Vita Antonii Abba's Iconografie Vuur Antonianen Kunsten Cultus Folklore Plant Dier Literatuur Paulus Hilarion Maria Simeon Adolphus
Nederlands Frans Italiaans Spaans Portugees Koptisch Duits Orthodox Engels Amerikaans Aziatisch
Sint-Antoniusvuur
Sint-Antoniusvuur - Epidemiën - Ergotisme - Verschijnselen lichamelijk - Verschijnselen geestelijk - Hospitaal - Genezing door medicijn - Saint Vinage - Genezing door het geloof - Genezing door amputatie - De Wetenschap
Psychedelicum

Sint-Antoniusvuur
In de Middeleeuwen worden de aandoeningen van de huid, hetzij licht besmettelijk of epidemisch zoals lepra, de pest en de Vuurziekte, als zinnebeelden van de zonde gezien. Voortdurend de verbeeldingskracht treffend, lijken zij een goddelijke straf, waar tegenover de geneeskunde machteloos blijft. Het beroep op heilige genezers, maar ook op het openbare berouw, gaat vooraf aan de lange stoeten van flagellanten, die vanaf de 14e eeuw de westerse Christenheid als teken van collectieve boete doorkruisen. In deze periodes van onzekerheid, trekken bedevaarten een grotere publiek, en intensiveren zich de schenkingen aan de Kerk.
De beschrijvingen die door de geschiedschrijvers worden opgesteld, zijn veelzeggend, en vermelden het zwart worden en de verrotting van het vlees, de intense brandpijnen, waarbij in de ziekte twee wezenlijke vormen worden onderken, namelijk die met stuiptrekkingen en die met koudvuur en versterf.
De eerste symptomen verschijnen een paar weken na het gebruik van besmet meel. Zintuiglijke problemen gevolgd door bevingen gaan vooraf aan de verkramping van de spieren; een slechte doorbloeding van de hersenen veroorzaakt crisissen van krankzinnigheid en mentale onrust.
Gangreen veroorzaakt walgelijke wonden die zich aan de tenen, aan de vingers, of aan één of meer gehele ledematen bevinden.
De huid verliest zijn pigment alvorens met paarse vlekken overdekt te worden.
De zieken die met realisme zijn afgebeeld, laten amputaties van aangetaste ledematen zien en wonden van de huid.
Voor meer over geamputeerde voeten, zie ook mijn pagina over Antonianen / Geneeswijzen
Al deze huidziekten en deze circulatieproblemen zijn kenmerkend voor de Vuurziekte maar ook voor lepra of syfilis die de Hospitaalbroeders van Saint-Antoine, dankzij een aangepaste therapie, zich tot taak stelden om in de talrijke ziekenhuizen van hun Orde te verzorgen.
Erpès esthiomenos pest van Athene Thucydide -460/-395
Ignis plaga pest van vuur Flodoard 945
Ignis occultis verborgen vuur Raoul Glabre 994
Ignis persicus Perzisch Vuur Avicenne 980/1037
Mortifer ardor dodelijke hitte Raoul Glabre 1039
Ignis sacer heilig vuur Sigebert de Gembloux 1089
Ignis infernalis hels vuur Guillaume de Nangis 1105
Mal des ardents Ziekte van het Vuur   1129
  Ziekte van Notre-Dame Henri de Mondeville 1260/1320
  Ziekte van Sint Antonius Henri de Mondeville 1260/1320
Esthiomène   Guy de Chauliac 1300/1368
  Sint-Antoniusvuur Ambroise Paré 1510/1590
  Veranderlijk Vuur Rembert Dodoens 1557
Het sacer ignis van de Latijnen of het erpès esthiomenos van de Grieken geven een idee van de symptomen, maar geen oorzaken van de ziekte. Lucrèce (-98/-55) in zijn De natura rerum, identificeert het met de pest en Virgilius (-70/-19) met een besmettelijke anthrax. Columelle in zijn De re rustica, van de 1e eeuw, wijst op een vorm van de plaag waarbij zich zweren vormen, terwijl Plinius (23-79) het dichter bij zona plaatst.
Bauer weet daar nog de volgende namen aan toe te voegen: ignis gehennae, ignis invisibilis, pruna, en martialis-vuur.
Epidemieën
Het moederkoren was al eeuwen bekend en gebruikt, en het werd zelfs beschreven op een Assyrische kleitablet als "schadelijke puist in de korenaar." In vroeger tijden werd het moederkoren ook "gek graan" en "dronken rogge genoemd."
De Griekse historicus Thucydides (-460/-395) geeft in zijn Geschiedenis van de oorlog van de Peloponnesus een eerste beschrijving van de Vuurziekte, niet alleen als ooggetuige van wat hij pest noemt, maar ook als slachtoffer van deze verschrikkelijke ziekte.
In de loop van de eeuwen menen de artsen en de historici daarin de builenpest, de gele koorts of de tyfus koorts te herkennen, maar in feite gaat het dus om de Vuurziekte.
De pest van Athene lijkt aldus op deze ziekte die later met verschillende kwalificaties, de ene nog welsprekender dan de andere, is aangeduid, zoals pest van vuur (945), dodelijke hitte (1039), hels vuur (1105) vervolgens Vuurziekte of Sint-Antoniusvuur.
In de loop van de Middeleeuwen heerst deze ziekte in heel Europa, met als voornaamste haarden Vlaanderen, Lotharingen, de Dauphiné, Aquitaine en Ile-de-France, met duizenden slachtoffers als gevolg.
Henri de Mondeville (1260-1320), chirurg van Philips de Schone, vermeldt in zijn werk Chirurgia een herpes esthiomène die tot een verzwering van de huid leidt en vervolgens tot gangreen. Guy de Chauliac, chirurg van paus Clementius VI, en in 1363 auteur van een Chirurgia magna heeft een totaal verschillende mening. Volgens hem vertoont deze esthiomène geen sjankers, maar eerder uitdroging en verharding van de ledematen, een mening die later door Ambroise Paré wordt gedeeld (1510-1590).

