Vita Antonii Abba's Iconografie Vuur Antonianen Kunsten Cultus Folklore Plant Dier Literatuur Paulus Hilarion Maria Simeon Adolphus
Nederlands Frans Italiaans Spaans Portugees Koptisch Duits Orthodox Engels Amerikaans Aziatisch
Bijbel citaten bij Antonius
De bijbelcitaten waarnaar ik bij Antonius heb verwezen, zijn i.h.a. ontleend aan de Willibrordvertaling (W) maar soms aan de Statenvertaling (SV).

(W) Mt. 4,20 Meteen lieten ze hun netten achter en volgden Hem.
(W) Hand. 4,34 Er was immers niemand onder hen die gebrek leed, want allen die grond of huizen bezaten verkochten hun bezit, gingen met de opbrengst naar de apostelen, 35 en legden die aan hun voeten. Daarvan werd uitgedeeld aan een ieder, al naar gelang hij nodig had.
(W) Kol. 1,4 Wij hebben immers gehoord van uw geloof in Christus Jezus en van de liefde die u alle heiligen toedraagt, 5 omwille van de hoop die voor u is weggelegd in de hemel. U hebt daarvan gehoord toen het evangelie, het woord van de waarheid, 6 tot u kwam. In heel de wereld is het bezig vrucht te dragen en te groeien, evenals bij u, sinds de dag dat u gehoord hebt van Gods genade en haar hebt leren kennen in haar waarheid.
(W) Mt.19,21 Jezus zei: 'Als u onverdeeld goed wilt zijn, ga dan uw bezit verkopen en geef het aan de armen, en u zult een schat hebben in de hemel. Kom dan terug om Mij te volgen.'
(W) Mt. 6,34 Maak je dus niet bezorgd over de dag van morgen, want de dag van morgen zal zich wel bezorgd maken over zichzelf. Iedere dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad.
(W) 2 Tess. 3,10 Ook toen wij bij u waren, hielden wij u telkens deze regel voor: iemand die niet wil werken, zal ook niet eten.
(W) Gen. 3,5 God weet dat je ogen open zullen gaan als je van die boom eet, en dat je dan gelijk zult worden aan God, door de kennis van goed en kwaad.
(W) 1 Kor. 15,10 Maar door de genade van God ben ik wat ik ben, en zijn genade voor mij is niet vruchteloos geweest. Ik heb harder gewerkt dan alle anderen; dat wil zeggen, niet ik, maar de genade van God met mij.
(W) Ps. 112,10 Dat ziet de boze vol jaloezie aan, knarst zijn tanden en bezwijkt; het plan van de boze moet mislukken.
(W) Marc. 8,18 Wanneer hij hem aangrijpt, knijpt hij hem de keel dicht, en dan staat het schuim hem op de mond, knarst hij met de tanden en wordt hij helemaal stijf. Ik vroeg uw leerlingen hem uit te drijven, maar ze waren er niet toe in staat.'
(W) Hos 4,12 Het volk raadpleegt zijn stuk hout, en zijn stok heeft het voor het zeggen. De geest van ontucht heeft hen misleid, door hun ontucht lopen zij weg van hun God.
(W) Ps 118,7 De HEER staat bij mij, de HEER is mijn helper: ik kan lachen om mijn vijanden.
(W) Rom 8,4 Zo moest de eis van de wet vervuld worden door ons die geen zondig leven meer leiden, maar leven volgens de Geest.
(W) 1 Petr, 5,8 Wees nuchter en waakzaam. Uw vijand, de duivel, zwerft rond als een brullende leeuw, op zoek naar een prooi om die te verslinden.
(W) Ef. 6,11 Trek de wapenrusting van God aan om te kunnen standhouden tegen de listen van de duivel. 12 Want onze strijd is niet gericht tegen vlees en bloed, maar tegen de heerschappijen, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van deze duisternis en tegen de geesten van het kwaad in de hemelse regionen.
(W) 1 Kor. 9,27 Ik hard mijzelf en houd mij onder strikte tucht om niet, na voor anderen gepredikt te hebben, zelf verworpen te worden.
