Vita Antonii Abba's Iconografie Vuur Antonianen Kunsten Cultus Folklore Plant Dier Literatuur Paulus Hilarion Maria Simeon Adolphus
Nederlands Frans Italiaans Spaans Portugees Koptisch Duits Orthodox Engels Amerikaans Aziatisch
Saint Antoine en Wallon H-O
Frankrijk A-B C-G H-M N-R St.A S T-Z Wallonië A-G H-O P-Z Corsica Luxemburg/Zwitserland
niet-Antonius plaatsen Frankrijk A-C D-L M-R S-S T-Z Parijs Louvre, musea, galeries Frankrijk musea A-H, I-Z
Havré; Lengeler, 2016; Liernu; Noncèveux, 2007.
Havré (J 20) Chapelle Saint-Antoine-en-Barbefosse 1362
De Antoniuskapel in Barbefosse in Havré is ooit van veel betekenis geweest voor de verering van Antonius en als vestigingsplaats voor een adellijke Orde van Antonianen, te weten l' Ordre des Chevaliers de Saint-Antoine-en-Barbefosse, ofwel de Orde van de Ridders van Sint Antonius in Barbefosse.
Deze werd opgericht door Albert van Beieren, Graaf van Henegouwen, die de herinnering van de beëindiging van de epidemie van 1382 wilde vereeuwigen. Hij stelde toen in zijn graafschap de Orde van de Ridders van Sint Antonius in. De zetel van deze orde werd in de kapel gevestigd.

Deze aan Antonius gewijde kapel — en ook een put — bestonden al voor die tijd, en ook de Orde had al een voorloper. Volgens een manuscript uit 1598, beloofden Henegouwse ridders, die in 1352 op weg waren naar Jeruzalem, dat zij zich voor de Antonianen in zouden zetten, als zij zouden ontsnappen aan de Turken die hen op het eiland Rhodos belegerden.
Toen zij gezond en behouden terugkwamen, ontvingen zij toestemming van de paus om de Ordre Militaire et Hospitalier de Saint-Antoine op te richten.

Het was een orde die dichter bij de ridderlijke geest stond dan bij een religieus ideaal en die eigenlijk niets van doen had met de Orde van Antonianen.
Deze ridders van Sint Antonius wilden zich in Bergen (Mons) vestigen, maar niemand wilde hen daar toelaten. In 1362, toen de Oppermaarschalk van de orde door het bos van Havré kwam, ontdekte hij op een plaats die "Longue Roye" genoemde werd, een open plek in een soort kom omgeven door een hoog talud begroeid met bramen.
Met de steun van Gérard d'Havré, bouwden de ridders er een kleine kapel met ernaast een slaapkamertje waar een kluizenaar kon verblijven. De kapel huisvestte een kruisbeeld, een beeld van de Heilige Maagd en een beeld van Sint Antonius.
Een Bergenaar, slachtoffer van "de Vuurziekte", kwam er bidden om genezing en verkreeg die. Een timmerman van Gottignies kreeg daar een identieke zegening.
Het was daarom dat talloze Bergenaren er genezing kwamen zoeken tijdens de epidemie van gangreneus ergotisme ofwel het Sint-Antoniusvuur van 1382.
Ze maakten er talrijke offeranden teneinde er een kapel van grotere afmetingen te bouwen.
De Heer van Havré, Gérard d'Enghien, die de bijnaam " Barbe" had, en wiens jachtpaviljoen zich in de nabijheid bevond, gaf zijn toestemming voor de bouw van een nieuwe kapel en men groef uit de bodem van Havré de stenen die daarvoor nodig waren. In dank aan Gérard d'Enghien, noemde men de kapel " Saint-Antoine-en-Barbefosse" (de “fosse” = “kuil” van Barbe, want de kapel bevindt zich immers in een kom.
Een relikwie-sarcofaag van Antonius uit de 17e eeuw, met een beeldje van Antonius erbovenop, oorspronkelijk afkomstig uit de kapel.
De Heren van Antoing, Ligne, Havré en Longueval waren de eerste leden van de 1382 opgerichte Orde van de Ridders van Sint Antonius, Zij stonden onder het gezag van een grootmeester, van wie de eerste Albert van Beieren was en de laatste, in 1700, de Koning van Spanje.
Het was in Barbefosse dat de ridders de ketting van de orde ontvingen en sommigen wilden er begraven worden. Talrijke Henegouwse, Luikse, Brabantse en buitenlands ridders maakten deel van deze Orde uit.
De leden hadden verschillende heraldische blazoenen, zoals het hier (links) getoonde exemplaar dat in het bezit is van de Bibliotheek van de Universiteit van de Staat van Bergen.

