). En hij reisde veel op het continent, en maakte bedevaarten naar zowel Rome als Jeruzalem.
St. Cadog Ddoeth (497-580)
Maar de hierboven genoemde candidaten voor de missing link zijn wel legendarische personen en heiligen die vooral in het Noorden van Europa en i.h.b. op de Britse eilanden leefden, terwijl ik er toch vanuit ga dat dit hoogstwaarschijnlijk ergens in het zuiden van Europa heeft plaatsgevonden, m.n. in Italië (Rome), Frankrijk (Marseille) of Spanje (Barcelona).
In de Franse taal zijn er enorm veel woorden voor varken of zwijn of activiteiten of dingen die daarmee te maken hebben. Zoals, naar beweerd wordt, de eskimo's 200 woorden hebben voor sneeuw, zo hebben de Fransen tientallen woorden die met varken of zwijn te maken hebben, waar wij in het Nederlands zo'n zes woorden hebben (varken, zwijn, ever, beer, zeug, big) en het verder met omschrijvingen moeten doen.
Dit zou op een relatie van Antonius met bij uitstek het Franse varken kunnen wijzen.
Naar mijn idee — pure speculatie omdat er op dit moment geen enkele figuur bekend is die de rol van missing link zou kunnen vervullen — zou er dus in Frankrijk, zo in de 5e eeuw, een 'versmelting' plaats gevonden moeten hebben tussen een locale 'heilige met varken' en de kluizenaar uit Egypte.
(Wat ik nog verder wil uitwerken is het relaas van "Sint Antonius in Barcelona" en onderzoeken of en in hoeverre die de missing link zou kunnen zijn.)
cochon varken sanglier zwijn, everzwijn
suidé varken of zwijn laie vrouwelijk zwijn
porc varken marcassin jong van zwijn
verrat mannelijk varken, beer litée nest, worp van jonge zwijnen
truie zeug ragote vrouwelijk zwijn van twee jaar dat zelfstandig wordt
goret big hure kop van het zwijn
pourceau klein varken boutoir snuit van het zwijn
porcelet klein varkentje grès hoektanden boven van het zwijn
cochonner werpen van biggetjes défenses hoektanden onder van het zwijn
cochette jonge zeug voor de eerste worp crochets hoektanden onder van het vrouwelijk zwijn
coche zeug na de eerste worp bauge onderkomen van het zwijn
cochonnet jong varkentje se bauger het gaan slapen van het zwijn
groin snuit van het varken mangeure voedsel van het zwijn
porcher, porchère varkenshoeder laissées uitwerpselen van het zwijn
porcherie varkensstal décousure wond door een zwijn toegebracht
porcin, porcine varkens- (bijvoeglijk naamwoord) fouaille wat men van het zwijn geeft aan de jachthonden
suiforme varkensachtig
ratis, ratisser gewroet, wroeten fouger wroeten van het zwijn
Het varken bij de Joden en Christenen
Frazer in zijn Gouden Tak (Golden Bough) geeft een dubbelzinnige houding weer wat betreft de Joden en het varken:

De houding van de joden ten opzichte van het varken was even tweeslachtig als die van de heidense Syriërs ten opzichte van hetzelfde dier. De Grieken konden niet uitmaken of de joden nu varkens vereerden of ze juist verafschuwden. Enerzijds mochten zij geen varkens eten; anderzijds mochten zij ze niet doden. De eerste regel moge dan voor de onreinheid van het dier pleiten, de andere pleit nog sterker voor de heiligheid ervan.
Want hoewel beide regels verklaard kunnen worden, en één ervan verklaard móét worden, vanuit de veronderstelling dat het varken heilig was, mag geen van beide regels worden verklaard, en kan één ervan niet worden verklaard vanuit de veronderstelling dat het varken onrein was. Als we derhalve de voorkeur geven aan de eerste veronderstelling, moeten wij tot de slotsom komen dat het varken door de Israëlieten werd vereerd, en niet verafschuwd. Wij worden in deze mening gesterkt door de constatering dat sommige joden, tot in de tijd van Jesaja, heimelijk in tuinen bijeen kwamen om als religieus ritueel het vlees van varkens en muizen te eten. Ongetwijfeld was dit een zeer oude ceremonie, die nog uit de tijd stamde waarin zowel het varken als de muis als goddelijke wezens werden vereerd en waarin hun vlees bij zeldzame en plechtige gelegenheden sacramenteel werd gegeten, als het lichaam en het bloed van goden. Meer in het algemeen kan wellicht worden gesteld dat alle zogenaamd onreine dieren oorspronkelijk heilig waren en dat de reden om ze niet te eten was dat zij goddelijk waren.

