Vita Antonii Abba's Iconografie Vuur Antonianen Kunsten Cultus Folklore Plant Dier Literatuur Paulus Hilarion Maria Simeon Adolphus
Nederlands Frans Italiaans Spaans Portugees Koptisch Duits Orthodox Engels Amerikaans Aziatisch
De Antonianen en Antonius-gilden
De inventie en translatie van de botten van Antonius
De inventie
De translatie naar Alexandrië
De translatie naar Constantinopel
De translatie naar Motte-le-Bois
De relieken nu
De relieken in Arles
De relieken in Lézat-sur-Lèze
Saint-Antoine-l'Abbaye en de Antonianen
De Benedictijnen
Opkomst van de Hospitaalbroeders
Erkenning van de Antoniaanse Orde
Kanunniken
Bloei en expansie van de Orde

Het prentenboek Liber vita sanctissimi Anthonii Abbatis
Roem en rijkdom van de Orde
De pelgrimage naar Saint-Antoine
Antoniusvuur
Geneesheren en geneeswijzen in Saint-Antoine
Verval en het samengaan met de Tempeliers
De praktijken van de Antonianen
De queste
Aflaten
De Kleding van de Antonianen
Antoniusgilden en broederschappen
Orden voor burgers
Orden voor edelen
De Commanderij van Antonianen in Maastricht


De inventie en translatie van de botten van Antonius

De inventie

De translatie naar Alexandrië
Inventie & translatie naar Constantinopel 1
Inventie & translatie naar Constantinopel 2

De translatie naar Motte-le-Bois

De relieken in St.-Antoine
De relieken in Arles
De relieken in Lézat-sur-Lèze
De inventie
In het Leven van Antonius wordt expliciet vermeld dat Antonius wenste dat zijn lichaam zodanig begraven moest worden dat niemand wist waar het lag:

[§ 91] En als jullie iets om mij geven en om mij denken als om een vader, sta dan niet toe dat iemand mijn lichaam meeneemt naar Egypte om het in een van hun huizen op te baren. Juist om dat te vermijden ben ik naar de berg teruggekeerd en hier gekomen. Jullie weten hoe ik altijd degenen heb berispt die die gewoonte hadden en hen heb gemaand ermee op te houden. Jullie moeten dus mijn lichaam begraven en het zelf onder de grond stoppen, en houden jullie je aan mijn woorden dat buiten jullie niemand die plek te weten mag komen. Want bij de opstanding der doden zal ik mijn lichaam van de Heiland in onvergankelijke staat terug ontvangen.

Dit vinden we ook terug in hoofdstuk 26 van de Vita van Hilarion, in twee versies. Hilarion is in het klooster waar Antonius een jaar of twee eerder was overleden en vraagt aan de discipelen die hem destijds begraven hadden waar zijn graf is:

"Hilarion vroeg hen of zij hem het graf van Antonius konden tonen. Zij kwamen een beetje dichter bij hem staan en zeiden het niet mogelijk of was om die hem te tonen of hem niet te tonen..."

"De oude man vroeg verder om zijn graf te tonen, en zij namen hem daarop terzijde; maar of zij hem de tombe toonden of niet, is onbekend."

En dat is interessant vanwege de vondst van het gebeente zo'n twee eeuwen later. Hebben ze de plaats van het graf — of zelfs 'tombe' — nu inderdaad geheim gehouden, of hebben ze het niet kunnen laten het aan enkele 'ingewijden' te tonen, waardoor het natuurlijk geen geheim meer was, en waardoor het dan ook niet zo onwaarschijnlijk zou zijn dat het inderdaad de botten van Antonius waren, die daar gevonden en vandaar naar Alexandrië vervoerd zijn.
Van Egypte naar bijvoorbeeld Frankrijk reizend, zou je in de tijd van Antonius nog steeds binnen het Romeinse Rijk blijven.
De ervaringen van véél latere bezoekers aan het Antoniusklooster zijn in dit opzicht wel illustratief voor de "geheimhouding". Deze twee bezoeken worden beschreven in Hertling :
Een zekere George Schweinfurth bezoekt de regio in de twintiger jaren van de vorige eeuw.

Nog vandaag de dag vertellen de monniken in het klooster van St. Antonius aan iedereen, die om het feit vraagt, dat er geen graf van hun heilige is, en nooit een uiterlijk kenmerk van de gewijde plaats waar hij begraven is, het heeft kunnen onthullen.

In feite zou dit nog beter aansluiten bij het feit dat een eventueel lijk verdwenen is, dan de ervaring van een nog eerdere reiziger, de Kapucijner Kardinaal Wilhelm, die leefde van 1809-1889.
Zoals we daarover bij Hertling lezen:

Met welke voorzichtigheid nochtans dergelijke gegevens moeten worden gebruikt, toont de ervaring die de beroemde Kapucijner missionaris en latere Kardinaal Massaja meemaakte, toen hij het Antoniusklooster bezocht. De listige gids verklaarde aan de Kapucijner, dat hij niet wist waar het graf was, maar kon er toen nochtans door een overvloedige bakshisch toe worden bewogen om de missionaris naar een grafhol te leiden, wat aan de gebruikelijke bezoekers niet getoond zou worden, waar het lichaam van de heilige zou rusten. — Overigens doet het er niet echt toe of de gewone pelgrims bedrogen worden of alleen de bijzonder nieuwsgierigen en de gulle gevers. Het graf van de heilige is hoe dan ook geen algemeen vereerde cultusplaats, en de traditie leeft nog ter plaatse, precies hetzelfde als in de tijd van [Hilarion], dat geen sterveling mag weten, waar de heilige rust.

Vreemd genoeg refereert Hertling hier niet aan de opgravingen die daar plaatsgevonden moeten hebben in de 5e eeuw waarbij de botten van Antonius zouden zijn afgevoerd. Dus bij het klooster zou helemaal geen graf kunnen zijn, hooguit een leeg graf. Ook Schweinfurth en Massaja lijken zich van deze discrepantie niet bewust.

De translatie naar Alexandrië
"Translatie" is een term waarmee in eerste instantie een min of meer mirakuleus transport van de heilige persoon wordt aangeduid — eerder een soort teleporteren — maar dat ruimer opgevat, ook van toepassing is op een menselijk vervoer van de botten.
Hij stierf in het jaar 356 en zijn lichamelijke resten werden zo'n 200 jaren later ontdekt. Je kunt je afvragen wat er na al die tijd van over kon zijn, tenzij hij gemummificeerd was.

De tekst van Pierre de Lanoy, een franse Dominicaan uit de 15e eeuw vormt de bron van het verhaal van de ontdekking en de eerste translatie van de relieken van Antonius de Egyptenaar.
Het lichaam van Antonius wordt door bisschop Theophilus in het tweede jaar van de regering van Justinianus (529) ontdekt, alvorens naar Alexandrië vervoerd en daar vervolgens in de kerk van Sint Johannes de Doper ondergebracht te worden. [Zie de legende hieronder.] De strekking van deze gebeurtenis lijkt behoorlijk consequent, ook omdat deze door Victor, bisschop van Tunis in Afrika (‡556) of tenslotte door Usuard, monnik van Saint Germain (‡877) wordt bevestigd.

In Butler's Leven van de Kerkvaders, Quote 12, wordt het volgende gesteld:
Ongeveer in het jaar 561, tijdens de regering van Justinianus, werd zijn lichaam ontdekt en met veel plechtigheid naar Alexandrië overgebracht, vanwaar het naar Constantinopel overgebracht werd, en het is nu in Vienne in Frankrijk. [voetnoot] Deze translatie van zijn relieken naar Alexandrië is ontegensprekelijk bevestigd door Victor van Tunone, die toen in ballingschap in Canope leefde, slechts twaalf mijl van Alexandrië; en ook door Sint Isidorus van Sevilla, in dezelfde tijd.

Maar er is zeer weinig informatie over hoe deze ontdekking (inventie) nu precies heeft plaatsgevonden of heeft plaats kunnen vinden. Het enige wat bekend is, verhaalt Victor, bisschop van Tunis, in zijn Chronicon:

«Post consultum Basilii V.c. anno 21, corpus sancti Antonii eremitae repertum com maximo honore Alexandriam perducitur, et in basilica Sancti Joannis Baptistae honorefice collocatur».

"Na jaar 21 van het consulaat van Basilius, werd het lichaam van de heilige Antonius de heremiet gevonden en met maximum eer naar Alexandrië overgebracht en plechtig in de basiliek van de heilige Johannes de Doper geplaatst."

Hierin ligt echter nog geen enkele waarborg, dat het werkelijk het gebeente van Sint Antonius is geweest, dat toen werd overgebracht.
Wat dat betreft, kunnen er in die tijd ook zeker "listige gidsen" zoals door Kardinaal Massaja beschreven, actief geweest kunnen zijn. Maar hoe dan ook, de botten worden met veel ceremonie en temidden van duizenden belangstellenden overgebracht naar de basiliek van Sint Jan de Doper te Alexandrië en daar bijgezet.

De translatie naar Constantinopel
Iedereen vermeldt de translatie naar Alexandrië; niemand heeft het over die naar Constantinopel. Recentere auteurs vertellen dat de relieken tijdens de opstand van de Egyptenaren tegen keizer Heraclius (635) of Constantijn III Pogonat (668-685) van Alexandrië naar Constantinopel werden gebracht, ter voorkoming van ontheiliging, om deze te onttrekken aan "de barbaarse horden", waarmee de Moslims bedoeld worden, waar ze werden bijgezet in een antieke basiliek bij de poorten van de stad.
In Butler's Leven van de Kerkvaders, Quote 12, wordt ongeveer het jaar 635 voor de translatie naar Constantinopel genoemd: "Ze werden overgebracht naar Constantinopel toen de Saracenen zich van Egypte meester maakten, rond het jaar 635".
In 1653 geven de Kanunniken Hospitaalbroeders van Saint-Antoine zelfs een nauwkeurige datum voor deze gebeurtenis, overigens zonder enige historische grondslag, te weten het jaar 704.
Deze verzonnen tekst is van belang om vooruit te kopen op de ontdekking, door Jocelin uit de Dauphin, van een oude kapel die de relieken van Antonius bezat, in de stad Constantinopel of in de buurt ervan.
Het Romeinse Rijk valt uiteen; dit kaartje is van ± 600.
Een andere legende: “Invention et translation du corps de Saint Antoine
In het fraai geïllustreerde handschrift “Invention et translation du corps de Saint Antoine” wordt een geheel andere legende weergegeven. Enkele van de Illustraties toon ik hier. Meer zijn er op mijn pagina over Illuminaties, en de gehele pagina's uit de serie (uit het J.P. Getty Museum in Los Angeles) zijn op diverse plekken op het internet te vinden.
Hierin geeft Keizer Constantijn de Grote aan Bisschop Theophilus de opdracht het lichaam van Antonius te gaan zoeken, omdat deze zijn dochter Sophia van de kwade geesten zou kunnen verlossen.
Deze Bisschop zou Theophilus van Gothia kunnen zijn geweest, die aanwezig was bij het Concilie van Nicea in 325, en niet de Bisschop van Alexandrië, die leefde van 385-412, en die verantwoordelijk wordt gehouden voor de totale vernietiging van de Bibliotheek van Alexandrië en het Serapion, een “heidense” tempel, en onderdeel van de Bibliotheek.
Maar de data betreffende Theophilus (één of twee), Constantijn de Grote en Antonius lijken toch niet erg te kloppen. Zo leefde Constantijn van 272-337 en Antonius van 251-356.
Verder is het ook niet duidelijk of Constantijn wel een dochter had.
Tenslotte, er zou hier nog een andere Constantijn bedoeld kunnen zijn — er waren meerdere Keizers van die naam — maar dat lijkt vanuit ‘legendarisch’ opzicht minder waarschijnlijk.
We zullen het dus maar op een soort mythe of legende zonder teveel historiciteit hebben (zoals trouwens ook de andere, Antoniaanse legende over de inventie en translatie).
Dus, hoe dan ook, volgens deze legende werd de dochter van Constantijn de Grote, Sophia, gekweld door boze geesten. In een droom geeft God Constantijn de opdracht het stoffelijk overschot van Antonius te zoeken. En Bisschop Theophilus krijgt de opdracht naar Egypte te gaan.
Keizer Constantijn Bidt in een Kerk; Sophia Gekweld door Boze Geesten; In een Droom geeft God Constantijn de Opdracht het Stoffelijk Overschot van Antonius te Zoeken; Bisschop Theophilus vertrekt naar Egypte.  
De hele reis is natuurlijk vergeven van wonderen. Antonius verschijnt aan Theophilus en toont hem zijn hermitage; sterren geven Theophilus en zijn gezelschap gedurende veertig dagen de juiste route aan

Sint Antonius Verschijnt aan Bisschop Theophilus en Leidt Hem naar Zijn Hermitage.
Bisschop Theophilus Ziet de Sterren die Hem naar de Tombe van Sint Antonius zullen Leiden.
Bisschop Theophilus Vindt het Graf van Sint Antonius.
De twee leeuwen die hier afgebeeld zijn, stammen eigenlijk uit de Vita van Paulus van Thebe.

Daarna zijn er de wonderen door de aanwezigheid of het aanraken van de relieken — het lijk van Antonius: twee lepralijders worden genezen; drie mannen die door leeuwen gedood zijn worden tot leven gewekt; een gek wordt genezen; vijf kinderen worden van de wolven gered; de zieken in Alexandrië worden genezen na aanraking van het lichaam van Antonius; Antonius doet een man uit de dood herrijzen; blinden worden genezen na aanraking van het lichaam van Antonius.
De Zieken in Alexandrië worden Genezen na het Aanraken van het Lichaam van Sint Antonius. Het Genezen van de Blinden
na het Aanraken van het Lichaam van Sint Antonius.

Gezien de korte kruk op de grond zou je eerder denken aan een lamme.
Het Schip van Bisschop Theophilus wordt uit zijn Koers geblazen en Bisschop Theophilus is in gebed. Het Schip van Bisschop Theophilus zeilt langs een Eiland bewoond door Wildemannen.
De Aankomst van de Relikwieënschrijn van Sint Antonius bij de Kerk in Constantinopel en het Genezen van Sophia, de Dochter van de Keizer. De Keizer van Constantinopel Richt een Schrijn op voor het Lichaam van Sint Antonius.
Het belangrijkste wonder in deze legende — want dat was tenslotte ook de aanleiding — is de genezing van Sophia, de dochter van Constantijn.

Op een prent (links) uit een andere bron wordt deze scène ook afgebeeld.
Het interieur van de kerk , die als ECLESIE S. SOPHIE wordt aangeduid, lijkt op een lokale dorpskerk aan het eind van de Middeleeuwen.
Het paneel toont de genezing van de bezeten dochter van keizer Constantijn bij de tombe van de woestijnvader Antonius abt. De voorstelling is geënsceneerd als een soort bedevaart. Terwijl het meisje het graf onder begeleiding van bisschop Theophilus en een priester nadert, ontsnappen kleine duiveltjes uit haar mond.
Het opschrift op de tombe — als een soort schatkist opgevat — luidt:

HIE IN RVET/SCHACZ VAN HEI/LIGEN LEICHNA(M)S/SAND ANTONI
[hier rust de schat van het heilige lichaam van Sint Antonius].

Andere pelgrims, slachtoffers van het Antoniusvuur, staan op de achtergrond. Één van hen draagt een pelgrimshoed die van pelgrimstekens is voorzien, w.o. het T-kruis. De ander loopt op krukken. Rechtsboven hangen “geamputeerde handen en voeten” als ex-voto’s.

Het mirakel bij het graf van de heilige Antonius Abt.
Sebastian Scheel. Rond 1510. Diözesanmuseum Brixen (Zuid-Tirol).
Een andere verbeelding van de legende: “Invenció i translatio del cos de sant Antoni Abat”
In 1909 verbrandde het interieur van de kerk van Sant Anton in Barcelona. Daar stond het retabel dat in 1454 in opdracht van de Broederschap van Voerlieden (Confraria dels Corredors d’Animals), door Jaume Huguet vervaardigd werd.
Op het rechterluik bevonden zich scènes uit de cyclus van de inventie en translatie van het lichaam van Antonius, zoals de afbeelding van de vondst van het lichaam, het wonder van de opgehangen Effron en het exorcisme van Prinses Sofia.
Bisschop Theophilus en zijn entourage van elf geestelijken ontdekken het graf van Antonius in de Egyptische woestijn. Op de voorgrond is het geopend graf met het ongeschonden lichaam van de heilige van wie, volgens de legende, een uitstekende geur afkomstig is.
Het perfecte behoud van de overblijfselen, aantrekkelijke geuren en andere signalen, zoals licht, getuigen van heiligheid.
De mantel die de kluizenaar aanheeft is de gevlochten mantel van Paulus van Thebe die St. Antonius slechts op feestdagen aandeed.
Vlak naast het graf ligt de steen die het graf bedekte, waarop te lezen is
“Lo cors d[e]”. Het is een fragment van de inscriptie die, volgens het verhaal van het Gouden Legende in de Bibliotheek van Catalonië, compleet zou luiden: Ací jau lo cors de Sent Antoni, lo qual han soterrat Ilarion prior e els seus dexebles”, “Hier ligt het lichaam van Sint Antonius, waar het begraven is door prior Hilarion en zijn discipelen.”
De twee leeuwen zijn uit een andere legende afkomstig, de begrafenis van Paulus van Thebe die 500 jaar eerder plaatsvond.

Aan de andere kant van het graf knielen bisschop Theophilus en zijn metgezellen. De bisschop biddend, de handen samengevouwen, kijkt omhoog en ziet de heilige in de hemelse sferen, omringd door engelen, zoals de legende beschrijft.
In de achtergrond zijn twee processievaandels en een processiekruis.
Links boven, vóór de afbeelding van de hemel, zijn een vogel en een ster. Volgens de legende werd de processie geleid door een heldere ster; op de plaats waar het graf zich bevond verschenen een boom, waaronder een fontein, en een witte vogel met rode snavel die precies de locatie van het graf aangaf.


