De iconografie van Sint Antonius
1. Tijdperken, 2. Varken, 3. Vuur, 4. Tau & staf, 5. Klok, 6. Duivel & demonen, 7. Boek & snoer, 8. Hoofd & lijf, 9. Relikwieën
Boek

Een van de attributen van Antonius is een boek.
Zeker op de meerderheid der sculpturen, zo'n driekwart van de afbeeldingen en een groot deel van de schilderijen heeft hij een boek in zijn hand, op de arm of ligt het in de buurt. Het boek kan gesloten of open worden afgebeeld en soms leest of schrijft hij er zelfs in.
Het boek in zijn typische vorm als verzameling van bladzijden wordt geassocieerd met de Bijbel.
Op orthodoxe iconen wordt Antonius vaak afgebeeld met een boekrol (scroll), een vorm die vooraf ging aan het boek.
Meestal staat er op die rol: "Ik ben niet meer bang van God maar ik houd van Hem."
Maar het boek is een zeer veel voorkomend attribuut van andere heiligen, dus niet echt typerend voor Antonius.
Misschien weer wel wat typerender is het feit dat er wel eens een vlam uit zijn boek oprijst, wat bij de paragraaf over vuur al even aan de orde is geweest, de 'tongen van vuur'.
St. Antonius Abt
Giovanni di Nicola, ± 1350.
Het boek is een Romeinse uitvinding
In de klassieke tijd gebruikten de Romeinen ... voor hun rollen bijna uitsluitend papyrus. Pas toen papyrus tijdens de bezetting van Egypte door Antiochus Epipanes (I70-I68) in Rome een schaars goed werd, moesten zij nolens volens op een vervangingsmiddel teruggrijpen: op de vellen uit Pergamon, op perkament. Toen de papyrus weer beschikbaar kwam, hadden de Romeinen een voordeel van het perkament ontdekt: het was afwasbaar en daardoor opnieuw beschrijfbaar.
Maar pas met de uitvinding van de codex [=boek] in de tweede helft van de eerste eeuw v. Chr. kwam dit voordeel tot zijn recht. Toen verschenen naast de codices [=boeken] van papyrus ... ook de codices van perkament ... deels als notitieboekjes, deels als zakagenda's. Omdat ze bijna onverslijtbaar waren en daardoor geschikt voor op reis waren ze bijzonder geliefd bij dichters, die vaak onderweg waren.
Het is bekend, dat de invoering van de codex, het boek, teruggaat op Caesar, die in de loop van zijn vele, verschillende krijgstochten meermalen technologische vernieuwingen had moeten invoeren. Naar alle schijn waren de volumina, de rollen, hem eenvoudigweg te volumineus en onpraktisch.
Geformuleerd in de computertaal van vandaag: vergeleken bij de rol heeft het boek het voordeel dat de seriële tekst althans per bladzijde sequentieel toegankelijk is; dit maakt random access - willekeurige toegang - mogelijk, wat in de oorlog, waar overzicht en snelheid beslissend zijn, geen gering voordeel is. Dit kon natuurlijk een snelheidsmaniak als Caesar niet ontgaan: hij voerde de codex onverwijld en systematisch in.
Zoals de papyrusvondsten laten zien, zijn in de eerste twee eeuwen na Christus de rollen tegenover de codices nog in de meerderheid. Pas in de derde eeuw houden ze elkaar in evenwicht. Vanaf Constantijn slaat de verhouding om ten gunste van het boek. Pas vanaf de zesde eeuw verdwijnt de rol.
Het hiervoor genoemde geldt voor heidense teksten. De christelijke geschriften daarentegen werden vanaf het begin als codex uitgevoerd. En wel alleen maar als codex, een opvallend onderscheid met de joodse teksten, die men onveranderlijk op rollen bleef schrijven.
Het boek was zo typerend voor de christenen, dat in de iconografie de man met het boek voor de christen kon staan, en Christus bij uitstek de man van het boek werd.
Een Russisch icoon van Christus Pantocrator, de Albeheerser.
Het open boek in Zijn hand is natuurlijk de Heilige Schrift.