Wanneer wij trachten de berichten uit de kronieken in een geografische ordening onder te brengen, dan valt op dat vooral Lotharingen, Vlaanderen, Aquitaine en de Île de France door het ergotisme getroffen werden. In Duitsland, Nederland, Spanje en Portugal schijnt het ergotisme slechts sporadisch en in andere landen in het geheel niet opgetreden te zijn.
De eerste berichten over het Heilig Vuur gaan terug tot de 6de eeuw (Merovingische periode). Een typerende observatie over ergotisme situeert het in de Beneden-Rijn (857).
Het trof plattelanders en doodde duizenden mensen. Het was in deze tijden dat het Heilig Vuur werd genoemd wegens de brandende gewaarwordingen aan de extremiteiten. [Maar waarom werd het “heilig” genoemd?] De oorzaak van het Heilig Vuur was onbekend maar de symptomen die door de mensen werden ervaren werden gedocumenteerd. De mensen leden aan opgezwollen blaren, rottend vlees, en verlies van ledematen.
La Chronique de Flodoard rapporteert over een epidemie met 40.000 doden in het Parijs van 945. 'Le Mal des ardents devint la terreur de l'an Mille !'
Ook in Doornik, Nijvel, de Artois, de Loire, de Dauphiné en in de Languedoc nam de ziekte epidemische afmetingen aan. De kronieken meldden sober: 'Het volk werd geplaagd door een ziekte met zwellende blazen, gevolgd door een afschuwelijke rotting, zodanig dat de ledematen afvielen voor de dood inging. De pestilenties pijnigden de mensen, bijvoorbeeld in 1089, zodat zij zich wrongen in krampen. Hun ledematen werden zwart als kool nadat zij door heilig vuur waren aangetast.'
Zo zou het doorgaan tot de 13de eeuw om opnieuw te verschijnen in de 16de en 17de eeuw. Oost-Europa noch Amerika blijven gespaard.
Rond 1800 kwam deze gesel nog eens voor in Kentucky (USA), terwijl Rusland zijn laatste epidemie in 1926 beleefde. Er waren in Rusland 10.000 gevallen, en in 1927 in Engeland 200.
In 1951 werden in Pont-St. Esprit in de Provence, Frankrijk, 200 klanten van de plaatselijke bakker Briand geïntoxiceerd door Le Pain Maudit; zij geraakten in een hallucinatoire trance, al werd toen ook gedacht aan een combinatie van kwikvergiftiging door onkruidverdelgers. Dr. Jean Vieu van Pont-St.-Esprit bezocht een patiënt die symptomen vertoonde die leken op acute blindedarmontsteking. Nochtans had de patiënt behalve de symptomen van een intense pijn in de onderbuik, ook koorts, koude vingertoppen, en hallucinaties. Drie dagen later lagen de ziekenhuizen vol en 70 huizen werden omgevormd tot noodafdelingen. Het eerste slachtoffer van deze vreemde ziekte, die de artsen als voedselvergiftiging hadden gediagnosticeerd, stierf in met vreselijke krampen.
Angst beving de stad als verhalen over een elfjarig kind dat zijn moeder probeerde te wurgen de ronde deden. De artsen overreedden de burgemeester om een huis-aan-huis onderzoek in te stellen naar wat voor aanwijzingen dan ook over de oorzaak. Het onderzoek bracht aan het licht dat alle mensen brood van dezelfde bakkerij hadden gegeten.
Het brood van de huizen en van de bakkerij werd geanalyseerd en er werden twintig giftige alkaloïden gevonden, en de bron van deze alkaloïden was moederkoren. Na een paar weken werd bekend dat een gewetenloze landbouwer zijn met moederkoren besmette rogge aan de bakker had verkocht die het had laten malen bij een molenaar. Alle drie wisten dat de rogge giftig was. Het resultaat was dat meer dan tweehonderd mensen leden aan een ernstige vorm van ergotisme, van wie 32 krankzinnig werden, en van wie er 4 stierven.
Sebald Beham; Houtsnede; 1520-1530.
St. Antonius met een boek in zijn rechterhand en een klok en een staf met een groot T kruis in zijn linkerhand; aan de linkerkant een knielende, biddende vrouw; aan de rechterkant een kreupele man met krukken wiens linkerarm brandt — het Antoniusvuur letterlijk verbeeld; aan een rail rond de Antoniuskerk aan de rechterkant hangen een aantal geamputeerde ledematen. Een andere brandende hand zien we op een houtsnede van Hans Wechtlin en een staalgravure uit Keulen.
Antonius de Meester van het Vuur
Als we zien hoe "weinig" toch deze epidemieën optraden, en hoe gering hun spreiding over Europa was, dan is wel duidelijk dat de populariteit van Antonius als 'pan-europese' beschermheilige, niet alleen verklaard kan worden door zijn rol als genezer van de Vuurziekte. Naar mijn mening werd hij dan ook al alom vereerd voordat er überhaupt van die ziekte sprake was, en bleef hij ook belangrijk zelfs nadat hij door de Antonianen gebruikt was (misbruikt, mogen we haast wel zeggen) in de propaganda voor hun orde.
Bij de bespreking van de iconografie van Antonius heb ik er ook herhaaldelijk op gewezen dat zijn attributen al voor zijn geneesheerschap bestonden en dat hij 'gewoon' wonderwel paste in de rol van genezer van de Vuurziekte.
Vooral ook in Italië en Spanje blijkt nog heden ten dage bij de vieringen van Antonius, die gepaard gaan met enorme vreugdevuren, hoe belangrijk de connectie van Antonius met vuur is. Ook de legendes die Antonius voorstellen als 'brenger van het vuur', gestolen uit de hel, verwijzen naar deze relatie.
Hierbij sluit de volgende paragraaf van Bauer aardig aan.

... om al tijdens hun aardse leven te moeten lijden aan de kwelling van de hel — het hellevuur — was een genade. God had hen ter verlichting van hun tijdgenoten als zondebok uitgekozen.
Ze stonden onder de bescherming van de heilige Antonius, de Meester van het Vuur [
en dat was dan de rol die hij van oudsher al had, vooral ook beschermer tegen het helse vuur], die niet alleen voor het heilige [of helse] vuur beschermen, maar ook daarmee straffen kon. Dat "straffen" lijkt me dan weer wat minder waarschijnlijk, en het lijkt me niet dat "Antonius als zogenaamde wraakheilige" beschouwd kan worden.
De door het Antoniusvuur verminkten beschouwden zich als getuigen van de unieke macht van hun heilige heer en verkregen daardoor zelf een zekere aura van heiligheid. Ze werden ook Martyres Sancti Antonii genoemd.
Aan de andere kant is het natuurlijk wel zo dat een ziekte als het Antoniusvuur in eerste instantie als het werk van de Duivel werd gezien. En Antonius — als erkend en bekend overwinnaar van de Duivel — is dan wel een voor de hand liggende heilige om tegen zo'n ziekte aan te roepen.
St. Antonius staande in het vuur. Heures de Frédéric d'Aragon.
16e eeuw. Bibliothèque Nationale de France.
In een astrologisch handschrift uit het einde van de 15e eeuw (Universiteitsbibliotheek Tübingen) werd Saturnus als Antonieter of zelfs als de heilige Antonius zelf weergegeven. In zijn hand heeft hij een sikkel, het attribuut van Saturnus, en op zijn hoofd draagt hij een korenaar. W. Kühn ziet daarin een intuïtief voorgevoel van de samenhang tussen het Antoniusvuur en de korenparasiet moederkoren. Deze veronderstelling van Kühn gaat misschien iets te ver. De kinderen van Saturnus zijn namelijk ook de kluizenaars, en de vader van de kluizenaars is de heilige Antonius.

Bij Coene vinden we nog een andere interpretatie van de connectie met Saturnus en daardoor het Vuur.
In de alchemistische Vuursymboliek — ontleend aan de Egyptische astrologie — werd Antonius — de Egyptische heremiet — geassocieerd met Osiris, zoon van Saturnus, waarmee de alchemie het lood of het zwarte metaal verbond. In de vroege christelijke liturgie werd hij de bevoorrechte bemiddelaar en meester over het Ignis Sacer/ Heilig Vuur en werd aanroepen door de slachtoffers/zondaars om de kastijding door de goddelijke gerechtigheid af te wenden.
Armeluisziekte
Bij het doorkijken van de epidemie berichten valt het op dat voornamelijk de arme plattelandsbevolking slachtoffer van het ergotisme werden. Een synoniem voor ergotisme luidt daarom, “boerenziekte”, “armeluisziekte”. Dat komt doordat de uit rogge bereide voeding, hetzij brood, hetzij balletjes of meelsoep, het hoofdvoedingsmiddel van de armen was.
Met ruimschoots dagelijks brood op de plank kunnen wij ons nog nauwelijks voorstellen welke voedselschaarste ooit in het Westen heerste. Het gewone volk leefde in armoede door allerlei tiendenheffingen, oorlogen en klimatologische omstandigheden. De proletarische voeding bestond in hoofdzaak uit roggebrood en brij, samengesteld uit bedorven graangewassen, wortelen, varens, eikels, bonen en erwten, wild gras, zelfs schors en gemalen beenderen.
Tarwemeel was een edel graangewas, voedsel voor de rijken. Rogge daarentegen trotseerde als robuust gewas de koude, gedijde op schrale grond en nam in Europa veruit de grootst bebouwde oppervlakte in. Meer dan andere granen had rogge bij aanhoudend vochtige zomers echter te kampen met een schimmel op de aren, in de vorm van een hanenspoor (ergot), violet tot zwart van kleur, het moederkoren.
De middeleeuwse bevolking voedde zich wel chronisch met deze geïntoxiceerde rogge (het brood kon voor ongeveer 25% besmet zijn), hoewel de ernst en de aard van de ziekteverschijnselen wisselden al naar de zogenaamd sterk gescleroseerde korrel, afhankelijk van de vochtigheid, de bodem of het moment van inname. Meestal kwam het in de herfst voor, enkele maanden na een vochtige zomer, tot het begin van de winter.