Tijdens de translatie van het lichaam van de heilige vanuit de Egyptische woestijn naar Constantinopel, zijn er meerdere wonderen gebeurd, die de virtus (kracht, deugd) van Antonius demonstreerden.
Eén van deze wonderen is de redding van Effron, die ten onrechte van moord was beschuldigd en die door luitenant Mandaber veroordeeld, werd aan een boom opgehangen. Wanhopig baden de ouders van de jongen om hulp tot St. Antonius, gebruik makend van het feit dat de delegatie van bisschop Theophilus door de stad trok. De gebeden van de familie Effron werden gehoord en acht dagen na te zijn opgehangen, werd de jonge man levend gevonden, dankzij de voorspraak van de heilige, volgens zijn verklaring: ... Door de genade van Sint Antonius, werd ik door hem aan mijn haar opgehouden en zijn andere metgezellen, die twee vleugels hadden, hebben me bij de handen gehouden en hebben me zo acht dagen vastgehouden [als Google en ik het Catalaans goed vertaald heb].
Het hier beschreven wonder ben ik niet tegengekomen bij versie van de translatie, zoals hierboven beschreven.
Deze foto heb ik ook spiegelbeeldig gezien.
De duiveluitdrijving van prinses Sofie was het uiteindelijke doel van de translatie van het lichaam van Antonius door bisschop Theophilus en zijn entourage. Volgens de legende, en zoals hier afgebeeld, speelt de uitdrijving zich af in een kapel van de kerk van St Sofia, bij de graftombe van de heilige Antonius, die bovenop de sarcofaag ligt. Eronder liggen enkele dieren, luipaarden die een wat duivelse uitstraling hebben.
Links staat de keizerlijke familie, keizer Constantijn gekroond en met een scepter en de keizerin, beide rijkelijk aangekleed. Prinses Sofia, maakt een knieval voor het heilige lichaam en bidt tot Antonius. Aan de voet van het meisje herinnert een keten aan de gevangenisstraf waaraan zij werd onderworpen als gevolg van de heftige reacties en luidruchtige kreten veroorzaakt door het Kwaad.
Dankzij de aanwezigheid van de heilige lichaam, worden de demonen die de prinses hadden bezeten uit het lichaam gebannen. Als een donkere friemelende massa gestalten verlaten ze het hoofd van de prinses.
Aan de andere kant van de graftombe staan een paar gelovigen in een nederige houding. Op de achtergrond staat een pelgrim, te herkennen aan de schelp van zijn hoed, en op de voorgrond staat een lijder aan Antoniusvuur met een geamputeerd been.

Interessant dat deze afbeelding een flink aantal elementen gemeen heeft met de afbeelding van Sebastian Scheel hierboven.
Meer informatie (Catalaans) over dit retabel is terug te vinden in een pdf.
De translatie naar Motte-le-Bois
Ook de translatie van Constantinopel naar Frankrijk, die door een zekere Jocelin zou zijn verricht, bevindt zich op het mistige terrein van mythe en legende.
Jocelin behoort, volgens de legende, tot de graven van Poitiers. Zijn vader Guillaume le Cornu is baron van Viennois, vervolgens van Gellone, heer van Châteauneuf de Albenc. Als vurig pleitbezorger van het christelijk geloof besluit hij om de bedevaart naar het Heilige Land te ondernemen. Maar zijn dood voorkomt dat hij dat kan doen; zijn zoon belooft deze reis van devotie uit te voeren.
In 1070, terwijl Jocelin op de grenzen van de Jura een heftig gevecht tegen de Zwitsers levert, raakt hij gewond. Zijn wapenbroeders, die denken dat hij dood is, leggen hem neer in een naburige kapel, die aan de heilige Antonius is gewijd.
De volgende dag vertelt de nog levende Jocelin hun het visioen dat hij gedurende de nacht heeft gehad: verschrikkelijke stemmen waren te horen, die hem verweten niet aan de vrome verplichtingen van zijn vader voldaan te hebben. Antonius verscheen daarna aan hem en liet hem beloven, in ruil voor het behoud van zijn leven, om zijn beenderen uit het Oosten op te halen en ze in zijn land een plaats te geven.
Deze legende van een visioen van Sint Antonius, zijn verjagen van de nachtelijke demonen, en de wonderbaarlijke genezen van een dodelijke verwonding, impliceert dat Antonius al bekend was, ook buiten de muren van de kloosters, en al de reputatie had een een 'exorcist" en "genezer" te zijn. Dus — en dat is van belang — lang voordat hij de patroonheilige werd van de Hospitaalbroeders die zich uiteindelijk de Antonianen zouden noemen, en die Antonius voor hun karretje zouden spannen, zodanig zelfs dat het beeld dat zij van hem zouden scheppen alle andere voorstellingen zou overvleugelen.


Zoals Noordeloos het formuleert:
Zijn verering werd zorgvuldig aangekweekt en uitgebouwd door de Antonianen — gasthuisbroeders, hospitaalbroeders, kanunniken van St.-Antonius — die in alle landen der christenheid hun commanderieën hadden gevestigd.
De beeltenis van Jocelin ofwel Geilin
in een glas-in-lood raam van de abdij te St.-Antoine-l'Abbaye.
Jocelin vertrekt meteen naar het Heilige Land en gaat daarna naar Constantinopel. In ruil voor dappere diensten verkrijgt hij van de keizer Diogenus de kostbare relieken.
Een bloedverwant, Guigue Didier, erft deze beenderen en wordt dan door paus Urbanus II, die op weg is naar het Concilie van Clermont, verplicht om er een geschikte plaats voor te zoeken.
En dat werd dus Motte-au-Bois, een onooglijk plaatsje in de Dauphiné.
De situatie van Europa in de 11e eeuw. Het Romeinse Rijk is verder verbrokkeld; de Arabieren en Moslims zijn opgerukt.
De relieken werden geplaatst hoog aan de muur van de kerk van de priorij der Benedictijnen op de Motte-au-Bois, welke omstreeks 1083 gefundeerd was door Didier Mallen en zijn zoon Guigue en bevolkt vanuit de abdij Sint Petrus te Montmajour-Iez-Arles.
De devotie tot de grote heilige, in oorsprong gewekt door zijn roemrijk leven, werd stevig gevoed door de faam van wonderen, welke de weg zouden hebben gekenmerkt waarlangs het gebeente naar de Motte-au-Bois zou zijn gevoerd. Dientengevolge werd de plaats een brandpunt van Antoniusverering en wijzigde de naam zich in die van Saint-Antoine.
De bezoekers en pelgrims werden voor zoveel nodig verzorgd in het hospitium van de priorij.
De translatie van de relieken van Antonius. Op de achtergrond lijkt Constantinopel afgebeeld, maar het zou ook Lézat kunnen zijn, omdat dit een afbeelding betreft uit een retabel te Lézat.
De relieken in Saint-Antoine-l'Abbaye of Arles of Lézat of elders
Zo onduidelijk als de informatie over de translaties is, zo onduidelijk zijn ook de verhalen over de uiteindelijke rustplaats.
In de Middeleeuwen beweren verschillende kerken in het Westen de relieken van Antonius de Egyptenaar in handen te hebben, en vanaf het eind van 11e eeuw op de eerste plaats Saint-Antoine in Viennois. De kathedraal van Doornik (Tournai) beweert een deel van de relieken van de heilige onderdak te hebben, waar bisschop Jean Chevrot wat beenderen van afneemt die hij aan zijn geboortestad Poligny geeft.
Relieken worden eveneens gesignaleerd in Antwerpen, Brugge, Besançon, Bourg, Macon, Dijon, Châlon-sur-Saône, Parijs, Keulen, Ancona en Novgorod!

Maar zoals men in Saint-Antoine stellig beweert:
Ondanks alles wordt alleen de aanwezigheid van de relieken in Viennois in 1083 bevestigd. Hun translatie naar de Dauphiné dient als proloog voor de geschiedenis van de Hospitaalbroeders van Saint-Antoine.
Volgens sommige bronnen echter zou het gebeente niet in Saint-Antoine rusten maar te Arles, of Lézat, of op tal van andere plaatsen. Geen van deze verhalen is authentiek.
Zo wordt er in Arles bericht: "... de Benedictijnen vluchtten [naar Arles], maar niet, volgens hun eigen verklaringen, zonder de kostbare relieken mee te nemen..." Dus álle relieken zouden in Arles zijn.
Maar in Saint-Antoine hoorde ik een soort "compromis" oplossing voor wat betreft de claims van de Benedictijnen dat alle relieken van Antonius in Arles zouden zijn: alleen zijn schedel zou in de Saint-Trophime Kerk te Arles zijn. Dat houdt in dat de relieken in Saint-Antoine niet geheel compleet zouden zijn. Meer over Arles, op de pagina over Frankrijk.
Hoewel Lézat in deze ruzie tussen Benedictijnen en Antonianen geen rol speelt, zou men toch ook daar kunnen claimen de ware relieken te hebben. Daar bestaat een legende betreffende de translatie van de relieken van Antonius, die wel zeer veel overeenkomsten vertoont met die naar Saint-Antoine, alleen is nu de graaf van Foix in de hoofdrol. Meer over Lézat, op de pagina over Frankrijk.
Verder zijn er nog een aantal reliek-armen van Antonius (hoewel een armreliek nog niet hoeft te betekenen dat daar een hele arm inzit; daarvoor zijn er ook te veel). En dan heb ik het nog niet over de kleinere stukken, zoals vingerkootjes en snippers in fraaie theca's die over heel Europa te vinden zijn. Zie hiervoor mijn pagina over relieken.
Een zeer merkwaardig geval betreft overigens de vermelding van een schenking van de relikwieën van Antonius Ab aan de Stift in Freckenhorst in het jaar 861! Dit leidt dan natuurlijk tot de vraag: Hoe konden die relikwieën daar toen al zijn?
Saint-Antoine Arles Lézat

Saint-Antoine-l'Abbaye en de Antonianen

De Benedictijnen
Opkomst van de Hospitaalbroeders


Erkenning van de Antoniaanse Orde
Kanunniken

Bloei en expansie van de Orde
Het prentenboek Liber vita sanctissimi Anthonii Abbatis
Roem en rijkdom van de Orde
De pelgrimage naar Saint-Antoine
Antoniusvuur
De Benedictijnen en de Gasthuisbroeders
In Saint-Antoine vertelt men dus een zeer eigen versie van het verhaal over de relieken, en dus de stichting van de abdij in Saint-Antoine, en de oprichting van de Antoniaanse Hospitaalbroeders — en dus de ruzie met de Benedictijnen.
Aan het einde van de 11e eeuw vertrouwen bepaalde reformistische bisschoppen kerken, die vroeger in handen van de seculiere geestelijkheid waren, aan beroemde kloosters toe.
De stichting van de priorij van Saint-Antoine de la Motte in de jaren 1080 is het gevolg van deze maatregel, die door bisschop Gontard van Valence wordt gestimuleerd, die vijf kerken aan de benedictijner abdij van Montmajour, dichtbij Arles gelegen, schenkt. Daaronder valt ook de kerk van Saint-Antoine de la Motte, waar de relieken van Antonius de Egyptenaar worden bewaard. Het was overigens niet zozeer een kerk, veel meer een huiskapel van de plaatselijke heer, maar wel voor parochiaal gebruik.
De benedictijner monniken komen aldus in het bezit van de relieken en worden belast met de bedevaarten. Zij bouwen een priorij vlakbij de kerk of de reeds bestaande kapel.
De priorij van Saint-Antoine vormt het belangrijkste bezit van de abdij van Montmajour in de Dauphiné. De stichting daarvan markeert trouwens op officiële wijze de installatie van de Benedictijnen in de kerkelijke provincie van Vienne. De priorij profiteert van een zekere voorrang, die voor een groot deel het gevolg is van de aanwezigheid van de relieken van de beroemde kluizenaar van de Thebaïde, maar ook aan een jurisdictie die tot de kerken in de omgeving wordt uitgebreid.
De Benedictijnen van Saint-Antoine verlenen bezoekers en pelgrims onderdak in het hospitium van hun priorij.
Het inzamelingsrecht dat aan de Benedictijnen wordt verleend, vormt de voornaamste financiële inbreng, met name wanneer, te midden van 12e eeuw, de noodzakelijke bouw van de Grote kerk van Saint-Antoine er nog bijkomt.
Maar de eerste financiële moeilijkheden ontstaan snel. Immers op hetzelfde moment en niet ver van de priorij, richt een broederschap van mannen en vrouwen een Gasthuis op om armen en zieken te ontvangen die door de wonderbare geneeskracht van de heilige Antonius worden aangetrokken.
De lekenbroederschap van de Hospitaalbroeders van Saint-Antoine ontstaat in het midden van 12e eeuw in het kielzog van religieuze, militaire en bedelorden. Vanaf haar stichting wordt zij onder de dubbele aanduiding van domus elemonisaria, domus pauperum, Huis van de Aalmoes, Huis van de Armen gekend. Zoals Guiot de Privins, de monnik van Cluny, dichter en moralist, hen noemt in zijn beroemde Bijbel samengesteld tussen 1204 en 1224: de lekenbroeders uit Saint-Antoine die de aalmoes van Schotland tot in Antiochië beoefenen.

Het is aardig om te zien hoe Géraldine Mocellin-Spicuzza een nogal positieve voorstelling wil geven van de lekenbroeders ... van Schotland tot in Antiochië. Hierin lijkt ze wel wat op Falco, de oorspronkelijke fabulist en legende-verfraaier, want als je het vers van Guiot de Privins in zijn totaliteit leest, dan komt daaruit juist een zeer negatief beeld van de lekenbroeders naar voren. Ik kwam het tegen bij Noordeloos; mijn incomplete vertaling van het oude Frans laat veel te wensen over, maar het geeft een indruk.
Van den spot die in den loop der tijden over de kloosterlingen en geestelijkheid is uitgesproken, hebben de Antonianen hun aandeel rijkelijk gehad. Omstreeks 1209 schreef Guiot de Provins in zijn bible:
  En la vile long dou mostier,
Ont fait, por la gent engignier,
Un hospital plain de contraiz
Il n'i ont ne clerc ne provoire
Mes il donent de l'avoir tant
Au seignor en cui terre il sont,
Qu'a Saint Antoine songiet sont.
Par tout porchacent, par tout quierent.
Il n'est ne vile ne chastiax
Ou ron ne voie lor porciax,
O'Escoce jusqu'a Antioche;
Et puis porte chascuns sa cloche,
Pendue au col de son cheval.
Il a bien en lor hospital
Quinze tiex convers groz et gras;
N'i a celui n'ait cinq cent mars;
Et tel i a qui en a mil.
Chascun a sa fame ou s'amie.
Molt par demaisnent noble vie.
Touz en va par gueule et par ventre
Li avoirs qu'a Saint Antoine entre.
In de stad ... ... ...
Maken ze, om het volk te bedriegen,
Een hospitaal vol met kreupelen
Er is geen geestelijke nog priester
Maar ...
Aan de heer op wiens terrein ze zijn
Wat aan Sint Antonius [doet denken]
Voor alle [hoeden ze varkens], voor alle ....
Zijn ze niet ... en niet kuis
Waar men slechts hun varkens ziet
Van Schotland tot aan Antiochië
En verder, draagt elk zijn klok,
Gehangen aan de nek van zijn paard.
Het is goed in hun hospitaal
Vijftien ... bekeerden grof en vet;
Geen die minder heeft dan vijf honderd ...;
Hun bedriegelijkheid is heel helder:
Ieder heeft zijn vrouw of zijn vriendin,
Zo leiden zij een heerlijk leven;
Alles gaat door muil en door buik
wat ze voor Sint Antonius bij elkaar brachten.
 
