De iconografie van Sint Antonius
1. Tijdperken, 2. Varken, 3. Vuur, 4. Tau & staf, 5. Klok, 6. Duivel & demonen, 7. Boek & snoer, 8. Hoofd & lijf, 9. Relikwieën
8. Hoofd(deksel) en lijf(bedekking) en naam
Hoofddeksel
         
         
De meest typerende hoofddracht van Antonius, waarmee hij zich ook duidelijk onderscheid van andere heiligen is de kalot of skull-cap.Vaak zit deze strak om het hoofd en de meest typerende kleur is rood.
Soms, zoals de twee kalotten boven links, zijn ze voorzien van een knoop-en-gat sluiting.
Over de kleur rood valt weinig te zeggen, behalve dat het (later) de kleur van de kardinaalshoed is, zoals we die bijvoorbeeld bij Hiëronymus zien, die op de afbeelding rechts overigens ook zo'n typisch kalotje draagt, terwijl zijn 'chapeau rouge' (die trouwens ook 'calotte' genoemd wordt) naast hem op de grond ligt.
Overigens heeft Cassianus het over "kleine gele kapjes", een van de weinige keren dat er überhaupt een kleur genoemd, maar deze is dus niet 'rood'.
Het Vertrek van St. Hiëronymus uit Antiochië
1452. Benozzo Gozzoli. Fresco. Capella di San Gerolamo. Montefalco, Italië.
De hierboven afgebeelde kalotten lijken aardig overeen te komen met de 'kappen' die door Cassianus in de vierde eeuw beschreven worden in zijn boek "Instellingen" (zie ook hieronder): "Want zij dragen constant zowel bij dag als bij nacht zeer kleine kappen die tot op het eind van de nek en de schouders neerkomen, die slechts het hoofd bedekken, zodat zij er voortdurend toe aangezet worden de eenvoud en de onschuld van kleine kinderen in stand te houden door hun werkelijke kleding te imiteren."
En deze kalot heeft inderdaad iets van een kindermuts.
Koptische monniken
Die omschrijving van Cassianus, zowel als een aantal afbeeldingen van de kalot van Antonius, doen ook veel denken aan de kapjes zoals die door hedendaagse Koptische monniken gedragen worden.
En eigenlijk is dat nog wel de meest voor de hand liggende connectie, ervanuit gaande dat de Koptische geestelijken hun hoofddracht al die tijd niet aanmerkelijk gewijzigd hebben.
Op hun beurt zouden de vroege monniken uit de tijd van Cassianus of, eerder nog, Antonius deze kapjes afgekeken kunnen hebben van Egyptische priesters of goden. Temeer daar Cassianus geen Bijbels precedent weet te geven voor deze hoofddracht, zoals die wel bestaan voor de jas van geitevel en staf.
(Links) Detail van 18e eeuws schilderij van Antonius in Saint-Antoine-l'Abbaye.  
Egyptische priesters en goden
Bij de bespreking van het "Hermetische Boek der Kennis" kwam al even aan de orde dat er een verband zou bestaan tussen het hoofddeksel van Ptah, de Egyptische scheppergod (zie rechts), en dat van Antonius.
   
Ook enige gelijkenis met de hoofddeksels van Egyptische priesters (zie boven) valt niet te ontkennen. Maar zoals ik hieronder bij de bespreking van de 'mantel' aangeef, zijn er toch verder niet veel ovreenkomsten in kledij tussen de Egyptische heidense priesters en de Christelijke woestijnvaders.
Verder hadden de Egyptische priesters, die hun lichaam en hoofd geheel kaal schoren, zo'n hoofddeksel als bescherming tegen de felle zon wel nodig, maar de woestijnvaders en latere monniken, die al hun haar lieten groeien, eigenlijk niet.
Maar aangezien we het ook zien bij de eveneens langharige hedendaagse Koptische monniken zou de symbolische waarde van een dergelijk hoofddeksel belangrijker (geweest) kunnen zijn dan de praktische.
Dus al met al lijkt een Egyptische herkomst van de kalot van Antonius me waarschijnlijk.
Monnikskap, mijter, blootshoofds

Antonius draagt ook wel een min of meer traditionele monnikskap, al dan niet vast aan de monnikspij (rechts).
Deze monnikskap is pas sinds het begin van de 13e eeuw, naar het voorbeeld van de Dominicanen, als traditionele monniksdracht opgevat.