Al in de middeleeuwen vormde men zich gedachten over de verbreiding van de ziekte. Door het plotselinge optreden en het ziek worden van hele families valt te begrijpen dat men de ziekte voor besmettelijk hield.
Wie aan [deze] ziekte leed, moest de stad verlaten, opdat hij anderen niet zou aansteken.
Aanvankelijk werd niet onderkend dat het door het eten roggebrood kwam en men dacht dat het besmettelijk was als de pest, en lijders aan de ziekte werden dan ook navenant behandeld, d.w.z. gemeden als de pest.
Ergotisme
Pas in de 16e eeuw kwam men erachter dat deze ziekte werd veroorzaakt door moederkorenvergiftiging. De giftige stof die deze ziekte veroorzaakte, was de schimmel Claviceps purpurea uit de klasse zakjeszwammen, die op rogge leeft, en die in de volksmond moederkoren heette.
Moederkoren
Bauer spreekt zichzelf enigzins tegen wat de naam "moederkoren" betreft. Eerst stelt hij dat deze een mythologische oorsprong heeft; en later dat het als geneesmiddel door vroedvrouwen gebruikt is. Het was sinds mensenheugenis bekend als een middel om de weeën op te wekken, en het werd ook gebruikt voor abortus. Het kan dan ook niet anders dan dat een middel dat door vroedvrouwen en kruidendokters voor deze doeleinden gebruikt werd, de naam daaraan ontleent en niet aan een vage mythologie. Maar goed, om daar toch even mee te beginnen.
De naam “moederkoren” heeft een mythologische oorsprong. Het moederkoren dankt haar naam aan de aardse gestalte van de Korenmoeder (Korenmoei). Het plotselinge opschieten van het moederkoren in de rogge aren zou dan daardoor verklaard worden dat de genoemde Korenmoeder door de velden zou zijn gelopen.
En dan vervolgt Bauer, enigszins cryptisch: Al werd het moederkoren door de wetenschappelijke geneeskunst van de 18e eeuw niet erkend, er bestaat geen twijfel, dat het door vroedvrouwen in Frankrijk, Duitsland en Italië gebruikt is.
De in het Frans en Engels gebruikelijk aanduiding “ergot” is te herleiden tot de overeenkomst in vorm met de sporen van hanen. Etymologisch: articulus – artiglio – oud-frans argot. De Latijnse aanduiding is calcar, clavus, secalis mater, clavus siliginis en secale cornutum.
De moederkorenzwam is een zeer veelzijdige parasiet, die meer dan 150 grassoorten als gastheer benut.
De levenscyclus van de moederkorenpaddestoel is zeer ingewikkeld. Zo worden onder andere in de rijpende graankorrels de fruitlichaampjes gevormd, die sklerotiën worden genoemd. Zij dragen de sporen van de paddestoel. In de rijpingstijd van de paddestoel vallen de sklerotiën af, blijven gedurende de winter onder de grond en ontkiemen in de lente. Door de wind worden de sporen van de paddestoel dan overgebracht naar de stempels van de bloeiende rogge.
Lichamelijke verschijnselen Sint-Antoniusvuur: versterving van extremiteiten en verkramping
De door het moederkoren gemaakte stoffen (ergotaminen) veroorzaken bij een grote en aanhoudende dosis kramp van de bloedvaten als gevolg waarvan lichaamsdelen slecht van bloed worden voorzien en afsterven (gangreen). Andere verschijnselen van moederkorenvergiftiging zijn braken en buikpijn.
Gepaard gaande met helse pijnen heeft het een vaatvernauwende werking. Zo treedt gangreen op en sterven extremiteiten (ook genitaliën) op spontane wijze af.
De ziektesymptomen waarbij zich bovendien puisten presenteerden, werden vaak (tot de 20ste eeuw) verward met die van de pest, het miltvuur of zona/gordelroos. Het is zeer goed te begrijpen dat deze kwaal ook met syfilis werd verward en waarom Jeroen Bosch in zijn illustratief materiaal er ook bordelen bij afbeeldde.
In gevallen waarbij de patiënten van de gangreneuse verschijnselen genezen waren, bleef een zekere gebrek aan initiatief en stompzinnigheid de rest van hun leven over. Precies zoals het ook bij zware vormen van ergotismus convulsivus tezamen met aanvallen van razernij en andere vormen van krankzinnigheid te observeren viel.
Dit is één van de weinige keren dat er door Bauer een mentaal gevolg van de ziekte wordt vermeld, hoewel nog geen visioenen en hallucinaties, die er toch zeker geweest moeten zijn. En dat nog wel in een boek met een voorwoord van Hofmann, de ontdekker van de LSD. Pas op de allerlaatste pagina vermeld hij het even: Is het niet een eigenaardig fenomeen, dat een bestanddeel van het moederkoren-alkaloïde de lysergzuur is? Nog maar een kleine chemische stap en in de retort is het lysergzuur-diathylamide ontstaan: LSD! Een substantie, waarvan de uitwerkingen nog niet te overzien zijn. Hij schreef dat in 1972, toen er al meer dan 10 jaar wijd en zijd getript werd.
Mogen wij hopen dat het niet tot een gesel van onze tijd wordt.

Men vraagt zich dan ook af of dat dan het doel van het boek zijn: het moederkoren en dus de LSD in de meest afschuwelijke beelden te schilderen? Alleen de bad trips? Of überhaupt niets over trips?
Over geestelijke verschijnselen, hieronder meer.

