Vita Antonii Abba's Iconografie Vuur Antonianen Kunsten Cultus Folklore Plant Dier Literatuur Paulus Hilarion Maria Simeon Adolphus
Nederlands Frans Italiaans Spaans Portugees Koptisch Duits Orthodox Engels Amerikaans Aziatisch
De iconografie van Sint Antonius
1. Tijdperken, 2. Varken, 3. Vuur, 4. Tau & staf, 5. Klok, 6. Duivel & demonen, 7. Boek & snoer, 8. Hoofd & lijf, 9. Relikwieën

3. Vuur
Hindoe vuur - Perzisch vuur - Egyptisch vuur - Koptisch vuur - Grieks & Romeins vuur - Noors vuur - Germaans vuur - Hemels vuur - Heilig vuur in de Bijbel - De brandstapel van martelaren en het vuur van de ascese - Heilig vuur in de Kerk - Hels vuur in de Bijbel - Het Vagevuur - Het vuur van de Hel - Het vuur van de Apocalyps - Het vuur van Antonius


Zeer vaak wordt Antonius afgebeeld met vlammen aan zijn voeten, of staande in het vuur. Een enkele keer ook is het vuur apart, een soort 'kampvuur', of ook vlammen die uit zijn boek komen, of een flambouw in zijn hand, of een brandende vlam op zijn hand. Ook zijn varkentje staat wel eens in de vlammen. Soms staan er op de achtergrond gebouwen te branden, vaak kerken.
Interessant is wel dat er een duidelijk verschil is tussen het vuur in de toegepaste kunst en dat in de schilderkunst. Bij de sculpturen van Antonius en in de grafische afbeeldingen — illustraties en versierde hoofdletters in manuscripten — staat hij vaak in de vlammen. In de schilderkunst komt dit zo niet voor. Als daar al vuur is, dan is dat veelal een brand of brandend gebouw (vaak een kerk, en zoals op de triptiek hieronder, een Antoniuskerk) op de achtergrond.
Dit vuur lijkt natuurlijk in eerste instantie en oppervlakkig gerelateerd aan de vreselijke Vuurziekte, die ook wel bekend stond als het 'heilig vuur' of als 'hels vuur', maar die toch vooral bekend werd onder de naam Antoniusvuur, nadat Antonius als beschermheilige en genezer van deze ziekte bekendheid verwierf.
Maar net als bij de attributen T, staf en klokje moeten we ons afvragen of het attribuut vuur wel aan een ziekte ontleend zou kunnen zijn, ofwel dat een genezende heilige met dergelijke negatieve symboliek beladen zou kunnen worden.
We kunnen er ook niet vanuit gaan dat Antonius zelf aan de Vuurziekte leed, en bovendien zou hij dan niet in de vlammen staan, maar zouden zijn ledematen branden.
Waarschijnlijker is het dan ook juist andersom en werd Antonius voor de genezing van de ziekte aangeroepen omdat hij al met vuur geassocieerd was.
Er zijn overigens geen Antonius-vorsers (voor zover mij bekend) die wat dieper op dit vuur-attribuut zijn ingegaan, terwijl het toch wel een interessant licht kan werpen op de betekenis van deze heilige, zeker in de Middeleeuwen, maar ook daarvoor.
Bovendien speelt het vuur in de Mediterrane landen tijdens de jaarlijkse vieringen van de gedenkdag van Antonius een enorm grote rol.
Overigens is het met een universeel verschijnsel als verering van het vuur praktisch onmogelijk te achterhalen waar het vuur in de iconografie van Antonius nu precies vandaan komt, maar een verdere bestudering zal in ieder geval bijdragen aan een juister begrip daarvan.
Antonius staat in de vlammen.
Verpillières-sur-Ource; Église paroissiale de la Nativité de la Sainte Vierge; 16e eeuw.
Heilig vuur
Maar eerst even iets over het vuur in zijn algemeenheid.
Vuur staat aan de basis van ons menszijn, het heeft de mens — eerst de beheerser, toen de ‘maker’ van het vuur — mede gevormd. Van de vier elementen, vuur, water, lucht en aarde, was het wel het meest mysterieuze, het meest ongrijpbare element.
Vanaf de primitiefste samenlevingen is het vuur dan ook vereerd. Het betrof dan vaak een ‘eeuwig’ vuur dat niet gedoofd mocht worden. Daarenboven werd vuur altijd geassocieerd met de zon, zelf een godheid, de maan en de sterren, eveneens goden en godinnen.
Hindoe Vuur
In sommige religies is vuur een godheid, zoals Agni in het Vedisch Hindoeïsme. Daarnaast wordt men geacht door middel van offerandes in (en aan) het vuur in verbinding te kunnen staan met de godenwereld, waarbij Agni als boodschapper fungeert.
De godheid Shiva bedient zich van het vuur als wapen, vanuit zijn derde oog, om te vernietigen en zo te herscheppen. En, indien nodig, manifesteert hij zich als kolom van vuur.
Hier rechts zien we Shiva als de goddelijke danser Nataraja, in een krans van vlammen. Door zijn dans bestaat de wereld. Ook zijn attributen verwijzen naar zijn rol in het Hindoe pantheon als Schepper (en Vernietiger om weer te scheppen).
Met het vuur in zijn linkerhand vernietigt hij de wereld en met het trommeltje in zijn rechterbovenhand slaat de god het ritme van de schepping.
Met zijn rechterbeen staat hij op een dwerg, symbool van onbewustheid, of is het een demon? (Daarover meer bij de demonen die onder de voet van Antonius worden vertrapt.)
Shiva Nataraja; Rijksmuseum.
In de Hindoe ascese, zoals we die heden ten dage nog kunnen zien bij de Sadhoes van India, wordt ervanuit gegaan dat de beoefening van ascese 'hitte' veroorzaakt, wat aangeduid wordt met het Sanskriet woord tapas.
Daarnaast onderhouden de Sadhoes ook een heilig vuur, de dhoeni, een smeulend vuur dat letterlijk een centrale plaats in hun leven inneemt. Het dient ook als bron van warmte en om op te koken, maar vooral toch om er dagelijks rituelen mee uit te voeren.
Daarbij is het vuur zowel object van verering — de vuurgod Agni — alsook middel tot offerande aan andere goden.
De Sadhoe hierboven afgebeeld, maakt offerandes aan het vuur ter voorbereiding van een ascetische oefening die bekend staat als de vijf-vuur-ascese (ofwel panch-agni). Op het midden van de dag, omringd door een aantal smeulende koemest vuurtjes, onder de brandende middagzon, doet hij zijn mantra's en meditatie.
Perzisch Vuur
In andere religies is het vuur de belangrijkste godheid of zelfs de enige god, zoals in de religie van de Parsis, het Zoroastrisme. In die godsdienst is het vuur zo heilig dat lijken daarin niet verbrand mogen worden — in tegenstelling tot het Hindoeïsme waar crematie juist wel de aangewezen methode is om de persoon naar het hiernamaals te transporteren — en worden de lijken aan de dieren geofferd in hun ‘Towers of Silence’.
Vuur wordt beschouwd als het oorspronkelijke licht van God (wat toch ook doet denken aan het bijbelse licht van God dat over de wateren zweefde, het begin van alle creatie). Gebeden vinden plaats vóór het vuur, en in de belangrijkste tempels worden gewijde vuren ‘eeuwig’ brandend gehouden.
De dood van Zoroaster in de vuurtempel (detail).
Ik heb dit plaatje gekozen omdat het qua beeld erg doet denken aan Antonius in de vlammen, maar veel verder zal deze associatie toch niet gaan.
"Perzisch Vuur" is overigens ook één van de vele benamingen voor de vuurziekte (mal des ardents) ergotisme, die later werd aangeduid als Antoniusvuur. Maar dat zal eerder een geografische aanduiding zijn — verondersteld land van oorsprong van deze pestepidemie — dan dat het een inhoudelijke, symbolische verwijzing zou zijn naar de religieuze opvatting en het ritueel gebruik van vuur in Perzië.
Egyptisch Vuur
Er zijn in de faraonische godenwereld zeker duidelijke verbindingen met de zon als godheid, en ook het vuur heeft zijn goddelijke representanten.
Er is een goddelijk echtpaar van het vuur (naast hun andere functies), te weten Sekhmet en Ptah.
Sekhmet was een populaire Vuurgodin, die werd afgebeeld als een vrouw met het hoofd van leeuwin en soms met de zonneschijf en/of cobra bovenop haar hoofd. Zij had de macht om de vijanden van Egypte te vernietigen, door hen te doden met de stralen van de zon die zij soms met zich meedroeg.
Haar echtgenoot was de oude god Ptah van Memphis en haar populariteit liep parallel aan die van hem, gedurende alle 3000 jaren van de Egyptische geschiedenis. Ptah zelf was de Egyptische God van het Vuur en de Schepper, die het heelal in zijn geest vormgaf en het met zijn tong tot bestaan sprak. (Dat doet toch wel sterk denken aan "God's woord dat over de wateren zweefde" en "Er zij licht." Zie hieronder.)
Interessant in verband met Antonius’ latere rol — hoewel het me toch te ver lijkt voeren hier een connectie te veronderstellen — is wel dat Sekhmet werd geassocieerd met plagen en hongersnood, en dat zij werd verondersteld genezende krachten te hebben. Verder zien we dat ook bij Sekhmet het Ankh-symbool (dat ik hierboven besprak in samenhang met het Tau-symbool, en toen gedragen door Isis) prominent aanwezig is, en zowel Sekhmet als Ptah dragen een staf, die globaal gezien enigszins aan de staf van Antonius doen denken.
En er zijn onderzoekers die beweren op grond van een overeenkomst in hoofddeksel, dat Ptah en Antonius iets gemeen hebben. (Zie bij Monnikskap.)
Sekhmet Ptah
Een interessante speculatie is verder of de stier Apis, metgezel van Ptah, een voorloper zou kunnen zijn geweest van het varkentje als metgezel van Antonius.
De cultus voor Apis bestond nog in Romeinse tijden.
De heilige stier werd zelfs beschermd door een officiële bodyguard, een lictor.
De verering verdween toen Egypte werd gekerstend, hoewel er een korte heropleving tijdens de regering van keizer Julianus de Afvallige (361-363) plaatsvond, wat gedemonstreerd wordt door de munt (boven links) van Julianus. Dit is dus in de periode net na het overlijden (356) van Antonius.
Koptisch Vuur
De viering van Maskal met een groot vuur herinnert aan het vinden van het Ware Kruis — het kruis waarop Jezus gekruisigd werd — door keizerin Helena, de moeder van keizer Constantijn de Grote in het jaar 328.
Antonius leefde toen nog. Voor Constantijn de Grote zie de bespreking van het X kruis en het T kruis.
Maskal, de ceremonie van het vuur is gebaseerd op de legende dat Helena (later geheiligd tot St. Helena) de rook van brandende wierook volgde tot aan de locatie van het Ware Kruis. Zodra zij het vond, bracht zij haar zoon hiervan op de hoogte door een groot vuur op een berg aan te steken.
De 'Damera', de brandstapel wordt door een groep priesters gezegend, die in processie de Damera drie keer omcirkelen.
De politie jaagt groepen kinderen weg, die te dicht bij het vuur komen, en van wie sommigen zelfs een nog brandende 'souvenir' van de stapel houten palen proberen te grijpen.
Na afloop wordt de as door de gelovigen verzameld en gebruikt om hun voorhoofd met het kruis te merken.
Maskal wordt over heel Ethiopië en Eritrea gevierd.
Heidens vuur
Grieks
In de mythologie van de Griekse goden, Titanen, en de schepping van stervelingen, was Prometheus de wijste Titaan van alle. Zijn naam betekent "voorkennis" en hij kon de toekomst voorspellen.
Prometheus bracht verlichting — fysiek en geestelijk — aan de mensen. Hij stal het vuur van de goden en gaf het aan de mensheid, en bracht zo de macht van warmte en licht naar een donkere en miserabele aarde. Prometheus handelde tegen de uitdrukkelijke wensen van de Olympische Goden in, die de macht van vuur — en de verlichting — voor hun eigen exclusief gebruik wilden houden. Hiervoor strafte Zeus Prometheus door hem aan een rots te ketenen waar een adelaar elke dag een stuk van zijn lever at.