Voor nog meer cynische observaties van Noordeloos over de lekenbroeders, ook wel bekend als questierders, zie verder op deze pagina, maar nu weer vrolijk verder met Géraldine.
Zij ontvangen in hun ziekenhuis invaliden en zieken, slachtoffers van de Vuurziekte, maar hebben geen enkele reële macht. Hun totale onderwerping aan de naburige priorij, de houder van de relieken van de heilige Antonius, en hun geografische afzondering, hoewel enigszins beperkend, geven hun toch ook een relatieve onafhankelijkheid en ze trekken talrijke legaten en schenkingen aan, waarborgen voor zekerheid en duurzaamheid.
Nam de bevolking ter plaatse en in de omtrek in allerlei noden haar toevlucht tot Sint Antonius, een grote stoot aan de trek naar Saint-Antoine werd gegeven in het pest jaar 1089, toen een huiveringwekkende ziekte, ignis, ignis sacer, ignis infernalis, vuur, heilig vuur, hels vuur genoemd het oosten van Frankrijk teisterde. Onder deze omstandigheden aanvaardden de Benedictijnen gaarne de hulp van de leken, die uit liefde tot God bereid waren, de lijdende mensheid te verplegen. Volgens de traditie zouden een zekere Gaston en zijn gezellen dit zijn begonnen.
Voor meer over het Antoniusvuur, zie mijn pagina.
Er is geen enkel authentiek bescheiden betreffende het intreden van leken in dienst van de Benedictijnen te Saint-Antoine. Gaston is tot nu toe historisch niet identificeerbaar gebleken.
Een wonderbare legende betreffende de oprichting van de orde wordt verhaald door Bauer:
Als oprichters van het hospitaal gelden de edelen Gaston en Gérin, heren van Valloire. De laatste dreigde aan de Vuurziekte te sterven, en de vader deed een gelofte aan de heilige Antonius, dat zij zich allebei, als zijn zoon Gérin weer zou genezen, met hun gehele vermogen aan het genezen van de slachtoffers van het helse vuur zouden wijden. Vader en zoon vernieuwden hun gelofte, toen Gérin verrassend genezen werd.
Die nacht had de graaf uit de Dauphiné een droom. De heilige Antonius in eigen persoon verscheen aan hem en herinnerde hem aan zijn gelofte. Daarbij gaf hij hem een staf in T-vorm, die hij in zijn hand had, en droeg hem op deze in de aarde te steken. Nauwelijks had Gaston dit gebod opgevolgd, of de staf veranderde in een grote boom, met loof en twijgen, bloesem en vruchten.
Een groot aantal kreupelen vluchtte in de schaduw ervan, en werden klaarblijkelijk door de vruchten genezen. Boven de boom verscheen een geheimzinnige hand uit de wolken en gaf goddelijke zegen.
En toen Gaston bij de aanblik van zo’n wonder verward bleef, zei de eerwaarde grijsaard tot hem: “Dat is de boom van de naastenliefde, die jij in mijn naam zal planten. Ik draag je op de christelijke naastenliefde voor de armen te beoefenen en dat nooit te vergeten. Dat zal jouw leidende gedachte zijn, en van allen die jou navolgen.” Door de grote toestroom van pelgrims en zieken moeten de monniken deze leken inschakelen voor de opvang en verpleging. Uit deze gemeenschap van vrijwilligers, lekenbroeders en -zusters die hun liefdewerk verrichten, ontstaat een min of meer zelfstandige gemeenschap die leeft van de gaven van de pelgrims en zieken.
Hans Wechtlin. (c. 1517). U.S. National Library of Medicine.
De afbeelding wordt omschreven als "Antonius met een leproos", maar deze "leproos" is natuurlijk een lijder aan het Antoniusvuur die zijn vlammende hand ophoudt naar Antonius, genezing zoekend bij Antonius.
Vaak wordt verondersteld dat het vuur op de afbeeldingen van Antonius in eerste instantie gerelateerd zou zijn aan het Antoniusvuur, de ziekte veroorzaakt door egotisme, maar eigenlijk is op weinig afbeeldingen die connectie te zien.
Een andere brandende hand zien we op een houtsnede van Sebald Beham.
Hun voorbeeld vond vlotte navolging. Zonder door geloften te zijn gebonden, uitgezonderd dan een tijdelijke gelofte van gehoorzaamheid aan de leiding, verrichtten zij hun liefdewerk.
Vrij snel moet zich op de, door de Benedictijnen uitgevaardigde of goedgekeurde regels voor dagindeling, werkverdeling en toezicht, een samenhorigheidsgevoel tussen de broeders en zusters van Sint Antonius hebben ontwikkeld, hetwelk uitgroeide tot de bewustheid dat zij een gemeenschap vormden. Dit werd bevorderd door de stichting van een domus elemosinaria, een gasthuis in de semantische betekenis van het woord, op enige afstand van de priorij. Daar werd voor alles de liefdadigheid beoefend door het verstrekken van liefdegaven aan armen, aalmoezen in de vorm van brood, levensmiddelen en kleding; hoogst zelden in die van geld. Logies werd voor één nacht verstrekt aan passanten. Zieken werden zorgvol verpleegd. Dit huis, la Maison de l' aumône, het huis van de aalmoes, het gasthuis, is de bakermat van de orde der Antonianen. De bewoners waren gasthuisbroeders en -zusters en noemden zich ook zo. De gemeenschap werd afgerond door toetreding van priesters.
Vanaf de stichting van het Gasthuis of Ziekenhuis, genieten de Hospitaalbroeders van een voorrecht dat zij tot de Hervorming zullen behouden: het inzamelingsrecht.
In de eerste fase van hun bestaan, toen er nog van geen orde sprake was, trokken de gasthuisbroeders van St.-Antonius er reeds op uit om, na bekomen verlof van wereldlijke en kerkelijke overheid, in de parochiën inzamelingen te houden — de quest — ten behoeve van de verpleging van lijders aan Sint-Antoniusvuur en tot onderhoud van de arme slachtoffers daarvan die niet meer in staat waren in hun levensonderhoud te voorzien.
Dat waarborgt hun de noodzakelijke inkomsten voor het onderhoud van het Ziekenhuis, de algemene economie van de broederschap, en de bijstand aan en de verzorging van de zieken. Deze manier van inzamelen is bijzonder winstgevend en kan niet anders dan de afgunst en vijandigheid van de kloostergemeenschappen veroorzaken.
Hetgeen oorspronkelijk uit liefde tot God en de arme zieken was begonnen, en aanvankelijk ook inderdaad reden van bestaan had, werd later te eigen behoeve en tot opvoering en instandhouding van uiterlijke glorie uitgebouwd en geëxploiteerd.
Aan het begin van 13e eeuw worden de collectanten van Saint-Antoine aangemoedigd door paus Honorius III die zijn steun vorm geeft door in 1224 "een aflaat van tien dagen toe te kennen aan een ieder die een aalmoes aan het Ziekenhuis geeft".
Het bescheiden begin, het 'op termijn' gaan, werd in de loop der jaren ontwikkeld tot een door pauselijke brieven beschermd monopolie van de Antonianen op de baten van de Sint-Antoniusverering. Hierover waakte iedere commandeur zorgvuldig binnen de grenzen van zijn balije, zijn rechtsgebied.
Pogingen tot arbitrage, van 1209 tot 1272, leiden tot geen enkele duurzame concessie. De verdeling van het gebied bestemd voor de inzamelingen blijft hachelijk te meer daar de Hospitaalbroeders, beetje bij beetje, een machtig netwerk van commanderijen aan de uiterste grenzen van Europa opbouwen, waarmee zij aldus hun actieradius vertienvoudigen.
Sint Jacob de Grote en de magiër. Jeroen Bosch. 15e eeuw.
Musée des Beaux-Arts de Valenciennes.

Antoniaanse priorij, getuige de T boven de deur, met lijders aan het Antoniusvuur. Op de voorgrond zien we een paar lijders aan het Antoniusvuur, met krukken, en de bedelaar met mandoline rechts heeft een geamputeerd been voor zich op de grond liggen.
Dank zij hun reputatie als goede ziekenverplegers is door autoriteiten van buiten Saint-Antoine een beroep op hen gedaan. Niet bekend is echter waarheen zij het eerst zijn uitgezwermd. De Antonianen hebben zelf, niet bewust dat hun gemeenschap nog ooit zou uitgroeien tot een orde, geen aandacht aan hun historie geschonken. Zij hebben het overbodig geoordeeld hiervan ook maar iets schriftelijks vast te leggen, met als gevolg dat hun protohistorie geheel berust op traditie.
Een zelfstandige corporatie [van Antonianen] was ontstaan en een, die zich in de eerste anderhalve eeuw van haar bestaan snel uitbreidde en zich tot een machtig lichaam ontplooide. Maar merkwaardig is, dat het hoofd van deze organisatie, die gezag had over al die huizen en haar bewoners, die naar buiten werkelijk een macht vertegenwoordigde, geen baas was in eigen huis. Het is niet zijn eigen huis, waarin hij woont; hij is maar huurder. Krachtens oud recht of overeenkomst vordert de prior der Benedictijnen zijn aandeel in de offergaven welke het gasthuis ontvangt. De geestelijke leiding is eveneens in handen der Benedictijnen.
En als de gasthuisbroeders heel het gewicht van hun organisatie in het geding brengen om een kleine bres te forceren in de ringmuur, waarin zij eng besloten leven, door aan te dringen op een eigen oratorium, dan verwijten de Benedictijnen hun, dat zij acephali en zonder hoofd zijn. En uit de pijnlijke reserves, waarmede de vergunning om een kapel ter ere van Maria te mogen inrichten in 1203 nog wordt omringd, blijkt wel hoe stevig de greep van de Benedictijnen op hun gasthuis was.
Hoewel onderworpen aan het gezag van de Benedictijnen, maken deze Hospitaalbroeders aanspraak op de relieken en willen ze zich het inzamelingsrecht toe-eigenen. Hun invloed is al gauw dermate groot, met name dank zij talrijke stichtingen, dat zij zich weldra als rivalen opstellen.
Met de vergunning om een onafhankelijke kapel op te richten, beginnen ze zich aan de invloed van de priorij te ontworstelen.
Een nieuwe bres, maar thans een zeer brede, werd in 1231 in de omwalling geschoten door de goedkeuring van de "eerste statuten" door de pauselijke legaat Walterus, bisschop van Doornik. Dat deze uitermate bescheiden van omvang waren en, gezien de reminiscenties aan de Regel van Sint Benedictus, niet anders zijn geweest dan de reeds lang in praktijk geldende leefregel, deed aan het gewicht van het feit geen afbreuk. De goedkeuring toch betekende niet minder dan de onafhankelijkheid van hun instituut.
Daarnaast moeten wij constateren, dat de tijdelijke doelstelling van het leven der Gasthuisbroeders een verandering begint te ondergaan. Het gasthuis met zijn eigen taak wordt naar de achtergrond geschoven. Dit wil niet zeggen, dat de gastvrijheid geheel verwaarloosd werd. Integendeel, zij blijft in de voorschriften van de orde steeds vermeld, maar zij werd op het tweede plan gesteld.
De ziekenverpleging wordt naar voren gehaald en de betekenis, welke hieraan gehecht wordt, komt tot uiting in de bouw van een hospitaal, het Groot-Hospitaal. Maar de termen als "Hôpital des estiménés, des démembrés, en des brûlés", waarmede het pleegt te worden aangeduid wijzen op een beperking van de ziekenverpleging tot lijders aan het Sint Antoniusvuur en tot verzorging van arme verminkte slachtoffers daarvan. Zij noemen zich ook bij voorkeur Hospitaalbroeders van Sint Antonius.
Naast het Groot-Hospitaal verrijst een gebouwencomplex, waarin alles te vinden is wat voor een volledig georganiseerde kloostergemeenschap nodig is. In de daarin aanwezige kapel van de H. Catharina wordt het koorgebed gebeden. Ook dit heeft zijn betekenis. De priesters-hospitaalbroeders distantiëren zich verder van hun oorspronkelijke taak. Deze dragen zij over op conversen of donaten, broeders en zusters.
Een relikwie van Antonius in de Assuncion kapel van het San José Convent in Avila.
Het aannemen van de regel van Sint Augustinus, hetgeen hun in 1247 door paus Innocentius IV werd toegestaan, wijst op een evolutie in de richting van Reguliere Kanunniken van Sint Augustinus.
Met al deze concessies was inderdaad veel bereikt, maar toch, het uiteindelijke doel was daardoor echter geen stap nader gebracht. Het gebeente van Sint Antonius, de oorsprong van het bestaan der Antonianen, op welks verering zij een organisatie hadden opgebouwd, die niet alleen West-Europa omspande, maar welker uitlopers zelfs het Nabije Oosten bereikten, bevond zich nog steeds in handen van de Benedictijnen. De lijder aan Sint Antoniusvuur, die naar Saint-Antoine kwam om genezing te zoeken, werd, na onderzocht te zijn in het hospitaal, naar de schrijn van de heilige in de priorijkerk gevoerd, om daar de voorspraak van de machtige wonderdoener in te roepen en de Saint Vinage te ontvangen en vervolgens naar het gasthuis-hospitaal om daar verpleegd te worden. En ook van de daar geofferde gaven bleven de Benedictijnen hun aandeel vorderen.
Dit dualisme verklaart de verwijdering, welke er in de loop der jaren ontstond tussen Gasthuisbroeders en Benedictijnen. Het verklaart de argwaan, waarmede dezen de ontwikkeling van de organisatie der Gasthuisbroeders gadesloegen en hun hardnekkig verzet tegen het verbreken van iedere band waarmede de Antonianen aan hen verbonden waren. De verwijdering ontaardde in afkeer, haat en fel antagonisme. Conflicten bleven niet uit. Pogingen van kerkelijke autoriteiten om tot een schikking te komen mislukten.
Opkomst van de Hospitaalbroeders en breuk met de Benedictijnen
Een proces van losmaking van het benedictijner gezag is op gang gekomen. Dit zal voleindigd worden onder de leiding van Aymon de Montagne, Grootmeester van de Hospitaalbroeders, aan wie de Abt van Montmajour "de priorij en al zijn dependances" overhandigt, klaarblijkelijk om een unie van beide gemeenschappen te vormen.
Toen de vinnige grootmeester der Antonianen, Aymon de Montagne, van Aynard de Chateauneuf, buiten weten van de Benedictijnen, het oude kasteel van de Motte met de daartoe behorende heerlijke rechten koopt, werden de Benedictijnen schaakmat gezet en laat de abt van Montmajour zich overhaast verleiden tot het tekenen van een overeenkomst, waarbij het beheer der priorij terstond overgaat aan de Antonianen.
Evenwel, zodra hij tot bezinning komt en begrijpt dat hij daarmede de priorij uitlevert aan zijn vijanden, zoekt hij steun in Rome, trekt zijn woord in en benoemt een broer van de temporele heer van Saint-Antoine tot prior. Dit was meer dan de ambitieuze grootmeester kon verwerken. Aan fr. Pierre de Parnans, commandeur van Chalon-sur-Saöne, draagt hij op de Benedictijnen uit de priorij te verdrijven. Het wordt prompt uitgevoerd. Geholpen door een bende gewapende satellieten overvalt hij in augustus 1290 in het holst van de nacht de priorij. De Benedictijnen hebben geen tijd en gelegenheid om aan de relieken te denken en nemen hals over kop de vlucht om nooit meer in Saint-Antoine terug te keren, niettegenstaande een gewapende tegenaanval, die Aynard de Chateauneuf ondernam om zijn broer te wreken.
Natuurlijk werd na dit gebeuren een beroep gedaan op de tussenkomst van de paus. Bonifatius VIII begreep, na beide partijen in de gelegenheid te hebben gesteld hun rechten uitvoerig te verdedigen, dat het niet mogelijk was de Benedictijnen te laten terugkeren naar hun priorij. Deze was voor hen niet van vitale betekenis. Hun belang kon volledig gewaarborgd worden in een jaarlijkse pensie. Daarom werd de priorij op die voorwaarde losgemaakt van het gezag van Montmajour.
Maar de paus deed meer en hieruit blijkt de grote invloed van de Hospitaalbroeders van Sint Antonius te Rome. Omwille van het gebeente van Sint Antonius werd de priorij verheven tot abdij en het hospitaal met al hetgeen daartoe behoorde verenigd met de abdij.
De Domnus of magister van het hospitaal wordt abt; de hospitaalbroeders kanunniken of fraters van het klooster van Sint Antonius. De hospitaliteit ten aanzien van de lijders aan Sint Antoniusvuur blijft voortbestaan. De goederen van de orde moeten bestemd blijven voor de dienst van deze ongelukkigen. De kloosterlingen zullen exempt zijn ten aanzien van de ordinarius en rechtstreeks onder de paus staan.
Aymon de Montagne had zijn levensdoel volledig bereikt. De Benedictijnen waren verdreven en voor zichzelf en zijn orde had hij het hoogtepunt van uiterlijke glorie bereikt. De Gasthuisbroeders met hun uitermate bescheiden verleden en nederige werkkring waren geëvolueerd tot kanunniken, die moesten leven volgens de Regel van Sint Augustinus. Aymon de Montagne, de laatste grootmeester werd de eerste abt.
Het reliekenkistje van Antonius bevindt zich achter het ovalen raster van het marmeren en bronzen reliquiarium, centraal in de abdij van Saint-Antoine.
Erkenning van de Antoniaanse Orde
De installatie van de Hospitaalbroeders in Saint-Antoine zal in 1297 door de pauselijke bul van Bonifatius VIII officieel worden. Deze betekent een beslissend keerpunt in de geschiedenis van de Hospitaalbroeders.Het Gasthuis wordt dan tot Abdij verheven, de Hospitaalbroeders worden reguliere kanunniken van Saint-Antoine en nemen officieel bezit van de benedictijner priorij, tegen betaling van een jaarlijkse rente van dertienhonderd Tournoy ponden. In theorie een einde aan de twisten makend die beide instellingen tegenover elkaar stellen, verleent Bonifatius VIII aan de recentelijk gecreëerde religieuze orde gelijkelijk expliciete statuten.
Het vroegere Hospitaal in Saint-Antoine l'Abbaye is nu in gebruik als steenhouwers atelier waar stenen bewerkt worden voor de renovatie van de abdij.
Volgens de Regel van de Heilige Augustinus moeten dertig kanunniken of broeders in het klooster leven. Zij moeten de liefdadigheid jegens de zieken uitoefenen die door het Heilige Vuur zijn getroffen, maar eveneens jegens de pelgrims. Op hun habijt dragen zij het insigne van de Orde, de “kruk” of blauwe Tau. 210 religieuzen worden over de negenendertig dependances van de Orde verdeeld die elk door een gouverneur worden bestuurd.
Met de Bul Ad apostolica dignitatis, van Orvieto dd. 10 juni 1297 scheidt Bonifatius VIII de abdij van Montmajour en het Hospitaal van Saint-Antoine.
Overtuigd van de onmogelijke coëxistentie van beide gemeenschappen, ontheft de Paus de priorij van Saint-Antoine "met zijn kerken, leden, rechten en afhankelijkheden, van elke macht, geestelijk en tijdelijk, rechtspraak, het recht en het bestuur van het klooster van Montmajour" en verheft deze tot abdij waaraan "het hospitaal, met al zijn leden, in welk deel van de wereld dan ook, hun dependances en rechten..." is onderworpen.
De Hospitaalbroeders moeten niet meer Meesters of broeders van het Hospitaal genoemd worden, maar volgens hun rang, Abten of kanunniken van het klooster van Saint-Antoine. Hun eerste roeping van bijstand en liefdadigheid moet "in dit hospitaal worden voortgezet zoals in de anderen die eraan ondergeschikt zijn...".
De orde, nieuw opgericht, geniet van de vrijstelling "van elke rechtspraak, macht, onderdanigheid en leenplichten van de Aartsbisschop, Bisschop en van de ordinarius..." om alleen maar te ressorteren "zonder enige bemiddelaar onder de enige paus van Rome...".
Op 17 juni 1297 verheft Bonifatius VIII Aymon de Montagne, Grootmeester van de Hospitaalbroeders tot de waardigheid van abt. Vanaf deze datum houdt de Paus niet op met de bullen voor de Orde te vermenigvuldigen, die hen aldus een onophoudelijke steun waarborgt.
In naam van de heilige Antonius, blijven zij de gelovigen ophitsen, gesteund door de Heilige Stoel waarmee zij een bevoorrechte band blijven onderhouden. In augustus 1298, bevestigt Bonifatius VIII door de bul Romanus pontifex, het recht van inzameling van de Kanunniken, door de priesters op te roepen "om de broeders collectanten van het Ziekenhuis waardig te ontvangen, om het volk op de hoogte te brengen van hun komst en om geen andere inzamelingen te doen, opdat de aalmoezen van de armen niet verloren gaan".