Citaten van artsen:

“Ze beklagen zich nergens over, antwoorden ook niet op een tot hen gerichte vraag, of, zo ja, na veel aansporingen een woord volgt, dan past die zelden bij de gedane vraag; ze liggen ofwel in grote verdoving geheel stil, of ze kruipen met verstoorde blikken op handen en voeten door hun leger.”
“Veel zieken werden (nog thuis) door een razende opwinding overvallen, die het karakter van een delirium had: ijlen en handelen zonder bewustzijn. Daarvan behielden ze geen herinnering. Eén vrouw slechts, meldde dat ze gestalten en vuur gezien had. In het verdere verloop vertoonde zich geregeld een voortdurende zware versuftheid van het sensorium, een toestand van verregaand verzwakte psychische reactie. De spraak raakte verloren, personen werden niet meer herkend. De zieken lagen er stompzinnig bij.”
“Een dertigjarige ongehuwde vrouw, vroeger steeds gezond, werd op 19-10-1879 na het verdwijnen van de krampverschijnselen volledig geestesgestoord. Ze sprong uit het venster, omdat ze de voorstelling had, door haar bloedverwanten in een vijver verdronken te worden. Ze liep een ... op. Na opname in de kliniek op 26-10-1879 had ze nog weer een hallucinatie: ‘... het kwam mij voor dat ik, als de wereld door vuur verloren zou gaan, ik haar zou kunnen redden. Het kwam mij namelijk voor, als wanneer die gehele pracht, die ik mij voorstelde, in zo’n klein kastje kwam, en ik moest daarmee door de lucht, en dan was er bij Frankenberg een water, daarin kon ik alles weer goed maken ...’”
Mentale verschijnselen Sint-Antoniusvuur: angstige visioenen, catalepsie
De cerebrale en hallucinogene werking. Er traden convulsieve (op epilepsie gelijkende) crises op en samen hierbij — of los ervan — vlagen van opwinding, krankzinnigheid en verschrikkelijke hallucinaties, veelal met een spirituele of religieuze inslag.
Wat bij Antoniusvuurzelden vermeld wordt, maar wat de connectie van Antonius met het Antoniusvuur een stuk duidelijker maakt, zijn de hallucinaties die door de moederkorenvergiftiging werden veroorzaakt. Aangezin ze ook nog leden aan de lichamelijke verschijnselen, waren zo hele gemeenschappen op een 'bad trip' en dachten natuurlijk door de duivel bezocht te zijn — net als Antonius. En in hun strijd tegen die demonen hoopten ze natuurlijk door Antonius gesteund te worden.
Pas nadat LSD uit het moederkoren gesynthetiseerd werd (zie hieronder), werd duidelijk wat een ongelooflijk krachtige psychedelicum het bevat. Nu is LSD een gezuiverde substantie, dus zijn de verschijnselen eerder euforisch dan diabolisch van aard, hoewel een 'bad trip' nog altijd tot de mogelijkheden behoort. En degene die het neemt, weet dat de intense verschijnselen aan een psychedelicum kunnen worden toegeschreven.
Maar voor de lijders aan het Antoniusvuur, kon de herkomst van de verschijnselen — zowel fysiek en geestelijk — alleen als duivels gezien worden.
Zowel van Mathias Grünewald, wiens Verzoeking van St. Antonius, links is afgebeeld, als van Jeroen Bosch (en nog meer schilders) wordt wel gedacht dat zij slachtoffer zijn geweest van moederkorenvergiftiging, en dat de daarbij horende hallucinaties, die vaak apocalyptisch van aard zijn, hun werk hebben beïnvloed en hun fascinatie met de Verzoekingen van Antonius verklaren.
Het is natuurlijk ook mogelijk dat deze schilders (net als 'heksen') opzettelijk extracten van moederkoren hebben gebruikt, om de hallucinaties bewust op te wekken.
Een ergotvergiftiging kon, soms op epidemische schaal, ook sluimerend hallucinerende sporen nalaten.
Bij nader onderzoek wordt glashelder dat heksenprocessen, die de beschuldigingen tot satanisme op de voet volgden, opvallend meer voorkwamen op die plaatsen in West-Europa, waar rogge het voornaamste zetmeelproduct was en in vochtige gebieden na een slechte roggeoogst.
Delirante gedragingen werden vroeger toegeschreven aan bovennatuurlijke krachten en oorzaken. Na de kerstening werden deze aan Satan toegeschreven. De bezetene of heks sprak in vele talen, zag visioenen of had met de duivel of zelfs met heiligen contact.
Het kwam zowel in katholieke als protestantse gewesten voor en er zijn hier vergelijkingen te trekken met de Salem-heksenvervolging rond 1691-1692 in Massachusetts (USA).
Men denkt nu dat de zeven meisjes en vrouwen die in 1692 in Salem, Massachusetts, d.m.v. de heksenproeven werden berecht, aan hallucinaties en andere symptomen van ergotisme leden (krampachtig ergotisme). Gelijksoortige uitbraken van ergotisme kwamen ook in de provincies Essex en Fairfax, Connecticut, voor. In dat jaar was het weer vochtig en koel, en de roggeplanten in New England zouden onder die condities veel moederkoren gehad kunnen hebben. Een beroemde uitbraak van ergotisme kwam voor in 1777 in Sologne, Frankrijk, toen 8000 mensen aan gangreneus ergotisme stierven — en de ziekte werd dan ook wel "Convulsions de Sologne" genoemd. De laatste belangrijke uitbraak was in 1951.
Wijze van opvang in het Hospitaal
Om de lijders aan het Antoniusvuur op te vangen werden er door diverse religieuze orden hospitalen opgericht. Het in eerste instantie belangrijkste hospitaal met de Antoniaanse Hospitaalbroeders ontstond inde priorij der Benedictijnen op de Motte-au-Bois, het latere Saint-Antoine-l'Abbaye. Over de Antonianen en Saint-Antoine-l'Abbaye, zie op mijn pagina.
Nog voor de opname werd elke zieke individueel op de heilige evangeliën van God beëdigd. Hij moest zich verplichten tot gehoorzaamheid en loyaliteit tegenover de orde en zijn oversten, verder tot een vroom en eerlijk leven evenals tot een zorgvuldig omgaan met de bezittingen van de orde. Ook de stijl van de kleding was voorgeschreven. Mannen en vrouwen moesten op hun gewaden het tau van wol dragen.
Geen zieke mocht zonder toestemming van de overste de grenzen van het hospitaal gebied overschrijden.
De scheiding der geslachten werd rigoureus doorgevoerd. Alleen al een gesprek tussen man en vrouw werd zwaar bestraft. Als een paar zich ondanks deze moeilijkheden gevonden had en wilden ze trouwen, dan moesten ze het hospitaal verlaten.
Iedere zieke moest bij elk canonisch uur twaalf onze vaders en evenzoveel weesgegroetjes bidden.
Het vroegere Hospitaal in Saint-Antoine l'Abbaye is nu in gebruik als steenhouwers atelier waar stenen bewerkt worden voor de renovatie van de abdij.
In afwijking van gewoontes die in andere hospitalen golden, had de zieke het recht over zijn spullen gedurende zijn leven en tot de dood naar eigen goeddunken te beschikken. Eigendom dat na de intrede in het hospitaal verworven werd, verviel evenwel bij de dood van de zieke aan het hospitaal. []
Nu de voorrechten, waarop de zieke aanspraak kon maken:
Dagelijks 2 denier in geld. Op de jaardagen de volgende feestspijzen: met kerstmis een wittebrood ..., een grote schaal met schone en heldere wijn, rund- en varkensvlees met warme saus, met daarbij een klein glas honigwijn. Op Witte Donderdag een safraanbrood ..., met Pasen een lam, en tenslotte elke zondag een groot rond brood. Verder nog op jaarfeesten waarop de zieken tezamen kwamen, een schaal met schone en heldere wijn. Ook werd er steeds voor genoeg hout voor het koken gezorgd.
Ook voor kleding werd gezorgd.
De zieken zelf protesteerden heftig zodra de orde een van haar plichten tegenover hen niet voldoende nakwam.
Genezing door medicijn: dieet, planten, mineralen, en Saint Vinage
De therapeutische middelen die door de Kanunniken worden gebruikt, berusten in het toedienen van middelen die uit geneeskrachtige planten worden vervaardigd en een voeding zonder rogge die het mogelijk maken om de verstervende en verkrampende gevolgen van de Vuurziekte te beperken.
Maar de uitroeiing van de ziekte is grotendeels te wijten aan de chirurgie die in de ziekenhuizen van de Orde door leken-geneesheren van naam wordt uitgevoerd. Hans von Gersdorf, op wie in 1517 door de Hospitaalbroeders van Straatsburg een beroep wordt gedaan, beschrijft op realistische wijze de talrijke amputaties van ledematen die door koudvuur zijn aangetast. Dit lijkt het enige alternatief om de gangreen tot staan te brengen.
Vanaf het begin van de Middeleeuwen onderscheidt de chirurgie zich van de geneeskunde.
In Salerne, het eerste belangrijke onderwijscentrum van de geneeskunde, neemt de chirurgie een marginale plaats in. Zijn beslissende bloei houdt verband met de invoering, in de 13e eeuw, van praktisch onderwijs dat aan de universiteiten wordt verstrek, wat de mechanische kunst van de chirurgie in staat stelt zich te handhaven tegenover de eerbiedwaardige Faculteit van Medicijnen.
De apotheek van de Hospitaalbroeders van Saint-Antoine onderscheidt zich door de aanwezigheid van middelen die zich vooral lenen voor de behandeling van beide vormen van de Vuurziekte, en in ruimer verband voor de behandeling van dermatologische en besmettelijke ziektes. In de samenstelling van de geneesmiddelen bevinden zich zowel plantaardige, minerale als dierlijke substanties.
Bloemen, bladeren, vruchten, zaden maar ook wortels zijn in de apotheken overvloedig aanwezig en gaan in de samenstelling van talrijke geneesmiddelen.
Deze pijnstillende, narcotische of vaatverwijdende planten worden meestal in azijn of honing opgelost. Fijngestampt, gekookt of geweekt, kunnen ze worden verwerkt tot allerlei pleisters, sappen en andere drankjes of zalven voor de open wonden en zweren.
De Practica in medicinam, practica morborum curandorum, uit 1469, bevat een recept bestemd voor de ziektes van de huid, dat is samengesteld op basis van zwavel, peper, varkensvet en rozenwater.
Zalven en pleisters zijn de meest voorkomende geneesmiddelen. Er wordt vooral gezocht naar een goede behandeling van de littekenvorming, vooral gezien het aantal zieken met afgezette en beschadigde ledematen.
De planten, waarvan de samentrekkende eigenschappen door de chirurgen worden gewaardeerd, dienen eveneens voor de toepassing van pleisters en wrijvingen bij de behandeling van zweren en wonden.
Het mineralenrijk en het dierenrijk worden niet vergeten: om koorts of syfilis te behandelen, wordt frequent gebruik gemaakt van kleiachtige gronden, kalk, zwavel, kwik, loodwit en lood, alles zeer giftig. Hout en hertenpees, opgelost in bouillon of tot poeder vermalen, komen voor in de recepten van Claude Allard, een religieus van de Orde in 1653.
Onder deze middelen lijkt de balsem van Sint Antonius het meest effectief. Daarin zijn negen plantaardige aftreksels geteld, die de bloedcirculatie activeren, die krachtig ontsmetten en die de pijn enigszins stillen en zintuigactiviteit verminderen.
Zo worden in de balsem van Saint-Antoine, waarvan het recept door de Hospitaalbroeders geheim wordt gehouden, bladen of zaden van verschillende soorten verwerkt, zoals kool, snijbiet, vlier, klein hoefblad, brandnetel, heelkruid of wijnruit. Daaraan worden dierlijke vetten (schaap en varken) toegevoegd, waarvan Hippocrates de verdienste reeds roemde, maar ook pek en olijfolie. Vooral ook door de aanwezigheid van terpentijn en kopergroen heeft deze zalf een krachtige antiseptische werking.

