Vita Antonii Abba's Iconografie Vuur Antonianen Kunsten Cultus Folklore Plant Dier Literatuur Paulus Hilarion Maria Simeon Adolphus
Nederlands Frans Italiaans Spaans Portugees Koptisch Duits Orthodox Engels Amerikaans Aziatisch
De invloed van Antonius op monniken en kerkvaders

Schets van Antonius' tijd
Athanasius (± 295 – 373)
De ariaanse ketterij
Palladius 365 - 425 Historia Lausiaca
Hfdstk IV Didymus (ca. 313-398)
Hfdstk XIX Macarius van Egypte, de Grote (ca. 300-391)
Hfdstk XX Macarius van Alexandrië († 395)
Hfdstk XXVIII Paulus de Simpele († 339)
Augustinus 354 - 430 Belijdenissen
Martinus van Tours 316 - 397
Cassianus ± 365 - ± 435 Instellingen
Cassianus ± 365 - ± 435 Gesprekken
Antonius in de Gouden Legende (± 1265)
Antonius in de Malleus Maleficarum (1486)
Antonius in De Levens van de Kerkvaders, Martelaren, en Belangrijkste Heiligen (1756-1759)

Een paar jaartallen ter vergelijking:

Antonius 251-356

Constantijn de Grote, Keizer van Rome 280-337

Edict van Milaan 313

Concilie van Nicea 325

Athanasius 295-373

De Vita van Antonius 356-362

Antonius in Egypte
Schets van Antonius' tijd
Het feit dat christenen bereid waren omwille van hun geloof te sterven maakte weinig indruk op de niet-christenen. Die ergerden zich juist aan wat ze beschouwden als een zinloze doodsdrift.
Tot Constantijn het christendom legitimeerde was er in de drie eeuwen ervoor sprake van continue vervolgingen. Daarbij werden enkele honderden christenen gekruisigd, onthoofd of voor de leeuwen geworpen.
De christenen waren bereid de marteldood te sterven, maar zeker niet allemaal. Zo verzaakte bij de laatste vervolging, onder keizer Diocletianus en zijn opvolgers Galerius en Maximus, in bepaalde steden de hele christelijke bevolking haar geloof. Optatus van Milete schreef dat in Numidië (Noord-Afrika) de tempels te klein bleken om alle afvalligen in staat te stellen aan de staatsgoden te offeren. Die massaliteit was de reden dat men na afloop van een vervolging betrekkelijk gemakkelijk door de kerk in genade werd teruggenomen.
Nogal wat martelaren zochten vrijwillig de dood, wat hen niet door iedere medechristen in dank werd afgenomen. Zo maakte in 304 bisschop Mensurius van Carthago in een brief aan aartsbisschop Secundus van Numidië een paar martelaren uit voor suïcidale criminelen en verbood hij zijn gemeente respect te tonen voor degenen die zich vrijwillig bij de Romeinse autoriteiten hadden aangegeven.
Constantijn de Grote (306-337) vaardigde samen met zijn medekeizer Licinius, in 313 op puur machtspolitieke gronden het Edict van Milaan uit. Daarbij kreeg het christendom de status van religio licita ('geoorloofde godsdienst'). Het had nu dezelfde rechten als de andere erkende religies binnen het rijk. Staatsgodsdienst werd het christendom pas in 392, onder keizer Theodosius I.
De relatief grote vervolgingen onder Diocletianus, Galerius en Maximus waren niet bij machte gebleken het christendom de das om te doen. Ze brachten de jonge kerk wel veel schade toe, maar het nieuwe geloof was inmiddels te diep in de Romeinse samenleving geworteld om nog uitgeroeid te kunnen worden.
Athanasius (± 295 – 373) patriarch van Alexandrië
In 328 werd Athanasius tot patriarch van Alexandrië gewijd. Hij was een bestrijder van het arianisme, omdat dit door het Concilie van Nicaea veroordeeld was als ketterij.
Hij werd 'Vader der rechtszinnigheid' genoemd omdat hij de ketterse leerstellingen van Arius probeerde te weerleggen; hij toonde daarbij een begaafdheid en een vasthoudendheid, maar vooral een diep geestelijk inzicht. Hij moest vijfmaal in ballingschap; in totaal 20 jaar.
Door de Kerk werd hij later heilig verklaard en tot "Kerkvader" verheven. Hij behoort tot één van de vier belangrijkste Kerkvaders van de Oosterse Kerk en wordt daarom "Athanasius de Grote" genoemd.

In het verleden werd de Geloofsbelijdenis van Athanasius, die zich ook tegen het arianisme keert, aan hem toegeschreven, maar waarschijnlijk is hij toch niet de auteur. Veel van zijn geschriften tegen Arius zijn bewaard gebleven. In 365 keerde hij terug van zijn laatste ballingschap; in 373 stierf hij.
Athanasius was natuurlijk een van de eersten die in de ban raakte van Antonius, anders had hij de Vita Antonii niet geschreven. De vraag rijst daarbij in hoeverre Antonius ook een creatie van Athanasius was; duidelijk is wel dat we zonder de Vita niet veel van Antonius gehoord zouden hebben.
Daarnaast heeft Athanasius het nodige gedaan om de faam van Antonius te verspreiden. Zo is hij in Rome geweest, van 339 tot 346, vergezeld van twee Egyptische monniken, volgens een website, Ammon en Isidorus. Beiden zijn leerlingen van H. Antonius.
Athanasius is verder nog in Milaan (342) en Gallië (343) geweest, waar hij natuurlijk ook contacten had met de Christelijke asceten en monniken aldaar, en in het noorden van Griekenland, en tenslotte nog in Trier tijdens een verbanning in verband met de Ariaanse kwestie.
De ariaanse ketterij
Het dispuut tussen de aanhangers van Arius (de arianen) en die van Athanasius (de katholieken) komt ons nu wat onwezenlijk voor. Het lijkt om zo’n triviaal punt te gaan dat alleen interessant lijkt voor een scherpslijpende theoloog.
Maar in de 4e eeuw zorgde het voor vervolgingen van dan weer de ene groep, dan weer de andere, beschuldigingen over en weer van ketterij, martelingen en terechtstellingen. En dit over het totale Romeinse rijk, van Noord-Afrika tot in het Noorden van Gallië.
In een literaire bron kwam ik een nog enigszins begrijpelijke uiteenzetting over de verschillen tegen:

Arius, een Libiër en diaken van de Baucaliskerk in Alexandria, was een scherp denker, knap redenaar en leidde een verstorven leven. Maar hij was ook ... grenzeloos hoogmoedig. Zo kwam hij in botsing met zijn bisschop. Het mysterie der Drie-eenheid wilde hij met zijn verstand oplossen.
Als Christus God Zijn vader noemt, beweerde Arius, dan is Hij uit de Vader geboren. En wie geboren is, heeft niet van eeuwigheid af bestaan. God alleen is eeuwig, ongeschapen en oorzaak van alle dingen. Vóór de schepping van de aarde, werd de Zoon geschapen, gelijkend op de Vader, maar niet één in wezen met Hem. De goddelijke eigenschappen werden Hem geschonken. Doch kwamen Hem niet rechtens toe. Toch is Hij van alle andere schepselen onderscheiden omdat Hij, reeds in Zijn vóórbestaan, met de heerlijkheid Gods was omstraald.

Deze Zoon nam het lichaam aan van een mens, waardoor het Hem mogelijk werd te lijden en te sterven. De rationalistische leer van Arius vond veel aanhangers, ook onder de goedgezinde heidenen die tot dusver het christendom zwaar, onredelijk en door mysteriën omneveld hadden gevonden.
Een synode verklaarde de Libiër tot ketter. Twee grote bisschoppen, Eusebius van Nicomedia en Eusebius van Caesarea, namen het echter voor Arius op en verdedigden zijn leerstellingen. De kleine vonk, zoals er in die jaren geregeld opspatten, veroorzaakte dit keer een geweldig vuur. [Keizer] Constantijn, wie het minder om de waarheid dan om de eenheid van het Rijk was te doen, riep een concilie bijeen te Nicea waar hij zelf onder de bisschoppen plaatsnam. De grote tegenstander van Arius was Athanasius, een man als een rots, met een onverwoestbare energie en onwrikbaar vertrouwen in de waarachtigheid van zijn geloof. Athanasius was de secretaris van de oude bisschop van Alexandria. Hij had zich voorgenomen de ariaanse waanzin te bestrijden met alle hem ter beschikking staande middelen.
De Zoon is niet gelijkvormig aan de Vader, doceerde Athanasius, maar met Hem één in wezen, onderscheiden als persoon, maar niet ondergeschikt. De Zoon is niet geschapen, doch uit het wezen Gods zelf, zoals het licht is uit de zon. Geen vergoddelijkt wezen in mensengedaante heeft ons verlost; God is mens geworden en is voor ons op het kruis gestorven.
Arius werd veroordeeld, mede onder de druk van Constantijn die eenheid wilde. Maar daarmee eindigde het geschil niet. Athanasius was de inmiddels gestorven bisschop van Alexandria opgevolgd. En zie, diezelfde bisschoppen die Arius in Nicea veroordeeld hadden, keerden zich nu tegen Athanasius. Zij zaaiden wantrouwen in de geest van Constantijn, die hem op een synode ter verantwoording riep. Omdat zijn aanklagers tevens zijn rechters zouden zijn, weigerde Athanasius te verschijnen. Maar toen Constantijn dreigde wapengeweld te gebruiken, ging de bisschop ten slotte toch naar Constantinopel. Hij kreeg geen kans om zich te verantwoorden; nog vóór hij werd gehoord, was zijn veroordeling een voldongen feit, en werd hij uit zijn ambt ontzet. Toen men de keizer ook nog toefluisterde dat Athanasius verbod had gegeven de graanschepen uit Alexandria te laten vertrekken, waardoor in Constantinopel een tekort zou komen aan brood, vond hij bij Constantijn geen genade meer en werd hij naar Trier verbannen.
Het was de eerste keer dat deze onvermoeibare vechter, die nooit in zijn leven één enkele toegeving deed en het credo van Nicea tot aan zijn dood verdedigde, in ballingschap ging. Het zou later nog zo dikwijls gebeuren dat hij er, naar zijn eigen woorden, de tel bij kwijt raakte.
Pas na de dood van Constantijn keerde Athanasius terug. Echter niet voor lang. Want toen Constantius, na het overlijden van zijn twee broers, keizer werd over Oost en West, kwamen opnieuw intriges tegen de Alexandrijner bisschop op gang. Veroordeeld, in eer hersteld, en weer veroordeeld, deed Athanasius ten slotte een beroep op Rome. Aartsbisschop Julius, die heel goed wist dat Athanasius op dat ogenblik reeds meer gezag had dan hij, rechtvaardigde de veroordeelde bisschop. Een nieuwe synode, die duidelijk de geestelijke grens tussen Oost en West voorspelde, eindigde in de grootste ruzie. De bisschoppen splitsten zich in twee kampen en spraken over elkander de banvloek uit, die zelfs de aartsbisschop van Rome trof. Het geschil vrat steeds dieper in. Nu riep Constantius een nieuwe synode bijeen te Arles, met de bedoeling aan alle getwist voorgoed een eind te maken. Hij eiste de onvoorwaardelijke veroordeling van Athanasius.
Gedwongen tekenden de bisschoppen het vonnis. Alleen Paulinus, de bisschop van Trier, weigerde. Ook hij werd uit zijn ambt ontzet en verbannen. Het vonnis werd bekrachtigd door de synode van Milaan. Duidelijker nog dan bij Constantijn, bleek de bedoeling van Constantius. Ook hij verkoos het christendom ter wille van de rijkseenheid. Maar hij ging verder dan Constantijn ooit had gedurfd. Ik ben het hoofd van de Kerk, zei Constantius; mijn wil is wet. Weinigen waagden het zich tegen die wil te verzetten, want alle macht lag bij de keizer.
Intussen was ook het gewone volk zich voor de verbeten ruzie gaan interesseren. De Romeinen liet het oosters getwist ijskoud. Zij konden zich niet druk maken over een jota: homoiousios, dat is wezensgelijk, noemden de arianen de Zoon met de Vader; homo-ousios, dat is wezenséén, noemden de katholieke bisschoppen de verhouding tussen Vader en Zoon. Het was misschien allemaal erg belangrijk; maar niet voor de Romeinen die een hekel hadden aan de oosterse manier om met begrippen te goochelen. In Nicomedia echter, in Antiochia en vooral in Constantinopel gaf de twist aanleiding tot bloedige relletjes waarbij doden vielen. Zelfs de slaven op de markt ontpopten zich tot filosofen en theologen. Een geldwisselaar gaf je, mét het wisselgeld, tevens zijn opinies ten beste over het verschil tussen God de Vader en God de Zoon; je kon geen brood kopen zonder daarbij haarfijn te vernemen waarom de Zoon minder is dan de Vader; en je buurman in het amfitheater gaf je geen rust vooraleer hij je had verklaard op welke manier de Zoon uit het Niet was verwekt.
Het was heel eenvoudig een katholiek van een ariaan te onderscheiden. De ariaan bad: ere zij de Vader, door de Zoon in de Heilige Geest; de katholiek daarentegen: ere zij de Vader, én de Zoon, én de Heilige Geest.
In naam van de Drie-eenheid haatten de mensen elkander, stonden de kinderen tegen hun vader op, weigerde de vrouw gemeenschap met haar man. Voor het beoefenen van de naastenliefde hadden de christenen geen tijd meer. En de heidenen vroegen zich ironisch af of Jezus dan mens geworden was om de onverdraagzaamheid te bestendigen.

Dus als gevolg van deze ariaanse twisten werd Athanasius herhaaldelijk vervolgd en verbannen. Over de gevolgen van zijn verbanning naar Trier zegt de kerkhistoricus Kötting dit over Athanasius (en Augustinus):

Reeds 25 jaar na de dood van Antonius was de biografie van de monnikenvader al bekend in Trier. Dat is niet zo verbazend, als je bedenkt dat de auteur Athanasius daar een lange tijd in verbanning leefde; het was echter eerder verbazend, dat deze zo spoedig in het Latijn werd vertaald.
Een landgenoot van de heilige Augustinus, die een keizerlijk ambtenaar was, zag het in de Moeselstad en sprak erover in Milaan. Augustinus geeft toe dat hij zeer geïmponeerd was en dat de biografie een grote invloed op zijn eigen ontwikkeling uitgeoefend had — hij was op dat ogenblik 30 jaar oud.

Dit lijkt een wat onderkoelde weergave van de feiten. Want het lijkt erop dat de Vita van Antonius een enorme impact gehad heeft. Zo kwam ik in de al eerder genoemde literaire bron de volgende beweringen tegen (in mijn samenvatting):

Er waren Romeinse officieren in Trier die toevallig het leven van Antonius hadden gelezen en hun dienst bij de keizer opzegden om voortaan in eenzaamheid en versterving te leven. Dit had natuurlijk veel opschudding verwekt.

En dit waren dus geen religiosi maar militairen! De impact van dit gebeuren — en niet alleen dus de Vita — had ook op Augustinus enorme invloed. Hij streefde er zo’n beetje wel namelijk wel naar het religieuze leven, maar:

Hij kon van geen vrouw afstand doen. Dus toen hij hoorde dat doodgewone soldaten aan alles vaarwel zegden ter wille van God, moet hij zich om zijn eigen lafheid hebben veracht. Hoewel hij ervan gedroomd had carrière te maken en een van Milaans rijkste erfdochters te trouwen, liet hij zich dopen door Ambrosius en vertrok hij naar Hippo in Noord-Afrika waar hij door het volk tot priester werd gekozen en waar hij zijn kloostergemeenschap (met zijn beroemde regels) stichtte.

[Over Augustinus nog meer hieronder.] De uitkomst van de strijd tussen de arianen en de katholieken werd uiteindelijk beslist ten voordele van de laatsten. Dit geeft wel aan wat een enorme invloed Athanasius heeft gehad op de ontwikkelingen in de vroegchristelijke kerk.
En zoals blijkt heeft ook de Vita van Antonius hierbij een belangrijke rol gespeeld.

Maar nog even een paar zinnen over Arius en het arianisme.
Later heeft Arius zijn leer meer genuanceerd en aan Constantijn uitgelegd. Hij heeft aangetoond dat de verwijten die hem in het slotdocument van het concilie van Nicea werden gemaakt geen betrekking hebben op zijn leer. Arius heeft Constantijn weten te overtuigen en heeft, na ondertekening van een officiële verklaring volgens welke hij zich herenigt met de moederkerk, gratie gekregen. Hij mocht terug naar Alexandrië, waar hij in 336 door aanhangers van Athanasius op klaar lichte dag midden op straat zal worden doodgestoken.
Hiermee was het echter zeker niet gedaan met het Arianisme. Keizer Valens die van 364 tot 378 als Keizer over het Oost-Romeinse Rijk regeerde was Arianist, even als velen van zijn opvolgers.
Bovendien bekeerden alle Germaanse stammen zich voor 600 tot dit Arianisme, met uitzondering van de Franken (bron: H.P.H. Jansen "Geschiedenis van de middeleeuwen").
Alleen de Fransen werden Katholiek, dat wil zeggen onderschreven de dogmata zoals geformuleerd bij het concilie van Nicea en bij volgende concilies. De Arianisten onderschreven die dogmata niet en zijn daarom door de Katholieke Kerk altijd verketterd geweest. Het Arianisme werd door hen beschouwd als een ziekte, een plaag, blasfemie, ingegeven door de duivel zelf. Uit de wijze waarop de Katholieken hun dogmata formuleerden is echter op te maken dat zij zelf niet veel van wat zij noemen “het mysterie van de Drieëenheid” begrepen, en in plaats van dit te verklaren zichzelf verscholen achter poëtische woorden en onbegrepen filosofische begrippen. Het onwetenschappelijke of onfilosofische karakter van de dogmata maakt duidelijk waarom Arius, de Arianisten en de Germanen zich hier niet in konden vinden.
De eerste leerlingen van Antonius
Er is wel wat verwarring over de leerlingen van Antonius. Hierboven kwamen we Ammon en Isidorus al even tegen.
In de Vita worden de leerlingen van Antonius niet met name genoemd, maar wordt er op het moment van het sterven van Antonius gesproken over (§ 91): "... er waren twee mensen die sinds vijftien jaar ook in de berg verbleven om de ascese te bedrijven en hem vanwege zijn hoge leeftijd bij te staan".
Maar in de Historia Lausiaca (zie hieronder en ) worden ze Macarius en Amatas genoemd. Hoewel Hilarion (zie § 25) weer andere namen noemt, te weten: "Isaac en Pelusianus, de tolk van Antonius".
En verder weet de Historia Monachorum (volgens ) nog twee leerlingen te melden, Amon en Pithyrion.
Maar de enige directe leerling die bijna net zo veel indruk heeft gemaakt als Antonius zelf, is Hilarion, aan wie ik een aparte pagina gewijd heb.
De dood van Sint Antonius Abt. Pietro Sorri. 17e eeuw. Musée du Louvre, Parijs.
Historia Lausiaca
De Vitis Patrum, Boek VIII
door Palladius, bischop van Helenopolis; vertaald door Gentianus Hervetus

Palladius leefde van c.365 tot 425
Antonius wordt vanzelfsprekend op een flink aantal plaatsen in de Lausiaca genoemd, als directe of indirecte leraar, of als inspirator.
Hier heb ik een paar hoofdstukken uit de Lausiaca vertaald (van de Engelse of Egyptische site) en opgenomen waarin Antonius wat uitgebreider aan de orde komt. Het taalgebruik is soms wat archaïsch, maar ik heb dat maar zo gelaten en niet gepopulariseerd om de oorspronkelijke ‘flavour’ zoveel mogelijk te behouden.
Overigens zijn sommige handelingen en meningen van deze monniken zo interessant dat ik ze toch vrij uitgebreid neergezet heb. Zo lijkt het leven van Macarius van Alexandrië in grote lijnen op dat van Antonius, maar zijn ascese lijkt wat extremer. Terwijl de spiritualiteit nou niet echt groter of verhevener is. Ook bij hem vooral een zelfopgezochte strijd tegen de duivel en demonen.
En ook net weer zoals bij Antonius zie je veel devotie, magie (buitengewone waarnemingen, genezingen, exorcisme, etc.), maar weinig of geen mystiek. Ze zijn dus eerder Christelijke magiërs en tovenaars dan monniken.

Aangezien de teksten van Monachorum en Lausiaca elkaar grotendeels overlappen, heb ik alleen de teksten uit de Lausiaca gebruikt.
Hoofdstuk IV Het Leven van Didymus de Blinde (ca. 313-398)
(I) Van alle mannen en vrouwen die in de kerk van Alexandrië de volmaaktheid bereikten, verdienden de meesten het in het land van de zachtmoedigen te wonen. Daarbij hoorde ook Didymus, de blinde auteur. Ik heb hem met tussenpozen vier keer over een periode van tien jaar ontmoet. Hij stierf op de leeftijd van 85 jaar. Hij was blind omdat hij, zoals hij mij vertelde, op vierjarige leeftijd zijn ogen verloor. Daardoor was hij niet meer in staat te leren of naar school te gaan.
(2) Maar hij had een krachtige natuurlijke leermeester, zijn eigen geweten. Hij werd zozeer met de genadegave der kennis begiftigd dat in hem letterlijk het schriftwoord in vervulling ging: 'De Heer maakt de blinden wijs.' (Ps. 146,8) Want het Oude en het Nieuwe Testament legde hij woord voor woord uit en hij hield zich ook met de dogma's bezig, die hij zo subtiel en tegelijk krachtig wist uit te leggen, dat het duidelijk was dat hij alle andere ouden overtrof in kennis.
(3) Eens drong hij er bij mij op aan dat ik in zijn cel een gebed zou doen, en toen ik dit weigerde, vertelde hij het volgende verhaal: 'De gezegende Antonius is drie keer in deze cel geweest om mij op te zoeken. Als ik hem dan verzocht een gebed te doen, knielde Antonius direct neer in de cel en zorgde er zo voor dat ik mijn verzoek niet hoefde te herhalen maar gaf me metterdaad een lesje in gehoorzaamheid. Dus als jij in de voetsporen van zijn levenswandel wilt treden, aangezien je in afzondering leeft en ter wille van het bereiken van deugdzaamheid ver van huis bent, leg dan je weerbarstigheid af.'
(4) Hij vertelde mij ook het volgende verhaal: 'Op een dag zat ik te piekeren over het leven van Julianus, die miserabele keizer die de christenen vervolgde. Ik was erg bezorgd en had tot laat in de avond nog geen hap gegeten vanwege dat gepieker. Toen gebeurde het dat ik zittend op mijn stoel in slaap viel en in een visioen witte paarden zag aankomen met hun berijders die proclameerden: "Vertel Didymus dat heden op het zevende uur Julianus is gestorven. Sta op en eet en zend een boodschap aan bisschop Athanasius zodat hij het ook weet." Ik maakte een notitie van het uur, de maand, de week en de dag, en later bleek dat te kloppen.'
Hoofdstukken XIX en XX Het Leven van Macarius van Egypte en Macarius van Alexandrië
Nu wordt vooral Macarius van Egypte, ook wel “de Grote” genaamd, als de leerling van Antonius beschouwd, en hij is degene die ik hierboven genoemd heb, als aanwezige bij het sterven van Antonius. In zijn Leven in de Monachorum echter wordt Antonius niet expliciet genoemd; echter wel in de Vaderspreuken [5.07.9.]. En dat is juist wel het geval in het Leven van Macarius van Alexandrië, waaruit toch de indruk ontstaat dat juist hij een leerling van Antonius was; in ieder geval wordt bij hem een relatie met Antonius geschetst, wat bij Macarius van de Grote dus niet het geval is.
Ik ben bijna bang om aan het schrijven van het verhaal van deze heilige en onsterfelijke vaders, die beroemde en onverslagen atleten, Macarius van Egypte en Macarius van Alexandrië te beginnen, omdat ik als leugenaar bestempeld zou kunnen worden. Hun rechtschapenheid van leven en hun vele grote gevechten zouden voor mensen zonder godsvrucht niet te geloven zijn. Maar net zoals God de leugenaars vernietigt (Psalmen 5.6), zo is het duidelijk te zien wanneer de Heilige Geest spreekt.
Aangezien, door de genade van God, ik niet lieg, Lausus, laat uw diepe geloof u verhinderen sceptisch te zijn over de strijd van de vaders, maar u eerder helpen er trots op te zijn de werken van die twee na te streven, die inderdaad Macarius waren, dat wil zeggen, “gezegend”.
Van die twee atleten van god die Macarius heetten, was de eerste in Egypte geboren. De andere met de naam Macarius was in Alexandrië geboren, waar hij een handelaar in zeldzame objecten was. Hoewel hij de jongere in jaren was, was hij een uitstekende monnik, die alle anderen overtrof.
Hoofdstuk XIX Het Leven van Macarius van Egypte, de Grote (ca. 300-391)
Ik zal eerst en vooral de deugden van Macarius van Egypte behandelen, die ten volle negentig jaren leefde, waarvan hij er zestig in de woestijn doorbracht. Vanaf het moment dat hij nog een jongeman van dertig jaar was, bracht hij de volgende tien jaar door met het verdragen van de strenge disciplines van dit leven met zoveel genade dat hij de reputatie kreeg een groot onderscheidingsvermogen verkregen te hebben en werd er over hem gesproken als zijnde in puerili aetate senex, ofwel een 'oud hoofd op jonge schouders', aangezien zijn deugden veel sneller groeiden dan je voor zijn leeftijd mogelijk geacht zou hebben.
Tegen de tijd dat hij veertig was had hij overwicht over de boze geesten, de genade van het genezen, en het vermogen om in de toekomst te zien ontwikkeld, en werd aldus waardig geoordeeld om tot priester gewijd te worden.
Twee discipelen leefden met hem midden in de woestijn, die Sketis genoemd wordt, van wie er één zijn assistent was, die altijd bij hem was als de mensen naar hem toe kwamen om genezen te worden. De andere leefde altijd alleen in zijn cel.
Deze eerste assistent werd Johannes genoemd en werd later tot priester gewijd in de plaats van Macarius (want de grote Macarius was een sieraad van het priesterschap geweest).
Toen Macarius in de loop van de tijd de gave van het tweede gezicht ontwikkelde, zei hij tegen Johannes, "luister naar me, broeder Johannes. Neem een waarschuwing van me aan, zonder van streek te raken, maar doe er je voordeel mee. Je zult verzoekingen ondergaan en je verleider zal de geest van hebzucht zijn. Dat heb ik gezien; en ik weet dat als je deze waarschuwing met een open geest accepteert, de vrees voor God over je zal komen en dat je Zijn wil op deze plaats zult doen. Je zal verheerlijkt worden en geen plaag zal je woning teisteren. Maar als je niet naar me luistert, zal je als Gechazi eindigen, lijdend aan een kwelling die lijkt op die van hem." (2 Koningen: t.w. de ziekte van Naäman ... een huidziekte wit als sneeuw.)
En nu gebeurde het dat Johannes na de dood van de heilige man deze waarschuwing niet ter harte nam, en slachtoffer werd van de valstrik waar Judas wegens zijn hebzucht in gevangen werd. Na ongeveer vijftien of twintig jaar, toen hij de armen van hun geld had beroofd, werd hij zo erg door melaatsheid geteisterd, dat er op zijn hele lichaam geen enkel onaangetast plekje meer te vinden was waarop men zijn vinger kon leggen. Dit is wat heilige Macarius voorspeld had.

Er was eens een zekere wellustige Egyptenaar, die smoorverliefd werd op een vrijgeboren getrouwde vrouw, maar hij had geen succes met zijn pogingen om haar te verleiden, want zij behield ingetogen haar kuisheid die zij sinds haar maagdelijkheid had gehad voor haar echtgenoot. Deze walgelijke man raadpleegde toen een tovenaar.
"Of overreed haar om van me te houden," zei hij, "of zorg er door uw kunsten voor dat haar echtgenoot van haar scheidt."
De tovenaar accepteerde zijn beloning en begon met zijn bezweringen en toverformules. Hij bemerkte dat het onmogelijk was om haar te dwingen aan hem toe te geven, dus in plaats daarvan zorgde hij ervoor dat zij er voor iedereen die haar bekeek uitzag alsof zij een merrie was.
Toen haar echtgenoot naar buiten ging zag hij zijn vrouw alsof zij een merrie was; toen hij naar bed ging was het zeer vreemde gewaarwording om daar een merrie te zien liggen. De echtgenoot huilde, en jammerde dat hij niet kon begrijpen wat er gebeurde, en verbeeldde zich dat hij tot een dier sprak maar geen antwoord kreeg, behalve dat zij zeer boos keek.
Met gekweld gemoed besefte hij uiteindelijk dat het werkelijk zijn vrouw was, die in een merrie was veranderd door een of andere buitengewone menselijke list. Dus benaderde hij de lokale priesters, nam hen met hem mee naar huis en toonde haar aan hen, maar zij hadden er geen idee van hoe een dergelijke onheil gebeurd kon zijn.
Drie dagen lang had zij niets gegeten, niet in staat om als een paard hooi te eten of als een menselijk wezen brood. Uiteindelijk, opdat God geëerd zou kunnen worden en de macht van Macarius zou kunnen worden gezien, rees bij de echtgenoot de gedachte om haar een halter om te doen en haar naar de heilige man in de woestijn te brengen.
Toen hij de broeders die zich voor zijn cel bevonden naderde, hielden ze hem tegen en vroegen ze hem waarom hij deze merrie met zich mee bracht.
"Opdat de genade uit de gebeden van de heilige man kan komen," zei hij.
"Waarom, wat is er aan de hand?" vroegen zij.
"Deze merrie die u hier ziet is mijn ongelukkige vrouw," zei hij, "en ik heb niet het flauwste idee hoe zij in een merrie veranderd werd, en er zijn nu drie dagen verlopen sinds zij iets te eten had."
Toen zij dit hoorden namen zij hem mee naar binnen waar de heilige Macarius al aan het bidden was, want God had de zaak namelijk al aan hem geopenbaard, terwijl zij nog onderweg waren, in antwoord op zijn gebeden dat hem de reden voor dit bezoek zou moeten worden getoond.
Toen de broeders hem over deze persoon, die hem een paard bracht begonnen te vertellen, zei hij, "jullie zijn de paarden. Jullie hebben de ogen van paarden. Dit is gewoon een vrouw in haar natuurlijk gecreëerde staat. Zij is niet veranderd. Het is alleen maar dat zij zo lijkt te zijn de ogen van mannen die zich hebben laten misleiden."
Hij vroeg haar om dichterbij te komen, zegende haar met wat water, goot het over haar blote hoofd en sprak zijn gebeden over haar uit. Meteen werd het aan iedereen duidelijk dat zij inderdaad een vrouw was. Hij vroeg om wat brood, gaf haar iets te eten en overhandigde haar, genezen, aan haar echtgenoot, en dankte God.
En de man van God waarschuwde haar en zei, "Verzuim nooit naar de kerk te gaan. Blijf niet weg bij de communie van de Sacramenten van Christus. Dit is u allemaal overkomen omdat u de laatste vijf weken niet dichtbij de onvergelijkelijke Sacramenten van onze Verlosser bent geweest."
Hier is een andere kant van zijn buitengewone manier van het leven. Toen hij in de bloei van zijn leven was groef hij een tunnel van zo’n honderd meter lang vanuit zijn cel naar een plek waar hij een vrij grote grot uitholde. Als hij door een te grote groep mensen werd lastig gevallen, verdween hij vaak uit zijn cel terwijl niemand keek en ging hij naar zijn hol waar niemand hem kon vinden. Een van zijn toegewijde discipelen vertelde ons dat hij vierenveertig gebeden reciteerde als hij door de tunnel op weg was naar dit hol, en hetzelfde aantal op de terugweg.

