Vita Antonii Abba's Iconografie Vuur Antonianen Kunsten Cultus Folklore Plant Dier Literatuur Paulus Hilarion Maria Simeon Adolphus
Nederlands Frans Italiaans Spaans Portugees Koptisch Duits Orthodox Engels Amerikaans Aziatisch
Antonius in de literatuur
Literatuur: Forrest, 1766, St. Anthony and his Pig. - Goethe, 1787, Italiaanse Reis. - Mercier de Compiègne, 1800, La Calotine, ou la Tentation de saint Antoine. - E.T.A. Hoffmann, 1815, Die Elixiere des Teufels. - William H. Ainsworth, 1837, Crichton. - A. Des Tilleuls, 1874, La vraie Tentation du Grand Saint Antoine. - Paul Arène, 1880, La tentation de Saint Antoine. - Guy de Maupassant, 1887, Sint-Theunis. De legende van Sint Antonius. - Stijn Streuvels, 1906, De ommegang. - Anatole France, 1908, Het Eiland der Pinguïns. - Anton van Duinkerken, 1922-1927, Sint-Antonius-Lied. - Vestdijk, 1960, Een moderne Antonius. - Louis Paul Boon, 1972, Mieke Maaike's o/øscene jeugd. - Michel Rio, 1997, Merlijn. - Ganachaud, 2004, Le Roman de Saint-Antoine. - Hein Stufkens, 2007, Voor een kluizenaar.
Stripverhaal: Pellerin & Cie., 1880-90, Le cochon de Saint Antoine; Tentation de Saint Antoine. - Vidas Ejemplares, 1957, San Antonio Abad. -
Vrijwel alle literaire werken die over Antonius gaan, of waar hij een rol in speelt, zijn spottend, ironisch, sarcastisch, kritisch, cynisch, en anti-kerkelijk, met als diepte punt La Coline van Mercier. In de andere kunstvormen is dat veel minder — schilderijen, theater — of zelfs niet — beeldhouwkunst, muziek— het geval.De enige uitzonderingen die ik tot nu toe ben tegengekomen zijn De Ommegang van Stijn Streuvels, San Antonia Abad, het stripboek, en het gedicht Voor een kluizenaar van Hein Stufkens.
Literatuur
Frederick Forrest, A Cantata St. Anthony and his Pig 1766
Ik heb geaarzeld of ik deze Cantate nu bij de Kunst of bij de Folklore zou indelen, omdat deze nogal ironisch en satirisch van karakter is, maar ondanks de 'lichtzinnige' toon ervan heb ik toch maar voor het eerste gekozen.
Een nieuw aspect aan het varken is dat het kan praten, en dat Antonius er een iets te innige liefdesrelatie mee schijnt te hebben.
Ik heb het vrij letterlijk vertaald, zonder pogingen tot rijm. De verwijzingen naar personen in de tekst zijn (mij) niet altijd even duidelijk.
Illuminator: Jean le Tavernier.
Reliëf bij de boerderij van Benedictijner Abdij in Gerleve.
Wat een leuk opkijkend en lachend varkentje!

Recitative
Let clownish Cymon, in fond rustic strains,
To lovely Iphigene declare his pains;
Let tink'ring Tom for dustcart Sylvia pine,
I sing St. Anthony and his fav'rite swine:
Who, strange to tell, like you and I could speak,
When other grov'ling pigs could only squeak.
But when, or how, this wonder came to pass,
Remains unnoticed by the scribbling class:
Let it suffice, as oft he did caress her,
Thus, like a lovesick swain, he would address her.

Voordracht
Laat de potsierlijke Cymon, in tedere plattelands melodieën,
Aan de mooie Iphigenie zijn hartepijnen betuigen;
Laat de knutselende Tom smachten naar stoffige Sylvia,
Ik bezing St. Antonius en zijn favoriete zwijn:
Wie, vreemd om te vertellen, net als u en ik kon spreken,
Toen andere wroetende varkens slechts konden knorren.
Maar wanneer, of hoe, dit wonder tot stand kwam,
Bleef onopgemerkt door de krabbelende klasse:
Laat het volstaan te zeggen, aangezien hij haar vaak streelde,
dat hij zich aldus, als een verliefde vrijer, tot haar richtte.
Air
O my pretty piggy-wiggy,
More sweet than is the figgy,
That grows on yonder twiggy,
Or sugar candy;
My love for thee surpasses
All that which pretty lasses
Have for their looking-glasses,
Or Tristram Shandy.
Wijsje
O mijn mooi zwijntje,
Zoeter dan het vijgje,
dat groeit op ginds twijgje,
Van suikerzoet kandij;
Mijn liefde voor jou overtreft
Al wat die mooie meisjes
Als hun spiegelbeeld hebben,
Of Tristram Shandy.
Recitative
With little doting eyes, and ears upright,
To all he says she listens with delight:
Then, like the sluggish ass in scripture told,
In grunting accent did her mind unfold.
Voordracht
Met kleine verzotte ogen, en de oren gespitst,
Luistert zij met verrukking naar alles wat hij zegt:
Toen, zoals over de trage ezel in de schrift wordt verteld,
Openbaarde zij met knorrend accent haar gedachten.
Air
How shall I my thanks declare, sir,
In a learned genteel air, sir?
I the court have never seen,
Or at boarding-school have been;
Wijsje
Hoe kan ik u mijn dank betuigen, meneer,
In een geleerd en beschaafd liedje?
Ik heb nog nooit het hof gezien,
Noch ben ik op kostschool geweest;
Nor a singer am, you know, sir,
To delight like Beard and Lowe, sir;
But since I must play my part,
Thank you, sir, with all my heart.
Evenmin ben ik een zanger, weet u, meneer,
Om als Beard en Lowe te behagen, meneer;
Maar aangezien ik mijn rol moet spelen,
Dank ik u, meneer, met heel mijn hart.

Recitative
The hoary dotard gazes on her charms,
And fondly clasps her in his withered arms;
Then gently stroking first her bristled hide,
Smacked her soft balmy snout, and thus replied.

Voordracht
De verdwaasde grijsaard staart naar haar charmes,
En liefkozend sluit hij haar in zijn verschrompelde armen;
Dan eerst haar beborstelde huid voorzichtig strelend,
Gaf hij haar een smakkerd op haar zachte vochtige snuit, en antwoordde aldus.

Air
Let sordid mortals toil all day,
For gold and silver search and dig;
A greater treasure I enjoy
In this, my charming talking pig.

Wijsje
Laat lage stervelingen maar de hele dag hard werken,
Naar goud en zilver zoeken en graven;
Ik geniet van een grotere schat,
In dit, mijn betoverend lief sprekend varkentje.

De Verzoeking van de Heilige Antonius. Félicien Rops. ± 1858. Collectie Dexia Bank in Brussel.
Het is ongetwijfeld een ironisch bedoelde afbeelding — zie ook de halo boven het varken — maar eigenlijk geeft het toch de juiste relatie weer tussen Antonius en zijn varkentje, zijn assistent, zijn vriend.
Though mighty monarchs on their thrones
In pride and state look fierce and big,
They are not so content and blessed
As is old Tony with his pig.
Hoewel machtige koningen op hun tronen
In pracht en praal woest en groot lijken,
Zijn zij niet zo tevreden en gezegend
Als oude Tony met zijn varken is.
I neither care who's in or out,
Whether Tory, whether Whig,
I love my country, King and Queen,
But best of all I love my pig.
Het maakt mij niet uit wie in of uit is,
Of hij Tory is, of Whig,
Ik houd van mijn land, Koning en Koningin,
Maar meest van al houd ik van mijn varken.
Forrest, Frederick, (fl. 1766), Engelse dichter en songwriter die vaak met zijn broer Theodosius Forrest samenwerkte.
Uit: The New Book of Eighteenth Century Verse, Edited by Roger Lonsdale, Oxford University Press, (1984).
Johann Wolfgang von Goethe Die italienische Reise 1787
Italiaanse Reis Vertaling Wilfred Oranje. Bezorger Marinus Pütz. Uitgever Boom. 1999
Goethe in der Campagna di Roma. 1787.
Hier is een detail getoond van het schilderij door Johann Tischbein, die een tijd lang samen met hem in Italië was, als illustrator van de reisavonturen. Een beroemd schilderij, 'een zinnebeeld van Goethe's reis', maar anatomisch (de benen i.h.b.) niet correct.
Kapitel 27 — Den 18. Januar 1787 Hoofdstuk 27 — 18 januari 1787
Gestern, als am Feste des heiligen Antonius Abbas, machten wir uns einen lustigen Tag, es war das schönste Wetter von der Welt, hatte die Nacht Eis gefroren, und der Tag war heiter und warm.
Es läßt sich bemerken, daß alle Religionen, die entweder ihren Kultus oder ihre Spekulationen ausdehnten, zuletzt dahin gelangen mußten, daß sie auch die Tiere einigermaßen geistlicher Begünstigungen teilhaft werden ließen. Sankt Antonius, der Abt oder Bischof, ist Patron der vierfüßigen Geschöpfe, sein Fest ein saturnalischer Feiertag für die sonst belasteten Tiere sowie für ihre Wärter und Lenker. Alle Herrschaften müssen heute zu Hause bleiben oder zu Fuß gehen, man verfehlt niemals, bedenkliche Geschichten zu erzählen, wie ungläubige Vornehme, welche ihre Kutscher an diesem Tage zu fahren genötigt, durch große Unfälle gestraft worden.
Gisteren, op het feest van de heilige Antonius Abbas, hebben wij er een vrolijke dag van gemaakt, het was het mooist denkbare weer, 's nachts had het gevroren en overdag was het helder en warm. Men kan constateren dat alle godsdiensten die hetzij hun cultus, hetzij hun speculaties een ruimere strekking gaven, ten slotte het punt moesten bereiken dat ze in enige mate ook de dieren in geestelijke gunstbewijzen lieten delen. Sint Antonius, de abt of bisschop, is beschermheilige van de viervoeters, zijn feest een saturnalische feestdag voor de anders zo zware arbeid verrichtende dieren, alsmede voor hun verzorgers en menners. Alle hoge heren moeten op deze dag thuis blijven of te voet gaan, nimmer zal men nalaten tot nadenken stemmende verhalen te vertellen, over ongelovige edelen die hun koetsiers op deze dag dwongen uit te rijden en daarvoor met grote rampen werden gestraft.
Die Kirche liegt an einem so weitschichtigen Platz, daß er beinahe für öde gelten könnte, heute ist er aber auf das lustigste belebt, Pferde und Maultiere, deren Mähnen und Schweife mit Bändern schön, ja prächtig eingeflochten zu schauen, werden vor die kleine, von der Kirche etwas abstehende Kapelle geführt, De kerk ligt aan een zo ruim bemeten plein [Piazza Santa Maria Maggiore] dat het bijna voor een troosteloze vlakte zou kunnen doorgaan, maar vandaag heerst er een vrolijke drukte, paarden en muildieren, waarvan de manen en staarten fraai met gevlochten linten getooid zijn, een prachtig gezicht, worden tot voor de kleine, iets opzij van de kerk staande kapel geleid,
wo ein Priester, mit einem großen Wedel versehen, das Weihwasser, das in Butten und Kübeln vor ihm steht, nicht schonend, auf die muntern Geschöpfe derb losspritzt, manchmal sogar schalkhaft, um sie zu reizen. waar een priester, uitgerust met een grote kwast, de wakkere schepsels met het in tobben en kuipen voor hem staande wijwater royaal en ruw, soms zelfs schalks om de dieren te sarren, besprenkelt.
Een schilderij van de dierenzegening ter ere van Antonius in Rome in de 18e eeuw. Links is de kerk Maria Maggiore duidelijk herkenbaar, terwijl de kerk waar het zich afspeelt de Sant'Antonio Abate is, de huidige orthodox Russische kerk aan de Via Carlo Alberto. Het moet er zeker zo in Goethe's tijd uit gezien hebben.
Andächtige Kutscher bringen größere oder kleinere Kerzen, die Herrschaften senden Almosen und Geschenke, damit die kostbaren, nützlichen Tiere ein Jahr über vor allem Unfall sicher bleiben mögen. Esel und Hornvieh, ihren Besitzern ebenso nützlich und wert, nehmen gleichfalls an diesem Segen ihr beschieden Teil. Vrome koetsiers komen met grotere of kleinere kaarsen aanzetten, de hoge heren sturen aalmoezen en giften, opdat de kostbare, nuttige dieren het komende jaar voor alle rampspoed bewaard mogen blijven. Ezels en hoornvee, voor hun eigenaren al even nuttig en waardevol, delen eveneens bescheiden in deze zegen.
Nachher ergötzten wir uns an einer großen Wanderung unter einem so glücklichen Himmel, umgeben von den interessantesten Gegenständen, denen wir doch diesmal wenig Aufmerksamkeit schenkten, vielmehr Lust und Scherz in voller Maße walten ließen. Naderhand genoten we van een grote wandeling, onder een stralende hemel, omringd door de interessantste zaken, maar ditmaal schonken we daar weinig aandacht aan, veeleer lieten we de vrije teugel aan vrolijkheid en scherts.
Goethe bezoekt het Colosseum in Rome, in circa 1790. Jacob-Philippe Hackert.
[Eindnoot NL editie] Hackert was een persoonlijke vriend van Goethe, die hij in Napels ontmoette, en bij wie hij tekenles nam.
De zinsnede "Sankt Antonius, der Abt oder Bischof" onthult wel iets van de gebrekkige kennis van Goethe over Antonius. Met "Sankt Antonius" impliceert hij enige Duitse familiariteit met Antonius, maar het "Abt oder Bischof"geeft aan dat hij hem niet echt goed kende. Antonius was namelijk zeker geen bisschop.
In een eindnoot in de NL editie staat dat Goethe zich voorgenomen had een opstel over de wijding der paarden te schrijven, dat echter nooit tot stand is gekomen.
Jammer, want dan hadden we wellicht kunnen vernemen of er toen in Rome nog meer festiviteiten plaats vonden op de 17e januari 1787. Bovendien zou hij dan waarschijnlijk ook wel ontdekt hebben dat de paardenwijding ouder is dan het Christendom, een heidens ritueel, dat gekerstend daarin geïncorporeerd is. En zou hij teruggekomen zijn op zijn constatering "dat alle godsdiensten die hetzij hun cultus, hetzij hun speculaties een ruimere strekking gaven, ten slotte het punt moesten bereiken dat ze in enige mate ook de dieren in geestelijke gunstbewijzen lieten delen".
Mercier de Compiègne La Calotine, ou la Tentation de Saint Antoine 1800
  De Paapse, of de Verzoeking van de heilige Antonius.
Claude François Xavier Mercier, a.k.a. Mercier de Compiègne, werd geboren in 1763 in Compiègne en stierf in 1800.
La Calotine; ou, La tentation de Saint Antoine, poème epcyni-satyri-héroy-comique et burlesque, en sept chants, et en vers libres: mille et unième édition, revue, considérablement diminuée et singulièrement enrichie de notes historiques, savantes et délicieusement amusantes. De Paapse of De verzoeking van Sint Antonius, episch-cynisch, satirisch, heroïsch, komisch gedicht en burleske in zeven zangen, en in vrije vers: duizend-eerste editie, herzien, en sterk verminderd en enorm verrijkt met historische, wetenschappelijke en geestig notities.

