Vita Antonii Abba's Iconografie Vuur Antonianen Kunsten Cultus Folklore Plant Dier Literatuur Paulus Hilarion Maria Simeon Adolphus
Nederlands Frans Italiaans Spaans Portugees Koptisch Duits Orthodox Engels Amerikaans Aziatisch
De iconografie van Sint Antonius
1. Tijdperken, 2. Varken, 3. Vuur, 4. Tau & staf, 5. Klok, 6. Duivel & demonen, 7. Boek & snoer, 8. Hoofd & lijf, 9. Relikwieën
6. Duivel en demonen en engelen
God en Duivel - Geesten en demonen - Egyptische demonen - Fenicische demonen - Griekse demonen - Romeinse demonen - Ethiopische jongetjes - Indiase demonen - Duivels en demonen in de Vita van Antonius - Duivels in de woestijn - Duivels in de necropolis - Spookuur - De Bezoekingen van Antonius - Vrouwen en vrouwelijke demonen - De Verzoekingen van Antonius in beeld - Heksen - Exorcisme en genezingen - Wonderen, hemelse stemmen en visioenen - Verlichting - Duivels en demonen in de iconografie van Antonius - Engelen in de iconografie van Antonius - Andere duivels, demonen, draken en drakendoders
God en Duivel
Een demon wordt gewoonlijk opgevat als een 'gevallen engel', 'duivel', of 'boze of onreine geest'.
Oorspronkelijk was daimon een meer neutraal Grieks woord voor afgod en een vertaling van het Hebreeuwse elilim dat vrij vertaald nul of niets betekent. Hiermee werd in het Oude Testament door de profeten die de afgoderij bestreden spottend aangegeven dat degenen die in aanbidding neervielen voor de elilim van 'steen, hout en metaal' eigenlijk 'niets' vereerden.
In de Bijbel wordt verder meegedeeld dat demonen onder leiding staan van de satan of de duivel die als een soort opperdemon kan worden beschouwd.
Voor de inhoudelijke kant van het begrip Duivel, als een entiteit die bijna even machtig is als God, wordt vaak gedacht dat deze van Perzische oorsprong is. In de religie van Zoroaster (1400-600 v.Chr.) staat Ahriman, Heer van het Duister, Ontaarding en Leugen tegenover Ahura Mazda, Heer van het Licht, Goedheid en Waarheid.
Maar Aldous Huxley denkt daar wat genuanceerder over.

Voor christenen is het kwaad geen substantie, geen reëel en elementair principe. Het is louter een gebrek aan het goede, een zijnsvermindering in schepselen die hun essentiële zijn aan God ontlenen. Satan is geen Ahriman onder een andere naam, geen eeuwig principe van de Duisternis tegenover het goddelijke principe van het Licht. Satan is niet meer dan de belangrijkste van een groot aantal individuele engelen die op een gegeven tijdstip verkozen hebben zichzelf van God af te scheiden. Het is slechts een kwestie van beleefdheid dat wij hem de Boze noemen.
Er zijn vele bozen, van wie Satan de voornaamste Uitvoerder is.Duivels zijn personen, ieder met zijn eigen karakter, temperament, nukken, stokpaardjes en eigenaardigheden. Er zijn machtswellustige duivels, wellustige duivels, inhalige, trotse en ingebeelde duivels.
Bovendien zijn sommige duivels belangrijker dan andere; want zelfs in de hel behouden zij de posities welke zij in de hemelse hiërarchie bekleedden voor hun val. Zij die in de hemel gewone engelen of aartsengelen waren zijn laaggeklasseerde duivels van geringe importantie. Zij die ooit Heerschappijen, Vorstendommen of Machten geweest zijn vormen nu de haute bourgeoisie van de hel.

Deze gedachte vinden we ook in de Vita van Antonius:

[§ 22] Vooreerst moeten we wel weten dat de demonen niet als boze geesten — zoals wij dat bedoelen als we ze met dat woord noemen — geschapen zijn. Want God heeft niets slechts gemaakt en zelfs zij zijn goed geschapen, maar zij zijn de hemelse wijsheid ontvallen en sindsdien kruipen ze vernederd rond op aarde. De Grieken hebben ze enerzijds bedrogen met hun vertoningen, terwijl ze vanuit hun afgunst op ons Christenen, alles in beweging zetten om ons de toegang tot de hemelen te beletten, opdat wij niet zouden opstijgen naar de plaats van waaruit zij neergestort zijn.

Overigens wordt in de teksten van Antonius en de woestijnvaders niet of nauwelijks gesproken over hel en vagevuur.

Geesten en Demonen
Frazer in zijn Gouden Tak geeft een zeer lyrische beschrijving van geesten en demonen vanuit het perspectief van de primitieve mens:

We zullen enige moeite moeten doen om ons te verplaatsen in de denkwijze waaruit deze pogingen voortkomen. Omdat wij zijn grootgebracht in een filosofie die de natuur persoonlijkheid ontzegt en haar reduceert tot de onbekende oorzaak van een geordende reeks indrukken op onze zintuigen, is het voor ons moeilijk ons te verplaatsen in de primitieve mens, aan wie dezelfde indrukken zich voordoen als geesten of het werk van geesten. In de loop van de eeuwen is het geestenleger, dat eens zo dichtbij was, steeds verder van ons teruggeweken, door de toverstaf van de wetenschap verdreven uit huis en haard, uit vervallen kluizenaarshutten en met klimop begroeide torens, uit betoverde open plekken in het bos en eenzame meren, uit kolkende inktzwarte wolken die bliksem spuwen en uit de vriendelijker wolkjes die de zilveren maan tot kussen dienen of de gouden avondhemel bezaaien met vurig rode flarden.
De geesten zijn zelfs verdreven uit hun laatste bolwerk in de hemel, waarvan de blauwe koepel nog slechts in kinderogen doorgaat voor het scherm dat de glorie van de hemelse wereld aan het oog van stervelingen onttrekt. Alleen in dromen van dichters of in emotionele uitingen kunnen we af en toe nog een glimp opvangen van het laatste wapperen van de banieren van de terugtrekkende legerschaar, horen we het laatste geruis van hun onzichtbare vleugelslag, de klank van hun spottend gelach of van engelenmuziek die in de verte wegsterft.