Hij had ook de reputatie dat hij een dode had opgewekt om ketters die de Verrijzenis ontkenden, te schande te maken, en dit verhaal was overal in de woestijn bekend.

Eens bracht een hevig huilende moeder haar zoon, die gruwelijk door een demon werd gekweld, naar hem toe. Hij werd aan beide kanten door twee jonge mannen stevig vastgehouden.
De manier waarop de demon hem aanviel was als volgt. Nadat hij drie hompen brood en een kruik water had gehad, braakte hij alles in een vurige damp veranderd weer uit. Wat hij ook gegeten en gedronken had, het zag eruit alsof het door vuur verteerd was. (Want er is een categorie demonen die als igneus, dat wil zeggen 'vurig', bekend staat). Er zijn namelijk net zo veel soorten demonen als er mensen zijn, in essentie niet verschillend, maar wel verschillend in hun methoden. Als zijn moeder hem niet iets te eten gaf, had hij de gewoonte om zijn eigen uitwerpselen te eten en zijn urine te drinken.
Zijn huilende moeder jammerde over deze vreemde gesel die haar zoon getroffen had, en richtte haar smeekbeden tot de heilige man, totdat die zegevierende atleet van God nederig tot God voor hem bad.
Na één of twee dagen verdreef de heilige Macarius de demon, en hij zei tot de moeder van de jongen, "hoeveel zou u willen dat uw zoon zou eten?"
"Oh, gelieve te vragen om hem tien broden te geven," antwoordde zij.
En hij was boos op haar omdat ze teveel vroeg.
"Waarom vraag je dat, vrouw?" zei hij.
En toen hij zeven dagen had gevast en gebeden en de gevaarlijke demon van vraatzucht had uitgedreven, gaf hij opdracht dat hem drie broden te eten zou worden gegeven, wat hij normaliter anders ook gekregen zou hebben. Op deze manier, door de genade van God, genas hij de jongen en gaf hem terug aan zijn moeder.
Prachtige, ongelooflijke dingen deed God door de heilige Macarius, wiens onsterfelijke ziel nu bij de engelen is.
Ik zelf heb hem nooit ontmoet, want hij stierf een jaar voordat ik de woestijn inging. Maar ik ontmoette wel degene die deelgenoot van zijn gelovige daden was geweest, wiens naam ook zeer werd geëerd.
Sint Macarius en een Cherubijn. Byzantijns ca. 1200,
Klooster van Sint Catherina, Sinai, Egypte.
Hoofdstuk XX Het Leven van Macarius van Alexandrië († 395)
Ik wil het nu hebben over de heilige Macarius van Alexandrië die priester was van de plaats die bekend staat als de Kellia. Ik heb daar zelf negen jaar heb gewoond, waarvan drie in de buurt van dezelfde Macarius, die in stille afzondering leefde. Ik zag veel van zijn wonderbaarlijke wijze van leven en het werk en de wonderen die hij verrichtte. Andere dingen heb ik vernomen van degenen die bij hem woonden.

Toen hij eens bij die grote en heilige vader Antonius was, bemerkte hij enkele voortreffelijke palmbladeren waar hij mee werkte, en vroeg of hij er een handvol voor zichzelf van mocht houden.
“Het staat geschreven, ‘Gij zult uw’s naasten goederen niet begeren’,” zei Antonius. En terwijl hij sprak verschrompelden de palmbladeren alsof ze door vuur vernietigd werden. Toen hij dit zag zei Antonius tegen Macarius. “de Heilige Geest rust op jou en jij zal na mij mijn mantel dragen.”
Eens kwam de duivel hem in een staat van extreme lichamelijke uitputting in de woestijn tegen, en sprak tot hem, " zie nu, je hebt de zegen van Antonius gekregen. Waarom gebruik je die macht niet en vraag je God om voedsel en kracht om je reis voort te zetten?"
"Mijn kracht en lof zijn in de Heer," antwoordde hij. "Breng de dienaar van God niet in verzoeking."
Daarop liet de duivel hem een zinsbegoocheling in de vorm van een kameel zien die door de woestijn dwaalt, zwaar beladen met alles wat hij nodig had. Toen de kameel Macarius zag, kwam deze naderbij en knielde naast hem neer. Maar hij herkende dit als de zinsbegoocheling die het was en begon te bidden, waarna de kameel door de aarde werd opgeslokt.

Bij een andere gelegenheid ging Macarius van Alexandrië de grote Macarius in Scete bezoeken. Om de Nijl over te steken gingen zij allebei aan boord van een grote veerboot samen met twee tribunen die door veel pracht en praal omringd werden. Zij hadden hun eigen privé vierwielig rijtuig van brons, paarden met gouden harnas, militairen die hen omstuwden, en bedienden en jongens die met gouden halsbanden en gordels waren getooid.
Toen de tribunen die twee opmerkten, gekleed in oude en versleten kleding, zittend in een hoek, dachten zij hoe gezegend het zou zijn om een dergelijke bescheiden en eenvoudige levensstijl te hebben, en één van hen zei, "gezegend zijn mensen zoals u die de wereld bespotten."
Macarius van Alexandrië antwoordde, "wij mogen dan wel de wereld bespotten, en het is de wereld die u bespot. Maar u zou moeten weten dat wat u hebt gezegd niet door uw eigen vrije wil kwam, maar door een geest van helderziendheid, want wij beiden worden Macarius genoemd, dat wil zeggen, ‘gezegend’.”
Door deze woorden tot in zijn wezen geraakt, verwierp de tribuun toen hij thuis kwam zijn fijne kleren en besloot als kluizenaar te gaan leven, en gaf hij veel van zijn rijkdom in aalmoes weg.

Op een keer kreeg Macarius een echt smakelijke tros verse druiven die hij werkelijk graag had willen opeten, maar in plaats daarvan gaf hij ze als bewijs van zijn grote zelfdiscipline door aan een andere broeder die duidelijk had laten blijken er erg naar te verlangen. Toen de druiven aan hem gegeven werden, leek de broeder absoluut opgetogen — maar dit moest in werkelijkheid zijn zelfdiscipline verbergen, want hij gaf ze weer aan een andere broeder die had laten blijken ernaar te verlangen. Ook hij accepteerde de gift en stelde zich voor hoe verheugd hij zou zijn om ze op te eten. En zo ging het maar door en gingen de druiven door de handen van veel van de broeders, en geen van hen waagde het om ze te eten.
Uiteindelijk gaf de laatste persoon die ze ontving, ze in een prachtig gebaar van onbaatzuchtigheid terug aan Macarius zelf. Macarius deed naspeuring en verwonderde zich, God dankend, dat zo veel van hen zo gedisciplineerd waren dat ze zich konden onthouden om van die druiven te eten.
Er is iets anders over de manier van het leven van grote Macarius dat ik en vele anderen met zekerheid over hem vernamen, en dat is dat als hij hoorde van wat voor grote prestatie dan ook die iemand anders had uitgevoerd hij het, zonder mankeren, meteen zelf wilde doen.
Dus toen hij hoorde dat de monniken van Tabennisi tijdens de Vasten niets aten dat gekookt was, besliste deze heilige man voor een periode van zeven jaar niets meer te eten dat gekookt was. Gedurende de gehele zevenjarige periode at hij niets dan rauwe olijven, behalve dat hij soms sommige kruiden, die hij toevallig gevonden had, in water weekte. Hij voerde dit programma trouw uit en gaf het toen op, want deze beste van alle monniken hoorde over een andere monnik die zich tot één pond brood beperkte.
Om er nog een schepje boven op te gooien, verdeelde Macarius zijn broden en deed de stukken in een kruik met een nauwe hals, en besloot alleen dat te eten wat hij zou kunnen krijgen door zijn hand erin te brengen. Hij behandelde zijn lichaam met grote onthouding! Hij vertelde ons dat hij er op een feestdag verscheidene stukken uit wilde halen, maar dit wegens de nauwheid van de opening niet kon doen.
"Mijn eigen persoonlijke rantsoenerende ambtenaar verhinderde me om nog meer te eten," zei hij.
Hij hield deze onthouding drie jaar vol en at slechts vier of vijf ons, behalve dat hij tijdens een heel jaar ook het zesde deel van een olijf at.

Hier is een ander ding dat deze atleet deed. Hij overtuigde zich ervan dat hij vastbesloten was om de slaap te bestrijden. Hij vertelde ons hoe hij het aanpakte, zodat wij er ons voordeel mee zouden kunnen doen. Twintig dagen en nachten lang verbleef hij buiten, zodat hij overdag wegens de hitte rusteloos was en hij ‘s nachts rilde van de koud.
“Door niet spoediger naar binnen te gaan," zei hij, "werden mijn hersenen zo inactief dat ik in extase kon gaan. Ik kon dit slechts doen door de slaap te overwinnen. Toen ik naar mijn normale manier van leven terugkeerde hield ik ermee op."

Eens werd hij vreselijk geplaagd door de demon van de ontucht, dus veroordeelde hij zichzelf er toe om zes maanden zijn vlees bloot te stellen in de lege woestenij van het moeras van Sketis, waar muskieten waren, zo groot als wespen die zelfs de huid van wilde zwijnen kunnen doordringen. Hij werd zo met beten overdekt dat je zou denken dat hij aan lepra leed. Toen hij na zes maanden naar zijn cel terugkeerde, was het alleen door het geluid van zijn stem dat hij nog herkend kon worden als Macarius, de meester.

Hij vertelde ons eens dat hij de tuin wilde bezoeken waar het monument was dat bekend staat als de kepotaphion ('herdenkings- of graftuin') van Jannes en Mambres, de magiërs uit de tijd van de Farao. Hij wilde deze niet alleen zien, maar ook wilde hij de demonen die daarvandaan kwamen confronteren, want er werd beweerd dat Jannes en Mambres door middel van de kracht van hun meest beruchte toverkunsten een groot aantal demonen van de ergste soort op die plek hadden verzameld.
Dit monument was gebouwd door de broers Jannes en Mambres die wegens de kracht van hun magische kunsten op dat ogenblik de machtigsten in het land van de Farao waren.
Omdat zij op dat moment van hun leven meer macht hadden dan wie dan ook in Egypte, konden zij dit grootse werk van vierkant gehouwen steen bouwen, om zo een monument voor zichzelf te maken. Zij besteedden heel wat geld en plantten allerlei soorten bomen en groeven een zeer grote bron, want er was daar een overvloed aan water in de grond. Maar zij deden al deze dingen in de hoop dat zij na hun dood van de verrukkingen van het paradijs zouden kunnen genieten.
Aangezien Macarius, de heilige dienaar van God, de weg naar deze tuin niet echt kende, bepaalde hij een koers aan de hand van de sterren en reisde door de woestijn zoals een schip dat over de zee vaart, en na een aantal stokken verzameld te hebben, plantte hij er één na elke duizend stappen zodat hij door deze tekens zijn weg weer terug zou kunnen vinden. Hij reisde negen dagen door de woestijn en was niet ver van de tuin, toen aan hem die nacht tijdens een hazenslaapje een enorme demon, de eeuwige vijand van de atleten van Christus, verscheen. Hij had terwijl Macarius sliep al die stokken opgeraapt, een steen van het monument dichtbij zijn hoofd geplaatst en de stokken eromheen verspreid alvorens uit het zicht te verdwijnen.
Toen Macarius wakker werd, vond hij al die stokken, die hij als wegwijzers had uitgezet, bij elkaar. Misschien stond God toe dat dit gebeurde om zijn vermogen te vergroten om zijn vertrouwen niet in wegwijzers te stellen maar in de genade van God, die de Israëlieten door middel van een pilaarwolk veertig jaar door de angstwekkende wildernis leidde.
Macarius ging verder, "toen ik het monument naderde kwamen zeventig van die demonen die ik vermeldde in diverse vormen naar buiten op me toe stormen, sommige van hen schreeuwend, sommige angstwekkend hun tanden naar me knarsend, sommige als kraaien hun vleugels klappend, sommige van aangezicht tot aangezicht me beschimpend.
"'Wat wil je, Macarius?' zeiden zij. 'Wat proberen jullie monniken te doen? Waarom komen jullie hier? Hebben wij ooit een van jullie monniken zo aangevallen? Jij en jouw gelijken genieten op jullie plek van hetzelfde als wij hier, namelijk eenzaamheid, en jij hebt onze broeders uit jouw plaats verdreven. Jij en wij hebben niets met elkaar te maken. Waarom val je ons territorium binnen? Als je een kluizenaar bent waarom kun je dan niet met je eenzaamheid tevreden zijn? Zij die deze plaats bouwden gaven hem aan ons. Je kunt hier niet blijven. Waarom zou je ernaar streven ons bezit binnen te gaan waarin geen levende persoon ooit is binnengegaan, waar wij zelf met het herdenken van hen die het bouwden zijn toevertrouwd?'"
Terwijl deze menigte demonen ruw in het rond sprong, zei de heilige Macarius, "ik wil alleen maar naar binnen gaan, even kijken en weer weggaan."
"Geef ons daarover je plechtige belofte," zeiden de demonen.
"Dat doe ik," zei de dienaar van Christus. En de demonen verdwenen. Maar toen hij de tuin inging kwam de duivel met getrokken zwaard dreigend op hem afgerend.
"Je komt met getrokken zwaard op me toe," zei de heilige Macarius, "maar ik kom naar jou in naam van de Heer der Heerscharen, de God van Israël, klaar voor de strijd. Ik ben dan wel binnengekomen, maar alles wat ik heb gevonden is een bronzen kruik die aan een ijzeren ketting roestig van de ouderdom boven een put hangt, granaatappels met niets van binnen omdat ze zijn uitgedroogd door de zon, en een paar gouden altaren."
De heilige man vertrok uit het tumult en de drukte, en gedurende de volgende twintig dagen ging hij terug in de richting van zijn cel, er erg onder lijdend dat zijn brood en water opraakten. Voor nog eens twintig dagen liep hij door de woestijn, niets etend, voorzover ik weet. Misschien werd hij getest om te zien hoeveel hij kon verdragen.
Toen hij bijna op het punt stond om in te storten, zag hij iets dat eruit zag als een jonge vrouw gekleed in een schoon linnen kledingstuk, zo vertelde hij ons, die een kruik droeg die droop van het water. Macarius zei dat ze drie dagen lang een paar honderd meter voor hem uit liep. Hij kon haar daar zien staan met de kruik, hem bespottend, maar hem niet dichterbij laten komend, en dit verdroeg hij dapper voor drie dagen in de hoop iets te drinken te krijgen.
Maar toen verscheen een kudde runderen, waarvan er één met een kalf zich naar hem omdraaide. (Het was een plaats waar veel runderen waren). Volgens wat Macarius ons vertelde, was de uier van deze koe vol melk en hij hoorde een stem van boven zeggen, "Macarius, ga naar deze koe en melk haar."
"Ik deed dit en was verzadigd," zei hij. "En de Heer, om me een nog grotere gunst in mijn nietigheid te tonen, gaf de koe opdracht om me tot aan mijn cel te volgen. Die moederkoe gehoorzaamde het bevel en voedde me, terwijl ze haar kalf niet toestond om dichtbij te komen."

Bij een andere gelegenheid groef deze man van voorbeeldige deugd een put voor de monniken dichtbij wat bebladerde takken waaruit een adder kwam die hem beet. (Dat zijn boosaardige en giftige dieren.) De heilige man nam beide kaken van de adder in zijn twee handen en scheurde hem in tweeën, terwijl hij zei, "Mijn God heeft je niet gestuurd. Hoe durf je dan hier te komen?"
Toen de grote Macarius hoorde dat er in Tabennisi een instelling was, die beroemd voor was zijn manier van het leven, deed hij andere kleren aan, de kleding van een arbeider, en ging er heen door de woestijn tot hij na vijftien dagen in Tabennisi aankwam, waar hij naar de archimandriet vroeg, die Pachomius heette.
Hij was een voortreffelijke man die ook de gave van de profetie had, hoewel hem niet werd geopenbaard dat dit de grote Macarius was. Toen hij naar buiten kwam, vroeg Macarius om toestemming om een monnik in zijn klooster te worden.
U bent te oud om nog een monnik te worden," zei de grote Pachomius. "U zou niet het kunnen volhouden. Onze broeders zijn hier sinds zij jong waren en zijn aan het harde werk gewend geraakt. Op uw leeftijd zou u de beproevingen van ons leven niet kunnen verdragen, zou u ontgoocheld, worden en zou u weggaan en kwaad over ons spreken."
En hij wilde hem niet aannemen, noch op die dag of de volgende dag noch op de zevende dag daarna. Maar hij hield vol, en bleef daar, vastend.
Tenslotte zei Macarius tegen hem, "neem me aan, abba, en als ik niet kan vasten en alle andere plichten kan uitvoeren, geef dan opdracht om me uit het klooster te gooien."
Dus overreedde de grote Pachomius de broeders dat hij binnen zou moeten worden gelaten, en zo ging hij naar binnen. (Veertigduizend mannen zijn er in dat ene klooster, tot op de dag van vandaag.)
Een korte tijd daarna brak de vastentijd aan en de oude man Macarius merkte dat elk van hen een andere discipline ondernam. De een at niet tot avond, een andere na twee dagen, een andere na vijf. Er was er één die de hele nacht bleef staan, behalve dat hij van tijd tot tijd ging zitten om te werken.
Macarius weekte wat palmbladeren en stond in een hoek gedurende de gehele periode van het Vasten tot Pasen, zonder brood te eten, zonder water te drinken, zonder te knielen, te zitten of te liggen, en zonder iets tot zich te nemen behalve een paar koolbladeren op de Zondagen, zodat men hem kon zien eten om te voorkomen dat hij arrogant leek met wat hij deed.
Onuphrius, Byzantijns, 4e eeuw.
Als hij voor zijn behoeften naar buiten moest gaan ging hij snel weer naar binnen om verder te gaan met zijn werk, niet pratend, in stilte staand, niets doend behalve het bewaren van de stilte in zijn hart en bidden, en het werken met de palmtakken in zijn handen.
Toen de anderen in het klooster zagen wat hij deed, klaagden zij bij zijn superieur dat zij werden ondermijnd.
"Waar hebt u deze onaardse man vandaan gehaald, die ons allen aan de kaak stelt?" vroegen zij. "Of u stuurt hem weg, weet u, of anders zullen wij allen weggaan."
Toen Pachomius dit van de broeders hoorde, vroeg hij waar het allemaal over ging. Zij vertelden hem wat Macarius deed, en hij bad tot God, om te vragen wie deze man werkelijk was.
Toen werd hem geopenbaard dat het de monnik Macarius was.
De grote Pachomius nam hem bij de hand en leidde hem naar de kapel vóór het altaar, omhelsde hem en zei, "welkom, eerwaarde. U bent Macarius en het was voor mij verborgen. Sinds vele jaren, sinds ik voor het eerst over u hoorde, heb ik u willen ontmoeten. En ik dank u dat u mijn broeders een aanschouwelijke les hebt gegeven om te voorkomen dat ze verwaand en trots worden van wat zij zelf doen. Maar nu, verzoek ik u, ga naar uw eigen plaats terug, en bid voor ons. U hebt ons wel genoeg geleerd." Gehoor gevend aan dit verzoek en de gebeden van alle broeders, vertrok hij.

Bij een andere gelegenheid vertelde hij ons het volgende verhaal
"Na zonder te versagen, alle wegen van het kloosterleven doorleefd te hebben begon ik nog diepere geestelijke verlangens te krijgen. Ik besloot dat ik voor een periode van vijf dagen zou proberen mijn geest zonder enige afleiding op God gericht te houden en na te laten over iets anders te denken.
Vanaf het moment dat ik die beslissing had genomen, deed ik de celdeur dicht en sloot ik de hof, zodat ik niet voor wat voor bezoekers dan ook zou hoeven open te doen.
En rechtop staande, begon ik onmiddellijk tot mijn gedachten te zeggen, 'kom niet neer uit de hemel. Je hebt de engelen en aartsengelen en alle hemelse krachten, cherubijnen en serafijnen en achter hen de macht van God. Richt je daarop. Daal niet lager dan de hemel zodat je niet in wereldse gedachten vervalt.'
Ik volhardde hierin twee dagen en twee nachten lang, wat de demon zo ergerde dat hij een vurige vlam werd, en alles wat ik in mijn cel had aanstak, met inbegrip van de rieten mat waarop ik stond, zodat ik bang was dat ik zelf ook op elk moment om in vlammen zou kunnen opgaan. Uiteindelijk, op de derde dag, werd ik zo bang dat ik het hele idee opgaf. Ik kon mijn geest niet langer geconcentreerd houden, dus daalde ik weer af naar de aarde. Ik veronderstel dat God dit toestond zodat ik niet door trots zou worden meegesleept."

Ik ging eens hem bezoeken en vond buiten zijn cel een priester van een naburig dorp wiens hoofd zo weggevreten was door de ziekte die als kanker bekend staat, dat zijn mond bijna boven op zijn hoofd leek te zijn. Hij was gekomen in de hoop genezen te worden, maar Macarius wou niet eens met hem spreken.
"Heb medelijden met deze arme stakker," zei ik, "en zeg tenminste iets tegen hem."
"Hij verdient het niet te worden genezen," antwoordde hij. "Dit is hem door God gezonden om hem een les te leren. Als hij wil worden genezen spoor hem dan aan om het toedienen van de heilige sacramenten op te geven."
"Waarom dat?" vroeg ik.
"Hij voert zijn priesterschap uit terwijl hij in ontucht leeft," antwoordde hij, "en daarom wordt hij gestraft. Nu dan, als hij in vrees opgeeft wat hij zonder schaamte heeft durven doen, zal de Heer hem genezen."
Dus ging ik naar deze getroffen persoon en sprak tot hem, en hij zwoer een eed dat hij zijn priesterschap niet meer zou uitoefenen.
Macarius liet hem toen binnen en zei tot hem, "gelooft u in God voor wie niets verborgen is?" "Volledig," antwoordde hij.
"U weet dat u God niet kunt bedriegen?" vroeg Macarius.
"Inderdaad, heer, dat kan ik niet," zei hij.
"Goed, als u uw zonde erkent en aanvaardt dat God u ervoor heeft gestraft, zal het resultaat genezing zijn."
Dus bekende hij zijn zonde, en beloofde niet meer te zondigen en nooit meer de mis bij het altaar op te dragen, maar de lekenstand aan te nemen.
Toen legde de heilige man hem de handen op en na een paar dagen was hij genezen, groeide zijn haar weer aan en hij ging naar huis terug, God verheerlijkend en de grote Macarius dankzeggend.

Deze heilige man had verscheidene cellen, één in Skete, wat het midden van de woestijn is, één in Libië, één in de Kellia en één in Nitria. Sommige daarvan hadden geen openingen en tijdens de Vasten verbleef hij in deze cellen in volledige duisternis. Een andere was nogal smal, zodat hij daarin zijn benen niet kon uitstrekken, maar hij had een grotere die geschikt was om bezoekers te ontmoeten.
Hij genas zovelen die door demonen werden gekweld dat het onmogelijk zou zijn om hen te tellen. Een rijke en edele vrouw werd naar hem toegedragen terwijl ik daar was. Zij was uit Thessalonica gekomen, het verste deel van Griekenland, en was al vele jaren verlamd. Hij kreeg medelijden met haar waar zij buiten zijn cel was gezet, en twintig dagen lang bad hij en zalfde haar met zijn eigen handen met olie, tot hij haar, genezen, naar haar eigen land kon terugzenden. Zij ging op haar eigen twee voeten terug en zond een grootmoedige offerande aan de heilige broeders.

Ik zag een jongen die bezeten was door een boze geest die bij hem werd gebracht. Macarius legde een hand op zijn hoofd en zijn linkerhand op zijn borst en hij bad geruime tijd over hem totdat hij hem in de lucht deed zweven. En de jongen zwol op en werd zo groot dat hij totaal misvormd werd. Plotseling schreeuwde hij het uit en uit al zijn lichaamsopeningen scheidde hij water af, waarna hij weer tot zijn gewone gestalte terugkeerde. Macarius zalfde hem met olie en goot water over hem heen, waarna hij hem aan zijn vader teruggaf, en hem beval gedurende de volgende veertig dagen geen vlees te eten of wijn te drinken. En zo genas hij hem.

Hij werd eens vertroebeld door ijdele gedachten die hem suggereerden dat het een goed plan en voor de goede zaak zou zijn om naar Rome te gaan ten behoeve van al degenen die daar ziek waren. Maar de genade ging dergelijke neigingen sterk tegen. Hij vocht er lange tijd tegen en werd er zeer door verstoord. Hij gooide zich op de drempel van zijn cel neer, stak zijn voeten naar buiten en zei, "snijd ze af en sleep ze weg, jullie demonen, als jullie kunnen, maar ik zal mijn voeten geen gezelschap houden."
Hij deed de gelofte dat hij daar tot de avond zou blijven als zij hem niet zouden laten gaan, en in elk geval niet naar hen zou luisteren.
Nadat hij daar een lange tijd gelegen had, viel de nacht, en de strijd werd heftiger. Hij vulde een grote mand met zand, zette die op zijn schouders en liep de woestijn in. Hier ontmoette hij Theosobius Kosmetor van Antiochië die tegen hem zei, "wat draagt u daar, abba? Laat me uw last verlichten door deze voor u te dragen."
"Ik leg eenvoudigweg een last op hem die een last voor mij is," antwoordde hij. "Want ik ben zo onachtzaam en onstabiel dat hij me doet verlangen dat ik erop uit ga om rond te trekken." Na vrij lange tijd zo rondgezworven te hebben keerde hij terug naar zijn cel, met zijn lichaam op passende wijze gelouterd.

De dienaar van God, Paphnoutius, die een discipel van deze beroemde heilige man was, vertelde ons dat toen Macarius eens in zijn hof tot God zat te bidden, een hyena haar jong, dat blind was, naar hem toe bracht. Zij duwde met haar kop tegen de deur, ging naar binnen waar hij zat en legde het jong aan zijn voeten. Macarius pakte het jong, spuugde in zijn ogen en bad. Onmiddellijk kon het jong zien. De hyena zoogde het, pakte het op en vertrok.
De volgende dag bracht zij Macarius een grote schapenhuid. Toen Macarius die zag zei hij, "hoe heb je dit verkregen als het niet door het doden van iemands schapen was? Ik kan dit niet accepteren, aangezien het ‘t resultaat van een misdaad is." Maar de hyena deed zacht haar hoofd naar beneden, boog haar knieën en plaatste de huid aan de voeten van de heilige man.
"Ik zei dat ik dit niet kan accepteren," zei hij, " — tenzij je belooft om arme mensen nooit meer te grieven door hun schapen te eten."
Zij neigde haar hoofd alsof ze daarmee instemde, en toen nam Macarius de schapenhuid op.
Die heilige dienares van Christus, Melania, vertelde me dat zij diezelfde huid van Macarius, die als ‘de huid van de hyena’ bekend staat, had aangenomen.
Is het niet iets om je over te verwonderen dat een hyena zou kunnen aanvoelen dat hier een man was die aan de wereld gekruisigd was, en in ruil voor de vriendelijkheid die ze had ontvangen een gift zou brengen, ter meerdere glorie van God en eerbetoon aan Zijn dienaar? Hij die via de profeet Daniël de leeuwen bedwong, vergrootte ook de intelligentie van de hyena.
Men zei over deze man ook dat hij, vanaf het moment dat hij gedoopt was, nooit op de grond spoog. Hij werd gedoopt op de leeftijd van veertig en leefde daarna nog zestig jaar.

In gestalte was hij als volgt. (Het past me om u dit, O dienaar van Christus, te vertellen als iemand die weet waar ik over spreek, aangezien mijn armzalige leven contemporain was met dat van hem.) Hij was klein en dun en enigszins gebogen in gestalte, met haar dat alleen op zijn bovenlip groeide, en zeer weinig op zijn hoofd. Wegens de intensiteit van zijn fysieke discipline groeide er geen haar op zijn kin.
Op een dag kwam ik bij deze heilige Macarius, in een nogal bedroefde stemming en zei tot hem, "wat zal ik doen, abba Macarius, want mijn gedachten hinderen me door te zeggen, 'geef het op en ga weg'?"
"Zeg aan uw gedachten," zei de heilige vader Macarius, "'om Christus' wil zal ik de verdediging handhaven’."
Zo, O liefhebbende en ijverige dienaar van Christus, heb ik u nu verteld over enkele van de vele wonderen en gevechten van de beroemde Macarius, die uitblonk in deugd.