Het is niet zo vreemd dat dit werk pas na zijn (vroege) dood en anoniem is gepubliceerd, en zogenaamd uitgegeven te Memphis (Egypte).
Het werk is tijdens / na de Franse Revolutie gepubliceerd, een revolutie die was gericht tegen de calotins en calotines (de papen, de paapsen, de Katholieke clerus) en de aristocraten. Toch lijkt het erop dat een antiklerikaal en antiautoritair spotschrift als dit, met nogal wat ‘obscene’ elementen, in 1800 misschien toch nog wel problemen zou hebben kunnen geven, want er zijn heel wat … in de tekst, wat aangeeft dat de auteur toch ook weer niet alles kon zeggen, of beter, laten drukken.
Wat deze … betekenen is me natuurlijk vaak niet duidelijk, maar soms laat het zich toch wel raden. In het algemeen zullen het, voor die tijd, te obscene woorden zijn. Vooral de combinaties c… komen vaak voor, en ook b… en f…. Dan denk ik dat c… voor “con” of “cul” staat. Maar wat zouden b… en f… zijn? In mijn vertaling geef ik de c… woorden weer als k0nt of k*t, om ongewenst zoekgedrag en bezoek aan mijn site te voorkomen.
Ook namen van adellijke personen, of kerkelijke autoriteiten, worden wel met een initiaal en … weergegeven. Een aantal daarvan worden aan het eind van het boek, in de noten, verklaard.
Ik heb het vertaald, vrij dicht bij de oorspronkelijke tekst blijvend, dus niet altijd zulk fraai Nederlands, en ongetwijfeld, gezien het archaïsche Frans en het geforceerde rijm, soms onjuist. Maar het geeft een indruk.

Ik zal een aantal fragmenten citeren die Antonius niet van zijn gebruikelijke vrome kant laten zien.

Antonius wordt neergezet als een schijnheilige sukkel, die toegeeft aan de Verleidingen de vlezes, al dan niet in een droom of onder invloed van hallucinogenen. Demonen verkleden zijn zijn varken als religieuze, en Antonius denkt even dat het varken Paulus is.
Satan toont Antonius een aantal visioenen van de toekomstige misstanden in de kerk van Rome, het uitermate onchristelijke gedrag in het Vaticaan (Borgia, etc.). Voor de kluizenaar en asceet Antonius zijn het ware Bezoekingen.
Het is een akelig werk, want als er nou één kerkvader is die geen calotin, zwart-getopte rakker is, dan is het wel Antonius. In zijn tijd bestond de katholieke kerk niet eens, dus om hem te vereenzelvigen met de latere misstanden van die kerk, is zeer vergezocht. En er zijn heel wat kerkleiders die eerder als echte calotin te beschouwen zijn. Dat Mercier voor Antonius gekozen heeft, zal wel te maken hebben met de naams-verwantschap tussen hem en Marie-Antoinette, zoals blijkt uit de opdracht.
Het werk is zeer ironisch opgedragen aan Toinon, een bijnaam van Marie-Antoinette, de koningin van Frankrijk, extravagant en met schandalen overladen, die haar hoofd verloor onder de guillotine, in 1793, dus net voor de publicatie van dit werk.
Calotine rijmt op guillotine: A bas la calotine! Á la guillotine! “De Paapse” zal ongetwijfeld op Antoinette slaan.
“La Calotine” was ook een dans in de ballrooms van Parijs in de 18e eeuw. Uiteindelijk krijgt calotine ook de betekenis van spotdicht.
Calotin / calotine komt van calotte = een glad, zwart nauwsluitend mutsje, dat de tonsuur van de clerici bedekt.
Een couplet van een liedje van de Revolutie, 1789-1799:
Notre saint Père est un dindon
Le calotin est un fripon,
Notre archevêque un scélérat.
Alléluia.
Onze Heilige Vader is een kalkoen
De zwart-getopte rakker (calotin) is een boef,
Onze aartsbisschop een onverlaat.
Halleluja.
Ets van de executie van Marie-Antoinette, J.B. Louvion, circa 1794.
Met als bijschrift: "Antoinette lubrique, ainsi que Messaline, pour prix de ses forfaits gagna la guillotine."
"Geile Antoinette, net als Messalina, krijgt als prijs van haar misdaden de guillotine."
Avis
Nous avons donné à ce Poème le titre de Calotine, par deux raisons; 1e. Parce qu’il a été composé d'après la fameuse estampe de Callot, sur la tentation de Saint Antoine; 2e. Parce que l’ouvrage est dirigé principalement contre tous les Calotins en général.
La Tentation de saint Antoine. Jacques Callot (1592-1635), ca 1616-1617.
Aankondiging
We gaven het Dichtwerk de titel Calotine [Paapse], om twee redenen; 1e. Omdat het werd gemaakt naar de beroemde gravure van Callot, over de Verzoeking van Sint Antonius; 2. Omdat het boek vooral gericht is tegen alle zwart-afgetopte rakkers [=calotins=papen] in het algemeen.
Portret van Marie Antoinette, door Louise Élisabeth Vigée Le Brun, 1783.
[p.3] Épitre dédicatoire,
A Toinon.

Toinon, Toinette; Tonton ou Antoinette, comme tu voudras, toi que j’aime et que je ne connais point, qui est si belle et que je n'ai jamais vue, dont la taille élastique et svelte n’a jamais été enlacée de mes bras, dont les joues couvertes du plus tendre duvet n'ont jamais été effleurées de mes lèvres brûlantes; toi, à qui mon imagination a besoin de prêter des têtons de rose et d'albâtre, une petite bouche, un grand œil, un petit c..., de grands sourcils, épais, noirs et bien arqués, un petit pied, une jolie main, un regard fripon, des cuisses fermes et rebelles aux doigts les plus entreprenants; j'aime à me former de ton invisible individu une idée avantageuse, et je me complais à croire que tu mérites que l'on te fasse … une dédicace.

L’ouvrage que je te dédie, mon bel ange, est l’histoire bonne ou mauvaise du bon, bon, bon et très bon S. Antoine, de glorieuse mémoire. Un poème qui a pour héros ce bon moine, doit, en conscience, être dédié à celle qui a l’honneur de porter son nom; cela est dans l’ordre, Piron l’a prouvé, et Sédaine après lui.
[p.3] Opgedragen aan Toinon.
Toinon, Toinette, Tonton of Antoinette, zoals je het maar wilt, jij bent het van wie ik hou, die ik niet ken, en die mooier is dan ik ooit heb gezien, om wiens buigzame en slanke taille ik nooit mijn armen heb geslagen, wiens wangen bedekt met het zachtste dons nooit door mijn brandende lippen werden aangeraakt; u, aan wie mijn verbeelding roze en alabaster tepels moet toekennen, een kleine mond, grote ogen, een kleine k... [k0nt of k*t], grote wenkbrauwen, dik, zwart en mooi gebogen, een kleine voet, een mooie hand, een ondeugende blik, stevige en opstandige dijen, met de meest ondernemende vingers. Ik wil me van je onzichtbare persoon een gunstig idee vormen, en ik ben er tevreden mee te geloven dat je verdient wat ik voor je maak ... een opdracht.

Het werk dat ik aan je opdraag, mijn mooie engel, is het verhaal, goed of slecht, van de goede, goede, goede en zeer goede Sint Antonius van glorieuze nagedachtenis. Een gedicht dat als held deze goede monnik heeft, moet in gemoede worden opgedragen aan diegene die de eer heeft zijn naam dragen; dat is in de haak, wat door Piron bewezen is, en Sedaine na hem.
[Piron en Sedaine werkten voor het Théâtre de la Foire.]
[p.6] Sommaire du premier chant.
Exode aussi mauvais que le reste du poème. Invocation aux Muse et à la Vérité. Naissance d’Antoine. Il se dévoue à la chasteté. Occupation du jeune saint. Première espièglerie de Satan. Chute d’Antoine, et pourquoi. Tumulte de l’auditoire. Harangue du père d’Antoine, qui lui propose un riche mariage pour le détourner de la vie érémitique. Belle et courageuse réponse du fils. Mort d‘Antoine le père. Douleur raisonnable d’Antoine le fils. Superbe résignation.
[p.6] Samenvatting van het eerste vers.
De afloop is net zo slecht als de rest van het gedicht. Aanroeping van de Muze en de Waarheid. Geboorte van Antonius. Hij wijdt zich aan de kuisheid. Bezigheid van de jonge heilige. Eerste truc van Satan. Val van Antonius, en waarom. Tumult van het publiek. Toespraak van de vader van Antonius, die hem een rijk huwelijk voorstelt om hem van het kluizenaarsleven af te houden. Mooi en moedig antwoord van de zoon. Overlijden van Antonius’ vader. Redelijk verdriet van zoon Antonius. Grootse berusting.

[p.9] Pour arriver à la perfection:
Décris moi tous les artifices
Qu’employèrent pour le tenter,
Satan et ses suppôts, féconds en maléfices,
Et brulés du désir de le faire tomber.
Dis, comment plein d’amour envers l’Être-suprême,
Pour se donner à lui, renonçant à soi-même,
Il alla se tapir au fond de l’univers,
Dans de noirs souterrains, aux plus affreux déserts,
Dis par quel grand et surprenant miracle, [p.10]
Du bon saint prenant le cochon.
Un lutin sut en faire un moinichon;
Guide mon cœur, sois mon oracle.