Ik kwam nog een ander recept van de Antoniusbalsem tegen, zoals het in Issenheim vervaardigd zou zijn. Het is sowieso niet compleet en het lijkt er niet op dat je er veel aan hebt, maar het zou als volgt zijn: "Men neme 4 pond ... 4 pond talk - 4 pond reuzel - 4 pond witte pek - 4 ons gele was - 4 ons terpentijn - 2 ons kopergroen - koolbladen - nootbladen – aardbei spinazie - latuw - beide soorten weegbree - vlierbladeren - heelkruid – klein hoefblad - bladen of korrels van satz (?), die op de muren groeit - bladen van het brandende kruid (brandnetel?) - bladen en takpunten van braam en framboos - van deze kruiden 6 handvol selecteren, in een schone ketel laten koken, en het sap ervan uitpersen.
Negen planten zouden een wond-helend en ontstekingsremmend karakter hebben, en vier werden in het bijzonder tegen zweren aangeraden. Vooral de latuw is een bekend en efficiënt middel vanwege zijn bloedstelpende en narcotische eigenschappen, en het is ook werkzaam tegen steenpuisten en fijt.
Detail van St. Antonius Abt bezoekt St. Paulus de Heremiet in de woestijn. Matthias Grünewald; 1512-1516.. Musée d'Unterlinden, Colmar, Frankrijk.
De planten die door de Kanunniken van Saint-Antoine in hun farmacopee worden gebruikt, zijn o.a. te zien op de retabel door Matthias Grünewald tussen 1512 en 1516 voor de commanderij van Issenheim werd geschilderd (zie afbeelding hierboven).
Veertien planten kunnen worden geïnventariseerd voor de samenstelling van de Saint Vinage, de therapeutische drank die uitsluitend door de Hospitaalbroeders mag/kan worden vervaardigd: grote weegbree, kleine weegbree, papaver, ijzerhard, bolvormige ranonkel, helmkruid, dovenetel, kweek, ereprijs, gentiaan, witte klaver, zegge, spelt.

[Zie voor het bovenstaande ook mijn pagina over planten in relatie met Antonius]

