Vita Antonii Abba's Iconografie Vuur Antonianen Kunsten Cultus Folklore Plant Dier Literatuur Paulus Hilarion Maria Simeon Adolphus
Nederlands Frans Italiaans Spaans Portugees Koptisch Duits Orthodox Engels Amerikaans Aziatisch

Chiesa Sant'Antonio Abate all'Esquilino


San Antonio Abate all'Esquilino
2 Via Carlo Alberto
De wandschilderingen, gerestaureerd
in 1932 door A. Orlandi.
Van binnen is de Sant'Antonio Abate kerk met talloze wandschilderingen één groot prentenboek over het leven van Antonius.
Een illustratie van § 50 uit de Vita: Omdat hij overvloedig water had om te besproeien, zaaide hij. Dit deed hij jaar na jaar, en zo had hij voortaan zijn eigen brood... Toen hij vervolgens bemerkte dat er toch mensen bleven komen, begon hij ook wat groenten te verbouwen om ervoor te zorgen dat de bezoeker enig soelaas zou hebben na de inspanning van die moeilijke reis.
Aanvankelijk brachten de wilde dieren in de woestijn, op zoek naar water, schade toe aan het zaaigoed en de aanplant. Maar eens pakte hij zachtaardig een van die dieren beet en zei tot hen allemaal: “Waarom richten jullie nu toch die schade bij mij aan terwijl ik jullie helemaal niets aandoe? Ga weg en, in de naam van de Heer, kom hier niet meer in de buurt.” En sindsdien kwamen ze, alsof ze bang waren voor zijn bevel, niet meer in de buurt van die plek.
Een illustratie van § 50 uit de Vita: Maar de Saracenen, toen ze eenmaal zijn geloofsijver bemerkt hadden, namen met opzet de route langs die plek om hem vreugdevol broden te brengen. En de palmbomen schonken hem zo nu en dan enige bescheiden en sobere leeftocht. Maar daarna, toen de broeders over die plaats hoorden, zorgden ze er, als kinderen die aan hun vader denken, voor dat hem iets werd toegezonden.
Dit is een illustratie van § 49 uit de Vita: Hij kreeg van de broeders broden en hij ging aan de oever van de rivier zitten, uitkijkend of er een boot voorbij zou varen die, nadat hij aan boord zou zijn gegaan, hem stroomopwaarts kon meenemen. Een illustratie van § 50 uit de Vita: Toen Antonius echter zag dat sommigen zich vanwege dat brengen van brood afmatten en ontberingen leden, wilde hij ook daarin de monniken sparen. Hij besloot aan degenen die hem kwamen opzoeken te vragen om voor hem een houweel, een bijl en wat tarwe mee te brengen.
Een illustratie van § 91 uit de Vita: En na enkele maanden werd hij ziek. Hij riep degenen die daar waren bij zich — er waren twee mensen die sinds vijftien jaar ook in de berg verbleven om de ascese te bedrijven en hem vanwege zijn hoge leeftijd bij te staan — en hij zei tot hen: “Ik ga nu — zoals de Schrift het noemt — de weg der vaderen, want ik merk dat de Heer mij roept. Wees nu waakzaam...
Het zou een illustratie van § 39 uit de Vita kunnen zijn, maar er zijn zoveel teksten over de duivel dat dat niet met zekerheid te zeggen valt: Eens lieten zij mijn kluis met een aardbeving schudden, maar ik ging door met bidden en mijn hart bleef roerloos. Daarna kwamen zij weer, geluiden makend, fluitend en dansend, maar toen ik bad en tot mezelf psalmen lag te zingen, begonnen zij meteen te weeklagen en te jammeren alsof zij aan het eind van hun krachten waren. Dit zou een illustratie van § 57 uit de Vita kunnen zijn: Een man, Fronto genaamd, die een officier was aan het Hof, leed aan een vreselijke kwaal want hij kauwde geregeld op zijn eigen tong en liep gevaar ook zijn ogen te beschadigen, kwam naar de berg en vroeg Antonius voor hem te bidden.
Maar Antonius zei: "Ga heen, dan zult u genezen.” Maar toen hij gewelddadig was en er een paar dagen bleef, wachtte Antonius en zei: "Zolang u hier blijft, kunt u niet genezen worden. Ga weg, en als u in Egypte bent aangekomen, zult u het wonderteken zien dat in u teweeggebracht is.” Hij geloofde, vertrok, en zodra hij Egypte zag, hield zijn lijden op, en de man werd geheeld volgens het woord van Antonius, dat de Verlosser aan hem in gebed onthuld had.
Een illustratie van § 53 uit de Vita: Toen hij enkele dagen later aan het werk was ... kwam er iemand aan de deur en trok aan het koord dat hij aan het vlechten was; hij vlocht namelijk manden ... Hij stond op en zag een dier dat weliswaar boven de dijbenen wel op een mens leek maar verder de poten en hoeven van een ezel had.