Macarius vertelde ons (hij was priester) dat hij nooit de Communie aan Marcus gaf tijdens de Communie van de Sacramenten van Christus, want een engel bracht vanaf het altaar het naar hem toe, maar hij zag alleen maar de vinger van de hand die de Communie bracht.
Hoofdstuk XXVIII Het Leven van Paulus de Simpele († 339)
(I) De dienaar van Christus, Hierax, evenals Cronius en verscheidene andere broeders, vertelden me het verhaal dat ik u over Paulus de Simpele ga vertellen.
Hij was een boeren landarbeider met een oprecht onschuldig en eenvoudig leven, en hij had een zeer mooie vrouw tot echtgenote genomen die evenwel een zeer lakse moraal had.
Door de voorzienigheid tot een afloop geleid, waar hij in feite half op hoopte, kwam hij op een dag onverwacht van de velden terug, ging naar binnen en vond haar samen met een man. Toen hij haar zag en de man met wie ze s•ks had, lachte hij rondborstig en hartgrondig.
"Mooi, mooi," zei hij. "Dit betekent dat zij mijn verantwoordelijkheid niet meer is. In naam van Jezus, ik erken haar niet meer. Ga, neem haar met je mee, en haar kinderen, want ik ga weg om monnik te worden."
Zonder verder iets tegen wie dan ook te zeggen ondernam hij een reis van acht dagen naar de heilige Antonius en klopte aan zijn deur.
"Wat wil je?" vroeg Antonius toen hij naar de deur kwam.
"Monnik worden," antwoordde Paulus.
"Je moet zeker al zestig zijn. Je kunt geen monnik worden," zei Antonius. "Leef in de stad, werk voor je onderhoud, vertrouwend op de genade van God. Je zou niet aan alle beproevingen van de eenzaamheid het hoofd kunnen bieden."
"Wat u me ook vertelt om te doen, ik het zou doen," antwoordde de oude man.
"Ik heb het je verteld," zei Antonius. "Je bent oud. Je kunt geen monnik zijn. Ga weg. Of als je werkelijk een monnik wilt zijn, ga dan naar een klooster waar veel broeders zijn om je in je broosheid te steunen. Ik ben hier helemaal alleen, en vast vijf dagen alvorens te eten."
En met deze woorden probeerde hij Paulus weg te jagen.
Weigerend hem toe te laten, sloot Antonius de deur en drie dagen lang ging hij niet naar buiten, zelfs niet om zijn behoefte te doen. Maar de oude man bleef waar hij was.
Op de vierde dag moest hij echt naar buiten, maar toen hij de deur opende en naar buiten ging, zag hij dat Paulus er nog steeds was, en zei, "ga weg, oude man. Waarom blijf je me lastig vallen? Je kunt hier niet blijven."
"Ik ben niet van plan ergens anders te blijven behalve hier," zei Paulus.
Antonius bekeek hem en zag dat hij niets bij zich had om van te leven, geen brood, geen water of iets anders, en hij had nu al vier dagen gevast.
"Hij is zo ongewend te vasten dat hij zou kunnen sterven," dacht Antonius, "en ik zal daaraan schuldig zijn." En dus liet hij hem binnen.
"Als je gehoorzaam kunt zijn en doet wat ik je vertel," zei Antonius, "zal het wel goed komen met je."
"Ik zal alles doen wat u zegt," antwoordde Paulus.
In die dagen volgde Antonius net zo’n strenge manier van leven als hij deed toen hij jong was. Om Paulus op de proef te stellen, zei hij hem, "blijf hier en bid, terwijl ik naar binnen ga en iets voor je haal om aan te werken."
Hij ging toen zijn binnenruimte in en hield Paulus door het venster in de gaten. Voor de rest van de week bleef hij daar zonder zich te bewegen, hoewel hij door de hitte verschroeid werd. Tegen het eind van de week bracht hij een paar palmtakken die hij in water had geweekt.
"Neem deze en vlecht een koord zoals je mij ziet doen." zei hij.
De oude man vlocht tot het negende uur, en voltooide met veel moeite vijftien armlengten.
Antonius inspecteerde wat hij had gedaan en was er niet tevreden mee.
"Je hebt dat zeer slecht gedaan," hij zei. "Maak het los en doe het opnieuw."
Het was nu de zevende dag dat deze bejaarde man had gevast, maar Antonius behandelde hem zo streng om te zien of hij het leven van monnik zou opgeven en zou vertrekken. Maar hij nam gewoon de takken en vlocht ze opnieuw, en met veel inspanning corrigeerde hij de onregelmatigheid waarmee hij het aanvankelijk had gedaan.
Antonius zag dat hij noch had gemopperd noch terneergeslagen was geweest, noch zich ervan had afgemaakt, noch in het minst gebelgd was geweest, en hij begon medelijden met hem te krijgen. En de zon onderging, zei hij, "wel, vadertje, zullen wij samen wat brood breken?"
"Als u denkt dat dat juist is, abba," antwoordde Paulus, aldus de beslissing aan Antonius overlatend zonder ongeduldig op te springen bij de vermelding van voedsel. Antonius begon van mening te veranderen.
"Maak de tafel dan maar klaar," zei hij. En hij deed dit. Antonius zette het brood op de tafel, vier broodjes van zes ons. Hij zette er één voor zichzelf neer om te weken (want ze waren droog) en drie voor Paulus. Antonius zong een psalm die hij kende, en toen hij die twaalf keer had herhaald zei hij ook twaalf keer een gebed. Dit deed hij om Paulus verder te testen. Maar de oude man bad ook, net zo vlot en geestdriftig als de grote Antonius zelf. (Ik denk echt dat hij zich eerder met schorpioenen zou voeden dan onjuist zou leven.)
"Ga zitten," zei de grote Antonius tegen Paulus na de twaalf gebeden, "maar wij zullen niet eten tot de vespers. Wacht tot het brood eetbaar is." De tijd voor vespers kwam en Paulus had nog niet gegeten, toen Antonius zei, "opstaan. Wij zullen bidden en dan slapen."
Zij verlieten de tafel en deden dat. Halverwege de nacht wekte Antonius Paulus voor gebeden en ging ermee door tot het negende uur. Maar toen de tijd van de vespers uiteindelijk aanbrak en de tafel klaar gemaakt was en zij hadden gezongen en gebeden gingen zij zitten om te eten.
Antonius at één broodje en nam er geen meer. De oude man at langzamer en had het broodje nog waarmee hij was begonnen. Antonius wachtte tot hij klaar was en zei, "kom, vadertje, eet nog een broodje."
"Als u er nog één neemt, zal ik het doen," zei Paulus, "maar ik doe het niet als u het niet ook doet."
"Ik heb ruim voldoende gehad voor iemand die monnik is," zei Antonius.
"Aangezien ik een monnik wil zijn," zei Paulus, " is dat voor mij dan ook genoeg." En hij stond op en zei twaalf gebeden en zong twaalf psalmen. Na de gebeden sliepen ze een beetje gedurende het eerste deel van de nacht, toen stonden ze op en zongen opnieuw psalmen tot de dageraad.
Hij stuurde hem toen de woestijn in om rond te dwalen.
"Na drie dagen terugkomen," zei hij.
Dit deed hij.
Toen er enkele broeders op bezoek kwamen lette hij goed op Antonius en deed alles wat Antonius wilde.
"Zorg voor de behoeften van de bezoekers en houd je stil," zei hij, "en eet niets tot zij aan hun terugreis zijn begonnen."
Aan het eind van de derde week waarin Paulus nog steeds niets had gegeten vroegen de broeders hem waarom hij niet sprak, waarop hij absoluut niets antwoordde.
"Waarom zou je zwijgen?" zei Antonius. "Spreek tot de broeders." Dus sprak hij.
Eens toen Antonius een pot honing kreeg gaf hij Paulus de opdracht om de pot te breken. Hij deed dat en de honing viel op de grond.
"Schraap nu met deze schelp de honing op," beval hij, "maar zorg ervoor dat er geen vuil mee vermengd wordt."
Eens gaf hij hem de opdracht om de hele dag water te putten.
Toen zijn kledingstuk een beetje versleten raakte, vertelde hij hem dat hij er maar aan moest wennen.
Uiteindelijk had deze man door de goddelijke genade die hem gegeven was een dergelijke vaste greep op de gehoorzaamheid gekregen, dat hij de demonen kon commanderen.
Toen de grote Antonius zag dat deze man onmiddellijk alles had uitgevoerd wat hij hem had gevraagd om te doen om zijn levenswijze te op orde te krijgen, zei hij, “Kijk of je dit dag in dag uit kunt blijven doen, broeder, en blijf bij me."
"Ik weet wat niet wat u me verder nog kunt tonen," zei Paulus. "Ik doe alles wat ik u zie doen, vrij gemakkelijk en zonder enige inspanning, aangezien de Heer mijn helper is."
Op een andere dag gaf Antonius 'in de naam van Jezus' toe dat hij inderdaad een monnik was geworden. De grote en heilige Antonius was ervan overtuigd geraakt dat de ziel van deze dienaar van Christus in alle dingen bijna perfect was geworden, ook al hij was een beetje simpel.
Na een paar maanden werd Antonius door de genade van God bewogen om een cel voor hem te bouwen, drie of vier mijlen van zijn eigen cel, en hij zei tegen hem, "kijk eens aan, met de hulp van de genade van Christus ben je een monnik geworden. Leef nu op jezelf, en neem het zelfs op tegen de demonen."
Zo was Paulus de Simpelste een jaar nadat hij bij hem kwam wonen, hoogst ervaren in een gedisciplineerde manier van leven en werd waardig bevonden om tegen de demonen en tegen allerlei ziekten te vechten.

Op een dag werd er een jonge man naar Antonius gebracht die buitensporig werd gekweld door één van de krachtigste en meest primitieve demonen, die tegen de hemel zelf met vloeken en godslasteringen tekeer ging.
Antonius bekeek de jonge man even en zei tegen degenen die hem gebracht hadden, "dit is geen taak voor mij. Mij is nog niet de genade gegeven om met dit zeer krachtige type van demon af te rekenen. Paulus de Simpele heeft de genade om dit te behandelen."
De grote Antonius ging naar Paulus, die meest voortreffelijke man, en nam hen alle met zich mee. "Abba Paulus," zei hij, "drijf deze demon uit deze persoon zodat hij genezen naar huis kan terugkeren en God verheerlijken."
"Waarom doet u het niet?" vroeg Paulus.
"Dit is niet voor mij," zei Antonius. "Ik heb andere zorgen." En de grote Antonius liet de jongen daar en keerde aan zijn cel terug.
De pretentieloze oude man stond op en sprak een sterk gebed uit om de demon uit te dagen en zei, "abba Antonius zegt, ‘gaat heen van deze mens'."
"Dat doe ik niet, jij walgelijke, pompeuze, oude man," zei de demon met veel vloeken en godslasteringen. Paulus deed zijn schapenhuid aan en ranselde hem op zijn rug, en schreeuwde, "'gaat heen’, zegt abba Antonius."
De demon beschimpte zowel Paulus als Antonius met vervloekingen, en riep, "jullie zijn walgelijke oude mannen, lui en inhalig, er nooit tevreden mee om je met jullie eigen zaken bezig te houden. Wat moeten jullie met ons? Waarom bedreigen jullie ons?"
"Of je gaat nu," zei Paulus, "of ik zal een beroep doen op de macht van Christus om je te vernietigen."
Maar deze onreine demon ging ook met vloeken en godslasteringen tegen Jezus tekeer.
"Ik ga niet," schreeuwde hij.
Hierdoor werd Paulus zeer boos op de demon. Hij ging naar buiten. Het was middag — wanneer de Egyptische hitte te vergelijken is met de oven van Babylon. De heilige oude man stond rechtop, als een standbeeld, bovenop een rots en bad, "O Jezus Christus, U werd gekruisigd onder Pontius Pilatus, zie toe dat ik niet van deze rots zal neerdalen, noch zal ik eten of drinken, al zou ik eraan sterven, tot U me hoort en deze demon uit deze man drijft en hem van de onreine geest bevrijdt."
En terwijl de simpele en bescheiden Paulus aan het bidden was, zelfs al voordat hij klaar was, schreeuwde de demon, "ik ga, ik ga, met geweld verdreven, door tirannie overwonnen. Ik ga uit deze man en zal niet meer terugkomen. Het is de simpelheid en de nederigheid van Paulus die me heeft uitgedreven en ik weet niet waarheen te gaan."
Op het moment dat hij vertrok, veranderde hij in een enorme draak van meer dan zeventig cubits [een cubit is 45 tot 60 cm lang] lang, die naar de Rode Zee kroop.
Aldus werden de woorden van de Heilige Schrift vervuld, 'de rechtvaardige toont zijn geloof door wat hij doet' (Spreuken 12.17 [Ik heb dit citaat op die plaats niet kunnen vinden]), en 'Mijn ogen rusten op de mens die gekwetst en berouwvol is, en die beeft voor mijn woord.' (Jesaja 66.2).
Hoewel kleinere (humiliores) demonen door het geloof van mensen met gezag (principales) kunnen worden uitgedreven, zijn er bescheiden (humiles) mensen voor nodig om demonen met de grootste macht (principales) op de vlucht te jagen.

Aldus waren de wonderen van de bescheiden Paulus de Simpele, en er waren nog vele andere die hij verrichtte, nog groter dan deze.
Hij was bij alle broeders bekend als de Simpele.
Aurelius Augustinus, ofwel Augustinus van Hippo (354 – 430)
Belijdenissen

Uit het Latijn vertaald door Gerard Wijdeveld, Utrecht, 1983.
Inleiding
Iemand die in het late voorjaar of de vroege zomer van het jaar 386 een bezoek had gebracht aan Milaan en zich daar met een ingezetene had onderhouden over de opmerkelijke persoonlijkheden die op dat moment in de stad te ontmoeten waren, zou op een gegeven ogenblik zeker ook wel de naam hebben gehoord van Aurelius Augustinus, de stedelijke leraar in de retoriek. Deze Augustinus zou hem zijn beschreven als een man van veel talent, die in het openbare leven allengs begon op te vallen en van wie het niet onwaarschijnlijk leek dat het hof — Milaan was keizerlijke residentiestad — hem vroeg of laat de gelegenheid zou openen tot een niet onbelangrijke carrière.
Hij was nog niet zo oud, vóór in de dertig, en van herkomst een Afrikaan [een Berber, geboren in Algiers]; in Afrika, het laatst in Carthago, had hij ook gestudeerd; na in zijn geboorteland de retorica onderwezen te hebben was hij in 383 naar Rome overgestoken en had zich daar als retor gevestigd.
Lang had zijn werkzaamheid er niet geduurd, want in de herfst van 384 was hij, op aanbeveling van de vermaarde en invloedrijke Romeinse redenaar Quintus Aurelius Symmachus, in zijn huidige Milanese functie aangesteld.
Indien onze bezoeker belang was gaan stellen in deze Aurelius Augustinus en nadere informaties over hem gevraagd had, zou hij veel lof hebben vernomen over zijn ongemene virtuositeit als redenaar, een virtuositeit waarmee hij bij enkele officiële festiviteiten reeds de waardering van een gedistingeerd, niet licht te verbazen gehoor had weten te winnen.
Wanneer de zegsman van onze bezoeker nadere contacten met Augustinus had gehad, was er wellicht ook nog het een en ander verteld over de grote belangstelling die de Afrikaanse retor aan de dag legde voor allerlei filosofische en religieuze problemen.
Aanvankelijk was er in Milaan verteld dat de nieuwe leraar sympathiseerde met het manicheïsme, de leer van een wat geheimzinnige religieuze gemeenschap (zij was door het staatsgezag al vóór de christelijke tijd verboden) van Perzische origine, waartoe een bepaald soort intellectuelen en godsdienstig onrustige lieden zich wel aangetrokken voelden. Dit manicheïsme meende de vraag naar de oorsprong van het kwaad te kunnen beantwoorden door te leren dat er van alle eeuwigheid twee aan elkaar volstrekt tegengestelde, niet tot elkaar herleidbare machten of rijken bestaan hadden, een goede en lichte macht en een tegenmacht die louter boosheid en duisternis was, en dat de oorlog tussen die twee machten en hun door de strijd teweeggebrachte dooreenmenging de meest aanvaardbare verklaring leverden voor de ellende en de boosheid, waar deze wereld en haar bewoners mee behept waren.
Dat verhaal van Augustinus' sympathie voor het manicheïsme had de ronde gedaan, toen hij in Milaan benoemd was, maar na zijn vestiging in de stad was er toch eigenlijk niets gebeurd waaruit deze manicheïsche gezindheid duidelijk was gebleken. Het had eerder de indruk gemaakt, dat Augustinus overhelde naar de inzichten van de nieuwe academie, die twijfelde aan het vermogen van de menselijke geest om de waarheid vast te stellen.
Dat hij geregeld in een katholieke kerk gesignaleerd was, behoefde niet zo heel veel te betekenen: men zag hem daar alleen wanneer de bisschop, Ambrosius, er preekte, en er waren wel meer Milanezen die, hoewel ze Ambrosius' overtuiging niet deelden, een zo kundig redenaar toch graag eens beluisterden.
Overigens scheen Augustinus juist de laatste maanden een ontwikkeling door te maken waarin hij het scepticisme van de nieuwe academie aan het overwinnen was. Hij was namelijk onder de indruk gekomen van de geschriften van Porphyrius en Plotinus, de filosofen die nieuw leven hadden ingeblazen aan de echte spiritualistische tradities van het platonisme en die in Milaan een selecte kring van bewonderaars.
St. Augustinus met St. Ambrosius
Benozzo Gozzoli. 1464/65. Fresco.
Kapel van Sant' Agostino, San Gimignano, Italië.
Eén ding zou de bezoeker bevreemd hebben. Wanneer hij, nieuwsgierig geworden, zijn Milanese zegslieden gevraagd had, hoe hij aan enkele geschriften van hun retor kon komen, hadden ze hem teleur moeten stellen. Een jaar of vijf zes geleden scheen Augustinus wel een klein filosofisch traktaat geschreven te hebben, maar dat werkje had in Milaan nooit iemand gezien, en verder waren er van hem geen geschriften bekend. Gebrek aan talent kon moeilijk de reden zijn van deze schaarse litteraire productie. Voor de carrière die Augustinus toch kennelijk wel beoogde — hij was geen man zonder ambitie, integendeel — kon enige schrijversfaam ook zeker geen kwaad. Het leek wel of hij door een vreemde, onbekende schroom weerhouden werd zich als auteur bekend te maken.
Gesteld dat dezelfde bezoeker twee jaar later weer Milaan bezocht had, dan had hij er over de stedelijke retor veel nieuws en merkwaardig nieuws kunnen horen. In de zomer van 386 had Augustinus zich plotseling tot het katholieke christendom bekeerd, en dat niet alleen, maar hij had ook zonder meer besloten tot een leven van ascetische en celibataire vroomheid. Met één slag had hij al zijn wereldse ambities vaarwel gezegd en ook zijn ambt als retor opgegeven.
Deze bekering was opgang gebracht door zijn confrontatie met de Vita van Antonius, zoals blijkt uit de hieronder volgende paragrafen.
Boek Acht: VI, 14 - XII, 29
VI, 14 Het speelt zich af in de zomer van 386
Op een goede dag nu ... kwam bij ons thuis, bij Alypius en mij, een zekere Ponticianus, een landsman van ons, want hij was uit Afrika, die een hoge post in het paleis bekleedde.
Hij moest van ons het een of ander hebben en wij gingen zitten voor een gesprek. En toevallig ging zijn oog over een speeltafeltje dat voor ons stond en viel daar op een boek. Hij nam het in de hand, deed het open en ontdekte dat het de apostel Paulus was, bepaald tegen zijn verwachting, want hij had verondersteld dat het iets was in de trant van de boeken waar ik mij ambtshalve mee aftobde.
Met een glimlach keek hij mij aan en sprak er in complimenteuze woorden zijn verbazing over uit, dat hij zo ineens dit — en alleen maar dit geschrift onder mijn ogen had gevonden. Hij was namelijk christen, gedoopt christen, en wierp zich dikwijls voor u, onze God, in de kerk ter aarde neer om vele en langdurige gebeden tot u te richten.
Toen ik hem te verstaan had gegeven, dat ik mij ijverig met die geschriften bezighield, kwam het tot een gesprek, waarin hij vertelde over de Egyptische monnik Antonius, wiens naam onder uw dienaren hoogvermaard was, maar ons tot op dat uur onbekend was gebleven.
Toen Ponticianus dat hoorde, bleef hij bij dit onderwerp stilstaan en lichtte ons, onwetenden, nader in over die voortreffelijke man, waarbij hij ook niet naliet zijn verbazing te laten blijken over onze onwetendheid.
St. Augustinus die het boek van Paulus leest
Benozzo Gozzoli. 1464/65. Fresco.
Kapel van Sant' Agostino, San Gimignano, Italië.
Wij stonden gewoon versteld, toen we hoorden over zo kort geleden *, ja, bijna nog in onze eigen dagen voorgevallen, door talrijke getuigen gestaafde wonderdaden van u, in het rechte geloof en de katholieke Kerk geschied. * Antonius was gestorven in 356, dus slechts 30 jaar voor dit moment, de bekering van Augustinus, die toen 31 jaar oud was en in 354 was geboren.
Alle drie stonden wij verbaasd, wij omdat die gebeurtenissen zo grandioos waren, hij omdat wij er nooit van hadden gehoord.
15. Vervolgens kwam hij te spreken over de scharen in de kloosters, over hun levenswijze, vervuld van uw zoete geur, en over de vruchtbare verlatenheden van de woestijn, dingen die ons volstrekt onbekend waren. Ook in Milaan was een klooster, vol voortreffelijke broeders; het lag buiten de stadsmuren en stond onder de leiding van Ambrosius, en wij wisten er niet van.
Ponticianus ging voort en bleef maar praten, terwijl wij zwijgend luisterden.
Zo kwam hij op het verhaal, dat hij eens met drie anderen, vrienden van hem — wanneer weet ik niet, maar het gebeurde in ieder geval in Trier # * — terwijl de keizer in beslag werd genomen door een middagvoorstelling van de circusspelen, uit was gegaan om een wandeling te maken naar het park dat aan de stadsmuren grensde. Ze wandelden daar toevallig twee aan twee en zo kwam het te gebeuren dat één vriend met hem mee een bepaalde kant opliep en dat ook de twee anderen samen huns weegs gingen. # Toentertijd een van de belangrijkste steden van het westen, waar de keizers herhaaldelijk resideerden.
* Waar Athanasius toen in ballingschap verkeerde.
Deze laatste twee raakten echter de weg kwijt en kwamen toen terecht bij een huisje waar enigen van uw dienaren woonden, armen van geest, het soort mensen aan wie het koninkrijk van de hemelen behoort. Ze vonden daar een boek met een levensbeschrijving van Antonius.* * De Vita van Antonius dus, juist in het Latijn vertaald.
Een van hen begon erin te lezen; hij raakte in bewondering, in geestdrift, en al lezend overwoog hij om onverwijld een soortgelijk leven te beginnen en om, na zijn werelds ambt verlaten te hebben — zij behoorden tot de zogenaamde agentes in rebus # — zich in uw dienst te begeven. # Een soort keizerlijke koeriers en inspecteurs.
Hij werd op dat ogenblik ineens vervuld van heilige liefde en nuchtere schaamte en woedend op zichzelf richtte hij zijn ogen op zijn vriend en zei tot hem: 'Vertel me eens, als je zo goed wilt zijn, waar wij met al die moeiten van ons nu eigenlijk proberen te komen? Wat zoeken we? Waarom doen we onze dienst? Kunnen we aan het hof iets hogers hopen dan vrienden van de keizer te worden? En als we dat zijn, wat is daar dan niet hachelijk in en vol gevaren? En door hoeveel gevaren gaat dan de weg naar een nog groter gevaar? En wanneer zal dat zijn? Maar een vriend van God: dat word ik nu onmiddellijk, als ik het wil!'
Na deze woorden richtte hij, verward van de barensweeën van een nieuw leven, zijn ogen weer op de bladzijden van het boek en hij las voort en innerlijk — waar uw oog hem zag — kwam er verandering in hem en ontdeed zijn denken zich van de wereld, zoals weldra duidelijk werd. Want terwijl hij las en de golven van zijn hart liet klimmen en dalen, stiet hij op een gegeven ogenblik een kreunend geluid uit: hij zag duidelijk wat het betere was en besloot daartoe, en reeds de uwe geworden, zei hij tot zijn vriend: 'Ik heb mij van die verwachtingen van ons reeds losgerukt en heb besloten God te dienen: op dit moment, hier waar we zijn begin ik ermee. Heb je geen lust mijn voorbeeld te volgen, verzet je dan tenminste niet!'
De ander antwoordde dat hij bij hem bleef en deelgenoot wilde zijn in dat rijke loon, die heerlijke dienst. En beiden al de uwen geworden bouwden ze hun toren en legden er het nodige aan ten koste: dat ze hun bezit verlieten en u volgden. (Luk. 14,28)
Op dat ogenblik kwamen Ponticianus en de vriend, die met hem door een ander deel van het park had gewandeld, al zoekend naar hen op diezelfde plek aan. En toen ze hen daar vonden, spoorden ze hen aan om terug te keren, daar de dag al ten einde liep.
Zij vertelden echter van hun besluit en hun voornemen en hoe dat verlangen bij hen was opgekomen en bevestigd, waarna ze de beide anderen verzochten hen niet lastig te vallen, indien ze zich niet bij hen wensten aan te sluiten.
Die anderen, nog onveranderd de ouden, schreiden toch wel over zichzelf, zoals Ponticianus het uitdrukte; vol vroom ontzag wensten ze hun vrienden geluk, bevalen zich in hun gebeden aan en vertrokken, hun harten over de aarde slepend, naar het paleis, terwijl die vrienden, hun harten aan de hemel hechtend, in dat huisje achterbleven. Ze hadden allebei een bruid; toen deze meisjes het gebeurde vernamen, wijdden ook zij haar maagdelijkheid aan u toe.
VII, 16
Dit verhaal vertelde Ponticianus.
Gij echter, Heer, waart tijdens zijn woorden maar bezig mij terug te draaien naar mijzelf; gij haalde mij weg van achter mijn rug, waar ik mij had neergezet, niet van zins naar mezelf te kijken; gij zette mij vóór mijn gezicht neer, zodat ik zien moest, hoe lelijk ik was, hoe misvormd en hoe smerig, hoe vol vlekken en zweren. En ik zag het en griezelde, en er was geen plek meer waarheen ik kon vluchten, weg van mijzelf. En bij iedere poging die ik deed om mijn blik van mijzelf af te wenden was die man er met dat verhaal dat hij vertelde, en dan zette gij mij weer tegenover mijzelf, dan duwde gij mij onder mijn eigen ogen om mij mijn boosheid te laten ontwaren en verfoeien. Ik kende die boosheid wel, maar ik had me van den domme gehouden en geprobeerd haar te laten voor wat ze was en haar te vergeten.
17. Toen echter was dat uit: hoe vuriger mijn sympathie was voor die mensen, van wie ik hoorde dat ze tot hun heil gegrepen waren en zich ter genezing geheel en al aan u hadden toevertrouwd, des te hartgrondiger verfoeide ik mijzelf, wanneer ik mij met hen vergeleek.
Een groot aantal van mijn jaren was immers met mij mee verlopen — twaalf jaren wel — sinds ik in mijn negentiende levensjaar door het lezen van Cicero's 'Hortensius' een aansporing had gekregen om de wijsheid na te streven, en sinds ik het toen maar uit bleef stellen het aardse geluk te versmaden en mij vrij te maken voor het zoeken naar de wijsheid, die wijsheid, waarnaar alleen al het zoeken — afgezien van het vinden — te verkiezen viel boven de toestand van iemand, die de schatten en de koninkrijken van geheel de wereld had gevonden en op zijn wenk kon baden in lichamelijke genietingen.
Maar ik, deerniswekkende, diep deerniswekkende jongeman, ik had al meteen bij het begin van mijn jongemannenjaren zelfs tot u gebeden om kuisheid en gezegd: 'Geef mij kuisheid en onthouding, maar doe het niet meteen!'
Ik was namelijk bang dat gij mij met spoed zoudt verhoren en met spoed zoudt genezen van de ziekte der begeerlijkheid, die ik liever verzadigd wilde zien dan gedoofd. En ik was gegaan langs verkeerde wegen in een heiligschennend bijgeloof, waar ik wel geen zekerheid over had, maar dat ik toch boven dat andere stelde, waar ik niet vroom naar zocht, maar vol haat tegen vocht.