Er is een treffende overeenkomst tussen de plantenranken met daaraan T-kruis en klokje en de ketting van de “Man met de Anjer” van Van Eyck met identiek T-kruis en klokje, wat in feite het portret is van Frank van Borsele, de echtgenoot van Jacoba van Beieren, de laatste grootmeester van de orde van Barbefosse.
Het insigne van de leden van de orde van Barbefosse bestond uit "ung coller et pendant à icellui coller une potence et au debout d'icelle une cIocquette sonante".
Choule of Crosse
Tot voor kort was de kapel nog in gebruik, zoals blijkt uit de foto van het beeld van Antonius met brandende noveenkaarsen ervoor (hieronder), die door Geert & Sara Nijs gemaakt is tijdens een bezoek aan de kapel op 17 januari 2003.
Zij zijn daar meerdere malen geweest om voor hun boek Choule — The Non-Royal but most Ancient Game of Crosse onderzoek te doen naar de rol van Antonius als beschermheilige van deze oude sport.
Zij beschrijven daarin o.a. de geschiedenis van de kapel, zoals hierboven ook weergegeven, maar het gaat hun daarbij natuurlijk vooral om het balspel crosse zoals dat bij de kapel werd gespeeld.
Vooral gedurende de pelgrimage rond de 17e januari, de dag van Antonius, werd het spel gespeeld waardoor het haast onafscheidelijk van de pelgrimage werd. Maar toen in later tijden de pelgrimage afnam bleef Antonius evenzogoed patroon van de crosseurs.

Ik vertaal hieronder een stuk uit het hoofdstuk Religion in het boek Choule:

Op de 17e januari, verzamelden zich de crosseurs van de verschillende wijken en de dorpen in het centrum van Mons. Zij waren te herkennen aan hun vaandels, sjaals, sjerpen en kokardes. ... Zij verlieten de stad door de velden met slaande trom en vliegende vlag naar de kapel van hun patroonheilige in Havré. Bij aankomst bij de kapel, werden de crosseurs enthousiast verwelkomd met applaus en het luiden klokken. Na de eredienst, het bijwonen van de mis, het kussen van de relikwieën en het zingen van godsdienstige liederen, begonnen de crosseurs hun spel te spelen. In de kapel werd een crosse in de handen van het beeld van Sint Antonius geplaatst.
Mijn noot: het is duidelijk dat vooral ook in de vorm van de crosse de connectie gezien moet worden tussen het spel en Antonius: de gebogen crosse, zie foto hieronder, lijkt op de ‘korte’ staf waar Antonius vaak mee afgebeeld wordt, zoals ook op het reliëf hieronder, terwijl voor de crosseurspelgrimages speciale T-vormige crosses werden gemaakt en gebruikt, die weer overeenkomen met de 'correcte' T-staf van Antonius.
A Peste, Fame et Bello, Libera Nos, Sancta Antoni
Van de pest, van de honger en de oorlog, bevrijdt ons Sint Antonius
.
Zo luidt de inscriptie op de banier van het standbeeld van Antonius in de kapel.
Voor het normale (winter)zondagse spel werden de hier afgebeelde crosses gebruikt: een houten steel met ijzeren kop.
De wedstrijden werden op de velden rond de kapel gespeeld. De deur van de kapel was het uiteindelijke doel van de wedstrijd.
Voor de crosseurs, was de naamdag van Sint Antonius, de ultieme dag van crosse toernooien, de enige dag dat medailles werden toegekend aan de krachtigste en bekwaamste crosseurs. ...
Bij zonsondergang eindigden de spelen ... [en] gingen de crosseurs naar huis, in hun midden de kampioenen, die trots de medailles op hun borst droegen. Een fanfarekorps of een groep tamboers begeleidde hen. Bij het licht van toortsen, zwermden de crosseurs door de straten van Mons,`Vive Saint Antoine!' schreeuwend.
De laatste herberg die de crosseurs aandeden, was de herberg`Chez l'Borgne’ (of `l'Bagne') in de Rue de Basse. Achter het venster van deze herberg, werd een reliëf van Sint Antonius geplaatst met twee brandende kaarsen. Dit reliëf (rechts) is nog steeds te zien in het Musée du Folklore et de la Vie montoise. In de herberg aten de crosseurs de traditionele maaltijd van konijn.