Hoe anders is dat bij de primitieve mens! In zijn verbeelding krioelt de wereld nog steeds van die vreemde wezens die door een nuchterder filosofie zijn afgedankt. Zowel wakend als slapend waant hij zich omringd door feeën en kabouters, geesten en demonen. Zij volgen hem op de voet, zij verbijsteren zijn zinnen, zij nemen bezit van hem, zij plagen en misleiden en kwellen hem op duizend grillige en duivelse manieren. De ongelukken die hem treffen, de verliezen die hij lijdt, het verdriet dat hij moet dragen, dit alles wijt hij ofwel aan de hekserijen van zijn vijanden ofwel aan de wrok, de toorn of de grilligheid van de geesten. Hun voortdurende aanwezigheid put hem uit, hun onvermoeibare boosaardigheid maakt hem wanhopig; hij snakt er met onuitsprekelijk verlangen naar helemaal van hen verlost te zijn en keert zich af en toe, in het nauw gedreven en omdat zijn geduld volkomen is uitgeput, fel tegen zijn kwelgeesten en doet een wanhopige poging om de hele meute van zijn land te jagen, om de lucht te zuiveren van hun krioelende aanwezigheid
St. Pachomius en twee duivels
"Gesneden beeld"
Voor de beeldvorming van de Christelijke Duivel en demonen is vooral gekeken naar de voorbeelden van heidense demonen van Egyptische, Fenicische, Griekse en Romeinse afkomst. Overigens werden niet alleen de demonen gezien als duivelse manifestaties: in feite werden alle heidense goden beschouwd als aspecten van de duivel, bedoeld om de mensheid te misleiden, de kant van de afgoderij op te sturen.
De heidense demonen en afgoden vormen een haast onafzienbare rij. Wat ze gemeen hebben is dat het ‘monsterlijke’ combinaties zijn van dierlijke en menselijke lichaamsdelen. Ik zal even een kort overzichtgeven.
Egyptisch
Ammit, met het hoofd van een krokodil, de voorzijde van haar lichaam van een leeuw of luipaard, en met haar rug in de vorm van een nijlpaard; de personificatie van de goddelijke vergelding voor alle zonden die iemand gepleegd had tijdens zijn leven. Zij woonde in de onderwereld, nabij de weegschaal van rechtvaardigheid, waar de harten van de doden gewogen werden om getest te worden op waarheid en gerechtigheid. De harten van diegene die de test niet haalden werden aan Ammit gegeven om te verslinden, en zij moesten tot in de eeuwigheid rusteloos ronddwalen.
Shesmoe, een man met het hoofd van een leeuw of een havik; god van de kostbare oliën voor schoonheid en balsemen; hij hielp de ‘onschuldige’ overledenen door ze rode wijn te drinken te geven, maar onthoofdde de ‘zondaar’ en gooide het hoofd in de wijnpers om het bloed eruit te persen alsof het druivensap was.
Fenicia / Kanaän
Baäl, wat "meester", "eigenaar", of "echtgenoot" betekent, werd beschouwd als zonnegod. De aanbidding van Baäl werd dikwijls gekoppeld aan de godin Astarte, zijn vrouwelijke tegenhanger.
De aanbidding van Baäl ging niet alleen gepaard met de wellustige praktijken van vruchtbaarheidsculten, maar ook praktijken als het offeren van kinderen (zoals ook bij Moloch). De aanbidders van Baäl aten ook de offers die gebracht werden aan de doden. Eerbare vrouwen werden geacht een tijdje als prostituee te werken in de tempel van Baäl. Het geld dat ze hiermee verdienden werd aan de tempel geschonken. Deze dienstbaarheid aan de tempel eindigde als de vrouw voor het eerst zwanger werd.
Astarte werd oorspronkelijk als Moedergodin vereerd in Kanaän met een hoofdtempel in Aphaca. Ze was de hoofdgodin van de Feniciërs, voor wie zij het regeneratievermogen van de natuur vertegenwoordigde, een maangodin, ook aangenomen als 'dochter van Ra' door de Egyptenaren.
In de latere Joodse mythologie wordt "Ashtoreth”, als een vrouwelijke duivel van lust gezien. Ze wordt er dan voorgesteld als een jonge vrouw met koeienhoorns op het hoofd (en soms ook een koeienstaart).
Beëlzebub. De naam Beëlzebub is afgeleid van Baäl-Zebub en allebei betekenen ze "heer van de vliegen". Het is een bijbelse spotnaam voor Beëlzebul (afgeleid van Baäl-Zebul) dat "heer van het huis" betekent. In het Nieuwe Testament wordt Beëlzebub/Beëlzebul de vorst van de demonen genoemd, een andere benaming voor de duivel of de satan.
Leviathan is een monster stammend uit de oertijd en wordt voorgesteld als een grote, kronkelende zeeslang of onverwoestbare, zevenkoppige walvis-demon en werd gebruikt als het symbool voor de chaos en van antigoddelijke machten en tevens voorgesteld als een koning van leugens.
Behemoth is de Oud-Hebreeuwse naam van een reusachtig dier dat beschreven wordt in het boek Job van het Oude Testament. Het wordt gewoonlijk geïdentificeerd met het nijlpaard, en zou de koning der zoogdieren zijn (zoals Leviathan koning der vissen zou zijn).
Behemoth en Leviathan
gravure van William Blake.
Grieks
Gorgonen, een drietal zussen, van wie Medusa de bekendste is. Zij worden voorgesteld met slagtanden, handen van brons, gouden vleugels en slangen die uit het hoofd groeien in plaats van haar.
Medusa had ooit een bijzondere schoonheid. Maar Medusa's mooie haar werd door de godin Athena in een nest kronkelende slangen veranderd. Verder zou eenieder die Medusa in het gelaat keek, ter plaatse verstenen. Sindsdien zou het haar taak zijn zo veel mogelijk mensen te doen verstenen.
Cerberus, de "hellehond", een monsterlijke hond met drie koppen en soms met een slang als staart en ontelbare slangenkoppen op zijn rug. Hij was de bewaker van de poort naar de onderwereld en zorgde ervoor dat de doden de onderwereld niet konden verlaten en dat de levenden er niet konden binnentreden.
Medusa. Arnold Böcklin, circa 1878.
Centaur, een wezen half mens, half paard. Men stelt zich de centaur voor als een paard met in plaats van nek en hoofd een menselijk bovenlichaam. Centauren worden meestal afgeschilderd als brute, beestachtige en handtastelijke wezens.
In de Vita van Paulus ontmoet Antonius tijdens zijn tocht door de woestijn een centaur. (Zie ook hieronder)
Harpijen ("roofsters"), de drie zeer mooie, gevleugelde dochters van Elektra en Thaumas. Later werden ze vervaarlijke wezens, meestal afgebeeld als roofvogels met scherpe klauwen. Zij hadden echter het gezicht van een oude vrouw en een vuil onderlijf.
Sirenen, halfgodinnen met het lichaam van een vogel en het hoofd van een vrouw. Volgens Romeinse auteurs woonden zij op drie kleine rotseilandjes tussen Sorrento en Capri. Ze waren erg knap en zongen zulke mooie liederen, dat de reizigers die hun eiland passeerden de verlokking niet konden weerstaan. Vervolgens liep hun schip dan te pletter tegen de rotsen en werden zij gedood, doordat de Sirenen alle levenskracht uit hun slachtoffers wegzogen.
Harpij. 1660, graveur Matthius Merian,
naar J. Jonstons' "Naekeurige Beschryvingh van de Natuur.
De hierboven genoemde (half)goden en demonen figureren enigszins in de beeldvorming van de Christelijke duivel en demonen, maar de Griekse Pan en saters, en de Romeinse Bacchus en faunen, zijn in de huidige context toch wel de belangrijkste afgoden / demonen want vooral hun gestalten werden overgenomen om de duivel af te beelden.
Pan is de Griekse god die waakt over herders en hun kudden. Verder is hij de god van het vee en het dierlijk instinct.
Hij heeft het onderlijf en de hoorns van een geit of bok, maar een menselijk bovenlijf. Verder heeft hij een lang smal gezicht, een grote neus en geile oogjes.
Pan is de bekendste van de saters of saters, vrolijke en ondeugende boswezens, behorend tot het gevolg van de god Dionysos. Bokkenstaart, -poten, -oren en ithyph@llus (opgerichte p^nis) behoren tot hun fysieke kenmerken. De sater staat bekend om zijn lust voor wijn en het verleiden van nimfen. Hij wordt ook vaak in het bos, spelende op een (pan)fluit afgebeeld. De saters lieten instinct boven rede gaan, anarchie boven orde, extase boven ascese, overvloed boven matigheid. Zij waren, net als de vrouwelijke volgelingen, de Maenaden, ongeremde en lustige wezens.
Een demonisch wezen dat Antonius tijdens zijn tocht door de woestijn ontmoet, zoals beschreven in de Vita van Paulus, is een Pan of sater-achtig wezen (zie beneden).
Een sater omringd door nimfen
1873, van William-Adolphe Bouguereau 1825-1905.
Maenaden zijn nimfen die Dionysos (god van de wijn, het plezier en de dans) vergezellen en vereren. De maenaden dragen lange gewaden en dierenvellen. Vaak worden ze afgebeeld met een kroon van wijnranken. Ze staan bekend als gestoorde vrouwen ("in Bacchische vervoering") die wilde dansen uitvoeren en toegeven aan grof geweld, seks, drank en verminking. Hun voedsel bestaat uit rauw vlees, dat zij met blote handen van hun slachtoffer afscheuren.
Bij de Verzoekingen van Antonius door wulpse vrouwen moeten we toch vooral aan dit soort bacchanten denken.
Romeins
Bacchus is in de Romeinse mythologie de God van de wijn, de seksuele vrijheid en de vruchtbaarheid. Bij de Grieken is hij voornamelijk bekend onder de naam Dionysos.
Hij werd voorgesteld als een naakte of halfnaakte jongeman, vaak met een kroon van klimop en vergezeld van Ariadne of van een panter. Hij trok met een stoet van dieren rond om de mensen de teelt van fruitbomen en vooral van de wijnstok te leren.
Hij trekt rond in gezelschap van bacchanten en saters en brengt niet alleen dronkenschap, maar ook beschaving en inspiratie in de schone kunsten.
Een faun is een wezen waarvan vooral de mannen worden afgebeeld als bezitters van hoorns en bokkenpoten. Later werd hij vaak als bosgod voorgesteld. Faunus is in de Romeinse mythologie een oude natuurgod, die later gelijkgesteld wordt aan Pan. Faunus is de beschermer van het vee en de akkers, en brengt dan ook vruchtbaarheid. De Faunen nemen later zijn plaats in.
Ethiopische jongetjes en afzichtelijke Ethiopiërs
Niet alleen de heidense demonen, afgoden of goden waren manifestaties van de Duivel, ook de heidenen zelf konden door de vroeg-christelijke woestijnvaders beschouwd worden als 'bezeten' door de Duivel. Sommige streken en dorpen waren nog volledig ‘heidens’, andere pas onlangs gekerstend. En de Christelijke monniken en asceten traden zeer evangelisch op, gingen de strijd aan met de nog aanwezige heidenen en hun afgoderij.
Zo zou de duivelse kleur zwart wel eens zijn oorsprong gehad kunnen hebben in de minachting voor de heidense volkeren, die veelal (in de Christelijke optiek in ieder geval) “zwart” waren, zoals blijkt uit de “Ethiopische jongetjes” die door Antonius en de woestijnvaders waargenomen worden als manifestaties van de Duivel. Of zou het juist andersom zijn, en zijn de Ethiopiërs duivels omdat ze zwart zijn, zwart als de afwezigheid van het licht?
Omdat Antonius de eerste 'asceet' en voorbeeld was, eerst een citaat uit de Vita:

[§ 6] Tenslotte, toen de draak zelfs op die manier niet in staat bleek Antonius eronder te krijgen ... verscheen hij aan Antonius als een zwart jongetje, een zichtbare vorm aannemend die overeenkwam met de kleur van zijn geest.
... Toen de zwarte dat hoorde, sloeg hij direct op de vlucht, huiverend bij deze woorden en durfde niet langer zelfs in de buurt van die man te komen.

Een passage van Abba Apollo (of Apollonius) uit de Historia Lausiaca (of de Historia Monachorum), waaruit zowel de bekeringsdrift blijkt als de opvatting van Ethiopisch jongetje als de gepersonifieerde zonde der trots:

Toen hoorde hij de stem van God die tot hem zei: 'Apollo, door jou zal ik de wijsheid van de Egyptische wijzen verwarren en de vaardigheden van dat volk. En door mij zul jij de wijzen van Babylon verwarren en alle verering van demonen uit hun midden verdrijven. Ga dan naar de plek waar ze wonen en je zult voor mij een bijzonder en perfect volk stichten dat streeft naar goede werken.'
Hij antwoordde: 'Heer, bevrijdt mij van een opschepperige trots, opdat ik niet, boven mijn broeders verheven, al Uw gerechtigheid zal verliezen.' Toen sprak de goddelijke stem opnieuw tot hem: Steek je hand in je keel en trek er uit wat je daar vindt, en begraaf dat in het zand.' Onverwijld stak hij zijn hand in zijn keel en trok daar een kleine Ethiopiër uit, en begroef deze in de woestijn terwijl deze schreeuwde: 'Ik ben de geest van de trots!'

Verzoeking van Antonius
c. 1515, Joachim Patinir, Museo del Prado, Madrid.

Het beeld dat hier in deze passage wordt opgeroepen is dat van de duivelse trots, als een soort zwarte pad die in de keel zit, en die door de Abba zelf uitgedreven wordt, maar dan gecombineerd met een schuldgevoel, omdat de aangekondigde evangelisatie gericht is tegen de Egyptenaren en Babyloniërs, wat eigenlijk een soort vernietiging inhoudt van die volkeren, hun wetenschap en hun godsdiensten. De schuld wordt dan getemperd door deze “Ethiopiërs,” dat wil zeggen ‘zwartjes’, een minderwaardig soort mensen, als duivels en demonen te zien of te betitelen. En die mag je — of zelfs moet je — bestrijden.
Daar zijn nog heel wat meer voorbeelden van, zoals bij Macarius van Alexandrië in de Historia Monachorum :

De kleine Ethiopische jongens kwelden degenen die zaten door twee vingers tegen hun oogleden te drukken, waarna zij begonnen te sluimeren. Door bij iedereen een vinger in de mond te zetten maakten zij hen onmiddellijk aan het geeuwen. Toen de broeders zich voor het gebed na de psalm plat op de grond uitstrekten renden zij steeds om elk van hen heen, terwijl er één aan een monnik liggend in gebed verscheen als een vrouw ... en de anderen gekke toeren uithaalden. En wat voor vorm de plagende duiveltjes ook aannamen, deze werd vermengd met de gedachten in de harten van hen die aan het bidden waren.