Niet alleen qua inhoud, maar ook als object is de Bijbel heilig.
Het Boek bij andere heiligen
Aangezien de "man (of vrouw) met het boek" a priori al als Christen wordt gezien, is het niet zo verwonderlijk dat veel heiligen met een boek zijn afgebeeld. In het algemeen is het de Bijbel waarmee ze afgebeeld worden maar er zijn toch ook ook andere boeken, en soms is de Bijbel op bijzondere wijze afgebeeld.
Antonius van Padua (1195-1231) wordt meestal afgebeeld met het Christuskind op de arm en een lelie in de hand. In feite refereert het Christuskind aan de veelvuldige visoenen die hij had en op de afbeelding hiernaast verschijnt Christuskind op de open bladzijden van een boek, ongetwijfeld de Bijbel.
Als iconografisch attribuut lijkt deze voorstelling vooraf gegaan te zijn aan het levensgrote kindje dat later op zijn arm wordt afgebeeld.
Antonius van Padua. El Greco (1541-1614).
Benedictus (480 – 548) (links) is afgebeeld terwijl hij het Benedictijner Boek met Regels voor monniken schrijft.
1926, Herman Nieg. Heiligenkreuz Abdij kerk, bij Baden bij Wenen.
Bonifacius (672 – 754) verspreidde het Christendom te vuur en te zwaard. In zijn bekeringsdrift hakte hij de heilige eiken van de heidenen om en heeft daarom vaak een bijl en Bijbel als attributen.
Als straf voor het vernietigen van hun heiligdommen, werd Bonifacius door de Friezen bij Dokkum gedood.

Dominicus (1170-1221) was de stichter van de Orde der Predikbroeders of Dominicanen. Doel van de orde was het verdedigen van de katholieke leer tegen ketterijen. Hij wordt meestal afgebeeld met de attributen staf, boek en hond. De staf staat voor zijn geestelijk leiderschap; het boek voor de dominicaanse nadruk op studie. De hond verwijst naar een woordspeling: het Latijnse dominicanus lijkt op Domini canis, dat ’hond van de Heer’ betekent.

Sint Dominicus
in de kathedraal van Faro, Portugal,
met 'hond van de Heer'.
Hiëronymus (340-420) is het meest bekend als de vertaler van de Bijbel vanuit het Grieks en Hebreeuws in het Latijn, de zgn. vulgaat. Hij was jarenlang een heremiet in de woestijn en bezocht de woestijnvaders in o.a. Egypte. Naast talloze andere werken schreef hij de Vita van Paulus van Thebe, die ook op deze site te vinden is. Hij wordt meestal afgebeeld met kardinaalshoed en leeuw. Soms ook als schamel geklede kluizenaar met kruisbeeld en boek in de hand en doodshoofd aan de voeten.
Hiëronymus in zijn studeerkamer, 1480. Domenico Ghirlandaio. Kerk van Ognissanti, Florence.
De Apostelen als oorspronkelijke auteurs van het Nieuwe Testament worden natuurlijk met een boek als iconigrafisch attribuut afgebeeld. En om ze in één keer maar te tonen, is het schilderij van Albrecht Dürer uit 1526, getiteld "De Vier Apostelen" (Alte Pinakothek, München) prachtig illustratief.
Het schilderij heet dan wel de Vier Apostelen, maar de Vier Heilige Mannen zou een correctere titel zijn.

Want het zijn drie apostelen en één evangelist, Marcus. Johannes staat uiterst links, en houdt het Nieuw Testament open waaruit hij de eerste verzen van het Evangelie leest. Achter hem is het figuur van Petrus, die de gouden sleutel voor de poort van hemel vasthoudt. Op het andere paneel, op de achtergrond staande, is de Evangelist Marcus, de Evangelist, met een rol. Uiterst rechts staat Paulus, die een gesloten Bijbel vasthoudt en op een zwaard leunt — een verwijzing naar zijn latere executie.
   