Op het generaal kapittel, dat in 1298 werd gehouden, werden de statuten aangepast aan de eisen, welke de nieuwe situatie stelde. Volgens de historici van de orde kon men de glans van trots en glorie aflezen van de gezichten der aanwezigen. Wij nemen dit gaarne aan, want wij zijn ervan overtuigd, dat zij zich niet bewust geweest zijn, dat zij op de liefdadigheid van de gelovigen met onverantwoord enorme kosten een volkomen overbodig instituut hadden opgebouwd.
Antonius met korte T-staf, legt zijn rechterhand op een donor, of Antoniaan, met collier om de hals, met T en klokje eraan.
Van de 12e tot de 15e eeuw, staan door een conflict zonder precedent Hospitaalbroeders en Benedictijnen tegenover elkaar. Het probleem van de inzamelingen, de latente overmacht van het Gasthuis op de Priorij, maar ook de ruzie die rond de relieken van Antonius de Egyptenaar is begonnen, wakkeren de wrevel aan.
De geforceerde unie van de benedictijner priorij met het Ziekenhuis maakt de Kanunniken tot de officiële houders van de relieken. Nochtans willen de Benedictijnen, die zonder voorafgaande raadpleging de bons hebben gekregen, hun rechten naar voren brengen.
Bewerend de relieken van Antonius de Egyptenaar in Arles in handen te hebben, ondanks de talrijke echtheidsonderzoekingen die in de Abdij van Saint-Antoine sinds 1307 werden gehouden, protesteren zij eveneens tegen de onzekere storting van hun jaarlijkse uitkering.
De wederzijdse beschuldigingen waaraan beide gemeenschappen zich overgeven, leiden tot een verschijning voor het Concilie van Bazel van 7 november 1433 tot 30 april 1438.
De meeste stukken die door de Hospitaalbroeders worden geleverd, berusten alleen maar op legendes en de naar voren gebrachte gegevens zijn vaak in strijd met historisch bewezen feiten.
Natuurlijk, zolang de Benedictijnen de priorij van Saint-Antoine bezetten, kunnen de Hospitaalbroeders niet op een historisch gezag aanspraak maken. Na 1297, als zij ondergebracht zijn in een abdij die kerkrechterlijk in hun voordeel wordt opgericht, stellen zij "een geschiedenis" op die dat zou kunnen rechtvaardigen, volgens henzelf dan. Alle documenten die zij overleggen worden meteen als oorspronkelijk toegelaten, terwijl een groot aantal daarvan geen enkele [historische] grondslag hebben.
De vestiging in Saint-Antoine vindt dus door veel verwarde aspecten plaats, maar de Hospitaalbroeders proberen het mooier te maken door "wonderbaarlijk verhalen" die door de historiograaf van de Orde, Aymar Falco, in 1534 worden voortgezet.
Het is pas in 1495 dat beide gemeenschappen definitief hun eisen [en wederzijdse beschuldigingen] opgeven. Hoewel toch ook nu nog blijkt dat ze het wat de relieken betreft in ieder geval niet met elkaar eens zijn.
Kanunniken
In tegenstelling tot de kloosterorden die aan een strikte regel gehoorzamen, houden de orden van Kanunniken die in de Karolingische tijd ontstonden, zich wel bezig met religieuze en materiële functies, en zijn ze niet gebonden aan de naleving van armoede en afzondering van de wereld of aan ascetische praktijken.
De kanunniken van kapittelkerken, van abdijen en de ordebroeders gehoorzamen meestal aan de Regel van de Heilige Augustinus. Deze betrekkelijk soepele regel van communautair leven staat de religieus toe om over eigen goederen te beschikken, en verschaft tevens een opening naar de gemeenschap waaraan zij actief deelnemen.
Aldus staan de kanunniken in dienst van God, maar ook van de mensen door het onderwijs, de preek, en de charitas die met name door degenen wordt beoefend, voor wie de roeping van opvang en verzorging een prioriteit is, zoals de Kanunniken van Saint-Antoine.
Heures à l'usage des Antonins;
Clermont-Ferrand, 15e eeuw. IRHT.
Antonius (r) met een Antoniaan.
Beiden met een blauwe T op de schoudermantel.
De eisen van toelating tot de orde van Hospitaalbroeders in Saint-Antoine waren gelijk aan die van andere kloosterorden. Na een proefjaar mocht de novice, als deze ten minste veertien jaar was en door het huiskapittel geschikt bevonden was, met toestemming van de abt worden toegelaten tot de plechtige geloften van gehoorzaamheid, zuiverheid en armoede. Na deze gelofte was hij een volwaardig lid van de orde.
Van de drie geloften was die van armoede maar betrekkelijk. De statuten van 1367 lichtten er reeds de hand mee door te verklaren, dat de profes slechts eigendom mag bezitten met toestemming van zijn overste. Bovendien is met strikte armoede niet in overeenstemming te brengen het bezitten van een of meer beneficiën en een jus spolii.
Het dichtst bij de armoede stonden nog de gewone kanunniken, want deze waren voor kleding en levensonderhoud aangewezen op de commandeur, waarnaast zij nog recht hadden op hun prebende, en een aandeel in de misstipendia.
De huidige abdij van Saint-Antoine l'Abbaye
en kloostergebouwen.
Vanaf de 12e eeuw, is deze evangelische zorg de basis van een nieuw soort bestaan dat op boetedoening en armoede is gebaseerd, dat van de bedelorden. De broeder-predikers en de minderbroeders, verre van zich te isoleren, doorkruisen de wegen, en richten talrijke kloosters in het merendeel van de steden van West Europa op. Als “stadsorden” onderwijzen zij aan de universiteiten, preken het Evangelie en wijden zich aan alle vormen van apostolische ambten. De bedelmonniken nemen stelling in politieke en religieuze zaken, voeren acties over een groot territorium en niet meer onder dekking van de kloosters, een beetje op de manier van de ridderorden die een eeuw eerder verschenen.
Nu vermelden de reformstatuten van 1477, dat alle bezittingen en inkomsten van de orde, zowel van het moederhuis als van de leden, bestemd waren en altijd bestemd moesten blijven voor de verpleging van lijders aan Sint Antoniusvuur en voor de verzorging van arme slachtoffers daarvan, die niet meer in hun onderhoud konden voorzien. Voor het overige moesten zij aangewend worden tot onderhoud van de commanderiegebouwen en van de inrichting daarvan en tot verhoging van de luister van het huis des Heren. Alle inkomsten! Dus ook die van de quest? Inderdaad. En deze eigenlijk nog wel in ieder geval, omdat de gaven bij elkaar gebedeld werden onder het motto "voor de verzorging van de arme lijders aan en slachtoffers van Sint Antoniusvuur!" En nu zijn het juist die gaven geweest, die het minst voor dat doel besteed zijn.
Wij kunnen ons de quest in oorsprong niet anders voorstellen dan dat de termijngangers hetgeen zij ontvingen zonder meer afdroegen aan de overste, die hen had uitgezonden en dat dit ook werkelijk werd besteed voor het doel waarvoor het gevraagd was. In de loop der jaren echter is de quest gedegenereerd van een eerlijk beroep op de milddadigheid van de gelovigen uit liefde tot God tot een exploitatie van de psychologische instelling van de goedgelovige middeleeuwers ten opzichte van de heiligen, i.c. de magiër Sint Antonius. Deze werd gestimuleerd door het meevoeren van relieken van welke werd voorgegeven dat zij afkomstig waren van de vader der kluizenaars. Boccacio schreef in zijn Decamerone een zeer vermakelijk verhaal over deze questeerders en het misbruik dat zij maken van het bijgeloof van het volk.
Ook ten aanzien van de bestemming van de offergaven moeten wij spreken van een degeneratie. Kwamen deze aanvankelijk werkelijk ten goede aan de lijdende mensheid en haar verzorgers, na verloop van jaren was dit zeker niet het geval. Naarmate de hospitaalbroeders zich evolueerden tot Reguliere kanunniken besteedden deze die inkomsten grotendeels voor zich zelf, die met ziekenverpleging weinig of niets hadden uit te staan. Uiteindelijk was het de commandeur die de buit incasseerde.
Bloei en expansie van de Orde
In de Middeleeuwen zijn de kloosters en de abdijen centra van prestige en invloed.
De artistieke schepping ontplooit zich door de persoonlijke actie van de prinsen van de Kerk, kardinalen, bisschoppen, abten of kanunniken. Als opdrachtgevers of ontvangers van giften en stichtingen, ontwikkelen zij zich aan de grote Europese hoven totdat ze bevoorrechte functies bezetten die vaak politiek van aard zijn.
In Saint-Antoine en in talrijke Europese commanderijen van de Orde getuigen de aanwezigheid van invloedrijke prelaten, de komst van prinsen en soevereinen, los van de eenvoudige devotionele bedevaart, van het belang dat toegekend wordt aan de politieke oogmerken.
In dit kielzog dragen de koningen Charles V, Charles VII en Louis XI, en Jean Galeas Visconti, hertog van Milaan, en Sigismond, de Duitse keizer door vrome stichtingen en belangrijke legaten bij aan de verrijking van de Orde.
De orde moedigt door luxueuze bestellingen de grootste artiesten van die tijd zoals Matthias Grünewald, Martin Schongauer of Hans Holbein aan.
De orde van de Hospitaalbroeders van Saint-Antoine onderscheidt zich vanaf 13e eeuw op diplomatiek terrein. Aangemoedigd door de welwillende actie van het pausdom ten opzichte van hen en het vernieuwde vertrouwen van de soevereinen en heren die hen, onder nog meer voordelen, van belastingen en cijns vrijstellen, bekleden de Hospitaalbroeders van Saint-Antoine een invloedrijke positie.
Als luisterrijke 'bemiddelaars' tussen de mens en God, weerspiegelen de middeleeuwse religieuze schatten, dankzij devotie en bijgeloof, een geestdrift van het geloof zonder weerga. De versieringen en het liturgische vaatwerk en kistjes, instrumenten van verering, maar vooral de reliekhouders die een vurige vroomheid uitstralen, worden in zilver en goud gebeiteld, versierd met edelstenen of in schitterende kleuren geëmailleerd, ter meerdere glorie van God.
Het beeld van Antonius in Saint-Antoine l'Abbaye; het is nogal stoffig.
Deze blijken van devotie — echte juwelen — helpen de invloed van de geestelijkheid op de monarchen te versterken en gelijktijdig galvaniseren zij de bewondering en aanbidding van de gelovigen.
De schatten van de bedevaartskerken bevatten kostbare reliekhouders, genezend en beschermend, die je alleen maar hoeft aan te raken om genezen te worden. Behalve dat ze krachten overbrengen, worden de reliekhouders eveneens voorwerpen van pronkzucht die de prinsen en de heren aan hun wapenschilden bevestigen.
Naar het voorbeeld van de reliekschrijn van Sint Antonius van goud, zilver en edelstenen of de arm-reliekhouder bewerkt in goud en bezet met edelstenen, die in 1374 door Jean Galéas Visconti aan de hertog van Milaan wordt aangeboden, vormen talrijke reliekhouders, kruizen, heilige kelken of vazen in de Middeleeuwen de Schat van de abdij van Saint-Antoine.
Deze vrucht van vrome schenkingen zal jaloers door de religieuzen bewaakt worden, tot hun verdwijning aan het einde van 16e eeuw door de godsdienstoorlogen.
Het prentenboek Liber vita sanctissimi Anthonii Abbatis
In het begin van de 14e eeuw leefde in de abdij van St.-Antoine een monnik, Jean Macellard, die een reeks van episoden uit leven en legenden van S. Antonius beschreef. De kloosterling heeft de voldoening gesmaakt, dat zijn werk werd gewaardeerd door zijn medebroeders. De groot-prior, Guigue Robert de Tullins, vond het zelfs zo aantrekkelijk, dat hij verschillende episoden in beeld liet brengen op een groot linnen doek. Dit werd bestemd om rond de abdijkerk te worden gespannen op Hemelvaartsdag, als de orde der Antonianen haar generaal-kapittel hield en de reliekschrijn met het gebeente van S. Antonius door de hoogste adel in plechtige processie werd rondgedragen en talloze pelgrims naar St.-Antoine kwamen, om de geliefde heilige te eren . De schilderingen leerden de menigte leven en legende van S. Antonius en haar indrukwekkende schoonheid hielp de devotie tot de heilige verdiepen.
Het beschilderde doek werd bewaard in de sacristie, waar de schatbewaarder het gaarne vertoonde aan personen van hoog aanzien die de abdij met hun bezoek vereerden. Dit was echter wel een omslachtig werk en oefende ook een nadelige invloed uit op het schilderwerk. Daarom gaf de groot-prior opdracht om een boek te vervaardigen, waarin de afbeeldingen van het doek in miniatuur zouden zijn overgenomen.
Het werk kwam gereed in 1426. Aanvankelijk bevatte het 102 folio's, waarop 204 miniaturen waren gepenseeld — w.o. 196 miniaturen met voorstellingen uit leven en legenden van S. Antonius. De laatste van de miniaturen stelt voor de aanbieding van het boek aan S. Antonius.
[zie hieronder]
Er zijn twee exemplaren van dit prentenboek: één in de bibliotheek van Malta, en één in Florence.
Op de Malteser site kwam ik betreffende de patroon andere informatie tegen: het zou de toenmalige Prior zijn geweest, Guigue Robert de Tullins.
En verder nog: de illustraties waren door Meester Robin Fournier van Avignon geschilderd en de Latijnse tekst was verzameld door Jean Macellard en geschreven door Pierre Pierre van Istres, Provence.

Deze afbeelding is de laatste uit het Liber vita sanctissimi Anthonii Abbatis, uit het exemplaar in de Biblioteca Medicea Laurenziana in Florence.
Deze afbeelding toont de toenmalige Prior van de Antoniaanse commanderie van Chambéry, broeder Jean de Montchenu, die het boek opdraagt aan Antonius.