(W) 2 Kor. 12,10 Ter wille van Christus zal ik daarom graag zwak zijn: in smaad, nood, vervolging en benauwdheid. Want als ik zwak ben, dan ben ik sterk.
(W) Fil. 3,12 Niet dat ik dat alles al bereikt heb of al volmaakt ben! Maar ik streef er vurig naar het te grijpen, gegrepen als ik ben door Christus Jezus. 13 Nee, broeders en zusters, ik beeld mij niet in dat ik het al in mijn bezit heb. Alleen dit: vergetend wat achter me ligt en me richtend op wat voor me ligt, 14 streef ik naar het doel: de prijs van de hemelse roeping, die God in Christus Jezus tot mij richt.
(SV) Fil. 3,14 Maar een ding doe ik, ...vergetende hetgeen achter is, en strekkende mij tot hetgeen voor is, jaag ik naar het wit, tot den prijs der roeping Gods, die van boven is in Christus Jezus.
(SV) 1 Kon. 18,15 En Elia zeide: Zowaarachtig als de HEERE der heirscharen leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, ik zal voorzeker mij heden aan hem vertonen!
(W) 1 Kon. 18,15 Maar Elia verzekerde: 'Zowaar de HEER van de machten leeft, in wiens dienst ik sta: ik verschijn vandaag nog voor Achab.'
(W) Rom. 8,35 Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking wellicht of nood, of vervolging, of honger, of naaktheid, of levensgevaar, of het zwaard?
(W) Ps. 27,3 Al slaat een leger het beleg rond mij, mijn hart zal niet vrezen; al woedt een oorlog tegen mij, ik behoud mijn vertrouwen.
(W) Spr. 18,11 Het bezit van de rijke is een machtige stad voor hem, als een veilige muur in zijn verbeelding.
(W) Hand. 7,54 Toen ze dit hoorden, waren ze diep gekwetst, en ze knarsetandden van woede tegen hem.
(SV) 8,20 Maar Petrus zeide tot hem: Uw geld zij met u ten verderve, omdat gij gemeend hebt, dat de gave Gods door geld verkregen wordt!
(W) Ps. 68,2 Als God zich verheft, stuift de vijand uiteen, vluchten zijn haters voor zijn aangezicht. 3 Als rook verwaaiend op de wind, was versmeltend in het vuur, zo kwijnen de bozen voor zijn aangezicht weg.
(W) Ps. 118,10 Stammen en volken drongen op rondom mij - ik heb hen afgeweerd met de naam van de HEER;
(SV) Ps. 118,10 Alle heidenen hadden mij omringd; het is in den Naam des HEEREN, dat ik ze verhouwen heb.
(W) Rom. 8,32 Hij heeft zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard; voor ons allen heeft Hij Hem overgeleverd. En zou Hij ons na zo'n gave ook niet al het andere schenken?
(SV) Rom. 8,32 Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken?
(W) Fil. 3,20 Maar óns vaderland is in de hemel, vanwaar wij ook onze redder verwachten, de Heer Jezus Christus.
(W) Ps. 90,10 Zeventig jaar kan ons leven tellen, tachtig misschien als wij krachtig zijn; het grootste deel is zorgen en verdriet; de jaren vliegen voorbij en wij met hen.
(W) 1 Kor. 15,42 Zo is het ook met de opstanding van de doden: wat gezaaid wordt in vergankelijkheid, verrijst in onvergankelijkheid;
(W) Rom. 8,18 Ik ben er zelfs van overtuigd dat het lijden van deze tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid waarvan ons de openbaring te wachten staat.
(SV) Pred. 4,8 Daar is er een, en geen tweede; hij heeft ook geen kind, noch broeder; nochtans is van al zijn arbeid geen einde; ook wordt zijn oog niet verzadigd van den rijkdom, en zegt niet: Voor wien arbeide ik toch, en doe mijn ziel gebrek hebben van het goede? Dit is ook ijdelheid, en het is een moeilijke bezigheid.