Wat Antonius' associatie met het varken betreft, wordt er ook wel eens een relatie gelegd met dieetvoorschriften van Joden en Moslims, die varkensvlees als onrein beschouwen en het eten ervan verbieden. Daardoor juist werd het varken een anti-semitisch en anti-moslim symbool en dus bij implicatie, moeten we in dat geval veronderstellen, pro-christelijk. Dit lijkt me ver gezocht, vooral omdat er positieve associaties te over zijn.
Hoewel veelal wordt aangenomen dat deze verboden berustten op vrees voor overdracht van besmettelijke ziekten, waren er ook vroege filosofen die geloofden dat deze bepalingen eerder een afwijzing van heidense praktijken inhielden waarbij vaak het varken als offerdier werd gebruikt. Want in sommige culturen is het varken, of het zwijn, eerder een heilig dier.
In de ogen van de Christenen is zo'n heidens offerdier dan natuurlijk een manifestatie van de duivel zelf. Dit verklaart misschien voor een deel de negatieve opvatting die er in de Bijbel bestaat over varkens en zwijnen.
Het negatieve imago van het varken of zwijn, is in de Bijbel op diverse plaatsen terug te vinden, maar zeker wordt de gebeurtenis in Marcus 5, 8-13, als negatief voor varkens geïnterpreteerd. En dit zal ongetwijfeld tot alle geledingen van het volk zijn doorgedrongen.

 
Leviticus 11,7-8: het varken, want het heeft wel gespleten hoeven maar het herkauwt niet: het geldt als onrein. Het vlees van deze dieren mag u niet eten en hun kadavers niet aanraken: zij gelden als onrein.
Marcus 5, 8-13: Want Hij had hem gezegd: ‘Onreine geest, ga weg uit die man.’ Jezus vroeg hem: ‘Wat is uw naam?’ En hij antwoordde: ‘Mijn naam is Legio, want we zijn met velen.’ En hij smeekte Hem, hen niet het land uit te sturen. Nu weidde daar tegen de berghelling een grote troep varkens. Ze smeekten Hem: ‘Stuur ons naar die varkens om daarin te gaan.’ Hij stond hun dat toe. De onreine geesten kwamen eruit en gingen de varkens in, en de troep stoof de helling af, het meer in, zo’n tweeduizend, en ze verdronken in het meer.
Deze passage wordt in de Katholieke kerk vaak gebruikt om een duivelse interpretatie aan het varken van Antonius te geven, wat onder Katholieken (vooral priesters en pastoors) een populaire opvatting is om de aanwezigheid van het varken bij Antonius te verklaren. Antonius zou dan het kwaad — in de vorm van het varken — overwonnen hebben, en daarom is het varken bij hem, als symbool van Antonius' strijd tegen de duivel en voor zijn overwinning over de demon.
Dit is zeker een misvatting, zoals ik hieronder zal aantonen. Het is namelijk precies andersom: het varken is de assistent van Antonius in zijn strijd tegen de duivel.
Overigens zou ook de hierboven geciteerde passage van Marcus niet persé een negatief beeld hoeven te geven van varkens en zwijnen. Eigenlijk ook weer, integendeel. Uiteindelijk zaten de duivels nog niet in hen, en hielpen ze juist om de wereld van deze demonen te verlossen door zichzelf te verdrinken, met Legio en al.
De zeven hoofdzonden zijn: ira (woede), gula (onmatigheid, vraatzucht), luxuria (onkuisheid, wellust), invidia (nijd, jaloezie), acedia (ledigheid, luiheid), superbia (hovaardij) en avaritia (gierigheid).
In deze Middeleeuwse prent, waar de hoofdzonden als dieren verbeeld worden, staat het varken voor gula, vraatzucht.
Duidelijk is wel dat de Christenen zich van dit 'gebod' betreffende de onreinheid van het varken niet veel aangetrokken hebben. En het lijkt erop dat ze uiteindelijk ook niet zo zwaar tilden aan de andere negatieve bijbelse opvattingen over het varken.