Een variant hierop komen we ook weer tegen in de Gesprekken van Cassianus, wat toch wel aantoont hoe wijdverbreid dit vooroordeel was, Daar is dan sprake van "de duivel, in de gedaante van een afzichtelijke Ethiopiër" en van "een afzichtelijke Ethiopiër ... gloeiende pijlen op hem afschietend".
India
Tenslotte nog een opmerking over het Hindoeïsme (en Boeddhisme).
De Duivel is toch wel een typisch Christelijke figuur die, net als in de andere heidense religies, in het Hindoeïsme geen vergelijk kent. Er zijn daar wel demonische figuren en kwade geesten, maar vergeleken met de goden zijn ze niet erg geducht.
Bovendien zijn de goden zelf veel meer gevarieerd van karakter dan de “goede God” van het Christendom; ze hebben positieve zowel als negatieve trekken.
Eventuele verzoekingen zijn in het Hindoeïsme in het algemeen dan ook veel minder diabolisch van aard.
Er is een episode in het leven van Shiva waar hij, vermomd als rondtrekkende asceet, wordt verleid door de echtgenoten van in het woud levende rishi’s (of andersom, waar hij de echtgenoten verleidt), waarvoor hij als straf zijn p^nis verliest, die dan daarna ‘zelfstandig’ door het leven zal gaan als zijn lingam.
En er zijn de verzoekingen van de Boeddha, die vlak voor zijn verlichting onder de bodhi boom, verleid dreigt te worden door een viertal nimfen, die symbolisch zijn voor “verontreiniging, gehechtheid, jaloersheid en twijfel”, en verward dreigt te worden door Mara, een kwade geest, met arrogantie, haat en meer van dergelijke negatieve gevoelens.
En wat Indiase invloeden op de beeldvorming van de Christelijke duivel betreft, wil ik niet uitsluiten dat de “gehoornde god” van de Indus vallei cultuur (rechts) hiervoor model heeft gestaan, misschien zowel in eerste instantie voor Pan, als wellicht later ook direct. Vooral waar de Duivel wordt afgebeeld met hoorns en een kaars daartussen, en met een opgerichte p^nis.

Duivels en demonen in de Vita van Antonius
Jarenlang levert Antonius strijd met de demonen; hij overwint hen uiteindelijk, want:

[§ 30] Zij zijn hoe dan ook bang voor het vasten van de asceten, hun nachtwaken, hun gebeden, hun zachtmoedigheid, hun rust, hun minachting voor geld en ijdelheid, hun nederigheid, hun liefde voor de armen, hun aalmoezen, hun lankmoedigheid en bovenal hun eerbied voor Christus.
[§ 52] [En] ... Antonius werd bijgestaan door de Verlosser en bleef onaangetast door zijn sluwheid en veelsoortige trucs.

Antonius geeft pagina's lang instructies aan zijn leerlingen hoe zij de duivels en demonen moeten herkennen en bestrijden.
Overigens komen uiterlijke beschrijvingen als faun-achtigen, of sater-achtigen in de Vita van Antonius nauwelijks voor. Het blijken vaak auditieve of mentale manifestaties te zijn, of onschuldige gestalten als vermommingen van demonen. Een vermomming als "zwart jongetje" heb ik hierboven al besproken, en de vermomming als verleidelijke vrouw zal ik verderop bespreken. Alleen in § 53 zien we iets dat enigszins op de bekende gestalte van de duivel lijkt, een wezen met ezelspoten en hoeven onder en een menselijke torso boven.
Een paar saillante citaten:

[§ 8] De vijand ... kwam op een nacht met een menigte demonen. Hij diende hem zo veel zweepslagen toe dat hij zonder nog iets te kunnen zeggen van de pijn op de grond bleef liggen. Antonius verzekerde dat de marteling zo buitensporig was geweest, dat geen slagen door mensen toegediend hem ooit zo hadden kunnen pijnigen.

[§ 9] Toen riep hij zijn hellehonden bij elkaar ... Toen het nacht was geworden, maakten de demonen zo'n ontzettend lawaai dat het wel leek of die hele plaats door een aardbeving werd getroffen. De demonen leken de vier muren van zijn vertrek te doorbreken en erdoor naar binnen te komen, waarbij ze het uiterlijk van wilde beesten en kruipende dingen hadden aangenomen.
[§ 13] Bekenden die hem kwamen opzoeken ... hoorden dan een geluid dat klonk als lawaaierige menigten die binnen veel herrie maakten en jammerkreten lieten horen ... De mensen buiten dachten aanvankelijk dat er mannen met hem aan het vechten waren... maar toen ze door een gat naar binnen keken, zagen ze niemand en beseften toen dat het demonen waren ...
[§ 22] Vooreerst moeten we wel weten dat de demonen niet als boze geesten — zoals wij dat bedoelen als we ze met dat woord noemen — geschapen zijn. Want God heeft niets slechts gemaakt en zelfs zij zijn goed geschapen, maar zij zijn de hemelse wijsheid ontvallen en sindsdien kruipen ze vernederd rond op aarde.[§ 23] Want als zij het hart niet openlijk kunnen verleiden met smerige pleziertjes, komen zij in een andere vermomming en verwekken zij hallucinaties en proberen schrik aan te jagen door te veranderen van gedaante en de gestalte van vrouwen aan te nemen of die van wilde dieren, of kruipend ongedierte, of reusachtige lichamen, of afdelingen soldaten.
Demonen kwellen de Heilige Antonius.
Niklaus Manuel Deutsch, 1520. Kunstmuseum, Bern.
[§ 39] Op een keer kwamen ze dreigend naderbij en omringden mij als soldaten in volle wapenrusting. Een andere keer vulden ze het huis met paarden, wilde beesten en kruipend ongedierte...
[§ 40] Op een andere keer, terwijl ik aan het vasten was, kwam hij, zeer sluw, in de gedaante van een monnik die broden bij zich leek te hebben en gaf me de raad: ‘Eet toch wat en houd op met al die inspanningen. U bent ook maar een mens, u zult nog ziek worden.’ Maar ik doorzag zijn truc en stond op om te bidden. Dat verdroeg hij niet. Hij gaf het op en als rook leek hij door de deur naar buiten te gaan.
[§ 53] Toen hij enkele dagen later aan het werk was ... kwam er iemand aan de deur en trok aan het koord dat hij aan het vlechten was... Hij stond op en zag een dier dat weliswaar boven de dijbenen wel op een mens leek maar verder de poten en hoeven van een ezel had. Antonius sloeg slechts een kruis en zei: “Ik ben een dienaar van Christus. Als je tegen mij bent uitgezonden, wel, hier ben ik.” Maar het dier vluchtte met zijn demonen in zo'n grote haast dat het viel en stierf. En de dood van het dier betekende de val van de demonen.
Duivels in de woestijn
Antonius vestigde zich expres op plaatsen waar hij demonen kon verwachten.
De woestijn stond algemeen bekend vanwege de vreemde creaturen die je er kon tegenkomen.
Een aardige beschrijving van de vreemde wezens die je daar tegen komt, zelfs op een korte wandeltocht van een paar dagen, vinden we in de Vita van Paulus.
Antonius is op weg naar Paulus, lopend door de woestijn, en is eigenlijk op zoek naar Paulus want niemand weet precies waar hij woont.

[§ VI] ... [Antonius] zag een wezen half mens, half paard, dat naar de mening van de dichters centaur wordt genoemd. Zodra hij die zag, maakte hij op zijn voorhoofd het kruisteken.
‘Hé, jij daar,’ riep hij, ‘waar in deze streek woont de dienaar van God ongeveer?'
Het wezen maakte vreemde, gekke geluiden, waarbij het woorden verhaspelden die niets betekenden, met een gezicht geheel overdekt met borstelige haren, maar onderdanig probeerde het toch zichzelf begrijpbaar te maken. Het wees toen met de rechterhand in de gewenste richting, racete over het wijde land met de snelheid van een vogel en verdween uit het zicht.
Ik [Hiëronymus] weet niet echt, of dit nu een verschijning was door de duivel gezonden om hem bang te maken, of eenvoudigweg een dier dat door de woestijn, die een broedplaats is van allerlei monsterlijke beesten, was verwekt.

De biograaf van Paulus, kerkvader Hiëronymus was blijkbaar niet erg verbaasd over de aanwezigheid van deze centaur in de woestijn. Zoiets kan je daar verwachten.
Ook Antonius spreekt het vreemde wezen aan alsof hij zulke wezens elke dag tegenkomt. Maar helemaal zonder verbazing is hij toch ook weer niet.

En dan komt hij nog een vreemd wezen tegen, waar hij wel een beetje bang voor is.

Saint Antoine et le centaure.
Luini Bernardino. École Lombarde. Louvre.

[§ VII] Sprakeloos liep Antonius verder en dacht na over wat hij had gezien.
Na korte tijd zag hij in een rotsachtige uitholling een heel kleine dwerg met een gekromde snuit en gehoornd voorhoofd, wiens onderste ledematen eindigden in de hoeven van een geit.
.... een van de bewoners van de woestijn die de heidenen aanbaden als faunen, saters en incubi.

Men — in ieder geval kerkvader Hiëronymus — geloofde dat deze wezens echt bestonden, als creaturen van vlees en bloed.

[§ VII] ... tijdens het bewind van Constantijn * [werd] een levend wezen zoals dit in Alexandrië vertoond, wat het volk een bijzonder schouwspel verschafte.

In hun keuze voor de woestijn als plaats van meditatie en leven volgden Antonius en Paulus natuurlijk ook Jezus na, die veertig dagen vastend in de woestijn had doorgebracht, waar Hij de drie verzoekingen door de satan had weerstaan (Matteüs 4,1). Ook al zou hij daar volgens de bijbel door de Geest van God heen zijn gebracht, het lijkt er toch meer op dat Hij de confrontatie met de duivel expres had opgezocht. En dat Hij met zijn ascetisch verblijf in de woestijn Johannes de Doper weer navolgde.

Net zoals Jezus in de woestijn beloond wordt met het gezelschap van engelen zien we ook in de Vita dat de strijd van Antonius met de demonen beloond wordt door een hemels visioen, de stem van de Heer:

[§ 10] Ook op dat moment was de Heer de worsteling van Antonius niet vergeten maar schoot hem te hulp. Want toen hij omhoog keek, zag hij het dak als het ware opengaan en een lichtstraal naar hem neerdalen.

En de Heer sprak zelfs met hem:

[§ 10] “Ik was hier ..., Antonius, ... ik wachtte om jouw worsteling te kunnen zien. Omdat je nu stand hebt gehouden en geen nederlaag hebt geleden, zal ik voor altijd jouw helper zijn en jou overal beroemd maken.”

De drie verzoekingen van Christus door Satan. Alexander Master (illuminator).
Overigens moeten we het begrip "woestijn" niet al te letterlijk nemen, in een voorstelling van zand, stenen en kale rotsen. In feite verbleef Antonius (en verbleven vele ander "woestijnvaders") in een oase — zij het wel omgeven door de woestijn — met een klein riviertje of bron en met bomen en begroeiing.

[§ 49] Aan de voet van die berg was een heldere bron met zoet en heel koel water, en daaromheen een vlakte met een paar verwaarloosde palmbomen.
[§ 50] Omdat hij overvloedig water had om te besproeien, zaaide hij. Dit deed hij jaar na jaar, en zo had hij voortaan zijn eigen brood ... [en] begon hij ook wat groenten te verbouwen ...