(SV) Ps. 37,11 De zachtmoedigen daarentegen zullen de aarde erfelijk bezitten, en zich verlustigen over groten vrede.
(W) Ez. 18,24 Maar als een rechtvaardige van de weg van gerechtigheid afwijkt en kwaad gaat doen en dezelfde gruwelen bedrijft als de boosdoener, zal hij dan in leven blijven? Al zijn vroegere goede daden tellen dan niet meer mee. Omdat hij afvallig geworden is en gezondigd heeft, zal hij sterven. 25 Hier brengt u tegenin: "De weg van de Heer is niet recht!" Luister toch, volk van Israël: Zou mijn weg niet recht zijn? Zijn het niet eerder uw wegen die niet recht zijn? 26 Als een rechtvaardige afwijkt van de weg van gerechtigheid en kwaad gaat doen, zal hij om die reden sterven; vanwege het kwaad dat hij gedaan heeft zal hij sterven.
(W) Ez. 33,12 Mensenkind, zeg tegen uw volksgenoten: "Als de rechtvaardige zich gaat misdragen, zullen zijn goede daden hem niet meer baten, en als de boosdoener zijn leven betert zal hij niet door zijn slechtheid ten val komen. Als de rechtvaardige zich gaat misdragen, zullen zijn goede daden hem niet meer helpen. 13 Als Ik tegen de rechtvaardige zeg dat hij in leven zal blijven, en hij gaat, in vertrouwen op zijn goede daden, kwaad bedrijven, dan zal geen van zijn goede daden nog meetellen, maar zal hij sterven vanwege zijn wangedrag.
(SV) Rom. 8,28 En wij weten, dat dengenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede, namelijk dengenen, die naar Zijn voornemen geroepen zijn.
(SV) 1 Kor. 15,31 Ik sterf alle dagen, het welk ik betuig bij onzen roem, dien ik heb in Christus Jezus, onzen Heere.
(W) 1 Kor. 15,31 Dagelijks heb ik de dood voor ogen, broeders en zusters, zo waar als ik mij beroem op u, in Christus Jezus onze Heer.
(W) Fil. 3,13 Nee, broeders en zusters, ik beeld mij niet in dat ik het al in mijn bezit heb. Alleen dit: vergetend wat achter me ligt en me richtend op wat voor me ligt, 14 streef ik naar het doel: de prijs van de hemelse roeping, die God in Christus Jezus tot mij richt.
(SV) Gen. 16,26 En zijn huisvrouw zag om van achter hem; en zij werd een zoutpilaar.
(SV) Lc. 9,59 En Hij zeide tot een anderen: Volg Mij. Doch hij zeide: Heere, laat mij toe, dat ik heenga, en eerst mijn vader begrave. 60 Maar Jezus zeide tot hem: Laat de doden hun doden begraven; doch gij, ga heen en verkondig het Koninkrijk Gods. 61 En ook een ander zeide: Heere, ik zal U volgen; maar laat mij eerst toe, dat ik afscheid neme van degenen, die in mijn huis zijn. 62 En Jezus zeide tot hem: Niemand, die zijn hand aan den ploeg slaat, en ziet naar hetgeen achter is, is bekwaam tot het Koninkrijk Gods.
(W) Lc. 17,21 En men zal niet zeggen: Ziet hier, of ziet daar, want, ziet, het Koninkrijk Gods is binnen ulieden.
(SV) Joz. 24,23 En nu, doet de vreemde goden weg, die in het midden van u zijn, en neigt uw harten tot den HEERE, den God van Israël.
(W) Joz. 24,23 'Doe dan die vreemde goden bij u weg en buig uw harten naar de HEER, de God van Israël.'
(SV) Mt. 3,3 Want deze is het, van denwelken gesproken is door Jesaja, den profeet, zeggende: De stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des Heeren, maakt Zijn paden recht!
(W) Mt. 3,3 Want hij is het over wie door de profeet Jesaja is gesproken: Een stem roept in de woestijn: Bereid de weg van de Heer, maak zijn paden recht.