Onder de voor geneesdoeleinden gebruikte planten bij de behandeling van Antoniusvuur, zijn het vooral de twee soorten weegbree, plantago major en plantago lanceolata, die opvallen. Ze worden in bijna alle recepten gebruikt, hetzij het sap, het zaad of de bladeren.
Het zal dan ook niet verbazen dat de weegbree op het Antonius-tableau van Grünewald’s Isenheimer altaar en op het schilderij “De verzoeking van de heilige Antonius” van Jeroen Bosch (Madrid, Prado) onder de daar weergegeven geneeskruiden opduikt.
Saint Vinage
Genietend van een bijzonder status, is de Saint Vinage veel meer dan een therapeutische drank. In contact gebracht met de relieken van Antonius de Egyptenaar, verkrijgt de drank een heilige dimensie. Uitsluitend toegediend aan de zieken die door de Vuurziekte zijn getroffen, na afloop van een welomschreven ritueel (dichtbij die van de incubatio, hoogtepunt van de bedevaart) en tijdens een nauwkeurige periode (het Feest van de Hemelvaart), wordt de Saint Vinage beschouwd als een "representatieve reliek", wonderbaarlijk en geneeskrachtig.
In 1535 roemde de antoniaan Aymarus Falco nog, dat talloze lijders aan hels vuur door de kracht van de geheiligde wijn waren genezen, hetzij door deze te drinken dan wel dat de zieke delen daarmede waren gesproeid. Hij verzekert zelfs, dat hij zelf tal van personen daardoor heeft zien genezen.
De zaak was deze. Wanneer een zieke naar de abdij te Saint-Antoine werd gebracht, werd hij de volgende dag door de geneeskundige staf van het hospitaal nauwkeurig onderzocht. Was de diagnose sint-antoniusvuur, dan werd hij naar de abdijkerk gebracht.
Geplaatst voor het schrijn van de heilige kreeg hij, terwijl er vurig voor zijn genezing werd gebeden, enkele druppels wijn te drinken.
Deze wijn was gewonnen van druiven, welke door de ordebroeders waren geoogst van een aan de abdij behorende wijngaard. In deze wijn werd tijdens de grote processie, welke jaarlijks de dag na Hemelvaartsdag werd gehouden, een reliek van St. Antonius gedompeld. Daarna werd hij in kostbaar vaatwerk bewaard.
Deze uitgelezen therapie, welke de genezing van de patiënt trachtte te bewerken door het in vloeibare vorm tot zich nemen van het gebeente van St. Antonius, kon natuurlijk alleen maar voorbehouden zijn aan het moederhuis, dat verzekerde het volledig gebeente van de oude kluizenaar te bezitten.
Daarheen konden trouwens alle huizen hun lijders aan sint-antoniusvuur doorzenden.
De bereiding van de Saint Vinage, een vat wijn met daarin de relieken van Antonius. Detail van "Saint Antoine et les malades", uit Heures de la famille d'Ango. 1514. Bibliothèque Nationale de France.
Toen ook andere orden probeerden evenzo een “Saint-Vinage” te bereiden met behulp van apocriefe relikwieën van de heilige Antonius, wendden de Antonieters zich tot Paus Sixtus IV, die hun daarop in 1473 het privilege verleende als enige de Saint-Vinage te mogen vervaardigen.
In navolging hiervan [en dat kan dan alleen nog maar een slap aftreksel zijn, maar waarschijnlijk toch nog wel geloofwaardig genoeg] kende men in de commanderieën een zegening van water en wijn van St. Antonius. Hierin werd gevraagd, dat allen, die van deze wijn zouden gebruiken of daarmede besproeid zouden worden, door de zegening van het water en de wijn en door de gunst en de bijzondere macht van St. Antonius zegen naar de ziel en gezondheid van het lichaam zouden ontvangen en dat St. Antonius, die in de woestijn mensen en dieren had bevrijd van de aanvallen des duivels, nu ook die mensen en hun vee en hun bezittingen zou vrijwaren van alle bedrog en kwelling van satan, van de vuurziekte en van alle andere ziekten, van vergif en onreinheid en in het algemeen van alle listen en lagen van de vijand!
In deze zegening zijn alle geestelijke en materiële belangen van de gelovigen in algemene termen verzekerd, maar wij kunnen ons indenken, dat men bijzondere zorg had voor zijn vee, aangezien dit in de overwegend agrarisch georiënteerde economie van de middeleeuwen een factor van betekenis vormde. En dan ligt het voor de hand, dat wanneer men er voor zichzelf prijs op stelde, zich van de bescherming van Antonius te verzekeren, men dit ook voor zijn levende have trachtte te bewerken.
Genezing door het geloof
De wonderbaarlijke geneeskracht van Antonius de Grote overschaduwt in de Middeleeuwen talrijke heiligen.
Als de heilige Antonius vooral als genezer van de Vuurziekte wordt beschouwd en daarin zeker oppermachtig is, heeft hij daarop echter niet het alleenrecht.
De Maagd Maria wordt, vanaf het begin van de ziekte in 945 in Ile-de-France, aangeroepen. Verschillende genezingen worden vermeld, eerst in Notre-Dame van Doornik in 1089, vervolgens in Arras, Chartres, Parijs, Soissons, Cambrai en nog heel wat andere plaatsen.
Vanaf de 10e eeuw, doen plaatselijke vereringen zich gelden. Heilige bemiddelaars van de Vuurziekte zullen slechts een ondergeschikte rol spelen, met uitzondering echter van de heilige Geneviève in Parijs.
Saint Vinage bevind zich natuurlijk op de terreinen van zowel de 'medicijn' als het geloof in de geneeskracht van de relieken van Antonius.
Maar ook buiten Saint-Antoine-l'Abbaye zijn de relieken van Antonius aanwezig (en die van andere heiligen en het Kruis ook) en werkzaam. Toen bleek dat de botten van Antonius geneeskrachtige eigenschappen hadden, verspreidden zijn relieken zich over heel Europa.
Voor een inventarisatie van de relieken, zie mijn pagina.
Magie, relieken, amuletten, votieve en bezweringsvoorwerpen
Het beroep op votieve en bezweringsvoorwerpen is een constante sinds de Oudheid.
Preventief gebruikt teneinde zich tegen een ziekte te beschermen of achteraf als dank voor een genezing. Ze worden gemaakt van gebakken klei, hout of was, lood of zilver. Hun vorm is in de meeste gevallen anatomisch en berust op de verschillende ziekten. Van een soms overdreven realisme, is de anatomische uitdrukking indicatief voor de wens van de therapeutische benadering.
In de 6e eeuw besluit het Concilie van Auxerre om deze praktijken als afgoderij te verbieden. Een nutteloze poging, want de productie en de verspreiding van deze offerandes nemen juist toe om het bidden voor en het wachten op het wonder door genezende en bemiddelende heiligen beter te belichamen.
Menselijke figuren komen het meest voor. Armen, benen, handen of voeten, het gehele lichaam, omzwachtelde silhouetten die een voortijdige dode voorstellen, worden in min of meer fijne platen van metaal vormgegeven. Aanwezig in alle cultusplaatsen, ondanks de kerstening van de heidense overlevering, worden zij op de altaren gezet of aan de deuren gehangen van de kerken die relieken bevatten.
In Saint-Antoine, zoals in de talrijke ziekenhuizen van de Orde, zijn vooral ex-voto’s van afgezette ledematen te zien, zoals die door Jean-François Pic de la Mirandole in 1502 worden beschreven: "wij zagen verbrande ledematen en zelfs uitgedroogde beenderen die aan de deuren van het heiligdom waren opgehangen."