  Lucas, een andere auteur van het Nieuwe Testament, wordt vaak met een boek afgebeeld, hoewel zijn eigenlijke attribuut een os is, maar een schetsboek zou nog het beste bij hem passen. Vaak wordt hij namelijk getoond als de schilder van de Maagd Maria.  
Nicolaas van Myra (4e eeuw) is ook bekend als Nicolaas van Bari, een stadje in Italië, omdat zijn relieken daarheen werden overgebracht nadat Myra door de turken veroverd was. Hij wordt voorgesteld in bisschoppelijk ornaat, met anker of scheepje, kuip met drie kinderen aan zijn voeten, met drie gouden ballen op een boek of met een geldbeurs in de hand.
De drie gouden ballen hebben te maken met een legende waarin hij drie dochters van een verarmde edelman aan een bruidsschat helpt. In onze contreien is hij natuurlijk beter bekend als Sinterklaas.

En het grote rode boek dat Sinterklaas bij zich heeft — en dat zeker op een heilig boek lijkt, zelfs op het Boek des Levens — is, zoals we allemaal heel goed weten, het register waarin onze goede en vooral slechte daden genoteerd staan.
St. Nicolaas van Bari
15e eeuw. Bartolomeo Vivarini. Kerk van St. Stefano, Venetië.
 
In dit verband is het intrigerend om te zien dat in bepaalde plaatsen in Spanje, zoals Abenfigo, Aguaviva of Mas de las Matas, de gewoonte bestaat om tijdens de Antoniusvieringen gedichten (mochiganga, moxiganga of mojiganga) te maken waarin de negatieve eigenschappen of daden van een persoon op grappige wijze worden verteld. Dat doet natuurlijk sterk denken aan onze sinterklaasgedichten.
Stefanus was de eerste martelaar. Hij werd gestenigd na in Jeruzalem de hogepriester en de ouderen te hebben beschuldigd van de moord op de Messias.
De latere apostel Paulus werkte aan zijn executie mee.
Zijn belangrijkste attribuut wordt zichtbaar gemaakt met de drie stenen op hoofd en schouders.
Sint Stefanus
1476. Carlo Crivelli.
Met drie stenen, de martelaarspalm en een boek.

Theresia van Avila (1515 —1582) is één van de beroemdste mystici onder de katholieke heiligen. Samen met de heilige Johannes van het Kruis heeft zij de orde van de Karmel hervormd.
Zij wordt meestal afgebeeld met een ganzeveer in de hand terwijl ze een van haar boeken aan het schrijven is (rechts). Zij schreef deze werken overigens niet alleen ter instructie van mystici in spé, maar vooral om aan de toenmalige inquisitie duidelijk te maken dat haar vervoeringen en andere mystieke verschijnselen door God gegeven waren en niet door de Duivel.
Van haar geschriften zijn haar "Innerlijke Burcht," de Weg van Volmaaktheid" en haar "Hooglied" het meest beroemd. Deze geschriften hebben de mystieke theologie dermate ingrijpend beïnvloed, dat zij door paus Paulus VI in 1970 als eerste vrouwelijke heilige werd uitgeroepen tot kerkleraar.
Theresia van Avila en Johannes van het Kruis bereikten beiden een mystiek hoogtepunt dat verder gaat dan de occult-magische religiositeit, het stadium van Godservaring dat Huxley vergeleek met het “tat tvam asi” van de Upanishads.

Maar ook uit de geschiedenis van beiden zijn zeker wel occulte verschijnselen te melden. Zo zou Theresia bijvoorbeeld geregeld leviteren en dan een tijdje dertig centimeter boven de grond blijven zweven, en ook voor Johannes van het Kruis was levitatie niet ongewoon — zoals blijkt uit een schilderij (links) dat nu hangt in de ontvangstkamer van het klooster (Convento de la Encarnación in Ávila) waar Theresia hem destijds ontving en dat die ontvangstsituatie weergeeft met Theresia achter de tralies.