Nog weer andere negatieve opvattingen over het varken komen tot uitdrukking in de vele scheldwoorden waarin "varken" "zwijn" voor komen.
De kerk probeerde op het Concilie van Leptimes in 475 het offeren van varkens tijdens de midwinterperiode te verbieden. Tevergeefs.
Het varken, de Antoniaanse connectie
Hierboven vermelde ik dat de Antonianen een dispensatie zouden genieten, die hun toestond om hun varkens vrijelijk in middeleeuwse stadjes te laten rondzwerven. Dit zou dan ook aan de wortel liggen van hun keuze van het varken als een van hun emblemen.
Volgens de Antonianen dan.
Zij gaan daarin nog verder door te beweren — wat in de loop der eeuwen de populaire opvatting is geworden, maar wat naar mijn mening een misvatting is — dat het varken van Antonius pas zijn metgezel is geworden nadat de Antonianen Antonius als hun beschermheilige hadden gekozen. (zie verder nog mijn pagina over de Orde der Hospitaalbroeders.)
De Antoniaanse varkens werden gebruikt voor de bereiding van een geneesmiddel ter bestrijding van het "Antoniusvuur" en voor het voeden van zieken die daaraan leden.
De wonderbaarlijke genezingen van het Antoniusvuur geschieden aanvankelijk met een zalf, door de monniken vervaardigd uit wijn (Saint Vinage) en varkensvet.
Een andere ziekte, de mazelen, die in de volksmond ook wel "Antoniusvuur" genoemd werd (hoewel deze er eigenlijk niets mee te maken had) — zou volgens volkswijsheid met spek genezen kunnen worden.
Bij de meeste attributen van Antonius wordt te snel verondersteld dat deze uit zijn functioneren als "pest-heilige" voortgekomen zouden zijn. Zo dus ook met het varken. Het zou dus heel goed kunnen zijn dat hij als "pest-heilige" voor de bestrijding (met varkensproducten) van het ignis sacer juist zo geschikt was omdat hij al van ver voor die tijd een relatie met het varken (en ook nog met het vuur) onderhield.
Want de relatie tussen varkens en heiligen gaat ver terug in de Europese geschiedenis, zoals hierboven gebleken is. En meer nog: het zwijn of varken was dus zelf een heilig dier.
We moeten deze opvatting — de Antoniaanse oorsprong van dit attribuut van Antonius — dus weer zien als een soort hijacking, en zeer geslaagd, want vele 'bronnen' vermelden dit.
We zien dit zelfs bij een wat minder oppervlakkige bron als Schouwink, die aan het eind van zijn boek twee pagina's aan Antonius wijdt, die het gebruikelijk beeld bevestigen, zoals op p.108. [Het Antoniusvarken] te verdrijven of te verwonden, gold als een zwaar vergrijp. Aan de vooravond van de Antoniusdag (17 januari) werd het geslacht en zijn vlees werd onder de armen verdeeld.
Voordat er sprake was van Antoniusvarkens, bestond het offeren van varkens midden in de winter al, zoals ik hierboven al vermelde bij de traditie van het zwijnen-offer voor Frey. Deze geofferde varkens waren waarschijnlijk ‘gemeenschapsvarkens’, d.w.z varkens die vrij door het dorp rondscharrelden, en die, na de offering, door de gemeenschap tijdens een gezamenlijke maaltijd verorberd werden. De gewoonte om juist de armen van de gemeenschap hiervan te laten profiteren, wat tegenwoordig nog duidelijk onderdeel is van de offerandes tijdens de Antoniusviering, gaat w.s. ook tot die tijd terug.
Dit gebruik bestaat overigens nog steeds in meerdere plaatsen in Spanje, maar dan wel gekoppeld aan Antonius. Zo loopt in Torvizcon het hele jaar een varken los door het dorp.
Het wordt gevoerd door alle mensen uit het dorp. Het varken ontwikkelt gaandeweg een eigen route van het lekkerste adres naar het andere lekkerste adres. En niemand wil voor elkaar onderdoen. Elk jaar op de feestdag van San Anton wordt dit varken geslacht en door de dorpsbewoners geroosterd in de kooltjes van de 'chiscos', de grote vuren ter ere van Antonius.
Dit gebeurt ook in La Alberca, waar er een speciale varkenshoeder is die voor het Antoniusvarken zorgt.