In Italië, in het bijzonder op Sicilië en Sardinië, is er een populaire mythe, waarin de figuur van Sint Antonius als “vuurbrenger” erg sterk lijkt op die van Prometheus. Maar terwijl Prometheus het vuur van de goden en dus uit de hemel steelt, steelt Antonius het uit de hel en dus van de duivel, a.k.a. Lucifer, de lichtdrager. (Voor meer hierover, zie hieronder.)

Prometheus. Jan Cossiers, 17e eeuw.
Een heel wat vriendelijker Griekse mythe betreft de godin Hestia, de zachtaardigste en liefdevolste van alle Griekse goden. Zij was de godin van het haardvuur en de gastvrijheid.
Iedere Griek moest, wanneer er een hulpbehoevende aan de deur kwam, deze binnenlaten en voor het haardvuur laten plaatsnemen.
Zij wordt wel vereenzelvigd met de Romeinse godin Vesta (zie hieronder) en haar gezel was — evenals dat van Vesta — een ezeltje.
 
Een ‘eeuwig’ vuur dat niet gedoofd mocht worden, zien we bij de Romeinen, waar de Vestaalse maagden, priesteressen van de Romeinse godin Vesta, de plicht hadden het eeuwige vuur in haar tempel brandend te houden.
Het heilige vuur op het altaar van de tempel van Vesta symboliseerde de continuïteit van het bestaan van de Staat.
De tempel was rond met een puntig dak, er was geen standbeeld van de godin in tempel.
De Vestaalse maagden moesten maagd blijven tot aan het einde van hun diensttijd van zo’n dertig jaar. Bij hun inwijding werd het haar van de meisjes geknipt en in een boom gehangen. Ze waren gekleed in bruidskleding.
Elk jaar werd er op 1 maart het vuur vernieuwd. Dit deed men door het wrijven van hout. In een latere tijd werd het vuur ook wel ontstoken met behulp van een brandglas.
In andere gemeenschappen onderhielden dorpsmeisjes een vuur in een ronde tempel met hetzelfde doel.
Op 1 maart werd Vesta's heilige dier de ezel vereerd. De ezel symboliseerde het nieuwe jaar.
Behalve voor het vuur droegen de priesteressen ook zorg voor water, afkomstig uit een heilige bron.
De tempel werd in 391 gesloten door een besluit van keizer Theodosius, na de uiteindelijke afschaffing van alle heidense godsdiensten.
De laatste Vestaalse Maagd legde haar functie neer in 394, en het eeuwige vuur werd gedoofd. Zij werd bekeerd tot het Christendom.

Maar als met zoveel heidense goden en gebruiken die werden afgeschaft, moeten we ervanuitgaan dat deze in gekerstende vorm weer opdoken.