Ook Johannes van het Kruis (Spaans: Juan de la Cruz; 1542 –1591) wordt trouwens wel afgebeeld met ganzeveer en boek, want ook hij stond bekend om zijn mystieke werken, zij het veelal in dichtvorm.
Zijn bekendste werken zijn:”De bestijging van de berg Karmel”, “Donkere nacht”, “Levende liefdesvlam” en “Geestelijk hooglied”.
Johannes van het Kruis leviteert tijdens zijn bezoek aan Theresia van Avila.
Het Boek des Levens
Het Bijbelse beeld van het Boek des Levens is ontleend aan de burgerlijke registratie: God (of Jezus) heeft een boek waarin de namen staan van hen die behoren tot zijn koninkrijk en delen in het leven. (Er staan zeer veel vermeldingen van dit Boek in de Bijbel. Ik geef maar een paar citaten.)
In het Oude Testament betekende het boek van het leven het boek waarin God de namen van de levenden schreef, vooral van de rechtvaardigen en allen die tot het volk van God wilden behoren.
Wie zondigt wordt uit het boek geschrapt en zal sterven.
Ex 32,33: De Heer antwoordde Mozes: ‘Ik schrap uit mijn boek alleen wie tegen Mij zondigt.
Ps 69,29: Veeg hun naam weg uit het boek van het leven: zij worden niet bij de rechtvaardigen vermeld.

Het Nieuwe Testament ziet het als het boek dat de namen bevat van hen die op de voleinding van de wereld deel zullen hebben aan het eeuwige leven. Jezus zegt aan de tweeënzeventig die om te prediken werden uitgezonden: ‘verheug je omdat jullie namen staan opgetekend in de hemel’.

Luc 10,20: ‘Toch moeten jullie je niet verheugen omdat de geesten zich aan jullie onderwerpen; nee, verheug je omdat jullie namen staan opgetekend in de hemel.’
Apk 20,15: Ieder van wie de naam niet in het boek des levens stond, werd in de poel van vuur geworpen.
Het "Hermetische Boek der Kennis"
Het boek dat Antonius bij zich draagt, wordt ook wel beschouwd als het "Hermetische Boek der Kennis". Het lijkt mij een wat New-Age-achtige speculatie, maar die niettemin wel enkele interessante verwijzingen bevat.
Volgens deze opvatting was Antonius de erfgenaam en hoeder van de Oudegyptische hermetische kennis en was hij in die leer geïnitieerd. Een belangrijke factor bij die overtuiging is het feit dat Antonius de hoge leeftijd van 105 jaar bereikte, wat dan een speciale medische kennis zou veronderstellen.
Maar wat is daar “hermetisch” aan? Een Egyptisch ‘boek’ zou er waarschijnlijk eerder als een rol uitzien, tenzij Antonius dat boek (in boekvorm) pas veel later of in Europa zou hebben gekregen, maar dan ligt als boek(vorm) de Bijbel toch meer voor de hand. En er werden wel meer mensen zo oud, ook zonder ‘hermetische’ kennis.

Interessanter is de uiterlijke vergelijking met het hoofddeksel van de Egyptische scheppergod Ptah, dat veel lijkt op de kalot (of ‘kogelkap’) die Antonius op veel afbeeldingen draagt, wat inderdaad een nogal afwijkende dracht is voor een Christelijke asceet/monnik. (Voor kalot zie)
Deze hoofddracht zou dan via Ptah een relatie veronderstellen met de godin Isis, die al even aan de orde is geweest in het hoofdstuk over het T-kruis — als vruchtbaarheidsgodin en meesteres van magie — omdat zij met het Ankh-symbool wordt afgebeeld en die werd vereerd in Egypte en in het Romeinse rijk.
Overigens zou ook de Druïde Merlijn vaak als drager van een kalot worden weergegeven. Een dergelijke afbeelding of beschrijving heb ik nog niet gevonden, maar de relatie met Merlijn — als varkenshoeder — zal ik zeker nog verder uitwerken. Dus deze relatie is misschien niet te ver gezocht, maar daarmee is nog geen relatie gelegd met het "Hermetische Boek der Kennis".
Saint Antoine
Een houten polychroom uit Carinthië. ± 1510 - 1515.
Département des Sculptures, Louvre.
Maar Merlijn heeft weer wel wat te maken met het volgende argument, waar wordt beweerd dat het monnikendom, vanuit Egypte gekomen, zich tot op zekere hoogte met oude Druïdendom samenvoegde, en zo in Keltisch Westelijk Europa, in het bijzonder in Brittannië en Ierland tot ontwikkeling kwam. Als bewijs wordt een uiterlijke eigenaardigheid aangehaald betreffende de tonsuur: Keltische monniken hadden een tonsuur op het voorhoofd, net als de Druïden. Er wordt verondersteld dat deze zou lijken op de haardracht die typerend is voor Antonius, maar ik kan daaraan geen tonsuur onderscheiden.
Na de Synode van Whitby in het jaar 664, waarbij de Keltische kerk werd ingelijfd in de Rooms-katholieke Kerk, hadden de monniken als Roomse gelovigen een tonsuur op het achterhoofd.
Het boek in de Vita van Antonius
Het boek van Antonius wordt natuurlijk meestal geïnterpreteerd als de Bijbel, waaruit Antonius (of op zijn minst als spreekbuis van Athanasius) in de Vita immers zo vaak citeert.
Zoals het in de Vita staat:

[§ 1] Maar toen hij opgegroeid was en de jongensjaren bereikte, en ouder werd, kon hij het niet verdragen om te leren lezen omdat hij niets gaf om het gezelschap van andere jongens.

Het werd dan ook wel als een wonder gezien dat hij de Bijbel zo letterlijk kon citeren ook al kon hij niet lezen, en zo verwijst het boek als attribuut dan naar dit wonder.
Maar hij sprak alleen maar zijn lokale taal, in ieder geval geen Grieks, dus hoe zou hij de Bijbel gelezen kunnen hebben, tenzij er een vertaling van was in zijn taal?

[§ 1] Hij was oplettend bij wat gelezen werd en onthield wat hij daarin aan nuttigs voor zichzelf vond.

Zijn oplettendheid wordt zelfs nóg een keer benadrukt:

[§ 3] Hij was zo oplettend bij wat er gelezen werd dat hij niets van de geschreven woorden ter aarde liet vallen maar alles onthield, waardoor zijn geheugen daarna de plaats van boeken innam.

En dat hij niet kon lezen, en ook geen Grieks sprak, betekende nog niet dat hij dom was:

[§ 72] En Antonius was ook buitengewoon verstandig, en het bijzondere was, dat hij, hoewel hij niet had leren lezen, een gevat en scherpzinnig man was. In ieder geval kwamen eens twee Griekse wijsgeren bij hem die dachten dat zij hun vaardigheid wel op Antonius konden uitproberen. En omdat hij zich op de buitenste berg bevond, en aan hun verschijning zag wie zij waren, kwam hij naar hen toe en zei tot hen door middel van een tolk ...
[§ 73] En nog weer anderen zoals deze bezochten hem in de buitenste berg en dachten hem te kunnen bespotten omdat hij niet had leren lezen en schrijven. Antonius sprak tot hen: "Wat denk je: wat is het eerst, het denken of het schrijven? En wat heeft wat veroorzaakt: het denken het schrijven of het schrijven het denken?" Zij antwoordden dat het denken er eerst was, want dat heeft het schrijven uitgevonden.
Waarop Antonius zei: "Dus als iemand een goed verstand heeft, heeft hij lezen en schrijven niet nodig."

Saint Antoine Abbé
Rechter paneel van een retabel, waarop ook Sint Augustinus afgebeeld staat. ± 1470. Toegeschreven aan Giovanni Bellini (Venetië 1459—1516).
Grieks was al honderden jaren de lingua franca in de toen 'bekende wereld', te vergelijken met de positie van het Engels nu. Het feit dat hij geen Grieks sprak duidt erop dat zijn familie geen bijzonder groot "aanzienlijk vermogen bezat", zoals Athanasius beweert, om zo het offer dat hij bracht door een "aanzienlijke hoeveelheid geld" weg te geven aan de armen [op zijn zuster's deel na dan] aan te dikken.
Zijn familie was niet arm, ze bezaten "meer dan acht hectare zeer goed en vruchtbaar bouwland" en een huis, maar het lijken toch eerder redelijk welgestelde boeren. Ze waren in ieder geval niet zo rijk, 'werelds' of vooraanstaand dat ze hem een opleiding in Alexandrië lieten volgen. Het feit dat Antonius niet kon lezen of schrijven, heeft aanleiding gegeven tot de opvatting dat het boek van Antonius een symbool zou zijn van zijn voorkeur voor het "boek van de natuur" boven het geschreven woord.
De vlammen op het boek van Antonius
Zoals ik in het hoofdstuk over Vuur al aangaf kunnen de vlammen die uit het boek opstijgen nauwelijks iets anders zijn dan de "vurige tongen" van de Heilige Geest en kan het boek van Antonius dus ook nauwelijks iets anders zijn dan de Heilge Schrift.
Andere interpretaties zoals het "Hermetische Boek der Kennis" of "boek van de natuur" lijken me dan ook geen hout snijden.
Het enige boek dat nog wel is te overwegen als tegenkandidaat, is het grote rode boek van Sinterklaas, maar dit alleen afgaande op de Spaanse connectie.
Blijft wel de vraag: waarom had Antonius eigenlijk nog zo'n extra attribuut als een boek nodig? Bij al die andere attributen die hij al heeft. Er zijn toch weinig heiligen met zoveel attribruten als hij.
Zou het als spiritueel tegenwicht moeten dienen voor het "aardse" varken?
Andere objecten in/op de hand van Antonius
 