[p.9] Om de perfectie te bereiken:
Beschrijf me alle kneepjes
Die gebruikt worden om te verleiden door
Satan en zijn volgelingen, lonend in hekserij,
En brandend van de wens om hem ten val te doen brengen.
Zeg eens, hoe vol van liefde voor het Opperwezen,
Om zich aan hem te geven, zich te onthouden,
Ging hij heen en verborg zich in de diepten van het heelal,
In het duister onder de aarde, in de vreselijkste woestijnen,
Bedenk door welk groot en verassend wonder, [10]
De goede heilige een varken neemt.
Een kwelgeest wist er een monnikje van te maken;
Wijs mijn hart de weg, wees mijn orakel.
[p.11] Dieu seul devint l’objet de son hommage;
Intact encore était son pucelage,
A dix-sept ans, c’est un fait avéré:
C'est un héroïsme admirable,
Qui ne pourrait être trop révéré ;
Dans l‘arétin (*), ou maint livre semblable,
Si par fois le madré Satan,
Par quelque peinture agréable,
L’invitait aux plaisirs d’0nan,
Bientôt, à l’archange rebelle,
Crac, il avait fait sauter la cervelle.
[p.11] God alleen werd het object van zijn eerbetoon;
Nog intact was zijn maagdelijkheid,
Met zijn zeventien jaren is dit een vaststaand feit:
Het getuigt van een bewonderenswaardige heldenmoed
Welke niet genoeg kan worden gerespecteerd.
In een arétin (*), of menig soortgelijk boek,
Als dan de sluwe Satan
Met een of ander mooi tafereel
Hem zou uitnodigen tot de geneugten van 0nan,
Weldra, met de opstandige aartsengel,
Zou hij, krak, Zijn hersenen hebben uitgeblazen.
(*) Arétin is de naam van een Italiaanse schrijver bekend om zijn satirische en losbandige werken.
[p.16] [De vader van Antonius probeert hem te overtuigen dat hij moet trouwen, om hem van het kluizenaarsleven af te houden, om bijvoorbeeld de volgende reden, met een cynische voetnoot van de auteur]

Car, faire des enfants, n'est pas coupable affaire;
Dieu ne nous fit que pour en faire;
Et si chacun, comme toi, se cloitrait, (*)
Dans moins d'un siècle, hélas ! le monde finirait…

Want kinderen maken is een onschuldige kwestie;
God heeft ons daarom juist gemaakt;
En als iedereen zich zoals jij, in een klooster zou afzonderen (*)
Zou in minder dan een eeuw, helaas! de wereld eindigen ... .
[Voetnoot van de auteur] (*) Il était bon, le père Antoine, imaginer que les moines ne font pas d’enfants. [Voetnoot van de auteur] (*) Hij was goed, vader Antonius, die dacht dat monniken geen kinderen maken.
[p.17] [De verdediging van Antonius]
Point ne me sens né pour le mariage,
Et pour être l’auteur d’un illustre lignage,
Le ciel m’appelle... il faut... voilà mon goût... ergo,
Je ne veux onc du sacré conjungo:
Or, cette brune enchanteresse
Fût-elle houris ou déesse,
M’offrit-elle pour dot les trésors du Pérou,
Pour l’épouser, dieu sait si je suis assez fou!
»— Mais pourquoi ne vouloir tâter du mariage ?
Dit le bon père, que crains-tu ?.... »
« — L’hymen mène avec lui toujours le cocuage,
Je mourrais, voyez-vous, d’ennui d’être cocu. «
Ik voel me helemaal niet geboren voor het huwelijk,
En de verwekker van een illuster nageslacht te zijn,
De hemel roept me ... het moet ... daar heb ik zin in ... dus,
Ik wil nooit iets anders dan het heilige huwelijk :
Maar als deze donkere tovenares
Hetzij hoeri of godin
Me als bruidsschat de schatten van Peru aanbood
Om met haar te trouwen, god weet dat ik gek zou zijn!
"- Maar waarom wil je het huwelijk niet proeven?
Zei de goede vader, waar ben je bang voor? .... "
"- Het maagdenvlies brengt altijd het dragen van hoorns met zich mee,
Ik zou sterven, ziet u, van verveling te worden bedrogen."
Verzoeking van Antonius. Ets van Johan Sadeler, 16e eeuw.
[p.18] Sommaire du second chant.
Description d'une solitude de l'a haute Égypte. Antoine s’y enferme. Motifs de sa retraite. Il met sa sœur au couvent. Ce qu'il fit ensuite. Son régime. Son vêtement. Contraste frappant qui fait beaucoup d ‘honneur à mon héros. Digression. Apologie de la conduite exemplaire de moines du dix-huitième siècle. Sortie sur dom B… Antoine ne veut plus voir personne. Il chasse des déserts de la Thébaïde, les animaux qui lui en disputaient l'entrée. Comparaison dans le genre épique. Antoine se choisit un compagnon. Exemples qui justifient son choix. Apothéose du sacré cochon. Apostrophe au saint. Avis consolant.
[p.18] Samenvatting van het tweede vers.
Beschrijving van een eenzaamheid in Opper-Egypte. Antoine sloot zich er op. Redenen voor zijn retraite. Hij zet zijn zuster in een klooster. Wat hij daarna deed. Zijn leefregel. Zijn kleding. Opvallend contrast dat grote eer doet aan mijn held. Afdwaling. Verweerschrift van het voorbeeldige gedrag door monniken uit de achttiende eeuw. Afdwaling over dom B... Antonius wil niemand meer zien. Hij jaagt door de woestijnen van de Thebaïde, de dieren die hem de toegang betwisten. Vergelijking in het epische genre. Antonius kiest een compagnon. Voorbeelden die zijn keuze rechtvaardigen. Apotheose van het heilige varken. Berisping van de heilige. Troostende opmerking.
[Note : dom B…] [p.130] Un bénédictin, natif de Chaulny, originairement nommé dom Damien, et qui avait changé ce vilain nom pour un autre dont je ne me souviens pas, se coupa la gorge et se pendit ensuite. Cette aventure se passe à l'abbaye de Saint Corneille de Compiègne, en 1772 ou 1173. [Eindnoot: dom B ...] [p.130] Een Benedictijn, geboren in Chaulny, die oorspronkelijk dom Damien genoemd werd, die deze lelijke naam veranderd had in een andere die ik niet meer weet, sneed zich keel door en verhing zich daarna. Dit avontuur gebeurde in de abdij van Saint Corneille van Compiègne in 1772 of 1173.

[p.25] Que vous voulez gagner les cieux?
Les gagne-ton par paresse et luxure,
En se pendant, aimant contre nature,
Tenant au lieu de bible, des flacons,
Des novices les culs, et des nonnains les c... ? (*)
En vous voyant, peut ‘on se taire?
Je vois sur vous, au lieu de haire,
Briller la soie et les riches métaux.
Peaux de mouton ne sont plus vos manteaux.

[p.25] Wat wil je de hemel verwerven?
Haar winnen door luiheid en wellust
Door schurkachtigheid, tegennatuurlijk lief te hebben,
In plaats van de bijbel, flessen vast te houden,
De k0ntjes van novices, en k*tjes van nonnen?
Als men u ziet, kan men dan zwijgen?
Ik zie voor u, in plaats van het haar-hemd,
Schitterende zijde en rijke metalen.
Schapenvachten zijn niet langer uw mantels.
[(*) Hier rijmt duidelijk « c0ns »]  

[p.27] Un seul être voulut partager avec lui
La misère et la solitude, [p.28]
Les plaisirs de la sainte étude,
Le travail, le jeûne et l’ennui,
Il ne garda dans sa retraite.
Qu’un ami véritable, un collègue sensé,
Dont la langue indiscrète
Ne pût le détourner de son emploi sacré.
Quel est donc, direz-vous, celui dont notre hermite
Fit ainsi sa société?

[p.27] Slechts een enkel wezen wilde met hem delen
In de ellende en eenzaamheid, [p.28]
De geneugten van de heilige studie
Het werk, het vasten en de verveling
Hij behield in zijn retraite slechts
Een echte vriend, een verstandige collega
Wiens onbescheiden tong
Hem niet van zijn heilige werk kon afhouden.
Wie is dat dan, zult je vragen , wiens gezelschap
onze kluizenaar zo passend vindt?
Quel est donc, direz-vous, l’animal fortunué,
Qui mérita l’honneur incomparable ;
D’accompagner un saint si vénérable?
Je vais le dire en peu de mots:
Mais n’allez pas vous livrer à la glose
Quand je vous déduirai la chose,
En termes clairs et très-nouveaux?
C'est . .. un cochon, bon lecteur débonnaire ;
Je vous y prends, qu’allez vous faire ?
Quoi ! vous allez rire aux éclats !
Wie dan, vraag je je af, is dat fortuinlijke dier
Dat de onvergelijkbare eer verwierf;
Om zo een eerbiedwaardige heilige te begeleiden?
Ik zal het u in een paar woorden zeggen:
Maar levert u zich niet uit aan gezeur
Als ik u de kwestie
In duidelijke en moderne termen uit de doeken doe?
Het is … een varken, goede en goedaardige lezer;
Daar heb ik u te pakken, wat gaat u doen?
Wat! Barst u nu in lachen uit!
[p.31] Illustre favori du plus grand des Antoines,
Illustre créateur d’une race de moines,
Puisqu’on lutin, mémorable cochon,
T'en donna le brevet, avec le capuchon.
[p.31] Beroemde favoriet van de grootste der Antoniussen,
Vermaarde schepper van een ras van monniken
Sinds een kwelgeest jou, gedenkwaardig varken
Het brevet gaf, met capuchon.
La Calotte de Marseille, une revue anticléricale et libre penseuse satirique. (1897-1902)
[p.32] Sommaire du troisième chant.
Portrait de la renommée. Elle publie partout l‘univers les virtus d’Antoine. Fureur de Satan à cette nouvelle. Ses effets. Monologue du prince ténébreux. Assemblée générale des états infernaux. Pluton monte sur son trône. Prosographie ou portrait de ce monarque et de son costume de cérémonie. Portrait attrayant et d’après nature, de l’horriblement belle madame Pluton. Harangue magnifique de l'Orateur enfumé et cornu à ses sujets. Réponse plus superbe encore de Proserpine. Suffrage de son époux. Conspiration contre Antoine. Applaudissements universels. Projet admirable. Résultat et clôture de ces états. Conclusion digne du troisième chant.
[p.32] Samenvatting van het derde vers.
Portret van de beroemdheid. Zij verkondigt over de hele wereld de deugden van Antonius. Woede van Satan over dit nieuws. De gevolgen ervan. Monoloog van de vorst der duisternis. Algemene Vergadering van de Staten van de hel. Pluto bestijgt zijn troon. Prosografie of portret van deze vorst en zijn ceremoniële kostuum. Aantrekkelijk portret naar de natuur, van de verschrikkelijk mooie Madame Pluto. Prachtige toespraak van de bewierookte Spreker en zijn gehoornde onderdanen. Nog mooier antwoord van Proserpina. Bijval van haar man. Samenzwering tegen Antonius. Alom applaus. Bewonderenswaardig project. Resultaat en afsluiting van deze vergadering. Waardig eind van het derde vers.
[p.47] Sommaire du quatrième chant.
Réflexions de l’auteur sur son style. Passe-temps nocturne d’Antoine et du cochon. Tintamarre subit. Arrivée des diables. Discours d’Astharot. Réponse d‘Antoine. Fureur d’Astharot. Effets de cette fureur. Danse. Portrait du Ménétrier et du violon. Comparaison patriotique. Changement de scène. Description du bal et des figurantes. Digression sur Dom B...., David et Salomon. Antoine y gagne beaucoup. Discours attrayant des diablesses. Flagellation d’Antoine. Ce qui s'ensuit. Comparaison. Érection involontaire.

[p.47] Samenvatting van het vierde vers.
Overpeinzingen van de auteur op zijn stijl. Hoe Antonius en het varken de nacht doorbrengen. Plotselinge kakofonie. Aankomst van de duivels. Toespraak van Astaroth. Antwoord van Antonius. Woede van Astaroth. Gevolgen van deze woede. Dans. Portret van de Speelman en de viool. Patriottische vergelijking. Ander tafereel. Beschrijving van het bal en van de figuranten. Uitweiding over Dom B .... David en Salomo. Antonius wint er veel mee. Bekoorlijke toespraak van de duivelinnen. Geseling van Antonius. Wat daar op volgt. Vergelijking. Onvrijwillige erectie.
  Astaroth  
Ruse d'une diablesse pour le faire polluer. Antoine devient git0n. Consommation de l’acte. Plainte et désespoir du Saint. Départ des tentateurs. Manière honnête de faire ses adieux. Antoine demande pardon à Dieu. Une voix céleste le rassure. Avis consolant. Conclusion du chant. List van een duivelin om hem tot zelfbevlekking aan te zetten. Antonius wordt schandknaap. Volvoering van de handeling. Weeklagen en wanhoop van de Heilige. Vertrek van de verleiders. Fatsoenlijke manier om afscheid te nemen. Antonius vraagt God om vergeving. Een hemelse stem stelt hem gerust. Troostende raad. Slotsom van het vers.
[p.65] Tel fut le saint flagellé d'importance;
Car, malgré lui nature travailla,
Et la diablesse triompha,
Malgré ses cris, malgré sa résistance.
Une autre avec malignité,
Voyant la cheville ouvrière
Menacer de sa tête altière,
L’Olympe même épouvanté,
Cavait saisi l’occasion prospère,
Et braqué contre elle son c... (*)
Si qu’un maudit lutin s’emparant du derrière,
Et faisait d'Antoine un git0n,
Secondait par son ministère
De la diablesse l’action,
Humaine, douce, et charitable,
Et faisait faire au saint les mouvements
Requis pour ce doux passe-temps.
« En vérité, le tour était pendable;
De ce double attentat me voilà donc coupable! »
Disait Antoine en se pâmant,
Tout consterné de cet écoulement ;
[p.65] Zo werd de heilige geducht gekastijd;
Want, ook al wilde hij het niet, de natuur deed haar werk,
En de duivelin zegevierde,
Ondanks zijn kreten, ondanks zijn verzet.
Een andere kwaadaardige
Die de spil zag waar alles om draait
En zijn fiere hoofd bedreigde,
Deze zelfde verschrikkelijke Olympe,
Greep deze voorspoedige gelegenheid aan
En richtte haar k*t tegen haar……… (*)
En als een vervloekte kwelgeest greep zij zijn achterste,
En maakte Antonius tot schandknaap,
Bijgestaan door zijn ambtgenoot
In deze duivelse actie, (**)
Menselijk, zacht, en liefderijk,
Werd de heilige aangezet tot de bewegingen
Vereist voor dit zoete tijdverdrijf.
“Werkelijk, het was een schurkenstreek;
Aan deze dubbele aanval ben ik dus schuldig!”
Zei Antonius terwijl hij flauw viel,
Helemaal ontsteld over deze lozing;
(*) c0n, rijmt op git0n (*) De laatste vier / vijf regels zijn onbegrijpelijk.
(**) De laatste twee regels zijn onbegrijpelijk.
[p.66] Ma sagesse au plaisir infâme
Ne peut me soustraire. Un pendard
Me rend tout à la fois et pour homme et pour femme ;
Et cependant, mon cœur n'a point de part
A ce qui va damner mon âme.
O toi, grand dieu! qui sais y lire couramment,
Ne jette pas sur moi l’offense,
Laissons-là le plaisir: je t'offre le tourment,
Tu sais qu‘on m’a fait violence.
Tu fus témoin de mes combats,
De mes cris, de ma résistance,
Quand je b...., je n’y consentais pas?
La scène change; nos diablesses
Ont mis à fin leur opération,
Source éternelle de tristesses,
Pour Antoine confus de la pollution
Que dans son oratoire on vient de voit commise.
Contentes du triomphe heureux
De sa virginité conquise ;
Et voulant faite leurs adieux
Pour lui laisser de son amour un gage.
Elles chargent son dos d'une grêle de coups,
Qu’il souffrit avec grand courage
Disant, adieu redoutables joujous.
Astarot et les siens ne le tenant point quitte,
Avec bien plus d’impétuosité
Font même accueil au pauvre cénobite,
Et satisfont leur orgueil irrité!
Tout fuit, jusqu’au salon décoré par magie,
[p.67] Et le cachot seul est resté.
« Ah ! dit Antoine à l’agonie,
Mon doux Jésus? vous m'avez donc quitté !
Je le sens bien; car je suis éreinté.