Nog meer Grieks en Romeins vuur
Maar zoals wel duidelijk is, zijn de verschillende manifestaties van vuur in de diverse religies door alle tijden heen in dit bestek eigenlijk te veel om op te noemen. De Egyptische, Griekse en Romeinse sectie zou ik dan ook willen afsluiten met een opsomming, nog niet eens kompleet, denk ik:
het Hermesvuur, de bliksem van Cybele, de brandende toorts van Apollo, de vlam op het altaar van Pan; het onuitblusbare vuur in de tempel op de Akropolis; de vuurvlam op de helm van Pluto, de schitterende vonken op de hoofddeksels van de Dioscuren en op het hoofd van de Gorgonen, de helm van Pallas en de staf van Mercurius; de Griekse Zeus Cataibates (de neerdalende) van Pausanias; de dampen van het orakel van Delphi, Vulcanus, Romeinse god van het vuur, de edelsmeden en de vulkanen, smid van de goden, die wordt afgebeeld met een hamer of met een bliksem in de hand.
Noorse en Germaanse goden van het vuur
De vuurreus Surt ("de zwarte") uit de Noordse mythologie bewaakt de toegang tot de vuurwereld Muspellheim met het vlammend zwaard Surtalogi. Met dit zwaard steekt hij de wereld in brand, slingert vuur in alle richtingen en vernietigt alle leven. Als geweldenaar en vernietiger is hij niet echt een kandidaat voor enige invloed op betekenis en iconografie — het vuur aspect met name — van Antonius, temeer daar hij ook de ongewapende Freyr, god van vruchtbaarheid en leven, in een tweestrijd doodt. Juist Freyr, die wel tot op zekere hoogte, een heidens oermodel voor Antonius zou kunnen zijn — zeker voor wat betreft zijn metgezel en rijdier: het zwijn.
De Germaanse god Wodan, die eveneens met vuur geassocieerd wordt, komt ook niet in aanmerking als kandidaat voor enige invloed op de iconografie van Antonius. Maar het is wel interessant om hem in connectie met Antonius te noemen, omdat hij een duidelijk voorbeeld is van een heidense godheid van wie een aantal aspecten door een andere Christelijke heilige zijn overgenomen, te weten Sinterklaas.
Wodan’s metgezel en rijdier, Sleipnir, het paard met acht benen, waarmee hij door het zwerk raast, is de witte schimmel van Sinterklaas geworden, waarmee hij over de daken rijdt. Gekleed in een vuurrode mantel en vergezeld door een houtskoolzwarte bediende, laat hij zijn giften afdalen via (de schoorsteen, een later uitvinding, en) het vuur. De offerandes aan het vuur — dat wil zeggen Wodan — zijn f@llische offerandes (zoals peen en lof) voor het paard van Sinterklaas bij of via het vuur geworden.
Een ander interessant aspect aan de Sinterklaasviering is dat deze is ‘afgezakt’ tot kinderfeest. Oorspronkelijk, in de Germaanse tijd, was het ritueel rond het vuur van Wodan ongetwijfeld een viering voor volwassenen.
Zelfs ook in de eerste eeuwen na de kerstening zal het Sint Nikolaas feest een kerkelijke viering voor volwassenen zijn geweest, waar de kinderen een ondergeschikte rol speelden.
Maar naarmate de oorspronkelijke betekenis steeds verder verloren ging, is ook de betrokkenheid van de ouderen als ‘gelovige’ participanten verloren gegaan.
Dit is een lot dat ook andere ‘heilige’ feesten ondergaan — zoals bijvoorbeeld Sint Maarten (zie hieronder) — en het lijkt ook te gebeuren met de jaardag van Antonius, die nu nog wel door volwassenen (in de kerk) gevierd wordt, maar waarvan het aandeel der kinderen (en het buitenkerkelijke) in sommige dorpen en stadjes groter lijkt te worden.
Tenslotte even een zijpad: het boek van Sinterklaas, waarin alle goede maar vooral slechte daden (van de kinderen!) opgeschreven worden, gebaseerd op informatie van de Zwarte Pieten, is een soort metamorfosn van de zwarte raven, die ook metgezellen van Wodan waren en hem over het gedrag van mensen informeerden.
Het boek is ongetwijfeld een latere Christelijke toevoeging. Zou er enige overeenkomst zijn met het boek van Antonius?
Germaans vuur
De Germaanse vuren zijn tijdens de kerstening in onze contreien meestal aan andere heiligen gekoppeld dan Antonius. Maar zoals we verderop zullen zien, zijn er op zeer veel plaatsen in de Mediterrane landen rond 17 januari grote vuren ter ere van Antonius. Deze zijn in zekere zin gerelateerd aan — of in ieder geval te vergelijken met — de vroegere heidense vuren in midwinter of voorjaar.
Sint Maartensvuur
Hierbij kan je bijvoorbeeld denken aan Sint Maarten (11 november) en het sint maartensvuur. Kinderen van het dorp gaan in optocht met lampions van uitgeholde bieten naar een weiland, waar een groot vuur brand. Dit vuur had oorspronkelijk de functie om het vee en de akkers te reinigen en te beschermen tegen ziekten tijdens de komende winter.
Rond het sint maartensvuur werd samen gedronken en in Limburg werden er koeken gegeten van boekwijtmeel, de zgn. bookeskook.

Midwintervuur
Een soortgelijke functie hadden ook de heidense vuren die vanouds met Joel — midwinter — werden aangestoken. Ten dele was dat om de terugkeer van het licht te vieren, maar vuur heeft ook een transformerende werking.
Het vuur heeft de vonk van het goddelijke in zich, de vonk die elk jaar opnieuw na de winter Moeder Aarde zal bevruchten.
Daarom werd met Joel een groot blok eikenhout verbrand, het joelblok. De as hiervan werd over de akkers gestrooid. Het vuur vernietigt de vruchtbaarheid van de eik niet, maar transformeert en verjongt deze groeikracht om ook in het nieuwe voorjaar weer de vegetatie te laten groeien.
Paasvuur
Het Europese heidense voorjaars-vuur werd gekerstend tot Paasvuur.
Dit vuur werd ontstoken ter verering van Ostara, de Germaanse godin van de dageraad, het voorjaar en de herrijzende natuur.
Het Ostarfeest (paasfeest) werd in het voorjaar gevierd; het was de viering van de dag- en nachtevening van de lente. Zowel het Engelse als het Duitse woord voor Pasen, respectievelijk Easter en Ostern, komen van haar naam. Ook het woord 'oosten' is aan haar naam ontleend of eraan verwant. Dit verklaart ook haar relatie met de zonsopkomst, iedere ochtend in het oosten.
Tijdens haar feest brandde het reinigend vuur, waar mensen overheen sprongen. Ze helpt iedereen die in wanhoop of angst bij haar komt. Ze wordt ook wel vereenzelvigd met Valfreya, de Vrouwe van de Strijd. Ze bezit toverkracht, waardoor ze de nachtelijke hemel kan berijden. Ze leidt de zielen van de gevallenen en van hen die een goed leven hebben geleid naar hun rustplaats. Ze bewaakt een fontein die het water van de wedergeboorte bevat.
Ostara met zwaan en haas
Andere overblijfselen van de Ostara verering zijn het geloof dat het ochtendwater (dauw) op paasochtend geneeskrachtige eigenschappen bezit, het versieren van eieren en de paashaas.
Ostara's heilige dier, de haas, staat symbool voor de vruchtbaarheid. Het ei of paasei was het symbool van Ostara's baarmoeder. Ze waren roodgeverfd, als uitbeelding van bloed, en men legde ze op graven om de doden kracht te geven.
In die tijden was het Paasfeest ook in onze contreien het begin van het nieuwe jaar. Later is dat verplaatst naar Januari, en werd het aan het midwinter-vuur gekoppeld. (Zie ook de pagina over het varken waar ik het Joel-feest noemde in verband met de offerandes van zwijn of varken.)
De Boakenbouwers van Espelo bouwden deze brandstapel voor het paasvuur.
In de Hindoe cultuur en kalender wordt het nieuwe jaar nog wel in het voorjaar met volle maan gevierd. De oude heks Holika wordt dan in vuren verbrand, en de volgende dag wordt het Holi feest gevierd, waarbij de mensen elkaar nat spuiten (met f@llische spuiten) of gooien met gekleurd water in een duidelijk vruchtbaarheidsritueel.
Hemels vuur
Paasfeest
Het Paasfeest werd getransformeerd in het feest van de wederopstanding van Christus, en wordt in die vorm sinds 1091 gevierd. Het is het enige Christelijke feest dat nog een relatie onderhoudt met de maanstand, een ‘heidens’ overblijfsel. Het wordt gevierd op de zondag volgend op de eerste volle maan vanaf het begin van de lente (20/21 maart). Overigens valt Pasen in de Orthodoxe kerken zoals de Grieks Orthodoxe kerk om de zoveel jaar, dus niet ieder jaar, samen met dat van westerse kerken. De Orthodoxe kerken volgen nog de Juliaanse kalender en niet de Gregoriaanse kalender, die 1582 werd ingevoerd.
In vroeger tijden was de Grote Paaswake, die duurde van de zonsondergang op zaterdag tot de zonsopgang op Paaszondag, de heiligste dienst van het kerkjaar.
Gedurende de nacht werden verhalen uit de heilige schrift gelezen. Met het ochtendlicht vonden de doop en de definitieve communie plaats. Er werd (en wordt) dan een vuur ontstoken van de palmbladeren van het palmpasen. En hiermee wordt een paaskaars ontstoken die voor de Mis de kerk wordt binnengedragen.
De as van het paasvuur wordt dan het volgend jaar gebruikt voor het askruisje op Aswoensdag — wat een heidense, gekerstende rituelen!.