Mijn noot: konijn vind ik wat vreemd; ik zou toch eerder varkensvlees verwacht hebben, zoals dat op Antoniusvieringen gebruikelijk is.
De laatste Antonius-viering van de crosseurs was in 1971.
Sinds de 60er jaren zijn er allerlei gebouwen rond de kapel verrezen. Toen Geert & Sara er in september 2007 waren, bleek dat de kapel gesloten was en ernstig in verval. Het lijkt er niet op dat daar op korte termijn iets aan verbetert.
Antonius steunt met de rechterhand op een korte knoestige haak-staf. Een gesloten boek op de linkerhand. Hij staat in de vlammen. De snuit van zijn varken piept net naast hem, vanonder de mantel, tevoorschijn.
Tijdens de maaltijd zongen de crosseurs steeds maar weer het eeuwenoude lied:
A Saint Antouaine
On va crocher
Avec une soule et ein macquet
Vive Saint Antouaine!


Op de dag van Sint Antonius
Gaan wij crosse spelen
Met een bal en een club
Lang leve Sint Antonius!
Lengeler (V 21) Antoniusfeest
In Januar feiert die Ortschaft Lengeler ihren Kirchenpatron, den heiligen Antonius der Einsiedler in einem feierlichen Gottesdienst.
Antonius wordt op deze site dus duidelijk de kerkpatroon genoemd, maar op een andere site wordt vermeld dat de kerk gewijd is aan Johannes de Doper, van wie ook een schilderij op het hoofdaltaar is. Ik noem de kerk toch maar hier, al was het alleen maar omdat ik de kerk in juli 2016 bezocht heb. Misschien dat ook "dorpspatroon" wordt bedoeld?
Van de feestelijkheden heb ik overigens geen details.
Het beeld van Antonius staat midden in de kerk, rechts op een console tegen de muur (ertegenover, aan de linker muur staat Rochus) met daarnaast het prachtige gebrandschilderde raam. Antonius heeft op deze oude foto een andere uitdrukking. De moderne "restauraties" doen meestal geen goed.
Antonius heeft een bisschopsstaf in de linkerhand, met een doek onder de krul. Een open boek op de rechterhand. Aan zijn ceintuur hangt een buidel (?). Zijn varkentje zit naast hem, dicht tegen hem aan, extreem opkijkend. Antonius heeft een lange rechte staf, met daaraan een klok gebonden, in de linkerhand. Een gesloten boek op de rechterhand. Zijn varken staat achter hem.
Liernu (Namur) (O 19) Antonius en de Gros-Chêne de Liernu
In Liernu staat achter de kerk een geweldig dikke Zomereik. Het is de beroemdste boom van België, geheten "Le Gros-Chêne de Liernu". De eik heeft een stam van indrukwekkende afmetingen: de boom is 19 m hoog en de kroon 20 m breed. De stam is al eeuwenlang hol. De kroon is nog zeer gezond en vol van blad. De eik is dusdanig vitaal dat hij nog jaarlijks eikels produceert.
De eik stamt volgens locale overlevering uit de donkere Middeleeuwen, uit de periode tussen Karel de Grote en de tiende eeuw en zou dus meer dan duizend jaar oud zijn.
Aan het eind van de Middeleeuwen hebben de locale heren volgens populair geloof in de schaduw van deze eik recht gesproken.