Omdat deze schildering in de buurt van de twee ernaast voorkomt, zou je denken dat deze er iets mee te maken zou kunnen hebben, hoewel de scène niet echt duidelijk is. Maar het zou een illustratie van § 44 uit de Vita kunnen zijn: Terwijl Antonius aan het spreken was, verheugden allen zich. Bij sommigen groeide de liefde voor de deugdzaamheid, bij anderen werd nonchalance gecorrigeerd, en bij weer anderen kwam aan hun eigendunk een einde. Allen waren vastbesloten om de aanvallen van de Boze te verachten ... Dit is een illustratie van § 46 uit de Vita: Hierna kwam de kerk in de greep van de vervolging ten tijde van Maximinus. [310] Toen men de heilige martelaren naar Alexandrië bracht, verliet hij zijn cel en volgde hen, terwijl hij zei: “Laten we gaan om te strijden als we daartoe geroepen worden of om degenen die de strijd voeren gade te slaan.” Hij verlangde ernaar het martelaarschap te ondergaan, maar omdat hij zichzelf niet wilde uitleveren, verleende hij bijstand aan de belijders in zowel de mijnen als de gevangenissen. Dit is een illustratie van § 47 uit de Vita: Toen tenslotte de vervolging ten einde was en de gelukzalige bisschop Petrus de martelaarsdood gestorven was, vertrok Antonius en trok hij zich weer terug in zijn kluizenaarscel.
[Deze Petrus was patriarch van Alexandrië en stierf de marteldood door onthoofding op 24 november 311.]
De scène links doet me denken aan de strijd van Antonius tegen de Arianen (§ 68 e.v., 82), gezien de horentjes op hun hoofden: "...hun leer is niet die van de apostelen, maar die van de demonen en hun vader, de duivel; ja, sterker nog, deze is steriel en redeloos, en zonder enig begrip, zoals de redeloosheid van deze muildieren.” De schildering in het midden die tussen de twee links en rechts voorkomt, en er daarom iets mee te maken zou kunnen hebben, is in dat verband moeilijk te duiden. Het zou eventueel een illustratie van § 15 uit de Vita kunnen zijn, en er dus niet direct iets mee te maken hebben: Om zijn broeders te bezoeken moest Antonius eens het kanaal van Arsinoë oversteken, maar dat kanaal zat vol met krokodillen. Hij sprak eenvoudigweg een gebed uit en toen stapten hij en zijn metgezellen het water in en bereikten ongedeerd de overkant. De scène rechts doet me denken aan de toespraken van Antonius tot de Griekse filosofen (rechts §§ 72-80), gelet op de horentjes op het hoofd van de Griekse "wijsgeer", voor Antonius niets meer of minder dan een afgodendienaar.
Dit is een illustratie van § 41 uit de Vita: Eens klopte er iemand aan de deur van mijn kluis. Ik ging naar buiten en zag iemand die zeer lang en groot leek. Ik vroeg hem: ‘Wie bent u?’ En hij zei: ‘Ik ben Satan.’ Omdat deze schildering (midden) naast die van boven links voorkomt zou het een illustratie van § 40 uit de Vita kunnen zijn: Op een andere keer, terwijl ik aan het vasten was, kwam [de duivel], zeer sluw, in de gedaante van een monnik die broden bij zich leek te hebben ...
Op de schildering rechts lijkt de duivel zich aan een jeugdige Antonius te onderwerpen.
Antonius komt op deze schildering drie keer voor. Misschien zelfs vier keer als we de figuur uiterst links als Antonius zien.
Bij B (links) verdrijft hij slangen en draken. Dit zou het bijbelcitaat uit § 24 kunnen illustreren:
Hij en de boze geesten met hem liggen op de grond als schorpioenen en slangen, om door ons, christenen, vertrapt te worden.
Bij C (midden) drijft hij de duivel uit bij een vrouw, wat § 48 zou kunnen zijn: een legerofficier genaamd Martianus kwam hem lastig vallen. Deze had namelijk een dochter die door een demon werd geplaagd. Hij bleef lange tijd op de deur bonken en vroeg Antonius naar buiten te komen en voor zijn kind tot God te bidden, maar Antonius wilde niet open doen, keek van boven uit het venster, en zei: “Man, wat schreeuw je tegen me? Ik ben maar een mens, net als jij. Maar als je gelooft in Christus die ik dien, ga dan heen en bid volgens je geloof tot God, en dan zal het gebeuren.” Terstond vertrok hij, en gelovig riep hij Christus aan, en hij kreeg zijn dochter terug, gereinigd van de demon.
Maar de duiveluitdrijving bij C (midden) zou ook § 71 kunnen betreffen: ...bij de stadspoort ... riep een vrouw achter ons: "Stop even, man Gods! Mijn dochter wordt vreselijk gekweld door een duivel. Sta stil, bid ik U, voor ik mezelf ook kwets door het harde lopen!" En de grijsaard toen hij dat hoorde en het door ons gevraagd werd, stond gewillig stil. En toen de vrouw dichtbij kwam, werd het kind op de grond geworpen, maar nadat Antonius had gebeden en de naam van Christus had aangeroepen, werd het kind ongeschonden opgetild, want de onreine geest was uitgegaan.
Bij C (midden) geneest hij ook een oude man, wat het vervolg van § 48 zou kunnen zijn: Omdat hij zijn deur niet open deed, sliepen veel zieken buiten zijn cel, en omdat ze geloofden en oprecht baden, werden ze gereinigd.
De scène bij D (rechts) is moeilijk te interpreteren. Antonius ligt op zijn knieën; maar voor wie? Athanasius?


contact: Adolpho Hartsuiker