Duivels in de necropolis
Een andere gegarandeerde ontmoetingsplek voor geesten en demonen was een graftombe, dus, zoals ik op de Antonius-Vita-pagina ook heb gesteld, was de keuze van Antonius voor een verblijf in zo'n necropolis niet toevallig — of origineel — maar was het waarschijnlijk ook toen al een oude traditie in Egypte, met zijn verering van de doden en het vaste geloof in een leven na de dood.
Voor een kluizenaar was een bijkomend voordeel van deze plekken — zowel woestijn als necropolis — dat je er weinig volk zou aantreffen, bang als men was voor de spoken die er rondwaarden.
Daarenboven was zo'n plek — een powerspot — niet alleen een ontmoetingsplek voor geesten van kwade aard, maar ook een plek waar goede geesten, engelen, zich mogelijkerwijs konden ophouden. De 'scheiding' tussen aarde en hemel zou op zo'n plaats 'dunner' zijn en makkelijker overbrugd kunnen worden.
En er was ongetwijfeld ook een praktisch aspect: een necropolis — een 'stad voor de doden' — is anders dan 'onze' begraafplaatsen met alleen zerken; de graftombes zijn eerder kleine huisjes, zeer geschikt voor een onthechte kluizenaar om te wonen.
Necropolis van Bagawat
Het verblijf van Antonius (en andere Egyptische asceten voor hem) in de necropolis — zowel als het favoriete tijdstip voor de meditaties — komt overeen met de Indiase ascetische praktijk van het verblijf op de shmashana, de crematieplaats, wat voor dezelfde reden, ook nog door hedendaagse sadhoes, gedaan wordt. Sadhoes die dit als kern van hun ascese nemen, worden aangeduid als Aghori's.
In de mythologie van Shiva wordt hiervan ook gewag gemaakt: de crematieplaats is zijn favoriete verblijfplaats waar hij de diepste meditatie bereikt, in het gezelschap van geesten en 'demonen'.
Zoals het staat in de Mahabharata: de crematieplaats, die ‘met haar en beenderen was bedekt, vol schedels en hoofden, met zwermen gieren en hordes jakhalzen, met honderden brandstapels, een smerige plek die met vlees was bedekt, een moeras van merg en bloed, hier en daar bergen van vlees, waar de schreeuwen van jakhalzen weerklonken. "Er is niets zuiverder dan een crematiegrond," verklaarde Shiva. De menigten geesten en spoken die zijn metgezellen waren, hielden ervan daar te vertoeven, en Shiva hield er niet van ergens zonder hen te verblijven (MBh. 13.128.13-16, 18).
Alleen helden kunnen daar verblijven, helden die de dood hadden getart en waren bevrijd van hartstochten en vrees voor de dood. En degenen die de vreselijke spoken vreesden waren bestemd om buitenstaanders te blijven.

Shiva met zijn vrouw Shakti, hun zoon Ganesh en Nandi de stier,
op de crematieplaats, een ketting van schedels rijgend.

Shmashana markeert het einde van de fysieke fase van het leven. De dood is een eerste vereiste voor elke nieuwe schepping, een 'sterven uit het leven' markeert het begin van het spirituele leven. Een 'tweede geboorte', wat trouwens ook zo wordt opgevat in het Christendom, zodat de sterfdag van Antonius, 17 januari, wordt gezien als zijn geboortedag.
En door het vuur van de crematie wordt de mens gereinigd en getransporteerd naar het hiernamaals. Een crematieplaats wordt dan ook wel betiteld als "Swargadwar", 'Poort naar de Hemel'.
Nu zijn de demonen in het Hindoeïsme wel anders van aard dan die in het Christendom. Juist omdat in het Christendom de opvatting van een "goede God" bestaat, moet er, ter verklaring van het kwaad in de wereld, ook een "kwade Duivel" bestaan. In het Hindoeïsme hebben de goden zowel goede als kwade eigenschappen, en is een aparte "kwade genius" niet noodzakelijk. Evenzogoed zijn er wel kwade geesten en demonen, maar deze zijn minder elementair van aard. Meer als de spoken in het Westen, de geesten van overledenen, plaaggeesten.
In het hoofdstuk over het Vuur is er een beeld van Shiva Nataraja die danst, staande op de dwerg of demon Apasmara, symbool van de onwetendheid.
En hier links zien we een soortgelijke verbeelding, een reliëf in de Shiva tempel te Kanchipuram.
Spookuur
Tenslotte was er naast de keuze van een optimale plaats als woestijn of graftombe, ook nog de keuze van de optimale tijd om demonen tegen te komen. Zoals iedereen weet begint het na twaalf uur 's nachts te spoken, en de asceten staan dan ook vaak midden in de nacht op om te gaan bidden en mediteren.

[§ 7] Zijn nachtwaken ging zo ver dat hij dikwijls de gehele nacht slapeloos doorbracht. En dat niet één keer, maar vaak, tot de verwondering van velen.

[§ 52] Als hij de nacht wakend doorbracht, stuurde de duivel wilde beesten op hem af en vrijwel alle hyena's van de woestijn kwamen dan uit hun holen en omsingelden hem en hij stond in hun midden, terwijl elk van hen zijn muil opensperde en dreigde hem te bijten...

[§ 65] Daarna vergat hij te eten, maar bleef verder die dag en gedurende de hele nacht zuchten en bidden.

Een ander aspect van dit 's nachts waken en bidden is slaapdeprivatie. Een verminderde behoefte aan slaap zou een gevolg zijn van de ascetische praktijken — de verregaande ontspanning als gevolg van meditatie bijvoorbeeld zou beter doen uitrusten dan slaap — maar opzettelijk wordt niet als ascetische methode gehanteerd. En wanneer er sprake is van opzettelijke slaapdeprivatie, dan doet de asceet dat omdat het visioenen of hallucinaties bevorderd.
En nog even verder psychologiserend: angst is een aspect dat de drie factoren woestijn, graftombe en spookuur gemeenschappelijk hebben, en angst is een geheid veroorzaker van hallucinaties. Als men dan al bang is vanuit de verwachting wilde beesten, vreemde monsters, kwellende duivels en zo meer aan te treffen, dan zal het minste of geringste dat daar op lijkt een vicieuze cirkel van vrees — "hoor ik daar een spook? — en angst — "oei, ik zie daar een monster! — op gang brengen.

Gibbon zegt daar het volgende over:

Het was hun vaste overtuiging dat de lucht die ze inademden bevolkt werd door onzichtbare vijanden, door talloze demonen die van iedere gelegenheid profiteerden en iedere gedaante aannamen om hun argeloze deugdzaamheid te bedreigen en hen aldus in verzoeking te brengen.
Hun verbeeldingskracht en zelfs hun zintuigen werden bedrogen door de illusies van een mateloos fanatisme, en de kluizenaar wiens middernachtelijk gebed door een ongewilde slaap werd onderbroken verwarde de afschuwwekkende of vreugdevolle spookbeelden die hem in zijn slaap hadden bezocht gemakkelijk met de dromen die hij wakend had gehad.

De Bezoekingen van Antonius door demonen
Wat we in de Vita kunnen lezen en op de schilderijen en sculpturen kunnen zien, is dat duivels en demonen (maar ook de engelen) als een soort realiteiten werden opgevat, bijna als wezens van vlees en bloed die onder hen leefden.
Zeker in de Vita, waar Antonius lichamelijk een geseling ondergaat, die zichtbare striemen achterlaat, moet het toch een fysiek wezen zijn geweest dat hem zo toetakelde. Hoewel Antonius stelt [§ 31] dat "zij ijler van lichaam zijn dan de mens..."
Meer psychologisch geredeneerd, zou je kunnen zeggen dat er geen duidelijke grens was tussen fantasie of hallucinatie en werkelijkheid, of dat die grens op een ander punt getrokken werd dan in onze tijd het geval is.
Verzoeking van St. Antonius (ca. 1500) Bernardino Parenzano, Galleria Doria-Pamphili, Rome.
Eigenlijk is hier van een 'verzoeking' geen sprake; is het eerder een bezoeking, een terreur van demonen.
Er kan nog wel een onderscheid gemaakt worden tussen demonen die "echt van buiten" komen, en demonen die "vleesgeworden" manifestaties zijn van de eigen lusten, verlangens en andere kwade denkbeelden, en die "buiten" het individu geprojecteerd worden.
Maar hoe dan ook, de hallucinanten in die tijd moeten ervan overtuigd geweest zijn dat hun "visioenen" (wat dus geen visioenen waren in de huidige betekenis die wij eraan geven) plaats vonden in de realiteit.
En dit geldt zowel voor Antonius die in de 4e eeuw leefde, als de lijders aan het Antoniusvuur — en het volk in het algemeen — die in de Middeleeuwen leefden. Dus de literaire getuigenis van het leven van Antonius en de schilderijen van hem waarop hij met demonen staat afgebeeld, moeten we dus opvatten als een soort "realisme" en niet als "fantasie". In de meer toegepaste kunst wordt dit dan symbolisme met een realistische grondslag.
Antonius was een mysticus die min of meer streefde naar "visioenen" en de strijd met de demonen die dan ook konden verschijnen op de koop toe nam.

Voor de lijders aan het Antoniusvuur, wie het 'zomaar' overkwam (als pest en als straf van God), lag dat natuurlijk geheel anders, en zij moeten vooral vreselijke angsten (naast de lichamelijke pijnen) uitgestaan hebben, angsten die het demonische karakter verder nog versterkten als in een vicieuze cirkel. Dat ze zich dan juist met deze ziekte tot Antonius wenden, die de demonen overwonnen had, is dan ook zeer begrijpelijk.
Dat is dan ook vooral wat gesymboliseerd wordt door de voet van Antonius die het duiveltje vertrapt. Het is niet zozeer de overwinning van Antonius op het kwade (zijn 'eigen' kwaad), maar eerder de overwinning van de demon die de gelovige kwelt (het kwaad van de gelovige).
In de schilderkunst worden veelal in de Verzoekingen wellustige vrouwen afgebeeld, maar de beelden die hierin worden opgeroepen, geven de ook de mogelijkheid allerlei angstvisioenen weer te geven, en hierbij denken we natuurlijk vooral aan Jeroen Bosch, die ook vaak andere mogelijkheden aangreep om duivels, plaaggeesten en hellepoorten te schilderen.
Het zijn actieve demonen die worden afgebeeld, niet onderworpen, maar meestal juist, zo lijkt het tenminste, aan de winnende hand.
De picturale invulling van de Verzoekingen of Bezoekingen werd meer bepaald door de ‘tijdgeest’ in combinatie met de persoonlijke preoccupatie van de kunstenaar dan door een reconstructie van de ervaringen van Antonius zelf, voorzover die naar voren komen uit zijn levensbeschrijving.
Hl. Antonius op het Dresdner Altar, linker zijvleugel.
Albrecht Dürer, 1471-1528. Gemäldegalerie, Dresden.
Vrouwen en vrouwelijke demonen in de Vita van Antonius en andere woestijnvaders

In het algemeen was de houding van de asceten vrouw-onvriendelijk, om het zacht uit te drukken.
De vrouw was een favoriete vermomming van de duivel. Dus elke vrouw zou de asceet in verleiding kunnen brengen.