Om te voorkomen dat de plaatselijke bevolking de eik om zou hakken, heeft pastoor Napoléon Savinien er in 1838 een polychroom houten beeld van de heilige Antonius in laten plaatsen, dat in 1970 is gestolen.
Daarna is er in 1983, ter gelegenheid van de 5e verjaardag van de Broederschap van de Dikke Eik van Liernu, een stenen beeld geplaatst, het werk van pater Jean Lombet, professor aan het seminarie van Floreffe.
Deze Broederschap van de Dikke Eik van Liernu is in 1978 opgericht ter bescherming van de eik.
Om via de eik de bescherming van God af te smeken, sprak men een gebed uit in de vorm van een kwatrijn, geschreven door Abbé Pirard (eind negentiende eeuw) en op een houten bordje geschilderd, onder het monogram van Christus en omringd door Alpha en Omega, en geplaatst aan de voet van de eik.
Jij die men aanroept in deze oude eik
Krachtige beschermer van deze plaats,
Troost ons in ons verdriet,
Sint Antonius vriend van God
Hieruit blijkt wel dat deze eik en Antonius vereenzelvigd zijn. Ik vermoed dan ook dat deze relatie verder teruggaat dan 1838, toen het Antoniusbeeldje daar geplaatst werd.
In vroeger tijden werden een of twee kaarsen geplant aan de voet van het beeld, wat de manier was voor een dorpeling om bij Antonius de Kluizenaar genezing van zieke varkens af te smeken.

Ik vermoed dat ook dit ritueel ouder is dan 1838. De relatie– eik - eikels - die door varkens gegeten worden - Antonius - ligt nogal voor de hand. En dan nog de Keltische ‘roots’, de relatie - varkenshoeder - tovenaarsleerling - koning in spé. En sowieso natuurlijk de eik als heilige Druïdische boom — waarvan de takken de hemel raken en waarvan de wortels zich diep in de aarde graven, waardoor deze de hemelse machten en de onderwereld verbind — een boom waar in Christelijke tijden bij voorkeur Maria-verschijningen plaats vonden.

Het is overigens ook zeer opmerkelijk dat een pastoor de eik in bescherming nam, aangezien de kerk — in eerste instantie als onderdeel van de kerstening, maar later ook om 'magische' praktijken te voorkomen — de heidens-heilige bomen omhakte. (Zie bijvoorbeeld Martinus.)

In Ingooigem stond vroeger ook een Antonius-eik, maar die werd — modern barbaars — gekapt voor een nieuwe wijk.
Sint Antonius in een glas-in-lood raam in de St. Jean-Baptiste kerk van Liernu, waarvan men niet weet van wanneer het dateert of wie het gemaakt heeft.
Dit duidt m.i. op een relatie tussen de kerk en de Antonius-eik (om hem zo maar even te noemen), die immers vlak achter de kerk staat. Wellicht dat de kerk dáár gebouwd is juist vanwege de heidens-heilige eik en locatie.