In Saint-Antoine-de-Pont-d'Arratz heeft Antonius geen enkel van de normale attributen bij zich, en is alleen aan zijn gezicht te herkennen is. Hij draagt wel een schedel in zijn twee handen.  
In de parochiekerk de l'Assomption-de-la-Très-Sainte-Vierge van Flavignac, staat dit beeldje van Antonius (naast een beeldje van Maria Magdalena). Hier heeft Antonius een schedel in één hand, maar verder heeft hij de gebruikelijke attributen, zoals T-staf, gevorkte baard en natuurlijk het varkentje.

Voor hedendaagse gebruiken rond het boek, zie pagina.

Bidsnoer
Op een aantal sculpturen en afbeeldingen heeft Antonius een bidsnoer. Het gebruikelijke, voor hem karakteristieke, model is een kort snoer met dikke kralen.
Zoals het Boek (of de Bijbel) hem karakteriseert als de “Man van de Schrift” zo zou het bidsnoer Antonius kunnen karakteriseren als de “Man van het Gebed”.
Maar hoewel het in iconografische beschrijvingen tot zijn vaste attributen wordt gerekend, zijn er toch betrekkelijk weinig afbeeldingen van Antonius met bidsnoer.
Maar daar staat tegenover dat er ook weinig andere heiligen worden afgebeeld met een bidsnoer. Ik heb er slechts twee gevonden. De eerste en belangrijkste is Dominicus (zie links en beneden) die volgens een Maria-legende en volgens Paus Pius V de rozenkrans in het Chistendom geïntroduceerd zou hebben, en die wel eens, maar zeker niet altijd, met een lange rozenkrans wordt afgebeeld.
De tweede is een 11de eeuwse naamgenoot, Sint Dominicus de la Calzada, zie rechts.

Dus wat het bidsnoer betreft — zeker als we kijken naar het voor Antonius gebruikelijke 'korte model' — kunnen we toch wel spreken van een attribuut dat hem typeert en onderscheidt.
Sint Dominicus
vroeg 17e eeuw. Kerk van San Pablo, Valladolid, Spanje.
Sint Dominicus de la Calzada
Cathedraal van Burgos, Spanje.
Mala