(SV) Jak. 1,20 Want de toorn des mans werkt Gods gerechtigheid niet.
(SV) Jak. 1,15 Daarna de begeerlijkheid ontvangen hebbende baart zonde; en de zonde voleindigd zijnde baart den dood.
(SV) Spr. 4,23 Behoed uw hart boven al wat te bewaren is, want daaruit zijn de uitgangen des levens.
(SV) Ef. 6,12 Want wij hebben den strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers der wereld, der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht.
(SV) 2 Kor. 2,11 Want zijn gedachten zijn ons niet onbekend.
(W) 2 Kor. 2,11 Wij moeten de satan geen kans geven ons de baas te worden; wij kennen zijn streken maar al te goed.
(SV) Ps.140,6 De hovaardigen hebben mij een strik verborgen, en koorden; zij hebben een net uitgespreid aan de zijde des wegs; valstrikken hebben zij mij gezet. Sela.
(W) Ps.140,6 Die hoogmoedigen hebben voor mij een valstrik gezet, die vernielers hebben een net gespannen, een slagnet gelegd langs mijn pad.
(SV) Job 41:18 Hij acht het ijzer voor stro, en het staal voor verrot hout.
(SV) Job 41:22 Hij doet de diepte zieden gelijk een pot; hij stelt de zee als een apothekerskokerij.
(SV) Ex. 15,9 De vijand zeide: Ik zal vervolgen, ik zal achterhalen, ik zal den buit delen, mijn ziel zal van hen vervuld worden, ik zal mijn zwaard uittrekken, mijn hand zal hen uitroeien.
(SV) Job 40:21 Zult gij hem een bieze in den neus leggen, of met een doorn zijn kaak doorboren? (40:26) Zult gij zijn huis met haken vullen, of met een visserskrauwel zijn hoofd?
(SV) Job 40:24 Zult gij met hem spelen gelijk meteen vogeltje, of zult gij hem binden voor uw jonge dochters?
(SV) Lc. 18 En Hij zeide tot hen: Ik zag den satan, als een bliksem, uit den hemel vallen. 19 Ziet, Ik geve u de macht, om op slangen en schorpioenen te treden, en over alle kracht des vijands; en geen ding zal u enigszins beschadigen.
(SV) Mt. 25,41 Dan zal Hij zeggen ook tot degenen, die ter linker hand zijn: Gaat weg van Mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, hetwelk den duivel en zijn engelen bereid is.
(SV) Hab. 2,15 Wee dien, die zijn naaste te drinken geeft, gij, die uw wijnfles daarbij voegt, en ook dronken maakt, opdat gij hun naaktheden aanschouwt.
(W) Hab. 2,15 Wee degene die zijn naaste laat drinken, in die drank zijn vergif mengt, hem dronken te maken, zo zijn naaktheid te zien.
(W) Lc. 4,41 En er voeren ook duivelen uit van velen, roepende en zeggende: Gij zijt de Christus, de Zone Gods! En hen bestraffende, liet Hij die niet spreken, omdat zij wisten, dat Hij de Christus was.
(SV) Ps. 50,16 Maar tot den goddeloze zegt God: Wat hebt gij Mijn inzettingen te vertellen, en neemt Mijn verbond in uw mond?
(W) Ps. 50,16 Maar tegen de boze zegt God: 'Hoe durft U te schermen met mijn Wet, verbond in uw mond te nemen, 17 terwijl u gebondenheid haat en onverschillig mijn woorden verwerpt?
(SV) Ps, 38:14 Ik daarentegen ben als een dove, ik hoor niet, en als een stomme, die zijn mond niet opendoet. 15 Ja, ik ben als een man, die niet hoort, en in wiens mond geen tegenredenen zijn.
(W) Ps. 38,14 En ik speel de dove die niet kan horen of de stomme die geen mond open doet; 15 ik gedraag me als iemand die niets hoort, geen enkel weerwoord heeft.
(W) Sir. 1,25 In de kluizen van de wijsheid liggen spreuken vol kennis, maar voor de zondaar is godvrezendheid een gruwel.