The Temptation of Saint Anthony
1897. John Charles Dollman (1851-1934)
Zoals blijkt uit de Vita van Antonius:

[§ 5] ... toen de Vijand zag dat hij te zwak was voor de vastberadenheid van Antonius en dat hij eerder zelf het onderspit zou delven vanwege diens standvastigheid, vertrouwde hij, afgeslagen door het geloof en bezwijkend onder de aanhoudende gebeden van Antonius, uiteindelijk op de wapens ‘die in de navel van de buik’ zijn, en waar hij zich ook op beroemde. Dat is namelijk zijn eerste valstrik voor jonge mensen.
En de duivel, ongelukkig schepsel, bestond het zelfs de gestalte van een vrouw aan te nemen en al haar gedragingen na te bootsen, alleen om Antonius te verleiden.
[§ 19] Evenmin zullen we enige begeerte naar vrouwen of enig ander onrein genot behouden, maar we zullen ons ervan afwenden als van iets dat voorbij is ...
[§ 23] Want als zij het hart niet openlijk kunnen verleiden met smerige pleziertjes, komen zij in een andere vermomming en verwekken zij hallucinaties en proberen schrik aan te jagen door te veranderen van gedaante en de gestalte van vrouwen aan te nemen ...
[§ 55] Aan de monniken die tot hem kwamen gaf hij altijd het voorschrift: “Vertrouw op de Heer en heb Hem lief, behoed je voor onreine gedachten en vleselijke lusten..."

Ook de fantasie van Hilarion, de leerling van Antonius, werd door de Duivel in vrouwelijke gedaante geprikkeld, zoals blijkt uit zijn Vita:

[hfdstk 3] De duivel prikkelde daarom zijn zinnen, en ontstak in zijn rijpend lichaam het vuur van de wellust. ... en een hele optocht van ideeën overstroomde zijn geest over dingen waarmee hij geen ervaring had gehad.
[hfdstk 4] Zo talrijk waren zijn verleidingen en zo verschillend de valstrikken van de demonen, dag en nacht ... Hoe vaak wel niet, als hij lag, verschenen er naakte vrouwen aan hem, hoe vaak wel niet verschenen er overdadige bankettafels als hij vastte!

De Verzoeking van Sint Hilarion.
Dominique-Louis-Féréal Papety. 1843-4
Antonius en Hilarion konden weerstand bieden aan de duivelse verleidingskunsten, maar andere woestijnvaders bezweken voor de Duivel, zoals beschreven in de Historia Lausiaca.
Zo is er het verhaal verteld door Abba Johannes van Lycus :

Maar toen begon de Verleider hem op de proef te stellen ... en toonde hem op een avond de gestalte van een mooie vrouw die door de woestijn dwaalde. Zij vond de deur open en liep gewoon zijn cel in, knielde aan zijn voeten en smeekte hem om onderdak omdat de nacht haar had overvallen. Hij had medelijden met haar, en liet haar binnen, wat hij niet had moeten doen.
Een andere vergissing was haar diepgaand te ondervragen, Zij vertelde hem een lang verhaal, doorspekt met allerlei soorten vleierij en misleiding, en rekte haar conversatie over lange tijd uit. En zo wist ze hem tot gedachten van liefde te verleiden. Ze kletsten met elkaar, lachend en giechelend.

Verzoeking van de heilige Antonius
Paul Cézanne 1867-1869. Verzameling E. G. Bührle, Zürich.
Haar manier van spreken fascineerde hem, en tenslotte wist zij de asceet helemaal te boeien door zijn hand, zijn baard en zijn nek vast te houden. Zijn gedachten waren verward, een veilige manier om genot te beleven bood zich aan, de daad was nu binnen handbereik, en in zijn geest gaf hij toe aan deze gedachten. Als een bronstige hengst die wild steigerend op zoek is naar een merrie probeerde hij se+suele gemeenschap met haar te hebben.
Plotseling schreeuwde zij met een luide stem en verdween uit zijn handen, als niet meer dan een soort schaduw. De menigte demonen die hem had misleid kon je nu in de lucht horen lachen en hem tarten, met luide stem roepend: "Ieder die zichzelf verhoogt zal vernederd worden. Jij was ooit tot in de hemel verheven, nu ben je in de diepste afgrond gestort."

Gebeden hielpen niet altijd tegen de Verzoekingen. Extreme voorbeelden van de maatregelen om de Duivel der Hartstocht te overwinnen, vinden we bij Macarius van Alexandrië , een tijdgenoot en bekende van Antonius

(1) en bij Evagrius (2):(1) Toen hij eens door de demon van de ontucht werd geplaagd, veroordeelde hij zichzelf er toe om zes maanden naakt in het moeras van Sketis te gaan zitten dat in de grote woestijn ligt. Dat is namelijk een plek waar de muskieten zo groot zijn als wespen en zelfs de huiden van wilde zwijnen verwonden. Hij werd daar zo over zijn hele lichaam gestoken dat hij zulke builen kreeg dat je zou kunnen denken dat hij aan lepra leed. Toen hij na zes maanden terugkeerde naar zijn cel, kon men alleen aan zijn stem nog merken dat hij Macarius was.
(2) Op een keer, naar hij ons zelf vertelde, toen hij werd gekweld door de demon van de ontucht, stond hij de hele nacht in een waterput ook al was het winter om zijn lichaam met de kou te kastijden.

De Verzoekingen van Antonius. op een postzegel van de Faeröer eilanden. 1997.

Onthoudingen kunnen dus juist sterke fantasieën oproepen over datgene dat onthouden wordt. De opgave van de asceet zou dan zijn deze fantasieën in een mystieke richting om te buigen en je er met eenzelfde soort fascinatie of obsessie op te blijven richten. Vandaar dus al die Verzoekingen van wulpse vrouwen!
Dit is een psychologisch inzicht dat bij Antonius en andere woestijnvaders zeker aanwezig was, hoewel ze het herhaaldelijk blijven optreden van dergelijke vooral wellustige fantasieën toch bleven toeschrijven aan duivelse influisteringen, zij het via een omweg.

In ieder geval werd erkend dat de duivel meer kans had, meer ingangen, als de asceet zwak was op de punten van verlangens, begeerten, enzovoort.
Zoals Abba Johannes van Lycopolis het zegt:

Want de duivel bemachtigd een ingang in onze harten elke keer dat er ontucht en verdorvenheid van de wil plaats vindt, omdat ondeugden tot hem behoren net zoals de deugden uit God komen. Als er ondeugden in ons hart zijn verwelkomen zij de komst van de duivel alsof hij zijn eigen domein ingaat ....

The Temptation of St. Anthony
Henri Fantin-Latour, The National Museum of Western Art, Tokio.

Zoals Antonius het zegt:

[§ 42] Want als zij komen, doen zij dat in een vorm die overeenkomt met de toestand waarin zij ons vinden, en aan de geestestoestand waarin ze ons vinden, passen zij hun hersenschimmen aan.

Voorkómen is beter dan genezen, dus vrouwen mochten in het algemeen niet in de buurt van de asceten komen. Hele sterke staaltjes hiervan zijn te lezen in de Historia Lausiaca en Historia Monachorum, maar ook in de Vita van Antonius is wel een voorbeeld te vinden:

[§ 58] Er was ook een maagd uit Boesiris in de provincie Tripolis, die een vreselijke en afzichtelijke afwijking had ... Haar ouders [gingen] naar Antonius ... Toen ze hem vroegen of zij ook toegelaten kon worden, stond Antonius dat niet toe ...

La tentation de Saint Antoine
1897; Lovis Corinth; München, Bayrische Staatsgemälde-sammlungen.

En hieronder zien we iets van de benadering (of beter het gebrek daaraan) van de al eerder genoemde Abba Johannes van Lycopolis :

Hij was nu negentig jaar oud en had al in veertig jaar geen vrouw gezien. Hij verliet zijn cel nooit en hij had ook nooit een vrouw toegestaan zich aan hem te vertonen, en hij wilde de vrouw van de tribuun absoluut niet zien.

Zelfs je eigen moeder mocht niet te dicht in de buurt komen, zelfs niet als ze op sterven na dood was. Zoals blijkt uit de Vita van Simeon:

[*] Nogal lange tijd hierna hoorde zijn moeder waar hij was en kwam hem bezoeken, maar hij wou haar niet zien, want het was vrouwen verboden om die plaats binnen te gaan.
"Wacht gewoon maar een tijdje," zei Simeon, toen hij haar stem hoorde, "en wij zullen elkaar zien, als God het wil."
Door het huilen en jammeren geraakte zij in een toestand van trance, en zette haar pleidooien aan hem drie dagen en drie nachten voort.
Simeon bad toen tot de Heer en zij gaf meteen de geest. Ze namen haar lichaam op en brachten het naar een plek waar hij het kon zien.

De Verzoekingen van Antonius in beeld
Hoewel dus meestal over "de Verzoekingen" wordt gesproken is het zinvol om een duidelijk onderscheid te maken tussen Verzoekingen (door wellustige vrouwen, goud, spijzen, bezit, etc.) en Bezoekingen (door monsters, duiveltjes en demonen).
Zo zien we dat In de schilderkunst de duivel vaak (of meestal zelfs) de gestalte van verleidelijke vrouwen aanneemt, iets wat in de grafische kunsten en sculpturen in het geheel niet voorkomt.
Ook in de andere kunsten zoals muziek, opera, literatuur en toneel zijn deze soort "verzoekingen" van Antonius zijn zeer talrijk.
In de sculptuur ontbreekt deze voorstelling vrijwel geheel. De enige uitzondering daarop lijkt de sculptuur van Auguste Rodin te zijn, La Tentation de Saint Antoine, in het Musée des Beaux-arts te Lyon.
Net als in de schilderkunst echter, is dit een relatief modern kunstwerk. In de Middeleeuwse kunst kwamen deze voorstellingen niet voor.
Enigszins cynisch geredeneerd (maar daarom niet minder waar) gaven deze Verzoekingen de kunstenaars de kans zich eens uit te leven in onderwerpen en beelden die normaliter door de Kerk verboden waren, hoewel ze zich ook dan niet alles konden veroorloven.
Heel veel kunstenaars die de Verzoekingen van Antonius door wulpse dames schilderden — het ‘aantrekkelijke’ van de Verzoekingen — hebben zich laten inspireren door het toneelstuk van Flaubert.
Overigens wordt in dat toneelstuk door Hilarion flink wat ongezouten kritiek op Antonius geleverd! Hij wordt hier neergezet als een hypocriet, die zich met al zijn ascese alleen maar wil verlustigen.