In het algemeen wordt aangenomen dat het bidsnoer uit India afkomstig is.
Ik zou nog een stapje verder willen gaan, en speculeren dat het stamt uit pre-Arisch India, uit de Harappa cultuur, gezien de vroege en nauwe verbondenheid van het bidsnoer — de mala — met de godheid Shiva.
Hoewel ik ergens ben tegengekomen dat er “in India ... zandstenen beelden uit de 2e eeuw v.Chr. [zijn] teruggevonden, van goden en heiligen met dergelijke kralensnoeren”, is het vroegste beeld wat ik ervan heb uit de 4e eeuw n.Chr., zie hieronder, van Shiva met een korte mala in zijn hand. (Zie ook de plaat van Shiva, waar hij zowel een kleine mala in de hand heeft als kleine mala's rond zijn armen en lange mala's om zijn nek.)
Dat zou erop kunnen duiden dat het ‘korte model’ voorafging aan het gebruikelijke — en dus latere — model van de mala met 108 kralen. 108 is een heilig getal in het Hindoeïsme, waar ik nu verder maar niet over zal uitweiden. Het ‘korte model’ mala heeft 54 kralen, hetzelfde aantal als er 'letters' in het Sanskriet 'alfabet' zijn.
Interessant in dit verband is dan ook dat het bidsnoer van Antonius ook zo’n ‘kort model’ is, en niet het gebruikelijke — verondersteld latere — model van 165 kralen.
Hoewel het waarschijnlijk is dat de mala opkwam met Shiva zijn ook de andere goden er later mee uitgerust. Aan de kralen is te zien welke godheid door de gelovige wordt aanbeden — roedraksj-noten voor Shiva en toelsi-houten kralen voor Rama — en tot welke godheid hij zijn japa richt. Japa is het herhalen van mantra’s die in dit geval in essentie de naam van god zijn, zoals “Om namah Shivaya”, “Om ik buig voor Shiva,” of “Sita-Rama, Sita-Rama.” Wat dat betreft lijkt japa erg op de weesgegroetjes.
Shiva, Vakataka, 4e-5e eeuw n.Chr., Mansar, Maharashtra. Een afgebroken mala in zijn linker-achter-hand, en mala's om nek en pols.
Een andere — nog vroegere (eerder dan de 6e eeuw v.Chr.) — afbeelding van een bidsnoer vinden we in Nineveh, en ook dat is een ‘kort model’. Wellicht toch het oer-type.
Plaat 7 uit Layard's Monuments of Nineveh deel I, Nimroud : Gevleugelde vrouwen die vóór de heilige boom staan. "Zij heffen de uitgestrekte rechterhand op, en dragen een bloemenkrans of bidsnoer in de linkerhand. Zij hebben lang haar dat over de rug valt, en een eigenaardig kledingstuk, blijkbaar van bont, dat van het middel tot aan de enkels reikt."
Dit ‘korte model’ bidsnoer wordt trouwens nog steeds gebruikt, zowel in het Hindoeïsme (waar het dan 54 kralen heeft) en in de Islam, de zogenaamde “worry-beads”, die vrijwel continue in de hand worden gehouden terwijl de kralen onbewust en automatisch ‘geteld’ worden.
Vanuit het Hindoeïsme heeft de mala zijn weg gevonden naar de andere wereldreligies — die naar mijn mening ook alle aan het Hindoeïsme (en dus aan elkaar) elkaar gerelateerd zijn — en niet alleen voor wat betreft de bidsnoer — zoals Boeddhisme, Christendom (Koptisch, Orthodox en Katholiek) en Islam.
Het is dus niet juist om te stellen, zoals ik dat ben tegengekomen, dat het bidsnoer door Christelijke kruisvaarders van de Moslims zou zijn overgenomen, die hun tasbih op hun beurt van de Boeddhistische mala zouden hebben overgenomen. Het lijkt mij zeer onwaarschijnlijk dat de Christenen een dergelijk religieus object overgenomen zouden hebben van hun vijanden, de Moslims.
Koptische mequteria (links) en Grieks-orthodoxe komvoschinion (rechts)
Het lijkt er op dat het gebruik van een dergelijk snoer al bestond voordat de Kopten zich afsplitsten van de rest van de Christelijke kerk, en dus vér voor het ontstaan van de Islam of de Kruistochten. Een ‘primitievere’ vorm van het bidsnoer kent overigens geen kralen maar knopen in een koord, zoals die nog steeds in gebruik is in de Grieks-orthodoxe kerk, naast de komvoschinion met kralen.
Steentjes of schelpen
Gaan we nog verder terug naar de basis, dan vinden we losse steentjes of schelpen die dienst doen als instrument voor het tellen van gebeden.
Ook hiervan vinden we trouwens een voorbeeld in India, zoals op de foto hieronder zichtbaar is.
   