De eerste prent, van Athanasius die de Vita van Antonius schrijft, uit het Florentijnse exemplaar, zie pagina.
Deze afbeelding is uit het exemplaar van de Liber vita sanctissimi Anthonii Abbatis. Dauphiné, 1426, in de Bibljoteka Nazzjonali ta' Malta.
De gestorven Antonius in de rieten mantel die hij van Paulus van Thebe geërfd had. Zijn twee leerlingen treuren om hem. De engelen links dragen een vaandel dat oorspronkelijk tot de Tempeliers behoorde maar hier verwijst naar de Ridderorde gewijd aan Antonius, waarschijnlijk de Ordre Militaire et Hospitalier de Saint-Antoine en Barbefosse. Op de achtergrond dragen engelen zijn ziel ten hemel.
Dit boek bleef aanvankelijk in de abdij te St.-Antoine bewaard. Het werd tijdig in veiligheid gebracht voor de plundering door de Hugenoten in Juni 1562. Ook overleefde het de ruïneuze aanval op de abdij in 1567.
In 1584 was de rust voldoende hersteld en [werd] het kunstwerk uit zijn schuilplaats te voorschijn [gehaald].
Later werd het nog gebruikt te Rome als model voor de fresco's [van] de priorij der Antonianen te Rome, nu de Sant'Antoni Abate kerk.
In 1871 werd het overgebracht naar Malta, waar het thans nog berust in de openbare bibliotheek van La Valetta. Deze overbrenging was een gevolg van de inlijving van de orde der Antonianen in 1777 bij de ridderorde van S. Jan van Jeruzalem, die op Malta haar hoofdzetel had.
Roem en rijkdom van de Orde
Het Gasthuis blijft sinds zijn stichting bezig zijn roem en zijn rijkdommen te vergroten.
Tegen 1150-1190 zijn er dependances in Italië (Ranvers, 1156), alsmede in Vlaanderen (Bailleul [nu Frankrijk], 1160). Dependances verspreidden zich over geheel Europa, en zelfs daarbuiten, zoals Saint-Jean van Acre (1218), Constantinopel (1256) en Rhodos (1392). Zij worden in de Germaanse landen meestal door aankoop of schenking verkregen, zoals te Memmingen (1214), Grünberg (1218), Tempzin (1222) maar ook in Keulen (1298) of Isenheim (1313), die de territoriale uitbreiding naar het Noorden en het Noord-Oosten afbakenen, tot aan Maastricht toe (1236).
De Hospitaalbroeders veroveren geleidelijk de Italiaanse staten, het koninkrijk Engeland en het Iberisch schiereiland.
In 1478 beschikken de Hospitaalbroeders over driehonderdzeventig huizen, priorijen en ziekenhuizen die aan de orde van Saint-Antoine-en-Viennois ondergeschikt zijn, volgens een nauwkeurige hiërarchie, gesegmenteerd in algemene commanderijen, subalterne commanderijen, priorijen, ziekenhuizen en aalmoeshuizen.
Maar de vraag is, wat hebben wij te geloven van de verzorging van arme slachtoffers van Sint-antoniusvuur, welke zij zegden te verplegen in ruim 350 hospitalen van de orde?
Men ziet in zijn geest de geslagenen door het Sint-antoniusvuur, mensen met 'brandende' of 'verkoolde' handen, voeten, neus, ogen, lippen of kaakvlees, optrekken naar het moederhuis en de andere huizen van de orde, en dat in een onafgebroken file. In de geest zien wij dan de chirurgen van het Groot-Hospitaal te Saint-Antoine dagelijks bezig met het amputeren van door Sint-antoniusvuur aangetaste ledematen.
Het antwoord hierop geven ons de oude kronieken, mits met de gave des onderscheids gehanteerd. Niet alle ziekten, welke daarin met de naam van St.-Antonius zijn verbonden, waren in werkelijkheid Sint-Antoniusvuur.
Zo is de meermalen genoemde ziekte der brandenden, 'mal des ardents', geïdentificeerd als builenpest, [zoals] de ziekte van de lijder [afgebeeld] op het Isenheimer altaar (zie links). Na de schifting van vele berichten uit vele kronieken blijkt, dat het werkelijke Sintantoniusvuur, het gangreneuze ergotisme, in de 10e, 11e en 12e eeuw zeer veelvuldig is voorgekomen, zij het steeds zeer regionaal.
In de 13e eeuw begint het belangrijk af te nemen. Daarna wordt het nog wel geconstateerd, maar er is geen sprake meer van veelvuldige omvangrijke catastrofen.
Analoog hieraan mogen wij aannemen, dat er een tijd is geweest dat er zeer veelvuldig een beroep is gedaan op de naastenliefde der Antonianen, die eind 11e eeuw uit zulk een catastrofe geboren zijn. In overeenstemming daarmede valt de sterkste uitbreiding van hun organisatie dan ook in de eerste paar eeuwen van hun bestaan, om na de 13e eeuw sterk af te nemen.
Dat het Antoniusvuur een vreselijke ziekte was, moge blijken uit dit detail van Grünewald's Verzoeking van St. Antonius op het Issenheimer retabel, dat in het Museum in Colmar hangt. In het algemeen wordt aangenomen dat hier een lijder aan het Antoniusvuur is afgebeeld met zweren, puisten en afstervende ledematen. Maar Noordeloos suggereert (hierboven) dat het builenpest zou zijn.
Parallel met deze historische gang van zaken evolueert de orde. Nadat de hospitaalbroeders van St.-Antonius reguliere kanunniken zijn geworden, wordt de ziekenverpleging toevertrouwd aan broeders- en zusters-ziekenverplegers, conversen, donaten en oblaten. Zij is bovendien beperkt tot de verzorging van slachtoffers van het Sint-antoniusvuur.
Deze verandering betekende in het algemeen het einde van de ziekenverpleging in de orde. In overeenstemming hiermede treffen wij dan ook in de geschiedenis van de afzonderlijke huizen, een heel enkel uitgezonderd, nooit gegevens aan over verpleging. Wel het tegendeel. In 1505 had een edelmoedige gever nog een commanderie gefundeerd te Amelia ter verpleging van Sint-antoniusvuur patiënten. In 1574 vindt een apostolische visitator in een souterrain twee verwaarloosde bedden, de enige herinnering aan het oorspronkelijk doel der inrichting. In Maastricht was de situatie niet anders. Nooit wordt er melding gemaakt van ziekenverzorging en toen de Antonianen bij het uitbreken van de pest in 1633 gelegenheid kregen hun hooggeroemde liefde tot de evennaaste in praktijk te brengen, sloten zij de poorten en borgen zij het vege lijf. [Zie hieronder.]
Nu kan men heel de metamorfose van de Antonianen hun goed recht noemen, en dat willen wij gaarne toegeven, maar dan hadden zij ook moeten afzien van het exploiteren van het medelijden van de te goeder trouw zijnde gelovigen op motieven die niet overeenkwamen met de werkelijkheid. Want de bewering, dat de gaven waren bestemd voor de verzorging van slachtoffers van het Sint-antoniusvuur is feitelijk een gewetenloze misleiding.
Dit alles doet natuurlijk niet de minste afbreuk aan de verdiensten van de ontelbaren, die hun vaak zeer milde gaven offerden ter ere van St.-Antonius en in de overtuiging, dat deze ten goede zouden komen aan de lijdende mensheid.
De pelgrimage naar Saint-Antoine.
De plaatsen van bedevaart bevorderen de vestiging van specifieke opvanggelegenheden, die door religieuzen worden beheerd, waarbij vanaf de 12e eeuw de Hospitaalbroeders van Saint-Antoine een voorrangspositie innemen.
Door de honderden ziekenhuizen, eigendommen en gestichten die onder hun gezag staan, zijn ze op alle kruisingen van de grote bedevaartswegen te vinden.
De belangrijke vestiging van Saint-Antoine de Ranvers, in het dal van de Suze in Italië, vormt een van de niet te ontwijken bakens op de weg die naar Rome, Santiago-de-Compostella en Jeruzalem leidt. Men ontvangt er de pelgrims na het gevreesde overschrijden van de Alpen via de passen van Mont-Cenis en Mont-Genèvre.
De Hospitaalbroeders van Saint-Antoine, net als die van Sint Jan van Jeruzalem moeten gastvrijheid aan pelgrims bieden, maar ook aan reizigers, zieken en in nog ruimere zin aan armen, bedelaars en randfiguren. Hun huizen oefenen de functie van logement uit, die voor een bepaalde tijd kost en inwoning aanbieden.
Verspreid langs de via Francigena, de Romeinse weg bij uitstek, en de camino Santiago verlenen de Antoniaanse commanderijen van Freiburg in Duitsland, Bazel, Bern, Bailleul in Vlaanderen [nu in Frankrijk], Avignon, Montpellier en Toulouse, maar ook Troyes en Aubeterre, om alleen de beroemdste onder hen te noemen, een absoluut noodzakelijke hulp op onzekere wegen.
Saint-Antoine is niet alleen een van de verplichte etappes op de weg naar Santiago-de-Compostella maar vormt ook een volwaardige bedevaartsbestemming op zichzelf.

De bloei van Saint-Antoine houdt verband met een dubbele taakstelling, therapeutisch en liefdadig, en met het patronage van Sint Antonius, een van populairste genezende beschermheiligen van de Middeleeuwen.
Tegelijk met de bedevaart van devotie of boetedoening, inherent aan de verering van Sint Antonius, ontwikkelt zich een bedevaart van intentie, meer in het bijzonder gevolgd door een bedevaart van zieken die door de verschrikkelijke Vuurziekte zijn getroffen.
In de 14e eeuw geniet Saint-Antoine een zekere en onbetwistbare faam. Aangeduid op talrijke kaarten, naast andere belangrijke plaatsen van het Geloof, trekt Saint-Antoine ruim profijt van de inzamelingen, giften, stichtingen en verkoop van vaandels, die door de vrijgevigheid van de koninklijke, prinselijke of pauselijke bedevaarten worden versterkt.
Heures à l'usage de Jean de Montauban; 15e eeuw; Bibliothèque National de France; Parijs. Antonius in de vlammen, met zijn varken achter zich, aangeroepen door het volk, zieken en kreupelen.
Antoniusvuur
In de Middeleeuwen worden aandoeningen van de huid, hetzij licht besmettelijk of epidemisch zoals lepra, de pest en de Vuurziekte, als zinnebeelden van de zonde gezien. Voortdurend de verbeeldingskracht treffend, lijken zij een goddelijke straf, waar de geneeskunde machteloos tegenover staat. Het beroep op heilige genezers, maar ook op het openbare berouw, gaat vooraf aan de lange stoeten van flagellanten, die vanaf de 14e eeuw de westerse Christenheid als teken van collectieve boete doorkruisen.
In deze periodes van onzekerheid, trekken bedevaarten een groter publiek, en nemen de schenkingen aan de Kerk toe.
Onder de plagen die het middeleeuwse Westen treffen, zijn de Vuurziekte en de pest het dodelijkst.
Kreupelen en lijders aan het Antoniusvuur.
Tapisserie de Bruxelles, detail. 16e eeuw.
Palacio Real Madrid.
Voor meer over Antoniusvuur en ergotisme, zie pagina.
Geneesheren en geneeswijzen in Saint-Antoine
De Kanunniken van Saint-Antoine onderscheidden vanaf de 12e eeuw twee vormen van de Vuurziekte, namelijk die met stuiptrekkingen en die met koudvuur en versterf, en legden een verband met het besmette roggebrood.
Zij verstrekten dan ook in de ziekenhuizen van de Orde brood van betere kwaliteit (het graan wordt gezeefd om het moederkoren eruit te halen) en veranderden de voedselgebruiken van de zieken door meer eiwitten te nuttigen, waaronder meer varkensvlees.
In Saint-Antoine bouwden de Hospitaalbroeders vanaf 1256 een ziekenhuis hoofdzakelijk bestemd voor esthioménés, kreupelen, slachtoffers van de Vuurziekte. In de 15e eeuw werd dit het Grote ziekenhuis of Hospitaal Majeur, voorzien van een eigen bestuur en beschikkend over aanzienlijke inkomsten afkomstig uit aalmoezen en de jaarlijkse bijdrage die aan elke commanderij van de Orde wordt opgelegd. Volgens de statuten van 1478 moesten de Kanunniken op de eerste plaats de Vuurziekte verzorgen, maar zij ontvingen in hun ziekenhuizen periodiek zieken die door de syfilis waren getroffen en hielpen in hun sanatoria en leprozenhuizen die buiten de steden werden gebouwd, pestlijders zoals leprozen.
Een paar voorbeelden van slachtoffers van het Antoniusvuur. Beide zijn details van het centrale paneel van het drieluik van Bosch, de Verzoeking van de Heilige Antonius. De man links op de plaat links is een kreupele muzikant die de ziekte overwonnen heeft. De man met de hoge hoed, hierboven, heeft zijn afgevallen voet voor zich op een witte doek gelegd, een strategie van veel bedelaars in die tijd als ze lijders aan de ziekte waren geweest.
Voor meer over Geneesheren en geneeswijzen, zie pagina.
Verval van de Antonianen en het opgaan in de Tempeliers
Vijf eeuwen hebben de Antonianen bestaan als Reguliere Kanunniken van Sint Augustinus van Saint-Antoine de Viennois. Vijfendertig abten hebben aan het hoofd gestaan van deze orde, die rond het midden van de 14e eeuw werd opgevoerd tot een hoogtepunt van uiterlijke luister en glorie dat, eenmaal gepasseerd, nooit meer bereikt werd. Enorme bedragen werden besteed aan de verfraaiing van het abdij complex en zijn omgeving. De orde steeg in aanzien bij kerkelijke en wereldlijke autoriteiten.
Maar dan wordt het lichaam van de orde gespleten in twee obediënties tengevolge van het Westerse Schisma (1387-1417).
De grondslagen, waarop de orde was opgetrokken blijken maar weinig druk te kunnen verdragen. De tucht bezwijkt. Een zware inzinking volgt, financieel en moreel. Men tracht het verval van de orde te stuiten door hervorming. De statuten van 1477 zijn hiervan het resultaat. Maar deze hervorming ging er veel te gemakkelijk in om radicaal te zijn. Zij tastte het kwaad niet in de wortel aan. Zij bleef marchanderen met de H. Armoede. Het euvel van het bezit van een of meer beneficiën en het commendatair instituut werden niet uitgeroeid. De orde bleef nog altijd hechten aan "verzorging van lijders aan en slachtoffers van het Sint Antoniusvuur" terwijl er op dat stuk in het algemeen niets meer te verzorgen en te verplegen viel.
Niettemin had het er aanvankelijk de schijn van, dat de hervorming geslaagd was. Maar nog voor 1500 werd de orde, die niet in provincies was verdeeld, feitelijk uiteengereten tengevolge van de machtswellust, die de Fransen in 1494 naar Italië dreef. Door deze strijd werden niet alleen Italianen, maar ook Spanjaarden vijanden van het moederhuis. Deze afkeer werd nog verhevigd door de bloedige vete welke Frans I en Karel V op de ruggen van hun volkeren uitvochten. In verband met deze krijgsbedrijven schoot de commanderie van Vlaanderen er het leven bij in.
Ondertussen ontwikkelde zich het drama der hervorming, die al wat kloosterorde was door haar ontbindende werking aan een uitermate zware krachtproef onderwierp. Deze kostte haar voorgoed alle huizen in Zwitserland, Engeland, Schotland en Scandinavië en het grootste gedeelte van de Duitse nederzettingen. Tot overmaat van ramp ruïneerden Hugenotenbenden in de zestiger jaren de abdij en meerdere andere huizen in Frankrijk door plunderingen en brandschattingen.
Om zulke vernietigende slagen te kunnen verwerken zou de orde in staat moeten zijn geweest tot een krachtige innerlijke concentratie en een volledige heroriëntering op de nieuwe omstandigheden. En het is haar feitelijk fatum geweest, dat haar beide hebben ontbroken.
Er volgen een paar honderd jaar van 'exhibitionistische zelfverrijking', zucht naar praal die uit de inkomsten van de orde bevredigd moet worden, en geen effectief bestuur.
De abdij was materieel geruïneerd door de Hugenoten, maar de orde geestelijk door haar eigen abten. Geen wonder dat de kerkelijke en wereldlijke autoriteiten zich afvroegen of het geen tijd werd dit overbodig instituut op te ruimen en de goederen ter beschikking van meer vitale orden, bijv. de Jezuïeten, te stellen. Hier en daar is men er wel in geslaagd, maar de orde als zodanig wist dank zij de verwarring der tijden haar bestaan te rekken.
In 1634 werd de Reformcongregatie van de H. Antonius van Saint-Antoine de Viennois opgericht. Voor ons is hierin van belang, dat alle beneficia, ambten met de daaraan verbonden inkomsten, die voor het leven werden vergeven, werden opgeheven. Men kende alleen nog maar officia, waarvan de bekleders door het generaal kapittel werden benoemd voor de tijd van drie jaar en, wanneer de omstandigheden dit wettigden, binnen die tijd afzetbaar waren. Alle inkomsten kwamen ten goede aan de gemeenschappelijke tafel.
Eind 17e eeuw poogde men de orde meer reden van bestaan te geven, door haar leden te vormen tot goede theologen, predikanten en biechtvaders en tot slagvaardige controversisten. Maar, gedreven door bepaalde intriges streefde het Franse hof er ernstig naar om de orde met die van Sint Lazarus te verenigen. Het is niet gelukt, maar de keuze van een abt werd er twee en een half jaar door opgehouden.
En de hierna benoemde abt trok zich niets aan van statuten en hield er een verkwistende en twistende levenswijze op na. En, een enkele uitzondering daargelaten, gaat dit zo maar door.
Halverwege de 18e eeuw viel er tegen stromingen gestuwd door Jansenisme, Vrijmetselarij en Rationalisme viel niet meer op te roeien. Er was nog een abt, die mocht menen het leven van de orde te redden door haar oppervlakkig een schitterend aanzien te geven, door een soort academie te stichten ter vorming van theologen, litterators, oudheidkundigen en kunstenaars; de kerk en inzonderheid het abtshuis mocht hij verfraaien, dit alles voorkwam niet dat de orde uitstierf.
De bijl wordt aan de wortel gelegd door Léoménie de Brienne, aartsbisschop van Toulouse, geestverwant van de encyclopedist d'Alembert en overigens een weinig fortuinlijke minister van financiën van Lodewijk XVI. Van hem wordt gezegd, dat hij misschien in God geloofde maar zeker niet in de openbaring van Jezus Christus. Als lid van een commissie, door de koning, op drijven van de nieuwlichters, ingesteld om maatregelen te beramen ter hervorming van het kloosterwezen in Frankrijk, had hij de gelegenheid zijn haat tegen de kloosterlingen in het algemeen en die tegen de Antonianen in het bijzonder bot te vieren. Het begon met een decreet, waarbij de leeftijd voor professie op 21 jaar werd gesteld, hetwelk gevolgd werd door een verbod, novicen aan te nemen en vreemdelingen in de huizen op te nemen. Ten slotte werd in 1773 gelast alle huizen, met minder dan twintig bewoners terstond te sluiten. Dit was voor de Antonianen fataal, want geen enkel huis, de abdij uitgezonderd, had ooit zoveel inwoners tegelijk geteld.
Alle verzet eindigde in 1774 in een decreet, waarbij hun gelast werd zich verdienstelijker te maken voor Kerk en Staat! Dit stelde hen voor de beslissing: ontbinding, uitsterven of incorporatie. Aan dit laatste werd de voorkeur gegeven. Een ogenblik viel hier ook toen weer de naam Sint Lazarusorde, maar het werd: Hospitaalbroeders van Sint Jan van Jeruzalem.
De paus gaf hieraan de kerkelijke sanctie in de bul "Rerum humanarum" van 1776 en de interpretatieve bul "Apostolicae providentiae" 1777.
De orde telde toen nog 211 priesters professen en 11 conversen. Zes en twintig huizen in Frankrijk gingen met het moederhuis aan de Johannieters over. Ten aanzien van enige andere werden bijzondere beslissingen getroffen.
Volledigheidshalve zij nog vermeld, dat de vereniging één grote desillusie is geworden. Hun geest — wij zullen maar niet spreken van spiritualiteit — kwam begrijpelijkerwijze helemaal niet overeen. De Antonianen, nu opgenomen in de kapelaansklasse, werden meer behandeld als overwonnenen dan als ordebroeders.
De bezittingen werden geplunderd en geliquideerd als oorlogsbuit. De verplichting om ter ere van het gebeente van Sint Antonius in de orde-abdij een priorij te vestigen werd niet nagekomen. De vreugde van de Johannieters heeft maar kort geduurd. De Franse revolutie vaagde hen weg uit Frankrijk.
Voor het hedendaagse Saint-Antoine-l'Abbaye, zie op de pagina "Saint Antoine".
De praktijken van de Antonianen
De queste Aflaten De Kleding van de Antonianen
De queste
[P. Noordeloos:] De afbeelding van een Antoniaan, in vaart op een paard en in de opgeheven hand een bel, is de afbeelding van een dienaar van de questierder, die de parochie ervan verwittigt, dat het heiligdom [d.w.z. de reliekschrijn] van St.-Antonius in aantocht is. Het werk wordt gestaakt en iedereen maakt zich op om de heilige op zijn manier te eren. Het gebeurde dat deze aan de grens van de parochie werd overgenomen van de buren, die hem uitgeleide hadden gedaan.
Dan begonnen de klokken te luiden, want zelfs als de kerk wegens interdict gesloten was moest deze ter oorzake van de 'blijde inkomst' der Antonianen, eenmaal per jaar, geopend worden en mochten de heilige diensten plechtig gehouden worden.
Intussen ging het in processie, opgeluisterd door geestelijken en religieuzen en plaatselijke besturen, terwijl de schola cantorum van de parochieschool de stoet met gezang begeleidde, tussen hagen van belangstellenden die het 'heiligdom' van St.-Antonius met de grootste eerbied aanschouwden, door naar de parochiekerk.
Feitelijk mocht geen ander heiligdom op zulk een feestelijke wijze worden ingehaald. Het was een privilege, verleend aan de Antonianen, die dit in 1398, om concurrentie te weren, door de paus hadden laten bevestigen.
De pastoors moesten toelaten, dat de questierders de kansel bestegen, zelfs om te preken, al zullen ze hieraan over het algemeen weinig behoefte hebben gehad. De parochianen in een zo mild mogelijke stemming te brengen heeft voorop gestaan.
In zeer onklassiek Latijn richtte de questierder het woord tot de intellectuele leken en geestelijken. Hij gebruikte een soort allegorie, waarin hij St.-Antonius vergeleek met een olijf. Eigenlijk een gevaarlijke vergelijking, want de sarcastische toehoorder kon haar wel eens met meer succes toepassen op de toehoorders dan op Antonius. De uiteindelijke bedoeling van de spreker was toch zoveel 'olie' als mogelijk was te persen uit zijn gehoor. Hiervoor werd dan als vorm gekozen, de gelovigen via een sober leven en onthechting aan het aardse, te brengen tot een zo groot mogelijke offervaardigheid ten aanzien van de zorgen der Antonianen voor de lijders aan en slachtoffers van het Sint-antoniusvuur, die zij zegden te verplegen in 372 hospitalen; hetgeen niet anders dan een slagwoord was voor hun zorg voor hun eigen bestaan.
Zeer bijzonder werd druk uitgeoefend op de vasthoudende welgestelde. Deze werd vergeleken met een varken — en voor hen was dan het varken van St.-Antonius een voortdurende vermaning. Zolang een varken leeft heeft niemand er profijt van. Eerst wanneer het geslacht is, kan men daaraan plezier beleven.
Dit is ook het geval met de rijken die niets kunnen missen. Aan hen heeft men tijdens hun leven niets. En na de dood? Dan gaat satan met zijn ziel aan de sleep, de wormen met zijn lichaam en de erfgenamen met z'n bezittingen.
Vervolgens werd erop gewezen, dat er geen effectiever voorspreker was dan St.-Antonius. Niet Petrus of Paulus en evenmin Johannes de evangelist of de Doper, maar in zorg en nood is het Antonius die uitkomst geeft. Om het vertrouwen op zijn macht kracht bij te zetten lanceerde de spreker een vergelijking die de grens van de eerbied tegenover Christus ruim overschrijdt. 'Want, gelijk door het bloed van de Zoon van God, dat vloeide uit zijn zijde, vele zieken zijn genezen, zo ook door de wijn, die over het lichaam en gebeente van St.-Antonius is gevloeid', of ook: 'Christus vastte 40 dagen en 40 nachten, maar Antonius vastte geen 40 of 80, of 200 dagen, maar oefende zich heel zijn leven lang in onthouding.'
In de landstaal werd aan de gelovigen kond gedaan, dat de tijd weer was aangebroken om de gaven, die men in de loop van het jaar had beloofd aan St.-Antonius voor de verzorging van de arme zieken en ter bevordering van zijn eeuwige zaligheid, in ontvangst te nemen. Als krachtig aansporingsmiddel tot mildheid werd gewezen op de grote gunsten, waaraan de edele gevers deelachtig konden worden. Ook werd gewezen op de grote wonderwerken, die God door St.-Antonius wrochtte. Het geheel werd gesteund door enkele voorvallen uit het leven van de heilige, waarin zijn overwinningen op de boze geesten uitblonken, om daardoor de macht te demonstreren, die God hem had gegeven over 'alle vlees en bloed, over de vissen in het water, de wilde dieren in het woud en vooral ook over de arme zondige mensen'.
Maar hoe levendig en doeltreffend de speechen van de questierders ook mogen zijn geweest, wij geloven niet dat zij hiermede alleen het middeleeuwse enthousiasme voor St.-Antonius hebben kunnen opbouwen. Want er is een tijd geweest dat iedereen bezield was met een vast geloof in en een onwrikbaar vertrouwen op St.-Antonius, zodat de gaven in natura, goud en zilver, grondrenten, erfpachten en landerijen, bij het leven geofferd of bij erfstelling nagelaten, zeer ruim vloeiden. Ja zelfs waren er wier wezen zo doortrokken was van devotie en vertrouwen, dat zij zich met hun gezin, dienstpersoneel, levende en levenloze have bij plechtige akte gaven aan God en St.-Antonius.
Aflaten
De gelovigen zullen zeer gevoelig geweest zijn voor de in de aankondigingen vervatte gunsten en aflaten, te meer omdat zij de eigenlijke betekenis ervan over het algemeen wel niet door gehad zullen hebben en zij deze daarom in eigen richting interpreteerden. Zij zullen vooral geïmponeerd zijn geweest door de verzekeringen, dat hij die getekend was met die relieken dat jaar, krachtens genade van God en St.-Antonius, gevrijwaard bleef voor de drievoudig fatale ziekte, namelijk de brand van hels vuur in wonden en lichamen, de plotselinge dood en vallende ziekte.
En dan ligt het voor de hand, dat wanneer men er voor zichzelf prijs op stelde, zich van de bescherming van Antonius te verzekeren, men dit ook voor zijn levende have trachtte te bewerken.
Ook aan deze wens kwamen de Antonianen gaarne tegemoet. Zij stelden bellen beschikbaar of plaquettes, waarin de beeltenis van St.-Antonius was uitgeslagen en hingen deze om de nek van het vee, een handeling waarvan hun het monopolie verzekerd was bij pauselijke bul.
Ook verstrekten zij water, dat speciaal voor dieren gezegend was. Eerst werd zout en daarna water geëxorciseerd. Nadat het zout in het water was gestort, werd over beide een zegening uitgesproken, waarbij gevraagd werd, dat God de dieren, door Hem geschonken tot leniging van de behoeften der mensen, door de zegening en de heiliging van dit water mocht genezen als zij daarvan zouden drinken of daarmede besproeid zouden worden.
Een questierder in de Decamerone van Boccaccio.
Het is duidelijk dat er veel is aan te merken op het gedrag van de Antonianen; dat gebeurde in de vorm van de satire, maar het droeg toch ook bij tegen de houding van protest tegen de Katholieke kerk welke leidde tot de Hervorming. Hierboven citeerde ik al het hekeldicht van Guiot de Provins, maar er waren er nog vele die er zo over dachten.
Aan het einde van de XlIIe eeuw kon Renard le Novel ook niet nalaten den draak te steken met de hospitaalbroeders. En de Augustijn Nicolaas Sernirier had omstreeks 1416 reeds gepredikt, dat deferre honorem feretro beati Antonii erat crimen ydolatrie.
Zoo diep uit de historie zal hem de spot met de Antonianen niet aangewaaid zijn. Hij maakte het mede, dat jaarlijks de questierders rond trokken om gelden in te zamelen. Van Bailleul uit zag hij ze ieder jaar door Vlaanderen naar het noorden trekken. En misschien is hij wel eens terechtgekomen naast een varken met een Tau gemerkt, als hij 's avonds met wankele schreden huiswaarts keerde.
De godsdienststrijd laaide fel juist tegen de questierders van den aflaat, dus ook tegen de Antonianen. Luther fulmineerde tegen hen in zijn Tischreden. Evenzo Calvijn. Erasmus aarzelt niet hen in zijn Lof der zotheid het volk te laten bedriegen en er later mee te spotten met het glas in de hand.