[p.66] Mijn braafheid kan me niet
Aan het schandelijk genoegen
Onttrekken. Een deugniet
Maakte mij zowel man als vrouw;
En toch heeft mijn hart geen deel
In wat mijn ziel gaat verdoemen.
O U, grote God! Die alles weet te doorgronden,
Werp de zonde niet op mij,
Laten we het plezier achter ons laten: ik bied U mijn kwelling,
U weet dat ze mij geweld hebben aangedaan.
U was getuige van mijn gevechten,
Van mijn kreten, van mijn verzet,
Toen ik … [?], stemde ik daar toch niet mee in?
De scène verandert; onze duivelinnen
Hebben hun actie gestaakt,
Eeuwige bron van bedroefdheden,
Voor Antonius, zo verward door de bevlekking
Die men hem zojuist in zijn kapel heeft zien plegen.
Tevreden met de gelukkige triomf
Van zijn overwonnen maagdelijkheid;
Willen zij afscheid nemen
En laten hem nog een blijk van hun liefde achter. Ze teisterden zijn rug met een hagel van slagen,
Wat hij met grote moed onderging
Zeggende, vaarwel vreselijke plaaggeesten.
Astarot en de zijnen, hem niet sparend,
Reageren driftig op het verzoek van de arme kluizenaar,
En bevredigen hun geprikkelde hoogmoed!
Gaan allen ervandoor, zodat van de kamer door magie gedecoreerd.
[p.67] Alleen de lege cel over blijft.
"Ah! zegt Antonius in doodsangst,
Mijn lieve Jezus? Heeft U me dan verlaten!
Ik merk het goed; want ik ben uitgeput.”

La Tentation de Saint Antoine. Ets van Jacques Philippe Le Bas; Paris, 1707-1783.
[p.69] Sommaire du chant cinquième.
Justification sur le cynisme répandu dans le Chant précèdent, et le fréquent usage des monosyllabes V..., C...., et F.... Motifs des sorties de l’auteur contre Dom B… et autres moines. Ce que devint le cochon pendant la scène d‘Antoine avec les diablesses. On délibère sur ce que l‘on fera de lui. On se décide pour les métamorphoses. Celles qu'on lui donna. Digression sur quelques originaux de la ville de C.... On berne le cochon. Comparaison. Malheur qui résulte du bernement et devient fatal à la pauvre bête. Similitude en manière de digression, qui procure au sale L.... une mention honorable dans la légende dorée de mon Saint, et qui venge mon ami Bl... La garde-robe du cochon arrive. On l’habille. Ses ressemblances. Départ des diables. Embarras d'Antoine pour regagner son lit a tâtons, et retrouver ses habits. Qui les avait, et comment ? Nouveau malheur. Terreur panique d’Antoine, en voyant un autre hermite qu’il prend pour Saint Paul. Qui est cet hermite. Juste indignation d’Antoine. Réponse du cochon, qui n’est pas si bête. Conclusion.
[p.69] Samenvatting van het vijfde vers.
Rechtvaardiging van cynisme dat heerst in het voorgaande Vers, en het veelvuldig gebruik van de monosyllaben V... C... en F... Motieven van de uitvallen van de auteur tegen Dom B... en andere monniken. Wat is er geworden van het varken tijdens de scène van Antonius met de duivelinnen. Men beraadslaagt over wat men met hem zal doen. Men besluit tot de gedaanteverwisselingen. Welke men hem gaf. Uitweiding over sommigen die uit de stad C... afkomstig zijn. Men houdt het varken voor de gek. Vergelijking. Ongeluk als gevolg van het in de maling nemen en wat fataal wordt voor de arme beest. Overeenkomst in de uitweiding die aan de vuile L... een eervolle vermelding biedt in de gouden legende van mijn Heilige, en die mijn vriend Bl… wreekt. De kleding van het varken arriveert. Men kleedt hem. Zijn gelijkenissen. Vertrek van de duivels. Benardheid van Antonius om zijn bed op de tast weer te bereiken en zijn kleren weer te vinden. Wie had ze weggenomen, en hoe? Nieuwe tegenslag. Panische angst van Antonius bij het zien van een andere kluizenaar die hij voor Sint Paulus houdt. Wie is deze kluizenaar. Terechte verontwaardiging van Antonius. Reactie van het varken, dat niet zo dom is. Conclusie.
[p.70] Pardon, lecteurs, si ma plume cynique
T’a présenté dans le Chant précédent
Une peinture si lubrique,
Je l'écrivais en manuélisant.
Qu’y faire? si le cénobite
Fut ainsi des démons tenté,
C'est par de beaux objets dont le charme illicite
Pouvait faire écrouler la ferme piété.
Je ne pouvais à mes diablesses;
Prêter d‘ailleurs un langage sacré;
C’est malgré lui qu’il cède à nos faiblesses,
Jusqu’au c0ït, Antoine est révéré.
Si je dessine, en peintre véritable,
Les ornemens dignes de l’Arétin (*),
Qui décoraient un boudoir admirable,
Puis-je couvrir les mots, si ce n'est en latin?
Lorsqu’une des nymphes pucelles
D’Antoine par le fouet provoque la chaleur,
Et par une douce douleur
Fait de l‘amour jaillir les étincelles,
Puis-je autrement raconter ce malheur?

[p.70] Pardon, lezers, als mijn cynische pen
Je in het vorige Vers
Een wellustige schildering heeft voorgeschoteld,
Ik schreef het terwijl ik m*sturbeerde.
Wat te doen? als bij de kluizenaar
Die zo door de demonen werd verleid,
Door de mooie dingen van die ongeoorloofde betovering
De vastberaden vroomheid ineen kon storten .
Ik kon trouwens mijn duivelinnen;
Geen heilige taal toekennen;
Het is in weerwil van zichzelf dat hij zich overgeeft aan onze zwakheden,
Tot aan de c0ïtus, is Antonius geëerbiedigd.
Als ik schets, als waarheidsgetrouw schilder,
De ornamenten een Arétino (*) waardig,
Die een bewonderenswaardige boudoir versieren
Kan ik dan de woorden verbloemen, als het niet in het Latijn is?
Wanneer een van de maagdelijke nimfen
Van Antonius door de gesel hitte uitlokt
En door een zoete pijn
De fonkelingen van de liefde doet afspatten,
Hoe kan ik dan anders dit ongeluk vertellen?

(*) Naam van een Italiaanse schrijver bekend om zijn satirische en losbandige werken.
p.74] Or, voici comme ils opinèrent :
Un d'eux de De M.... portant nom,
Très ignorant et très crasseux démon,
En style de palais, propose à l’assemblée
De l’égorger: (c'était lors la saison,)
Et qu'en pot sa chair soit salée.
O cœur avide! excrément de barreau,
Crois-tu tuer ce porc comme un tendre chevreau ?
Ce cochon est l’ami d‘un cénobite.
Digne lui-même d'être hermite,
Un cochon sage et rempli de raison.

[p.74] Echter, dit is de mening die ze hadden:
Een van hen die de naam van De M.... draagt
Een zeer domme en zeer smerige demon
In de stijl van het paleis, stelt op de vergadering voor
[Het varken] de keel af te snijden (het was tijdens het seizoen)
En zijn vlees in een pot te zouten.
O inhalig hart! feces van de beul,
Denk je het varken als een lief geitje te doden?
Dit varken is de vriend van een monnik.
Zelf waardig een kluizenaar te zijn,
Een wijs varken en vol verstand.

[p.76] Pauvre cochon! comme on va t'habiller!
Qu'en imitant le costume et les rôles
Des singes susdits que je hais,
Avec leurs ridicules traits, [p.77]
Tu vas fournir, sous la main de nos drôles,
De s'égayer d’innombrables sujets !
[p.82] Soudain, en moins de temps qu'il n'en faut à la puce
Pour sauter des tétons au c... de la Beauté,
Tout change ; le rabat, la soutane, l’aumusse
Et la calotte ont succédé.
Le cochon est chanoine, et le défaut d'astuce,
N'empêche pas vraiment de reconnaître en lui,
[p.76] Arm varken! zoals ze je gaan aankleden!
Door het nabootsen van het kostuum en de rollen
Van de voornoemde apen die ik haat,
Met hun belachelijke trekken, [p.77]
Ga je ervoor zorgen, in handen van onze lolbroeken,
Dat talloze sujetten zich vrolijk maken!
[p.82] Plotseling, in minder tijd dan een vlo nodig heeft
Om van de tepels naar de k*t van de Schoonheid te springen
Verandert alles; de bef, de soutane, de capuchon
En de kalot komen na elkaar.
Het varken is kanunnik, en het ontbreken van de sluwheid
Verhindert niet hem echt als zodanig te herkennen,

Mais trait pour trait un diacre d'aujourd'hui,
Qui d'épais laboureur devint chanoine bête;
Quant au reste, très-bon, corrigeons l’épithète.
Si bien enfin, que de quelque façon
Qu’on déguisât notre cochon,
Successivement Barnabite,
Feuillant, Célestin, Jacobite
Carme, Victorin, Colorite
Il semblait fait pour chaque fonction,
Ce qui prouve, quoiqu'on en dise,
Que de tous fainéants qui vivent de l’église,
Il est le seul et vrai patron,
Leur fondateur, leur père et leur emblème.