De paaskaars, het symbool van de verrezen Christus, wordt gewijd tijdens de Paaswake. De paaskaars is rijk aan symbolen: de vlam verwijst naar Christus, het Licht van de wereld (Lumen Christi). In de kaars zijn vijf wierookkorrels in kruisvorm gestoken; zij verbeelden de vijf wonden van Jezus in handen, voeten en hart. De alfa en omega, de eerste en de laatste letter van het Griekse alfabet, symboliseren Christus als het begin en het einde van alles. De afbeelding van brood en druiven verwijst naar het breken en delen van brood en wijn. Op de kaars staat het jaartal vermeld. De paaskaars staat op het koor, en wordt gebruikt bij de doopselviering en de uitvaartliturgie.
Heilig vuur in Jeruzalem
Elk jaar tijdens het Orthodoxe Paasfeest, op Paaszaterdag, vindt het "Mirakel van het Heilige Vuur" plaats in de Kerk van de Heilige Sepulcher in Jeruzalem. De ceremonie rond dit Mirakel vormt de oudste ongebroken Christelijke ceremonie in de wereld, want de rite van het Heilige Vuur dateert van de vierde eeuw, toen Helena, de moeder van keizer Constantijn de Grote, de Kerk van de Heilige Verrijzenis in Jeruzalem bouwde (327).
De ceremonie begint wanneer de Patriarch de Sepulcher-kapel met twee (niet-brandende) kaarsen binnengaat en voor de steen knielt waarop Christus na zijn dood werd gelegd.
Hij zegt bepaalde gebeden, en het mirakel gebeurt. Er komt een licht uit de kern van de steen: een blauw, ondefinieerbaar licht dat na enige tijd de twee kaarsen van de Patriarch ontsteekt evenals enkele olielampen. Dit licht is het "Heilige Vuur", en het spreidt zich uit naar alle mensen die in de kerk aanwezig zijn.
Elk jaar beweren gelovigen dat dit wonderbare blauwe licht vanzelf de kaarsen aansteekt die zij in hun handen houden. Gesloten olielampen beginnen vaak spontaan te branden vóór de ogen van de pelgrims. Men ziet de blauwe vlam zich op verschillende plaatsen in de kerk bewegen.
   
Vuur dat de hand niet verbrand   Wassen met het Heilige Vuur   Lichten die verschenen terwijl het Heilige Vuur neerdaalde
Na het ontvangen van het Heilige Vuur, geeft de Grieks-orthodoxe Patriarch de vlam door aan de Armeense en Koptische metropolitanen, die het overdragen aan de overige gemeenschappen, die het op hun beurt weer aan hun eigen mensen doorgeven. Van daar gaat het naar bijna elke hoek van de Orthodoxe wereld.
Olympic Airways helpt de Orthodoxen om de vlam naar vele landen te brengen vooral naar Alexandrië in Egypte en naar Rusland, maar ook naar Georgië, Bulgarije, en de VS.
Heilig vuur in de Bijbel
Het bijbelse vuur is soms een Hemels vuur, zoals in de citaten hieronder, maar toch meestal een Hels vuur, zoals ik verderop nog zal weergeven.
Exodus 19:18. De Sinaï was geheel in rook gehuld, omdat de Heer in vuur was neergedaald. De rook steeg omhoog als de rook van een smeltoven.
Matteüs 3:11. [Johannes de Doper spreekt:] Ik doop u in water met het oog op bekering. Maar Hij die na mij komt, is krachtiger dan ik. Ik ben te min om Hem zijn sandalen te brengen. Hij zal u dopen in heilige Geest en vuur.

Handelingen 2:1-4 Toen de dag van Pinksteren aanbrak, waren zij allen op één plaats bijeen. Plotseling kwam er uit de hemel een geraas alsof er een hevige wind opstak, en het vulde heel het huis waar zij waren. Er verschenen hun vurige tongen, die zich verspreidden en zich op ieder van hen neerzetten. Zij raakten allen vol van heilige Geest en begonnen te spreken in vreemde talen, zoals de Geest hun ingaf.

Vurige tongen
2 Tim. 1,6. Daarom bind ik u op het hart om het vuur aan te wakkeren van Gods genadegave, die in u is door de oplegging van mijn handen.
Op het borduurwerk (rechts) stijgen de vlammen op uit de Bijbel,
met daaronder een tekst uit Heb. 1,7.
Who makes His angels spirits and His ministers a flame of fire...

Hij die zijn engelen tot stormwinden maakt en zijn dienaren tot laaiend vuur...
 

Bij de Heilige Hildegard von Bingen (1098 - 1179) (links) komen de vlammen uit haar hoofd. Ze heeft een lofzang op het Heilig Vuur — Ignis Spiritus — geschreven, waarvan ik hier twee strofen citeer.

O Holy Fire which soothes the spirit
life force of all creation
holiness you are in living form
You are a holy ointment for perilous injuries
You are holy in cleansing the fetid wound.

O breath of holiness
o fire of loving
o sweet taste in the breast
You fill the heart
with the good aroma of virtues.

Het Bijbelse licht mogen we toch ook in eerste instantie wel zien als vuur, het vuur van de creatie dat volgt op de Logos, zoals in Genesis 1,2-5.
De aarde was woest en leeg; duisternis lag over de diepte, en de geest van God zweefde over de wateren.
Toen zei God: ‘Er moet licht zijn!’ En er was licht. En God zag dat het licht goed was. God scheidde het licht van de duisternis; het licht noemde God dag, en de duisternis noemde Hij nacht.
De brandstapel van martelaren en het vuur van de ascese
De afbeeldingen van Antonius staand of zittend in de vlammen doen denken aan de Middeleeuwse afbeeldingen van martelaren op de brandstapel.
En in de tijd van Antonius, toen de vervolgingen door de Romeinse keizers zo'n beetje ten einde liep, werd de zelfgekozen ascese vaak op één lijn gesteld met het martelaarschap.
Zo lezen we in de Vita:

[§ 46] Hij verlangde ernaar het martelaarschap te ondergaan, maar omdat hij zichzelf niet wilde uitleveren, verleende hij bijstand aan de belijders in zowel de mijnen als de gevangenissen.
[§ 47] Toen tenslotte de vervolging ten einde was ... vertrok Antonius en trok hij zich weer terug in zijn kluizenaarscel. Daar was hij dagelijks een martelaar voor zijn geweten en hij streed de strijd van het geloof. Want hij beoefende veel en nog strenger ascese...