Sanctus Anthonius. Souabe, 1440-1460.
Staatliche Grafische Sammlung. München.
Ook tegenwoordig nog zijn dit soort ex voto's van benen, armen, voeten, handen, hoofden, lichamen, etc., maar nu in plastic bijvoorbeeld in de kerk van Puivelde te koop.
En er is nog een ex voto varkentje van blauwe was.
Zie de "afgezette ledematen", als ex-voto's, die aan de balk boven Antonius zijn gehangen
Interessant is ook de 'ridder' rechts die een haan als offerande aanbiedt. En dan zijn er nog pelgrims links, waarvan één een klokje draagt, en het echtpaar een kruisje en een pop als votief offeringen aanbiedt.
Een beeldje van een edelman die een haan aanbiedt als offering zien we ook op het retabel van Issenheim in Colmar.
Tenslotte herinnert de aanwezigheid van doodgeboren kinderen op een gravure van Hans Weiditz, van het begin van 16e eeuw, eraan dat de oorzakelijke agent, de beschimmelde rogge, een sterk aborterende kracht heeft.
Genezing door amputatie
In tegenstelling tot de arts die Latijns spreekt, zich beroept op oude auteurs, en geneesmiddelen voorschrijft, gebruikt de chirurg de inheemse taal, die van het volk, en handelt zowel buiten als binnen het lichaam.
Zijn tussenkomst betreft evengoed het zetten van gebroken ledematen als de operaties aan beschadigde of geïnfecteerde organen. Als “meester van het ijzer en het vuur”, onderscheidt hij zich van de barbier, een ondergeschikte deskundige die zich bezighoudt met aderlaten, bloedzuigers plaatsen, omslagen aanleggen en het verbinden van zweren en wonden.
De chirurgische instrumenten zijn geërfd van zowel Galen en Hippocrates (tangen, naalden) en van Arabische en Mohammedaanse chirurgen (brandijzer), als geleend van de handwerkslieden van die tijd, smeden (tangen) of timmerlieden (beitels).
De technische innovaties die tijdens oorlogen, ter behandeling van de specifieke verwondingen die daaruit voortvloeien, worden ingevoerd, plaatsen de chirurg in het volle licht.
Amputaties met de zaag zijn zeer gangbaar. Het gebruik van zalven op basis van pek en brandnetel maakt het mogelijk om de bloedcirculatie te reactiveren. De brandijzers blijven een integrerend onderdeel van de chirurgische operatie, zelfs wanneer bloedvaten afgebonden worden om complicaties door besmetting te voorkomen.
Amputatie met de zaag.
Uit Feldbuch der Wundartzney,
Hans von Gersdorf. 1540.
(Links) Bedelaars of Mensen zonder Benen.
Breughel de Oudere. 1568.
Musée du Louvre.
In het algemeen wordt aangenomen dat de voorstelling links gaat om slachtoffers van het Antoniusvuur.
Het is een wat raadselachtige afbeelding, vooral de vreemde mutsen en de vossestaarten op de rug van de figuren rechts en tweede van links, waarvan de symboliek verloren is gegaan.
Wat de vossestaarten betreft, kwam ik een hint tegen in de Italiaanse Reis van Goethe, waar hij een anecdote vertelt over een prins die een beproeving moest ondergaan alvorens toegelaten te kunnen worden tot een religieuze orde.
Uit het citaat (hieronder) blijkt dat het dragen van een vossestaart een schande is; waarschijnlijk werd dat dus door bedelaars gedaan, en/of door bedelmonniken.
[Italiaanse Reis p. 346] "Neri haalde ... een lange vossestaart te voorschijn en verlangde dat de prins deze achter op zijn lange rok zou laten binden en zo heel statig door alle straten van Rome zou lopen. De jongeman ontstelde ... en zei dat hij zich niet had aangemeld om zichzelf te schande te maken, maar om eer te verwerven. Daarop gaf pater Neri te kennen dat dit van hun kring niet te verwachten viel, waar opperste verzaking het eerste gebod bleef. En de jongeling ging heen."
De wetenschap
De eerste duidelijke beschrijving van het geneesmiddel, zonder evenwel haar giftige werking als oorzaak van de epidemieën te vermelden, bevind zich in het ‘Kruidenboek’ van Adam Lonicer in de editie van 1582.
In 1670 begon Dr. Thuillier, een Franse arts, belangrijke observaties betreffende het Heilig Vuur te maken. Hij stelde vast dat ergotisme geen besmettelijke ziekte was. Hij merkte op dat het op de plattelandsgebieden en bij de armen meer voorkwam dan in stedelijke gebieden. Hij vermoedde dat de bron het voedsel moest zijn, want de maaltijden van zieken in plattelandsgebieden bestonden uit varkensvlees of bonen, en altijd roggebrood. Mensen in de stad, die veel minder getroffen werden, aten eerder rundvlees, gevogelte, truffels en wit brood.
Thuillier merkte in een gebied van rogge het moederkoren op, of “hanensporen”, zoals de landbouwers ze noemden, die op sommige rogge-aren groeiden. De landbouwers dachten dat deze hanensporen onschadelijk waren. Thuillier merkte ook op dat in de jaren dat hanensporen overvloedig op de rogge-aren vóórkwamen, het Heilig Vuur woedde en dat honderden stierven. Eindelijk bewijs.
Maar zoals altijd was het niet genoeg en de landbouwers geloofden hem niet.
Tenslotte bewees Louis Rene Tulanse in 1853 definitief wat Thuillier twee honderd jaar eerder had vastgesteld. Hij bestudeerde het groeien van rogge en de bloemen en voerde talrijke experimenten uit. Hij ontdekte dat de rogge niet het probleem was, maar een schimmelparasiet, de purpurea claviceps, het moederkoren.

De noodlottige causaliteitsketen tussen rogge en ergotisme kon pas door de invoering van de aardappel verbroken worden.
Zelfs tegenwoordig wordt in Italië gordelroos nog met de naam St. Antoniusvuur aangeduid.
Maar toch ook geneesmiddel
In de loop der eeuwen schreven de artsen een aftreksel van gemalen sclerotium voor in de behandeling van migrainehoofdpijnen, die worden verminderd door het alkaloïde ergotamine.
Ergonovine wordt gebruikt om bloeding na bevalling onder controle te krijgen.
Een psychedelicum
Het psychoactieve ingrediënt in moederkoren is LSD, lyserg zuur diethylamide. De activiteit van deze stof werd in 1943 toevallig ontdekt door Dr. Albert Hofmann, een organisch chemicus.
Na zijn studie scheikunde in Zürich – hij studeerde cum laude af – begon Albert Hofmann voorjaar 1929 als chemisch onderzoeker bij het farmaceutische bedrijf Sandoz in Bazel. Daar probeerden ze de werkzame stoffen in medicinale planten te isoleren.
Na een paar jaar, in 1935, nam hij de draad op van een onderzoek dat bij Sandoz alweer jaren stil lag: naar de alkaloïden van moederkoren (claviceps purpurea). Rond 1918 had Sandoz aan zulk onderzoek ergotamine overgehouden, een middel tegen migraine. Sindsdien lag het onderzoek plat. De concurrentie in Engeland en de VS, wist Hofmann, had de draad nu weer opgevat; daar hadden ze al ontdekt welke chemische structuur die alkaloïden al hebben en er een naam aan gegeven: lysergzuur. Hoog tijd er nog eens naar te kijken.
Drie jaar werken en 24 versies van dat lysergzuur verder, was Hofmann in 1938 toe aan een 25ste derivaat. Dat noemde hij Lysergsäure-diäthylamid-25, oftewel LSD-25.
Het werd met dierproeven getest: was het soms geschikt als medicijn om de ademhaling en de bloedsomloop te stimuleren? Was het bruikbaar voor kraamvrouwen? Kon je ook hier migraine mee verhelpen?
De proefdieren worden er onder narcose rusteloos van, noteerde het lab.
Sandoz legde de stof terzijde als onbruikbaar.
Vijf jaar later, in het voorjaar van 1943, maakte Hofmann in een opwelling toch nog eens opnieuw een paar centigram van de stof. En, vreemd, deze keer merkte hij zelf iets. In een verslag voor zijn chef schreef hij:

„Afgelopen vrijdag, 16 april, moest ik mijn werk in het lab halverwege de middag onderbreken en naar huis toe. Ik had last van een opmerkelijke rusteloosheid, gecombineerd met een beetje duizeligheid. Thuis ging ik liggen en zonk ik weg in een niet onplezierige toestand als van dronkenschap, te karakteriseren door extreem gestimuleerde verbeelding. In een droomtoestand, de ogen gesloten (ik vond het daglicht onplezierig scherp) nam ik een voortdurende stroom fantastische beelden waar, ongewone vormen en een intens, caleidoscopisch spel van kleuren. Na ruim twee uur ebde die toestand weg.’’