(SV) 2 Kon. 19,35 Het geschiedde dan in dienzelven nacht, dat de Engel des HEEREN uitvoer, en sloeg in het leger van Assyrië honderd vijf en tachtig duizend. En toen zij zich des morgens vroeg opmaakten, ziet, die allen waren dode lichamen.
(SV) Job 2,7 Toen ging de satan uit van het aangezicht des HEEREN, en sloeg Job met boze zweren, van zijn voetzool af tot zijn schedel toe.
(SV) Mt. 8,31 En de duivelen baden Hem, zeggende: Indien Gij ons uitwerpt, laat ons toe, dat wij in die kudde zwijnen varen.
(SV) Lc. 8,32 En aldaar was een kudde veler zwijnen, weidende op den berg; en zij baden Hem, dat Hij hun wilde toelaten in dezelve te varen. En Hij liet het hun toe.
(SV) Gen. 5,1 Dit is het boek van Adams geslacht. Ten dage als God den mens schiep, maakte Hij hem naar de gelijkenis Gods.
(SV) Gen. 9,6 Wie des mensen bloed vergiet, zijn bloed zal door den mens vergoten worden; want God heeft den mens naar Zijn beeld gemaakt.
(SV) Lc. 10,19 Ziet, Ik geve u de macht, om op slangen en schorpioenen te treden, en over alle kracht des vijands; en geen ding zal u enigszins beschadigen.
(W) Lc. 10,19 Kijk, Ik heb jullie de macht gegeven om op slangen en schorpioenen te trappen en in te gaan tegen alle vijandelijke krachten; niets kan jullie deren.
(SV) 2 Tim. 4,7 Ik heb den goeden strijd gestreden, ik heb den loop geëindigd, ik heb het geloof behouden;
(W) 2 Tim. 4,7 Ik heb de goede strijd gestreden, de wedloop tot een goed einde gebracht, het geloof bewaard.
(W) 2 Kon. 5,25 ... Elisa vroeg hem: 'Waar kom je vandaan, Gechazi?' Hij antwoordde: 'Uw dienaar is nergens heen geweest.' 26 Maar hij zei tegen hem: 'Was mijn geest niet bij jou, toen iemand van zijn wagen stapte en je tegemoet liep? Moest je zo aan zilver komen, aan kleren, olijftuinen en wijngaarden, runderen, slaven en slavinnen? 27 Weet dan, dat jij en je nakomelingen voor altijd besmet zullen zijn met de ziekte van Naäman.' Gechazi ging van hem vandaan en was door de huidziekte wit als sneeuw.
(SV) 2 Kon. 5,26 Maar hij zeide tot hem: Ging niet mijn hart mede, als die man zich omkeerde van op zijn wagen u tegemoet? Was het tijd, om dat zilver te nemen, en om klederen te nemen, en olijfbomen, en wijngaarden, en schapen, en runderen, en knechten, en dienstmaagden?
(SV) 2 Kon. 6,17 En Elisa bad, en zeide: HEERE, open toch zijn ogen, dat hij zie! En de HEERE opende de ogen van den jongen, dat hij zag; en ziet, de berg was vol vurige paarden en wagenen rondom Elisa.
(W) Kol. 2,15 Hij heeft de heerschappijen en de machten ontwapend, hen openlijk aan de kaak gesteld en over hen getriomfeerd door het kruis.
(W) Jes. 42,2 Hij roept niet en schreeuwt niet, hij laat zijn stem niet horen op straat.
(W) Joh. 8,56 En wat uw vader Abraham betreft: hij verheugde zich erop dat hij mijn dag zou zien, en toen hij die zag was hij vol vreugde.
(SV) Joh. 8,56 Abraham, uw vader, heeft met verheuging verlangd, opdat hij Mijn dag zien zou; en hij heeft hem gezien, en is verblijd geweest.
(W) Lc. 1,44 Op het moment dat je groet mij in de oren klonk, sprong het kind van blijdschap op in mijn schoot.