(Links) Detail van een paneel waarop verschillende scènes uit het leven van de heilige Lucia worden afgebeeld.
Lucia was een jonge vrouw die in de stad Syracuse op Sicilië leefde omstreeks het jaar 300, tijdens het bewind van de Romeinse keizer Diocletianus. Ze was er één van de christelijke martelaren die door de Romeinen vervolgd werd. Van de schilder is alleen bekend dat hij in de late 15de of vroege 16de eeuw in Haarlem of omgeving moet hebben gewerkt. Rijksmuseum.
Op de afbeelding (rechts) stijgen er ook vlammen op vanonder het varkentje, wat mij daarom sterk doet denken aan het louterende vuur van de ascese, wat ik hierboven al noemde, het vuur dat gegenereerd wordt door de ascese (door sublimatie van vooral de se+uele energie) , wat in de Hindoe ascese wordt aangeduid met tapas. Of een dergelijke opvatting van 'hitte' in de Christelijke ascese ook bestaat, weet ik (nog) niet.
Het tweede dier op de afbeelding (rechtsboven), achter Antonius — ook met een klokje — met de hand van Antonius op zijn kop, lijkt meer op een leeuw (die van Paulus?), maar wel braaf en getemd.
Het lijkt een paradox, maar de asceet die de normale genoegens en genietingen van het menselijk bestaan afwijst, of zelfs zichzelf pijnigt, moet toch gezien worden als de ultieme genotzoeker. De mystieke extase staat — voor hen in ieder geval — aan de top van de piramide van genietingen, maar de vraag blijft natuurlijk, hoeveel van deze asceten de top halen.
Aldous Huxley zegt er het volgende over

... de lichamelijke penitentie, vaak tot in het extreme doorgedreven, [is] eeuwenlang een algemeen gebruikelijke praktijk geweest in de Roomse Kerk. Hier waren twee redenen voor, de ene van leerstellige, de andere van psychofysiologische aard. Voor velen was zelfbestraffing een substituut voor het vagevuur. De keus was tussen kwelling nu en veel ernstigere kwelling in de postume toekomst. Maar er waren nog andere, duisterder redenen voor lichamelijke strengheid. Voor mensen die zelfoverstijging ten doel hebben vormen vasten, slapeloosheid en lichamelijke pijn 'vervangingsmiddelen' (om maar eens een woord te ontlenen aan de farmaceutische wetenschap van vroeger); zij brengen een verandering van toestand teweeg, maken de patiënt anders dan hij was. Op lichamelijk niveau kunnen deze alternatieven, indien excessief toegepast, op een neerwaartse zelfoverstijging uitlopen, op ziekte en zelfs ... op voortijdige dood. Maar onderweg naar deze weinig wenselijke vervulling of anders in gevallen dat zij met mate wordt toegepast, kan lichamelijke strengheid omgevormd worden in een instrument tot horizontale en zelfs opwaartse zelfoverstijging.
Als het lichaam hongerig wordt treedt er dikwijls een periode van ongebruikelijke mentale luciditeit in. Gebrek aan slaap heeft de neiging de drempel tussen het bewuste en het onderbewuste te verlagen. Pijn is, mits niet al te extreem, een tonische schok voor organismen die diep en voldaan zijn weggezonken in de sleur der gewoonte. Indien gepraktiseerd door mensen van gebed kunnen deze zelfbestraffingen werkelijk het proces van opwaartse zelfoverstijging vergemakkelijken. Het komt echter vaker voor dat zij toegang verschaffen niet tot het goddelijk Fundament van alle bestaan, maar tot die bizarre 'psychische' wereld die om zo te zeggen gelegen is tussen voornoemd Fundament en de bovenste, meer personele niveaus van de onderbewuste en bewuste geest. Zij die toegang verkrijgen tot deze psychische wereld — het praktiseren van lichamelijke strengheid lijkt op deze manier op een staatsieroute naar het occulte — verwerven dikwijls vermogens van het soort dat onze voorouders 'bovennatuurlijk' of 'wonderbaarlijk' plachten te noemen.

In de woorden van Antonius:

[§ 34] En zelfs als we ooit de toekomst zouden willen weten, laten we dan rein van geest zijn, want ik geloof dat een in alle opzichten reine ziel, die in haar natuurlijke toestand verkeert, helderziend is en in staat is meer en verder te zien dan de boze geesten, omdat zij de Heer heeft die het haar openbaart.

Hoewel er veel manieren waren voor martelaren om de marteldood te ondergaan — en in de tijd van Antonius was de brandstapel waarschijnlijk niet eens de populairste — waren de vlammen als iconografisch symbool van martelaarschap wel heel beeldend.
Op de afbeelding (links en rechtsonder) staat St. Agnes tussen de vlammen. Het wonder evenwel is dat deze vlammen haar niet kunnen deren.
In dat opzicht lijken de afbeeldingen van Antonius hier wel enigszins op: hij staat in de vlammen maar hij brandt niet!
Het doet ook denken aan het godsoordeel door vuur: het offer wordt geweigerd want de persoon die moet branden is onschuldig.