St. Augustinus
Alessandro Botticelli. 1480. Fresco.
Ognissanti, Florence, Italië.
18. Ook was ik gaan menen dat de reden, waarom ik het dag na dag maar uitstelde de wereldse hoop te laten varen en u alleen te volgen, hierin gelegen was, dat zich niets met zoveel zekerheid aan mij voordeed, dat ik er mijn koers op kon richten.
En tenslotte was de dag gekomen, dat ik naakt voor mezelf kwam te staan en dat mijn geweten tegen mij uitvoer: 'Waar is nu al je praat? Je zei toch maar steeds, dat je de last van de waan niet af wou werpen, omdat de waarheid onzeker was?
Welaan: ze is nu zeker en die last drukt je nog altijd! En mensen die zich niet zo met zoeken hebben afgetobd en die geen tien jaar en langer over die dingen hebben nagedacht, zij hebben hun schouders vrijer, zij krijgen vleugels!'
Zo knaagde het maar in mijn binnenste en raakte ik diep en gruwelijk beschaamd, terwijl Ponticianus die verhalen deed.
En toen hij was uitgepraat en ook de aangelegenheid was afgehandeld, waarvoor hij was gekomen, ging hij heen en keerde ik tot mijzelf.
Wat heb ik toen al niet tegen mezelf gezegd! Met wat een zweepslagen van gedachten heb ik mijn ziel niet geranseld om haar zo ver te krijgen, dat ze met mij meeging in mijn pogen om u achterna te gaan! Zij stribbelde tegen, zij verzette zich, maar ze kwam niet met verontschuldigingen: al haar argumenten waren vervluchtigd en weerlegd; wat overbleef was een stomme ontsteltenis, en als voor de dood sidderde zij ervoor, zich te onttrekken aan de stroom van de gewoonte, waarin zij wegziekte naar de dood.
VIII, 19
En toen, onder dat verwoed krakeel in het huis van mijn binnenste, dat krakeel dat ik zo heftig met mijn ziel was aangegaan in onze kamer, mijn hart — toen kwam er een ogenblik dat ik met verwilderd gezicht en verwilderde gedachten op Alypius toe rende en schreeuwde: 'Wat laten wij ons aandoen? Wat moet dat verhaal dat je gehoord hebt?
De ongeleerden * staan op en veroveren de hemel en wij, met onze geleerdheden zonder hart, kijk eens waar wij blijven wentelen in het vlees en het bloed! Dat zij ons voor zijn gegaan, is dat soms voor ons een reden om ons te schamen hen achterna te gaan? Schamen we ons niet hen niet eens achterna te gaan?' Dat waren zo ongeveer mijn woorden. * Zou Augustinus hier de bekeerden in Trier uit het verhaal van Ponticianus bedoelen, die immers van lagere kaste waren? Of zou hij "ongeletterden" bedoelen? Dat zou dan kunnen slaan op Antonius, die immers niet kon lezen of schrijven of zelfs maar Grieks spreken.
Daarna joeg mijn heftige opwinding mij van hem vandaan, terwijl hij onthutst zweeg en mij bekeek: ik praatte niet zoals anders en mijn stemming sprak nog meer uit mijn voorhoofd, wangen, ogen, kleur en stemtoon dan uit de woorden die ik uitbracht.
Bij ons woonverblijf was een kleine tuin waar wij gebruik van maakten, zoals trouwens van het hele huis, want onze hospes, de eigenaar van het huis, woonde er niet in. Naar die tuin had mij de storm in mijn binnenste gedreven: daar zou niemand het brandend pleit storen dat ik met mijzelf was begonnen, totdat het af zou lopen, hoe wist gij, ik niet: ik was alleen maar tot mijn heil buiten zinnen en stervend aan een dood tot leven, waarbij ik wist, hoe iets slechts ik was, en niet wist, hoe iets goeds ik weldra ging zijn.
Ik ging dus weg, de tuin in, door Alypius op de voet gevolgd. Mijn afzondering hield immers niet op waar hij bij mij was. En hoe had hij mij kunnen verlaten, terwijl ik er zo aan toe was? Wij gingen daar zitten, zo ver mogelijk van het huis.
Ik morde in mijn geest, woedend van wilde verontwaardiging dat ik maar niet ging naar wat mij goed leek, naar het verbond met u, mijn God, terwijl heel mijn gebeente riep dat ik daar naartoe moest gaan, en terwijl het dat verbond hemelhoog prees. En het gaan daar naartoe gebeurde niet met schepen of wagens of met de voeten; ik hoefde er niet eens de afstand voor te gaan, die ik van het huis was gegaan naar de plaats waar wij zaten: niet alleen daar naartoe gaan, maar ook daar aankomen was namelijk niets anders dan willen gaan, maar dit willen gaan moest ik krachtig en onverminderd gebeuren en niet bestaan in het her- en derwaarts draaien en duwen van een halfverlamde wil, die met zijn opwaarts strevende deel optornde tegen een ander deel, dat neerwaarts ging.
20. Tenslotte was ik juist in die opwinding van mijn weifeling met mijn lichaam zoveel dingen aan het doen, die mensen wel eens willen en dan toch niet kunnen, hetzij dat ze er de ledematen zelf niet voor hebben, hetzij dat die ledematen met boeien gebonden, door ziekte ontkracht of hoe dan ook geremd zijn. Als ik mijn haar uittrok, op mijn voorhoofd sloeg of met ineengestrengelde vingers mijn knie omvatte, dan deed ik dat omdat ik het wilde. Het was evenwel ook mogelijk .geweest dat ik het wel gewild, maar niet gedaan had, indien namelijk de bewegingsmogelijkheid van mijn ledematen mij niet ten dienste had gestaan.
Ik deed bijgevolg heel veel dingen, waarbij willen en kunnen niet samenvielen. En ik deed maar niet datgene wat mij onvergelijkelijk veel nader aan het hart lag en wat ik zou kunnen, zodra ik het wilde, omdat ik het, zodra ik het wilde, ook beslist zou willen: het vermogen om te doen viel daar namelijk samen met de wil, en het willen zelf was reeds doen. En toch kwam het maar niet tot doen en gaf het lichaam gemakkelijker gehoor aan de miniemste wil van de ziel, zodat zich op haar wenk dan de ledematen roerden, dan dat die ziel zelf aan zichzelf gehoorzaamde om haar eigen dringende wil louter door te willen ten uitvoer te brengen.
IX, 21
Wat is de grond van dit wonderlijk verschijnsel? Waarom is dat zo? Laat uw erbarming licht geven en laat mij vragen: misschien kan ik een antwoord vernemen uit de verborgenheden van de straffen der mensen en uit de duistere kwellingen van de kinderen van Adam. Wat is de grond van dit wonderlijk verschijnsel? Waarom is dat zo?
De geest geeft het lichaam een bevel en er wordt onverwijld gehoorzaamd. De geest geeft zichzelf een bevel en er volgt verzet. De geest beveelt dat de hand beweegt, en het gebeurt zo vlot, dat bevel en uitvoering amper te onderscheiden zijn. En de geest is de geest, terwijl de hand lichaam is. Maar nu beveelt de geest dat de geest wil, en het is geen ander dan de geest en toch doet hij het niet.
Wat is de grond van dit wonderlijk verschijnsel? Waarom is dat zo? Degene, zoals gezegd, die beveelt om te willen is degene die niet bevolen zou hebben, indien hij niet gewild had, en hij doet met wat hij beveelt.
De zaak is echter, dat hij niet algeheel wil: dientengevolge beveelt hij niet algeheel. Hij beveelt namelijk in de mate waarin hij wil, en datgene wat hij beveelt blijft in die mate achterwege waarin hij het niet wil. De wil immers beveelt dat de wil er is, geen andere wil, maar hijzelf. De wil beveelt dus niet in zijn volledigheid en daar om is hij niet wat hij beveelt. Was namelijk de wil volledig, dan zou hij geen bevel geven om er te zijn, want dan was hij er al.
Het is dus geen wonderlijk verschijnsel, dit ten dele willen en ten dele niet-willen, maar het is een ziekte van de geest, omdat deze niet in zijn geheel opwaarts komt: door de waarheid laat hij zich omhoog beuren, door de gewoonte omlaag sleuren. En dat er twee willen zijn komt hierdoor, dat één van de twee niet algeheel is en de ander heeft wat de een ontbreekt.
St. Augustinus in zijn Cel
Alessandro Botticelli. c.1490-1494. Galleria degli Uffizi, Florence, Italië.
X. 22.
Laat hen vergaan van voor uw aangezicht, God, vergaan zoals holle praters en verleiders van de geest vergaan (ps. 67,3; Tit.1,10.), die lieden # die opgemerkt hebben dat er bij het overleggen twee willen kunnen zijn, en die daarom beweren dat er twee naturen in ons zijn en zodoende twee geesten, één goede en één slechte.
# De manicheeërs.
Wat in waarheid slecht is, dat zijn zijzelf, wanneer ze die slechte dingen aannemen, terwijl zijzelf, eveneens zijzelf, goed gaan zijn, als ze ware dingen gaan menen en met de waarheid in gaan stemmen; dan kan uw apostel tot hen zeggen (Ef. 5,8): 'Vroeger zijt gij duisternis geweest, maar nu zijt gij licht in de Heer.' Door namelijk licht te willen zijn, niet in de Heer, maar in zichzelf, hetgeen ze doen door te menen dat de natuur van de ziel is wat God is, zijn ze dichtere duisternis geworden, aangezien ze zich in griezelige aanmatiging verder verwijderd hebben van u, het ware licht, dat alle mens verlicht die in deze wereld komt. (Joh. 1,9) Geeft acht: gij, op wat gij zegt en wordt schaamrood en nadert tot Hem en laat u verlichten: dan zullen uw gezichten niet schaamrood meer worden. (Ps. 33,6)
Toen ik daar aan het overwegen was om eindelijk de Heer, mijn God, te gaan dienen, zoals ik me dat allang had voorgenomen, toen was ik degene die wilde, ik degene die niet-wilde; ik was het, ik. En ik wilde niet ten volle en ik niet-wilde evenmin ten volle. Daarom vocht ik met mijzelf en werd ik van mijzelf weggetrokken, en al had dat weggetrokken worden ook tegen mijn wil plaats, het deed toch niet de natuur van een vreemde geest blijken, maar de straf van de mijne. En in die zin was ik al niet meer degene die dit uiteengetrokken worden teweegbracht, maar werd het gedaan door de zonde die in mij woonde en die voortkwam uit de straf voor een vrijer bedreven zonde, omdat ik een zoon van Adam was. (Rom. 7,17)
Ik sla §§ 23 en 24, de innerlijke roerselen van Augustinus en zijn psychologiseren daarover, over.
XI, 25.
Zo leed ik en werd ik gefolterd, terwijl ik mezelf bitterder dan ooit aanklaagde en mij in mijn boei bleef draaien en keren, totdat op het laatst die boei, waardoor ik nog werd vastgehouden, helemaal af zou knappen: hij was al wel dun geworden, maar ik werd er toch nog door vastgehouden. En gij deed uw aandrang voortduren in mijn verborgenheden, Heer, en verdubbelde in strenge deernis de geselslagen van vrees en van schaamte om te verhinderen, dat ik weer ging dralen en dat dan die dunne, zwakke boei, die nog was overgebleven, voor afbreken behoed zou worden en weer kracht zou krijgen en mij vaster zou binden.
Want innerlijk zei ik bij mijzelf: 'Vooruit! Nu moet het gebeuren! Nu moet het gebeuren!' En mét dat woord was ik al op weg naar wat mij goed voorkwam. Bijna deed ik het al en ik deed het niet. Toch viel ik niet terug in mijn vroegere doen; neen, ik bleef vlakbij staan en ik schepte adem. En weer deed ik een poging en het scheelde iets minder of ik was er, en nog iets minder, en ja, ja, ik raakte het, ik had het vast, en neen, ik was er niet en ik raakte het niet en ik had het niet vast: ik bleef aarzelen om voor de dood te sterven en te leven voor het leven, en het ingeprente slechtere had meer macht over mij dan het ongewende betere, en hoe dichter mij het tijdstip naderde, waarop ik anders zou zijn, des te heviger joeg het mij angst aan; toch dreef het mij niet terug en deed het mij ook niet omkeren, alleen maar haperen.
26. Wat me tegenhield, waren nietigheden van nietigheden, ijdelheden van ijdelen (Eccli. 1, 2), mijn vriendinnen van oudsher *; zachtjes trokken ze aan mijn kleed van vlees en mompelden: 'Laat je ons lopen?' en 'Van dat moment af zullen we niet meer bij je zijn, tot in eeuwigheid niet meer!' en 'Van dat moment af mag je dit niet en dat niet, tot in eeuwigheid niet meer!' En de dingen die ze me voorhielden waar ik 'dit' en 'dat' gezegd heb! De dingen die ze me voorhielden, mijn God! Mogen die van uw dienaar worden afgewend door uw barmhartigheid! Wat een schunnigheden * hielden ze me voor, wat een schandelijkheden!
En ik hoorde hen, al veel minder dan ten halve, terwijl ze mij om zo te zeggen al niet meer vrijmoedig in mijn gezicht tegenspraken, maar zo iets deden als achter mijn rug mompelen en terwijl ik wegliep, tersluiks aan mij rukken om mij te laten omkijken. Met dat al maakten ze dat ik trager ging en dat ik aarzelde mij uit de voeten te maken, mij van hen los te rukken en de sprong te doen naar waar ik werd geroepen; de gewoonte bleef met al haar geweld maar zeggen: 'Denk je dat je die dingen zult kunnen missen?'
* Deze "vriendinnen", "schunnigheden" en "schandelijkheden" doen wel erg denken aan de Verzoekingen van Antonius
door de wulpse dames, zoals afgebeeld op dit schilderij van Tiepolo (1696-1770); Pinacoteca di Brera, Milaan.
27. Toch was het al zover, dat zij het nog maar heel mat zei. Aan de kant namelijk waarheen ik mijn gezicht had gewend en waarheen ik sidderde om te gaan, dáár vertoonde zich de onthouding in haar kuise hoogheid: vredig was zij en blij zonder uitgelaten te zijn, en met edele bekoorlijkheid noodde zij mij om zonder aarzelen te komen; zij stak, om mij op te nemen en te omarmen, haar vrome handen uit, gevuld met scharen goede voorbeelden.
Zoveel jongens en meisjes waren daar, een menigte van jonge mensen, mensen van alle leeftijden, waardige weduwen en bejaarde maagden, en in al die mensen was zijzelf, de onthouding, en er was geen sprake van onvruchtbaarheid, maar zij was een vruchtbare moeder van kinderen, de vreugden die zij van u, Heer, haar man, had ontvangen.
En zij lachte om mij met een aanmoedigende spotlach, alsof ze wou zeggen: 'Wat die mannen, die vrouwen kunnen, zou jij dat niet kunnen? Kunnen die mannen en vrouwen het dan soms door zichzelf en niet door de Heer hun God? De Heer hun God heeft mij aan hen gegeven. Wat sta jij op je eigen voeten zonder dat je staat? Werp je weg, in zijn armen, en wees maar niet bang: Hij zal zich niet terugtrekken, zodat je komt te vallen. Werp je weg, onbezorgd: Hij zal je opvangen en je genezen!' [p.245]
En ik was diep beschaamd, dat ik het gemompel van die nietigheden maar bleef horen en aarzelend tussen beide bleef hangen. En opnieuw begon zij en het was alsof ze zei: 'Doof moet je worden tegenover je onreine, aardse ledematen, doof, zodat ze gedood worden. Ze vertellen je aangename dingen, maar niet zoals de wet is van de Heer, je God.' (Ps.118,85)
Deze strijd in mijn hart was enkel maar een strijd van mijzelf tegen mijzelf. Alypius week overigens niet van mijn zijde en wachtte stilzwijgend, wat de afloop zou zijn van mijn ongewone bewogenheid.
XII, 28
En toen, nadat uit verholen gronden een diep overdenken al mijn ellende naar boven had gebracht en vóór de ogen van mijn hart had neergezet, toen brak er een geweldige storm los, die een geweldige tranenregen met zich meedroeg. En om die, met al zijn woorden, helemaal uit te laten stromen stond ik op, ging bij Alypius weg — het kwam mij voor dat de eenzaamheid zich beter leende om mij aan mijn tranen over te geven — en verwijderde mij zo ver, dat ik door geen aanwezigheid van iemand anders, al was dat ook Alypius, gestoord kon worden.
Zo was mijn stemming toen, en hij zag het, want ik had geloof ik het een of ander tegen hem gezegd, waarbij mijn stem kennelijk al een klank vol tranen had gehad, en ik was daarmee opgestaan. Zo bleef hij op de plek waar wij gezeten hadden, diep onthutst.
Ik ging languit liggen onder een vijgeboom — hoe weet ik niet — en vierde aan mijn tranen de teugel, en de beken van mijn ogen braken los, een welbehaaglijke offerande voor u; en ik praatte uitvoerig tegen u, wel niet met deze woorden, maar wel in deze geest: 'En gij, Heer, hoe lang nog? Hoe lang nog, Heer, zult gij steeds maar vertoornd zijn? Wees onze oude ongerechtigheden niet indachtig!' (Ps. 6,4 & 78,5 & 78,8)
Want door die oude ongerechtigheden — dat merkte ik — werd ik vastgehouden. En ik stiet maar klaaglijke woorden uit: 'Hoe lang nog, hoe lang nog, dat "morgen" en weer "morgen"? Waarom niet meteen? Waarom niet op dit moment een eind aan mijn verfoeilijkheid?'
29. Dat zei ik maar en ik schreide maar in bittere vermorzeling van mijn hart. En ineens, daar hoor ik een stem * uit een naburig huis, een stem die zingende zei en steeds weer herhaalde, een stem als van een jongetje of van een meisje, ik weet het niet: 'Neem en lees ! Neem en lees!' * De stem van God, natuurlijk, zoals ook Antonius die zo vaak hoorde op momenten dat hij belangrijke beslissingen moest nemen.
En meteen veranderde mijn gezicht en begon ik ingespannen na te denken of kinderen bij een of ander spelletje iets van dien aard zingen; het wilde me niet te binnen schieten dat ik het ooit ergens had gehoord. Toen bedwong ik de heftige stroom van mijn wanen en stond op: de enige verklaring die ik kon geven was deze, dat ik van Godswege bevel kreeg om het boek te openen en de eerste passage waar mijn oog op viel te lezen. Ook over Antonius had ik namelijk gehoord dat hij toevallig tijdens een lezing uit het evangelie was binnengekomen en daar een aansporing in had gehoord, alsof tot hem de woorden gericht werden die daar werden gelezen: 'Ga, verkoop al wat ge hebt en geef het aan de armen; dan zult ge een schat in de hemel hebben. En kom dan en volg mij.' (Mat. 19,21)
Dat was toen het orakel geweest, waardoor hij zich op staande voet tot u bekeerd had.
Met snelle schreden ging ik dus terug naar de plek waar Alypius nog zat: daar had ik namelijk het boek van de apostel neergelegd, toen ik er was opgestaan en weggegaan.
Ik pakte het, deed het open en las zwijgend de passage waar mijn ogen het eerst op vielen: 'Niet in brasserij en dronkenschap, niet in slaapkamers en oneerbaarheden, niet in twist en naijver, maar trekt de Heer Jezus Christus aan en vertroetelt niet het vlees in begeerlijkheid.' (Rom. 13,13)
Verder lezen wilde ik niet en het was ook niet nodig. Want meteen, bij het eind van deze zin, stroomde er als een licht van zekerheid in mijn hart binnen en vluchtte al de duisternis van mijn weifelen en twijfelen heen.
Toen stak ik mijn vinger of de een of andere bladwijzer in het boek, deed het dicht en deelde — mijn gezicht was al rustig geworden — het gebeurde aan Alypius mee. En datgene wat er zonder dat ik het wist in hem omging liet hij toen op de volgende manier blijken: hij vroeg me de tekst te mogen zien die ik gelezen had.
Ik wees hem die en hij keek toen nog verder dan ik gelezen had. En ik wist niet wat daarna kwam. Het waren de woorden: 'De zwakke in het geloof moet gij u aantrekken'. (Rom. 14,1)
Hij betrok dat op zichzelf en vertelde het mij. Hij overwon echter zijn zwakheid al door die aansporing, en zonder enige onrust of aarzeling sloot hij zich aan bij het besluit en het goede voornemen, dat zo geheel in de lijn lag van zijn levenstrant, waardoor hij zich reeds sinds lang in hoge mate van mij had onderscheiden, en in zijn voordeel had onderscheiden.
Toen gingen we naar binnen, naar mijn moeder. Wij deelden het haar mee. Zij was verheugd. Wij vertelden haar hoe het in zijn werk was gegaan: zij was opgetogen en triomfantelijk en zegende u, die machtig zijt om meer te doen dan wij vragen of bevatten. (Ef. 3,20)
Zoveel meer immers zag zij zich door u verleend ten opzichte van mij dan ze in haar klagende en schreiende verzuchtingen steeds weer van u gevraagd had. Gij had mij namelijk op dusdanige wijze tot u bekeerd, dat ik naar geen vrouw meer zocht en naar geen enkele verwachting meer van deze wereld, en dit terwijl ik stond op die meetlat van het geloof, waarop gij mij zoveel jaren tevoren aan haar getoond had; en daardoor had gij haar rouw in een vreugde doen verkeren, die veel overvloediger was dan zij gewild had en veel kostbaarder en zuiverder dan zij door kleinkinderen uit mijn vlees had verlangd.
St. Augustinus verlaat zijn Moeder
Benozzo Gozzoli. 1464/65. Fresco.
Kapel
van Sant' Agostino, San Gimignano, Italië.
Inleiding (vervolg)
Met Pasen 387 was hij door Ambrosius gedoopt en kort daarop had hij met al de zijnen Milaan verlaten om in Afrika een leven van gebed en studie te gaan leiden. Wat bijzonder merkwaardig was: hij, die vroeger zijn talenten niet had gebruikt om als auteur op te treden, schreef sinds het ogenblik van zijn bekering het ene boek na het andere. Reeds in 387 hadden er in Milaan wijsgerige dialogen van hem gecirculeerd.
Op het ogenblik vertoefde hij, zijn overtocht naar Afrika uitstellend, in Rome en schreef daar, naar verluidde, met onverpoosde ijver aan nieuwe boeken, vooral werken vol scherpzinnige polemiek tegen het manicheïsme.
De man die zo tegelijk een vurig gelovige en een rusteloos schrijver was geworden, vertrok in het najaar van 388 uit Rome, vergezeld van familieleden, vrienden en medestanders, en vestigde zich met hen in zijn geboortestad Thagaste.
Zijn leven in Mrika kreeg echter na korte tijd een ander verloop dan hij zich aanvankelijk had voorgesteld. De litteraire werkzaamheid die hij er met vuur voortzette trok spoedig de algemene aandacht en maakte hem in steeds groter kring tot een befaamd man; en toen hij op een dag in 391 zijn studiehuis of klooster in Thagaste had verlaten om in de havenstad Hippo Regius iemand te ontmoeten, trof het dat Valerius, de bisschop van Hippo, juist de wens uitsprak om een assistent te krijgen die in zijn plaats — hij was een Griek en kon met het Latijn slecht overweg — zou kunnen preken. In die tijd werden de bisschoppen en de priesters nog door het gelovige volk gekozen en de door het volk gewenste man kon zich aan die wens moeilijk onttrekken. De Hipponensen weerstonden niet aan de verleiding zich van de vrome en briljante bezoeker meester te maken en te eisen dat hij hun priester werd.
Het Visioen van St. Augustinus. Fra Filippo Lippi. 1450s-1460s. De Hermitage, St. Petersburg, Rusland.
Christus verschijnt in de vorm van een jongen die probeert om met een lepel al het water van de oceaan in een kleine holte over te brengen. Toen St. Augustinus, die over het geheim van de Heilige Drievuldigheid aan het mediteren was, aan de jongen uitlegde hoe zinloos zijn handelingen waren, antwoordde de jongen dat denken over het geheim van de Heilige Drievuldigheid nog veel vruchtelozer was.
De op Augustinus gelegde nieuwe last scheen het vuur niet te doven waarmee hij boeken schreef, nieuwe polemische werken tegen de manicheeërs en verhandelingen over de bijbel; zowel de omvang van zijn stof als de stellige kracht van zijn schrijverschap namen toe, en niet in Mrika alleen, maar ook in de overzeese landen begon men te beseffen, dat de westerse Kerk in deze convertiet een man van zeldzame betekenis had gekregen.
Zijn band met de Kerk van Hippo bleef intussen niet beperkt tot het priesterambt. Enkele jaren na zijn priesterwijding — de datum is niet met zekerheid vast te stellen, maar moet tussen juni 395 en juni 397 gelegen hebben — werd hij eerst de medebisschop van de bejaarde Valerius en kort daarna, toen de oude man overleden was, zijn opvolger.
Tot aan zijn eigen dood in 430 is Augustinus bisschop van Hippo gebleven. Het episcopaat was geen sinecure, aan kerkelijke verplichtingen al niet, en een bisschop had in die dagen ook nog heel wat arbeid te doen waarvoor tegenwoordig een rechter de aangewezen instantie is.
Die zware lasten hebben Augustinus echter niet verhinderd, een ontzagwekkende vruchtbaarheid als schrijver te blijven ontplooien.
Geen enkel van de vele boeken echter, die hij in de meer dan dertig jaren van zijn episcopaat geschreven heeft — en er zijn meesterwerken bij als de boeken De Trinitate of de Civitas Dei — heeft tot op de dag van vandaag een zo algemene vermaardheid behouden, heeft in de laatste eeuwen zelfs zijn faam nog zo zien toenemen, als de Confessiones, een van de eerste geschriften die na Augustinus' bisschopswijding ontstaan zijn.
Zoals wij al gezegd hebben, is de datum van die wijding ons niet precies bekend; tengevolge van deze onzekerheid is er ook enige speling in onze datering van de Confessiones. Wij mogen veronderstellen dat Augustinus er niet vóór het eind van 395 aan is begonnen en dat hij er zeker niet lang na 400 aan gewerkt heeft.
Het Mirakel van het Kind dat van het Balkon valt
Simone Martini. c. 1324.
Kerk van St. Augustinus, Siena, Italië.
Een wonder dat door St. Augustinus werd verricht, toen hij uit de hemel neerdaalde om een kind op te vangen voordat het op zijn hoofd terecht zou komen en hem aan de verbaasde buren gaf.
Het Leven van De Heilige Martinus alias Sint Maarten 316 - 397
door Sulpicius Severus ± 360 - ± 420
Vertaald en ingeleid door Peter Nissen en Els Rose
Mijn noot
Martinus van Tours leefde van 316 tot 397. De eerste 40 jaar van zijn leven leefde Antonius dus nog, en de Vita van Antonius werd gepubliceerd toen hij zo’n 50 jaar oud was, maar uit het levensverhaal van Martinus is niet af te leiden of hij door Antonius werd geïnspireerd. Gezien de leeftijd echter waarop hij aan zijn religieuze carrière begon — hij werd gedoopt op zijn 18e — is het moeilijk aan te nemen dat dat het geval was.
Severinus, de auteur van de Vita van Martinus, echter, werd wel door Antonius geïnspireerd, want hij kende de Vita van Antonius door Athanasius. En zo zijn er in de Vita van Martinus wel passages aan te wijzen die erg doen denken aan de Vita van Antonius. Het verlangen van de 12-jarige Martinus naar de woestijn bijvoorbeeld, terwijl er in zijn geboorteland toch geen woestijn te vinden is.
Evenals Antonius streed Martinus tegen de duivel; meer nog, hij was een erkend duiveluitdrijver en werd zelfs officieel door de Kerk als zodanig aangesteld. En evenals Antonius was Martinus een genezer; met zelfs nog meer ‘kracht’ dan Antonius: hij wist doden tot leven te wekken. En verder verrichtte hij nog tal van wonderen.
Wat opvalt in de Vita van Martinus is het grote aantal heidenen dat dan nog bestreden moet worden. Zijn eigen vader bleef heidens. Martinus brandde heidense tempels plat, hakte heidense bomen om, roeide het heidendom met wortel en tak uit.
De Christenen zijn van vervolgden vervolgers geworden!
Wat dat betreft volgt Martinus toch wel een heel andere strategie bij zijn 'evangelisatie' dan Antonius. Eigenlijk doet Antonius daar nauwelijks aan, althans niet in proactieve zin. Hij geeft het 'goede voorbeeld' in zijn levenswijze, hij geneest mensen waarbij hij zich beroept op de kracht van de Heer, hij onderwijst zijn leerlingen en geïnteresseerden, hij probeert de Griekse filosofen te overtuigen van hun heidense zienswijze, en de beperkte macht van hun heidense goden en als dat niet overtuigend genoeg is, zet hij daar dan de macht van de Christelijke God tegenover door een demonstratie van een genezing te geven; maar dat is het dan zo'n beetje.
Martinus daarentegen trekt erop uit. Hij brandt de tempels plat, hakt de heilige bomen om, om de heidenen te tonen dat hun goden tegen hem niets kunnen ondernemen, dat zijn Christelijke God sterker is. Hij 'verlamt' de heidenen met zijn magie als hem dat uitkomt en laat ze weer gaan als ze beterschap (bekering) beloven. Zo manifesteert hij zich als een betere, sterkere tovenaar dan de heidense magiërs waar de boeren (pagans) het tot dusverre mee moesten doen.
Als hij de heidenen dan weet te overtuigen, dan moeten we dat ook op dát niveau zien: geen spirituele, laat staan een mystieke bekering, maar eenvoudigweg het verruilen van de ouderwetse, niet meer potente magie tegen de nieuwe magie.
Maar dit is een geleidelijk proces: geen oude schoenen weggooien voordat de nieuwe goed ingelopen zijn. De oude en de nieuwe magie zullen door het gewone volk een tijd lang door elkaar gebruikt zijn, wat een 'versmelting' van oude heidense goden en nieuwe Christelijke heiligen (a.h.w. het nieuwe pantheon) zou kunnen verklaren. Daarnaast past het ook heel wel in de truccendoos van de Kerk om hieraan bewust mee te doen. De pastoor zou kunnen zeggen, bijvoorbeeld: "Onze Antonius is net zo goed als die oude Frey, of eigenlijk zelfs wel beter. Kijk, we geven hem zelfs een zwijntje. Dus als je koeien ziek zijn, richt je dan tot hem."
Inleiding: De schrijver en zijn held
De ontmoeting met Martinus van Tours was beslissend in het leven van Sulpicius Severus: nadien stond alles wat hij deed en schreef in het teken van de navolging en de verbreiding van het leven van de asceet en bisschop. Aan die ontmoeting ging uiteraard het een en ander vooraf.

Sulpicius Severus werd waarschijnlijk rond 360, in elk geval na 355, geboren uit welgestelde ouders in Aquitanië, het zuiden van de Romeinse provincie Gallië. Het christendom besstond daar toen, zeker in de steden, al ruim twee eeuwen.
Sulpicius' ouders lieten hun zoon studeren aan de retoricaschool van Bordeaux, toen een centrum waar klassieke beschaving verbonden werd met christelijke inspiratie.
De dichter Ausonius (circa 310-394), die later de opvoeder werd van de Romeinse keizer Gratianus en bekend bleef om zijn gedicht over de rivier de Moezel (Mosella), was er zijn leermeester. Of Ausonius in de jaren waarin hij te Bordeaux werkte al christen was, weten we niet, maar een aantal van zijn leerlingen was of werd het zeker wel.
Onder dezen was in elk geval Sulpicius' vriend, de dichter Paulinus van Nola (353/354-431), zelf afkomstig uit de omgeving van Bordeaux en net als Sulpicius geboortig uit een aristocratisch milieu.
Na zijn studie in de welsprekendheid maakte Sulpicius Severus snel carrière als advocaat.
Hij werd een veelgevraagd pleiter en verkeerde in de beste families en de hoogste kringen.
Rond 392 echter overleed zijn vrouw. Voor de ongeveer dertigjarige Sulpicius was dit een zware slag, de eerste breuk in het succesverhaal van zijn leven. Hij ging op zoek naar nieuwe idealen, naar een nieuwe levensoriëntatie.