Maar, trek na trek, een diaken van vandaag
Die van dikke ploeger tot een kanunnik beest werd;
Wat de rest betreft, zeer goed, laten we de benaming corrigeren.
Dus uiteindelijk, op welke wijze
Men ons varken dan ook vermomd heeft
Achtereenvolgens als Barnabiet
Feuillant, Celestijn, Jacobijn
Karmeliet, Victorien, Coloriet
Hij leek voor elke functie gemaakt te zijn,
Wat bewijst, wat men er ook van zegt,
Dat hij, van alle luilakken die van de kerk leven,
De enige echte patroon is
Hun stichter, hun vader en hun symbool.
[p.85] Un autre lui.... le porc qui se promène,
De pied en cap tout habillé de laine,
Grave, et fier comme un sénateur :
Le plus qu'il peut il enfle sa bedaine,
Pour soutenir du costume l‘honneur,
Souffle haut, gesticule, et fait le bon apôtre.
Le saint [Antoine] le prenant pour un autre,
Approche, et croyant que c’était
Un démon resté de la bande,
Ou Saint Paul qui le visitait,
Par le cordon le tire et lui demande;
De lui qu'est-ce qu’il souhaitait:
Mais le cochon se fait connaitre,
Et s’humilie aux genoux de son maitre,
En le priant de le déshabiller.
Attends, je vais bien t’étriller,
Pour t’être masqué de la sorte,
Dit l’homme saint que le zèle transporte,
Et du fait fort scandalisé ;
J'aimerais mieux être martyrisé,
Que de souffrir pareille ignominie ;
Un habit que je sanctifie,
Ma melotte et mon capuchon
Parer la couenne d'un cochon ! !
O dieu du ciel ! qui voyez ma misère,
Vengez le froc, le cordon et la haire,
Puis-je mettre à présent cet habit profané ?
Ce serait s'arranger comme de frère à frère?
Ne faut-il pas encore remplir le ministère [p.86]
De valet chambre ordinaire,
Pour que monsieur soit défroqué ?...
Oh! oh! tu comptais sans ton hôte.
[p.85] het is een ander iemand .... het varken dat daar wandelt,
Van top tot teen geheel gekleed in wol
Ernstig, en trots als een senator:
Zoveel hij kan blaast hij zijn dikke buik op,
Om het ere-kostuum op te houden,
Hij hijgt [?], gesticuleert, en hangt de goede apostel uit.
De heilige [Antonius] die hem voor een ander houdt,
Komt naderbij, en denkend dat het
Een demon is, nog van de groep overgebleven,
Of Sint Paulus, die hem bezocht,
Trekt hij hem aan zijn koord en vraagt
Hem van wie hij wat wilde:
Maar het varken maakt zich bekend,
Valt op zijn knieën voor zijn meester,
En smeekt hem om hem uit te kleden.
“Wacht, ik zal je zo eens flink afrossen,
Omdat je je zo vermomd hebt,”
Zei de heilige man die door ijver in vervoering werd gebracht,
En erg geschokt was;
“Ik zou nog liever gemarteld worden,
Dan een dergelijke schande te ondergaan;
Een habijt dat ik heiligde,
Mijn melotte en mijn capuchon
Die het spek van een varken opsmukken! !
O God van de hemel! die mijn ellende ziet,
Wreek de pij, het koord en het boetekleed,
Kan ik dit geschonden habijt nu aandoen?
Doen alsof dit van broeder tot broeder gaat?
Moeten we niet ook nog het ambt vervullen [p.86]
Van gewone huisknecht
Om meneer zijn habijt uit te doen? ...
Oh! oh! Je hield geen rekening met je gastheer.”
« Eh mon dieu! ce n’est pas ma faute,
Dit le cochon, ils m’ont ainsi traité,
Et c'est le moindre effet de leur férocité.
Allons, n'y pensons plus, que votre sainteté
Qui pour moi fut toujours si piteuse et si bonne,
Me déshabille et me pardonne,
Tout le reste se séchera.
Reprenez vos habits, de grand cœur je les donne. »
Ainsi fut fait, chantons alléluia »
"Oh mijn god l! het is niet mijn schuld,”
Zei het varken, “zo hebben ze me toegetakeld,
En dat is het minste effect van hun wreedheid.
Nou, laten we er niet meer aan denken, dat uwe heiligheid
Die met mij altijd medelijden had en zo goed voor me was
Me uitkleedt en me wil vergeven,
Al het andere zal verdorren.
Neem uw kleren weer, ik geef ze van ganser harte.”
Aldus werd gedaan, laten we halleluja zingen.
  Detail Tuin der Lusten van Jeroen Bosch  
[p.86] Sommaire du sixième chant.
Éloge de l‘adolescence. Confession sincère de l’auteur. Abrégé de ses malheurs. Suites funestes de la Métromanie. Un mot sur les libraires et imprimeurs. Conseils aux écrivains. Insouciance de l‘auteur sur le sort de son ouvrage après sa mort. Comment il s'en console au sujet des hommes tarés de son pays. Tentative infructueuse de Satan. Désintéressement [87] à Antoine. Comparaison. Métamorphose qui n’a pas plus de succès. Dernière ressource du monarque infernal. Lanterne magique. Pièce curieuse. Ce que Antoine y voit. Portrait d’Alexandre VI. Orgie faite dans le Vatican, en présence du Pape, de César Borgia et de Lucrèce. Modestie de l'auteur qui fera plaisir. Mentions d’Amédée, de Borghèse et du cardinal de Sourcis. Inquisition. Comparaison adroite pour dire un mot sur Bourdeilles, évêque de Soissons. Sortie sur les jésuites et le père Girard. Rapprochement heureux qui augmente le catalogue des religieux et des prêtres scélérats. Courroux d’Antoine. Emplâtre appliqué sur la blessure. Éloge de divers sectaires, entre autre Sagarel, Origène, les Valesiens, St. François et Robert d’Arbrissel. Ce que devint la lanterne magique. Nouveaux malheurs qui attendent Antoine chez lui. Dégâts. Mort déplorable du pauvre cochon. Comparaison relative à l'auteur seul. Conclusion.
[p.86] Samenvatting van het zesde vers.
Lofzang op de adolescentie. Oprechte bekentenis van de auteur. Samenvatting van zijn ongelukken. Fatale gevolgen van Metromanie. Een woord over de boekverkopers en drukkers. Advies aan de schrijvers. Onbezorgdheid van de auteur over het lot van zijn werk na zijn dood. Hoe hij zich troost als het gaat om de bedorven mannen in zijn land. Vruchteloze verleidingspoging van Satan. Verlies van belangstelling [87] in Antonius. Vergelijking. Gedaantewisseling die geen succes meer heeft. Laatste hulpmiddel van de vorst van de hel. Toverlantaarn. Nieuwsgierig stuk. Wat Antoine erin ziet. Portret van Alexander VI. Orgie begaan in het Vaticaan, in de tegenwoordigheid van de Paus, Cesare Borgia en Lucrezia. Bescheidenheid van de auteur die plezier zal doen. Vermelding van Amedee, Borghese en van de kardinaal van Sourcis. Inquisitie. Slimme vergelijking om een woord te zeggen over Bourdeilles, bisschop van Soissons. Uitweiding over de Jezuïeten en vader Girard. Gelukkige verzoening, die de lijst van religieuzen en schurken-priesters vergroot. Toorn van Antonius. Pleister op de wond geplakt. Lofzang op de verschillende sektariërs, onder andere Sagarel, Origenes, de Valesienes, St. Franciscus en Robert d’Arbrissel. Wat is er geworden van de toverlantaarn. Nieuwe beproevingen die Antonius thuis te wachten staan. Schade. Betreurenswaardige dood van het arme varken. Vergelijking die alleen op de auteur betrekking heeft. Conclusie.
Satan roept visioenen op voor Antonius:
[p.97] « Oui : dit Satan, ici tout est réel,
Et quand j'aurai terminé mon ouvrage,
Tu connaitras que Rome est un bordel
Aussi pervers que Gomorrhe et Sodome;
Celui qu'à gauche ici tu vois se nomme
Alexandre sixième, émule de Néron,
Vrai monstre, plutôt diable qu’homme,
Du vil Sardanapale il est le second tome.
Il payera la tiare; et mourra de poison.
De Vanoza c'est l’épouse sacrilège,
De César Borgia le père et le rival,
Son complice, son maitre en l’art de faire mal,
Et par sa turpitude infectant le Saint-Siège,
Qu'il n'obtint que par des noirceurs.
Giton de ses deux fils, fout... de ses deux filles,
Dont il partage avec eux les faveurs,
Simoniaque, assassin, le fléau des familles.
Sa vie entière est un tissu d'horreurs. [98]
Il est ici spectateur d'une orgie
Qu'à Lucrèce sa sœur, le duc Valentinois
Son digne fils, maitre en galanterie,
Célèbre au son des flûtes et hautbois.
[p.97] "Ja: zei Satan, alles hier is echt,
En als ik klaar ben met mijn werk,
Zal je inzien dat Rome een bordeel is
Even slecht als Sodom en Gomorra;
Degene die je hier links ziet heet
Alexander de Zesde, navolger van Nero,
Een echt monster, meer duivel dan man,
Van de verachtelijke Sardanapalus is hij de tweede uitgave,
Hij zal voor de tiara betalen; en sterven aan vergif.
Van Vanoza is het de heiligschennende echtgenote
Van Cesare Borgia de vader en de rivaal,
Zijn medeplichtige, zijn meester in de kunst van het kwaad
En door zijn verdorvenheid de Heilige Stoel infecterend,
Die hij alleen door snoodheid heeft verkregen.
Schandknaap van zijn twee zonen, nøkt [?] zijn twee dochters, Wier gunsten hij met hen deelt,
Simonie bedrijver, moordenaar, de gesel van gezinnen.
Zijn hele leven is een aaneenrijging van verschrikkingen. [98]
Hij is hier toeschouwer bij een orgie
Dat bij zijn zus Lucrezia, die de hertog van Valentinois
Zijn waardige zoon, meester in de hoffelijkheid
Viert bij het geluid van fluiten en hobo's.
[p.100] Antoine, arme-toi de courage,
Un spectacle plus révoltant
Va ranimer ta sainte rage,
Et déchirer ton cœur compatissant.
Croiras-tu bien qu'un saint que ton église honore
Ait fondé l’inquisition,
Et qu'il se soit servi de la religion
Pour prétexter des fureurs qu‘on abhorre?
Dominique est son nom: vois ses fils inhumains,
Vois le sceptre des rois dans leurs sanglantes mains;
L’ombre de leurs cachots ensevelit leurs crimes,
Là, jour et nuit expireront victimes
D‘un fanatisme affreux, des milliers d'innocents.
[p.100] Antonius, bewapen jezelf met moed
Een nog weerzinwekkender schouwspel
Zal je heilige woede weer doen aanwakkeren,
En je medelevend hart verscheuren.
Wil je wel geloven dat een heilige die jouw kerk eert
De inquisitie had opgericht,
En dat hij zich bedient van de religie
Om de razernijen die we verafschuwen goed te praten?
Dominicus is zijn naam: zie zijn onmenselijke zonen,
Zie de scepter van koningen in hun bloedige handen;
De schaduw van hun kerkers verbergen hun misdaden,
Daar sterven dag en nacht slachtoffers
Van een verschrikkelijk fanatisme, duizenden onschuldige mensen.
[p.103] Enfin, si tu veux que j’abrège,
Ce sont les Capucins, grands-Carmes, Célestins,
Jacobins, Cordeliers, Feuillans; enfin que sais-je …
Aimant le vin, et les ré... de neige,
Mangeant la quête, en payant des catins.
[p.103] Tot slot, als je wilt dat ik het kort houd,
Het zijn de Kapucijnen, groot-Karmelieten, Celestijnen,
Jacobijnen, Cordeliers, Feuillans; kortom, wat weet ik ervan ...
Die van wijn houden, en de re ... van sneeuw [?]
Van het collectegeld eten, en er hoeren van betalen.
[p.108] Sommaire du septième et dernier chant.
Réflexions préliminaires de l'auteur. Incertitude de Proserpine sur un point très-délicat. Description de la demeure du Sommeil. Topographie de Comp... Visite de Proserpine à Morphée. Don qu’elle en reçoit. Toilette de Proserpine. Propriété merveilleuse de la fontaine de Canate ou de Jouvence. Emploi de la bouteille que Proserpine a reçue de Morphée, et ce qui en advient. Sommeil d’Antoine. Descente de Proserpine au près de lui. Vision. Galerie de tableaux pour servir à l'histoire de France, sous le règne d’Antoinette d’Autriche. Description d'un jardin anglais. Métamorphose du saint en héro de coulisse. Tentative de Proserpine. Utilité des microscopes. Manuélisation. Projet échoué. Orage affreux qui empêche la consommation du sacrifice. Réveil d’Antoine. Complainte sur la perte de sa barbe. L’ange Gabriel député vers lui, le console et la lui rend par un moyen qui paraîtra bien extraordinaire aux incrédules et aux ignorants. Te deum. Épilogue.
[p.108] Samenvatting van het zevende en laatste vers.
Voorlopige overdenkingen van de auteur. Onzekerheid van Proserpina over een zeer delicate kwestie. Beschrijving van de overblijfselen van de Slaap. Topografie van Comp ... Bezoek van Proserpina aan Morpheus. Geschenk dat ze ontvangt. Opschik van Proserpina. Wonderbaarlijke eigenschap van de fontein van de Jeugd of Canate. Gebruik van de fles die Proserpina ontvangen heeft van Morpheus, en wat ervan terecht komt. Slaap van Antonius. Afdaling van Proserpina dicht bij hem. Visioen. Galerij van taferelen voor gebruik in de geschiedenis van Frankrijk tijdens het bewind van Antoinette van Oostenrijk. Beschrijving van een Engelse tuin. Metamorfose van de heilige tot een held achter de schermen. Verleidingspoging van Proserpina. Nut van microscopen. M*sturbatie. Project mislukt. Verschrikkelijke storm die voltrekking van het offer voorkomt. De ontnuchtering van Antonius. Klaaglied over het verlies van zijn baard. De engel Gabriël, naar hem afgevaardigd, troost hem, en geeft hem weer terug op een manier die zeer buitengewoon lijkt voor ongelovigen en onwetenden. Te Deum. Epiloog.
[110] Chut ! ... m'y voici : rappelle toi, lecteur,
Que dans le chant j'ai promis de te peindre
Proserpine voulant contraindre
Antoine à lui donner sa fleur,
Ce n'est aisé : la faveur est insigne;
On craint avec raison de n'en être pas digne,
On est laide et l’hermlte a le goût le plus fin;

[p.118] Il n'est besoin de dite que ce somme
Était l'effet du magique flacon,
Que dans la source où s'abreuvait notre homme
Avait versé l’épouse de Pluton.
Si que de N...ret l’esprit soporifique
Terrasse, étale, endort l’homme de bien,
Et le voilà ronflant, ivre, mort léthargique,
Comme un académicien.
Elle guettait les effets du breuvage,
Et des qu’Antoine eut bien fermé les yeux,
La voilà qui, pour commencer l’ouvrage,
Auprès de lui s’arrange de son mieux.
[110] St! ... hier ben ik: herinner je, lezer,
Dat ik je in dit lied beloofde te schilderen
Hoe Proserpina Antonius wilde dwingen
Om aan hem haar bloem te geven
Het is niet gemakkelijk: de gunst is buitengewoon;
Men vreest met reden het niet waardig te zijn,
Men is lelijk en de kluizenaar heeft een verfijnde smaak;