Nu was het helemaal niet zo makkelijk om Agnes klein te krijgen. Een korte samenvatting van haar legende maakt dat duidelijk.
De Heilige Agnes werd in 291 geboren en groeide op in een Christelijke familie.
Toen Agnes 12 jaar oud was, wilde een prefect dat ze met zijn zoon zou trouwen, maar ze weigerde omdat ze al ‘getrouwd was met haar hemelse echtgenoot’.
Daarom veroordeelde de prefect haar ter dood. De Romeinse wet echter stond de executie van maagden niet toe, zodat hij de opdracht gaf om haar vooraf in een bordeel te laten verkrachten, maar haar maagdelijkheid bleef op wonderbaarlijke wijze bewaard. Zij werd meegenomen naar een Romeinse tempel van Minerva, om haar te dwingen tot heidense afgoderij, maar zij maakte het Teken van het Kruis.
Daarna werd ze op de brandstapel geplaatst, maar het vuur had geen vat op haar; tenslotte werd ze als tovenares onthoofd.
Zij onderging het martelaarschap op de leeftijd van 13, op 21 Januari 304.
Acht dagen nadat ze was begraven in de catacomben, werd zij gezien in een gouden kleed, met een verlovingsring van Jezus Christus aan haar vinger en aan haar rechterzijde een wit lam.
Heilig Vuur in de Kerk
Brandend Hart
Het brandende hart met de doornenkroon en het kruis symboliseert de liefde van Christus die zich tot het uiterste heeft gegeven. De stralennimbus verwijst naar de heerlijkheid waarin Hij na zijn kruisdood is opgenomen.
Door de mystieke verschijning van Jezus aan de H. Margaretha Maria Alacoque (+1690) in het klooster van de Visitandinnen te Paray-le-Monial in Bourgondië, werd aan de verering van het Heilig hart in de middeleeuwse mystiek een nieuwe uitstraling gegeven. De devotie werd vooral gesteund door de Orde van de jezuïeten en bereikte een hoogtepunt in de 19de eeuw en van de eerste helft van de 20ste eeuw.
De echte Koningin van de vrede en Haar ware Onbevlekte Toorts van Liefde en Genade!
Kaarsen
Op het paasvuur na, is van al dit gebruik van vuren in de kerk eigenlijk niet veel meer overgebleven dan het branden van kaarsen.
De gelovige ontvangt bij de doop en het sterven en andere gelegenheden een kaars, omdat licht het symbool is van de Christenen die ‘licht zijn door de verbondenheid met de Heer, en leven als kinderen van het licht’ (Efeziërs 5,8).
Kaarsen worden gewijd op Lichtmis (2 februari), het feest van de Opdracht van Jezus in de tempel, waarbij Simeon Hem noemt: ‘een licht dat een openbaring zal zijn voor de heidenen en een glorie voor uw volk Israël’ (Lucas 2,32).
Kaarsen branden als dank of als smeekbede voor Antonius.
Godslamp
Opgehangen in het koor of staande bij het tabernakel waar het H. Sacrament wordt bewaard, brandt de Godslamp of het eeuwige licht als teken van de aanwezigheid van Christus en de waakzaamheid van de Christenen: ‘Houd je lampen brandend’ (Lucas 12,35).
Het vlammetje, dat brandt op bijenwas of olijfolie, verwijst ernaar, dat Christus sacramenteel aanwezig is in het tabernakel. Want daarin staat de ciborie (kelk) met de heilige reserve van de geconsacreerde hosties. Wanneer de ciborie — zoals bijvoorbeeld op Goede Vrijdag — naar een zijaltaar is gebracht, en de deuren van het tabernakel open staan, wordt ook het lichtje van de godslamp gedoofd.
Wierook
Waar rook is, is vuur, dus sluit ik deze paragraaf over het heilige vuur af met gewijde rook, wierook.
Wierook komt uit het Oosten, en werd al duizenden jaren voor Christus gebruikt, oorspronkelijk als reukoffer dat tot doel had de goden gunstig te stemmen. De geur en gebed stijgen met de rook omhoog. De Oostelijke herkomst van wierook blijkt ook uit het Bijbelse verhaal rond de geboorte van Jezus, dat vertelt van de Drie Koningen uit het Oosten die onder andere wierook schenken.
Vanaf de godsdienstvrede van keizer Constantijn (313) werd wierook in de liturgie gebruikt als eerbetuiging aan het altaar en de bisschop, wat werd uitgebreid tot alle aanwezigen. Later kreeg het de betekenis van het gebed dat opstijgt naar God's troon.
Wierook is ook symbool voor God's heerlijkheid en aanbidding. Bij de uitvaart wordt het stoffelijk overschot van de overledene bewierookt als eerbetoon en als een gebed om het opstijgen naar de hemelse heerlijkheid.
Hels vuur in de Bijbel
Het vuur in de Bijbel is vaak een Hels Vuur, een vuur van vernietiging, het vuur van de Apocalyps, van Armageddon. Waarschijnlijk wordt het vuur vaker in die negatieve betekenis gebruikt dan als 'hemels' vuur (het zal wel geteld zijn), maar ik zal hier slechts een beperkt aantal citaten geven.
Gn 19,23-25. Zodra de zon was opgegaan en Lot in Soar was aangekomen, liet de Heer uit de hemel zwavel en vuur over Sodom en Gomorra regenen. Hij verwoestte die steden en de hele streek, met alle bewoners en alles wat er groeide.

Job 18,15. Zijn tent wordt in brand gestoken, zwavel wordt op zijn woning gestrooid.

Ez 38,22. Ik straf hem met pest en dood; regen en hagel, vuur en zwavel laat Ik neerkomen op hem, op zijn troepen en op al zijn bondgenoten.

Lc 12,49. Ik kwam om vuur op aarde te brengen en wat zou Ik graag willen dat het al brandde.

Hnd 2,19. Ik zal wonderen verrichten aan de hemel boven en tekenen op de aarde beneden: bloed en vuur en walmende rook.

Centraal paneel triptiek (detail): Verzoeking van St. Antonius. Hiëronymus Bosch, 1500.
De kerk die hier brandt, is te oordelen naar de T-vormige torenspits, een Antonius kerk.
Als Antonius zelf geen vuur 'draagt', is het vaak wel elders in de afbeelding aanwezig.

Het Vagevuur
De Vuurziekte werd aanvankelijk ook wel Ignis Infernalis genoemd — Hels Vuur — voordat het bekend werd als Antoniusvuur.
Nu doen sommige afbeeldingen van Antonius staande in de vlammen zeker denken aan de Middeleeuwse afbeeldingen van mensen in het hellevuur of vagevuur.
Het vagevuur is een vuur van loutering; het hellevuur is een vuur van straf.
Maar aan de andere kant kan je je niet goed voorstellen dat een heilige als Antonius enige tijd in het vagevuur zou moeten doorbrengen — hij was toch al gelouterd door zijn ascetische levenswijze.
Maar zeker weten doe je het toch niet, want de Kerk leert dat zelfs zij “die in de staat van genade zijn” (d.w.z. gered en van hun zonden vergeven) nog altijd een onbepaalde tijd in het vagevuur moeten doorbrengen om gezuiverd te worden.
Een verschil in de afbeeldingen is wel dat de zondaars in vagevuur en hel naakt zijn, terwijl Antonius met zijn kleren aan in de vlammen staat. Dus het lijkt onwaarschijnlijk dat die vlammen het vagevuur zouden verbeelden.
Alhoewel van heidense origine werd de doctrine van het vagevuur voor het eerst geconceptualiseerd in de belijdende kerk van de 2de eeuw. De Roomse kerk kondigde dit af als geloofsartikel in 1439 op het Concilie van Florence en het werd bevestigd door het Concilie van Trente in 1548. Hoewel het idee en de leer niet op de Bijbel zijn gebaseerd ( en dus eigenlijk niet 'Christelijk' zijn), kunnen zij die in het vagevuur zitten toch geholpen worden door de gebeden en goede werken van hen die op aarde zijn (inbegrepen het ‘kopen’ van missen en/of andere aflaten).
1 Kor 3,12-13. Of men nu op deze grondslag verder gaat met goud, zilver, kostbare stenen, of met hout, hooi en stro, ieders werk zal aan het licht komen. De oordeelsdag zal het aantonen, want die verschijnt met vuur, en het vuur zal uitwijzen wat ieders werk waard is.
Enigszins aan het vagevuur gerelateerd is de vuurproef.
Men veronderstelde dat door ingrijpen van God — het godsoordeel — de schuld of onschuld van voor het gerecht gedaagde personen kon worden vastgesteld. Bij het godsoordeel in de vorm van een vuurproef liet men de beklaagde over gloeiende kolen lopen of een heet voorwerp vastnemen. Hierdoor zou de beklaagde brandwonden oplopen. Zijn schuld of onschuld hing dan af van het al dan niet goed genezen van die wonden.
Deze praktijk kwam in het Westen vaak voor gedurende de middeleeuwen, maar bestond eerder ook al bij de Germaanse stammen. De godsoordelen werden vooral gebruikt bij de berechting voor tovenarij of hekserij.
Een enigszins afwijkende vorm van de vuurproef zien we op het schilderij rechts, waar Sint Franciscus door het vuur wil lopen met als doel de Sultan van Egypte te overtuigen en te bekeren (in 1219).
De vuurproef van Sint Franciscus. 1296. Giotto di Bondone (1266 - 1337).
San Francesco, Assisi, Italië.
En als voorproefje op het vagevuur kende men natuurlijk voor heksen en ketters de brandstapel.
Het verbranden van veroordeelden heeft een lange geschiedenis.
Niet alleen tijdens de opkomst van de reformatie in de kerk tijdens de late middeleeuwen en met als hoogtepunt de 16' eeuw. De katholieke kerk heeft toen deze wrede doodstraf talloze keren goedgekeurd in de betrachting om de revolutionaire reformatie de kop in te drukken. De vuurdood is mede daardoor hoofdzakelijk het sterkst verbonden met de bestrijding van het protestantisme.
De verbranding van 'ketters' staat echter niet los van een oeroud denkpatroon. Men geloofde al sinds mensenheugenis dat vuur een zuiverend element was tegen demonen en boze geesten. De Germanen geloofden dat in het vuur een godheid leefde. Op deze manier offerde men de veroordeelde aan de vuurgod die de misdadiger consumeerde en verteerde. De bedoeling was de gemeenschap te beschermen tegen boze geesten en de duivel.
Heksenverbranding in Amsterdam in 1549. Jan Luyken.
Over Antonius en heksen op de pagina's: De invloed van Antonius op monniken en kerkvaders; De iconografie van Sint Antonius Abt, Duivel en demonen; De iconografie van Sint Antonius Abt, Vuur.
Het vuur van de Hel
De naam “hel” komt van het Germaans. In de Germaanse mythologie was Hel de koningin van de onderwereld (vrouw Holle in de sprookjes van Grimm). Zij had haar burcht in het diepste punt van de wereld. Dit punt heette, net als de burcht, Niflhel (Nevelhel) en dit was de plek waar alle doden naartoe gingen, ongeacht of zij goed of slecht geleefd hadden.
Voor de leefwijze in Niflhel hing het er wel vanaf hoe je geleefd had. Voor de zondaars was het er een straf.
Naast Hel’s rijk was er nog een ander dodenrijk, het Walhalla. Zij die dapper gevochten hadden op het strijdveld en waren gesneuveld werden door de Walkuren uitgekozen om naar het Walhalla te gaan.
Het begrip hel komen we veel tegen binnen het christendom, de islam en het jodendom. Na te zijn gestorven, zouden de zielen naar het hiernamaals gaan. Conform je vroomheid, eerlijkheid, kuisheid enzovoort wordt er door een hogere macht beslist of je naar de hemel mag of dat je naar de hel moet.
De hel is het tegenovergestelde van de hemel, namelijk een verblijf in afwezigheid van God.
Het christelijke concept van de hel omschrijft de hel als eeuwig, net zoals de hemel. De hel wordt derhalve ook wel "eeuwige straf" of "eeuwige verderfenis" genoemd. Uit de hel is geen bevrijding mogelijk.
Mc 9,47-48. Als je oog je ten val brengt, ruk het dan uit; je kunt beter met één oog het koninkrijk van God ingaan dan met twee ogen in de hel gegooid worden, waar hun worm niet van ophouden weet en het vuur niet dooft.
Het vuur van de Apocalyps
Als Antonius zelf niet in het vuur staat, komt er op veel schilderijen toch nog vaak een vuur op de achtergrond voor. Zoals we hierboven al zagen op de triptiek van Bosch, een gebouw dat in de brand staat, zeer vaak een kerk of kapel. De 15e en 16e eeuw waren (of werden in ieder geval beleefd als) apocalyptische tijden. Hieronder een beperkt aantal citaten van vurige apocalyptische beelden in de Bijbel.
Apk 9,17-18. En aldus zag ik in mijn visioen de paarden en hun berijders: de ruiters droegen vuurrode, grijsblauwe en zwavelgele harnassen, en de koppen van de paarden waren als leeuwenkoppen, en uit hun bek kwamen vuur en rook en zwavel. Door deze drie plagen werd een derde deel van de mensen gedood, door het vuur en de rook en de zwavel die uit hun bek kwamen.