Het is overigens een traditioneel raam.
Antonius heeft een halflange T-staf, met daaraan een klokje, in de rechterhand. Een gesloten rood boek in de linkerhand. Zijn varken ligt voor hem, met de voorpootjes gevouwen.
Op de website van de Broederschap, worden nog enkele legenden en mythes van de eik genoemd:
  • De eik was geadopteerd door Zeus: hij sprak in het geritsel van bladeren wanneer hij niet bezig was met donder en bliksem.
  • Socrates zwoer alleen bij de eik, boom van goddelijke orakels, boom van wijsheid en de toekomst.
  • Het Gulden Vlies dat door de Argonauten in het Oosten gezocht werd, was aan een eik opgehangen.
  • De Romeinse burgerkroon werd uit eikebladeren geweven. Deze eikebladeren vinden we ook op de kepi’s van de Franse generaals.
  • In Abruzzo (Italië) vergaarde men de bladeren van een eik die door de bliksem was getroffen en gaf men die als talisman aan jonge soldaten die ten strijde trokken.
  • In de Middeleeuwen waren de sancties voor het vernielen van bomen, die door de adel opgelegd werden, veel strenger als het een van hun eiken betrof.
Bijeenkomst van de Confrérie du Gros-Chêne op de laatste zondag in mei, met een verloting van het beeld van de kluizenaar Antonius (hierboven groot afgebeeld) met toewijzing aan de broeders van eikels en eikebladeren, symbolen van trouw.
Met dank aan Françis Davister, Secrétaire du Confrérie du Gros-Chêne.
In Frazer's Gouden Tak staat over de eik o.a.:
  • Alle takken van de Indo-europese stam in Europa hebben naar het schijnt de eikeboom of de eikegod vereerd. Zowel Grieken als Romeinen associeerden de boom met hun hoogste god, Zeus of Jupiter, de god van de hemel, de regen en de donder. Misschien wel het oudste en zeker een van de beroemdste heiligdommen in Griekenland was dat te Dodona, waar een aan Zeus gewijde orakel-eik stond. Omdat het in Dodona naar men zegt vaker dan waar ook in Europa onweert, was deze plek een passend huis voor de god wiens stem zowel in het geritsel van de eikebladeren als in het kraken van de donder werd gehoord.
  • In het oude Italië behoorde iedere eik Jupiter, de Italische tegenhanger van Zeus, toe; op het Capitool in Rome werd Jupiter niet alleen als de god van de eik, maar ook als de god van de regen en de donder vereerd.
  • Bij de Kelten in Gallië achtten de druïden niets heiliger dan de maretak en de eik waarin die groeide; zij kozen eikenbossen als decor voor hun godsdienstige plechtigheden en gebruikten bij al hun rituelen eikebladeren.
  • Ja, volgens sommige geleerden betekent het woord 'druïden' zelf niets anders dan 'eike-mannen'. In de godsdienst van de oude Germanen schijnt de verering van heilige wouden een voorname rol te hebben gespeeld; volgens Grimm was de belangrijkste van hun heilige bomen de eik. Hij was in het bijzonder aan de dondergod, Donar of Thunar, de tegenhanger van de Noorse Thor, gewijd; een heilige eik bij Geisman in Hessen, die in de achtste eeuw door Bonifatius werd omgehakt, werd door de heidenen aangeduid als Jupiters eik (robur Jovis), in het Oud-duits Donares eih, de eik van Donar.
Noncèveux (T 20) Église Sainte Thérèse d'Avila; Antonius viering
Bij ons bezoek in juni 2007 (het is de dag van Saint Jean), is de kerk gesloten. Hij zou alleen op de laatste en eerste zaterdag van de maand open zijn; buurvrouwen kunnen ons ook niet verder helpen.
De kerk is gewijd aan Thérèse van Avila, maar er is van oudsher veel aandacht voor de viering van de dag van Antonius, met de zegening en het uitdelen van "galets de Saint Antoine" (rolletjes, broodjes, wafels).