[p.118] Het onnodig te zeggen dat dit slaapje
Het gevolg van de magische fles was,
Dat in de bron waaruit onze man zijn dorst leste
Had de echtgenote van Pluto iets gegoten.
Wel zo dat N...ret [?] de slaapverwekkende geest
De goede man neer doet gaan, hem doet uitstrekken en inslapen
En zie hem daar, snurkend, beschonken, slaapdronken dood
Als een academicus.
Ze bespiedde de effecten van het brouwsel,
En zodra Antonius zijn ogen goed gesloten had,
Was ze er, om met het werk te beginnen,
Schikte ze zich met al haar moois om hem heen.
  Proserpina. Dante Gabriel Rossetti. 1879.  
Disparais, nature effrayante,
Déserts affreux, faites place aux attraits [119]
De la scène la plus brillante ;
Myrthes, lilas, succédez aux cyprès;
Songes légers, érotiques images,
Bercez notre chaste dormeur,
Que maintenant au C... il offre les hommages,
Qu‘il adressait avant au créateur :
Tous deux sont dieux, et l’erreur n'est pas grande;
Plus souvent même, un beau C... qui demande,
Aura le pas sur l’éternel auteur.
Verdwenen, de angstaanjagende natuur
Verschrikkelijke woestijnen, maken plaats voor bekoringen [119]
Van het meest briljante tafereel;
Mirthes, seringen, volgen na cipressen;
Lichte dromen, erotische beelden,
Wiegen onze kuise slaper
Die nu aan de K*t het eerbetoon offert,
Welke hij voorheen opdroeg aan de schepper:
Beiden zijn goddelijk, en de fout is niet groot;
Meestal zelfs, zal een mooie vragende K*t
voorrang hebben boven de eeuwige schepper.
[p.123] Ivre d'amour, madame Proserpine,
Du V… dûment dressé se chaussait le v*gin,
Montait son âne, et s'étant embrochée
Suivant les avis de Morphée,
Menait à coups de C... le mystère à sa fin,
Un seul bon coup encore, la dame était f…ue,
Le chasteté d’Antoine était pollue,
Et le mystère consommé ;
Quand sillonnant les airs de son trait enflammé,
Un coup de tonnerre effroyable,
En un clin d’oeil renvoya tout au diable;
Palais, jardins, tableaux, lit de rose, boudoir, [p.124]
Et voilà seul en son manoir.
[p.123] Dronken van liefde, mevrouw Proserpina
V... behoorlijk hierin opgeleid, paste de v*gina aan [?]
Besteeg zijn ezel, en aan het spit geregen
Het advies van Morpheus volgend,
Bracht met K...stoten het mysterie tot zijn einde,
Nog een goede stoot, en de dame was f ... ue [?],
De kuisheid van Antoine was bezoedeld,
En het mysterie voltrokken;
Terwijl het luchtruim door zijn vurige pijl doorkliefd werd
Met een verschrikkelijke donderslag,
Ging in een oogwenk alles terug naar de duivel;
Paleizen, tuinen, taferelen, bed van rozen, boudoir, [p.124]
En is hij alleen in zijn buitenplaats.
Encore une fois notre hermite ;
Il s'éveille, et du songe il efface la suite,
Se demandant á lui-même en ce cas,
« Ai-je rêvé, seigneur, ou ne rêvai-je pas ?...
Oh! j'ai rêvé sans doute, et dieu me le pardonne. »
Mais quel est son étonnement,
Quand sous la main qui le tâtonne,
Il ne sent plus de vêtement,
A son menton; cette barbe grisonne
Au visage du saint ne fait plus ornement?
En weer onze kluizenaar;
Hij wordt wakker en wist het vervolg van de droom uit
Hij vraagt zich in dit geval af,
"Heb ik gedroomd, Heer, of heb ik niet gedroomd? ...
Oh! Ik heb ongetwijfeld gedroomd, en God zal het me vergeven."
Maar hoe groot is zijn verbazing,
Wanneer onder de tastende hand,
Hij geen bekleding meer voelt
Op zijn kin; is die grijzende baard
Op het gezicht van heilige niet meer het ornament?
Aartsengel Gabriël schiet te hulp. Deze zegt:
Je conviens qu'il est malheureux De perdre en même tems et barbe et pucelage ; Ik geef toe dat het ellendig is om op hetzelfde moment baard en maagdelijkheid te verliezen;
En door zijn tussenkomst komt dat weer in orde.
Met dank aan Marie-José Pillen.
E.T.A. Hoffmann

Die Elixiere des Teufels

1815
Johan van der Woude Het Duivelselixer 1943

De roman het “Die Elixiere des Teufels” van E. T. A. Hoffmann verscheen in 1815-1816.

Het is in het Nederlands vertaald door Johan van der Woude, als “Het Duivelselixer” en gepubliceerd in 1943. Met illustraties van J.F. Doeve.
Van der Woude schreef er ook een interessant voorwoord bij over de schrijver Hoffmann, die in zekere zin gelijkenis vertoont met de hoofdpersoon in het boek, waarin dubbelgangers en verschijningen een grote rol spelen.

Het is als e-boek gepubliceerd.  

Het is als pdf online gepubliceerd.

Er is een film van gemaakt, zie een videoclip (links, een affiche).

Het duivelselixer en Antonius
In de Vita van Sint Antonius of in andere geschriften over hem, is nergens sprake van een duivelselixer of wat voor elixer dan ook.
Je zou een ver verband kunnen zien tussen het elixer en de Saint Vinage, de wijn geheiligd met de relieken van Antonius, die in vroeger eeuwen gebruikt werd om de lijders aan het Antoniusvuur te genezen. Hoewel de effecten tegenovergesteld zijn: het elixer is een duivels drankje — het lijkt een positief effect te hebben maar je moet er een prijs voor betalen — de Saint Vinage is een ‘goddelijk’ drankje.
Het is een Faustiaans thema: je verkoopt je ziel aan de duivel, en je krijgt er werldse genoegens voor terug. Maar het heeft zijn prijs…
Zo wordt het ook door de duivel in hoofdstuk 2 van het Duivelselixer, gesteld: “hij zuipt de hele fles [met elixer] op en wordt dronken en geeft zich over aan mij en mijn koninkrijk."
Overigens is elixer geen relikwie, want een relikwie heeft zijn ‘magische’ werking door aanraking (met de vingers, de mond) of door verering / aanbidding.
Aangezien Antonius sterker is dan de duivel kon het elixer veilig door hem bewaard worden, maar als het in andere handen valt, zoals in dit verhaal, dan zien we de duivelse resultaten. Overigens vallen die resultaten nogal mee, vergeleken met een moderne misdaadroman.

Hieronder geef ik een korte inhoud, en daaronder staan lange citaten uit het boek, in de vertaling van Van der Woude, die voornamelijk betrekking hebben op het elixer en Antonius, natuurlijk. Ik heb de ouderwets spelling gehandhaafd omdat deze ook past bij het woordgebruik en überhaupt de sfeer van het boek.
Het elixer wordt in hoofdstukken 2, 4 en 8 genoemd. Maar hoofdstuk 2 is wel het belangrijkst.

De roman is een fictieve autobiografie. De hoofdpersoon, de monnik Medardus wordt na een gelukkige jeugd in een klooster opgenomen. Hij groeit daar verder op en krijgt, omdat hij zich voorbeeldig gedraagt, twee belangrijke functies in het klooster.
Hij beheert de reliekenkamer waarin zich het Elixer van de Duivel bevindt, dat volgens de legende door de Heilige Antonius is nagelaten.
Cyrillus, een medebroeder van Medardus geeft in dit hoofdstuk een simpele en nogal cynische visie op het gebruik van relikwieën: als je erin gelooft werkt het.
En Medardus mag ook prediken. Zijn welsprekendheid stijgt hem naar het hoofd en hij verklaart dat hij Sint Antonius zelf is. Dan verliest hij zijn oratorische talent.
Hij wint zijn oratorische talent terug als hij het duivelselixer drinkt. Het elixer lijkt goed te werken, maar…
Als dan ook nog een jonge vrouw, Aurelie, die grote overeenkomsten met een heilige, Rosalia, vertoont, hem in de biechtstoel haar liefde heeft verklaard, wil hij het klooster verlaten om haar te zoeken. Een regelrechte Verzoeking!
De Prior, die zijn agitatie is opgevallen, zendt hem als afgezand van het klooster naar Italië.
Dan beleeft hij allerlei wereldse avonturen en verwikkelingen, hij begaat misdaden, pleegt een moord, pleegt overspel, probeert een jonge vrouw — Aurelie — aan te randen.
Het elixer speelt hier niet zo’n grote rol en ook Antonius komt slechts sporadisch aan de orde.
Hij doet uiteindelijk boete voor al zijn zonden en keert terug naar het klooster.

Medardus en Cyrillus in de reliekenkamer

Reeds vijf jaren was ik in het klooster, toen volgens het besluit van den prior broeder Cyrillus, die oud en zwak was geworden, aan mij het toezicht over de rijkelijk voorziene reliquieënkamer van het klooster zou overdragen. Daar bevonden zich allerlei beenderen van heiligen, spaanders van het kruis van den Verlosser en andere heilige voorwerpen, die in heldere glazen kasten bewaard en op bepaalde dagen tot stichting van het volk werden tentoongesteld. Broeder Cyrillus bracht mij op de hoogte van elk stuk, zoowel als van de documenten die over hun echtheid en de wonderen die zij hadden bewerkstelligd, aanwezig waren. Hij stond wat geestelijke vorming betreft op één lijn met onzen prior en des te minder bedenking had ik, datgene te uiten wat zich met geweld in mijn innerlijk naar voren drong.  “Zouden werkelijk, waarde broeder Cyrillus", zei ik,  “al deze dingen stellig en waarachtig dat zijn, waarvoor men ze uitgeeft?

Zou ook hier niet de bedrieglijke hebzucht allerlei hebben ondergeschoven, dat nu als echte reliquie van den een of anderen heilige geldt? Zoo bezit bijvoorbeeld ergens een klooster het heele kruis van onzen Verlosser, en toch vertoont men daarvan overal weer zooveel splinters dat, zooals iemand van onszelf, weliswaar met zondigen spot, veronderstelde, ons klooster daarmee een heel jaar lang had kunnen worden verwarmd".
 “Het past ons eigenlijk niet", antwoordde broeder Cyrillus,  “deze dingen aan zoo'n onderzoek te onderwerpen, maar, openhartig gezegd, ik ben van meening dat, niettegenstaande de er over handelende documenten, wel slechts weinig van deze dingen datgene zullen zijn waarvoor men ze uitgeeft. Alleen schijnt het mij toe, dat het daarop ook niet aankomt. Overdenk goed, broeder Medardus, hoe ik en onze prior daarover denken en je zult ons geloof in nieuwe glorie aanschouwen. Is het niet heerlijk, broeder Medardus, dat onze kerk er naar streeft die geheimzinnige draden te grijpen, die het aanschouwelijke met het bovenaardsche verbinden, ja, ons voor het aardsche leven en bestaan gedijd organisme zoozeer opwekken, dat zijn oorsprong uit het hoogere, geestelijke beginsel, ja, zijn nauwe verwantschap met het wonderbaarlijke Wezen, welks kracht als een gloeiende ademtocht de geheele natuur doordringt, duidelijk naar voren treedt en ons het vermoeden van een hooger leven, welks kiem wij in ons dragen, als met serafijnenvieugels  omwaait.

Wat beteekent dat stukje hout, dat beentje, dat lapje men zegt dat het van het kruis van Christus zou zijn gehakt, van het lichaam, het gewaad van een heilige genomen; maar de geloovige die, zonder nadenken, heel zijn gemoed er op richt, wordt spoedig vervuld van die bovenaardsche verrukking, die voor hem het rijk der zaligheid ontsluit, dat hij hier beneden slechts heeft vermoed; en zoo wordt de geestelijke invloed van den heilige, wiens ook maar vermeende reliquie daartoe den impuls gaf, opgewekt, en de mensch is in staat sterkte en kracht des geloofs te ontvangen van den hoogeren geest, dien hij in het diepst van zijn gemoed om troost en bijstand aanriep. Ja, deze in hem opgewekte hoogere geestelijke kracht zal zelfs in staat zijn lichamelijk lijden te overwinnen, en daardoor komt het, dat deze reliquieën de mirakelen bewerkstelligen die, daar zij zoo vaak voor de oogen van het verzamelde volk geschieden, wel niet geloochend kunnen worden".
Oogenblikkelijk herinnerde ik mij zekere toespelingen van den prior, die geheel met de woorden van broeder Cyrillus overeenstemden, en ik bekeek nu de reliquieën, die mij voorheen slechts als religieuze beuzelarij waren voorgekomen, met oprechten innerlijken eerbied en aandacht. Broeder Cyrillus ontging deze uitwerking van zijn woorden niet en hij ging nu door, mij met grooten ijver en met werkelijk tot het gemoed sprekende innigheid de verzameling stuk voor stuk uit te leggen.