ANTONIUS
... Als geestelijk wezen moet de mens zich terugtrekken uit al het vergankelijke. Iedere handeling haalt hem omlaag. Was ik maar los van de aarde — zelfs met mijn voetzolen!
HILARION
Huichelaar! Je trekt je terug in de eenzaamheid om je lusten beter te kunnen botvieren! Je onthoudt je van vlees, wijn, zweetbaden, slaven en eerbetoon; maar wat laat je je door je verbeelding onthalen op banketten, geurwerken, naakte vrouwen en juichende menigten! Je kuisheid is niets dan geraffineerde zedeloosheid, je verachting voor de wereld: een op haar gestrande haat.
Dát is wat jou en je soortgenoten zo somber maakt, of misschien ook omdat jullie aan jezelf twijfelen. Het bezit van de waarheid leidt tot vreugde. Was Jezus soms mistroostig? Hij had vrienden om zich heen, rustte in de schaduw van de olijfboom, trad binnen bij de tollenaar, vermenigvuldigde spijs en drank, vergaf de zondares en genas alle smarten. Maar jij bent alleen met jezelf begaan. Het is alsof je in jezelf wroet, totdat je in een niet te temmen razernij zelfs de liefkozing van een hond of de lach van een kind afwijst.

De Verzoeking van Sint Antonius
Alexandre Louis Leloir, 1871.
Heksen
Antonius wordt gekweld door de aanwezigheid van een huis, waarvan het dak gevormd wordt door het hoofd van een oude vrouw. Op haar hoofd draagt de vrouw een duiventil. In de deuropening van het huis staat een naakte vrouw die tot haar knieën weggezakt is in de grond. Er zit nog een vrouw achter een tafeltje en een derde kijkt door een venster naar buiten. Uit het huis steekt een vlag met een zwaan er op. Het geheel wordt begrijpelijk, als we weten dat 'duyfhuys' een ander woord voor bordeel was en 'duve' voor 'hoer', en dat 'doffer' sloeg op minnaar of overspelige. De zwaan op de vlag duidt op 'swaentje' of 'hoertje'. De vrouw die tot haar knieën in de grond staat, is weggezakt in de poel des verderfs.
De verzoeking van de Heilige Antonius de Heremiet
1550, door een navolger van Bosch. Rijksmuseum, Amsterdam. (Zie ook het beroemde drieluik De Verzoeking van Antonius)

Het is niet te verwonderen dat Antonius als succesvol bestrijder van de Duivel ook in de Malleus Maleficarum, ofwel Heksen Hamer, wordt genoemd, maar toch zijn rechtstreekse verwijzingen naar hem zeer summier. De drie verwijzingen betreffen de wijze waarop men de vermommingen van de Duivel kan herkennen (1.IX), of hoe en wanneer de Duivel een mens kan beïnvloeden (2.VII & 2.II)
De heidense Heksen waar in 2.VII over gesproken wordt als genoemd door Cassianus, komen in Athanasius’ Vita van Antonius niet voor. De vrouwelijke verleidster die daarin verschijnt is duidelijk een vermomming, een manifestatie van de Duivel, niet een vrouw van vlees en bloed die door de Duivel bezeten is of een aanbidster van de Duivel. En dat is toch een belangrijk verschil.
De samenstellers van de Heksen Hamer zijn zich dit waarschijnlijk ook bewust geweest, wat zou kunnen verklaren waarom Antonius verder in de Heksen Hamer niet genoemd wordt als beschermheilige tegen heksen; wel wordt aangegeven hoe hij de duivels die hem gestuurd worden weet te verdrijven. (2.VII) Maar dat is de enige keer dat dit in de Heksen Hamer vermeld wordt.
De heksenmeesters van de inquisitie hadden zo hun eigen manier om de duivelse heksen te herkennen en met hen af te rekenen.
En wat de positie van Antonius vis-á-vis de heksen zeer duidelijk maakt: op geen enkel schilderij van Antonius is een heks afgebeeld.

De heilige Antonius houdt één hand op het boek dat voor hem ligt en maakt met de andere het kruisteken om zich te beschermen tegen de charmes van de mooie vrouw die voor hem staat.
Het is de duivelskoningin uit het Vaderboek, die hem, behalve met haar schoonheid, met geschenken probeert te verleiden. Op haar hoofd draagt ze een kap met horentjes; in haar linkerhand houdt ze een zalfpot, symbool van ijdelheid, het attribuut van Luxuria (Wellust).

De zalfpot, die ook te zien is op het Retable des Saints et Martyrs uit de 14e eeuw in Dijon, doet mij denken aan Maria Magdalena.

Interessante planten ook.

De verzoeking van de heilige Antonius
Lucas van Leyden; 1509; kopergravure; Teylers Museum, Haarlem & Musée du Louvre.
Nog meer over Antonius en heksen op de pagina's: De invloed van Antonius op monniken en kerkvaders; De iconografie van Sint Antonius Abt, Vuur.
Exorcisme en genezingen
Zoals ik hierboven al vermeldde, werd de strijd van Antonius met de demonen in de woestijn, de graftombe en tijdens het spookuur, die op een ander niveau beschreven kunnen worden als het weerstaan van de Verzoekingen, beloond met een hemels visioen, de stem van de Heer. Maar dat was niet de enige beloning. Er waren nog meer hemelse visoenen, stemmen van engelen, en bovennatuurlijke wonderen. En er waren de genezingen.
Wat dat laatste betreft, moet eerst opgemerkt worden dat Antonius wel tegen de duivel en demonen streed (en met succes) maar niet door hen bezeten werd (of ooit door hen bezeten was geweest).
Een beschrijving van bezetenheid vinden we bij Huxley , waar een priester zijn duivelse bezetenheid uit eigen ervaring beschrijft:

...een vreemde geest verenigt [zich] met de mijne, zonder mij van het bewustzijn te beroven of van mijn innerlijke vrijheid; toch stelt hij een tweede "ik" samen, alsof ik twee zielen had, waarvan er één ontzet is uit mijn lichaam en uit het gebruik van de organen daarvan en kamerarrest heeft, onderwijl ziende hoe de andere, de indringer, doet wat hij wil. Deze twee geesten vechten binnen de grenzen van een arena, en dat is mijn lichaam. Het lijkt wel alsof mijn ziel zelf verdeeld is en in een van haar delen onderworpen is aan duivelse inblazingen en in het andere aan gevoelens die er thuishoren of anders zijn ingegeven door God.

Bezetenheid was in de tijd van Antonius ook zeker een vaak voorkomend verschijnsel, en een belangrijke rol van hem was dan ook die van exorcist, en aangezien er niet zoveel onderscheid werd gemaakt tussen aandoeningen van het lichaam en aandoeningen van de geest of ziel, was hij dus ook geneesheer.

[§ 63] [Aan boord van een schip] nam hij als enige een buitengewoon onplezierige geur waar. Maar degenen die aan boord waren zeiden dat de stank veroorzaakt werd door de vis en het gepekelde vlees aan boord, maar hij zei dat de stank een andere was. En terwijl hij nog aan het spreken was, begon een jongen, die van een boze geest bezeten was en die zich in het schip had verstopt, te schreeuwen. Maar Antonius berispte de boze geest in de naam van onze Heer Jezus Christus, en deze verliet hem en de man werd geheeld. Allen wisten toen dat de slechte geur van de boze geest was gekomen.
[§ 64] En een ander... bezeten door een boze geest ... at zelfs de uitwerpselen van zijn eigen lichaam. ... in zijn medelijden voor de jongeman bad Antonius en bleef de hele nacht bij hem waken. [En] Antonius sprak: "omdat ik de demon heb berispt en bevolen uit te gaan naar waterloze plaatsen, werd hij razend van woede, en ... is uitgegaan."

In de Vita geeft hij aan de Griekse wijsgeren een demonstratie van zijn geneeskunst en duivelsuitdrijving door in hun bijzijn enkele bezetenen te exorciseren.

[§ 80] Kijk, hier zijn enkele personen die door demonen gekweld worden — nu waren daar enkelen die naar hem gekomen waren omdat ze erg door demonen verontrust werden, en ze in hun midden brengend, zei hij: — “Reinigen jullie hen maar of door redeneringen of door wat voor middelen en toverkunsten die jullie kiezen, waarbij jullie je afgoden kunnen aanroepen, of als jullie daartoe niet in staat zijn, houdt dan op met ons te bestrijden en jullie zullen de kracht van Christus’ Kruis zien.” Na dit gezegd te hebben, riep hij Christus aan en maakte over de lijders twee of driemaal een kruisteken. En onmiddellijk stonden de mannen op, geheeld en bij hun volle verstand, en meteen dankten zij de Heer.

Maar met gepaste bescheidenheid voegt Antonius — en Athanasius — eraan toe:

Niet wij zijn de daders van deze dingen, maar het is Christus, die ze teweegbrengt door middel van hen die in Hem geloven. Als jullie ook geloven, zullen jullie zien dat het bij ons geen kwestie is van een kunstje met woorden, maar van geloof door liefde tot Christus dat in ons teweeggebracht is.
[§ 84] Antonius ... genas ... door te bidden en de Naam van Christus uit te spreken, zodat het voor iedereen duidelijk was dat niet hij het deed, maar de Heer, die via Antonius Zijn genade toonde en de lijders genas. Maar het aandeel van Antonius bestond alleen uit gebed en ascese [en] de contemplatie van goddelijke zaken

Antonius gebruikte zijn exorcisme niet alleen om de duivel te verslaan maar hij wilde zo ook de heidense afgoderij uitroeien en het ware geloof ertegenover stellen.

[§ 37] Zo hebben [de boze geesten] de Grieken misleid en daarom werden zij door hen ten onrechte als goden beschouwd.

En in zijn toespraak tot de Griekse filosofen [§ 74-80] zegt Antonius o.a.:

[§ 78] ... wij [behoeven] slechts de gekruisigde Christus te noemen om al de demonen, die u vreest alsof het goden waren, op de vlucht te jagen. Waar het teken van het Kruis is, wordt de tovenarij verzwakt en heeft de hekserij geen kracht.

Athanasius besluit de Vita van Antonius met:

[§ 94] ...de christenen die Hem oprecht vereren en godvruchtig in Hem geloven bewijzen niet alleen dat de demonen, van wie de Grieken zelf denken dat het goden zijn, geen goden zijn, maar dat zij ze zelfs vertrappen en verjagen als bedriegers en verdervers van de mensheid ...

Antonius vertrapt de duivel in Solt
Wonderen, hemelse stemmen en visioenen in de Vita van Antonius
In de Vita zelf verschijnen geen zichtbare engelen aan Antonius; wel in de 'vaderspreuken', maar die laat ik maar even buiten beschouwing. De hemelse stemmen zijn al engelachtig genoeg.