(SV) Lc. 1,44 Want zie, als de stem uwer groetenis in mijn oren geschiedde, zo sprong het kindeken van vreugde op in mijn buik.
(W) Mt. 28,5 De engel zei tegen de vrouwen: 'U hoeft niet bang te zijn, want ik weet dat u Jezus zoekt die gekruisigd is.
(W) Mt. 4,10 Toen zei Jezus hem: 'Ga weg, satan. Want er staat geschreven: De Heer uw God zult u aanbidden en Hem alleen dienen.'
(W) Lc. 10,20 Toch moeten jullie je niet verheugen omdat de geesten zich aan jullie onderwerpen; nee, verheug je omdat jullie namen staan opgetekend in de hemel.'
(W) Ps. 1,6 Met zorg volgt de HEER de weg van de rechtvaardigen, de weg van de bozen loopt uit op niets.
(W) 1 Joh. 4,1 Geliefden, vertrouw niet elke geest. Onderzoek de geesten, om te zien of ze wel van God komen, want onder hen die tot de wereld zijn uitgegaan zijn veel valse profeten. 2 Hieraan herkent u de Geest van God: iedere Geest die erkent dat Jezus Christus mens is geworden, komt van God;
(W) 2 Kor. 11,16 Nogmaals, laat niemand mij beschouwen als een dwaas. Doet u het toch, dan moet u mij ook als een dwaas mijn gang laten gaan en het goedvinden dat ik mijzelf een beetje ophemel.
(W) Ps. 20,8 De een zweert bij wagens, de ander bij paarden, wij zweren bij de naam van de HEER onze God.
(W) Ps. 38,14 En ik speel de dove die niet kan horen of de stomme die geen mond open doet;
(W) Rom. 8,35 Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking wellicht of nood, of vervolging, of honger, of naaktheid, of levensgevaar, of het zwaard?
(W) Luc. 10,18 Hij zei tegen hen: 'Ik zag de satan als een bliksemschicht uit de hemel vallen.'
(W) 1 Kor. 4,6 Broeders en zusters, ik heb dit op mij en Apollos toegepast omwille van u, opdat u van ons leert dat men niet de ene persoon mag verheerlijken ten koste van de andere.
(W) 2 Kor. 11,16 Nogmaals, laat niemand mij beschouwen als een dwaas. Doet u het toch, dan moet u mij ook als een dwaas mijn gang laten gaan en het goedvinden dat ik mijzelf een beetje ophemel.
(W) Ps. 9,7 Afgelopen is het met de vijand: voorgoed een puinhoop, hun steden zijn gesloopt, hun namen zijn vergeten.
(W) Rom. 12,12 Laat de hoop u blij maken, houd stand in de verdrukking, volhard in het gebed.
(W) Mat. 25,41 Dan zal Hij zich ook richten tot hen die aan zijn linkerhand staan en tegen hen zal Hij zeggen: 'Ga weg van Mij, vervloekten, naar het eeuwige vuur, dat aangelegd is voor de duivel en zijn engelen.'
(W) Joz. 5,13 Toen Jozua in de omgeving van Jericho was, zag hij plotseling een man voor zich staan met een getrokken zwaard in zijn hand. Hij ging op hem af en vroeg: 'Bent u van ons of van de vijand?'
(W) Num. 24,5 Hoe mooi zijn uw tenten, Jakob, uw woningen, Israël: 6 als dalen liggen zij verspreid, als tuinen langs een rivier, als aloëbomen geplant door de HEER, als ceders aan de waterkant.
(W) Lc. 12,22 Hij zei tegen zijn leerlingen: 'Daarom zeg Ik jullie: maak je niet bezorgd over wat je zult eten om in leven te blijven, of over de kleding voor je lichaam.
(W) Lc. 12,29 Houd toch eens op te zoeken naar wat je zult eten en wat je zult drinken. Maak je niet langer ongerust. 30 Want naar zulke dingen zijn alle volken van de wereld op zoek, maar jullie Vader weet dat je dat nodig hebt. 31 Nee, zoek zijn koninkrijk, dan krijg je die dingen erbij.