In Italië, en dan vooral op Sicilië, wordt hij ook vaak afgebeeld met een bisschopsmijter (links).
Deze kappen of mijters zijn niet als iconografische attributen op te vatten, want hiermee onderscheidt Antonius zich immers niet van andere heiligen.
Overigens is hij ook zeer vaak blootshoofds, maar daarover beneden meer.
Antonius te Mongiuffi, Sicilië.
Mantel, habijt, pij

In het algemeen wordt in schilderijen, illustraties en sculpturen de kleding van Antonius bepaald door de plek waar, en de tijd wanneer, afbeelding of beeld vervaardigd is — en heeft die weinig te maken met de vereisten die er in de woestijn aan gesteld zouden worden, of de beperkingen die een asceet zich oplegt. Zoals ik hierboven al stelde zijn is ook zijn kledij gebaseerd op de monnikspij of habijt zoals die sinds de Dominicanen gestalte heeft gekregen. Dus komen die afbeeldingen vrijwel nooit overeen met de beschrijving van zijn kleding zoals we die kennen uit de Vita van Athanasius of de kleding van Egyptische monniken in de 4e eeuw uit het boek 'Instellingen' van Cassianus.
Net als met de monnikskap, onderscheidt hij zich hiermee niet van andere heiligen of monniken.
We kunnen dan ook wel stellen dat de mantels, habijt of andere kledij niet echt tot de iconografische attributen van Antonius behoren.

Soms wordt hij afgebeeld met een mantel van gevlochten riet of palmbladeren, hoewel deze vorm van kledij iconografisch en attribuut van Paulus van Thebe is.
Maar hij had deze mantel van Paulus geërfd (zoals beschreven in de Vita van Paulus)

[XIII] ... Antonius nam, als enige erfgenaam van deze man die zonder testament was gestorven, de mantel die Paulus voor zichzelf uit palmbladen had gevlochten in het vlechtwerkpatroon van een mand.

(Links) De gestorven Antonius in de rieten mantel van Paulus, die hij alleen op hoogtijdagen droeg.
De engelen op de achtergrond dragen een vaandel dat oorspronkelijk tot de Tempeliers behoorde maar dat nu verwijst naar de Ridderorde gewijd aan Antonius, waarschijnlijk de Ordre Militaire et Hospitalier de Saint-Antoine en Barbefosse.
Liber vita sanctissimi Anthonii Abbatis. Dauphiné, 1426.
Bibljoteka Nazzjonali ta' Malta.

Zie ook dezelfde voorstelling in de Sant'Antoni Abate kerk in Rome.
Over de kledij van Antonius lezen we in de Vita:

[§ 47] Want hij beoefende veel en nog strenger ascese, want hij vastte nu altijd, en hij droeg een kleed met haren aan de binnenkant en het vel aan de buitenkant; dat kleed droeg hij tot aan zijn dood. Hij waste zijn lichaam nooit met water om zich van vuil te bevrijden, noch waste hij ooit zijn voeten, noch duldde hij het ze in het water te steken, tenzij door de noodzakelijkheid gedwongen. Niemand heeft hem zich ooit zien ontkleden, noch heeft iemand ooit het lichaam van Antonius naakt gezien, behalve toen hij na zijn dood begraven werd.

Antonius zelf was dus beschaamd en toonde nooit zijn naakte lichaam.
Zijn voornaamste aardse nalatenschap bestond uit zijn afgedragen kleding:

[§ 91] En verdeel mijn klederen onder elkaar en geef aan bisschop Athanasius mijn ene schaapsvacht en de mantel waarop ik gelegen heb, die hijzelf mij nieuw gegeven heeft en die met mij oud geworden is. En geef bisschop Serapion mijn andere schaapsvacht, maar houden jullie het haren hemd zelf.