Verder nog zien we dit in verschillende variaties in Albox, Espasante (foto links) en Trigueros.
Nadat later Antonius met het varken geassocieerd raakte, en de Antoniaanse orde het privilege kreeg om hun Antoniusvarkens vrij door stad en dorp te laten rondlopen, werd al spoedig geen onderscheid meer gemaakt tussen deze twee typen. De Antonianen namen ook het oude ritueel van het offeren van de varkenskop over, zij het in gekerstende vorm, en offerden zo aan Antonius. (Zie ook mijn Kritische kanttekeningen bij Varkenskoppen voor Sint Antonius).
Overigens waren de Antonianen niet de enige kerkelijke orde die het privilege hadden om hun varkens vrij te laten rondlopen. Ook andere orden hadden dat; zij markeerden hun varkens met een inkeping in het oor.
De feestdag van Sint-Antonius, op 17 januari, zou wellicht bepaald kunnen zijn door de oorspronkelijke astrologische bepaling van die dag in oeroude tijden, toen varkens en varkenskoppen aan de Germaanse en Keltische goden geofferd werden.
Wellicht gaat deze dag nog veel verder terug en is er een link met de offerandes in Egypte voor Osiris.
Het offermaal van varkens vinden we vandaag nog terug in de vorm van marsepeinen varkentjes die met Kerstmis genuttigd worden (rechts).
Marsepeinen varkentjes (links) werden gestrooid tijdens de Antonius-optocht in Herdersem.
Ook in Uffholtz (Frankrijk) worden tijdens de Antonius-viering marsepeinen varkentjes uitgedeeld.
Het Varken als Koningsmoordenaar
In de volgende legende heeft het varken een duivelse rol te spelen gekregen. Het wordt zelfs aangeduid door geschiedschrijvers — of beter legendenvertellers — als porcus diabolicus.
Tot aan het begin van de 12e eeuw, zwierven honden en varkens over de smerige straten van de stad, van welke de laatsten enigermate verantwoordelijk waren voor het verwijderen van de vuiligheid die het wegdek bezaaide.
Maar op 11 oktober 1131 reed Koning Lodewijk VI, bijgenaamd de Dikke, paard met zijn vijftienjarige zoon, Philippe van Frankrijk, op de Motte Saint-Gervais. Het paard van Philippe schrok zo door een rondzwervend varken dat het zijn ruiter afwierp. De prins overleed als gevolg van deze val.
Daarop vaardigde de koning een koninklijke beschikking uit die de eigenaars van varkens verbood om hun dieren te laten rondzwerven.
De enige uitzondering hierop werd gevormd voor de Antonianen, wier varkens, onderscheiden door een klokje, nog wel vrij mochten blijven rondlopen.
Deze wet werd in 1261 door Lodewijk IX nog eens bekrachtigd.
Zo wordt de legende altijd verteld, zeker door de Antonianen, omdat zij er nogal gunstig uit naar voren komen.