En hij vond die vooral op aanwijzing van zijn vriend Paulinus van Nola. Deze had immers enkele jaren eerder, samen met zijn Spaanse vrouw Theresia, afstand gedaan van al zijn bezittingen en zijn loopbaan opgegeven om zich toe te leggen op een leven van gebed, studie en ascese. In 394 werd hij op aandrang van de gelovigen in Barcelona tot priester gewijd, en korte tijd later vestigde hij zich samen met zijn vrouw bij het graf van de heilige Felix in Nola, om daar een 'monastieke broederschap' (fratemitas monacha) te stichten. In 409 werd Paulinus tot bisschop van Nola gewijd.
Het is waarschijnlijk Paulinus geweest die Sulpicius de lezing aanbeval van een kort tevoren in het Latijn vertaald werk, de Vita Antonii, het levensverhaal van de Egyptische woestijnmonnik Antonius, rond 357 in het Grieks te boek gesteld door bisschop Athanasius van Alexandrië.
Deze Vita werd het model voor het christelijke heiligenleven in de Griekse wereld, zoals Sulpicius' Vita sancti Martini dat in de Latijnse wereld zou worden. Het was ten slotte vrijwel zeker Paulinus die de aandacht van Sulpicius vestigde op iemand die in het Westen een leven leidde dat op dat van Antonius leek *, een monnik en bisschop in het noorden van Gallië: Martinus.
* Toch zijn er eigenlijk maar weinig overeenkomsten tussen het leven van Antonius en dat van Martinus. De verschillen vallen veel meer op: het actieve, strijdbare karakter van Martinus bijvoorbeeld i.t.t. het uiterst teruggetrokken leven van Antonius. Voorzover er overeenkomsten zijn, lijken die vooral door Severinus in de Vita te zijn geïntroduceerd.
Sulpicius reisde naar het noorden, waarschijnlijk in of rond het jaar 394, om de bejaarde monnik-bisschop Martinus te bezoeken. Dat bezoek maakte op Sulpicius diepe indruk. Het gaf de doorslag in zijn beslissing om ook het merendeel van zijn bezittingen te verkopen en het geld uit te delen onder de armen. Zelf trok hij zich terug op een landgoed van zijn familie, Primuliacum, aan de grote weg van Toulouse naar Narbonne. Daar vormde hij met zijn schoonmoeder BassuIa en enkele vrienden een soort kloostergemeenschap. In een kring van gelijkgezinden legden zij zich toe op het lezen van de Schrift, op gebed en ascese, maar ook op de 'hoge beschaving': goede manieren werden er gecultiveerd en er werden geleerde gesprekken gevoerd over boeken. Het werd een gemeenschap voor het leven: Sulpicius bleef er tot zijn overlijden na 420.
Inleiding: De verering van relieken
In de Martinusverering door de Merovingische vorsten speelde de mantel van Martinus een belangrijke rol. De verering van relieken was al in de vierde eeuw op gang gekomen, maar ging in de vijfde en zesde eeuw steeds grotere vormen aannemen. Het lichaam van de heilige zelf was het belangrijkste object van verering. Omdat de heilige voortleefde bij God, was de plaats waar het lichaam op aarde rustte geen verblijfplaats van de dood, maar een plek waar de hemel met levenskracht de aarde aanraakte. Rondom het graf was de kracht van de heilige werkzaam. Maar ook voorwerpen die de heilige tijdens zijn leven had gebruikt of aangeraakt, waren kostbaar als relieken, evenals voorwerpen die op hun beurt weer in contact waren geweest met relieken (brandea of contact- of aanrakingsrelieken).
De belangrijkste reliek van Martinus was de mantel die hij had gedeeld met de bedelaar van Amiens, de cappa Martini. In de vijfde en zesde eeuw werd over het bestaan van dit voorwerp nog niet gerept, de cultus rondom deze reliek kwam pas in de zevende eeuw op gang.
De eerste Merovingische vorst in wiens bezit de cappa genoemd wordt is Balthildes zoon, Theodorik lIl, in 679. De cappa was een symbool van bescherming en veiligheid, en werd daarom meegenomen als de Merovingers te velde trokken. De krachtige reliek verzekerde hen van de overwinning. In tijden van vrede hielden de koningen de reliek ook het liefst in de buurt; als een overwinningstrofee werd hij in het koninklijke paleis gekoesterd.
De cappa kreeg ook een plaats in de juridische praktijk doordat de Merovingische vorsten haar gingen gebruiken als voorwerp waarop men een eed kon afleggen.
Gedurende de tweede helft van de zevende en de eerste helft van de achtste eeuw zagen de Merovingische koningen hun macht en invloed tanen. De stam van de Karolingers verdrong hen langzaam maar zeker van hun plaats. Terwijl de Merovingische vorsten nog tot ver in de achtste eeuw de kroon droegen, waren het de hofmeiers die in feite de macht uitoefenden.
Martinus deelt zijn Mantel
Simone Martini, ± 1321,
Fresco in de kerk van Franciscus in Assisi.
De laatste Merovingische vorsten waren, vanaf het begin van de achtste eeuw, niet meer dan schaduwkoningen.
Van deze Karolingische hofmeiers was het Pippijn II van Herstal, die als eerste beslag legde op de koninklijke reliek, de cappa. Daarmee namen de nieuwe machthebbers de oude koningspatroon over: ook bij de Karolingers was Martinus de voornaamste heilige.
Onder bescherming van deze zelfde Pippijn II overigens begon de missionaris Willibrord zijn werk in de Lage Landen. Hij stichtte in zijn bisschopsstad Utrecht verschillende kerken. De hoofdkerk wijdde hij aan Christus Salvator, en één van de andere heiligdommen aan de patroon van zijn opdrachtgever.
Deze eerste Martinuskerk in het noorden van het rijk ging al halverwege de achtste eeuw de functie van kathedraal overnemen. Ook bij de Karolingers was de cappa of capella de speciale reliek van de vorsten. Toen de laatste Merovingische koning was afgezet en Pippijn III de Korte in 751 als eerste Karolingische koning met pauselijke goedkeuring de troon besteeg, vond de reliek haar vaste plaats in de koninklijke kapel, een heiligdom dat zijn naam regelrecht te danken had aan de kostbare schat die het herbergde. Zo werden ook de clerici die dienst deden in deze kapel kapelanen genoemd.
De reliek reisde met de vorst mee het hele rijk door, totdat in Aken de beroemde paltskapel van Karel de Grote (768-814) gebouwd werd. Hier vond de cappa Martini haar vaste verblijfplaats.
Ook de Franse naam van deze stad, Aix-Ia-Chapelle, bergt de herinnering aan de voornaamste reliek van de grote Frankische heilige.
Inmiddels was de stad Tours uitgegroeid tot één van de belangrijkste pelgrimssteden van het westerse christendom.
Zieken en bezetenen kwamen in grote groepen naar de basiliek van Martinus, waar gewijde olie en stof van het graf genezende kracht bezaten. Ook de kerkjes in Candes en Marmoutier werden bedevaartsoorden.
De pelgrimage naar Tours, ook wel gallicana peregrinatio genoemd, stond op één lijn met die naar Rome en Jeruzalem. Martinus, die beschouwd werd als de apostel van Gallië, deed immers niet onder voor de grote apostelen van het eerste uur.
Crypte in de kathedraal in Tours
Leven
Martinus werd rond 316 geboren in Sabaria (Hongarije) als zoon van Romeinse ouders. Op jonge leeftijd werd hij soldaat en als 15-jarige trok hij naar Gallië.
Bij een stadspoort van Amiens ontmoette hij een bedelaar, aan wie hij de helft van zijn mantel gaf. Omdat de helft van de mantel eigendom was van Rome kon hij slechts zijn eigen helft weggeven.
Volgens een legende was deze bedelaar een verschijning van Jezus, of stond de bedelaar symbool voor Christus die Zelf zei: "Ik was naakt en gij hebt Mij gekleed." (Matteüs 25:36). Martinus liet zich bekeren en verliet het leger.
Op 19-jarige leeftijd werd hij duiveluitdrijver.
Ook leefde hij enige tijd als kluizenaar op het eiland Gallinaria bij Genua, en verder stichtte hij een klooster bij Poitiers, het eerste klooster op Franse bodem.
In 371 werd Martinus door de bevolking van Tours gekozen tot bisschop. Hij vond zich niet waardig genoeg voor dat ambt, dus verstopte hij zich in een ganzen- of zwanenhok. Maar toen zijn aanhangers hem gingen zoeken gingen de ganzen als een gek tekeer waardoor zijn schuilplaats ontdekt werd. Zo kwam het dat hij alsnog tot bisschop gewijd kon worden.
Sint Maarten deelt zijn mantel (op de gevel van een huis in Trier)
Als bisschop zette hij zich in voor de verdere verspreiding van het Christendom. Hij stichtte kerken, en rond 375 de bekende abdij van Marmoutier. Om de zaak van een van zijn gelovigen te bepleiten die onterecht terechtgesteld dreigde te worden, reisde hij naar keizer Maximus in Trier. Hiermee had hij echter geen succes.
In 397 stierf Martinus aan koortsen, hij was toen ongeveer tachtig jaar oud. Hij werd op 11 november begraven in de basiliek van Tours. Al gauw na zijn dood kwam de verering op gang en in de 7e eeuw werd er een nieuwe basiliek aan hem gewijd. In zijn nog bestaande graf liggen slechts een stuk schedeldak en een armbot ; de rest is bij plunderingen verloren gegaan.
St. Maarten is de patroonheilige van Frankrijk.
Wonderen
Martinus zou enkele wonderen hebben verricht. Op een dag kwam hij langs een landerij waar diepe treurnis heerste omdat het knechtje zich had verhangen. Martinus strekte zich over het lijk en bad enige tijd, waarop het kind weer tot leven kwam.
Toen hij een andere keer een door de heidenen vereerde pijnboom wilde omhakken werd hij door hen uitgedaagd. Ze zouden de boom zelf wel omhakken, maar zo, dat hij op Martinus zou vallen. Als Christus werkelijk zou bestaan zou hij zijn volgeling wel redden. Martinus nam de uitdaging aan en werd geboeid neergelegd, maar door een wonder viel de boom de verkeerde kant op en verpletterde bijna de heidenen.
Bij een stadspoort van Parijs trad hij eens een melaatse tegemoet een kuste hem op het gezicht, tot ontsteltenis van alle aanwezigen. Terstond was de zieke man genezen.
Iconografie
Martinus wordt op twee manieren afgebeeld. 1. Als Romein in harnas. Bij deze afbeeldingen geeft hij vrijwel altijd de helft van zijn mantel aan de bedelaar. 2. Als bisschop met een bedelaar aan zijn voeten. Ganzen of zwanen komen ook vaak voor (zie rechts). Zij verwijzen naar het pluimveehok waarin hij zich had verscholen.
En hij wordt wel afgebeeld met een duivel aan zijn voeten.
Volkscultuur
Sint-Maarten was vroeger de datum waarop de oogst binnengehaald moest zijn en het vee op stal ging. Op die dag werden ganzen geslacht.
Op 11 november werden de grote Sint-Maartensvuren ontstoken. Dit gebruik gaat terug op een Germaans feest ter ere van Wodan. Men bracht dankoffers en brandde reinigende vuren om de vruchtbaarheid van het land en vee te bevorderen.
Later werd het Sint-Maartensfeest vooral een kinderfeest, kinderen trokken met lampions of uitgeholde rapen, knollen en kalebassen met een kaarsje langs de deur voor snoep en fruit.
In diverse Nederlandse steden en streken gaan kinderen op 11 november met zelfgemaakte lampions langs de deuren om te zingen, waarvoor ze snoep krijgen.
Het Leven van De Heilige Martinus (enkele fragmenten)
2 Woestijn
(1) Welnu, Martinus is geboortig van Sabaria, een stad in Pannonië, maar hij werd opgevoed in Italië, te Pavia. Zijn ouders hadden geen geringe status in deze wereld, maar zij waren wel heidenen.
(2) Zijn vader was eerst gewoon soldaat en werd later militair tribuun.
Ook hij zelf volgde in zijn jeugdjaren een militaire loopbaan en diende bij de ruiterij van de keizerlijke garde onder keizer Constantius # en vervolgens onder keizer Julianus.
# Constantius, zoon van keizer Constantijn de Grote, was keizer van het Romeinse Rijk van 337 tot 361; Julianus (331-363), wegens zijn pogingen om de antieke Grieks-Romeinse godsdienst te herstellen bijgenaamd de Afvallige, was alleenheerser van 361 tot zijn dood op 27 juni 363.
Hij deed dat overigens niet van harte, want al ongeveer vanaf zijn eerste levensjaren verlangde de voortreffelijke jongen er in zijn jeugdige heiligheid eerder naar God te dienen.
(3) Toen hij tien jaar was, zocht hij, tegen de zin van zijn ouders, zijn toevlucht bij de kerk en vroeg hij doopleerling te mogen worden.
(4) Al spoedig wendde hij zich op wonderlijke wijze geheel naar het werk van God. Toen hij twaalf jaar was, verlangde hij naar de woestijn , en hij zou zijn geloften gestand gedaan hebben als de zwakheid van zijn jonge leeftijd niet een beletsel was geweest.
Was er een woestijn in die streken? Of is dit toch eerder een verwijzing naar de Vita van Antonius? Of is het een verkeerde vertaling, en moet "woestijn" opgevat worden als "eenzame plaats"?
Maar zijn hart was steeds bij kloosters en bij de kerk en hij overwoog al op jeugdige leeftijd wat hij later trouw heeft volbracht.
(5) Maar aangezien er door de keizers was bepaald dat de zonen van veteranen ook in het leger ingeschreven moesten worden, werd hij door zijn vader, die vijandig stond tegenover zijn heilzame daden, toen hij vijftien jaar was, aangemeld en vastgenomen en geketend en door het afleggen van krijgseden gebonden. Met het gezelschap van slechts één dienaar stelde hij zich tevreden, en hij keerde de rollen om: hij, de meester, diende de knecht, en wel zo dat Martinus het meestal zelf was die de dienaar van het schoeisel ontdeed en hem reinigde. En samen namen zij de maaltijd, waarbij juist Martinus vaak bediende.
(6) Ongeveer drie jaar bleef hij onder de wapenen vóór hij gedoopt werd, maar hij bleef onaangetast door de zonden waarin dit soort van mensen verstrikt pleegt te worden.
9 Verwerpelijk uiterlijk
(1) Ongeveer in dezelfde tijd werd hij gevraagd voor het bisschopsambt van de kerk van Tours. Maar omdat men hem niet gemakkelijk uit zijn klooster kon weglokken, viel ene Rusticius, een van de burgers [van Tours], hem te voet, met het voorwendsel dat zijn vrouw ziek was, en zo slaagde hij erin hem naar buiten te krijgen.
(2) Zo werd hij, terwijl de menigten van burgers langs de weg opgesteld stonden, als het ware onder bewaking naar de stad gevoerd. Wonderlijk genoeg was een ongelooflijke menigte, niet alleen uit de stad zelf maar ook uit naburige steden, samengestroomd om hun stem uit te brengen.
(3) Allen hadden slechts één wil, één wens en één gevoelen: Martinus was het bisschopsambt het meest waardig; gelukkig zou de kerk zijn met zo'n bisschop.
Toch waren er enkelen, en juist sommigen van de bisschoppen die waren opgeroepen om de nieuwe bisschop aan te stellen, die hem op trouweloze wijze afwezen. Zij zeiden dat hij een verachtelijk persoon was, een man die het bisschopsambt onwaardig was wegens zijn verwerpelijk uiterlijk, zijn vuile kleren en zijn onverzorgde haar.
(4) Maar door het volk, dat een verstandiger oordeel had, werd gelachen over de dwaasheid van deze lieden, die juist doordat zij hem zochten te blameren, verkondigden dat hij een uitstekend man was. En in werkelijkheid konden zij niets anders doen dan wat het volk, naar de wil van de Heer, beoogde.
10 Eenzaamheid van de woestijn
(1) Het ligt niet in mijn vermogen te verhalen op welke wijze en in welke mate Martinus uitblonk nadat hij het bisschopsambt had aanvaard. In volmaakte standvastigheid bleef hij immers dezelfde als die hij voordien was geweest.
(2) In zijn hart bleef hij even nederig, in zijn kleding even armoedig; en hij vervulde, vol van gezag en genade, de bisschoppelijke waardigheid zo dat hij toch niet de levenswijze en de deugdzaamheid van een monnik opgaf.
(3) Een tijd lang bewoonde hij een cel die aan de kerk vastzat; maar later, toen hij de onrust van degenen die hem kwamen bezoeken niet meer kon verdragen, stichtte hij voor zichzelf een klooster op ongeveer twee mijl buiten de stad.
(4) Die plaats was zo verborgen en afgelegen, dat hij niet langer naar de eenzaamheid van de woestijn hoefde te verlangen.
Dit verlangen naar eenzaamheid en de oplossing — een verborgen plek ver weg van de mensen — doet ook weer sterk denken aan Antonius.
Aan één kant werd zij immers omgeven door de steile rotswand van een hoge berg, de rivier de Loire sloot de rest van de vlakte af met een flauwe bocht; men kon er slechts langs één weg binnenkomen, die ook nog heel smal was. Zelf had hij een cel die van hout was gebouwd,
(5) en vele broeders woonden op dezelfde manier; maar de meesten hadden zich verblijven gemaakt door een hol te hakken in de rots van de overhangende berg. Er waren ongeveer tachtig leerlingen, die onderricht werden naar het voorbeeld van de gelukzalige meester.
(6) Niemand had er iets in eigendom, alles werd voor de gemeenschap samengebracht. En het was niet toegestaan iets te kopen of te verkopen, zoals de meeste monniken wel plegen te doen; er werd geen ander ambacht uitgeoefend dan dat van schrijver, en dat werd dan nog beschouwd als een taak voor de jongeren: de ouderen waren vrij voor het gebed.
(7) Slechts zelden verliet iemand zijn cel, tenzij om samen te komen op de plaats voor het gebed. Allen namen na het uur van het vasten samen een maaltijd. Wijn kende niemand, tenzij iemand er door ziekte toe gedwongen was.
(8) De meesten droegen stugge kameelharen mantels; zachtere kleding gold er als een misdaad. Daarover dient men zich des te meer te verwonderen, omdat velen onder hen edelen waren, die, hoewel zij heel anders waren opgevoed, zichzelf gedwongen hadden tot deze nederigheid en lankmoedigheid; velen van hen hebben wij later als bisschoppen gezien.
(9) Want welke stad en welke kerk zou zich niet een bisschop wensen uit het klooster van Martinus?
Martinus en de Bedelaar
El Greco, ± 1597 - 99,
National Gallery of Art in Washington.
13 Heilige — heidense — boom omhakken

(1) Toen hij bij een andere gelegenheid in een dorp een zeer oude tempel had verwoest en aanstalten maakte om de pijnboom die naast het heiligdom stond, om te hakken, begonnen de priester van die plaats en de rest van de heidenen zich te verzetten.
(2) En hoewel deze zelfden, op bevel van de Heer, zwegen toen de tempel werd vernield, duldden zij het niet dat de boom werd geveld. Hij wees hen er met nadruk op, dat er niets heiligs is in een boom, dat zij beter de God die hij zelf diende konden volgen en dat hij deze boom wel moest omhakken, omdat hij gewijd was aan een demon.
(3) Toen zei één van hen, die brutaler was dan de rest: 'Als jij enig vertrouwen hebt in die God van jou, die je zegt te vereren, laten wij dan zelf deze boom omhakken, en vang jij hem op wanneer hij omvalt. En als jouw Heer, zoals je zegt, met je is, dan zul je ontkomen.'
(4) Toen beloofde hij, onverschrokken vertrouwend op de Heer, dat hij dit zou doen.
Hierop stemde de hele menigte heidenen in met een dergelijke voorwaarde, en zij hadden weinig moeite met het verlies van hun boom, als zij door zijn val de vijand van hun godsdienstige praktijken zouden verpletteren.
(5) Omdat dus die pijnboom naar één kant overhelde, zodat er geen twijfel was naar welke kant hij zou vallen wanneer hij omgehakt was, werd Martinus volgens de wil van de boeren gebonden op die plek gezet waar de boom, daar twijfelde niemand aan, zou vallen.
(6) Zij begonnen dus zelf hun eigen boom met grote vreugde en met plezier om te hakken. Op een afstand was een menigte verwonderde toeschouwers aanwezig. De pijnboom begon al een beetje te wankelen en dreigde hem in zijn val te verpletteren.
(7) De monniken in de verte verbleekten, en doodsbang door het al steeds dichter naderende gevaar hadden zij alle hoop en geloof verloren, en verwachtten alleen nog maar de dood van Martinus.
(8) Maar hij wachtte onverschrokken, in een vast vertrouwen op de Heer. En hij stelde, toen de pijnboom al kraakte in zijn val — hij begon al te vallen, hij stortte zich al over hem heen — met een afwerend opheffen van zijn hand het kruisteken tegenover de boom. Toen dan viel de boom — je zou denken dat hij als door een wervelwind teruggejaagd werd — naar de andere kant, zodat hij de boeren, die op een veilige plek waren gaan staan, bijna verpletterde.
(9) Op dat moment verhief zich een luid geroep tot de hemel, de heidenen verbaasden zich over het wonder en de monniken huilden van vreugde, de naam van Christus werd gemeenschappelijk geprezen; en het stond duidelijk vast dat op die dag het heil naar dit gebied gekomen was. Want er was bijna niemand in de woeste menigte van heidenen die geen handoplegging wenste en, na de dwaling van het ongeloof opgegeven te hebben, niet in de Heer Jezus geloofde.
En werkelijk, vóór Martinus hadden zeer weinigen, ja had bijna niemand in die gebieden de naam van Christus ontvangen. Maar die naam is door Martinus' wonderdaden en door zijn voorbeeld zozeer in kracht toegenomen, dat daar geen enkele plaats meer is die niet gevuld is met zeer talrijke kerken of kloosters. Want waar hij heiligdommen verwoest had, daar bouwde hij terstond kerken of kloosters.

14 Tempel in brand steken

(1) En omstreeks diezelfde tijd legde hij door eenzelfde daad een niet minder grote kracht aan de dag. Want toen hij, in één of ander dorp, een zeer oude en druk bezochte tempel in brand gezet had, sloegen de vlammen door een windvlaag naar een zeer nabijgelegen, ja zelfs aangrenzend huis over.
(2) En zodra Martinus dit in de gaten kreeg, beklom hij met vliegende vaart het dak van het huis, om zich tegen de oprukkende vlammen teweer te stellen. Toen kon je pas goed zien, dat het vuur op wonderlijke wijze tegen de kracht van de wind in werd teruggedraaid, zodat het om zo te zeggen een gevecht leek van onderling strijdende elementen. Zo heeft het vuur door de kracht van Martinus alleen daar zijn werk verricht, waar hij het beval.
(3) Toen hij echter in een dorp genaamd Levroux eveneens een door het bijgeloof van de heidense godsdienst zeer rijke tempel had willen verwoesten, bood hem een menigte heidenen weerstand, en wel zo, dat hij niet zonder kwetsuren werd verdreven.
(4) Daarom week hij uit naar het naburige dorp. Daar bad hij gedurende drie dagen, bedekt met een ruwharen kleed en met as, voortdurend vastend en biddend tot de Heer, dat de goddelijke kracht die tempel zou verwoesten, omdat mensenhand hem niet had kunnen vernietigen.
(5) Toen verschenen hem plotseling twee engelen, gewapend met lans en schild als hemelse soldaten, die zeiden dat ze door de Heer gezonden waren om de menigte boeren te verjagen en aan Martinus bescherming te geven, opdat er niemand meer in de weg zou staan terwijl de tempel verwoest zou worden. Hij moest dus terugkeren en het begonnen werk toegewijd volbrengen.
(6) Zo is hij teruggegaan naar het dorp en heeft hij alle altaren en afgodsbeelden tot stof verpulverd, terwijl de bende heidenen toekeek en zich koest hield toen hij de heidense tempel tot op de fundamenten verwoestte.
(7) Toen ze dit gezien hadden, geloofden de boeren bijna allemaal in Jezus de Heer. Want ze begrepen wel, dat hun door een goddelijke wenk verbazing en schrik aangejaagd was, opdat ze zich niet tegen de bisschop zouden verzetten. En in het openbaar riepen ze uit en beleden, dat de God van Martinus vereerd moest worden, dat ze zich daarentegen niet om afgoden moesten bekommeren, omdat die hen toch niet konden helpen.

22 De duivel
(1) De duivel drong zich dikwijls zichtbaar aan hem op in de meest uiteenlopende gedaanten, terwijl hij met ontelbare pesterijen de heilige man probeerde te misleiden. Want soms vertoonde hij zich, in een gedaanteverwisseling, in de persoon van Jupiter, zeer dikwijls in de persoon van Mercurius, vaak ook met de gelaatstrekken van Venus en Minerva.
Martinus echter verdedigde zich tegen hem altijd onverschrokken met het kruisteken en met hulp van het gebed.
Dit doet natuurlijk wel weer denken aan de Verzoekingen van Antonius. maar het is natuurlijk ook wel een zeer algemeen voorkomend beeld van het optreden van de duivel vis à vis een asceet.
(2) Er werden vaak scheldwoorden gehoord waarmee een menigte demonen met brutale stemmen hem toesnauwde; maar omdat hij dat alles als vals en ijdel herkende, bleef hij onbewogen door wat ze hem voor de voeten wierpen.
(3) Sommigen van de broeders getuigden ook dat zij gehoord hadden dat een demon met brutale woorden Martinus verwijtend vroeg waarom hij enkelen van de broeders, die hun doop door verschillende zonden tenietgedaan hadden, later, na hun inkeer, in het klooster had opgenomen, en dat deze demon de zonden van ieder afzonderlijk uiteenzette.
(4) Martinus had in zijn verzet tegen de duivel toen resoluut geantwoord, dat de oude zonden zonder twijfel vergeven waren door de bekering tot een beter leven, en dat die monniken door de barmhartigheid van de Heer verlost moesten worden van hun zonden, omdat ze opgehouden waren met zondigen.
Toen de duivel hier tegenin bracht, dat zondaren geen aanspraak kunnen maken op genade, en dat de Heer geen barmhartigheid kan verlenen aan mensen die eenmaal gevallen zijn, toen moet Martinus met deze woorden tegen hem uitgebarsten zijn:
(5) 'Als jijzelf, ongelukkige, ophield met het pesten van mensen, en berouw had over je daden, zelfs in deze tijd, nu de dag des oordeels zeer nabij is, dan zou ik jou, waarlijk vertrouwend op de Heer Jezus Christus, barmhartigheid beloven.' O, wat een heilig vermoeden van de liefde van de Heer, waarmee hij weliswaar niet het gezag kon uitoefenen, maar wel de liefde kon tonen!
Martinus in de Sint-Maartenskerk in Kortrijk. Met de duivel aan zijn voeten.
25 Een ongeletterd man
(6) En dan, wat was er in zijn woorden en in zijn gesprekken een grote ernst, wat een grote waardigheid! Wat was hij scherpzinnig en krachtdadig, wat was hij vaardig en bedreven in het oplossen van vragen betreffende de schriften!
(7) En omdat ik weet, dat er op dit punt veel ongelovigen zijn — want ik zie toch dat zij het, zelfs wanneer ik het zelf vertel, niet geloven —, roep ik Jezus en onze gemeenschappelijke hoop als getuige aan, dat ik uit niemands mond ooit zo'n grote kennis, zo'n groot verstand, zo'n goede en zuivere taal gehoord heb.
(8) Maar wat een geringe lof is dit wanneer we spreken over de deugden van Martinus! Want afgezien daarvan is het toch al verwonderlijk, dat zelfs deze gave in een ongeletterd man * niet ontbroken heeft.
* Ook dit doet sterk denken aan Antonius, die immers ook niet kon lezen of schrijven, maar wel de Heilige Schrift van haver tot gort kende, en die de Griekse filosofen (heidenen) zo van repliek kon dienen.
Brief 3: Suplicius Severus groet zijn eerbiedwaardige moeder Bassula
Omdat Severinus de Vita van Martinus schreef toen deze nog leefde, wordt het relaas van zijn dood verhaalt in een brief aan zijn (schoon)moeder. Een paar fragmenten daaruit vermeld ik hier.
9 Het sterven van Martinus
(9) Toen dus na een lang verblijf in dat dorp en in de kerk ... hij al van plan was om naar zijn klooster terug te keren, begon zijn lichaamskracht hem plotseling in de steek te laten, en toen hij de broeders bijeengeroepen had zei hij dat hij reeds ging sterven.
(10) Toen echter werd iedereen bedroefd en verdrietig en als met één stem weenden zij luid: 'Waarom, O vader, verlaat u ons? En aan wie laat u ons, verlaten, achter? Roofzuchtige wolven zullen uw kudde binnenvallen: wie zal ons tegen hun muilen beschermen, als de herder geslagen is? Wij weten wel dat u naar Christus verlangt, maar uw beloning blijft ongeschonden, en zal door uitstel niet minder worden; heb liever medelijden met ons, die u in de steek laat.'
(11) Toen is hij, naar men zegt, bewogen door hun geween in tranen uitgebarsten, en zoals hij altijd helemaal in de Heer was, stroomde hij innerlijk over van barmhartigheid.
Hij wendde zich tot de Heer en antwoordde aan hen die weenden alleen maar dit: 'Heer, als ik nog nodig ben voor uw volk, ga ik die inspanning niet uit de weg: uw wil geschiede.'
(12) Natuurlijk verkeerde hijzelf, geplaatst tussen hoop en droefenis, bijna in twijfel wat hij liever wilde, want hij wilde hen niet in de steek laten, maar ook niet langer van Christus gescheiden zijn. Maar hij zette niets in op zijn eigen verlangen en gunde niets aan zijn eigen wil, maar gaf zich geheel over aan de beschikking en de macht van de Heer.
(13) En hij bad aldus, zeggend: 'Weliswaar is de lichamelijke strijd van de christelijke krijgsdienst zwaar, Heer, en het is al genoeg wat ik tot hier toe gevochten heb; maar als Gij me opdraagt nog met diezelfde inspanning post te vatten voor uw legerkamp, weiger ik dat niet en ik zal niet de vermoeienissen van mijn leeftijd als excuus opvoeren. Ik zal uw taken toegewijd vervullen, ik zal onder uw vaandel dienen, tot waar uzelf het ook maar beveelt en, ook al verlangt een oude man rust na zware inspanning, toch is de ziel de baas over de jaren, en weet zij van geen wijken voor de ouderdom. Maar ook al spaart Gij de leeftijd, uw wil is mij goed, Heer: over dezen echter, over wie ik angst heb, zult Gij zelf waken'.
(14) ... En zo week hij toch niet van het werk van God toen hij reeds gedurende enige dagen in de macht van de koorts gevangen was: de nacht doorbrengend in gebeden en waken dwong hij zijn vermoeide ledematen zijn geest te dienen, liggend op dat edele bed van hem in as en een ruwharen mantel.
(15) En toen zijn leerlingen hem vroegen, of ze dan tenminste wat gewoon stro onder hem mochten leggen, zei hij: 'Een christen behoort in as te sterven; als ik jullie een ander voorbeeld achterlaat, heb ik gezondigd.’
Maar terwijl hij zijn ogen en handen steeds op de hemel gericht hield, liet hij zijn onoverwinnelijke geest niet verslappen in het gebed.
En toen de priesters, die toen bij hem samengekomen waren, van hem vroegen, dat hij zijn geliefde lichaam wat verlichting zou geven door op zijn andere zij te gaan liggen, zei hij: 'Laat, broeders, laat me liever naar de hemel kijken dan naar de aarde, opdat mijn geest zich vast richt op zijn weg die hij zal gaan naar de Heer.'
(16) En toen hij dat gezegd had, zag hij de duivel naast zich staan. 'Wat sta je hier,’ zei hij, ‘bloeddorstig beest? Jij zult, verderfelijke, in mij niets vinden: de schoot van Abraham neemt mij op.’
(17) Met dit woord dan gaf hij zijn geest terug aan de hemel. En zij die daarbij geweest zijn hebben mij verzekerd, dat zij zijn gezicht gezien hadden als was het ‘t gezicht van een engel; en zijn ledematen leken wit als sneeuw, zo dat zij zeiden: 'Wie zou er geloven, dat hij ooit met een haren kleed bedekt en in as gehuld was?' Want hij zag er al zo uit, alsof hij zich vertoonde in de heerlijkheid van de toekomstige verrijzenis en in de natuur van het veranderde lichaam. (18) En het is toch niet te geloven wat een grote menigte mensen voor zijn begrafenis bijeenkwam. De hele stad stroomde samen rondom zijn lichaam, alle bewoners van het platteland en de dorpjes, en ook velen uit naburige steden waren aanwezig. Ach wat een geweeklaag bij allen, wat een gejammer vooral bij de diep bedroefde monniken.
Er wordt gezegd, dat er op die dag ongeveer tweeduizend mensen samen waren gekomen, enkel en alleen ter ere van Martinus: zo waren naar zijn voorbeeld zoveel wortels uitgelopen tot dienstbaarheid voor de Heer.
Cassianus (±365 - ±435) Instellingen
Leven en Streven van Monniken
Vertaling van Instituta coenobiorum door Zr. Ida Vanbrabant.
Inleiding
Johannes Cassianus werd ongeveer zeventig jaar oud. Hij leefde een vijfendertigtal jaren voor en eveneens een vijfendertigtal jaren na 400 en dus zowat honderd jaar voor Sint Benedictus.
Nog zeer jong koos hij samen met zijn vriend Germanus voor het monnikenleven.

Zie hieronder voor een uitgebreider verhaal van zijn Leven en Reizen, en voor excerpten uit zijn Gesprekken, voorzover deze betrekking hebben op Antonius.