Eindelijk haalde hij uit een zorgvuldig gesloten kast een kistje te voorschijn en zei: “Hierin, lieve broeder Medardus, is de meest geheimzinnige, wonderbaarlijke reliquie, die ons klooster bezit. Zoolang ik in het klooster ben, heeft niemand anders dan de prior en ik dat kistje in de hand gehad; zelfs de andere broeders, nog minder vreemden, weten iets van het bestaan van deze reliquie. Ik kan het kistje niet zonder innerlijke huivering aanpakken, het is als ware er een booze tooverij in opgesloten, die, zou het haar gelukken den ban, die haar omsluit, te doorbreken, een ieder, dien zij achterhaalt, vernietiging en jammerlijken ondergang zou kunnen bereiden.

Dat, wat daarin wordt bewaard, stamt direct van den Booze, uit den tijd toen hij het nog vermocht herkenbaar tegen het heil der menschen strijd te voeren".

Ik zag broeder Medardus in de hoogste verbazing aan; zonder mij den tijd te laten te antwoorden, ging hij verder:  “Ik wil, broeder Medardus, mij er volkomen van onthouden in deze hoogst mystieke zaak welke meening ook te uiten of zelfs deze of gene veronderstelling op te disschen, die mij door het hoofd is gegaan, doch je liever getrouw vertellen wat de over deze reliquie aanwezige documenten er van zeggen. Je zult die documenten in die kast vinden en kunt ze zelf herlezen.

Tot zoover staat het in alle legenden; volgens het bijzondere document, dat wij over dit visioen van den heiligen Antonius bezitten, heet het echter verder, dat de Booze, toen hij zich uit de voeten maakte, een paar van zijn flesschen op het gras liet staan, die de heilige Antonius haastig meenam naar zijn grot en verborg, uit angst dat zelfs in de woestenij een verdwaalde, ja, misschien wel een van zijn leerlingen, van de verschrikkelijke dranken zou proeven en voor eeuwig verloren gaan. Toevallig, vertelt het document verder, had de heilige Antonius eens een van deze flesschen geopend; toen was er een zeldzame, bedwelmende damp uit opgestegen, en allerlei afschuwelijke, de zinnen verwarrende voorstellingen uit de hel hadden den heilige omzweefd, ja, geprobeerd hem met verleidelijke begoochelingen te verlokken, tot hij ze door gestreng vasten en voortdurend gebed weer had verdreven.

In dit kistje bevindt zich nu uit de nalatenschap van den heiligen Antonius zulk een flesch met een duivelselixer, en de documenten zijn zoo authentiek en nauwkeurig, dat er althans nauwelijks aan getwijfeld kan worden, dat de flesch werkelijk na den dood van den heiligen Antonius onder zijn nagelaten bezittingen gevonden is. Overigens kan ik verzekeren, broeder Medardus, dat, zoo vaak ik de flesch, ja, zelfs dit kistje waar zij in opgesloten is, aanraak, mij een onverklaarbaar innerlijk afgrijzen bekruipt, ja, dat ik meen iets van een zeer merkwaardigen geur te bespeuren, die mij verdooft en tegelijk een innerlijke geestesonrust veroorzaakt, die mij zelfs onder de godsdienstoefeningen verstrooid doet zijn. Deze kwade stemming, die klaarblijkelijk van den invloed van de een of andere booze macht stamt, wanneer ik niet aan den onmiddellijken invloed van den Duivel zou gelooven, overwin ik nochtans door standvastig gebed.
Jij, broeder Medardus, die nog zoo jong bent, die nog alles wat jouw door vreemde kracht beroerde fantasie te voorschijn brengen kan in glansrijker, levendiger kleuren aanschouwt, die nog als een dappere, maar onervaren krijgsman, weliswaar stoer in den strijd, maar wellicht te vermetel, het onmogelijke wagend, te veel op je kracht zult vertrouwen, raad ik aan, het kistje nooit of ten minste eerst na jaren te openen, en opdat je nieuwsgierigheid je niet in verzoeking zal brengen, het ver weg uit je oogen te zetten".

Een tijdje later.

Op den dag van den heiligen Antonius [17 januari] was de kerk zoo propvol, dat men de deuren wijd open moest zetten, om het toestroomende volk gelegenheid te geven mij ook nog buiten het gebouw te hooren. Nooit had ik krachtiger, brandender, indringender gesproken. Ik vertelde, zooals gewoonlijk, velerlei uit het leven der heiligen en knoopte daaraan vrome, diep in het leven dringende beschouwingen vast. Ik sprak over de verlokkingen van den duivel, wien de zondeval al de macht had gegeven de menschen te verleiden, en onwillekeurig voerde de voortgang der preek mij naar de legende der elixers, die ik als een zinrijke allegorie wilde uitbeelden. Toen viel mijn door de kerk ronddwalende blik op een langen, mageren man, die schuin tegenover mij op een bank was geklommen en tegen een hoekpilaar leunde. Op een merkwaardige, vreemdsoortige manier had hij een donkerpaarsen mantel omgeslagen en de over elkaar gekruiste armen daarin gewikkeld. Zijn gezicht was lijkbleek, maar de blik der groote, zwarte, diepe oogen ging als een gloeiende dolksteek door mijn borst. Een onbehaaglijk, ijzingwekkend gevoel doortrilde mij, snel wendde ik mijn oogen af en sprak, al mijn kracht samenvattend, verder. Maar als door een vreemde, tooverachtige macht gedreven, moest ik steeds weer dien kant uit kijken en steeds stond de man daar star en bewegingloos, den spookachtigen blik op mij gericht.

Bittere hoon verachtende haat scheen op het hooge, gerimpelde voorhoofd en in de naar beneden getrokken mondhoeken te liggen. De geheele gestalte bezat iets verschrikkelijks ontzettends! Ja, het was de onbekende schilder uit de heilige Linde [een bedevaartplaats]. Ik voelde mij als door ijskoude, gruwzame vuisten aangegrepen — druppels angstzweet stonden op mijn voorhoofd mijn zinnen stokten steeds verwarder en verwarder werden mijn woorden er ontstond een gefluister een gemurmel in de kerk maar de verschrikkelijke vreemdeling leunde star en onbeweeglijk tegen den pilaar, den strakken blik op mij gericht.

Toen schreeuwde ik het uit in den doodelijken angst der waanzinnige vertwijfeling:  “Ha, Ha, verdoemde! scheer je weg! scheer je weg want ik ben het zelf! ik ben de heilige Antonius!" Toen ik weer ontwaakte uit den bewusteloozen toestand, waarin ik met die woorden gezonken was, lag ik op mijn legerstede en broeder Cyrillus zat naast mij, mij verzorgend en troostend.
Een tijdje later.  

Desondanks waagde ik het weer den kansel te betreden, maar gefolterd door innerlijken angst, achtervolgd door de verschrikkelijke, bleeke gestalte, was ik nauwelijks in staat samenhangend te spreken en nog veil minder om mij zooals anders aan het vuur der welsprekendheid over te geven. Mijn preeken waren alledaagsch stijf verbrokkeld. De toehoorders betreurden het verlies van mijn redenaarsgave, bleven langzamerhand weg, en de oude broeder, die voorheen gepreekt had en nu blijkbaar nog beter sprak dan ik, nam mijn plaats weer in.

Na eenigen tijd gebeurde het, dat een jonge graaf, begeleid door zijn gouverneur, met wiep hij op reis was, ons klooster bezocht en de tallooze merkwaardigheden er van wenschte te zien. Ik moest de reliquieënkamer ontsluiten en wij traden naar binnen, toen de prior, die met ons door het koor en de kerk was gegaan, werd weggeroepen, zoodat ik met de vreemdelingen alleen bleef. Toen ik ieder stuk had getoond en uitgelegd, kreeg de graaf de met sierlijk oud-Duitsch snijwerk versierde kast in het oog, waarin zich het kistje met het duivelselixer bevond. Hoewel ik niet direct vertellen wilde wat er in de kast was opgeborgen, drongen beiden, de graaf en de gouverneur, zoo lang bij mij aan, tot ik de legende van den heiligen Antonius en van den arglistigen duivel vertelde, en mij over de als reliquie bewaarde flesch precies volgens de woorden van broeder Cyrillus uit liet, ja zelfs de waarschuwing er aan toevoegde, die hij mij had gegeven voor het gevaar het kistjete openen en de flesch te laten zien.
Hoewel de graaf ons geloof aanhing, scheen hij toch evenmin als de gouverneur veel waarde te hechten aan de waarschijnlijkheid der heilige legende. Zij putten zich beiden uit in allerlei grappige opmerkingen en invallen over den komieken duivel, die de verleidelijke flesschen onder een verscheurden mantel droeg; eindelijk zette de gouverneur een ernstig gezicht en zei:  “Neem geen aanstoot aan ons, lichtzinnige, wereldsche menschen, eerwaarde! Wees er van overtuigd, dat wij beiden, ik en mijn graaf, de heiligen als prachtige, door het geloof bezielde menschen vereeren, die voor het heil van hun ziel zoowel als voor het heil der menschen van alle vreugden des levens, ja, van het leven zelf afstand deden; wat echter zulke geschiedenissen betreft, zooals die welke u zooeven vertelde, geloof ik, dat slechts een geestige, door den heilige verzonnen allegorie door een misverstand als werkelijk voorgevallen in het leven werd overgebracht".

Tijdens deze woorden had de gouverneur de schuif van het kistje haastig opengeschoven en de zwarte, vreemd gevormde flesch er uit genomen. Werkelijk verspreidde zich, zooals broeder Cyrillus mij had gezegd, een sterke geur, die intusschen een geenszins verdoovende, doch eerder een aangename en weldadige uitwerking had.  “Ei !" riep de graaf,  “ik wed, dat het duivelselixer verder niets is dan heerlijke, Syracusische wijn".  “Zonder twijfel", antwoordde de gouverneur,  “en als de flesch werkelijk uit de nalatenschap van den heiligen Antonius stamt, dan gaat het u, eerwaarde, welhaast nog beter dan den koning van Napels, dien door de onhebbelijkheid der Romeinen, den wijn niet te kurken doch slechts door daarop gedruppelde olie voor bederf te bewaren, het genoegen ontnomen werd, oud-Romeinschen wijn te proeven. Ook al is deze wijn bij lange na niet zoo oud als die geweest zou zijn, hij is toch zeker de oudste die er wel zal bestaan, en daarom zoudt u er goed aan doen de reliquie te uwen nutte te gebruiken en rustig leeg te nippen".
 “Zeker", viel de graaf in de rede,  “deze oude Syracusische wijn zou nieuwe kracht in uw aderen gieten en de ziekelijkheld verdrijven, waardoor u, eerwaarde vader, schijnt te zijn bezocht".
De gouverneur haalde een ijzeren kurketrekker uit den zak en opende de flesch ondanks mijn protesten. Mij scheen het toe als flitste bij het er uitvliegen van de kurk een blauw vlammetje omhoog, dat direct weer verdween. De geur steeg sterker uit de flesch en verspreidde zich door het vertrek. De gouverneur proefde het eerst en riep verrukt:  “Heerlijke heerlijke Syracusische wijn! Werkelijk, de wijnkelder van den heiligen Antonius was niet kwaad, en als de duivel als zijn keldermeester fungeerde, dan meende hij het niet zoo slecht met den heiligen man als men gelooft. Proef eens, graaf!"
De graaf deed dit en bevestigde de woorden van den gouverneur. Beiden schertsten nog over de reliquie, die kennelijk de mooiste van de geheele verzameling was; zij wilden wel een kelder vol van zulke reliquieën hebben, enzoovoort.
Ik hoorde alles met gebogen hoofd en op den grond gerichten blik zwijgend aan; in mijn gedrukte stemming bezat de vroolijkheid van de vreemdelingen voor mij iets kwellends; tevergeefs drongen zij er bij mij op aan, ook den wijn van den heiligen Antonius te proeven; ik weigerde dat standvastig en sloot de flesch, goed dichtgekurkt, weer in haar bergplaats.

Hoe zou het met de graaf en rentmeester afgelopen zijn?
Van eventuele duivelse daden door hen verricht horen we niets.

De vreemdelingen verlieten het klooster, maar toen ik eenzaam in mijn cel zat, kon ik bij mijzelf een zeker innerlijk behagen, een levendige opgewektheid niet loochenen. Klaarblijkelijk had de geur van den wijn mij gesterkt. Ik ervoer geen spoor van de euvele uitwerking, waarover Cyrillus had gesproken, en slechts de tegenovergestelde weldadige invloed maakte zich op treffende wijze kenbaar: hoe meer ik over de legende van den heiligen Antonius nadacht, hoe levendiger de woorden van den gouverneur in mijn binnenste weerklonken, des te zekerder werd het voor mij, dat de verklaring van den gouverneur de juiste was, en eerst nu schoot als een lichtende straal de gedachte door mij heen, dat ik immers zelf op dien ongelukkigen dag, toen een vijandig visioen mij in de preek zoo vernietigend onderbrak, van plan was geweest de legende op dezelfde wijze als een geestige, leerzame allegorie van den heiligen man te vertellen. Aan deze gedachte knoopte zich een andere vast, die mij spoedig zoo geheel en al vervulde, dat al het andere er in verzonk.  “Hoe", dacht ik,  “als de wonderbaarlijke drank je innerlijk met geestelijke kracht sterkte, ja, het gedoofde vuur zou kunnen ontsteken, zoodat het tot nieuw leven opvlamde? Als reeds daardoor een geheimzinnige verwantschap van je geest met de in den wijn opgesloten natuurkrachten zich had geopenbaard, zoodat dezelfde geur, die den zwakken Cyrillus verdoofde, op jou slechts weldadig uitwerkte?