Enkele wonderen van Antonius:

[§ 15] Om zijn broeders te bezoeken moest Antonius eens het kanaal van Arsinoë oversteken, maar dat kanaal zat vol met krokodillen. Hij sprak eenvoudigweg een gebed uit en toen stapten hij en zijn metgezellen het water in en bereikten ongedeerd de overkant.
[§ 50] Aanvankelijk brachten de wilde dieren in de woestijn, op zoek naar water, schade toe aan het zaaigoed en de aanplant. Maar eens pakte hij zachtaardig een van die dieren beet en zei tot hen allemaal: “Waarom richten jullie nu toch die schade bij mij aan terwijl ik jullie helemaal niets aandoe? Ga weg en, in de naam van de Heer, kom hier niet meer in de buurt.” En sindsdien kwamen ze, alsof ze bang waren voor zijn bevel, niet meer in de buurt van die plek.
[§ 54] Hij reisde samen op met de monniken ... Die woestijn is namelijk volledig zonder water. Er is nergens enig drinkbaar water ... onderweg raakte het water op en omdat er een enorme hitte heerste, liep iedereen gevaar. Toen de grijsaard echter zag dat allen in gevaar verkeerden, werd hij bijzonder bedroefd en begon hij te zuchten en te steunen. Hij liep een eindje bij hen vandaan, knielde, strekte zijn armen en bad. En direct liet de Heer water opborrelen op de plek waar hij had staan bidden.
[§ 62] En wat de mensen betreft die naar hem toe kwamen, voorspelde hij dikwijls enkele dagen, of soms een maand van tevoren, de reden van hun komst.

Hemelse stemmen en visoenen van Antonius:

[§ 49] Terwijl hij dat aan het overwegen was, kwam er een stem van boven tot hem die zei: “Antonius, waar ga je heen, en waarom?”
Toen sprak de stem tot hem: “...als je werkelijk in de stilte wilt leven, trek dan nu dieper de woestijn in.” Toen zei Antonius: “Wie zal mij dan de weg wijzen? Want die ken ik niet.” De stem wees hem toen onmiddellijk op een paar Saracenen ... En alsof ze een opdracht van de Voorzienigheid hadden gekregen, namen ze hem bereidwillig op.

Madonna con Bambino e S. Antonio Abata
1540-45. Alessandro Bonvicino, detto Il Moretto. Museum van Liechtenstein.
Antonius in aanbidding van het Christuskind.
[§ 60] ... toen hij weer eens op de berg zat, sloeg hij zijn ogen op en zag dat iemand in de lucht omhoog gevoerd werd en dat er veel vreugde was bij hen die hem ontmoetten. Verwonderd en veronderstellend dat een dergelijk gezelschap gezegend is, bad hij om te mogen weten wat dit toch was. En onmiddellijk kwam er een stem tot hem: "Dit is de ziel van Ammoen, de monnik in Nitrië.”
De monniken aan wie Antonius over de dood van Ammoen gesproken had, tekenden de dag op. En toen er dertig dagen later enkele broeders uit Nitrië aankwamen, informeerden ze bij hen en vernamen dat Ammoen juist op dezelfde dag en hetzelfde uur ontslapen was als waarop de grijsaard zijn ziel omhoog gedragen zag worden.
[§ 82] En zijn metgezellen zagen dat hij een visioen had. Want vaak als hij in de bergen was, zag hij wat er in Egypte plaats greep, en vertelde het aan bisschop Serapion, die in de cel bij hem zat, en die zag dat Antonius geheel opging in een visioen.
Verlichting
Na al deze gevechten met duivels en demonen, hemelse stemmen, visioenen, gesprekken met de Heer en wonderen, lijkt het wel op zijn plaats ons eens af te vragen wat voor soort godsbeleving Antonius had, hoe Verlicht hij was en wat voor soort Verlichting dat was. Daartoe zal ik eerst een stukje van Aldous Huxley citeren, waarin hij het verschil tussen een persoonlijke God — de magisch-devotioneel-religieuze opvatting — en een 'immanente' godheid — de (devotioneel)-mystieke opvatting — uiteenzet :

In literaire vorm maakt de mystieke traditie zijn eerste verschijning in Upanishaden, van welke de vroegste wordt verondersteld te dateren van ongeveer de achtste eeuw vóór Christus. In deze Hindoe geschriften vinden wij een bepaalde metafysische theorie van het heelal en van de relatie van de mens daarmee.
Deze theorie wordt samengevat in de uitdrukking Tat tvam asi – gij zijt dat. De uiteindelijke werkelijkheid is zowel transcendent als immanent. God is de schepper en onderhouder van de wereld; maar toch is het koninkrijk van God ook binnen ons, als een wijze van bewustzijn die ten grondslag ligt, zo te zeggen, aan het gewone geïndividualiseerde bewustzijn van het dagelijkse leven, maar niet ermee samenvallend; verschillend in type, en toch realiseerbaar door iedereen die bereid is "zijn leven te verliezen teneinde het te verwerven."
Deze metafysische theorie was een poging om een bepaald soort directe ervaring te verklaren en in India werd deze altijd onderwezen in samenhang met bepaalde technische instructies betreffende de ethische en psychologische middelen waardoor de mens tot die ervaring zou kunnen komen, of, om de taal van de metafysische theorie te gebruiken, het Brahman — de uiteindelijke werkelijkheid latent binnen in hen — zou kunnen realiseren.

Nu lijkt me dat we de realisatie van deze metafysische theorie ook weer niet moeten overdrijven. Ook in India zullen de meeste asceten en mystici toch vooral met persoonlijke goden in de weer zijn geweest, dus vooral in de devotionele sfeer, kortom met bhakti. En zo bleef de metafysische theorie grotendeels speculatie en geen ervaring.

Het Christendom begon met een metafysisch systeem dat uit verscheidene reeds bestaande en wederzijds onverenigbare systemen werd afgeleid. Jezus schijnt als vanzelfsprekend het bestaan van de persoonlijke godheid van het Oude Testament aangenomen te hebben; maar te zelfdertijd schijnt hij een zuiver mystieke benadering van het koninkrijk van God, dat hij werkelijk in zijn ziel ervoer, gebruikt te hebben.

Hier stelt Huxley het eventuele Christelijke mysticisme wel zeer voorzichtig, en met recht, want dat is toch eigenlijk alleen tussen de regels lezend eruit te halen. Het wereldverzakende aspect is veel evidenter, en hier en daar leest de Bijbel als een handboek voor ascese, zoals teksten daaruit ook Antonius tot de ascese wisten aan te zetten:

[§ 2] ... [hij] ging ... de kerk binnen, en het kwam zo uit dat daar toen uit het Evangelie voorgelezen werd en hij hoorde hoe de Heer tot de rijke man zei: “Als je volmaakt wil zijn, ga dan heen, verkoop al je bezittingen, en geef het aan de armen. Kom dan hier en volg mij, en je zult een schat in de hemel hebben.” (Mt. 19,21)
[§ 3] Toen hij weer eens de kerk binnenging, en hoorde dat de Heer in het Evangelie zegt: “Maak je geen zorgen voor de dag van morgen,” (Mt. 6,34)

Christus verschijnt aan Sint Antonius Abt tijdens zijn Verzoeking
± 1598. Annibale Carracci 1560 - 1609.

Weer verder met Huxley:

Van het mysticisme in de vroege Kerk weten we zeer weinig. Psychofysische fenomenen zoals vervoering, glossolalie (spreken in tongen), visioenen en openbaringen kwamen onder de vroege Christenen veel voor, en werden zeer op prijs gesteld.
Maar deze manifestaties komen vaak voor in individuen wier godsdienst totaal tegenovergesteld is aan mysticisme; anderzijds is het een waargenomen feit dat zij soms als bijproducten van een echte mystieke ervaring voorkomen. We zullen waarschijnlijk vrij dichtbij de waarheid zijn als we veronderstellen dat er in de vroege Kerk veel extatisch heidense heroplevingen en een beetje mystieke contemplatie waren.
Tegen de vierde eeuw ... waren onder de heremieten en kluizenaars van de Egyptische woestijn een duidelijk omlijnde mystieke filosofie en discipline ontwikkeld.

Dit laatste betwijfel ik; waarschijnlijk begint dat pas bij of na Augustinus, die via Plotinus in contact is gekomen met het Hindoeïstische gedachtengoed.
De teksten over Antonius en de andere woestijnvaders lezend, krijgen we toch juist een indruk van diepe devotie tot een zeer persoonlijk God — en angst voor een zeer persoonlijke Duivel.

Christus verschijnt aan Antonius
Simon Vouet, 1649 ; Musée de Grenoble.

Als laatste punt wil ik even de Verlichting van Antonius aanroeren.
Zoals "the proof of the pudding is in the eating", zo is de meest onfeilbare maatstaf voor de mate van Verlichting of Godsrealisatie, de gevoelens en gedachten vóór en tijdens het sterven. Als je echt in de Hemel geloofd, zal je als gelovige toch blij moeten zijn er nu eindelijk heen te kunnen. Als je in het versmelten van de eigen ziel met het Al geloofd — het één worden van Atman met het Brahman — dan is er toch ook weinig reden voor angst. Wel is er natuurlijk het onherroepelijke afscheid nemen.
Wel, wat dit betreft, kunnen we wel zeggen dat Antonius het criterium met vlag en wimpel haalt.

[§ 92] Toen hij dat gezegd had, en zij hem gekust hadden, tilde hij zijn voeten op, en terwijl het leek alsof hij vrienden op zich toe zag komen en daarom bijzonder blij werd (want terwijl hij zo lag, zag zijn gezicht er verheugd uit), stierf hij en werd hij tot de vaderen vergaderd.

Duivels en demonen in de iconografie van Antonius
Duiveltjes of demonen als iconografische attributen van Antonius komen zowel in de toegepaste kunst als in de schilderkunst voor, maar wel met verschillende accenten in functies en plaatsen. Als er een demon voorkomt in een sculptuur, dan ligt deze te kronkelen onder een voet van Antonius, duidelijk 'verslagen' of — letterlijk — onderworpen.
Sint Antonius Abt. Toegeschreven aan Niclaus van Haguenau, Straatsburg, ca. 1500. The Cloisters Collection.
De heilige Antonius als heremiet
(Detail)
Lucas Cranach de Oude. ± 1520/25. Leitmeritz/Biskupstvi Litomericke Tsjechische Republik.
 
In de schilderkunst zijn de duiveltjes en demonen vrijwel altijd actief, met pesten of 'verleiden', met trekken en sjorren aan Antonius, of elders drukte makend in de ruimte rondom.
In grafische afbeeldingen (zoals veelal in manuscripten) komen beide voorstellingen voor, zowel de actieve als de onderworpen duiveltjes en demonen.
Het varken van Antonius is geen demon, staat niet symbool voor de duivel of overwinning van de lusten, maar is zijn assistent in zijn relaties met de Onderwereld.

Wat ik bij het hoofdstuk over het varken al zei, wil ik hier nog benadrukken. Er worden in de Vita wel dieren genoemd als vermommingen voor demonen, voornamelijk wilde dieren, maar het varken of het zwijn zijn daar niet bij.