Wat ik me toch wel afvraag is of dat "haren hemd" niet een verkeerde vertaling of interpretatie is, en of het niet eerder 'wollen hemd' of 'juten hemd' (zoals Hilarion draagt) of het, zoals in § 47 genoemde, "kleed met haren aan de binnenkant " zou moeten zijn. Antonius is een asceet, in die zin dat hij zich onthoudt van veel dingen, maar hij lijkt toch niet een 'zelf-kweller' die het lichaam opzettelijk pijnigt. Zijn haren hemden als Christelijke zelfkwelling niet pas van veel later?
Maar Butler in zijn Levens van de Kerkvaders, Quote 11 noemt ook het haarhemd als kledingstuk van Antonius.
De kleding van Antonius en de latere monniken in Egypte en Europa die zijn voorbeeld volgden moest natuurlijk vooral gezien worden als symbool van zelfopgelegde armoede.
Dit is uit de voorstellingen in schilderijen, illustraties en sculpturen niet altijd op te maken, want vaak is Antonius gekleed in fraaie mantels.
Een uitzondering hierop vinden we op het schilderij hiernaast rechts, en verder hieronder, waarop Antonius in een dierevel lijkt te zijn afgebeeld, het schaapsvel of de geitehuid, zoals we die uit de beschrijvingen van Athanasius en Cassianus kennen.
Een reden voor het ontbreken van dit typerende kledingstuk zou kunnen zijn dat het dierevel iconografisch al geclaimd was door Johannes de Doper met zijn hemd van kameelhaar.
The Temptation of Saint Anthony
1897. John Charles Dollman (1851-1934)
De beschrijvingen van de kleding van Egyptische monniken in de 4e eeuw, laten er geen twijfel over bestaan hoe die er ongeveer uit moet hebben gezien.
Deze vinden we in het boek "Instellingen" van Cassianus.
Johannes Cassianus leefde net ná Antonius (ca. 360-435). Als jongeman trekt hij, samen met een vriend naar het Heilig Land, waar ze rond 380 intreden in een klooster in Betlehem. Daar horen ze van de woestijnmonniken en na enkele jaren sluiten ze zich bij een kluizenaarsgemeenschap in Egypte aan.
Na jaren in eenzaamheid en meditatie te hebben geleefd, gaan ze weer terug naar de bewoonde wereld.
Cassianus belandt in Marseille rond 415 en sticht er twee kloosters. Hier schrijft hij zijn boek 'Instellingen' over de gewoonten en tradities van de woestijnvaders, en zijn boek 'Gesprekken', over zijn gesprekken met de woestijnvaders.
Zijn geschriften en die van Athanasius (de Vita van Antonius!) zullen tot de bestellers der oudheid gaan behoren en worden tijdens de Middeleeuwen de meest verspreide lectuur na de Bijbel. Zij vormen de basis van het monnikendom in West-Europa.