(W) Hand. 10,12 Hierin bevonden zich alle viervoetige en kruipende dieren van de aarde en de vogels van de hemel.
(W) Ps. 125,1 Een bedevaartslied. Wie op de HEER vertrouwt, staat als de Sion, onwankelbaar vast als die berg; hij staat daar voor altijd.
(W) Job 5,23 Want je hebt een verbond met de stenen van het veld, vrede met de dieren.
(W) Ps. 35,16 ... die kring van goddelozen spot met mij, knarsetandt tegen mij.
(W) Rom. 1,1 Van Paulus, dienstknecht van Christus Jezus, door God geroepen tot apostel en bestemd voor de dienst van het evangelie ...
(W) Fil 1,1 Van Paulus en Timoteüs, dienstknechten van Christus Jezus, aan alle heiligen in Christus Jezus te Filippi, met hun leiders en diakens.
(W) Gal 1,10 Tracht ik nu de mensen te winnen of God? Zoek ik soms de gunst van de mensen? Als ik die zocht, zou ik geen dienaar van Christus zijn.
(W) Ef. 4,26 Wordt u boos, zondig dan niet. De zon mag over uw boosheid niet ondergaan; 27 geef de duivel geen kans.
(W) 2 Kor. 13,5 Onderzoek en toets uzelf: staat u in het geloof? U kunt toch van uzelf getuigen dat Jezus Christus in u is? Zo niet, dan hebt u de proef niet doorstaan.
(W) Gal. 6,2 Help elkaars lasten te dragen; op die manier zult u de wet van Christus vervullen.
(W) 1 Kor. 9,27 Ik hard mijzelf en houd mij onder strikte tucht om niet, na voor anderen gepredikt te hebben, zelf verworpen te worden.
(W) Lc. 11,24 Wanneer een onreine geest iemand verlaten heeft, doolt hij rond door dorre streken, op zoek naar rust. Vindt hij die niet, dan zegt hij: ‘Ik ga terug naar mijn huis, waar ik vandaan kom.’
(W) Ef. 6,13 Grijp daarom naar de wapenrusting van God om weerstand te kunnen bieden op de dag van het kwaad en staande te blijven, strijdend tot het einde.
(W) Tit. 2,7 Geef zelf het voorbeeld in goede werken. Laat uw onderricht zuiver en ernstig zijn, 8 uw prediking gezond en onaanvechtbaar, zodat de tegenstander tot zijn beschaming niets kwaads van ons kan zeggen.
(W) Joh. 6,45 Er staat geschreven bij de Profeten: En allen zullen onderricht ontvangen van God. Wie naar de Vader heeft geluisterd en bij Hem in de leer is geweest, komt naar Mij toe.
(W) Dan. 9,23 Vanaf het begin van uw gebed is er een woord gesproken en ik ben gekomen om het mee te delen. Werkelijk; u bent een bevoorrecht man. Neem het woord dus in u op en probeer de boodschap te begrijpen.
(W) Lc. 24,25 Toen zei Hij tot hen: 'Wat zijn jullie toch onverstandig en traag van begrip als het gaat om het geloof in alles wat de profeten hebben gezegd!
(W) Spr. 15,13 Een blij hart maakt het aangezicht vrolijk, maar van hartzeer komt neerslachtigheid.
(W) Gen. 31,4 Daarop riep Jakob Rachel en Lea naar buiten bij zijn kudde, 5 en zei: 'Ik zie aan het gezicht van jullie vader dat hij me niet meer zo goed gezind is als vroeger; maar de God van mijn vader is nu eenmaal met mij geweest, 6 en jullie weten goed dat ik met heel mijn kracht voor jullie vader gewerkt heb, 7 ofschoon hij me bedroog en mijn loon wel tienmaal gewijzigd heeft. Maar God heeft niet toegelaten dat hij me benadeelde.
(W) 1 Sam. 16,12 Isaï liet hem dus halen. De jongen was rossig, had mooie ogen en een prettig voorkomen. Nu zei de HEER: 'Hem moet u zalven: hij is het.'