Ook in de beeldende kunsten blijkt het varken náást de demonen voor te komen, en dan gewoonlijk zachtaardig, zeker niet demonisch, afgebeeld, wat verder nog eens duidelijk maakt dat het varken geen vermomming is van een demon of van demonische 'lusten' — zoals door oppervlakkige beschouwers van de Antonius iconografie vaak beweerd wordt — maar dat het een heel eigen positie inneemt.
Maar in het algemeen zijn er in de iconografie van Antonius toch betrekkelijk weinig duivels en demonen te bekennen. Dat geldt zeker voor de toegepaste kunst, maar ook in de schilderkunst is het alleen maar in een bepaalde periode en bij bepaalde schilders dat demonen — als zodanig herkenbaar — veelvuldig afgebeeld worden.
Dat is merkwaardig omdat in de Vita duivels en demonen een zeer prominente rol spelen. In feite komen de woorden 'duivel' en 'demonen' en soortgelijke vaker voor in de Vita dan woorden als 'engel', 'Heer', 'God' en dergelijke.

De aanvallen van de demonen
Horae ad usum Romanum. 15e eeuw. Bibliothèque Nationale de France, Parijs.
Een vertrapte duivel of demon vinden we ook onder de voeten van Jezus, die op deze afbeeldingen de hel bezocht om de zielen te bevrijden.
En dat bezoek aan de hel doet weer even denken aan het bezoek van Antonius aan de hel om daar het vuur te stelen.
   
Hieronder zien we een aantal Antoniusbeelden in Duitsland, waar hij de duivel of demon vertrapt.
Het zijn er nogal veel. Dat in tegenstelling tot de Lage Landen (en andere Europese landen) waar je deze demonische verbeelding of voorstelling niet zo vaak tegenkomt. Wat Vlaanderen betreft, heb ik dit alleen in Solt gezien, als de muil van een duivel of demon aan de voeten van Antonius. Ook in Frankrijk is de vertrapte demon een zeer zeldzaam attribuut.
Kerk in Kappenberg. Kapel in Hövel. Parochiekerk in Havixbeck. Antoniuskapel van Horstmar. 1770
Antonius vertrapt overigens niet alleen maar een demon, maar ook een wezen dat symbool staat voor het heidendom, want zeker in die tijd waren heidendom en satan vrijwel synoniem. De heidense afgoden waren afgezanten van de duivel. Dus Antonius overwint niet alleen de duivel maar hij roeit ook heidense afgoderij uit.
De Antonius kapel, bij Heide, Venraij. Gewijd aan Antonius Abt en Alfonsus de Liguori.
Antonius wordt afgebeeld met een groene draak onder zijn voeten, duidelijk in het stadium van overwonnen te worden, een opvatting van het duivelse 'attribuut' die in Nederland niet (vaak) getoond wordt.
De inspiratiebron voor deze draak is het 16e eeuwse beeld van de kapel Veltum, en dat heeft de draak. Die staat voor de duivel en het kwaad, dat Antonius bestreed.
Het varkentje helpt hem overigens door de draak in een oor te bijten.
Eens te meer een aanwijzing dat het varkentje zelf niet demonisch van aard is, en niet symbool staat voor de "strijd tegen het kwaad", zoals zo vaak beweerd wordt, maar juist meehelpt in de strijd tégen het kwaad.
Engelen in de iconografie van Antonius
Hoewel engelen als zodanig niet voorkomen in de Vita, en evenmin echt behoren bij de cultus rond Antonius, spelen ze toch wel een bescheiden rol in de beeldvorming van Antonius.

De schildering (links) toont hoe de demon onder de voeten van Antonius wordt vertrapt en vernederd. Maar in contrast met de vertrapte demon zien we ook nog twee engelen.

Deze afbeelding komt uit het Liber vita sanctissimi Anthonii Abbatis, een verzameling van 200 afbeeldingen van het leven van Antonius, die in 1426 werd vervaardigd. Er zijn twee exemplaren van: één in de bibliotheek van Malta, en één (waaruit de hier getoonde afbeelding) in de Biblioteca Medicea Laurenziana in Florence, die in opdracht van de toenmalige abt van de Antoniaanse commanderie van Chambéry, broeder Jean de Montchenu, in ± 1432 werd vervaardigd, en die op deze afbeelding het boek opdraagt aan Antonius.

Een interessant detail in de afbeelding hiernaast is de mantel van gevlochten riet of palmbladeren die Antonius draagt, een kledingstuk waarin hij zelden afgebeeld werd (zie verder over Mantel).

Engelen komen niet alleen op schilderingen en illustraties voor, maar ook op sculpturen, zoals die uit Sicilië (links), waar in plaats van het varkentje (zo lijkt het ten minste) een of meer putti zijn weergegeven.
En weer een aanwijzing dat het varkentje zelf niet demonisch van aard is, en niet symbool staat voor de "strijd tegen het kwaad".
Engelen als gezelschap van Antonius lijken voornamelijk op Sicilië voor te komen, zoals bijvoorbeeld te zien is op de sculptuur uit Ferla (links) en het schilderij (rechts) uit Piedimonte Etneo.
Een andere kant van het verbranden van de duivel is natuurlijk dat dit een bijbelse voorstelling van de overwinning op de satan is, waar Antonius natuurlijk een goed voorbeeld van gegeven had.
Zoals in Apocalyps 20, 10: De duivel, die hen misleid had, werd in de poel van vuur en zwavel geworpen, waarin ook het beest is en de valse profeet. En zij zullen dag en nacht gepijnigd worden, tot in alle eeuwigheid.
Andere duivels, demonen, draken en drakendoders
Antonius is niet de enige heilige die afgebeeld wordt met een duiveltje of demon die onder de voeten wordt vertrapt.

Een andere heilige is Dymphna, "de patrones tegen alle zenuwziekten", van wie ik een mooi beeld aantrof in de Heilig Hart Kerk in de Begijnhof te Turnhout. Ook de duivel is zeer fraai uitgevoerd.
Het lijkt voor de hand te liggen de "zenuwziekten" waar hierover gesproken wordt — d.w.z. hysterie, geestesziekten, hallucinaties enzovoort — gelijk te stellen aan bezetenheid door de duivel, zoals de vroegere opvatting was. En net als Antonius bezat Dymphna het vermogen deze uit te drijven.

Een andere vroege en belangrijke duiveluitdrijver was Martinus van Tours.

Martinus werd zelfs als zodanig officieel door de kerk aangesteld. Hoewel hij iconografisch meestal wordt afgebeeld op het moment dat hij zijn mantel in tweeën deelt om een helft aan een bedelaar te geven, wordt hij ook wel met een duivel afgebeeld.
Hij hield zich ook intensief bezig met het vernietigen van heidense tempels en bomen, en de heiden (of ketter) werd natuurlijk gelijk gesteld met de duivel.

Dat zien we ook bij Norbertus, hier voorgesteld als bisschop met monstrans in de hand en onder de voet de ketter Tanchelm vertrappend.
En er is nog een interessante variatie op dit thema, namelijk een duiveltje of demon aan een ketting.

St. Bartholomeus, 16e eeuw, Refectory Museum, Cathedraal van H. Maria, Pamplona, Spanje.

Volgens de Gouden Legende reisde de Apostel St. Bartholomeus na Christus' Hemelvaart naar Perzië, Armenië en India om het evangelie te verkondigen. In Armenië genas hij de dochter van de Armeense koning Polymius van haar bezetenheid door een zwarte demon met kettingen van vuur vast te binden. Hij vernietigde de demonische afgoden in de tempels. Toen de koning en zijn familie, hofhouding en volk zich door hem lieten bekeren, klaagden heidense (Griekse!) priesters over deze magiër bij de broer van de koning, die Bartholomeus gevangen nam en hem levend liet villen.
Beroemd was Bartholomeus vooral om zijn genezingen van geesteszieken. Evenals Dymphna wordt hij aangeroepen als beschermheilige tegen zenuwziekten en stuipen.


St. Bernard van Clairvaux. Teramo Piaggio, 1490-1562. Cesena

Bernard van Clairvaux (1090-1153) was abt en één van de belangrijkste hervormers van het kloosterleven bij de cisterciënzers. Ook was hij één van de drijvende krachten achter de tweede kruistocht. Hij wordt vaak begeleid door een duivel aan een ketting, wat zou kunnen verwijzen naar de succesvolle exorcismes die hem in de Gouden Legende worden toegeschreven.

 
In samenhang met het duiveltje dat door Dymphna vertrapt wordt, en de duiveltjes aan de ketting bij Bartholomeus en Bernard van Clairveaux, kunnen we wel concluderen dat het vertrapte duiveltje bij Antonius niet alleen gezien zien moet worden als een overwinning van Antonius op het kwaad of op de lusten, maar vooral als een tenietdoen van de zinsbegoocheling of hallucinatie van anderen door Antonius. Ik denk dat dit door veel lijders aan het Antoniusvuur — die daarvan toch ook 'geestesziek' waren — en andere zenuw- of geesteszieken zo werd opgevat. Het is dus niet zijn demon, maar hun demon die vertrapt wordt (of gevangen).
Als heiligen worden afgebeeld met een draak onder de voeten, gaat men er dus in het algemeen van uit dat de draak symbool staat voor de duivel en het kwaad, of demonische bezetenheid.
In een enigszins andere opvatting staat de draak voor de heiden, het heidense geloof of een heidens afgodsbeeld, die door de heilige verslagen worden.
In de Vita van Antonius wordt weinig melding gemaakt van strijd tegen de heidenen, behalve dan zijn waarschuwingen tegen de Arianen en tegen "Griekse" afgoderij. Maar bij andere heiligen, met een draak onder de voeten of een anderszins verslagen demon, treedt juist dat aspect op de voorgrond.
St. Joris met de draak. ca. 1472. Carlo Crivelli. Metropolitan Museum of Art, New York. De heilige drakendoders Samson (links) en Paul Aurélien (rechts).
De laatste (uit de 5e eeuw) is ook gerelateerd aan een varkenshoeder.
Daarnaast wordt hij meestal afgebeeld met een klok.
Sint-Joris wordt traditioneel afgebeeld met een draak, die hij volgens de overlevering zou hebben gedood. De draak staat hierbij symbool voor het heidendom en het verslaan van de draak symboliseert de bekering van een heidens land of stad tot het christendom.
In de Legenda Aurea uit de 13e eeuw wordt het verhaal van St. Joris voor het eerst in de huidige vorm beschreven.
De stad werd door een draak getiranniseerd. Dagelijks verslond hij twee schapen, die hem geofferd werden, zodat hij zich rustig houden zou. Toen de laatste schapen op deze manier verdwenen waren, eiste de draak mensenoffers. Hierbij viel het lot ook op de dochter van de koning. In bruidskleren trad zij haar dood tegemoet. Maar St. Joris viel de draak met een lans aan en verwondde het gedrocht. Hij beloofde de koning en het volk dat hij het ondier doden zou als zich iedereen door hem zou laten dopen. Toen koning en volk akkoord gingen doodde hij de draak en op die dag lieten 15.000 mensen zich dopen.
De overeenkomst tussen de draak en bijvoorbeeld de heidense Moloch, die ook met mensenoffers tevreden gesteld moest worden, is nogal evident.

Voor hedendaagse duiveltjes en demonen, zie pagina.

Heeft u informatie over Antonius Abt, of vragen, neem dan contact op met mij: Dolf Hartsuiker