In de Lof der zotheid (1515) ben ik een bespotting van de Antonianen niet tegengekomen; wel van monniken en religieuzen in het algemeen. Ook is Erasmus niet echt negatief over Antonius, (§ 54):
"Met kleine plechtigheidjes, belachelijke onzin en geschreeuw oefenen [de monniken] een soort tirannie uit over de mensen, en ze geloven dat ze Paulus of Antonius zijn."
Dus de misselijkmakende monniken stellen zich op één lijn met de Paulus van Thebe en Antonius van Egypte.

Hans Sebald Beham; houtsnede van een Antoniaan; Naar en in Das Babstum mit seynen gliedern, Nürnberg, 1526.
Een Lotharings kruis, en een grote klok om de gelovigen bijeen te roepen om hun bijdrage te geven.
Het lijkt alsof de Antoniaan een krulstaart heeft!
In algemene trekken wordt het habijt [en het gedrag van de Antonianen] aangegeven in het stekelige vers van den godloze schilder Sebald Beham. [Dat ik enigszins zal vertalen]
Anthoni herrn man dise nendt
In alle landt man sie wol kendt
Das macht ir stettes terminiren
Das arm volck sie schentlich verfüren
mit trauung sanct Anthony peyn
Bettlen sehr auch lerns ire schweyn
Schwartz darauff blaw creutz ist er kleyt
sind alle buben schwer ich eyn eyd.
Antonius heren noemt men hen
Die men in alle streken wel kent
Dat doet hun voortdurend termineren
Het arme volk dat ze schandelijk misleiden
met hun vertrouwen in Sint Antonius' pijn
Bedelen echt leren ze ook hun zwijn
Zwart met daarop blauw kruis is hun kleed
zijn allen schelmen zweer ik een eed.
Een soortgelijke beschrijving wordt in het volgende vers gegeven
Sanct Tonges ist gewesen fromb
Hat nicht getrachtet nach Reichtumb
und lehret diesz sein Ordensleuth
Die man Anthoges Herrn nennt heut
Er lehret sie dasz sie ein Glock Trugen
und einen schwarzen Rock
Ein blaues Creutz und mageres Schwein
soll stetig und bey ihn sein.
Sint Theun is vroom geweest
Heeft niet naar rijkdom gestreefd
en leert dat aan de lieden van zijn Orde
Die men heden Antoons Heren noemt
Hij leert hun dat ze een klok dragen
en een zwarte frok
Een blauw kruis en mager zwijn
zal steeds en bij hen zijn.
De kleding van de Antonianen
De hospitaalbroeders van S. Antonius voelden zich niet zozeer één met S. Antonius, dat zij als habijt hebben genomen het kleed, dat hij, volgens zijn Vita door S. Athanasius, zelf in de woestijn heeft gedragen, n.l. een onderkleed, een pels om schouders en rug te bedekken — hiervan had hij er twee — en een versleten mantel, die hij nieuw van S. Athanasius had gekregen; noch ook de kleding, die volgens de legende van Alphonsus Hispanus door Christus zelve aan S. Antonius was gegeven; noch ook de kleding die, volgens de zogenaamde engelenregel, bij de Pachomianen van den aanvang af in gebruik zou zijn geweest; noch ook de kleding. die de eremieten in het algemeen droegen, [hier citeert hij Cassianus] n.l. een linnen onderkleed, zonder of met zeer kleine mouwen; een linnen gordel om de lendenen. Hier overheen droegen zij een overkleed van schapen- of geitenvel, dat rug en schouders bedekte. Bij uitzondering kwam hier nog bij een linnen mantel of pallium. Een kleine tot den hals reikende kap diende als hoofdbedekking. Onder de linnen tunica droegen zij veelvuldig een haren boetekleed. Zij liepen blootsvoets of droegen sandalen. Een stok voltooide de uitrusting.
De Antonianen stonden te ver af van S. Antonius — deze toch is niet hun stichter geweest — dan dat zij zijn kleding uit traditie zouden hebben kunnen overnemen. Verder was een kleding, ingesteld op de hete woestijn, allerminst geschikt voor het ruwe westerse klimaat. Daarbij voegde den ziekenverpleger zeker niet hetzelfde als de eremiet.
Dit alles is echter negatief. Omtrent de positieve zijde van dit onderwerp zijn wij niet zoo nauwkeurig ingelicht als wij dat wel zouden willen.
Uit bovenstaande verzen komt vast te staan, dat zij een zwart kleed droegen met een blauw kruis, tau.
In de afbeelding van Helyot (hier links), die de hospitaalbroeders uit eigen waarneming heeft gekend, zien we de Antoniaan als koorheer en in uitgaanskostuum. Uitgaande was hij bijna een wereldheer. Het witte boordje is iets anders en over de toog draagt hij een zwart leren gordel. Verder een zwierige mantel met slappe hoed. Op de linkerzijde van toog en mantel prijkt een blauwe tau. Als koorheer draagt hij een vierkante baret en wijden koormantel; de tau op de linkerzijde.
Gilden en broederschappen
Burgergilden, schutsgilden en ambachtsgilden
In het begin van onze jaartelling was Noord-Europa uiterst dun bevolkt door enkele Germaanse stammen. De mensen leefden in ver uiteen gelegen kleine leefgemeenschappen bestaande uit hoogstens enkele boerderijen. Om de mogelijkheid te scheppen van sociale contacten in grotere verbanden kwamen de leefgemeenschappen van bepaalde landstreken op gezette tijden bijeen in zogenaamde "gehilden" (ook wel genaamd "guild", "guld" of "ghilde").
Deze gehilden hadden ten doel het gezamenlijk vieren van feesten en het beoefenen van godsdienstige rituelen. De leden van zo'n gehilde waren door een eed gebonden tot onderlinge trouw en hulpbetoon bij rampspoed, broederschap en weerbaarheid naar buiten toe in geval van stammenstrijd.
Van het godsdienstige element maakte de kerk goed gebruik door na de kerstening de gilden de bescherming van de kerkelijke goederen op te dragen.
Bij ieder gilde konden mannen, vrouwen en kinderen zich aansluiten.
Het bestuur bestond meestal uit een hoofdman of kapitein, 2 oude dekens (secretaris en penningmeester) en 2 jonge dekens, zijnde gewone leden van het bestuur. Ieder gilde had een koning (of prins). Dit was een lid van het gilde dat de schietwedstrijd had gewonnen tijdens de jaarlijkse gildenfeesten.
Daarnaast koos ieder gilde zich een beschermheilige, deze heilige waarmee het gilden zich verwant voelden, of die plaatselijk bijzonder vereerd werd. Zo ontstonden in agrarische gemeenschappen veel St. Antonius gilden.
Schuttersgilde St. Antonius Abt / St. Agatha Aijen.
Naarmate de bevolking in Noord-Europa sterk toenam, ontstond omstreeks het jaar 1000 onder de verschillende groepen handwerklieden de behoefte om hun beroepsgroep te beschermen. Voor de organisatie van deze bescherming greep men terug op de vanouds bekende organisatievorm van het gilde, de ambachtsgilden.
In de dertiende eeuw, toen de grotere steden stadsrechten verkregen en zelf boogschutters in dienst kregen ontstonden de schuttersgilden; St. Joris voor de kruisboogschutters en St. Sebastiaan voor de handboogschutters.
Het wezenlijke onderscheid tussen schutsgilden en ambachtsgilden is hierin gelegen dat de schutsgilden een belangrijke, naar buiten toe gekeerde sociale functie hadden, terwijl de ambachtelijke gilden als voornaamste doel de bescherming van het eigen belang nastreefden en dus een naar binnen toe gekeerd karakter hadden.
De welvaart in het Zuidelijke deel der Lage Landen trok veel roofzuchtige elementen van elders aan. Hierdoor kreeg het militante element in het karakter der schutsgilden meer nadruk.
In 1566 trok, als voorspel van de 80-jarige oorlog, de beeldenstorm over ons land. De schutsgilden in Brabant kwamen hun opdracht tot bescherming van kerkelijke goederen indachtig, in actie en redden wat er te redden viel.
Na de bezetting van ons land door de Fransen (1794) werden alle ambachtsgilden verboden. De schutsgilden mochten blijven bestaan en alle beperkende maatregelen in het godsdienstige vlak werden opgeheven. Daarvoor in plaats echter kwam de dreiging van een burgerdienstplicht voor weerbare mannen en hiervoor kwamen nu juist de gildenbroeders wegens hun traditionele weerbaarheid in aanmerking.
Hiervoor beducht gaven veel gildenbroeders hun lidmaatschap op, hetgeen een nog verdere teruggang van het aantal schutsgilden tot gevolg had.
Na het vertrek van de Fransen en de stichting van het Koninkrijk der Nederlanden kregen de schutsgilden nauwelijks de gelegenheid zich te herstellen, want tijdens de Belgische opstand in 1830 moesten die gilden hun wapens inleveren. Nog een verdere afbraak van de gilden werd veroorzaakt door het feit dat de 19e eeuw het militante element aan de gilden werd ontnomen immers; de bescherming van de kerkelijke goederen, de leefgemeenschap en eigen huis en haard viel toe aan een regulier leger en een goed georganiseerd politieapparaat.
Het Sint Antonius Abt gilde Deurne.
Na de 2e Wereldoorlog en vooral de laatste 20 à 25 jaar zijn veel oude gilden heropgericht; momenteel zijn er weer ongeveer 150 gilden actief. Veel gildeneigendommen en archieven zijn weer bijeen gebracht en gerestaureerd; historische onderzoek is geïntensiveerd en heeft de publieke belangstelling voor belangrijke mate gestimuleerd.
Het is opvallend om te zien dat er zo weinig overlapping is van de plaatsen waar Antoniusgilden bestaan en of actief zijn en plaatsen waar de religieuze verering van Antonius nog gestalte krijgt.
Antonius gilden en orden voor burgers
Puttend uit de gebeurtenissen van het leven van de heilige Antonius, plaatsen handwerkslieden en kooplieden verenigd in corporaties of gilden zich onder de bescherming van de heilige Antonius. Vanaf de 13e eeuw vereren leerlooiers, mandenmakers, slagers, pottenbakkers en schutters hem met jaarlijkse feesten en processies, die daarmee op hen en hun functie weldaden en eer hopen aan te trekken.
16e eeuws zilveren Antoniusvarken van de Antoniusbroederschap van Kalkar als drinkgerei.
Tönnis Ferken in het Städtisches Museum Kalkar.
Naast deze ambachtelijke en schuttersfraternitates, die wij gemeenlijk gilden noemen, zijn er vele min of meer geestelijke broederschappen onder het patronaat van onze heilige gesteld, welke haar leden verplichtten, de heilige kluizenaar dagelijks aan te roepen, op zijn feest de heilige mis en de vespers bij te wonen, deel te nemen aan de processie, aan te zitten aan de broederschapsmaaltijd, aalmoezen te schenken, vooral tijdens het octaaf van zijn feest, en het laten lezen van heilige missen voor de overledenen.
Opgericht na de grote epidemieën, vaak onder de dubbele bescherming van Sint Antonius en Sint Sebastiaan geplaatst, verkrijgen zij een zekere goedkeuring in de noordelijke streken naar het voorbeeld van die van Saint-Antoine van Barbefosse, dichtbij Bailleul. [Dit lijkt me toch een verkeerde geografische aanduiding, Barbefosse ligt dichtbij Havré, bij Bergen (Mons) in Wallonië].
Zulke Antoniusbroederschappen moeten er hebben bestaan in Amsterdam, Arnhem, Deventer, Dwingelo, Gouda, Harderwijk, Hattem, Hellendoorn, Den Bosch, Oldeboorn, Staveren, Utrecht en nog vele andere plaatsen, zelfs in ons land, al zullen de reglementen onderling wel enigermate hebben verschild. In Vollenhove en in Rotterdam was het doel van de broederschap een gasthuis te onderhouden. En hier doen wij de interessante ontdekking dat zulk een broederschap soms maar een minimum aan geestelijke structuur bezat. In Rotterdam toch was het feitelijk een brandewijnstokersgilde, dat zich op deze wijze vrienden maakte uit de onrechtvaardige mammon onder protectie van St.-Antonius.
Tussen deze broederschappen, wier namen feitelijk alleen maar een bewijs zijn voor de populariteit van de heilige, en de Antonianen bestond geen enkele band.
Op grond van later ontdekt materiaal zouden wij de broederschappen van St.-Antonius willen onderscheiden in: a. niet-antoniaanse; b. antoniaanse. De eerste categorie zullen wij hier verder buiten beschouwing laten. De tweede kunnen wij onderverdelen in: 1. algemeen toegankelijke, de 'alma fraternitas'; 2. illustere broederschap, 'specialis fra ternitas'.
Personen, die uit liefde tot God, Maria en Antonius wensten te worden opgenomen, werden [vrij simpel] tot de [algemeen toegankelijke] broederschap toegelaten. Zij moesten zich verbinden tot trouw aan de orde en plechtig beloven geen gehoor te geven aan roddelaars over de orde en zelf daaraan nooit mee te doen; bidden voor de leden van de broederschap en elk jaar een gift aan de orde schenken.
In stervensgevaar moest men voor anderen de Antonianen waarschuwen, omdat deze gehouden waren dagelijks voor hen te bidden. Bij overlijden verwachtten zij ook zo spoedig mogelijk bericht, om 'placebo' te kunnen geven alsook een heilige mis van requiem.
Het ritueel voor de opneming in de broederschap was zeer eenvoudig.
Enkele verzen en psalmen werden gebeden, waarna het 'Kyrie eleison' en de 'Pater noster.' Onder handoplegging werd aan de intredende medegedeeld: 'Wij nemen u aan als broeder en geven u ons gezelschap; wij maken u deelgenoot van al onze gebeden, goede werken en werken van barmhartigheid tot in eeuwigheid.'
Fragment van een Kermis met toneel en processie;
Kopie naar een verloren origineel van Pieter Brueghel II (1564-1638); Koninklijke Musea voor Schone Kunsten, Brussel.
Hoewel hier geen sprake is van een insigne, is het toch wel zeker dat de leden een tau en een belletje droegen als uiterlijk bewijs van hun lidmaatschap. [Zie ook op mijn pagina over de T.]
Dit werd dan niet aan een halsketen gedragen, maar op het kleed bevestigd, gelijk wij dat zien bij het Antoniusbeeld, dat in processie wordt meegevoerd op een schilderstuk van Pieter Brueghel jr.
Orden voor edelen
Naast deze algemeen toegankelijke antoniaanse broederschap bestond er nog een specialis fraternitas, welke wij de illustere noemden, omdat alleen edellieden, geleerden en aanzienlijke personen daarvan lid konden worden. Hier raken wij aan de illustere broederschappen van de ridders van St.-Antonius van De Hau bij Kleef en Barbefosse in Henegouwen, van welke wordt aangenomen, dat zij respectievelijk door de hertogen Adolf van Kleef en Albrecht van Beieren zijn gesticht.
Adolf van Kleef stichtte "ons oirden van den sent Antoniushuys op den Houwe by onser stat van Cleve". Het insigne van deze orde was blijkbaar een medaillon, waarop een S. Antoniuskruis en daaronder, hangende, een leeuw.