Uit het boek Instellingen heb ik alleen het hoofdstuk over de kleding hier opgenomen.
De Kleding van de Monniken
1. Zouden we, nu we met Gods genade gaan schrijven over de instellingen en regels van de kloosters, beter kunnen beginnen dan met de monnikskleding? Later zullen we dan hun innerlijke. schoonheid kunnen weergeven, als we eerst hun uiterlijke tooi aanschouwelijk hebben voorgesteld.
Een monnik moet, als soldaat van Christus, altijd uitgerust voor de strijd, steeds optrekken met de lendenen omgord. Op gezag van de Heilige Schrift weten we immers dat degenen die in het Oude Testament de grondslag legden van deze levensstaat, namelijk Elia en Elisa, op deze wijze gekleed gingen. En ook van de mannen van aanzien en gezag uit het Nieuwe Testament, namelijk van Johannes en ook van Petrus en Paulus en de overigen van hun groep weten we dat ze zich zo kleedden. Eerstgenoemde was reeds in het Oude Testament, door zijn voorbeeldige kuisheid en onthouding een voorafbeelding van de bloem der maagdelijkheid. Hij werd door de Heer gezonden om de boden van Achazja, de afvallige koning van Israël, te berispen, omdat deze, door ziekte neergeveld, hen uitgezonden had om Baäl-Zebub, de god van Ekron te raadplegen in verband met zijn gezondheidstoestand. Zodra de profeet de boden ontmoette verklaarde hij dat de koning niet meer zou opstaan van het bed waarop hij was neergevallen; de bedlegerige koning herkende hem aan de beschrijving van het kleed dat hij droeg. Toen de boden immers bij hem terugkeerden en meldden wat de profeet gezegd had, vroeg hij hoe de persoon die zij ontmoet hadden en die hun die verklaring gaf eruit zag en gekleed was; zij antwoordden:
"Het was een behaard man met een leren gordel om zijn middel". Aan dit kleed herkende de koning onmiddellijk de man Gods en zei: "Dan was het Elia, de Tisbiet" (2 K 1,8). De gordel immers, en zijn ruw en onverzorgd voorkomen, waren een onmiskenbaar teken van de man Gods, dat hem, onder zoveel duizenden Israëlieten, eigen was en hem als een speciaal stempel voorgoed typeerde.
Over Johannes, die ons voorkomt als een heilige drempel tussen het Oude en het Nieuwe Testament, als een einde en als een begin, verhaalt de evangelist, zoals we weten, precies hetzelfde: "Johannes nu droeg een kleed van kameelhaar en een leren gordel om zijn lenden" (Mt 3,4). Ook aan Petrus, door Herodes in de gevangenis geworpen om 's anderendaags ter dood te worden veroordeeld geeft de engel, die naast hem staat het bevel: "Doe uw gordel om en bind uw sandalen onder" (Hnd 12,8). De engel van God zou hem dit natuurlijk niet gevraagd hebben als hij niet gemerkt had dat hij zijn gordel wat losser had gemaakt om zijn vermoeide ledematen tijdens de nachtrust even te ontspannen.
En toen Paulus naar Jeruzalem trok waar hij weldra door de Joden in de boeien zou worden geslagen, trof de profeet Agabus hem aan te Caesarea. Hij pakte Paulus’ gordel, bond zich daarmee handen en voeten om met dit gebaar het lijden dat hem zou treffen vooraf te beelden, en sprak: "Dit zegt de Heilige Geest: Zo zullen de Joden in Jeruzalem de man aan wie deze gordel toebehoort, binden en overleveren in de handen van de heidenen" (Hnd 21,11). De profeet kon dit woord niet spreken en hij kon niet zeggen: "de man aan wie deze gordel toebehoort" als Paulus niet de gewoonte had hem altijd om zijn lendenen te dragen.
2. De kleding van de monnik dient slechts om het lichaam te bedekken, de beschaming van de naaktheid weg te nemen en de hevigheid van de kou te temperen, en niet om de wortels van ijdelheid of zelfbehagen voedsel te geven, zoals dezelfde Apostel ons voorhoudt: "Als wij voedsel en kleding hebben moet ons dat genoeg zijn" (1 Tim 6,8). Hij zegt 'operimenta' en niet 'vestimenta' zoals sommige Latijnse exemplaren foutief geven, want het gaat om kledingstukken die het lichaam alleen maar bedekken zonder te flatteren door sierlijke dracht, en die zo gewoon zijn dat geen vreemde kleur of snit de drager kan doen opvallen tussen de mannen die zijn levenswijze delen, want wat excessief is wordt geweerd, en een monnik draagt evenmin in zorgeloosheid kleren vol vlekken. Tenslotte mist zijn kleding alle wereldse elegantie en de dienaren van God kunnen ze dan ook in alle omstandigheden blijven dragen.
Als immers onder de dienaren van God één persoon of slechts weinigen zich iets aanmatigen wat niet door de hele gemeenschap van broeders bevestigd wordt, is het ofwel overbodig ofwel ijdel, en het moet daarom als schadelijk afgewezen worden omdat het meer van pralerij getuigt dan van deugd. Inderdaad, alles waarvan we geen voorbeelden vinden bij de heiligen van vroeger, die de grondslag voor deze levens staat legden, en evenmin bij onze huidige Vaders die generatie na generatie hun instellingen tot nu toe bewaarden, behoren ook wij als overbodig en nutteloos van de hand te wijzen.
Ze hebben dan ook altijd een geiteharen kleed afgewezen omdat iedereen dat ziet en opmerkt, en het dus niet alleen geen enkel geestelijk voordeel brengt maar zelfs ijdel zelfbehagen wekt; overigens, het is hinderlijk en ongeschikt voor het werk dat verricht moet worden en waarvoor de monnik al tijd wakker en bereid moet zijn. Natuurlijk hebben we ook gehoord van deze of gene die zo'n kleed droeg zonder dat er op zijn leven iets aan te merken viel. Maar al hoeven we de aanmatiging van deze enkelingen, ook al wijken ze op dit gebied af van de algemene regel, niet te laken, gezien hun andere deugden, we mogen dit toch niet als algemene regel verordenen noch de aloude besluiten van de heilige Vaders wijzigen. Want de mening van een minderheid moet geen voorrang krijgen op noch afbreuk doen aan een bepaling die 'voor allen geldt.
Niet aan de instellingen en regels immers die ingang vonden op grond van de wil van slechts weinigen moeten we zonder aarzelen of bedenken in alles vertrouwen en gehoorzaamheid betuigen, maar aan deze die vanuit de oudste tijden door talloze heilige Vaders eensgezind van geslacht tot geslacht werden doorgegeven. En we moeten niet te vlug als voorbeeld voor ons dagelijks leven naar een man als Joram kijken, de afvallige koning van Israël, die, ingesloten door vijandelijke troepen, zijn kleed scheurde zodat iedereen kon zien dat hij een boetekleed droeg (vgl. 2 K 6,30), en evenmin moeten we de Ninevieten als voorbeeld nemen, wanneer ze, om Gods oordeel, tegen hen uitgesproken door de profeet, [32] te milderen ruwe boetekleren aantrokken (vgl. Jon 3,5). Het blijkt immers dat Joram zijn boetekleed als onderkleed droeg, zo verborgen dat niemand het had kunnen zien als hij zijn bovenkleed niet gescheurd had. En de Ninevieten trokken een boetekleed aan op een ogenblik dat allen weenden om de dreigende ondergang van de stad; iedereen droeg hetzelfde kleed en dus kon niemand een ander beschuldigen van uiterlijk vertoon, want slechts door een opvallend verschil, niet door gelijkheid, wordt aanstoot gegeven.
3. Bij de kleding van de Egyptenaren horen overigens enkele onderdelen die ze niet zozeer dragen uit zorg voor het lichaam dan wel omdat ze passen bij hun levensstaat, zodat ook hun kleding wijst op de eenvoud en onschuld van hun leven. Altijd, 's nachts zowel als overdag, dragen ze een kleine kap die maar juist tot aan de nek en schouders komt en slechts het hoofd bedekt; zo bootsen ze het hoofddoekje van de kinderen na en worden ze aangespoord een kinderlijke onschuld en eenvoud te bewaren. Opnieuw kinderen geworden zingen ze op elk uur van ganser harte voor Christus: "Heer, mijn hart verheft zich niet en mijn ogen zijn niet trots opgeslagen. Ik begaf mij niet in wat te groot is, te wonderbaarlijk voor mij, als koesterde ik geen nederige gevoelens. Ik heb mijn ziel tot U verheven, zoals een gespeend kind bij zijn moeder" (Ps 130/131,1-2).
Ze dragen ook linnen tunieken met mouwen die nauwelijks tot aan de' elleboog reiken en de rest van de arm bloot laten; dit inkorten van de mouwen betekent de verzaking aan alle wereldse actie, en het linnen kleed leert hun dat ze dood zijn voor welke aardsgerichte manier van leven ook; zo horen ze dagelijks de Apostel tot hen zeggen: "Versterf uw ledematen die hier op aarde zijn" (Kol 3,5), en hun kleding zelf getuigt ervan: "Gij zijt immers gestorven en uw leven is nu met Christus verborgen in God" (Kol 3,3) en: “Ikzelf leef niet meer, Christus is het die in mij leeft en de wereld is voor mij gekruisigd en ik voor de wereld" (Gal 2,20 en 6,14).
5. Ze dragen ook een dubbele band, uit wol gevlochten, die de Grieken 'analaboi' noemen en waarvoor wij het woord bretellen of draagbanden of eigenlijk boezelaar kunnen gebruiken. Beginnend, in de nek splitst hij zich in twee rond de hals, gaat onder de oksels door en schort aan beide kanten het kleed op door het aan het lichaam te doen aansluiten en zo te beletten dat het te breed uithangt. En de armen, op die manier beteugeld, zijn klaar en vrij voor alle werk, en men kan zich met ijver en volle inzet toeleggen op het nakomen van het gebod van de Apostel: "Deze handen hebben voorzien in mijn eigen behoeften en in die van mijn gezellen" (Hnd 20,34)." We hebben niemand’s brood om niet gegeten. Dag en nacht hebben we gearbeid met veel inspanning en moeite, om niemand van u tot last te zijn" (2 Tes 3,8); en: "Als iemand niet wil werken, zal hij ook niet eten" (2 Tes 3,10).
6. Vervolgens bedekken ze hals en schouders met een klein manteltje; ze doen dit in nederigheid en ook omdat het een doodgewoon kledingstuk is waarmee ze kosten kunnen uitsparen; het wordt zowel in hun taal als in het Latijn 'mafors' genoemd. Zo hoeven ze geen dure en pronkerige 'planeticae' noch 'byrri' te kopen.
7. En tenslotte behoort nog tot hun kledij de geitehuid, die ze 'melotis' of 'pera' noemen, en de stok, die ze dragen in navolging van de mannen wier leven reeds in het Oude Testament een voorafbeelding was van het monnik-zijn.
De Apostel zegt over hen: "Ze zwierven rond in 'melotae', in geitevellen, ten prooi aan ontbering, vervolging, mishandeling. Ze waren te goed voor deze wereld. Ze vluchtten in woestijnen en op de bergen, ze verborgen zich in spelonken en holen in de grond" (Heb 11,37-38). Dit kledingstuk van geitehuid betekent dat ze eerst de heftigheid van de vleselijke passies flink moeten beteugelen en dat ze dan stand moeten houden in de hoogste deugden; niets van de onstuimige en hete drift van de jeugd, niets van hun vroegere wispelturigheid mag nog in hun lichaam overblijven.
8. En dat deze mannen ook een stok droegen leert ons Elisa — hij is één van hen — want als hij zijn knecht Gechazi uitstuurt om de zoon van de Sunammitische vrouw ten leven te wekken zegt hij: "Neem mijn stok in uw hand en ga er heen. . ., leg dan mijn stok over de jongen (2 K 4,29) en hij zal leven". In geen geval zou de profeet hem die stok te dragen gegeven hebben als hij niet de gewoonte had gehad hem altijd in de hand te houden. Het dragen van deze stok heeft als geestelijke betekenis dat men nooit ongewapend moet wandelen tussen zo'n bende blaffende honden en onzichtbare beesten, met andere woorden tussen de ondeugden en de boze geesten, waarvan de gelukzalige David vraagt bevrijd te worden als hij zegt: "Heer, lever de ziel die zich aan U toevertrouwt niet over aan de beesten" (Ps 73/74,19). Als ze aanvallen moet je onmiddellijk terugslaan met het teken van het kruis en ze ver weg verdrijven, en als ze tegen je beginnen te grimbekken moet je ze onschadelijk maken met het trouw overdenken van het lijden van de Heer en het navolgen van zijn totale zelfverloochening.
9. Ze dragen geen schoenen, overeenkomstig het evangelisch voorschrift (vgl. Mt 10,10), maar als een ziekte of de winterse morgenkou of de zomerse middaghitte het vorderen, beschermen ze hun voeten, doch slechts met sandalen. Dit gebruik, dat de Heer toestaat, interpreteren ze als volgt: vermits we, levend in deze wereld, niet volledig vrij kunnen zijn van zorg en kommer om ons lichaam, en we er ook nooit zullen in slagen er ons totaal los van te maken, moeten we wel in deze nood van ons lichaam voorzien, maar zonder te veel bekommernis of drukte; en we mogen niet dulden dat de voeten van onze ziel verwikkeld raken in de dodelijke zorgen van deze wereld, die erop gericht zijn te voldoen aan een overbodige en schadelijke genotzucht en niet slechts eenvoudig te voorzien in wat de natuur nodig heeft.
Deze voeten van de ziel moeten inderdaad uitgerust zijn voor de geestelijke wedloop en altijd gereed zijn voor het prediken van de evangelische vrede (vgl. Rom 10,15); met deze voeten lopen we achter "de geur van Christus' zalf" (vgl. Hl 1,3), en David zegt: "Ik heb dorstig gelopen" (Ps 61/62,5), en Jeremia: "Ik ben niet uitgeput geraakt door U te volgen" (Jr 17,16). Dit alles zullen we volbrengen als we, zoals de Apostel schrijft: "ons niet bekommeren om ons lichaam om aan de verlangens ervan te voldoen" (vgl. Rom 13,14).
Nochtans, alhoewel ze volledig geoorloofd gebruik maken van sandalen, vermits de Heer zelf het toestaat (vgl. Mc 6,9), laten ze nooit toe schoeisel te dragen wanneer ze de hoogheilige geheimen gaan vieren of ontvangen, want ze zijn van mening dat men letterlijk moet onderhouden wat tot Mozes en tot Jozua, de zoon van Nun, gezegd werd: "Doe uw sandalen uit, want de plaats waar gij staat is heilige grond" (Ex 3,5; Joz 5,15).
10. Ik noemde volledigheidshalve al deze kledingstukken van de Egyptenaren opdat je niet zoudt kunnen zeggen dat we iets onvermeld lieten. Maar wij moeten van dit alles slechts behouden wat de plaatselijke situatie of het gebruik van de provincie toestaat. Want de strengheid van de winter veroorlooft ons niet tevreden te zijn met sandalen of met een 'colobion' of met slechts één tuniek, en het dragen van die kleine gele kapjes of van 'melotae' zal bij wie ons zien eerder lachlust wekken dan dat het hen zal stichten. Daarom menen we, zoals we boven zeiden, slechts te moeten overnemen wat aangepast is én aan onze nederige levensstaat, én aan ons klimaat, en wel zo dat het geheel van onze kledij niet gekenmerkt wordt door een vreemde snit, die de mensen van onze tijd slechts zou ergeren, maar door eenvoudige armoede.
11. Zo gekleed moet de soldaat van Christus op de eerste plaats weten dat hij zijn lendenen met een gordel omsnoert om slagvaardig, niet alleen innerlijk, maar ook door zijn kledij zelf, steeds tot elke taak en werkzaamheid in het klooster bereid te zijn. Want de vurigheid van zijn streven naar geestelijke vooruitgang en naar de kennis van het goddelijke, die men bekomt door zuiverheid van hart, blijkt des te duidelijker als hij meer toegewijd is in zijn ijver voor de gehoorzaamheid en de arbeid.
Op de tweede plaats moet hij ook weten dat het dragen van een gordel een niet gering teken is van wat er van hem gevraagd wordt. Inderdaad, de lendenen omgorden en zich bekleden met een levenloze huid betekent de aanhoudende versterving van de ledematen waarin zich de kiemen bevinden van wellust en ontucht. Hij begrijpt dat het evangelisch gebod "houd uw lenden omgord" (Lc 12,35), hem door de interpretatie van de Apostel voortdurend wordt voorgehouden als: "Versterf uw ledematen die hier op aarde zijn, ontucht, onzedelijkheid, wellust en begeerlijkheid" (Kol 3,5).
Ook lezen we in de Heilige Schrift dat slechts zij een gordel droegen in wie de haard van de vleselijke begeerte was uitgedoofd en die door hun daden en deugd het woord van de gelukzalige David verkondigen: "Ik ben geworden als een zak in de vorst" (Ps 118/119,83). Het vlees met zijn ondeugden is immers heel en al overwonnen en in de kracht van de geest spannen zij de levenloze huid van de uitwendige mens. En hij heeft welbewust erbij gevoegd: "in de vorst" want ze hebben zich geenszins tevreden gesteld met het versterven van alleen maar hun hart. Zij hebben ook de impulsen van de uiterlijke mens en de prikkel van de natuur zelf met de vorst van de radicale zelfbeheersing bevroren, en, overeenkomstig het woord van de Apostel dulden ze voortaan in hun sterfelijk lichaam geen enkele heerschappij meer van de zonde en hun vlees verzet zich niet meer tegen hun geest (vgl. Rom 6,12 en Gal 5, 17).
Cassianus (± 365 - ± 435) Gesprekken
Vertaling en Inleiding van A. van De Kar
1968 Uitgeverij H. Nelissen. Bilthoven.
Inleiding
Vanaf de oude Gallische monniken tot de grote Teresia [van Avila] en Joannes van het Kruis, van St. Benedictus tot Ignatius van Loyola, van Paus Gregorius tot Franciscus van Sales: bij allen vinden we een diepgaande invloed van Cassianus.

Cassianus ... bezit een sleutelpositie tussen Oost en West. Hij was een kenner van het oosterse monnikenleven, een kenner uit ervaring ... [en] heeft zijn beschrijving van het leven en de leer der Syrische en Egyptische Vaders — vooral de intellectuelen onder hen — gegeven met een praktisch oogmerk: de Gallische monniken materiaal verschaffen voor hun leven.
Leven en Reizen van Cassianus
De gegevens over het leven van Cassianus zijn niet erg talrijk.
Joannes Cassianus werd geboren in 365 of iets eerder, als zoon van een welgestelde Romeinse kolonisten familie.
Zoals Cassianus zelf verhaalt, ontving hij vanaf zijn prilste jaren een degelijke litteraire vorming. Ongetwijfeld was deze Latijns: zijn taal, zijn welsprekendheid, overeenkomstig de smaak van zijn tijd, bewijzen dit. Dit neemt niet weg dat hij zijn Grieks verstond.
Op jeugdige leeftijd [± 380] reist Cassianus met zijn iets oudere vriend Germanus naar het Heilig Land. Samen treden zij in in een Betlehems klooster, een "cenobium".
Lang heeft hun verblijf daar niet geduurd. Cassianus spreekt zelf van nauwelijks twee jaar. Nog in hun noviciaat krijgen zij het gezelschap van een zekere Pinufius, die zich als nieuweling te Bethlehem had aangemeld. Weldra blijkt de grote deugd en heiligheid van deze man, die niemand anders is dan de abt en priester van een groot cenobietenklooster nabij Panephysis, in Egypte. Na korte tijd door Egyptische monniken herkend, moet hij Bethlehem weer verlaten om naar zijn klooster terug te keren.
Maar deze kennismaking zet de beide vrienden ertoe aan, naar de wereldberoemde Egyptische monnikenwereld te reizen.
Toen dus was Egypte in dat opzicht al "wereldberoemd"! Dat is ook wel af te leiden uit de enorme aantallen monniken en asceten die er dan al zijn — en waar Cassianus over spreekt. Het kan toch niet dat dit allemaal pas ná Antonius is ontstaan zoals zo vaak wordt geïmpliceerd of beweerd? Want Antonius is dan pas 30 tot 40 jaar dood.
Zij nemen afscheid van hun broeders te Bethlehem, na plechtig te hebben beloofd om spoedig terug te keren. Per schip reizen zij naar Thennesus, aan de oostzijde van de Nijldelta , met de bedoeling om direct naar Thebais te gaan, ruim 600 kilometer stroomopwaarts.
In Thennesus echter brengt Archebius hen tot andere gedachten. Archebius had ruim 37 jaar als kluizenaar in de woestijn bij Panephysis geleefd; thans was hij bisschop van deze stad, die niet ver van Thennesus af lag. Hij overreedt de beide vrienden om eerst met hem mee te gaan voor een bezoek aan de anachoreten in de buurt van zijn bisschopsstad.
Dat wil dus zeggen dat Archebius sinds ± 340 al kluizenaar was, dus daarmee was begonnen toen Antonius nog leefde.
Drie grote heiligen ontmoeten zij daar: de abten Cheremon, Nesteros en Joseph. De tussenkomst van Archebius heeft evenwel de twee jonge monniken niet van hun verlangen afgebracht om dieper het land in te trekken.
Zij hebben inmiddels met lof over de woestijn van Scetis horen spreken en na hun afscheid van [Archebius en de woestijn van] Panephysis gaan zij daarheen op weg. Zij steken een van de Nijlrnondingen over, westwaarts, en maken halt te Diolcos. Daar vinden ze behalve een groep anachoreten, wier priester en ouderling Piamun was, verschillende cenobietenkloosters, met name dat van abt Paulus, dat 200 monniken telde. Dat zijn dus wel respectable aantallen, wat mijns inziens weer een aanwijzing is dat het kluizenaarschap en/of het monnikendom toch wel heel wat verbreider — en ouder — was dan Athanasius in zijn Vita van Antonius suggereert.
Vanuit Diolcos dus reizen zij nu zuidwaarts: hun verlangen ging in vervulling. Wel was intussen hun oorspronkelijke opzet om naar Thebais te gaan, gewijzigd; de faam van de woestijn van Scetis, zeker meer bekend dan het verre Thebaïs, had het gewonnen.
Hoewel zij meer dan twaalf jaar in de Scetische woestijn hebben gewoond, vinden we in Cassianus' werk slechts enkele toevallige gegevens over de aard van het land. Veel was daarover ook niet te zeggen. Een eindeloze, dorre en ruige woestenij. Er zijn zout- en asfalthoudende meren. Aan de noordzijde ligt het grote meer Mareotis, dat de scheiding vormt met Alexandrië; aan de zuidzijde een dubbele heuvelrug, door Cassianus de woestijn der Cellen genoemd, tachtig mijl verwijderd van het woestijngedeelte waar hij zelf woonde.
In de woestijn van Scetis was Sint Macarius (de Grote of "de Egyptenaar") de eerste kluizenaar, die spoedig vele leerlingen kreeg. Toen Germanus en Cassianus arriveerden, waren er vier grote groepen kluizenaars. Het centrum van iedere groep was de kerk; eromheen, tot een afstand van 5 mijl en meer, lagen de woningen van de monniken; zij woonden er alleen of met twee of drie. 's Zaterdags en 's zondags kwamen allen naar de kerk; dit was meteen de gelegenheid om water en proviand voor de gehele week mee te nemen.
Palladius zegt in zijn beschrijving van de woestijn van Nitria, dat er een groot centrum was bij de kerk op de heuvels: er woonden zeven bakkers, er waren levensmiddelen, wijn en kleren, er was een gasthuis, er verbleven zelfs geneesheren.
Een Hongaarse miniatuur op perkament.
Cassianus Corvina, 1498. Bibliothèque Nationale, Parijs.
Buiten de synaxis in de kerk werd de eenzaamheid der monniken slechts onderbroken door de bezoeken die zij ontvingen, van elkander of van vreemdelingen.
Germanus en Cassianus vinden gastvrijheid in de "congregatie" van de priester Pafnutius. Hier hebben de beide vrienden lang gewoond.
Overvloedig hebben zij de gelegenheid om de grote persoonlijkheden van de streek te bezoeken. Het merendeel van de Gesprekken wordt aan die periode toegekend: behalve de reeds genoemde Pafnutius, verhaalt Cassianus van Moses, Sarapion, Theodorus, Serenus en Isaäk.
Van de woestijnen in de omgeving hebben Germanus en Cassianus die van de Cellen en van Nitria, vlak bij elkaar, bezocht. Daar woonde Theodorus; ook hebben zij hier de gelegenheid niet laten voorbijgaan om Evagrius van Pontus te spreken.
Voorts vermeldt Cassianus de "rietwoestijn", Calamus of Porphyrion, zeven dagreizen ver, die nog bij Scetis werd gerekend; en de woestijn van Thebaïs: nergens blijkt echter dat hij deze persoonlijk heeft bezocht.
De twee Gesprekken met abt Isaäk markeren het einde van Cassianus' Egyptische tijd. In 399 naar alle waarschijnlijkheid ontstaat er een hevige twist, waarin spoedig haast alle Egyptische monniken betrokken raken. Aan de ene kant staan de antropomorfisten, die aan God een menselijk lichaam toekenden; die van de andere kant worden beticht van "origenisme".
Zij trekken naar Constantinopel, waar Chrysostomus, de bisschop van Constantinopel, Germanus tot priester en Cassianus tot diaken wijdt.
Wanneer Chrysostomus verbannen wordt (404), gaan Germanus en Cassianus naar Rome, waar Cassianus een intieme en hechte vriendschap met de toekomstige paus Leo de Grote opbouwt. Aangezien vanaf die tijd niet meer van Germanus wordt gesproken, kan men aannemen dat deze toen gestorven is.
Rond 415 verlaat Cassianus Rome en gaat hij naar Marseille, waar hij twee kloosters heeft gesticht: een van mannen, Sint Victor, en een van vrouwen, dat van de Allerheiligste Verlosser.
Zijn invloed blijft niet beperkt tot zijn eigen klooster, dat onder hem tot grote bloei kwam: in de monastieke kringen van Zuid-Gallië, ja in de gehele Kerk van het Westen, wordt hij als een man van groot gezag en heiligheid beschouwd ... na Augustinus de voornaamste man in de Latijnse Kerk. Cassianus is te Marseille gestorven... rond 435.
De kerk van Sint Victor, die de resten van de oude kloosterkerk bevat, bezit een belangrijke reliek van Cassianus.
Gesprekken
Uit de Gesprekken heb ik de fragmenten geselecteerd waarin Antonius genoemd wordt, plus de twee fragmenten die gaan over “een afzichtelijke Ethiopiër”, waarmee de duivel bedoeld wordt. Niet alleen bij Cassianus neemt de duivel vaak de gestalte aan van een Neger. Ook Athanasius heeft de duivel bij Antonius in de vorm van een "zwart jongetje" laten verschijnen, en we zien deze figuur ook bij andere asceten, kluizenaars, monniken en hun biografen uit die periode. Duidt dat nou op racistische vooringenomenheid of niet?
Uit het eerste gesprek van abt Moses
Eenentwintigste hoofdstuk
Hoe abt Joannes bedrogen werd
Op dergelijke wijze werd onlangs abt Joannes, die te Lyco woont, bedrogen. Met een uitgeput en verzwakt lichaam had hij zijn vasten twee volle dagen verlengd. Toen hij daags daarna zijn maaltijd ging gebruiken, kwam de duivel, in de gedaante van een afzichtelijke Ethiopiër, en wierp zich aan zijn voeten met de woorden: "Vergeef mij, want ik heb u deze moeite aangedaan". De grote man, die zo volmaakt was in de deugd van onderscheid, begreep dat hij zich onder de schijn van onthouding, doch te onpas beoefend, door de sluwe duivel had laten misleiden en in beslag nemen door een vasten die zijn uitgeput lichaam een vermoeienis had opgelegd, welke onnodig was en zelfs schadelijk voor zijn ziel. Hij had zich laten bedriegen door een vals geldstuk en eerbied betoond voor het beeld van de ware koning dat het droeg, zonder erop te letten of het wettig geslagen was.
Uit het tweede gesprek van abt Moses
Dertiende hoofdstuk
Toen hij [de grijsaard] genaderd was, bad [de monnik] ... laat de bekoring van de jongeman op deze grijsaard overgaan, opdat hij tenminste nog in zijn ouderdom begrip leert hebben voor de zwakheden der beproefden en medelijden met de broosheid van de jeugd. De duivel op iemand af sturen om hem een lesje te leren is toch niet erg Christelijk te noemen!
Nauwelijks had [de monnik] onder zuchten zijn gebed besloten, of hij zag een afzichtelijke Ethiopiër voor de cel van de grijsaard staan, gloeiende pijlen op hem afschietend. Aanstonds werd [de grijsaard] gewond, kwam uit zijn cel naar buiten en begon als een waanzinnige en een dronkeman in alle richtingen rond te lopen. Naar buiten, weer naar binnen, doch daar kon hij het niet meer houden, en met spoed ging hij dezelfde weg op waarlangs de jongeman was heengegaan. [De weg des verderfs, dus.]
Maar goed (of niet zo goed), nu dan de fragmenten uit de Gesprekken waarin Antonius een rol speelt.
Tweede Gesprek
Tweede van abt Moses
Het Onderscheid
Eerste hoofdstuk Inleiding van abt Moses over de genade van het onderscheid
Indien de monnik niet ... de bij hem binnenkomende geesten met zekerheid weet te onderscheiden, zal hij dwalen als in een donkere nacht en afschuwelijke duisternis, en noodzakelijk zal hij in gevaarlijke kuilen en diepten vallen, ja zelfs op effen en rechte wegen menigmaal struikelen.
Tweede hoofdstuk Over wat alleen het onderscheid de monnik schenken kan.
Toespraak hieromtrent van de zalige Antonius
Ik herinner mij, hoe eens, nog in de jaren van mijn jeugd, in het land van Thebaïs, waar de zalige Antonius verbleef, de Ouden bij hem waren samengekomen ter bestudering van de volmaaktheid. Het gesprek duurde voort van de avonduren tot de morgen en het grootste deel van de nacht werd door onze kwestie in beslag genomen. Langdurig vroeg men zich af, welke deugd, welke praktijk de monnik steeds van de strikken en het bedrog van de duivel kan vrijwaren en hem met vaste tred naar de top der volmaaktheid voeren. Eenieder bracht zijn mening naar voren zoals hij het inzag. Sommigen zochten het in de ijver voor het vasten en waken, omdat de geest namelijk, hierdoor verfijnd en in het bezit van een zuiver hart en lichaam, gemakkelijker met God verenigd wordt; anderen in de verachting van alle dingen, want indien de geest zich totaal daarvan ontdoet, houdt geen enkele band hem nog vast en komt hij ongehinderd bij God.
Anderen achtten de anachorese, dat is de afzondering en de eenzaamheid van de woestijn, noodzakelijk: daar kan men vertrouwelijker bidden tot God en Hem inniger aanhangen. Weer anderen noemden de werken van de liefde, ik bedoel van de gastvrijheid, want daaraan heeft de Heer in het evangelie bijzonder het rijk der hemelen beloofd, toen Hij zeide: "Komt, gezegenden van mijn Vader, neemt bezit van het rijk dat voor u gereed is van de grondvesting der wereld af. Want Ik had honger en gij hebt Mij te eten gegeven, Ik had dorst en gij hebt Mij te drinken gegeven" enzovoorts (Mt. 25, 34-35).
Toen zij het zo dus aan verschillende deugden toekenden een zekerder weg naar God te vormen, en het grootste deel van de nacht door dit onderzoek in beslag was genomen, nam ten slotte de zalige Antonius het woord:
Alles wat gij opgenoemd hebt is noodzakelijk en nuttig voor hen die dorsten naar God en verlangen tot Hem te geraken. Maar de eerste plaats eraan toekennen, dat staan de ervaring en de val van velen niet toe. Want hoe vaak hebben wij het niet gezien: monniken, die uiterst streng vastten en waakten, die in een verbazingwekkende afzondering leefden in de woestijn, die zich zozeer op de armoede toelegden, dat zij nog niet het eten voor één dag of één tienling voor zich wilden behouden, of die met de grootste toewijding de gastvrijheid beoefenden: doch die plotseling zijn misleid en het begonnen werk niet hebben weten te voltooien, die de vurigste ijver en een loffelijk leven met een afschuwelijk einde hebben besloten.
Wat ons echter in de eerste plaats naar God leidt, zullen wij nu duidelijk leren kennen, als wij zorgvuldig nagaan, wat de oorzaak was, dat zij zijn misleid en ten val gekomen. Welnu, de werken van deugd die gij hebt opgesomd, waren overvloedig in hen aanwezig: alleen het gebrek aan onderscheid belette hen ten einde toe te volharden. Er is immers geen andere oorzaak aan te wijzen voor hun val, dan dat zij, te weinig onderricht door de Ouden, het oordeel des onderscheids niet verwierven. Deze deugd, die zich van beiderlei overdrijving onthoudt, leert de monnik steeds de koninklijke weg te gaan en staat hem niet toe af te wijken, noch naar rechts doordat hij dwaas en vermetel in een overdreven ijver de grenzen van de matigheid overschrijdt, noch naar links, naar verslapping en ondeugd doordat hij onder voorwendsel van voorziening van het lichaam, traag en lui wordt van geest.
Dit is het oordeel des onderscheids, dat in het evangelie het oog en de lamp van het lichaam wordt genoemd, in deze uitspraak van de Zaligmaker: "De lamp van uw lichaam is uw oog. Als dus uw oog helder is, zal heel uw lichaam verlicht zijn. Is echter uw oog troebel, dan is heel uw lichaam duister" (Mt. 6, 22-23). Het onderscheidt inderdaad alle gedachten en daden van de mens: alles wat gedaan moet worden, doorzoekt en doorziet het. Indien dit troebel is in de mens, dat wil zeggen, [58] niet steunt op gezond inzicht en kennis, en door dwaling en inbeelding wordt bedrogen, dan maakt het heel ons lichaam duister, vertroebelt onze daden en alle helderheid van onze geest door de verblinding van ondeugd en hartstocht. "Want, zegt Hij, zo het licht dat in u is, duisternis is, hoe erg zal dan de duisternis zijn!" (ib. 23). Niemand twijfelt eraan, dat als het oordeel van ons hart in dwaling is en gedompeld in de nacht der onwetendheid, ook onze gedachten en werken, die uit het beraad van het onderscheid voortkomen, gehuld zullen zijn in de grotere duisternis der zonde.
Vierde hoofdstuk Wat in de heilige Schrift wordt gezegd over het goed van het onderscheid
Dit is het oordeel des onderscheids, dat niet alleen de lamp van het lichaam, doch ook de zon wordt genoemd door de Apostel die zegt: "De zon mag over uw toorn niet ondergaan" (Ef. 4, 26).
Zo stelden de zalige Antonius en alle anderen eenparig vast dat het onderscheid de deugd is die de monnik met vaste tred en veilig naar God leidt en die de bovengenoemde deugden voortdurend gaaf bewaart; dat men door haar met minder moeite de hoge top der volmaaktheid kan beklimmen, welke velen zonder haar, hoewel zij harder zwoegden, niet vermochten te bereiken. Want de moeder, bewaakster en bestuurster van alle deugden is de deugd van onderscheid.
Vijfde hoofdstuk De dood van de grijsaard Hero
En om deze uitspraak, lang geleden door de heilige Antonius en de andere Vaders gedaan, door een recent voorbeeld te bevestigen, overeenkomstig mijn belofte: denkt aan wat gij onlangs voor uw ogen hebt zien gebeuren: hoe de grijsaard Hero door de duivel is bedrogen en van de hoogste toppen in de afgrond neergestort. Terwijl hij toch vijftig jaar lang — ik weet het — in deze woestijn had gewoond, bijzonder stipt in de strenge onthouding, en hij de afzondering en de eenzaamheid meer dan iemand hier had gezocht, met een wonderbaarlijke ijver!
Hoe was het mogelijk dat hij, na zo grote werken, door de belager werd bedrogen en zo verschrikkelijk kwam te vallen, dat wij allen in deze woestijn door smart en droefheid werden getroffen? Was het niet omdat hij de deugd van onderscheid onvoldoende bezat en zich liever liet leiden door zijn eigen inzichten, dan gehoorzaamde aan de raad en het onderricht der broeders en aan de regels der Vaders?
Hij legde zich een zó volstrekt en onveranderlijk vasten op, zó voortdurend zocht hij de afzondering en eenzaamheid van zijn kluis, dat zelfs de eerbiedwaardige dag van Pasen nooit van hem kon verkrijgen, dat hij deelnam aan de maaltijd van de broeders. Elk jaar bleven op dat feest alle broeders in de kerk bijeen, alleen hij sloot zich nooit bij hen aan, bevreesd als hij was, in zijn opzet verslapt te zullen schijnen wanneer hij met hen wat groente zou gebruiken.
Deze eigenzinnigheid werd oorzaak van zijn verblinding. Met de grootste eerbied ontving hij de engel van Satan als een engel des lichts (2 Kor. 11, 14), en onmiddellijk aan diens bevelen gehoorzamend stortte hij zich voorover in een put, waarvan de bodem niet te zien was, zonder een ogenblik te twijfelen aan de verzekering van zijn engel, dat hij voortaan vanwege zijn deugden en werken aan geen gevaar meer zou blootstaan. De waarheid van deze verzekering zou hij door een proef van zijn onkwetsbaarheid gaan bewijzen; in het holst van de nacht wierp hij zich daarom in die put: dat hij daar ongedeerd weer uitkwam, zou de grote verdienste van zijn deugd doen blijken. Met grote moeite wisten de broeders hem er halfdood uit te trekken en hij stierf de derde dag.
Maar het ergst van alles is, dat hij zo koppig vasthield aan zijn waan dat zelfs de proef die hem het leven kostte, hem niet kon overtuigen, door duivelse list bedrogen te zijn. Daarom konden zij die door het diepste medelijden waren getroffen bij zijn einde, ternauwernood van de priester, abt Pafnutius, verkrijgen — met een beroep op zijn grote werken en de lange jaren die hij in de woestijn volbracht — dat hij niet onder de zelfmoordenaars werd gerekend en aldus zelfs de gedachtenis en het offer voor de overledenen onwaardig geacht.
Zesde hoofdstuk De val van twee broeders door gebrek aan onderscheid
Wat zal ik zeggen van die twee broeders die aan de andere zijde van de woestijn van Thebaïs woonden, waar eens de zalige Antonius had verbleven, en die, op een reis door die eindeloze woestijn, onvoorzichtig en zonder verstand besloten hadden geen enkele spijs te nemen dan die welke de Heer zelf hun zou geven?
Zij doolden door de woestijn en stierven reeds bijna van honger toen de Mazieken hen van verre in het oog kregen. Dit volk is woester en wreder dan haast alle wilde volken: zij vergieten geen bloed uit verlangen naar buit, zoals andere stammen, doch louter uit wreedaardigheid.
Toen dezen nu, in strijd met hun wilde natuur, hun met broden tegemoet kwamen, nam één van hen beiden wien het onderscheid te hulp kwam, ze met vreugde en dankbaarheid aan, als reikte de Heer ze hem toe. Hij geloofde dat deze spijs hem van Godswege geschonken werd en dat het niet zonder God geschiedde, dat zij die steeds hun vreugde vonden in mensenbloed, nu aan uitgeputte, bijna bezweken reizigers levensmiddelen brachten.
De ander echter weigerde de spijs, als door mensen aangeboden en stierf van honger.
Beiden begonnen met een berispelijke waan. De één kwam het onderscheid te hulp, hij verbeterde wat hij roekeloos en zonder verstand had opgevat; de ander echter volhardde in zijn dwaze eigenzinnigheid, de deugd van onderscheid bleef hem volkomen vreemd; hij bracht zichzelf de dood toe, die de Heer van hem wilde afwenden, want hij weigerde te geloven, dat het op Gods ingeving geschiedde, dat de wilde barbaren hun wreedheid vergaten om hun met broden in plaats van zwaarden tegemoet te komen.
Derde Gesprek
Van abt Pafnutius
De Drie Verzakingen
Vierde hoofdstukUiteenzetting over de drie roepingen
Om dan de drie soorten roepingen duidelijk te onderscheiden: de eerste is van God, de tweede door een mens, de derde uit noodzaak. De roeping komt van God zo vaak Hij ons hart een ingeving schenkt, die ons, soms zelfs wanneer wij slapen, plotseling opwekt tot het verlangen naar het eeuwig leven en het heil; die ons heilzaam treft en dringt om God te volgen en zijn geboden aan te hangen.
Zo lezen wij in de heilige Schrift, dat Abraham door de stem des Heren werd geroepen, weg van zijn geboortegrond, van de genegenheid zijner verwanten en van het huis van zijn vader: "Trek weg uit uw land, uit uw stam en uit het huis van uw vader" (Gen. 12, 1).
Van de zalige Antonius weet ik dat hij op dezelfde manier werd geroepen: hij ontving de aanleiding van zijn bekering van God alleen. Zekere keer namelijk ging hij een kerk binnen en hoorde daar deze woorden van de Heer in het evangelie: "Wie zijn vader en moeder, zijn kinderen, zijn vrouw, zijn akkers, ja zelfs zijn eigen leven niet haat, kan mijn leerling niet zijn" (Lk. 14, 26). En: "Zo gij volmaakt wilt zijn, ga, verkoop al wat ge bezit en geef het aan de armen, en gij zult een schat in de hemel bezitten; kom dan en volg Mij" (Mt. 19, 21). Hij vatte deze les van de Heer op als tot hem persoonlijk gericht en, in het diepst van zijn hart getroffen, aanvaardde hij: terstond verzaakte hij aan alles en volgde [82] Christus zonder dat enige aansporing of enig onderricht van mensen hem daartoe had gebracht.
De tweede soort roeping is, zoals wij zeiden, die welke door een mens geschiedt, wanneer wij door de voorbeelden of de vermaningen van heilige personen ontstoken worden in verlangen naar het heil. Op deze manier ben ook ik — het blijft mij altijd bij -—door de genade van de Heer geroepen, toen ik mij, door de vermaningen en deugden van genoemde Antonius bezield, aan deze levensstaat heb gegeven. Op deze wijze ook zijn de kinderen van Israël, zo lezen we in de heilige Schrift, door Moses uit de slavernij van Egypte bevrijd.
De derde soort roeping komt voort uit noodzaak. Terwijl wij gebonden zijn aan de rijkdommen en genoegens van deze wereld, treft ons plotseling de beproeving: een dreigend doodsgevaar, verlies van goederen of verbanning, of de dood van onze dierbaren; en terwijl wij in voorspoed versmaadden God te volgen, worden wij nu gedwongen om ons dan maar ondanks onszelf naar Hem te haasten. Deze "derde soort roeping" heeft, naar mijn mening, juist ook zo’n belangrijke rol gespeeld bij de keuze van Antonius voor het kluizenaarschap; meer nog dan de eerste soort.
Eigenlijk lijkt mij de bewering van Athanasius dat Antonius gevolg gaf aan de "eerste roeping" eerder van propagandistische aard. Het feit dat zijn ouders kort daarvoor allebei overleden waren — dus de "derde soort" — lijkt mij heel wat doorslaggevender.
Waarbij nog komt dat Antonius karakterologisch gezien toch echt wel een 'loner' genoemd mag worden. Een soort 'roeping' die Cassianus niet noemt, overigens.
Deze roeping uit noodzaak vinden wij in de Schrift zeer vaak. Wij lezen dat de kinderen van Israël om hun zonden door de Heer werden overgeleverd aan hun vijanden, onder wier wrede tirannie zij zich weer bekeerden en riepen tot de Heer. "En de Heer zond hun, zo staat er, een rechter, Aod, zoon van Gera, zoon van Jemini, die beide handen gebruikte als de rechtse" (Recht. 3, 15). En ook dit: "Zij riepen tot de Heer en Hij verwekte hun een redder en bevrijdde hen: Otoniël, de zoon van Kenaz, jongere broer van Kaleb" (Recht. 3, 9). Iets dergelijks wordt in de psalm gezegd: "Wanneer Hij hen doodde, zochten zij Hem: zij bekeerden zich en vanaf de vroege ochtend kwamen zij tot Hem. En zij gedachten dat God hun helper was, en de allerhoogste God hun verlosser" (Ps. 77, 34-35). En ook: "Zij riepen tot de Heer toen zij gekweld werden, en uit hun noden bevrijdde Hij hen" (Ps. 106, 19).
Een gravure van Jan Collaert, uit 1580.
Boijmans van Beuningen.