Van het boek "instellingen" zijn twee versies op het internet, een lange en een korte, die ik zal aanduiden met L. en K.).
(L. Hoofdstuk 3) Er zijn verder nog enkele dingen in de kleding van de Egyptenaren die niet zozeer de zorg van het lichaam betreffen als wel het reguleren van de persoonlijkheid, zodat de regel van eenvoud en onschuld door het karakter van de kleding alleen al in stand kan worden gehouden. Want zij dragen constant zowel bij dag als bij nacht zeer kleine kappen die tot op het eind van de nek en de schouders neerkomen, die slechts het hoofd bedekken, zodat zij er voortdurend toe aangezet worden de eenvoud en de onschuld van kleine kinderen in stand te houden door hun werkelijke kleding te imiteren.
(L. Hoofdstuk 4) Zij dragen linnen tunica’s die nauwelijks tot de ellebogen reiken en verder hun handen onbedekt laten. Het afknippen van de mouwen zou kunnen suggereren dat zij zich van alle daden en waarden van de wereld hebben afgesneden, en het kledingstuk van linnen leert dat zij voor alle aardse gesprekken dood zijn.
(L. Hoofdstuk 5) Zij dragen ook dubbele sjaals die van wollen garen worden geweven, die de Grieken analaboi noemen, maar die wij gordels of snoeren zouden moeten noemen, of beter nog, koorden......
(L. Hoofdstuk 6) Vervolgens bedekken zij hun halzen en schouders met een smalle cape, strevend naar bescheidenheid van kleding zowel als lage prijs en zuinigheid; en deze cape wordt zowel in onze taal als die van hun mafors genoemd; en zo vermijden zij zowel de uitgave als het vertoon van mantels en overjassen.
Cassianus Hongaarse miniatuur, 1498. Bibliothèque Nationale, Parijs.
(L. Hoofdstuk 7) Het laatste artikel van hun kleding is het geitevel, die in hun taal melotes heet, of pera, en een staf, welke zij dragen in navolging van degenen die in het Oude Testament de schaduwen van de gedragslijnen van het monastieke leven vooruit wierpen, van wie de Apostel zegt: ”Zij zwierven rond in schapenvachten en geitenvellen, ten prooi aan ontbering, vervolging, mishandeling. [] Ze hielden zich op in woestijnen en in de bergen, in spelonken en in de krochten van de aarde.“ (Hebr. 11:37-38) En deze dracht van een geitevel betekent dat zij na de versterving van alle wulpsheid van de vleselijke hartstochten met de hoogste graad van deugd zouden moeten verdergaan in de uiterste gematigdheid van de deugd, en dat niets van de wulpsheid of de hitte van de jeugd, of van hun oude lichtzinnigheden in hun lichamen zouden moeten overblijven.
Saint Antoine tourmenté par les démons
Annibale Carracci 1560 - 1609. Louvre.