(W) 2 Kor. 6,14 Vorm geen ongelijk span met de ongelovigen. Wat heeft gerechtigheid te maken met wetteloosheid? Wat heeft licht uit te staan met duisternis?
(W) Kol. 4,6 Laat uw spreken steeds innemend zijn, met een vleugje zout erbij, zodat u iedereen het juiste antwoord weet te geven.
(W) 1 Kor. 1,23 Maar wij verkondigen een gekruisigde Christus, voor Joden een aanstoot, voor heidenen een dwaasheid, 24 maar voor hen die geroepen zijn, Joden zowel als Grieken, Gods kracht en Gods wijsheid.
(W) 2 Petr. 1,4 Door die heerlijkheid en macht heeft Hij ons kostbare en verheven beloften gedaan, opdat u deel zou krijgen aan Gods eigen wezen en zou ontkomen aan het bederf van de zelfzucht, dat de wereld heeft aangetast.
(W) Rom. 1,25 Zij hebben de goddelijke waarheid verruild voor de leugen, en de schepping geëerd en aanbeden in plaats van de schepper; Hij is gezegend in eeuwigheid! Amen.
(W) 1 Kor. 1,17 Want Christus heeft mij niet gezonden om te dopen, maar om het evangelie te verkondigen; en dat niet met geleerde woorden, want dan had het kruis van Christus zijn kracht verloren.
(W) 1 Kor. 2,4 Het woord dat ik u verkondigde, overtuigde niet door geleerde woorden, maar het getuigde van de kracht van de Geest: 5 uw geloof moest niet steunen op menselijke wijsheid, maar op de kracht van God.
(W) Gal. 5,6 Want in Christus Jezus is niet de besnijdenis of de onbesnedenheid van belang, maar het geloof dat werkzaam is door de liefde.
(W) Dan. 4, 16 Toen stond Daniël, die ook Beltesassar genoemd wordt, een ogenblik sprakeloos en wat er in zijn hoofd omging bracht hem in verwarring. Maar de koning zei: 'Beltesassar, laat u niet door de betekenis van de droom in verwarring brengen.' Daarop antwoordde Beltesassar: 'Mijn heer, de droom heeft betrekking op uw vijanden en zijn betekenis betreft uw tegenstanders.
(W) Mt. 17,20 Hij zei hun: ‘Omdat jullie vertrouwen zo klein is! Want Ik verzeker jullie, als je vertrouwen hebt zo groot als een mosterdzaadje, dan zeg je tegen die berg: ga van hier naar daar, en hij gaat. Niets zal voor jullie onmogelijk zijn.'
(W) Joh. 16,23 Op die dag zul je Mij geen uitleg meer te vragen hebben. Waarachtig, Ik verzeker jullie: wat jullie de Vader ook zullen vragen in mijn naam, Hij zal het jullie geven.
(W) Mt. 10,8 Genees zieken, wek doden op, maak melaatsen rein, drijf demonen uit. Voor niets hebben jullie gekregen, voor niets moet je geven.
(W) Mt. 7,2 Want onder het oordeel dat jullie vellen, zul je vallen, en met de maat waarmee jullie meten, zul je gemeten worden.
(W) Joh. 19,41 Op de plaats waar Hij gekruisigd was lag een tuin, en in die tuin lag een nieuw graf, waarin nog nooit iemand was bijgezet. 42 Omdat het de Joodse voorbereidingsdag was en het graf dichtbij lag, legden ze Jezus daarin neer.
(W) Joz. 23,14 Ik ga nu de weg van al het aardse. U weet heel goed dat van alle heerlijke beloften die de HEER uw God u gedaan heeft, er niet één onvervuld is gebleven. Alles is voor u verwerkelijkt en niet één woord ervan is onvervuld gebleven.
(W) Lc. 16,9 Ook Ik zeg jullie: maak je vrienden met behulp van de geldduivel; als die je dan ontvalt, zullen ze je ontvangen in de eeuwige tenten.


contact: Dolf Hartsuiker