Apk 14,9-10. Iedereen die het beest en zijn beeld aanbidt en het merkteken op zijn voorhoofd of zijn hand laat aanbrengen, die zal ... zal gepijnigd worden met vuur en zwavel, ten aanschouwen van de heilige engelen en van het lam.

Apk 19,20. Maar het beest werd gegrepen, en samen met hem de valse profeet die voor hem de tekenen had verricht, waardoor hij de mensen misleidde die het teken van het beest aannamen, en die zijn beeld aanbaden. Levend werden ze allebei in de vuurpoel geworpen die gloeit van zwavel.
De verzoeking van St. Antonius (ca. 1526) Jan Wellens de Cock. Fine Arts Museums of San Francisco
Apk 20,9-10. En zij rukten op over de volle breedte van de aarde, en zij omsingelden de legerplaats van de heiligen en de geliefde stad. Maar vuur viel neer uit de hemel en verteerde hen. De duivel, die hen misleid had, werd in de poel van vuur en zwavel geworpen, waarin ook het beest is en de valse profeet. En zij zullen dag en nacht gepijnigd worden, tot in alle eeuwigheid.

Apk 21,8. Maar de lafhartigen, de trouwelozen, de verdorvenen, de moordenaars, de hoerenlopers, de tovenaars, de afgodendienaren en alle leugenaars, hun deel is in de poel die brandt van vuur en zwavel. Dit is de tweede dood.
La Tentation de Saint Antoine. Pieter Huys (1547). Louvre
Het vuur van Antonius
Antonius en het Antoniusvuur
Vaak wordt verondersteld dat het vuur op de afbeeldingen van Antonius in eerste instantie gerelateerd zou zijn aan het Antoniusvuur, de ziekte veroorzaakt door egotisme.
Maar eigenlijk ben ik nog maar één afbeelding van Antonius tegengekomen waarop die connectie duidelijk te zien is, namelijk de prent hier rechts, waar de lijder aan het Antoniusvuur zijn vlammende hand ophoudt naar Antonius.
Antonius staat zelf ook nooit in brand en als heilige genezer vertoont hij ook zeker geen andere symptomen van de Vuurziekte.
Gezien ook de vele andere afbeeldingen van Antonius met heel andere betekenissen van het vuur lijkt het mij dan ook waarschijnlijker dat de oorspronkelijke associatie van Antonius met het vuur al van lang vóór die functie stamt. Dit blijkt onder andere ook uit de mythen zoals die in de landen rond de Middellandse zee verteld worden, waar Antonius met behulp van zijn varkentje het vuur uit de hel steelt (zie hieronder).
Dus was het — weer eens — precies andersom, en werd Antonius voor de genezing van de Vuurziekte aangeroepen juist omdat hij al met vuur geassocieerd was.
En van alle associaties die ik hierboven genoemd heb, zijn dan die van het vuur van martelaarschap en die van het vuur van de heilige geest de meest waarschijnlijke kandidaten, hoewel ook de "prometheaanse" functie een belangrijke rol gespeeld kan hebben.
Hans Wechtlin. (c. 1517). U.S. National Library of Medicine (Bethesda).
Antonius heeft een correcte haardracht en gevorkte baard. Hij heeft een T op de schoudermantel. Hij heeft een lange gestileerde T-staf, met gestileerde T, met twee klokjes eraan hangend, in de linkerhand. Hij lijkt te lezen in een boek op de rechterhand. Zijn varkentje, met klokje aan een oor, staat achter hem, enigszins neerwaarts kijkend.
Antonius (met zijn varkentje) als brenger van vuur en licht
Zoals ik hierboven al zei, wordt Antonius in Italië, en in het bijzonder op Sicilië en Sardinië, als “vuurbrenger” gezien, waarin hij sterk lijkt op Prometheus. Maar terwijl Prometheus het vuur van de goden en dus uit de hemel steelt, steelt Antonius het uit de hel en dus van de duivel, a.k.a. Lucifer, de lichtdrager.