Een van de weinige afbeeldingen van Antonius gekleed in dierenvellen.
Voor wat betreft het dragen van dierenvellen en het dragen van een leren gordel, maakt Cassianus (in Hoofdstuk 2) nog meer verwijzingen naar het Oude en Nieuwe Testament, naar Elia en Johannes de Doper, als voorlopers van de woestijnvaders. (2 Koningen 1:7-8) De koning vroeg hun: ‘Wat was het voor iemand die u tegemoet kwam en dit gezegd heeft?’ Zij antwoordden: ‘Het was iemand met een haren mantel en met een leren gordel om zijn middel.’ Toen zei de koning: ‘Dan was het Elia, de Tisbiet.’
(Matteüs 3:4) Deze Johannes had een kleed aan van kameelhaar en droeg een leren gordel om zijn middel.
De Joodse en Christelijke aardvaders, profeten of heiligen dragen dierenvellen van nogal eenvoudige, haast nederige, dieren zoals kameel, schaap of geit.
De Indiase godheid Shiva en de Hindoe asceten kiezen wat 'edeler' dieren voor hun zetel (asana) of kledij. Zo draagt Shiva vaak een tijgervel (soms een rhinoceroshuid)en is hij vaak gezeten op een tijgervel. En hedendaagse sadhoes gebruiken voor hun (meditatie-)zetel vaak een hertevel, soms een (imitatie) tijgervel. Het magische idee hierachter is dat wat van de 'power' van het dier op de asceet overgedragen wordt.
Of er sprake is van een directe invloed van deze Indiase praktijk op die in het Midden Oosten en Egypte, valt niet te zeggen.
Het zou voor de diverse religies een onafhankelijke traditie kunnen zijn die teruggaat tot de prehistorie, toen beestenvellen normale kledij waren.
Maar het moet toch wel wat betekenen dat de Christenen niet in leeuwenvellen gehuld waren, want die waren daar toen nog wel aanwezig.
Shiva zittend op een tijgervel, gekleed in een tijgervel. Let ook op de armsteun, die toch enigszins lijkt op de T-staf van Antonius en ook min of meer eenzelfde doel heeft. En let op de kleine mala in Shiva's rechterhand, waar we het op de pagina over het bidsnoer over hebben.
Wat ik in de iconografie van vooral de Antoniusbeelden nog eens moet inventariseren, zijn de abstracte of bloemen-patronen die op de mantel geschilderd zijn.
We zien bijvoorbeeld de Franse lelie, de fleur de lys, die misschien wel een typisch Antoniaans symbool is.
Maar we zien ook andere bloem- en blad figuren en niet direct te duiden figuren. Misschien dat het niet meer zijn dan vlakvullende ornamenten, maar wellicht hebben ze toch een diepere betekenis. Als voorbeelden, zie de mantel van Antonius, rechts, op een beeld uit 1500-1599 in de Sint-Pauluskerk van Vollezele. Het front van zijn gewaad lijkt uit gevlochten materiaal te bestaan, waar ik het hierboven al even over had, maar verder zien we dus die abtracte motieven.
Zo ook op de mantel links, van een beeld uit 1490-1500 in de Sint-Sebastiaan Kerk in Linkebeek.
Het doet me ook een beetje denken aan de borduursels op de mutsen van de Kopten (zie hierboven), maar dat zijn voornamelijk kruisjes — dus duidelijke symbolen — maar zie ook hieronder, voor wat abstraktere figuren.
Schoenen, sandalen of blootvoets.
Het schoeisel lijkt in de iconografie van Antonius een wel zeer ondergeschikte rol te spelen. Vaak is hij blootsvoets, soms draagt hij sandalen, maar meestal zijn z'n voeten niet zichtbaar onder de lange pij die hij draagt. Maar over het schoeisel voor monniken heeft Cassianus het volgende op te merken:
(K. Hoofdstuk 10) Hoewel de voorschriften van het Evangelie schoenen verbieden (Matteüs 10:10, Lucas 10:4), vereist de broosheid van het lichaam dat zij tegen de ochtendkoude van de winter en de woeste middaghitte iets aan hun voeten doen. Zo gebruiken zij met recht sandalen, zoals die door het gebod van Lord worden toegelaten (Marcus 6:9, Handelingen 12:8), behalve wanneer ze de heilige mysteriën vieren of erbij aanwezig zijn, want zij denken dat wat aan Mozes en Joshua de zoon van Nun werd gezegd letterlijk zou moeten worden genomen: ‘maak de gespen van uw schoenen los, want de plaats waar u staat is heilige grond’ (Exodus 3:5 & Jozua 5:15).
(Matteüs 10:9-10) Neem geen goud-, zilver- of kopergeld mee in je beurs, neem geen reistas mee voor onderweg, geen twee stel kleren, geen sandalen en geen stok.
(Marcus 6:8-9) Hij gebood hun om niets mee te nemen voor onderweg dan een stok – geen brood, geen reistas, geen geld in de beurs – wel sandalen aan te doen, maar geen twee stel kleren aan te trekken.
Voor de Europese monniken geeft Cassianus duidelijk aan dat de Egyptische kledingvoorschriften aangepast kunnen en moeten worden aan de plaatselijke omstandigheden. En het lijkt erop dat niet alleen de monniken, maar ook de schilders en beeldhouwers, zich aan deze raad gehouden hebben.