Zie het T-kruis aan het collier van Adolf, waaraan ook het Gulden Vlies hangt.
Voluit heette hij Adolf IV von Kleve-Mark; als graaf van de Mark werd hij Adolf IV en als Hertog van Kleve werd hij ook wel Adolf II genoemd (1373-1448).

Zie ook bij Hau.

Even bekend als de orde van Kleef is die van Barbefosse. Omstreeks 1382 stichtte Albrecht van Beyeren een soortgelijke orde met als zetel Barbefosse in Henegouwen.
Aanvankelijk ridderorde werd zij 11 Juni 1420 omgezet in een adellijke religieuze broederschap. [zie ook Havré]
Broederschappen van S. Antonius waren er zeer velen. In de bakermat van de S. Antonius-verering, St.-Antoine te Viennois, werd reeds vroegtijdig zulk een broederschap opgericht. Te Barbefosse werd later naast de illustere riddermatige broederschap, eenzelfde opgericht voor niet-adellijke gelovigen. Bailleul, de commanderij van Vlaanderen, kende eenzelfde genootschap. Zeer bekend was die van S. Antonius te Maastricht.
Deze adellijke dame heeft een dubbel T-kruis met daaraan een klokje.
Ridder van de Orde van Saint-Antoine de Bardefosse in burgerkleding (links), te herkennen aan het colliet met de T op zijn borst; en een Antoniaanse ridder in wapenrusting (rechts).
In 1385 maakten de ridders van Barbefosse deel uit van het leger dat door hertog AIbrecht van Beyeren naar Pruisen werd gestuurd, om de ridders van de Duitse Orde te redden.
Het was toen dat Orde volledig werd gevormd. De graaf van Henegouwen stelde toen een oppermaarschalk, een maarschalk en andere functionarissen aan. De campagne van 1385 had overigens geen succes.
In Londen hadden de Antonianen een commanderij in Threadneedle street. Een van de commandeurs, Mr. John Carpenter, stelde op het voorbeeld van andere plaatsen een broederschap van S. Antonius in. Niet alleen konden leken, mannen en vrouwen, lid worden van deze broederschap, maar ook reguliere en seculiere geestelijken. Een van de aantrekkelijke privilegiën door paus Eugenius IV in 1441 aan de broederschap gegeven was, dat de leden hun eigen biechtvader mochten kiezen, die hen van geloften van onthouding en pelgrimstochten mochten ontslaan en kon absolveren van excommunicatie. Voor het genot van zulk een voorrecht en daarnaast nog tal van andere aflaten betaalde men gaarne een jaarlijkse bijdrage. Lid van de broederschap van Threadneedle street waren bijv. Augustijnen van Canterbury.
De opneming in de illustere broederschap droeg onwillekeurig een plechtiger karakter dan die in de gewone. Ter onderscheiding van de insignes van de gewone broederschap dragen de leden van de illustere deze in goud of zilver aan een keten van gelijk edel metaal.
Algemeen bekende drager van het collare met tau en bel (tau et tintinnabulum) is 'de man met de anjer' van Jan van Eyck, die in ongeveer 1423 geschilderd is (zie rechts).

De man met de anjer door Jan van Eyck, ± 1423. Berlijn, Gemäldegalerie SMPK.
[Veronderstelling] Het portret van Frank van Borselen, de echtgenoot van Jacoba van Beieren, de laatste grootmeester van de orde van Barbefosse, die het insigne van de orde van Barbefosse draagt, het T-kruis en klokje.
Bijzonder interessant is een bronzen figuur, welke zeer waarschijnlijk Albrecht van Beieren voorstelt, getooid met de insignia van Barbefosse [niet afgebeeld].
Het insigne van de leden van de orde van Barbefosse bestond uit "ung coller et pendant à icellui coller une potence et au debout d'icelle une cIocquette sonante". De "coIIer" bestond uit een gouden of zilveren koord met knopen, gelijk het koord van monniken.

Aan twee houten beelden, voorstellende Willem VI, en Jacoba van Beieren, zien wij dat de beeldhouwer zich enige vrijheid heeft veroorloofd bij de weergave van de insignia der orde (niet afgebeeld).
Dit blijkt uit een vergelijking met die welke Albrecht draagt alsook met die van Vrau Jacobe op haar geschilderd portret (zie hieronder).
Vrau Jacobe (links) ofwel Jacoba van Beieren (1401-1436), gravin van Holland en Zeeland; en haar gemaal Frank van Borselen (1390-1470), Heer van Sint Maartensdijk (rechts en rechtsonder).
Beiden dragen een identiek collier met T en klokje.
Frank van Borsselen, Heer van Hoogstraten, behoorde tot de Orde van St.-Antonius, welke in 1095 door paus Urbanus II werd goedgekeurd en welke over heel Europa en in het Oosten verspreid was. Als dusdanig staat hij afgebeeld op een portret uil de 15e eeuw, in het Rijksmuseum, te Amsterdam (rechtsboven). Aan de band van de orde hangt een T uit blauw glazuur met onderaan een klokje.
Zijn gemalin, Jacoba van Beieren, was beschermvrouw van een priorij van die Orde te Barbefosse, bij Mons. Zij hebben wellicht bijgedragen om de verering van St.-Antonius te Hoogstraten te verspreiden. [Deken Lauwerys, Hoogstraten]
Frank of Borsalia, Erle of Offernant, Lorde of Voirne, Zuylen, Hochstraten, Kortkene, de la Veer, Hilhinge, Zandemburg, Zutcheneland, y Land of brill, & St Martins dyke; knight of y order of St Anthony.
In een ordonnantie van het kapittel, uitgevaardigd op 11 juni 1420, werd voorgeschreven dat de tau en bel, die door ridders en hun dames werden gedragen, van verguld zilver moesten zijn, terwijl die van de gewone burgers van zilver dienden te zijn.
Het zou mij ook niet verbazen als Jan Van Eyck en Hubert, zijn oudere broer, zelf lid waren van een Antoniusbroederschap, mede gezien de volgende notitie:
1426, 9 maart. 'Meester Hubrechte de Schildere' heeft in zijn werkplaats een beeltenis van Sint Antonius en andere werken bestemd voor de kapel in St-Sauveur ...
Maar anderzijds wordt van Jan ook beweerd dat hij een alchemist zou zijn, een vrijmetselaar avant la lettre, etc.
Maar met Antonius is hij en zijn broer in ieder geval heel vertrouwd,
Antonius is ook afgebeeld op "Het Lam Gods", het befaamde veelluik van de gebroeders Van Eyck in Gent, als "aanvoerder" van de groep heremieten.
En als aanvoerder van de Ridders van Chistus zien we daar Willem van Ostremont, de oudste zoon van graaf Albert van Henegouwen
Op het luik links van het middenluik — de Ridders van Christus — op het schilderij van Van Eyck, Het Lam Gods, zien we een Ridder behorende tot de Ordre Militaire et Hospitalier de Saint-Antoine en Barbefosse, die te identificeren is als Willem van Ostremont, oudste zoon van graaf Albert van Henegouwen (de oprichter van die Orde) en grootmeester in de Orde van Sint-Antonius.
In 1416 trachtte hij nog een kruistocht naar het Heilig Land te organiseren, maar zonder succes.
Hij draagt een banier van de Tempeliers, een inmiddels verboden orde waarvan enkele ridders overgingen in de nieuwe Orde van Antonius.
Hij is de aanvoerder van de groep ruiters in krijgsuitrusting, en van een coalitie van Europese vorsten.
Hij draagt een zilveren schild met daarop een kruis van bloed. Daarop staat de tekst, van boven naar beneden: D(OMINU)S FORTIS ADONAY SABAOT en van links naar rechts EM(MANU)EL LH.S. XR. AGLA.
En wat in verband met Antonius toch wel het interessantst is: in het centrum staat een T-kruis.
In dit nauwelijks verstaanbare mengsel van Latijn, Hebreeuws, Grieks en Koptisch zijn alleen de woorden ADONAI-SABAOT te begrijpen als "God der legerscharen", maar verder zou het een magische formule vormen, die men destijds op wapens aanbracht om de trefkracht ervan te vergroten.
Door middel van een jaarlijkse bijdrage verbonden de leden zich ertoe om de Kanunniken van Sint Antonius in hun dagelijkse taak van bijstand aan en verzorging van de zieken te ondersteunen.
De zuidelijke provincies benadrukken een ander aspect van de wonderbare geneeskracht van de heilige, die voor de bescherming van de paarden en meer in het algemeen voor die van het vee wordt aangeroepen. De varkens profiteren vooral van dit patronage waarvan het profylactisch merk een belletje of een medaille is die aan hun hals wordt gehangen.
Zoals de heilige Hubertus beschermt de heilige Antonius de dieren eveneens tegen de razernij.

Don Íñigo López de Mendoza y de la Vega, markies van Santillana, Spanje, afgebeeld op een retabel, vervaardigd in zijn opdracht. Getiteld: Retablo de los Gozos de Santa María of Altar de los Ángeles (Retable van de vreugden van de heilige Maria, of het altaar van de engelen), werd het geschilderd door Jorge Inglés in 1455. Het was bestemd voor de kapel van het ziekenhuis de Buitrago.
Het is nu in het Prado te Madrid.

De markies heeft een gouden T kruis aan een gouden ketting rond de hals. Ik veronderstel dus dat hij tot een Antoniaanse orde behoorde, maar heb daarover nog geen uitsluitsel kunnen vinden.