De legende gaat ongeveer als volgt.
De aarde is bedekt door sneeuw en ijs en de mensen leiden kou, en ze smeken Antonius om hen te helpen. Dat wil hij wel doen, en vergezeld van zijn trouwe metgezel het varkentje klopt Antonius bij de hellepoort aan.
De demon die de poort opent, zegt, “Hé, jij bent Antonius. Je bent veel te heilig, ik kan je niet binnenlaten in de hel, maar het varkentje mag wel naar binnen.” Maar zodra het varkentje binnen is begint het enorm veel stennis te maken, zodat de hele hel in rep en roer raakt. De demonen kunnen het ook niet te pakken krijgen, en vragen uiteindelijk aan Antonius om de hel binnen te gaan om zijn varkentje te vangen. Dat doet Antonius, en onopgemerkt slaagt hij erin een brandend kooltje te stelen, of — in een iets andere versie — zijn staf aan te steken. Antonius en zijn varkentje keren terug naar de aarde om het vuur aan de mensen te geven.
Daarom wordt hij “Antonius van het vuur” genoemd, en worden er elk jaar aan de vooravond van zijn jaardag in Italië te zijner ere grote vuren ontstoken.
Tevens wijst deze mythe op een bijzondere eigenschap van het varken of zwijn, namelijk als bemiddelaar tussen de aarde en de onderwereld.
In Spanje zijn er ook veel vuren rond Antonius, maar de mythologie daar lijkt — voorzover ik nu weet — niet gerelateerd te zijn aan Prometheus.
Antonius en assistent in de vlammen. Église paroissiale Saint Léger; 16e eeuw.
De manier waarop het Antoniusvuur uitgebeeld wordt (links en rechts), als een fakkel, toorts of flambouw, toont een opvatting van Antonius als de prometheaanse "vuurbrenger" en het Antoniusvuur als licht. Qua vorm doet de toorts denken aan de hedendaagse 'fachie' vuren, zoals we die in Italië zien.
Maar als attribuut van Antonius zien we het op deze wijze voornamelijk in Duitsland. In Frankrijk bijvoorbeeld zien we het zo nauwelijks; in Itallië is het vuur meestal in de hand en/of op het boek (en aan de voeten, natuurlijk) afgebeeld.
Antoniusbeeld op het Hoogaltaar in de kerk van Remsede (Duitsland) 1504
Gotisch beeld in de protestantse kerk van Harpen.
Antonius als genezer met vuur
De vlammen die uit het boek (zie ook boek) opstijgen, lijken toch het meest op de bijbelse "vurige tongen", het vuur van de Heilige Geest, zoals die neerdaalt tijdens Pinksteren, en moeten in ieder geval een positieve betekenis hebben.
Vlammen op / uit het Boek op een schilderij (links) uit Guzco, Peru; op de houten sculptuur (rechts) uit St.-Antoine-l'Abbaye, 17e eeuw; en (midden) een "natuurkundige" uitbeelding daarvan, op een 18e eeuws schilderij uit Napels.
De reinigende, bevruchtende en beschermende eigenschappen van dit vuur van Antonius, blijken uit diverse rituelen, zoals het springen door de vlammen (van mens en dier), het naar huis meenemen van gloeiende kooltjes om de eigen haard aan te steken, het meenemen van de as om over de velden uit te strooien en het gebruik van in dit vuur gebrande kurken om een kruisteken mee op het voorhoofd te maken.
Sant'Antonio Abate; Alessandro Bonvicino, detto il Moretto; 1530 -1534; Santuario della Madonna della Neve, Auro.
Antonius als strijder met vuur
In een aantal, vooral Italiaanse lokale legendes, treedt “Antonius van het vuur” op als beschermer van een gemeenschap door de vijand met vuur te bestrijden.
Zo is er een legende in Rocchetta Sant’Antonio, Italië, waarmee ze de naam van het stadje verklaren, die verhaalt dat tijdens een aanval door barbaren Antonius plotseling verscheen met vuur in zijn hand, en daarmee de vijand verjoeg.
Ik heb er nog geen aparte categorie voor, dus noem ik voorlopig op deze plaats Antonius als wonderdoener en strijder met sneeuw. In Genzano di Lucania (PZ), Italië, op 17 januari van het jaar 554 (!), veroorzaakte Antonius zo'n hevige sneeuwbui dat de wapens van de vijand (Byzantijnse Grieken) onbruikbaar werden en het hen onmogelijk werd zich te verplaatsen. De vijand droop daarop af.
Een iets recentere legende in Fara Filiorum Petri, Italië, is een variant op dit mirakel. Tijdens de invasie door de Fransen in 1799 moesten deze legers door een immens eikenbos trekken dat om Fara heen lag. Plotseling verscheen Antonius gekleed als generaal en beval de vijandelijke troepen niet door het woud te trekken. En om zijn woorden kracht bij te zetten, toverde hij de bomen om tot ontzagwekkende fakkels. In de vorm van de huidige vuren van Fara Filiorum Petri, de “farchie”, is daarvan nog iets terug te vinden, net als de vorm van de vuurspuwende kanonnen uit die tijd daarin te herkennen valt. Maar eigenlijk denk ik dat het gebruik veel ouder is, en dat de farchie een andere mythologische 'oorsprong' zou moeten hebben.
[Zie ook 'hedendaagse vuren']
Antonius als beschermer tegen vuur
In het Vaticaan is Antonius beschermheilige van de Pauselijke brandweer.
In de rest van Italië, evenals in Nederland, is Santa Barbara patroon-heilige van de brandweer. (En verder is zij ook patroon-heilige voor allen die met springstof en mijnbouw te maken hebben.)
In Caino, een dorpje vlakbij Bréscia, vond vrij recentelijk nog een wonder plaats, namelijk de verschijning van Antonius bij een brand, die zich daardoor niet verder uitbreidde.
Het doet denken aan een waarschijnlijk eerder mirakel in Bréscia, waar de plaat hier links naar verwijst, maar daarvan heb ik nog geen gegevens.
Het verslag vermeldt geen precieze datum, maar uit de context is af te leiden dat het in de 20e eeuw moet zijn geweest. Ik geef het hier enigszins verkort weer.
Het was een zondagmiddag en het dorp was praktisch verlaten. De papierfabriek was dicht, de arbeiders waren thuis, en ook veel boeren waren weg, naar de stad om naar de kerk te gaan en zich te vermaken.
In Caino is Antonius overigens niet alleen de patroonheilige van de landbouwers maar ook die van de papiermakers.
Een van de inwoners, een zekere Batisti, ontwaakte uit zijn siësta, en zag een jonge monnik rustig op het dak van de kerk lopen, gekleed in habijt, met wit koord en een open brevier in zijn handen. Batisti dacht dat hij tijdens de lunch teveel gedronken had, maar na nog eens in zijn ogen gewreven te hebben, zag hij de monnik nog steeds. Toen rook hij de scherpe geur van brand.
Hij rende naar een klok (waar is geheel duidelijk) en begon die te luiden.
De mannen van het dorp kwamen aangerend, en toen waren ze allen getuige van die wonderbaarlijke gebeurtenis: het vuur vormde een cirkel rond de kerk, maar de vlammen stegen recht op naar de hemel, en raakten nauwelijks de muren van de kerk.
Er viel nog geen vonk viel op de hooischuur bij de kerk, die ook op wonderbaarlijke wijze intact bleef. Het was alsof de monnik die nog op het dak van de kerk gebeden opzei, een onzichtbare barrière tegen de brand opgericht had.
Op deze prent "Miracolo di S. Antonio fuora di Bresia"; Marseille, MuCEM; vindt een ander wonder met vuur plaats, in Bréscia, in de buurt van Caino, maar het verhaal daarachter ben ik nog niet tegen gekomen.
Toen kwamen de eerste emmers water, van hand tot hand doorgegeven, om het vuur te doven; en de monnik was verdwenen: zijn missie was voorbij.
Er was heel weinig schade, en de mensen zagen in de nederige monnik de heilige Antonius zelf, die hen was komen redden. Uit dankbaarheid werd de kerk van Johannes de Doper ook aan Antonius gewijd en werd er opdracht gegeven voor een schilderij van Antonius.

Voor Antoniusvuur, de ziekte veroorzaakt door ergotisme, zie pagina,
en voor hedendaagse vuren voor Antonius, zie pagina.

Heeft u informatie over Antonius Abt, of vragen, neem dan contact op met mij: Dolf Hartsuiker