Pafnutius kijkt in de cel van Thaïs Meretrix, ofwel Thaïs van Alexandrië. Ze zit geknield, met een kruis in haar handen. Links, onder de bomen staat Antonius met zijn varkentje.
Thaïs van Alexandrië was een welgestelde courtisane aan het hof van Alexandrië. Ze bekeerde zich na het horen van een preek van de woestijnvader de heilige Paphnutius van Heraklea, of volgens anderen de heilige Bessarion (een discipel van Antonius) of de heilige Serapion. Ze liet zich daarna vrijwillig opsluiten in een kluis om boete te doen voor haar zonden. Na drie jaar vonden zowel een engel als de heilige Antonius dat het mooi was geweest. Ze verliet haar kluis, getuigde tegen iedereen die haar wilde horen van Gods liefde en overleed veertien dagen later.
Negende Gesprek
Eerste van abt Isaäk
Het Gebed
Eenendertigste hoofdstuk Een woord van abt Antonius over de aard van het gebed
Om u te doen gevoelen wat het ware gebed is, zal ik u geen woord van mijzelf, maar van de zalige Antonius citeren. Deze bleef zo lang in gebed, dat hij vaak in geestverrukking nog aan het bidden was wanneer de zon begon op te komen: ik hoorde hem dan in het vuur van zijn geest uitroepen: "Waarom hindert gij mij, zon? Komt gij nu al op om mij van het heldere, ware licht af te trekken!"
Van hem is ook dit hemelse en meer dan menselijke woord over het toppunt van het gebed: "Niet volmaakt is het gebed waarin de monnik zich bewust is van zichzelf of van het feit dat hij bidt".
Achttiende Gesprek
Van abt Piamun
De Drie Soorten Van Monniken
Zesde hoofdstuk Oorsprong en begin van de anachoreten
Uit het getal van deze volmaakten zijn, om zo te zeggen, als uit een uiterst vruchtbare wortel later ook de bloemen en de vruchten van de heilige anachoreten voortgekomen. Als voorgangers in dit leven zijn bekend de heilige Paulus en Antonius ... Zij hebben niet zoals sommigen, uit kleinmoedigheid of door de ziekte van het ongeduld de afzondering van de eenzaamheid opgezocht, maar uit verlangen naar een hogere vooruitgang en naar de goddelijke beschouwing; al wordt van de eerste wel gezegd dat hij noodgedwongen de woestijn is ingetrokken, om namelijk, tijdens een vervolging, aan de lagen van zijn verwanten te ontsnappen.
Zo is er dus uit de bovengenoemde levenswijze een nieuwe vorm van volmaaktheid voortgekomen. Zij die daarnaar leven, worden terecht anachoreten genoemd, dat is: die zich terugtrekken. Niet tevreden met de overwinning, behaald temidden van andere mensen, op de duistere aanvallen van de duivel, verlangen zij zich in een openlijke strijd, in een formeel gevecht, met de demonen te meten en vrezen niet, de eenzame afzondering van de woestijn te zoeken.
Zij volgen het voorbeeld van Joannes de Doper na, die zijn leven lang in de woestijn heeft verbleven, en van Elias en Eliseüs, en van diegenen van wie de Apostel zegt: "Zij zwierven rond in schapevachten en geitevellen, ten prooi aan ontbering, verdrukking en gebrek. Zij waren te goed voor deze wereld, doolden rond in woestijnen en gebergten en verbleven in spelonken en holen" (Hebr. 11, 37-38). Over hen ook spreekt de Heer in beelden tot Job: "Wie heeft de wilde ezel in vrijheid gelaten en zijn boeien geslaakt? Ik heb hem de woestijn tot woonplaats gegeven en de zoutsteppe tot verblijf. Hij minacht de drukte van de stad, en het razen van de drijver hoort hij niet; hij doorzoekt de bergen voor zijn weiden, en naar al wat groen is, ziet hij uit" (Job 39, 5-8).
Vierentwintigste Gesprek
Van abt Abraham
De Zelfverloochening
Tiende hoofdstuk Vraag: Is het een bezwaar voor een monnik dat zijn ouders hem het nodige verschaffen?
Germanus:... wat zou het hinderen voor ons ideaal als wij dank zij [de] verdiensten [van onze ouders] bevrijd zouden zijn van de zorg voor ons levensonderhoud en ons enkel aan de lezing en het gebed wijdden? Als het werk hier dat ons nu verstrooit, van ons wordt afgenomen, kunnen we ons des te meer op het louter geestelijke toeleggen.
Elfde hoofdstuk Antwoord: Wat de heilige Antonius hierover gezegd heeft
Abraham: Hiertegenover ga ik niet mijn uitspraak, maar die van de zalige Antonius stellen. Deze heeft eens de luiheid weerlegd van een broeder die leed aan wat u daar zegt, en zo lost hij ook de moeilijkheid op die u naar voren brengt.
Op zekere dag kwam er iemand bij de grijsaard aan, die hem zei dat hij het kluizenaarsleven allerminst bewonderde. Hij beweerde dat iemand die de volmaaktheid beoefent temidden van de mensen, groter deugd heeft dan iemand die dat in de woestijn doet.
Hierop vroeg de zalige Antonius, waar hij zelf woonde. Toen de ander zei dat hij vlak bij zijn ouders woonde en door hun diensten bevrijd was van alle zorg en bezorgdheid voor het dagelijkse werk, zodat hij, zo beroemde hij zich, onafgebroken zonder verstrooiing van geest zich enkel op de lezing en het gebed toelegde, vroeg de zalige Antonius hem: Zeg mij eens, vriend, of het u bedroeft wanneer zij schade of tegenslag hebben, en of u zich anderzijds verheugt over hun voorspoed.
De ander erkende dat hij in beide gevallen met hen meeleefde. Hierop hernam de grijsaard: Weet dan dat ge ook in de toekomstige wereld onder diegenen gerekend zult worden met wie ge in dit leven de winst of het verlies, de vreugde of de droefheid gedeeld hebt.
En de zalige Antonius, niet tevreden met deze uitspraak, vergrootte het terrein van zijn betoog. Deze levenswijze, vervolgde hij, deze uiterst lauwe staat, berokkent u niet enkel de schade die ik noemde. Schade dus die er niet alleen in bestaat dat ze alle dagen uw geest veranderen, naargelang de wisselende gebeurtenissen, en u voortdurend neertrekken naar het aardse, maar ook dat ze u de vrucht van uw handen, een rechtvaardig loon van eigen werk, onthouden en u niet toestaan om volgens de regel van de zalige Apostel uw dagelijks brood met uw eigen handen te verdienen, doordat ze u van alles voorzien.
De Apostel, in zijn laatste aanbevelingen aan de leiders van de kerk van Efese, herinnerde eraan dat hij ondanks zijn heilige, drukke taak om het evangelie te prediken, voorzag in zijn eigen onderhoud en in dat van zijn gezellen, aan wie dat onmogelijk was vanwege hun noodzakelijke bezigheden in het dienstwerk. Hij zegt: " Gij weet zelf dat deze handen voorzien hebben in mijn eigen behoeften en in die van mijn gezellen" (Hand. 20, 34). En elders zegt hij, om te laten zien dat hij het deed om ons een nuttig voorbeeld te geven: "Wij hebben bij u geen werk geschuwd en niemands brood om niet gegeten; maar dag en nacht hebben wij gearbeid, met veel inspanning en vermoeienis, om niemand van u tot last te zijn. Niet dat wij er geen recht toe hebben, maar wij wilden u een voorbeeld geven ter navolging" (2 Tess. 3, 7-9).
Twaalfde hoofdstuk Het nut van de arbeid en de schadelijkheid van het nietsdoen
Om die reden hebben wij, ondanks dat ook ons de hulp van onze verwanten niet ontbroken zou hebben, boven alle rijkdom er de voorkeur aan gegeven van alles verstoken te zijn, en we hebben ons dagelijks lichamelijk voedsel in het zweet willen verdienen, liever dan gesteund te worden door de veilige levering door onze familie. Bij deze armoede, die ons veel moeite kost, stellen wij de door u verkondigde, ijdele overweging van de Schrift en de vruchteloze toeleg op de lezing ten achter. We zouden zeker zeer graag doen wat gij voorstelt, als het gezag van de apostelen door hun voorbeeld had overgeleverd dat dit nuttiger was of als de lessen der Ouden dit als goed hadden gedefinieerd.
Maar weet dat u nog een ander nadeel hebt, niet geringer dan dat waarover ik sprak: u bent gezond en sterk van lichaam, en u wordt door andermans geld onderhouden: iets wat in rechtvaardigheid alleen de zwakken toekomt. Om de waarheid te zeggen: behalve het soort monniken dat volgens het voorschrift van de Apostel van 't dagelijks werk van eigen handen leeft, rekent het hele mensengeslacht op de liefdadigheid van de anderen. Niet alleen degenen die er zich op beroemen van het geld van hun ouders of van het werk van hun knechten of van de vruchten van hun landerijen te leven, maar zelfs de koningen van deze wereld worden door de liefdadigheid onderhouden.
Dit stemt overeen met wat onze vaders hebben bepaald: alles wat wij voor ons noodzakelijk dagelijks onderhoud gebruiken en wat niet door het werk van onze handen is opgebracht, moet op rekening van de liefdadigheid worden gezet, overeenkomstig de Apostel, die de ledigen elke hulp van andermans vrijgevigheid verbiedt: "Als iemand niet wil werken, zal hij ook niet eten" (2 Tess. 3, 10).
Zo sprak de zalige Antonius tegen die broeder. En met dit voorbeeld leert hij ook ons dat we de gevaarlijke gunsten van onze verwanten en de liefdadigheid van allen die ons het noodzakelijke voor ons onderhoud verschaffen, alsook het genoegen van een aangename woonplaats, moeten mijden. Dat we de voorkeur moeten geven, boven de rijkdom van deze wereld, aan de ruige, van nature bittere zandvlakte, aan de door zoutoverstroming verschroeide streken, die om die reden aan geen recht of eigendom zijn onderworpen. Zo ontlopen we de mensenmassa, doordat we in een ontoegankelijke woestijn verblijven en worden we bovendien niet aangezet, door de vruchtbaarheid van de bodem, om de grond te bebouwen, waardoor de ziel, afgeleid van haar voornaamste toeleg, ongevoelig wordt voor geestelijke activiteit.
Antonius in de Gouden Legende van Jacobus de Voragine (± 1265)
Jacobus de Voragine met zijn Legenda Aurea in zijn hand (links in beeld), op de fresco "Kruisiging", door Ottaviano Nelli, Trincipaleis, Foligno, Italië.  
Volledigheidshalve, en omdat de Gouden Legende in de Middeleeuwen zeer populair was, heb ik ook de levensbeschrijving van Antonius, zoals die in de Gouden Legende verhaald wordt, opgenomen. Deze voegt zeker niet echt iets nieuws aan toe aan de Vita van Athanasius. Het is veeleer een slordige compilatie van bijeengesprokkelde episodes uit de Vita van Antonius en de Vaderspreuken.
De tekst is archaïsch, zelfs krom en gemankeerd, en bevat verkeerd gespelde, zelfs onbestaande woorden. Ik heb de tekst i.h.a. vertaald in modern Nederlands, hoewel ik wel iets van de oorspronkelijk ‘telegramstijl’ en het kromme wil handhaven, met hier en daar een toevoeging tussen [ ] als het nodig is voor de duidelijkheid.
Hier volgt over Sint Antonius, en als eerste de interpretatie van zijn naam
Antonius wordt gezegd van Ana te komen, wat zoveel wil zeggen als hoog, en van tenens, wat is houden, dat dus de naam [Antonius] wil zoveel zeggen als hoge dingen behouden en de wereld verachten. Hij verachtte de wereld en zei: Het is misleidend, van voorbijgaande aard en bitter, en Athanasius schreef zijn levensverhaal.
Van het Leven van Sint Antonius
Sint Antonius werd geboren in Egypte van een goede en religieuze vader en moeder, en toen hij nog maar twintig jaar oud was, hoorde hij eens in de kerk het evangelie lezen, die zei: Als gij volmaakt wilt zijn, verkoop al wat gij hebt en geef het aan arme mensen; en toen tengevolge daarvan verkocht hij alles wat hij had, en gaf het aan de arme mensen en werd een kluizenaar. [vgl. VA §3]

Hij had zeer veel verzoekingen van de duivel. Toen op een moment dat hij de geest van ontucht had overwonnen [vgl. VA §5], die hem daarin verleidde, door de kracht van zijn geloof, kwam de duivel tot hem in de vorm van een klein kind, geheel zwart, en viel aan zijn voeten en bekende dat hij de duivel van ontucht was, die de heilige Antonius had gewenst en gebeden om te zien, zodat hij [Antonius] zou kunnen weten dat hij [de duivel] jongeren zo verleidde. Toen zei Sint Antonius: Sith, Ik heb gezien dat gij zo’n smerig ding bent dat ik je nooit zal betwijfelen. [vgl. VA §6]

Daarna ging hij een gat of een grot in om zich te verschuilen, en meteen trof hij er een grote menigte duivels, die hem zoveel sloegen dat zijn knecht hem op zijn blote schouders naar zijn huis droeg alsof hij dood was. Toen de andere kluizenaars samengekomen waren en om zijn dood huilden, en zijn dienst gedaan zouden hebben, herleefde de heilige Antonius plotseling en droeg zijn knecht op om hem weer naar de kuil te dragen waar de duivels hem zo boosaardig geslagen hadden, en begon de duivels weer op te roepen, die hem geslagen hadden, om gevecht te leveren. Meteen kwamen zij in de vorm van allerlei beesten, wild en wreed, van wie de ene brulde, een andere jankte, en een andere schreeuwde, en een andere balkte, en vielen de heilige Antonius aan, de een met de horens, de anderen met hun tanden, en de anderen met hun poten en nagels, en verwrongen en verscheurden zijn lichaam zo, dat hij dacht dat hij zou sterven. [vgl. VA §8]

Toen kwam er een heldere schittering, en alle beesten vluchtten weg, en Sint Antonius begreep dat in dat grote licht onze Heer kwam, en hij zei twee keer: Wie zijt gij? De goede Jezus antwoordde: Ik ben hier, Antonius. Toen zei Sint Antonius: "O goede Jezus! Waar bent U zo al lang gebleven? waarom was U niet hier bij mij in het begin om me te helpen en mijn wonden te genezen? Toen zei onze Heer: Ik was hier, maar ik wilde uw strijd blijven zien, en omdat gij mannelijk vocht en uw strijd goed voerde, zal ik ervoor zorgen dat uw naam over de hele wereld verspreid zal worden. [vgl. VA §10]
Sint Antonius was zo vol vuur en brandende liefde tot God, dat toen Maximus, de keizer, christelijke mannen doodde en martelde, hij de martelaren volgde, zodat hij een martelaar met hen zou kunnen zijn en het martelaarschap verdienen en hij vond het jammer dat het martelaarschap hem niet gegeven werd. [vgl. VA §46, de keizer heet Maximinus]

Hierna, toen Sint Antonius de woestijn in ging en hij een zilveren schaal op zijn weg vond, toen vroeg hij zich af waar deze schotel vandaan zou komen, aangezien het geen weg was waar een mens langs zou komen, en ook als een mens hem had laten vallen dat hij het geluid van het vallen had moeten horen. Toen zei hij ook dat de duivel hem er had neergelegd om hem te verleiden, en zei: Ha! duivel, gij waant mij te verleiden en bedriegen mij, maar het zal niet in uw macht zijn. Toen loste de schotel als een beetje rook op. [vgl. VA §11]
En evenzo overkwam het hem dat hij op dezelfde manier een klomp goud vond, die de duivel voor hem had neergegooid om hem te misleiden, die hij oppakte en in het vuur wierp en meteen verdween het. [vgl. VA §12]
Daarna gebeurde het dat de heilige Antonius op een keer in gebed was, en in een visioen de hele wereld vol strikken en valklemmen zag. Toen schreide de heilige Antonius en zei: "O goede Heer, wie kan er uit deze valstrikken ontsnappen? En een stem zei tot hem: Alleen nederigheid zal hen doen ontsnappen. [Vgl. Vaderspreuken 5.15.3.]

Toen de heilige Antonius eens in de lucht bleef hangen, keerden de duivels zich tegen hem en beschuldigden hem van alle kwaad dat hij vanaf zijn kinderjaren gedaan had, voor de engelen. Toen zeiden de engelen: Jullie zouden niet over het kwaad dat verslagen is moeten praten, maar zeggen of je van enig kwaad weet sinds hij een monnik werd; toen bedachten de duivels vele kwaden, en toen ze die niet konden bewijzen, droegen de engelen hem hoger dan daarvoor, en zette hem daarna weer op zijn plaats. [vgl. VA §65]

Sint Antonius vertelde eens over zichzelf dat hij een man had gezien zo groot en zo hoog dat die zich erop beroemde de deugd en de voorzienigheid van God te zijn, en tot mij [Antonius] zei: Vraag van mij wat gij wilt en ik geef het aan je. En ik spuugde in het midden van zijn gezicht, en meteen wapende ik me met het teken van het kruis, en rende op hem af, en meteen verdween hij. [vgl. VA §40]

En hierna verscheen de duivel aan hem in een zo grote gestalte dat hij de hemel raakte, en toen Sint Antonius hem had gevraagd wat hij was, antwoordde hij: Ik ben de duivel en vraag jou waarom deze monniken en deze vervloekte christelijke mannen mij zo te schande maken?
Sint Antonius zei: Ze doen het met goed recht, want gij doet hen het slechtste aan dat gij kunt, en de duivel antwoordde: ik doe hen geen enkel kwaad, maar ze maken het elkaar lastig, ik ben vernietigd en kom tot niets, want die Jezus Christus regeert over alles. [vgl. VA §41]
Een jonge man kwam bij Sint Antonius voorbij met zijn boog in zijn hand en zag hoe Sint Antonius met zijn medebroeders speelde, en werd kwaad als wat.
Toen zei Sint Antonius tegen hem dat hij zijn boog moest buigen, en dat deed hij en schoot twee of drie schoten voor hem, en meteen liet hij zijn boog weer ontspannen. Toen vroeg Sint Antonius hem waarom hij zijn boog niet gebogen hield. En hij antwoordde dat deze dan zwak en slap zou worden; toen zei Sint Antonius tot hem: Op gelijke wijze spelen de monniken, om daarna sterker te zijn om God te dienen. [Vgl. Vaderspreuken 5.10.2.]
Deze scène wordt afgebeeld op een plakette van beschilderd email, toegeschreven aan Léonard Limousin; Limoges; 1536. British Museum.
Een man vroeg aan de Heilige Antonius wat hij zou kunnen doen om God te behagen, en hij antwoordde: Overal waar gij zult zijn of zult gaan, heb God voor uw ogen, en de heilige Schrift, en verblijf stil op één plaats, en loop of zwerf niet door het land, doe deze drie dingen en ge zult veilig zijn. [Vgl. Vaderspreuken 5.01.1. & 5.02.2.]

Een abt kwam naar Sint Antonius om door hem geadviseerd te worden wat hij zou kunnen doen om gered te worden. Sint Antonius antwoordde hem: Heb geen vertrouwen in het goede dat gij gedaan hebt, noch dat gij uw buik en tong goed sober gehouden hebt, en heb geen berouw van de boetedoening die gij hebt gedaan, zeg ik, want net als vissen die lang in het water geweest zijn, moeten sterven wanneer ze op droog land komen, zo zullen de monniken vanzelf hun heiligheid verliezen en hun goede leven verlaten, als ze hun klooster of cellen verlaten en lang met wereldlijken praten. Het betaamt de monniken dat ze eenzaam zijn, en dat ze de drie gevechten aangaan, dat is, te horen, te spreken en te zien, en als ze maar één van deze gevechten aangaan, dat is, van het hart, dan hebben ze al meer dan genoeg. [Vgl. VA §85 en Vaderspreuken 5.01.2. & 5.02.1.]