Hofmann was verbijsterd. Was hij ziek, of was dit de werking van de nieuwe stof? Maar hoe had hij die dan binnengekregen? Gemorst? Er was maar één manier om er achter te komen wat er was gebeurd: zichzelf de stof bewust toedienen. Dat deed hij drie dagen later. Als een goed onderzoeker schreef hij op wat hij deed: om 16.20 uur ’s middags nam hij een kwart milligram, opgelost in een beetje water.
Die allereerste LSD-trip ter wereld, op 19 april 1943, duurde tot na middernacht.
Hofmann was inmiddels per fiets naar huis geloodst door zijn lab-assistent, mevrouw Hofmann was met spoed teruggeroepen van een dagje bij haar ouders in Luzern, de huisarts was gekomen, de buurvrouw had melk gebracht. Want in zijn heldere momenten wist Hofmann: ik moet melk drinken om de stof te verdunnen. Hij dronk er die avond wel twee liter van. Maar onder invloed van de LSD zag hij de buurvrouw als „een kwaadaardige, geniepige heks met een gekleurd masker’’, zou hij later noteren.
De volgende ochtend ontwaakte Hoffman helder en geheel verfrist. „Een gewaarwording van welzijn en vernieuwd leven ging door me heen. Het ontbijt smaakte uitstekend. Toen ik later de tuin in ging, waar de zon na een regenbui scheen, glinsterde en straalde alles in een nieuw licht. De wereld was opnieuw geschapen. Mijn zintuigen trilden in een toestand van hoge gevoeligheid, die de hele dag duurde.”
Terwijl buiten Zwitserland een wereldoorlog woedde realiseerde Hofmann zich die ochtend dat hij een stof zonder weerga had gevonden. Zo’n lang en diep effect bij zulke kleine doses, zo’n dramatische verandering in hoe je de wereld waarnam – dat was nooit eerder vertoond.
De niet-gezochte vondst LSD heeft Hofmann sindsdien nooit meer losgelaten. Sandoz vermoedde dat LSD in de psychiatrie gebruikt kon worden, al wist het bedrijf niet zo precies waarvoor en hoe: LSD is een voorbeeld van een geneesmiddel waar de kwaal bij gezocht wordt. Misschien, was de gedachte, leken de hallucinaties die LSD opwekt wel op wat schizofrenen meemaken tijdens een psychose.
De eerste menselijke proefpersonen na Hofmann op wie de stof werd uitgeprobeerd, waren in 1947 psychiatrische patiënten van de Züricher universiteitskliniek.
LSD kon, dacht Sandoz, bruikbaar zijn om onderdrukte gevoelens los te maken, vooral bij angstige of obsessieve neuroses. Het middel kwam nog dat jaar op de geneesmiddelenmarkt onder de naam Delysid.
Cary Grant, de mannelijke hoofdrolspeler in menige Hitchcock-film, en in die jaren zeer beroemd, was een van de tevreden vroege gebruikers. Hij was, zei hij in een interview, zeer opgeknapt van psychotherapie met behulp van LSD. Zijn hele leven al zocht hij naar innerlijke vrede, maar niets had geholpen: yoga, hypnose, mystiek. Dankzij LSD was hij nu een nieuw mens, was hij in staat lief te hebben en een vrouw gelukkig te maken.
Maar een paar jaar later stelden psychiaters vast dat de werking van LSD sterk afhing van de omstandigheden – per persoon en per moment.
Daarom had de Amerikaanse inlichtingendienst CIA, die er tien jaar proeven mee zou doen, er bij nader inzien niet veel aan. Mensen vielen onder invloed van LSD niet extra goed te manipuleren. Het was, helaas, geen hersenspoelmiddel.
Een paar jaar later kreeg LSD een heel andere populariteit. Het begon in trek te raken bij schilders, schrijvers en acteurs – een voorhoede die zo’n tien jaar later gevolgd zou worden door het grote publiek. In oktober 1953 nam de Canadese journalist Sidney Katz in een kliniek LSD in en schreef er een artikel over: ’My twelve hours as a madman’.
In Nederland was Simon Vinkenoog in 1959 in het Wilhelmina Gasthuis een van de eersten; hij werkte mee aan een experiment van psychiater Frank van Ree.
Begin jaren zestig, zeker toen de patenten op LSD in 1963 afliepen en in de VS de curieuze psycholoog Timothy Leary het gebruik onder jongeren propageerde, werd LSD door de jeugdcultuur gekaapt. Het werd populair als bewustzijnsverruimende drug – die op dat moment bovendien niet wettelijk verboden was.
Die massale populariteit verbaasde Hofmann eigenlijk, want gezien de werking leek het hem helemaal geen gezelligheidsdrug.
De lijst beroemde gebruikers is niettemin lang: van Bill Gates tot de Beatles.
Hofmann was in die tijd vaak ten prooi aan twijfel: had hij een waardevol middel uitgevonden, of sloeg de weegschaal door naar de gevaren bij misbruik? Hij begon LSD ’mein Sorgenkind’ te noemen. De hoogste baas van Sandoz had minder twijfels. „Ik wou dat je LSD nooit ontdekt had”, zei die, verwijtend.
Eind augustus 1965 had Sandoz genoeg van de voortdurende ophef. Het bedrijf stopte de productie. Dat jaar kwam de stof in de VS in het strafrecht terecht. Nederland volgde in februari 1966. Alleen medisch gebruik mocht nog – maar ook dat was omstreden. In Nederland waren na 1970 nog maar twee psychiaters die LSD toepasten: Arendsen Hein en de zeer omstreden Bastiaans, die er de trauma’s van concentratiekampslachtoffers mee te lijf ging.
De illegaliteit maakte LSD de eerste jaren niet minder populair. Het was niet heel moeilijk zelf te maken en voor wetshandhavers was het een lastig te bestrijden drug, omdat er zulke extreem kleine hoeveelheden van nodig waren die, als je schoon werkte, eindeloos houdbaar bleven.
Hofmann is levenslang met LSD bezig gebleven. Ook met andere hallucinogene stoffen: hij isoleerde in 1958 ook psilocybine, de werkzame stof in wat we in Nederland “paddo’s” noemen. Na zijn pensionering in 1971 schreef hij er een paar boeken over. Eerst in 1979 ’LSD – mein Sorgenkind’, tien jaar later ’Insight – Outlook’.
Ook was hij, als de uitvinder, in trek bij apostelen van hip LSD-gebruik. Maar daar moest Hofmann weinig van hebben. Zo verweet hij Timothy Leary dat hij jongeren aan de LSD bracht – gevaarlijk, vond de Pietje Precies in Hofmann, omdat volslagen onzeker was welke zuiverheid, en welke dosering je met LSD van de zwarte markt binnenkreeg.
Tegelijk bleef Hofmann er levenslang van overtuigd dat LSD en andere stoffen die hallucinaties opwekken, meer waarde had dan alleen medische.
De centrale boodschap van Insight Outlook is dat een stof als LSD je een hogere realiteit laat zien – en dat er geen reden is waarom een geestelijk stabiel mens er, onder de juiste omstandigheden, niet van zou mogen genieten.

Albert Hofmann werd op 11 januari 1906 in Baden, Zwitserland geboren. Hij overleed op 29 april 2008 in Bazel.

Hij werd dus 102 jaar oud. Het is aardig om hierin een parallel te zien met de leeftijd van Antonius, die tenslotte 105 jaar oud werd.
Ook het maken van LSD-trips is zeker te vergelijken met het opzoeken van de duivels — en engelen — in de woestijn: extreme risico's aangaan voor het provoceren van mystieke en spirituele ervaringen.
En zoals blijkt, kan het goed zijn voor de gezondheid!

Een paar links:
Albert Hofmann 100th Birthday on YouTube. LSD — My Problem Child The Albert Hofmann Foundation.

Heeft u informatie over Antonius Abt, of vragen, neem dan contact op met mij: Dolf Hartsuiker