(L. Hoofdstuk 10) Maar wij moeten slechts die kledingstukken houden die de situatie van de plaats en de gewoonte van de streek toelaten. Want de strengheid van de winter laat ons niet toe om met slippers of tunica’s of één enkele pij genoegen te nemen; en het dragen van uiterst kleine kappen of het dragen van een schapehuid zou van ons een voorwerp van spot maken in plaats van stichtelijk te werken op de toeschouwers. Daarom zijn wij van mening dat wij slechts die dingen zouden moeten introduceren die wij hierboven hebben beschreven, en die aangepast zijn aan het bescheiden karakter van ons beroep en de aard van het klimaat, zodat het belangrijkste ding van onze kleding niet de noviteit van dracht is, die aanstoot aan wereldse mensen zou kunnen geven, maar zijn eerbare eenvoud.

Maar is er toch een Egyptische oorsprong van de monnikspij?
Volgens een Koptische site, heeft Antonius het gewaad uitgevonden (of althans voorgeschreven) dat gebaseerd was op de Faraonische priesterhemden, namelijk een gewaad van witte vlas dat tot onder de knieën reikte. Daaroverheen zou dan een dikke en brede leren riem gedragen worden om de monniken tijdens hun lange gebeden rechtop te houden. Maar dat lijkt toch zeer onwaarschijnlijk, want Egyptische priesters mochten geen dierlijke producten in hun kleding verwerken.
En wat die leren riemen betreft, is het wel duidelijk uit de observaties van Cassianus dat hiervoor de inspiratie toch vooral uit de Bijbel kwam.
Ook wat andere kenmerken betreft lijkt het zeer onwaarschijnlijk dat deze priesters als voorbeeld gegolden zouden hebben: zo moesten zij zich geheel scheren en zich dagelijks reinigen voordat zij hun erediensten uitvoerden. En van de Christelijke asceten, zoals ook Antonius, is bekend dat zij juist wel dierproducten, zoals huiden of wol of haar, gebruikten; dat zij ook hun kleren niet wasten en droegen tot ze van hun botten vielen; en dat zij zichzelf nooit wasten en al hun haar lieten groeien.

[§ 47] ... en hij droeg een kleed met haren aan de binnenkant en het vel aan de buitenkant; dat kleed droeg hij tot aan zijn dood. Hij waste zijn lichaam nooit met water om zich van vuil te bevrijden, noch waste hij ooit zijn voeten, noch duldde hij het ze in het water te steken, tenzij door de noodzakelijkheid gedwongen.
[§ 93] ... al evenmin bracht de zwakheid van zijn lichaam hem ertoe van kleding te veranderen of zelfs maar zijn voeten met water te wassen.

Op dezelfde site wordt overigens ook beweerd — en dat is er toch wel mee in tegenstelling — dat hij de monnikspij en capuchon afgekeken zou hebben van de engel die hem bezocht om hem aan het werken — matten vlechten — te zetten. Maar in de versie (uit de Vaderspreuken), die ik van dit gebeuren heb, wordt het uiterlijk van de engel niet beschreven.

Nu heeft Antonius al een overvloed aan attributen, dus voor de herkenbaarheid is het niet nodig, en van zijn 'eigen' kleding was de schaapsvacht iconografisch al min of meer geclaimd door Johannes de Doper, en was het haren hemd niet zo duidelijk.

Voor gebruiken rond de kleding van Antonius in onze tijd, zie pagina
Huid & Haar & Baard &Aureool
         
Antonius wordt meestal kalend afgebeeld, vaak met een kring van haar aan de zijkanten van zijn hoofd, en een plukje haar in het midden boven zijn voorhoofd. En meestal grijs tot wit haar. Maar dit is geen tonsuur, in de zin van opzettelijk aangebrachte kaalheid, zoals we dat bij latere monniken zien. Dat zou ook niet passen in het beeld van de vroege Christelijke asceet, die haar en baard ongebreideld laat groeien, er zelf in ieder geval geen vorm aan geeft.
Een andere heilige met een vergelijkbare haar- en baarddracht is de Apostel Petrus.
         