Sommige kluizenaars kwamen naar Sint Antonius om hem te bezoeken, en hun abt was met hen; toen zei de heilige Antonius tot de kluizenaars: Gij hebt een goede en wijze man bij u, en daarna zei hij tegen de abt: Gij hebt goede broeders gevonden.
Toen antwoordde de abt: Voorwaar, ik heb goede broeders, maar er is geen deur voor hun huis, iedereen die wil kan naar binnen en naar de stal gaan en de ezel daarbinnen losmaken. En hij zei dit, omdat de broeders hun mond veel te vaak open hadden om te spreken, want meteen als ze over een ding gedacht hadden, kwam het naar de mond. [Vgl. Vaderspreuken 5.04.1.]
Toen zei Sint Antonius: Gij behoort te weten dat er drie lichamelijke drijfkrachten zijn, die ene is van de natuur, een andere van veel te veel vlees, en de derde van de duivel. [Vgl. Vaderspreuken 5.05.1.]

Er was een kluizenaar die de wereld had verzaakt, maar niet perfect, want hij had een beetje voor zichzelf gehouden, die Sint Antonius naar de markt had gestuurd om vlees te kopen, en toen hij kwam en het vlees bracht, overvielen de honden hem, en beten hem overal, en namen het vlees van hem af, en toen hij bij de heilige Antonius kwam, vertelde hij hem wat er met hem was gebeurd en toen zei Sint Antonius tot hem: Zoals de honden u dit hebben gedaan, zo doen de duivels met monniken die geld bewaren en wat bezit voor zichzelf houden. [Vgl. Vaderspreuken 5.06.1.]

Op een keer toen Sint Antonius in de wildernis in gebed was en moe was, zei hij tegen onze Heer, Heer, ik heb een groot verlangen om verlost te worden, maar mijn gedachten beletten me. Toen verscheen er een engel voor hem en zei: Doe wat ik doe, en gij zult verlost worden, en hij ging naar buiten en zag hem eerst terwijl hij werkte en toen terwijl hij bad, doe aldus en gij zult zalig worden. [Vgl. Vaderspreuken 5.07.1.]

Op een keer toen de broeders kluizenaars voor Sint Antonius vergaderd waren, vroegen ze aan hem te vertellen over de toestand van de zielen, wanneer zij het lichaam verlaten, en de daaropvolgende nacht riep een stem de heilige Antonius en zei: Sta op, en ga naar buiten en omhoog.
Toen de heilige Antonius naar boven omhoog keek, zag hij een lang en verschrikkelijk wezen, wiens hoofd de wolken raakte, die mensen die vleugels zouden hebben en naar de hemel gevlogen zouden zijn tegengehouden zou hebben, en deze grote man hield sommigen vast en zette ze gevangen, en anderen kon hij niet vasthouden noch beletten want ze vlogen weer op.
Toen hoorde hij een geluid vol vreugde, en een andere vol van verdriet, en hij begreep dat dit de duivel was die sommige zielen die niet naar de hemel gingen vasthield, en de andere zou hij niet tegen noch vast kunnen houden, daarom maakte hij voor de een leed, en voor de andere maakte hij vreugde, en zo hoorde hij het verdriet en de vreugde samen vermengd. [Vgl. VA §66]

Het gebeurde eens een keer dat Sint Antonius met zijn broeders de kluizenaars aan het werk was, en hij een heel treurig visioen zag, en daarom knielde hij op zijn knieën neer en bad onze Heer, dat hij het grote verdriet dat zou komen zou voorkomen.
Toen vroegen de andere kluizenaars wat het was, en hij zei dat het een groot verdriet was, want ik heb een grote overvloed van beesten gezien die mij omringden, die door allen in het land gevreesd werden, en ik weet goed dat dit wil zeggen dat er een groot probleem zal ontstaan van mensen die als beesten zijn, die de sacramenten van de heilige kerk zullen bevuilen.
Toen kwam er een stem uit de hemel tot Sint Antonius, die zei, dat een grote gruwel naar mijn altaar zal komen. En meteen daarna was de ketterij van Arius begonnen, die de heilige kerk erg in beroering bracht en vele kwaden deed. [Vgl. VA §82]
Ze sloegen monniken en anderen geheel naakt voor het volk, en doodden christenen als schapen op de altaren, en vooral ene Balachyn deed grote vervolgingen, en aan hem schreef de heilige Antonius een brief die luidde: Ik zie de woede en gramschap van onze Heer op u neerkomen, indien u de christenen niet toestaat in vrede te leven. Daarom beveel ik u dat u hen niet meer schurkenstreken aandoet of gij zult spoedig een ongeluk krijgen.
De onfortuinlijke man kreeg deze brief en begon de heilige Antonius te bespotten, en erop te spugen, en degenen die de brief gebracht hadden te slaan, en stuurde deze woorden naar Sint Antonius terug: Indien gij zo erg belast bent met het toezicht op uw monniken kom dan naar me toe en ik zal u mijn tuchtiging geven.
Maar het gebeurde op de vijftiende dag daarna, dat hij blijmoedig een paard besteeg, en toen het paard hem op zijn rug voelde, hij hem in de benen en dijen beet, zodat hij op de derde dag stierf. [Vgl. VA §86 waar hij Balakios heet.]

Op een andere keer gebeurde het dat de kluizenaars bij de heilige Antonius waren gekomen en van hem een collatie [een lichte maaltijd die kan worden toegestaan op de dag van de vasten] eisten.
Toen zei Sint Antonius: Doen jullie dit, wat is geschreven in het evangelie, als men aan de ander een slag op de ene wang geeft tonen jullie hem de andere?
En zij antwoordden: We kunnen dat niet doen, toen zei hij: Ondergaan jullie het eens blijmoedig, ze antwoordden: We kunnen het niet. Toen zei de heilige Antonius tegen zijn dienaar: Geef ze een goede wijn te drinken, want deze monniken zijn te [vol van] lust. Beste broeders, zet je aan tot het gebed, want jullie hebben dat erg nodig. [Vgl. Vaderspreuken 19.]

Op het laatst riep Sint Antonius alle kluizenaars tezamen en gaf hen de vrede, en stierf en vertrok als heilige uit deze wereld toen hij de leeftijd van honderd en vijf jaar had. [Vgl. VA §91]
Laten wij tot hem bidden dat hij voor ons bid.

Bron voor de Gouden Legende
Medieval Sourcebook: Legenda Aurea, or the Golden legend
De Gouden Legende of Levens van de Heiligen. Samengesteld door Jacobus de Voragine, aartsbisschop van Genua, 1275. Eerste editie verschenen 1470. In het Engels vertaald door William Caxton, eerste editie 1483.
Antonius in de Malleus Maleficarum (1486)
De Malleus Maleficarum was geschreven door de Dominicaner monniken James Sprenger en Henricus Institoris (Heinrich Kramer), en het was het meest bekende (dat wil zeggen, het meest beruchte) van de heksenjacht handleidingen.
Geschreven in het Latijn, werd de Malleus Maleficarum, letterlijk vertaald: “de hamer van vrouwen die schadelijke magie bedrijven” maar beter bekend als "De Heksen Hamer“, voor het eerst ter beoordeling aangeboden aan de Theologie Faculteit van de Universiteit van Keulen op 9 mei 1487.
In plaats van goedkeuring te hechten aan het boek, verklaarde de faculteit dat het onwettig en onethisch was, maar de twee auteurs negeerden deze verklaring en schreven dat de faculteit het had goedgekeurd. Het boek werd talloze keren gepubliceerd en bleef het in gebruik voor driehonderd jaar.
In de Malleus Maleficarum werd meer dan tot dan toe gewaarschuwd tegen de vrouw als het grootste gevaar. De vrouw zou van nature slecht, zwak en inferieur zijn. Verder zou zij ongelovig, eerzuchtig, wraakzuchtig, heerszuchtig en hebzuchtig zijn. Ondanks haar uiterlijke aantrekkelijkheid was het aan te raden om bij haar weg te blijven, want ze zou een onverzadigbare vleselijke begeerte hebben. Heksen werkten bij voorkeur in op het gebied van de voortplanting en de seksualiteit.
Het is niet te verwonderen dat Antonius als succesvol bestrijder van de Duivel ook in de Malleus Maleficarum wordt genoemd, maar toch zijn rechtstreekse verwijzingen naar hem zeer summier. De drie verwijzingen betreffen de wijze waarop men de vermommingen van de Duivel kan herkennen (1.IX), of hoe en wanneer de Duivel een mens kan beïnvloeden (2.VII & 2.II)
De heidense Heksen waar in 2.VII over gesproken wordt als genoemd door Cassianus, komen in Athanasius’ Vita van Antonius niet voor. De vrouwelijke verleidster die in de Vita verschijnt is duidelijk een vermomming, een manifestatie van de Duivel, niet een vrouw van vlees en bloed die door de Duivel bezeten is of een aanbidster van de Duivel. En dat is toch een belangrijk verschil.
De samenstellers van de Heksen Hamer zijn zich dit waarschijnlijk ook bewust geweest, wat zou kunnen verklaren waarom Antonius verder in de Heksen Hamer niet genoemd wordt als beschermheilige tegen heksen; wel wordt aangegeven hoe hij de duivels die hem gestuurd worden weet te verdrijven. (2.VII) Maar dat is de enige keer dat dit in de Heksen Hamer vermeld wordt.
La tentation de St Antoine
Théo Chasseriau (1850-55).
De heksenmeesters van de inquisitie hadden zo hun eigen manier om de duivelse heksen te herkennen en met hen af te rekenen.
En wat de positie van Antonius vis-á-vis de heksen zeer duidelijk maakt: op geen enkel schilderij van Antonius is een heks afgebeeld.
De tekst op deze pagina is mijn vertaling van de Engelse vertaling van Montague Summers [1928].
Meer over Antonius en heksen op de pagina's: De iconografie van Sint Antonius Abt, Duivel en demonen; De iconografie van Sint Antonius Abt, Vuur.
Malleus Maleficarum Deel 1 Kwestie IX
Of Heksen met Goochelen een of andere Zinsbegoocheling kunnen bewerkstelligen, zodat het lijkt alsof het mannelijk lid geheel verwijderd en gescheiden van het lichaam is
... het dient te worden opgemerkt dat de duivel vijf manieren heeft waarop hij iemand zo kan misleiden dat hij denkt dat een ding anders is dan het is. Ten eerste door een listige truc ... want wat een mens door list kan doen, dat kan de duivel nog beter. Ten tweede, door een natuurlijke methode, door de toepassing ... en het tussenplaatsen van een of andere substantie, om daarmee het ware lichaam te verbergen of het in de voorstelling van de mens te verwarren.
De derde manier is wanneer hij zichzelf in een aangenomen lichaam presenteert als zijnde iets wat hij niet is, zoals blijkt uit het verhaal dat Sint Gregorius in zijn Eerste Dialoog vertelt van een non, die sla at, die echter, zoals de duivel bekende, geen sla was, maar de duivel in de vorm van sla, of in de sla zelf.
Onderzoek van een heks
T.H. Matteson; 1853. Peabody Essex Museum.
Of zoals toen hij verscheen aan Sint Antonius in een klomp goud die hij in de woestijn vond. [VA § 12] Of zoals toen hij een echte man aanraakte, en hem als een woest beest deed verschijnen... De vierde methode is als hij het gezichtsorgaan verwart, zodat een duidelijk ding wazig lijkt, of omgekeerd, of wanneer een oude vrouw een jong meisje lijkt te zijn. Want zelfs na huilen lijkt het licht anders dan het was. Zijn vijfde methode is door in de verbeeldingskracht te werken, en door een verstoring van de humoren een transmutatie in de vormen waargenomen door de zintuigen bewerkstelligt ... zodat de zintuigen dan als het ware frisse en nieuwe beelden waarnemen.
En derhalve, door de laatste drie van deze methoden, en zelfs door de tweede, kan de duivel de zintuigen van een mens begoochelen. Daarom is er voor hem geen probleem in het verbergen van het mannelijk lid door een of andere goocheltruc of betovering. En een duidelijk bewijs of voorbeeld hiervan, die ons in onze inquisitorische hoedanigheid werd geopenbaard, zal later worden uiteengezet, waar meer wordt verteld van deze en andere zaken in het Tweede Deel van deze Verhandeling.
Malleus Maleficarum Deel 2 Hoofdstuk VII
Hoe ze, als het ware, de Man van zijn Mannelijk Lid Beroven
Men kan zich verder afvragen, met verwijzing naar de bovenstaande methode van duivels, of dit soort illusies de goede en de slechte zonder onderscheid kan overkomen, net zoals andere lichamelijke gebreken die, zoals later zal worden aangetoond, door heksen kunnen worden veroorzaakt, ook bij degenen die zich in een staat van genade bevinden.
Op deze vraag moeten we, volgens de woorden van Cassianus in zijn Tweede Gesprek over abt Sirenus, antwoorden dat ze dat niet kunnen.
En hieruit volgt dat iedereen die op deze manier misleid wordt, geacht wordt in doodzonde te verkeren. Want hij [Sirenus of Cassianus?] zegt, zoals uit de woorden van Sint Antonius duidelijk blijkt: De duivel kan op geen enkele wijze de geest of het lichaam van een mens binnendringen, noch heeft hij de macht in de gedachten van iemand door te dringen, tenzij deze persoon al alle heilige gedachten ontbeert, en nagenoeg van spirituele bezinning beroofd en ontbloot is.
Cassianus vertelt ook op dezelfde plaats over twee heidense Heksen, ieder op haar eigen manier kwaadaardig, die door hun hekserij een opeenvolging van duivels in de cel van Sint Antonius stuurden met het doel om hem met hun verleidingen daaruit te verdrijven, vervuld van haat voor de heilige man als ze waren, omdat een groot aantal mensen hem elke dag bezocht.
En hoewel deze duivels hem met de scherpste prikkels in zijn gedachten aanvielen, verdreef hij ze toch door het kruisteken op zijn voorhoofd en borst te maken, en door zichzelf in vurig gebed op de grond uit te strekken.
Een frivole vrouw belaagd door de duivel
Daarom kunnen we zeggen dat iedereen die zo door duivels misleid wordt, andere lichamelijke gebreken buiten beschouwing latend, het aan de gave van de goddelijke genade ontbreekt. En zo wordt in Tobit VI gezegd: De duivel heeft macht over degenen die onderworpen zijn aan hun lusten.
Malleus Maleficarum Deel 2 Hoofdstuk II
Geneeswijzen voorgeschreven voor Degenen die Behekst zijn met de Beperking van het Vermogen tot Voortplanting
Cassianus, in zijn Gesprekken van de Vaders, citeert Sint Antonius als zeggend dat de duivel op geen enkele wijze in onze geest of lichaam kan binnendringen, tenzij hij deze eerst beroofd heeft van alle heilige gedachten en deze leeg en kaal gemaakt heeft van spirituele bezinning. Deze woorden moeten niet worden toegepast op een kwaadaardige aandoening over het gehele lichaam, want toen Job zo werd geteisterd was hij niet ontbloot van de Goddelijke genade; maar ze hebben vooral betrekking op een bepaalde ziekte die voor de een of andere zonde aan het lichaam is toegebracht. En die ziekelijkheid die wij in beschouwing hebben kan alleen te wijten zijn aan de zonde van onkuisheid. Want, zoals we hebben gezegd, God verleent de duivel meer macht over die handeling dan over andere menselijke handelingen, vanwege de natuurlijke smerigheid ervan, en omdat daardoor de eerste zonde aan het nageslacht werd doorgegeven. Daarom, wanneer mensen die in de echt verbonden zijn, voor de een of andere zonde Goddelijke hulp onthouden wordt, staat God toe dat ze voornamelijk in hun voortplantingsfuncties worden behekst.
Heksenverbranding; gravure van Jan Luyken
Antonius in De Levens van de Kerkvaders, Martelaren, en Belangrijkste Heiligen (1756-1759)
Door Alban Butler, op het internet in de bewerking door Benedictus Baker.
Butler's grote werk, ook wel bekend als “Butler's Lives", was het resultaat van dertig jaar studie, en werd voor het eerst in Londen, 1756-1759, in vier delen gepubliceerd, en is daarna door vele edities en vertalingen gevolgd.

Wat Antonius betreft, volgt Butler grotendeels de tekst van Athanasius, kort het nogal in, en verschaft hier en daar wat extra informatie uit andere bronnen.
Ik zal de tekst daarom hier niet in zijn geheel weergeven (die is wel in het Engels, met de bijbehorende voetnoten en literatuurverwijzingen, down te loaden als Word document), maar alleen die fragmenten die nieuwe informatie bevatten, of bekende aanvullen.
In het boek van Butler zijn de Heiligen gerangschikt aan de hand van hun jaardagen, dus Antonus valt onder het hoofdstuk van 17 januari.
Alban Butler; gravure door J.W. Cook, 18e eeuw
Sint Antonius Abt, Patriarch van Monniken
Quote 1, vgl. VA §
Sint Antonius werd geboren in Coma, een dorp in de buurt van Heraclea, of Groot Heracleopolis, in Opper Egypte, op de grens van Arcadia, of Midden Egypte, in 251. Zijn ouders, die Christenen waren, en rijk, hielden hem altijd thuis, om te voorkomen dat hij zou worden bedorven door slechte voorbeelden en zondige gesprekken, zodat hij opgroeide zonder bekend te zijn met enige tak van de menselijke literatuur en geen taal kon lezen behalve de zijne.

[Voetnoot] Sint Athanasius prijst de liefde van Sint Antonius voor het lezen, zowel wanneer hij nog bij zijn vader woonde, als later toen hij alleen woonde [dit ben ik nergens tegengekomen], wat we natuurlijk niet anders kunnen begrijpen dan dat hij anderen hoorde lezen, vooral toen hij alleen was.
Daarom, als Sint Athanasius zegt, dat hij zich in zijn jeugd nooit toelegde op de studie van het schrijven, uit angst op school in slecht gezelschap te geraken, lijkt hij uitsluitend het schrijven in het Grieks te bedoelen, wat toen de taal was van alle geleerden, want hij moet thuis het Egyptische alfabet hebben geleerd. [Waarom dat zo zou moeten zijn, is mij niet duidelijk, zie bijvoorbeeld VA §72, waar duidelijk staat: “...Antonius was ook buitengewoon verstandig, en het bijzondere was, dat hij, hoewel hij niet had leren lezen, een gevat en scherpzinnig man was.” En VA §73: “...anderen ... bezochten hem in de buitenste berg en dachten hem te kunnen bespotten omdat hij niet had leren lezen en schrijven.”]
Op dezelfde wijze moeten wij Evagrius en anderen begrijpen, die vertellen, dat een bepaalde filosoof zijn verbazing uitte hoe Sint Antonius de tijd kon doorkomen, beroofd van het plezier van het lezen, en dat de heilige hem vertelde dat het universum zijn boek was.
Niettemin, Sint Augustinus dacht dat Sint Antonius geen alfabet kon lezen, en alles uit zijn hoofd leerde en over de Schriften alleen mediteerde door te luisteren naar anderen die ze voorlazen. [Dit laatste is ook de indruk die men krijgt uit Athanasius’ Vita Antonii, zie hierboven o.a.]

Wat de “rijke” ouders betreft — ik betwijfel die rijkdom, juist omdat hij niet kon lezen of schrijven, zoals ik bij VA §1 vermeld: "Want ik kan me niet voorstellen dat zij hun enige zoon dan geen betere opvoeding zouden hebben gegeven, ook al was hij dan een 'loner', zoals uit de volgende passage blijkt. Ze hadden hem een privé leraar kunnen bezorgen, zodat hij tenminste zou kunnen lezen en schrijven. Ook zouden zij als leden van een 'goede familie' toch zeker Grieks gesproken hebben, de lingua franca in dat gebied voor al meer dan 500 jaar. Ik denk dus dat zij een vrije familie waren — dus geen slaven of dagloners — met een beetje bezit en dat Athanasius hun welvaart heeft overdreven om het offer van Antonius groter te doen lijken.

Quote 2, vgl. VA §1

Ook Butler dikt de ‘rijkdom’ nog wat aan:
Door hun dood kwam hij in het bezit van een zeer aanzienlijke landgoed.., [van zo’n] driehonderd "aruras", dat is meer dan honderd twintig hectare goede grond ...
Quote 3, vgl. VA §8 & §11
Tot nu toe had de heilige, sinds zijn retraite in 272, op eenzame plaatsen niet ver van zijn dorp gewoond en Sint Athanasius merkt op, dat vóór hem vele geestdriftige personen teruggetrokken levens in boetedoening en contemplatie leidden, in de buurt van de steden, en dat anderen nog in de steden verbleven die dezelfde wijze van leven nabootsten. Beide [typen] werden asceten genoemd, volgens de betekenis van het Griekse woord, omdat ze geheel gewijd waren aan de meest perfecte beoefening van versterving en gebed. [Dit heb ik bij Athanasius niet gevonden; als van vóór de tijd van Antonius; integendeel, Athanasius noemt in §3 guru “een oude man die van jongs af aan als kluizenaar had geleefd”, en geeft aan dat er nog wel ergens een ‘goede man' leeft. Anderzijds heeft Butler wel gelijk.]
Vóór Sint Athanasius vinden we al vaak vermeldingen van deze asceten: en Origenes, omstreeks het jaar 219, zegt dat ze zich altijd onthouden van vlees, net als de volgelingen van Pythagoras.
Quote 4, vgl. VA §15
Om aan de opdringerigheid van anderen tegemoet te komen, daalde hij in ongeveer 305, op zijn vijfenvijftigste jaar, neer van zijn berg en stichtte zijn eerste klooster in Phaium. [Athanasius is hier niet duidelijk over en geografische aanduidingen ontbreken vrijwel; vandaar dat zo’n lange voetnoot als hieronder wel behulpzaam is bij een moderne geografische reconstructie. Als de locatie-aanduidingen juist zijn, tenminste.]

[Voetnoot] Zijn eerste klooster was gelegen in de buurt van de grenzen van Opper en Midden Egypte. Het bestond eerst uit een paar verspreide cellen. Om een aantal van deze broeders te bezoeken, zo verhaalt Sint Athanasius, stak hij het kanaal van Arsinoë over waar het wemelde van de krokodillen. Dit wordt ook wel zijn “klooster bij de rivier” genoemd, en was niet ver van Aphroditopolis, de lagere en meer oude stad van die naam, in Heptanomis, ofwel Midden Egypte gelegen.

Quote 5, vgl. VA §49
[Voetnoot vervolg] Sint Antonius, die vond dat zijn afzondering te algemeen bekend werd, en de afleiding van de voortdurende bezoeken niet wilde verdragen, reisde langs de rivier om naar een meer afgelegen wildernis te zoeken, maar na een beetje gereisd te hebben, ging hij op de oever zitten om een boot voorbij te zien gaan, en veranderde hij van idee, en in plaats van naar het Zuiden te gaan, ging hij met enkele Saraceense kooplieden naar het Oosten, en kwam in drie dagen, ongetwijfeld op een kameel, aan op de grote berg richting de Rode Zee, waar hij de laatste jaren van zijn leven doorbracht. Maar hij bezocht vaak zijn eerste klooster, in de buurt van Aphroditopolis.
Sint Hilarion die hiervandaan naar het grote klooster van Sint Antonius op de berg ging, deed die reis in drie dagen, op kamelen, die door een diaken, genaamd Baisan, verhuurd werden aan mensen die Sint Antonius wilden bezoeken. [Zie de Vita van Hilarion, Hoofdstuk 25, waar de plaats Aphroditos wordt genoemd.]
Dit laatste klooster, in de buurt waarvan de heilige is gestorven, is altijd een beroemd bedevaartsoord gebleven.
Pispir was het klooster van Sint Macarius, maar het wordt soms ook wel Sint Antonius' genoemd, omdat die het vaak bezocht. [Zie ook hieronder, Quote 7, waar Antonius als stichter wordt genoemd]
Dit was gelegen aan de Nijl, in de Thebaïs, volgens de Palladius dertig semeia (Grieks) van de berg van Sint Antonius, Sommigen verstaan hier Romeinse mijlen onder, anderen Egyptische schaeni van dertig stadiën elk; dertig schaeni zijn negenhonderd stadiën, of honderd dertien mijl. Pispir lijkt dus niet heel ver van Aphroditopolis te zijn.
Een klooster, waarvan Sint Antonius is de beschermheilige is, bestaat nog steeds en ligt een beetje boven de oude stad van Aphroditon op de Nijl. Het heet nu Der-mar-Antinious-el-Bahr, dat wil zeggen, het “klooster van Antonius aan de rivier”.
Als we vandaar een dagreis de rivier op reizen, en dan van zuidelijke richting naar het Oosten draaien, over zanderige woestijnen en een keten van hoge bergen, waarin hier en daar bronnen van water, die in andere streken zeer zeldzaam zijn, worden gevonden, en met kamelen voor honderd mijlen reizen, dan komen we bij het grote klooster van Sint Antonius, ongeveer zes of zeven uur reizen vanaf de Rode Zee.
De Grot van Sint Paulus blijkt niet erg ver van dit grote klooster te zijn; maar omdat de weg door de bergen slingert, met een enorme omweg, lijkt het voor reizigers er op grote afstand van te liggen.
Quote 6, vgl. VA §47
Zijn onderkleed was van jute waarover hij als jas een witte schaapsvacht droeg, met daarom een gordel.
Quote 7, vervolg op Quote 5, vgl. VA §49
Enige tijd later bouwde hij nog een klooster, Pispir genaamd, nabij de Nijl, maar hij verkoos meestal zichzelf in een afgelegen cel op een moeilijk toegankelijke berg op te sluiten, terwijl Macarius, een leerling, de vreemden onderhield. [Macarius wordt door Athanasius niet genoemd. Onduidelijk is of Butler hier Macarius de Grote bedoelt, die in Vaderspreuken 5.07.9. wordt genoemd, of Macarius van Alexandrië die zeer uitgebreid en zeer interessant in de Historia Lausiaca, Hoofdstuk XX wordt beschreven.]
Als hij bemerkte dat ze "Hierosolymites" waren, ofwel spirituele mannen, dan zat Sint Antonius zelf met hen in gesprek, maar als het Egyptenaren waren (met welke naam zij wereldlijke personen aanduidden), dan onderhield Macarius hen, en Sint Antonius leek hen alleen een korte vermaning te geven.
Quote 8
[Dit zou dan in VA §46 moeten zijn, maar Didymus wordt door Athanasius niet genoemd; hij komt wel voor in de Historia Lausiaca, Hoofdstuk IV Het Leven van Didymus de Blinde]
Sint Hiëronymus en [de historicus] Rufinus vertellen dat Antonius in Alexandrië de beroemde Didymus ontmoette, en dat hij hem vertelde dat hij het verlies van zijn ogen, welke gemeen zijn aan mieren en vliegen, niet te veel moest betreuren, maar dat hij zich moest verheugen in de rijkdom van dat innerlijke licht dat de apostelen hadden, en waardoor wij God zien en waarmee we het vuur van Zijn liefde in onze ziel ontsteken.
Quote 9
[Dit zou zeker in VA §72, waar hij de Griekse filosofen toespreekt, kunnen passen, maar Athanasus noemt het niet.]
Toen zekere filosofen hem vroegen hoe hij zijn tijd in eenzaamheid kon doorbrengen, zonder het plezier van het lezen van boeken, antwoordde hij, dat de natuur zijn grote boek was en ruimschoots voorzag in het tekort aan andere.
Quote 10, vgl. VA §90
Sint Antonius bezocht zijn monniken kort voor zijn dood, die hij hen voorspelde en gaf ze zijn laatste instructies, maar geen tranen konden hem bewegen in hun aanwezigheid te sterven.
Het blijkt uit Sint Athanasius, dat de Christenen van de heidenen Athanasius noemt ze Egyptenaren] hun gewoonte van het balsemen van de lichamen van de doden hadden geleerd, welk misbruik, berustend op ijdelheid en soms bijgeloof, Sint Antonius vaak had veroordeeld: dit wilde hij voorkomen, en hij gelastte dat zijn lichaam in de aarde moest worden, zoals de aartsvaders waren begraven, en in het geheim, op zijn berg, door zijn twee leerlingen Diacarius en Amathas, die de laatste vijftien jaar bij hem waren gebleven, om hem op zijn oude dag in zijn afgelegen cel te dienen.
[In VA worden geen namen genoemd, en hier nu weer andere namen dan in de Vita van Hilarion, Hoofdstuk 25, waar gesproken wordt van Makarius en Amatas (deze komt wel overeen), en nog weer twee anderen, namelijk Isaak en Pelusianus.]
Quote 11, vgl. VA §47 & §92
Hij beval hen een van zijn schapenvachten, met een mantel waarin hij lag, aan bisschop Athanasius te geven, als een openbare getuigenis van in geloof en gemeenschap met die heilige prelaat verenigd te zijn; zijn andere schapenvacht aan bisschop Serapion te geven; en om zelf zijn jute kleed te houden.

[voetnoot] De Ependytes van Sint Antonius, die door Sint Athanasius wordt genoemd, heeft de critici in veel verlegenheid gebracht: het lijkt een mantel van witte wol te zijn geweest. Het wordt duidelijk uit Sint Athanasius, dat de onderkleding van Sint Antonius een haarhemd was, waarover hij een mantel droeg die van schapenvacht gemaakt was.

Hij voegde eraan toe: "Vaarwel, mijn kinderen, Antonius gaat vertrekken en zal niet meer met jullie zijn." Bij deze woorden omhelsden zij hem, en hij strekte zijn voeten en hield zonder enig ander teken rustig op met ademen.
Zijn dood vond plaats in het jaar 355, waarschijnlijk op 17 januari, een datum die door de oudste Lijsten van Martelaren aangehouden wordt, en die spoedig na zijn dood in het Griekse rijk als heilige dag gevierd werd.
Hij was honderdenvijf jaar oud.

Quote 12, vgl. VA §92
De twee discipelen begroeven hem volgens zijn instructies.
Ongeveer in het jaar 561, tijdens de regering van Justinianus, werd zijn lichaam ontdekt en met veel plechtigheid naar Alexandrië overgebracht, vanwaar het naar Constantinopel overgebracht werd, en het is nu in Vienne in Frankrijk.

[voetnoot] Deze translatie van zijn relieken naar Alexandrië is ontegensprekelijk bevestigd door Victor van Tunone, die toen in ballingschap in Canope leefde, slechts twaalf mijl van Alexandrië; en ook door Sint Isidorus van Sevilla, in dezelfde tijd.
Ze werden overgebracht naar Constantinopel toen de Saracenen zich van Egypte meester maakten, rond het jaar 635.
Door Joselin, een edelman van dat land, die door de keizer van Constantinopel met dat waardevolle geschenk werd verblijd, werden ze naar Vienne in de Dauphine gebracht, in ongeveer het jaar 1070.
Deze overblijfselen werden bijgezet in de kerk van La Motte Saint Didier, niet ver van Vienne, toen een Benedictijner priorij, behorende tot de abdij van Mont-Majour in de buurt van Arles, maar daarna een onafhankelijke abdij van de reguliere kanunniken van Sint Antonius.
In 1089 doodde een verderfelijke erysipelas ziekte, het Heilige Vuur genaamd, grote aantallen mensen in de meeste provincies van Frankrijk. Openbare gebeden en processies werden tegen deze plaag gehouden; uiteindelijk behaagde het God om vele wonderbaarlijke genezingen van deze vreselijke ziekte te verlenen aan degenen die zijn genade via de voorspraak van Sint Antonius afsmeekten, in het bijzonder voor zijn relikwieën. Grote aantallen pelgrims zochten hun toevlucht tot de kerk waar ze waren bijgezet, en zijn bescherming tegen deze ziekte werd over het hele koninkrijk afgesmeekt.


Heeft u informatie over Antonius Abt, of vragen, neem dan contact op met mij: Dolf Hartsuiker