De Commanderij van Antonianen in Maastricht
Onderstaande tekst is een excerpt van "Een bijdrage tot de geschiedenis van de Commanderie van S. Antonius te Maastricht" van P. Noordeloos.
Op het kruis zocht een rank torentje de ijle lucht. De spitsen hieven hoog boven de stad de Tau der Antonianen, de kruk der ziekenverpleging [de kruk, volgens Noordeloos dan. Ik ben het met die interpretatie niet eens], de taak waaraan de Antonianen even hartgrondig hebben verzaakt als zij het embleem voerden.
De kern, waaruit de commanderie van Sint Antonius te Maastricht zich later heeft ontwikkeld, is geweest een kapel, ter ere van de heilige, in het begin van de 13e, of misschien zelfs reeds eind 12e eeuw, gesticht op een stuk grond, gelegen aan de Maas ten noordoosten van het toenmalige Maastricht, in het graafschap De Vroenhof. Dit behoorde oorspronkelijk aan de keizer van het Duitse Rijk, later onder zeggingsmacht van de hertog van Brabant.
In 1294 werd het gedeeltelijk binnen de versterkingen van de stad gebracht. Het gebied behield echter zijn eigen schepenbank, die van Lencullen, welke zitting had in de Vroenhof.
De stichter van de kapel was een zekere ridder Arnold, gemeenlijk gezeid: Stirbolt. Liefde tot God en Sint Antonius hebben hem tot deze stichting gedreven, waarbij hij intussen ook nog gesteund werd door de aalmoezen van andere bewonderaars en bewonderaarsters van de grote heilige.
Aangezien de grond, waarop ridder Arnold de kapel bouwde, behoorde tot het domein van de collegiale kerk van Sint Servaas, [] genoot de kapel dezelfde bescherming van het kapittel en kon zij aanspraak maken op dezelfde rechten als de andere kapellen van Sint Servaas en had zij ook dezelfde verplichtingen. Aangezien zij wettig geconsacreerd was door de bisschop (van Luik?) en toegewijd aan God en aan Sint Antonius, genoot zij dezelfde privilegiën als andere kerken en werd zij gesteld onder de bescherming van God, de paus en de bisschop van het diocees.
Wij geloven niet dat het vermetel is te beweren, dat de kapel het middelpunt is geworden van een steeds toenemende devotie tot Sint Antonius; zulks omdat zij de aandacht heeft getrokken van de Antonianen van Pont-à-Mousson, in wier balije zij was gelegen, terwijl de commandeurs in het algemeen uitermate gevoelig waren voor een verering van Sint Antonius, welke niet door hen werd gecontroleerd. Aangezien een commandeur het monopolie bezat van de baten, welke de devotie tot Sint Antonius in zijn balije opleverde, moet die van Luik met lede ogen hebben gezien, dat de kapel druk werd bezocht en dat hem daardoor een belangrijke hoeveelheid aan gaven en offeranden ontging. Dat noemden de Antonianen: "de zeis in een andermans oogst zetten".
Het ligt voor de hand, dat de betrokken commandeur onderhandelingen is begonnen om tot een redelijke oplossing te komen van deze, volgens hem, onregelmatige situatie. Gevolg is geweest, dat Willem, vermoedelijk een zoon van Arnold, de kapel met al wat daartoe behoorde als een aalmoes aan het moederhuis der Antonianen te Saint-Antoine de Viennois heeft geschonken.
Een zeer kleurrijke figuur in de commanderie was ene Van Itter. Deze leefde dientengevolge buiten de communiteit, maar was een levende ergernis in het diocees Luik. Dit blijkt uit het vonnis dat Albert, proost van Sainte-Croix te Luik over hem uitsprak.
Hiervan ging Van Itter in 1455 in beroep bij de H. Stoel. In dit stuk noemt hij zich "commandeur van Maastricht", maar er blijkt ook uit, dat hij in de commanderie niemand meer aan zijn zijde heeft. In de vijf volgende jaren heeft Van Itter zijn leven niet gebeterd, want in 1460 wordt aan de bewoners van de Maastrichtse commanderie gelast om hem, beschuldigd van concubinaat en andere ergerlijke uitspattingen, aan te zeggen, dat hij zich naar Pont-à-Mousson moest begeven om voor de commandeur als zijn gewone rechter te verschijnen. Aangezien hij hieraan geen gevolg gaf, werd hij veroordeeld wegens ongehoorzaamheid en gestraft met excommunicatie.
Aan de commandeur van Maastricht werd gelast, Van Itter geen voedsel en kleding meer te verstrekken en hem niets meer uit te keren. Van Itter trok zich dit slechts in zoverre aan, dat hij er met alle middelen naar streefde om het vonnis gecasseerd te krijgen. Hij richtte zich hiervoor tot de abt Benoît de Montferrand. En hiermede trof hij de roos, want zonder moeite verkreeg hij van deze opheffing van de excommunicatie en een lastgeving van de commandeur van Maastricht om zich aan de eertijds gemaakte overeenkomst te houden. De bewoners moesten hem als volledig geabsolveerd aanvaarden.
Vertrouwd met de voorstellingen van Antonianen in werken over ordesgeestelijken en op schilderstukken, zouden wij in Philippus Vaecx alias Foxius, commandeur van de commanderie van Maastricht, 1628-1652, de deftige geestelijke, wiens portret wij hierbij reproduceren (zie rechts), allerminst de Antoniaan hebben vermoed, ware niet op zijn kleding het symbool van de orde aangebracht en hing niet aan een koord om zijn hals de commandeurstau. Overigens, meer heer dan ordegeestelijke, verbergt hij het embleem van zijn orde achter het door hem gekozen wapen, in plaats van daaraan een kwartier op het schild in te ruimen. Ook laat hij zeer nadrukkelijk de blik van de toeschouwer vangen door zijn deftige kleding en door de twee kostbare ringen, welke zijn hand sieren.
Vaecx was bezield met de beste voornemens om de commanderie tot hoge bloei te brengen en haar uiterlijke glorie te verhogen. Zodra hij het bestuur had aanvaard, vroeg hij de abt machtiging om een aantal extra postulanten aan te nemen.
En wij twijfelen er niet aan of haar inkomsten konden zulk een uitbreiding wel dragen, want de commanderie bezat land en weidegrond en een belangrijke hoeveelheid erfpachten in rogge, spelt, enz. en in geld.
In zijn verzoek aan de abt van Saint-Antoine om postulanten te mogen aannemen schuift hij met een elegante zwaai heel de historie van zijn commanderie terzijde en promoveert hij zich tot "commandeurgeneraal van de balijen Vlaanderen en Maastricht", en zo ontkomen wij niet aan de indruk, dat hij zich heer en meester in Antonianis voelde over Noord-Frankrijk, België en Nederland.
Philippus Vaecx alias Foxius,
commandeur van de commanderie van Maastricht, 1628-1652.
Zeer vermoedelijk was Vaecx benoemd door de abt van Saint-Antoine op voordracht van het kapittel van het huis. In ieder geval is uit zijn houding in 1608 gebleken, dat hij niet afkerig was van een stevig contact met het moederhuis en blijkt uit nog aanwezige correspondentie, dat hij zich van de aanvang van zijn bestuur af in bepaalde opzichten één voelde met de orde.
Wij maken hier enige reserve, aangezien wij er van overtuigd zijn, dat hij geestelijk niet zó één was met de orde, dat hij de hervorming, die in 1634 werd doorgevoerd, heeft aanvaard. Integendeel! De statuten van 1634 bestonden voor hem niet. Hij hield zich, voor zover dat met zijn inzichten overeenkwam, aan de reformstatuten van 1477 en fundeerde zijn onafhankelijkheid op de scheidingsbul van Martinus V alsof deze Maastricht onafhankelijk had gemaakt van de abdij te Saint-Antoine en ook alsof deze nooit herroepen was. Wel blaakte hij van strijdlust voor herwinning van verloren gegane commanderieën, maar dat was maar een materiële aangelegenheid en een stukje uiterlijke glorie.
Ter versterking van zijn positie vroeg hij de abt, hem een verklaring van de koning van Frankrijk te willen verschaffen, houdende, dat alle commanderieën van Vlaanderen en aangrenzende landen onder zijn hoede en bescherming stonden. Uit zulk een document zouden de Spanjaarden en Brabanders de gevolgtrekking kunnen maken, dat zij daarop geen enkel recht konden uitoefenen.
Het heeft wel enige tijd geduurd voordat hij het vrijgeleide in zijn bezit kreeg, maar het kwam hem uitermate goed van pas, zij het dan in heel andere omstandigheden, dan waarin hij gedacht had het te gebruiken. Bovendien beloonde de abt zijn activiteit door hem met de commanderie van Vlaanderen te begeven. Hij dispenseerde hem voor het gelijktijdig bezit van twee commanderieën en machtigde hem de wederrechtelijke bezitters te verdrijven.
Het was slechts een lege dop, welke hem hier werd gepresenteerd, want Vlaanderen was voorgoed voor de orde verloren. Trouwens in geen enkel van de genoemde gevallen heeft hij enig resultaat bereikt.
Het vorenstaande wijst zonder twijfel op een uitstekende verstandhouding tussen commandeur Vaecx en het moederhuis, maar zij bleef, gelijk gezegd, altijd maar oppervlakkig. Er zou een zeer bijzondere genade van de H. Geest nodig geweest zijn om de heer Philippus Vaecx alias Foxius er toe te brengen de notariële akte te tekenen, waarbij hij afstand zou doen van zijn beneficie. Hij heeft de geestelijke kracht niet kunnen opbrengen om het voorbeeld van de abt en van vele van zijn confraters te volgen.
Het bestuur van commandeur Vaecx is niet zonder zorgen verlopen. De oorlog, welke in de Nederlanden woedde, bracht zijn moeilijkheden mede en deze culmineerden in het beleg van Maastricht, dat eindigde met de capitulatie van 22 augustus 1632.
Bij de onderhandelingen over de capitulatievoorwaarden kwamen de protestanten met de eis, dat twee kerken, o.a. de Mathiaskerk, te hunner beschikking zouden worden gesteld. Wel maakte de vertegenwoordiger van de bisschop van Luik bezwaar tegen de overgave van deze kerk, omdat zij hem toebehoorde, maar de protestanten bleven bij hun eis en gaven te verstaan, dat de bisschop maar beslag moest leggen op de kerk van Sint Antonius, dan kon hij daar zijn benoemingsrecht uitoefenen. Dit is toen niet doorgegaan, maar het was de commandeur een nieuwe vingerwijzing, dat er niet veel waarde aan hun bestaan werd gehecht.
Middels het capitulatieverdrag werden de rechten en vrijheden der kloosterlingen veilig gesteld, maar bekend was, dat het protestants gezag het niet al te nauw nam met capitulatievoorwaarden. Commandeur Vaecx trachtte zich tegen de begeerlijkheid van de zijde van het Staatse bewind te beschermen door zich te stellen onder bescherming van de koning van Frankrijk en toonde dit naar buiten door diens wapenschild boven de toegangen tot het huis te plaatsen. Het juiste tijdstip, dat hij dit heeft gedaan, is niet bekend, maar hij zou het hebben kunnen doen nadat hij in het bezit was gekomen van een "sauvegarde" van de koning van Frankrijk van 3 april 1633. Het stuk was gericht aan het huis te Keulen en behelsde de verklaring, dat de orde van Saint-Antoine de Viennois onder zijn hoede en bescherming stond. Hij verzocht zijn vrienden en medebroeders alle huizen, niet alleen die van Frankrijk, maar ook die van de diocesen Mainz en Keulen en met name de huizen van Keulen, Rosdorf, Höchst en Maastricht te verdedigen en te handhaven.
Dit document hanteerde Vaecx behendig, toen in 1633 de pest in Maastricht heerste.
Deze begon in mei. Om de ziekte zoveel mogelijk te beperken werd voorgeschreven het vuil van de straten te verwijderen, waartoe alle burgers, die paard en kar bezaten werden opgevorderd. Niettemin maakte de ziekte zeer veel slachtoffers. In deze benauwende tijd hebben velen zich onderscheiden door heldhaftige naastenliefde. Alle vijfentwintig Capucijnen sneuvelden in de riskante verpleging der slachtoffers. De Cellebroeders deden eveneens wat in hun vermogen was en gaven al hun krachten aan dit weerzinwekkend en gevaarlijk werk.
Begrijpelijkerwijs vielen er ook onder de bezettingstroepen vele slachtoffers. Daarom zag de militaire commandant uit naar een geschikt gebouwencomplex om daarin zijn zieken onder te brengen. Het zal niet verwonderen dat hij hierbij het eerst dacht aan de commanderie van Sint Antonius, aangezien deze op dat moment slechts werd bewoond door één persoon. Op bevel van de Staten-Generaal werd zij door de Brabantse hoogschout, gevorderd, maar deze vond het huis beschermd door het wapenschild van de Franse koning, terwijl hem bovendien de verklaring van Sauvegarde van 3 april werd voorgelegd. Voorzichtigheidshalve werden de Staten-Generaal op deze bescherming attent gemaakt. En deze, wars van alle buitenlandse soevereiniteit binnen hun gebied, hechtten geen waarde aan wapenschild en sauvegarde, maar lieten de weg voor protest langs de gewone weg open. Maar toen het pleit was beslecht, was de pest uitgewoed en een extra hospitaal overbodig.
Wie was de ene persoon, daar eenzaam op zijn post? Het zou ons wat waard zijn geweest te hebben kunnen mededelen, dat het de commandeur Philippus Vaecx alias Foxius was. Maar in het op deze aangelegenheid betrekking hebbende stuk van 24 september staat, dat het een Cruysheer was, "Dije in absentie van den preceptor ende andere religieusen, van de contagie gevlucht sijnde, 't selve is regerende".
De commandeur was dus met de andere huisgenoten gevlucht!
Mogelijk is dit geschied nadat de pest de veste van Sint Antonius was binnengedrongen, want het schijnt dat haar bevolking niet geheel ontkomen is aan de greep van de ziekte. Immers op 6 mei 1634 geeft de abt aan de commandeur verlof om drie of vier novicen aan te nemen "ter vervanging van het aantal, dat aan de pest was gestorven".
De gebouwen
Het beginpunt van het gebouwencomplex der commanderie is de door ridder Arnold Stirbolt eind 12e of begin 13e eeuw gebouwde kapel ter ere van Sint Antonius. Deze moet omstreeks 1388 vervangen zijn door "een fraaie kerk".
Toen werd bij het huis der Antonianen ook een fraai hospitaal gesticht. Over het gebruik daarvan wordt in de historie van het huis echter met geen woord meer gerept, hetgeen geheel in overeenstemming is met de algemene ontwikkeling van de orde der Antonianen.
Na de overgang aan het kapittel van O. L. Vrouw werden kerk en klooster in 1786 publiek verkocht.
Ze kwamen in handen van een koopman te Maastricht, voor f 15.000,- . De meubelen waren reeds eerder door de commissarissen-instructeurs geveild voor f 7.611.- en 5 stuivers.
Tijdens het beleg in 1794 schoot generaal Kleber het gebouwencomplex in brand. In 1848 is al wat er nog over was afgebroken. Het terrein is vergraven ten behoeve van de aanleg van het kanaal en de haven van Maastricht. Daarbij kwamen een gekroonde Christuskop en aardewerk, een grote zerk en... een pot met zilveren munten (!) te voorschijn.
Slotbeschouwing.
In de historie van de christelijke liefdadigheid van de middeleeuwen wordt aan de orde van de Hospitaalbroeders van Sint Antonius gemeenlijk een ereplaats ingeruimd. Deze gunstige reputatie is echter gevestigd op het enige statistische gegeven dat hun questierders ooit, maar dit dan ook naarstig, hebben verspreid, nl. het aantal van hun huizen, welke zij gemakshalve maar allemaal hospitaal noemen. Wij citeren: "Want talrijk zijn de martelaars van Sint Antonius, die in de 372 hospitalen van de orde door het hels vuur jammerlijk worden gekweld, terwijl velen van hen handen en voeten missen, anderen de ogen, van weer anderen zijn kaak en lippen weggevreten, zodat zij meer op schrikwekkende monsters dan op mensen gelijken. Velen van hen zouden van honger omkomen, als de gelovigen hen niet te hulp kwamen".
Zou men deze eigen woorden van de Antonianen, tot in de 16e eeuw door hen zonder blikken of blozen verkondigd, nemen als maatstaf voor de beoordeling van de activiteit van de Antonianen van Maastricht, dan maken zij beslist een slechte beurt, want daarvan bespeuren wij in die richting bedroevend weinig.
Wij twijfelen er niet aan, of er is, zodra zij zich na hun vestiging in Maastricht enigermate konden ontplooien, een gelegenheid voor het verplegen van zieken ingericht. Na ruim een eeuw, waaruit wij geen enkel bericht over hun werkzaamheid bezitten, lezen wij in de aanstelling van de commandeurs nog, dat zij twee professen, twee broeders en twee zusters moesten onderhouden en daar zieken moesten ontvangen en verzorgen. En op het einde van de 14e eeuw is een fraai huis als hospitaal indericht.
Zonder twijfel is er dus aan ziekenverpleging gedaan. Uit die tijd vernemen wij geen enkele wanklank, zodat het leven daar rustig conform de gang van zaken in de orde zal zijn verlopen.
Dit heeft zich daar dan zo ontwikkeld dat de Hospitaalbroeders kanunniken zijn geworden en de ziekenverpleging hebben overgedragen aan de conversen. Gelijk wij zagen waren er twee mannelijke en twee vrouwelijke in het midden van de 14e eeuw. Het aantal zieken, waarop gerekend werd kan dus nooit groot zijn geweest en dit klinkt aannemelijk, als wij weten dat alleen lijders aan Sint Antoniusvuur mochten worden opgenomen.
Nu trad deze ziekte zeer incidenteel op, daarbij in zuidelijke landen veelvuldiger dan in onze streken. Na de 13e eeuw kwam zij steeds minder endemisch voor en dan nog in het zuiden. Waaruit wij de gevolgtrekking mogen maken, dat de ziekenverpleging zeker na de 14e eeuw een te verwaarlozen factor is geworden. Maastricht vormde in dit opzicht geen uitzondering.
Mogelijk is, dat de Antonianen aanvankelijk naast de ziekenverpleging ook de gastvrijheid hebben beoefend, bijv. verzorging van passanten, zulks in overeenstemming met hun oorspronkelijke doelstelling. Wij willen het aannemen, ook al hebben wij daarvoor geen enkel bewijs. Evenwel later moeten zij ook hierop zijn teruggekomen; dit in verband met het verdwijnen van broeders en zusters uit de communiteit. Wij mogen dit mede opmaken uit hun eigen verklaring, dat het huis te Maastricht geen gasthuis, maar een godshuis was.
In ieder geval hebben zij tijdens de pest in Maastricht in alle opzichten verstek laten gaan.
Wij zouden op deze ziekenverpleging en verzorging van passanten niet zo geïnsisteerd hebben, als zij hun bronnen van bestaan niet hadden opgebouwd uit liefdegaven, geofferd ten behoeve van de lijdende mensheid en dat zijn blijven doen, ook toen zij zich goed bewust waren, dat er van verpleging en verzorging geen sprake meer was.
Blijft dan het leven als reguliere kanunnik. Zelfheiliging, koorgebed en nuttige bezigheid. Wij durven de woorden bijna niet noemen in het licht van de historie van het huis in de 15e en volgende eeuwen. De zelfheiliging zullen we verder buiten beschouwing laten, want ook al zouden er onder de kanunniken voorbeelden op dat gebied zijn geweest, dan blijft dat gemeenlijk nog een zaak tussen God en de ziel.
Wat betreft het koorgebed, zal men moeten toegeven, dat er hele perioden zijn geweest waarin hiervan weinig of niets terecht kon komen. Het aantal kanunniken was steeds gering en de absenties in verband met het houden van de quest langdurig. Ten slotte moet de felle onenigheid in de communiteit de stemming voor een gemeenschappelijke lofzang tot God hartgrondig hebben bedorven.
Over de tucht in de communiteit zullen we verder zwijgen.
Naarstig hebben wij gespeurd naar resultaten van doelmatige activiteit, waarmede de heren hun leven hebben gevuld, bijv. op godsdienstig of wetenschappelijk gebied; evenwel te vergeefs. Bezien wij de verschillende facetten van het leven der Antonianen, dan bespeuren wij daaraan zeer weinig schittering.

Heeft u informatie over Antonius Abt, of vragen, neem dan contact op met mij: Dolf Hartsuiker