Deze sadhoe, Rama Kishan Das, verricht parikrama, d.i. een rondgang, om een berg door de weg met zijn lichaamslengten af te passen. Na elke ‘stap’ staat hij stil en verricht 108 gebeden op die plek, waarvoor hij de steentjes gebruikt die hij naast zich heeft liggen. Dan gaat hij weer verder met de volgende ‘stap’.Interessant is dat het gebruik van steentjes om de gebeden te tellen ook onder de woestijnvaders in Egypte in zwang was, zoals blijkt uit een beschrijving in de Historia Lausiaca. In hoofdstuk XXIII worden gebeurtenissen uit het Leven van abba Paulus verhaald — overigens niet Paulus van Thebe, de collega/vriend van Antonius, die elders op deze site beschreven wordt.

Er is in Egypte aan de rand van de enorme woestijn van Scete een berg Pherme genaamd, waar ongeveer vijf honderd mannen het ascetische leven leiden. Onder hen was een uitstekende monnik, Paul genaamd, die nooit een ander soort leven dan dit had geleid. Hij had nooit betaalde werkgelegenheid gehad, noch om het even wat voor soort zaken gedaan, en nam nooit meer voedsel van wie dan ook aan dan hij in één dag kon eten. Hij wijdde zijn leven aan het werk van het eeuwige gebed. Hij gebruikte drie honderd verschillende vastgestelde gebeden, en hield hetzelfde aantal kiezelstenen in één van zijn zakken. Voor elk gebed bracht hij één kiezelsteen naar een andere zak over.

Duidelijk blijkt hieruit in ieder geval dat de woestijnvaders — en naar we mogen aannemen ook Antonius — een vorm van herhalend gebed kenden die het gebruik van een telmethode noodzakelijk maakte.
Het is dus niet onwaarschijnlijk dat in die contreien het gebruik van een bidsnoer al bekend was, en dat het dus al bij Antonius hoorde voordat hij in Europa bekend werd. Misschien zelfs — zo mag ik speculeren — werd het door hem — net als de bel — in het Europese Christendom geïntroduceerd.
Pas veel later zou zijn huidige vorm krijgen, als bidsnoer.

Rozenkrans

In de liturgische getijden van kloostergemeenschappen werden alle psalmen (150) gebeden; voor de ongeletterden werden de psalmverzen vervangen door 150 Onze Vaders. De bidsnoeren die hierbij gebruikt werden, heetten paternoster, immers de Latijnse naam van het Onze Vader.

In de 12de eeuw kwam hiervoor het Mariagebed 'Wees gegroet' in de plaats. Dan duikt ook voor het eerst de naam rosarium (letterlijk 'rozentuin' of 'rozenkrans') op.
De rozenkrans dankt haar naam, volgens de katholieke overlevering, aan een openbaring van Maria zelf: iedere keer dat een 'wees gegroet' wordt gebeden, schenkt men haar een mooie roos. Elke complete rozenkrans is, zo heet het, voor haar een kroon van rozen.
De verdeling in tientjes, waartussen telkens een Onze Vader wordt gebeden, ontstond in de 15de eeuw. Ook ontstond in deze eeuw de aanroepingen bij elk tientje van de rozenkrans, de zogeheten geheimen.

O.L.V. van de Rozenkrans
18e eeuw. Museum van de kerk van San Paio (Pelagius), Santiago de Compostela, Spanje.
Het rozenkransgebed is historisch gezien vooral bevorderd door Dominicanen en Kruisheren en door de jaren heen door verschillende pausen aangemoedigd. Het werd rijkelijk met aflaten beladen, vooral sinds paus Pius V (1566-1572) een beslissende militaire overwinning van Christenen op de Turkse vloot in 1571 toeschreef aan de kracht van het rozenkransgebed.
Zoals deze Paus in een bul schreef, zou Dominicus, de grondlegger van de dominicanenorde, de rozenkrans in 1221 in Europa geïntroduceerd hebben. Hiermee bevestigde hij een legende die gestalte kreeg in o.a. het schilderij hier linksboven, waar we zien dat Maria de rozenkrans aan Dominicus overhandigd.
Dan wordt ook de rozenkrans in zijn huidige vorm vastgelegd, en bestaat dan uit 15 grote en 150 kleine kralen, en het rozenkransgebed bestaat dan uit 150 maal (15 x 10) het Wees Gegroet, na ieder 'tientje' afgewisseld met een Onze Vader.

Heeft u informatie over Antonius Abt, of vragen, neem dan contact op met mij: Dolf Hartsuiker