Zie ook de versie van de Maupassant.
Het Varken als Koningsmoordenaar; Miniatuur uit het 14e eeuwse Fleurs des chroniques.
Maar er zijn wat bevreemdende aspecten aan dit verhaal.
Om te beginnen het voorrecht dat alleen de Antonianen zouden hebben. Deze gebeurtenis speelt zich af in 1131, terwijl de priorij van Saint-Antoine de la Motte in 1080 gesticht was.
We moeten aannemen dat de Antonianen nog niet na 50 jaren al wijd en zijd bekend, laat staan enorm gerespecteerd, waren. Dus het lijkt mij waarschijnlijker dat op het moment van de eventuele nieuwe wet, dit voorrecht gold voor alle monnikenorden, of nog wijder gezien voor alle “gemeenschapsvarkens”, en dat de Antonianen zich dat voorrecht later als exclusief privilege “toegeëigend” hebben — hetzij als legende, hetzij in feite. Tegen 1261 zouden de Antonianen wel machtig genoeg zijn om zich een dergelijk privilege toe te eigenen, dus misschien dat het decreet van Lodewijk IX wel specifiek op hen van toepassing was.
Wat het rondzwerven van varkens betreft, wordt door de Antonianen of hun geschiedschrijvers beweerd dat het verbod ook elders in Europa — eigenlijk in alle delen van Europa — gold, maar ik vraag me af of dat inderdaad wel het geval was. Het lijkt me toch moeilijk zo niet onmogelijk de strikte naleving daarvan, zeker in dorpen en gehuchten, af te dwingen. Ik denk dus dat de “gemeenschapsvarkens”, zolang die nog bestonden, dit voorrecht bleven behouden.
Een ander bevreemdend aspect van dit verhaal betreft de locatie. De gebeurtenis speelt zich af in het centrum van de stad Parijs, waar nu het stadhuis is. Rondzwervende varkens kan je je in de dorpen — waar de varkens door alle bewoners als individuen gekend worden — nog wel voorstellen, maar in een echt stadse omgeving wordt dat toch wat minder waarschijnlijk.
Nu is duidelijk uit mijn paragraaf over varkenshoeders (zie hierboven), dat deze een rol spelen in legendes over het ontstaan van koningschappen (zowel als metgezellen van heiligen), dus is het wellicht vanuit dat perspectief dat de nadruk zo op het varken als Koningsmoordenaar is komen te liggen. Want waarom zou anders het varken de schuld gekregen hebben, en niet het zenuwachtige paard, of de prins zelf, die de rijkunst misschien niet geheel meester was?
Tenslotte nog een opmerking over dat Antoniaanse klokje aan het oor van hun varkens. Zoals ik in mijn hoofdstuk over klokjes (zie pagina) al schreef, is dat niet zo waarschijnlijk, maar is dat een later verzinsel, een dichterlijke vrijheid. Waarschijnlijker is dat deze varkens gemerkt waren door een keep in één van de oren.
Het varken is geen demon, staat niet symbool voor de duivel of overwinning van de lusten,
maar is de assistent van Antonius
Vooral in Frankrijk wordt het varkentje afgebeeld als trouw omhoogkijkend naar Antonius, zoals we op de paar plaatjes hierboven zien, en zelfs soms de pootjes uitstrekkend. Zeer aandoenlijk, en duidelijk zijn rol als gezelschapsdier, als helper en assistent, uitbeeldend.
Bij het bezien van de varkens en zwijnen in de verschillende culturen en tijden zouden we in relatie tot Antonius nog een duidelijk onderscheid moeten maken tussen zeugen en beren.
De zeugen werden vereerd vooral vanwege hun vruchtbaarheid, want een tiental biggetjes bij een worp zijn normaal. De beren worden, zeker waar het zwijnen betreft, vereerd vanwege hun kracht en woestheid.
Voorzover ik weet wordt door Antonius-vorsers het geslacht van het varken van Antonius nooit besproken. Maar als we naar de beelden kijken, dan lijken de varkentjes toch het meest op een jong mannelijk varkentje of zelfs biggetje, hoewel eventuele mannelijke geslachtsorganen niet te zien zijn. Ze hebben dus ook iets onzijdigs.
Het varken van Antonius is dus geen zeug en mag dus zeker niet met vruchtbaarheid geassocieerd worden.
En het is meestal ook geen zwijn en geen mannetje (beer), dus is het ook niet met een strijder te associëren.
En het is niet demonisch of duivels, of symbool van lust.
Het is een geslachtloos biggetje, vriendelijk van aard, een metgezel, een helper, een assistent voor 'onderaardse' betrekkingen.
Deze rol van het varkentje als assistent wordt geïilustreerd in dit prachtige Antoniusbeeld (links, gesitueerd in St-Antonius-Brecht), met opkijkend varkentje, oprijzend uit de vlammen. Daarenboven heeft het varkentje aanhankelijk één pootje geheven. Dit is een voorstelling die in veel 15e en 16e eeuwse beelden is te vinden, en die de relatie perfect tot uitdrukking brengt. Tevens wordt de relatie met het vuur gelegd — het vuur dat het varkentje samen met Antonius uit de hel stal (zie de legende). Zie ook hieronder over het varkentje als de assistent in onderaardse, onderwereldse betrekkingen
Het varkentje is de assistent in onderaardse, onderwereldse betrekkingen
Uit de mythen en legenden van Egyptsche, Griekse en Romeinse oorsprong, zoals hierboven besproken, blijkt al duidelijk de relatie van het varken met de onderwereld.
Maar ook in volkse Europese legenden blijkt het varken een rol te spelen in de betrekkingen met de onderwereld, en in ons geval in de betrekkingen tussen Antonius en de onderwereld.
Zo zijn er de gevallen waar het varkentje zonder meer de assistent is van Antonius — tégen de duivel. Zo helpt het varkentje Antonius bij het stelen van het vuur uit de hel (zie bij vuur) en bij de strijd tegen de draakvormige demon (zie bij demonen).
In de kerk van Lézat, waar zeer veel Antonius beelden en relieken te vinden zijn en waar nog steeds een Antonius-cultus in stand wordt gehouden, hangt een orthodoxe afbeelding (links) van Antonius met zijn varkentje in een zwart “gat” of onder de grond (?), waarmee naar mijn idee de functie van zijn varkentje als zijn “assistent in onderaardse, onderwereldse (helse) betrekkingen” zeer treffend wordt weergegeven.
Dit idee komt ook duidelijk tot uiting in de Antoniusvieringen in Andorra:

Varken voor de doden
In Andorra wordt op 17 januari Sint-Antonius gevierd met de Encants, de verkoop per opbod van stukjes varkensvlees, waarvan de opbrengst ten goede komt aan een mis voor de zielen in het Vagevuur. Dit soort ceremonie is algemeen bekend in Zuid-Europa en is gebaseerd op de bemiddelende kwaliteiten van de Sint en van het varken die tussen deze wereld en het hiernamaals kunnen bewegen.
Op die dag, wordt een bijzonder stukje — de poot — nog veel waardevoller: dit deel is gewijd aan de Sint en aan de Dood, temeer daar jonge jongens een bot kiezen om er een bromhout of snorrebot (bullroarer) van te maken, een expliciete recipiënt van de stemmen van de doden.
Echter, dit kleine bot, dat moet worden bewaard, is ook een zaad voor de Opstanding.
Dit geloof komt voort uit en is gerechtvaardigd door het leven van de heilige Antonius de Kluizenaar, de mythische stichter van de christelijke begrafenis.

Het varkentje is zijn vriendje
Om de positieve relatie tussen het varkentje en Antonius te benadrukken, laat ik nog een paar beelden uit Franse kerken zien van prachtige oprijzende, zich uitstrekkende varkentjes.
Morainvilliers Parochiekerk Saint Léger; 16e eeuw.
Aigle-pierre Kerk. Buste.
Asnières-en-Montagne; Parochiekerk Saint Pierre; 16e eeuw.
Auxon Parochiekerk Notre Dame; 16e eeuw.
Andere metgezellen van Antonius
De verwijzingen naar vroegere sagen en legenden geven al aan dat het varken in gezelschap van Antonius toch vooral positief opgevat moet worden. Het idee dat je bij vrijwel alle populaire pogingen tot iconografische verklaring aantreft, dat het varken symbool zou staan voor het duivelse, of voor de overwinning op de 'lagere' of demonische hartstochten moet dus zonder meer verworpen worden.
Wat daar ook al enigszins op wijst is dat in de sculpturen geregeld het varkentje naast Antonius en een duiveltje onder zijn voet te gelijkerijd afgebeeld worden, en dat zou dan wel erg dubbelop zijn.
Maar wat zeer zeker een hint geeft in de richting van het 'heilige' karakter van het varken, zijn de afbeeldingen en sculpturen op Sicilië waar de metgezel van Antonius een 'putto' is, een mollig cherubijntje in plaats van het varkentje. En putti zijn symbolisch voor de liefde, aards of hemels.
Nicolosi Camporotondo Etneo
Antonius lijkt zo eigenlijk ook een beetje op Sint Nicolaas, die vaak met kleine kinderen aan zijn voeten afgebeeld wordt.