Beeld van André Detombay, 1837. Antonius heeft een korte T-staf, met zwierig gekrulde T, in de linkerhand. Een open boek, met zichtbare tekst, op de rechterhand. Een Franciscaner koord met drie knopen om het middel. Zijn varkentje zit voor hem. (Bloem)patronen op de mantel.
De viering vindt plaats op de zondag zo dicht mogelijk bij 17 januari.
De oorsprong van deze traditie in Noncèveux is onbekend. Het lijkt echter dat zij van het eind van de 18e eeuw zou kunnen dateren.
Vroeger was de zegening van de rolletjes een echte bedevaart waaraan honderden personen meededen, van wie het merendeel boeren en veehouders was. Deze mensen kwamen van alle dorpen rondom Nonceveux en sommige pelgrims liepen tientallen kilometers teneinde deze viering bij te wonen. Men ging naar de kapel van Noncèveux om de Heilige Antonius te vragen bij God te bemiddelen en om zijn zegening te verkrijgen. De traditie wilde dat men eveneens de dieren liet zegenen die daar door hun eigenaars werden gebracht.
Daaruit is de zegening van de rolletjes ontstaan. Deze werden bij honderdtallen gebracht, en zelfs bij duizendtallen verkocht door talrijke kooplieden die langs de wegen stonden die naar de kapel leiden. De pelgrims kochten de hoeveelheid rolletjes die zij noodzakelijk vonden teneinde ze te laten zegenen tijdens de religieuze dienst.
Het was een goede gewoonte om ook water of zout mee te nemen om het in de kapel te laten zegenen, dat dan kon dienen om het noodlot te beïnvloeden. Aan het einde van de plechtigheid aten de mensen een deel deze gezegende rolletjes en behielden de rest voor hun dieren.
Aan deze rolletjes werden natuurlijk geneeskrachtige eigenschappen toegekend. Men zei eveneens dat deze rolletjes, eens gezegend, de bijzonderheid hadden om nooit te bederven. Allen die deze smakelijke rolletjes aten, kregen gegarandeerd tijdens het komende jaar geen last van buikklachten.
Na deze vrome gebeurtenissen namen de van overal toegesnelde mensen deel aan de verschillende festiviteiten die tijdens de kermis, die daarop volgde, werden georganiseerd. Deze gingen zeer vaak door tot het ochtendkrieken.
De gastvrijheid van de inwoners van het dorp was legendarisch, tafels bleven opgezet gedurende de dag alsmede tijdens een goed deel van de nacht.
Behalve de gezegende rolletjes kon men ook de heerlijke taarten proeven die door de inwoners werden gebakken, en zich tegoed doen aan boordevolle glaasjes jajem.
Gedurende een aantal jaren werden de festiviteiten rond de zegening van de rolletjes voorafgegaan door een bal op zaterdagavond in het café "Le Moulin du Diable" in het nabijgelegen Quarreux.
Tijdens dit dansfeest zong men zeer vaak, een beetje oneerbiedig, een klein versje:
Saint Antoine avait un cochon,
Trô dè cou, de papier
Trô dè cou, de carton
Wat zou hiervan de goede vertaling zijn?
Meer Antonius plaatsen H-O

  • José (T 19)
    Église Saint-Antoine Ermite. Beeld door Victor Maréchal, 1901-1910. Er zouden vieringen zijn in januari.
  • Ligne (H 19)
    Chapelle Saint-Antoine Ermite, rue de Saint-Antoine; relique.
  • Moresnet (V 18)
    Église Saint-Remy; Janvier: Fête de St. Antoine au cochon.
  • Mürringen (Murrange) (W 20)
    Kirche Antonius Einsiedler; Antoniusfest.
  • Noblehaye (Hervé) (T 19)
    Chapelle Notre-Dame des Vertus; noveen Antonius: na de mis op zondag, de verkoop van gezegende wafels en brood. Daarna noveen.
José, Beeld door Victor Maréchal, 1901-1910.  
Moresnet; statue 1501 - 1600. Mürringen; Statue: Bernard Kauffman, 1930.

Heeft u informatie over Antonius Abt, of vragen, neem dan contact op met mij: Adolphe Hartsuiker