Zijn baard valt vaak in twee delen uiteen, wat wel een gaffelbaard genoemd wordt, en is meestal grijs tot wit.
Antonius, als heilige, wordt vaak met een aureool afgebeeld.
Op vrijwel alle afbeeldingen wordt Antonius duidelijk als een soort Europeaan voorgesteld, met een lichte huidskleur en licht, zij het wit of grijs, haar. De kleur van zijn ogen valt moeilijk te beoordelen, maar lijkt veelal lichtbruin. En in feite werden vrijwel alle heiligen die in Europa werden geportreteerd, tenzij ethniciteit een karakteristiek iconografisch kenmerk was, voorgesteld als Europeanen. Ook Christus wordt tenslotte in het algemeen afgebeeld als Europeaan.
Maar wat zouden destijds de etnische kenmerken van een Egyptenaar überhaupt zijn geweest? Het land, evenals het gehele Midden-Oosten was al eeuwenlang een smeltkroes van allerlei volkeren en culturen: autochtonen (maar wat waren dat dan?), Ethiopiërs, Joden, Foeniciërs, Grieken, Romeinen, Turken, Noormannen en zovoort.
Overigens kwam ik in Lézat-sur-Lèze (Frankrijk) een reliekbuste van Antonius tegen, waar hij duidelijk als 'neger' of Moor wordt uitgebeeld, verwijzende naar een Egyptische, of liever "Ethiopische", afkomst. En Lézat is natuurlijk niet de eerste de beste plaats in de Antonius legenden. De translatie-legende die hier wordt verhaald, is vrijwel identiek aan die van St-Antoine-l'Abbaye, en evenals die concurerende legende, blijkt uit die van Lézat een redelijk direct contact van de graaf van Foix, die de relieken van Antonius uit Constantinopel meebracht, met de oorsprong en dus eventuele (picturale, literaire of mondelinge) overleveringen betreffende het uiterlijk van Antonius.
Maar anderzijds staat dit beeld zo zeer op zichzelf, dat het eerder als voorbeeld van 'artistieke vrijheid' zou kunnen gelden. Alle andere beelden die ik in Lézat zag (6) waren namelijk wel traditioneel.

Maar het is wel de zwarte Antonius die in de processie van Lézat meegedragen wordt.
De naam "Antonius"
In het Latijn werd hij Sanctus Antonius Aegyptius, Antonius Magnus, Antonius Abbas of Antonius Eremita genoemd. Maar waar komt de naam Antonius vandaan? Het is nou niet een echt Christelijke naam, althans in de Bijbel komt 'ie niet voor.
Het lijkt me ook geen gebruikelijke naam voor een 'kopt'; dus heette hij al zo vanaf zijn geboorte?
Deze naam, van Romeinse oorsprong, zou in Egypte, in ieder geval sinds beroemde Marcus Antonius, de veldheer manqué die met Cleopatra omging, natuurlijk wel bekend kunnen zijn geweest. Er was bovendien, ook vóór die tijd, al Romeinse invloed, en zeker na die tijd, toen Egypte een provincie van het Romeinse rijk werd. Dus ouders zouden hun kind misschien wel zo genoemd kunnen hebben. Maar zouden ouders hun kind naar de "bezetter" noemen?
Of is de naam Antonius afgeleid van een oorspronkelijk Koptische naam — zeg, "Anthoen" — die werd 'vergriekst' en 'gelatiniseerd'? Die Koptische naam zou dan een versie kunnen zijn van bijvoorbeeld Achnaton of Echnaton of Akhenaton, de naam van een farao die 1400 jaar v.Chr. leefde, een Zonnekoning en mysticus, die voor zover we weten, de eerste in de geschiedenis was die broederschap, vrede en liefde tussen alle mensen predikte en daarmee misschien ook Mozes en via hem het Joodse en later het Christelijke geloof heeft beïnvloed.
Het blijft speculeren.
En hoe zit het trouwens met een familienaam? Was dat toen voor iedereen gebruikelijk of hadden alleen de adel en rijken een achternaam?
In de Gouden Legende geeft Evagrius de volgende verklaring over de betekenis van de naam:

Hier volgt over Sint Antonius, en als eerste de interpretatie van zijn naam.
Antonius wordt gezegd van Ana te komen, wat zoveel wil zeggen als hoog, en van tenens, wat is houden, dat [dus de naam Antonius] wil zoveel zeggen als hoge dingen behouden en de wereld verachten. Hij verachtte de wereld en zei: Het is misleidend, van voorbijgaande aard en bitter, en Athanasius schreef zijn levensverhaal.


Zie ook de latere Europese namen, op de cultus pagina.

Heeft u informatie over Antonius Abt, of vragen, neem dan contact op met mij: Dolf Hartsuiker