In Frankrijk, in de parochiekerk Saint Didier van Courzieu zien we een beeld van Antonius, uit de 15e eeuw, niet met een engel maar met een kind — een meisje — in plaats van een varkentje!
Ook weer op Sicilië — in Catenanuova — zien we nog weer een andere metgezel van Antonius in plaats van het varkentje, namelijk een arend. Althans daar lijkt 'ie enigszins op. Misschien heeft dit te maken met een lokale folklore.
Gezien de associatie van Antonius met het vuur — zie dat losse stuk vuur hier bij zijn rechtervoet — zou het wellicht ook een phoenix kunnen zijn.

In de parochiekerk Saint Martin in Etalante, Frankrijk, staat dit 17e eeuwse beeld.
Volgens de website is het een beeld van Antonius Abt, maar dat is voor mij nog maar de vraag. Het beeld is natuurlijk hoogst opmerkelijk met zijn twee varkentjes, maar de 'staf' of beter knuppel is wel zeer atypisch, evenals de kerk op zijn linkerhand.
En er zijn meer heiligen tenslotte met een varkentje, zoals hierboven al besproken, en zie ook hieronder.

Tenslotte nog een curieus beeldje in het Huis van Alijn, een voormalig weeshuis, nu museum te Gent. Dit beeldje werd, natuurlijk vanwege de aanwezigheid van het varkentje, al lange tijd geïnterpreteerd als een Antonius, maar Antoon Vanquaethem maakte mij opmerkzaam op een artikel waarin terecht gesteld wordt dat het hier eigenlijk een andere heilige, namelijk Juniperus, betreft.
De houding van de handen van Juniperus zou eigenlijk voor een Antonius beeld al zeer atypisch zijn, en verder ontbreken aan aantal gebruikelijke attributen, maar de duidelijkste aanwijzing is het feit dat het varkentje maar drie pootjes heeft en dit is duidelijk te zien geen breuk, maar bewust zo gemaakt.
Zo kwam men terecht bij broeder Juniperus of Fra Ginepro! En wie is nu die broeder Juniperus?
Hij behoorde tot de eerste volgelingen van Sint Franciscus, een van zijn trouwste metgezellen. Het was wel een zonderling figuur. Zo getuigt volgende anekdote.
Op zekere dag bezoekt broeder Juniperus een zieke medebroeder aan wie hij vraagt of hij iets kan doen voor hem. “’t Zou me aangenaam zijn als ge mij een varkenspoot zou kunnen bezorgen”, zegt de zieke.
Steeds tot een dienst bereid, haalt broeder Juniperus een mes en loopt naar het bos. Daar ziet hij enkele varkens lopen, grijpt er een vast en snijdt het dier een poot af.
Terug in het klooster bereidt hij de varkenspoot en serveert hem aan de zieke broeder. En ‘Juniperus voelde in zijn ziel een grote troost en blijdschap’.
De varkenshoeder die alles gezien had, rent woedend naar het klooster. Broeder Juniperus wordt ernstig berispt door St. Franciscus.
Maar Juniperus legde alles uit ‘met zo grote liefde, eenvoudigheid en nederigheid dat de varkenshoeder geheel van gevoel verandert en wenend op de knieën neervalt voor Juniperus.'
En hij schenkt het ganse varken aan het klooster.
Broeder Juniperus is niet opgenomen bij de Heiligen of Zaligen, maar behoort wel bij de ‘dienaren Gods’.
Duidelijk is wel dat het varkentje hier een heel andere functie heeft dan bij Antonius.
Er zijn nog al wat Antoniusbroederschappen die een voornamelijk gastronomische doelstelling hebben. Deze zouden zich eigenlijk dus beter tot Juniperus — de jeneverbes — kunnen richten.
Zie het hele artikel, juniperus.doc
Voor hedendaagse gebruiken rond het varken van Antonius, zie pagina.
Zoals ik al vermelde, is het meest opmerkelijke ritueel rond de viering van de gedenkdag van Antonius op 17 januari, het slachten van een varken en het consecreren en bij opbod verkopen van de varkenskop, en het eten van varkensvlees. Vooral in de Lage Landen vinden deze offerandes van varkenskoppen plaats. In andere Europese landen, zoals Italië en Spanje, vinden deze offerandes niet plaats, maar wordt er wel varkensvlees gegeten als ritueel onderdeel van de festiviteiten.

Voor varken en zwijn als heilige dieren in Azië, zie de pagina op mijn site

Heeft u informatie over Antonius Abt, of vragen, neem dan contact op met mij: Dolf Hartsuiker