Na flink wat twijfel besluit Medardus om toch maar van de wijn te gaan drinken.
Toen ik de reliquieënkamer was binnengegaan, was alles stil en rustig; ik ontsloot de kast, ik greep het kistje, de flesch; spoedig had ik een krachtige teug genomen! Vuur stroomde door mijn aderen en vervulde mij met het gevoel van een onbeschrijfelijk welzijn. Ik dronk nog eens, en de lust tot een nieuw, heerlijk leven werd in mij geboren. Snel sloot ik het leege kistje in de kast, haastte mij met de weldoende flesch naar mijn cel en zette haar in mijn lessenaar.
Een tijdje later.
Kort te voren, eer ik den kansel beklom, dronk ik van den wonderbaarlijken wijn; nooit heb ik daarop vuriger, wijdingsvoller, indringender gesproken. Snel verspreidde zich de faam van mijn volledig herstel, en de kerk vulde zich weer zooals vroeger; maar hoe meer ik den bijval der menschen verwierf, des te ernstiger en terughoudender werd Leonardus, en ik begon hem met mijn geheele ziel te haten, daar ik geloofde dat hij door kleinzieligen nijd en monnikentrots bevangen was.
Er was ook kritiek; hij kon niet iedereen bedriegen. Een stukje uit een briefje van de vorstin, zuster van de abdis in wier naburig klooster hij als kind verbleven had, en die hij haast als ‘godin’ aanbad:
Je woorden kwamen niet uit een devoot, geheel het hemelsche toegewend gemoed; je bezieling was niet die, welke den geloovige op engelenvleugels naar omhoog draagt, opdat hij in heilige vervoering het hemelsche rijk vermag te aanschouwen. Ach! de ijdele praal van je preek, je zichtbare inspanning in ieder geval veel treffende, schitterende dingen te zeggen, heeft mij bewezen dat jij, in plaats van de gemeente te onderrichten en tot vrome overpeinzingen op te wekken, slechts streeft naar den bijval, naar de waardelooze bewondering der wereldschgezinde menigte.
Je hebt gevoelens gehuicheld, die niet in je innerlijk aanwezig waren, ja, je hebt zelfs zekere kennelijk ingestudeerde expressies en bewegingen geveinsd, zooals een ijdele tooneelspeler, alles slechts om der wille van het succes. De geest van bedrog is in je gevaren en zal je ten verderve voeren als je niet tot jezelf inkeert en de zonde afzweert. Want je handel en wandel is zonde, groote zonde, te meer, daar jij je in het klooster hebt verplicht tot den vroomsten levenswandel, tot verzaking van alle aardsche dwaasheid.
Dan komt er een Verzoeking; in de biechtstoel bekent een onbekende vrouw haar liefde voor de monnik.

Toen vernam ik een ruischend geluid in mijn nabijheid en ik zag een groote, slanke vrouw, op vreemdsoortige wijze gekleed, een sluier over het gezicht, die door de zijpoort was binnengetreden en mij naderde om te biechten.
Zij bewoog zich met onbeschrijfelijke bevalligheid. Zij knielde neer; een diepe zucht ontsnapte aan haar borst. Ik voelde haar heeten adem; het was als werd ik nog voor zij sprak verstrikt in een verdoovende betoovering! Hoe zou ik in staat zijn den zeer persoonlijken, tot in het innerlijk dringenden klank van haar stem te beschrijven! Elk van haar woorden greep mij in de borst, toen zij bekende dat zij een verboden liefde koesterde, die zij reeds sedert langen tijd tevergeefs bestreed, en dat deze liefde te zondiger was, daar de geliefde door heilige banden voor eeuwig gekluisterd was; maar zij had in den waanzin van hopelooze vertwijfeling deze banden reeds vervloekt.
Zij stokte; met een tranenstroom, die de woorden bijna verstikte, barstte zij uit:  “Jijzelf jijzelf, Medardus, bent het, dien ik zoo onuitsprekelijk liefheb". Al mijn zenuwen trilden als in doodende kramp ik geraakte buiten mijzelf een nooit gekend gevoel verscheurde mijn borst; haar zien, haar omhelzen vergaan van zaligheid en kwelling, een minuut lang deze zaligheid voor de eeuwige martelingen der hel!
Zij zweeg, maar ik hoorde haar diep ademhalen. In een soort wilde vertwijfeling verzamelde ik mijn krachten; wat ik gezegd heb weet ik niet meer, maar ik bemerkte dat zij zwijgend opstond en zich verwijderde, terwijl ik het doek vast tegen de oogen drukte en als verstard, bewusteloos in den biechtstoel bleef zitten.

Gelukkig kwam er niemand meer in de kerk, zoodat ik ongemerkt in mijn cel de wijk kon nemen. Hoe geheel anders kwam alles mij nu voor, hoe dwaas, hoe leeg al mijn streven.

Ik had het gezicht van de onbekende niet gezien en toch leefde zij in mijn binnenste en keek mij aan met liefelijke, donkerblauwe oogen, waarin tranen parelden, die als met verterenden gloed in mijn ziel drupten en de vlam ontstaken, die geen gebed, geen boetedoening meer doofde. Want boete deed ik, mij met het touw met knoopen bloedend kastijdend, ten einde de eeuwige verdoemenis, die mij bedreigde, te ontgaan, daar het vuur dat die vreemde vrouw in mij had gebracht, vaak de zondigste begeerten, die mij tot nu toe onbekend waren gebleven, opwekte, zoodat ik niet wist wat te doen van wellustige pijn.
Een altaar in onze kerk was gewijd aan de heilige Rosalia, en haar heerlijke beeltenis geschilderd op het oogenblik van den marteldood. Het was mijn beminde; ik herkende haar, ja zelfs haar kleedij was geheel gelijk aan het merkwaardige kostuum van de onbekende. Daar lag ik uren lang, als door verderfelijken waanzin bevangen, terneer op de treden van het altaar en stiet huilende, verschrikkelijke klanken van vertwijfeling uit, zoodat de monniken ontstelden en mij schuw ontweken.
Eindelijk stond het besluit in mijn ziel vast, door de vlucht uit het klooster aan mijn kwelling een einde te maken. Want slechts de bevrijding van de kloostergelofte scheen mij noodig te zijn, om de vrouw in mijn armen te kunnen nemen en de begeerte te stillen, die in mij brandde. Ik besloot, onkenbaar geworden door het afscheren van mijn baard en door wereldlijke kleeding, zoolang in de stad rond te zwerven tot ik haar gevonden had, en dacht er niet aan, hoe moeilijk, ja, hoe onmogelijk dit waarschijnlijk zou zijn, ja, dat ik, zonder eenig geld, wellicht niet eens een dag buiten de muren van het klooster zou kunnen leven.
Hij wordt door de Prior naar Rome gestuurd; dat komt goed uit.
Den nacht bracht ik biddend en mij op de reis voorbereidend door; met de rest van den geheimzinnigen wijn vulde ik een bemande flesch, om hem als beproefd werkend middel te gebruiken, en zette de flesch, die voorheen het elixer bevatte, weer in de kist.
Veel later, op een totaal andere plek, samen met een andere monnik, een dubbelganger van Medardus.

[In de kamer van Medardus] Eindelijk vond hij [de dubbelganger monnik] de bemande flesch met de rest van den geheimzinnigen wijn; hij opende haar en rook er aan; toen begon hij over al zijn leden te beven, hij stiet een schreeuw uit, die dof en gruwelijk in de kamer weerklonk. Een klok in huis sloeg met heldere slagen drie uur; hij brulde, als door verschrikkelijke pijn geplaagd, maar barstte toen weer uit in het snijdende gelach, zooals ik dat in den droom had gehoord; hij zwaaide rond met wilde sprongen, hij dronk uit de flesch en rende toen, haar wegslingerend, de deur uit.

[Iemand] had overigens verteld, dat de monnik den heelen nacht door de gangen van het huis had gestommeld en vooral na het aanbreken van den dag had geschreeuwd :  “Geef me nog meer van je wijn, dan zal ik me heelemaal aan je overgeven; meer wijn, meer wijn!"

Uit het verhaal over / van deze monnik blijkt dus dat hij eigenlijk een dubbelganger van Medardus is, die zichzelf zo dus tegenkomt, een krankzinnige, die uit een gevangenis is ontsnapt, en die zich ook ooit Antonius waande; de geschiedenis herhaalt zich, lichtelijk gewijzigd, als zich afspelend in een ‘parallel universum’.
[De monnik] scheen zich dan voor den heiligen Antonius te houden, gelijk hij in razernij steeds tierde, dat hij een graaf was, een gebiedend heer, en hij zou ons allemaal laten vermorzelen als zijn dienaren kwamen.
En dan komt de aap uit de mouw, de parallelle wereld, uit het verhaal van de krankzinnige monnik:

Het gebeurde, dat een der broeders van een verre reis terugkeerde en voor het klooster verschillende reliquieën meebracht, die hij onderweg had weten te bemachtigen. Hieronder bevond zich een gesloten flesch, die de heilige Antonius den duivel, die daarin een verleidelijk elixer bewaarde, zou hebben afgenomen. Ook deze reliquie werd zorgvuldig bewaard, hoewel de zaak mij zeer tegen den geest van vroomheid, die de ware reliquieën moeten inboezemen, en over het geheel nogal afgezaagd scheen te zijn. Maar een onbeschrijfelijke lust maakte zich van mij meester, uit te vorschen wat de fiesch eigenlijk bevatte. Het gelukte mij haar in mijn bezit te krijgen; ik opende haar en bevond, dat zij een heerlijk geurenden, zoet smakenden sterken drank bevatte, dien ik mij tot op den laatsten druppel goed liet smaken.
Hoe mijn heele wezen zich nu veranderde, welk een brandend verlangen mij beving naar wereldschen lust, hoe de zonde mij in de meest verleidelijke gestalte als het hoogste des levens verscheen, daar zal ik allemaal niet over spreken; kortom, mijn leven werd tot een rij van schandelijke misdaden, zoodat toen ik ondanks mijn duivelsche sluwheid werd verraden, de prior mij tot levenslange gevangenisstraf veroordeelde.
Toen ik reeds verschillende weken in den bedompten, vochtigen kerker had doorgebracht, vervloekte ik mijzelf en mijn bestaan, ik lasterde God en de heiligen; toen verscheen in een gloeiend rooden glans de duivel voor mij en zei, dat als ik mijn ziel geheel van den Allerhoogste wilde afwenden en hem dienen, hij mij zou bevrijden. Schreeuwend viel ik op de knieën en riep: Het is geen God, dien ik dien; jij bent mijn heer en uit jouw gloed stroomt de lust des levens! Toen ruischte het in de lucht als een windvlaag, en de muren dreunden, als schuddend door een aardbeving; een snijdende toon snerpte door den kerker, de ijzeren staven van het venster vielen verbrokkelend naar beneden en ik stond, door een onzichtbaar geweld naar buiten geslingerd, in den kloostertuin.
De maan scheen helder door de wolken, en in haar stralen lichtte het standbeeld op van den heiligen Antonius, dat midden in den hof bij een fontein was opgericht. Een onbeschrijfelijke angst verscheurde mijn hart, verteerd van wroeging wierp ik mij voor den heilige neer, ik zwoer den booze af en smeekte om genade; maar toen trokken donkere wolken boven mijn hoofd samen en opnieuw suisde de orkaan door de lucht; hooren en zien verging mij en ik kwam eerst weer in het bosch tot mijzelf, waarin ik krankzinnig van honger en vertwijfeling ronddwaalde en waaruit u mij hebt gered'.

En dan pas realiseert Medardus zich wat voor invloed het elixer op hem heeft gehad, en gooit uiteindelijk de elixer-fles weg.

De goede lessen van den vromen Cyrillus, die ik niet achtte, de verschijning van den graaf en zijn lichtzinnigen gouverneur, alles kwam mij in den zin. Ik wist nu, waar de plotselinge gisting in mijn binnenste, de verandering in mijn gemoed door waren ontstaan; ik schaamde mij voor mijn laf hartig bedrijf, en deze schaamte gold op dat oogenblik voor mij voor het diepste berouw en voor de diepste wroeging, die ik in oprechte boete zou hebben moeten gevoelen.
Ik stootte tegen de bemande flesch, die nog op den grond lag; de monnik had haar tot op den laatsten druppel geledigd en daardoor was mij iedere nieuwe verzoeking er van te drinken ontnomen; maar zelfs de flesch, waaruit nog een sterke, bedwelmende geur opsteeg, slingerde ik door het open venster over den muur van den hof, om daardoor iedere mogelijke werking van het noodlottige elixer te vernietigen.

Na veel avonturen met dubbelgangers en geestverschijningen bereikt Medardus Rome en vertelt zijn levensgeschiedenis aan de Paus.

De Paus werd meer en meer opmerkzaam.
 “Uw geschiedenis, monnik Medardus", begon hij,  “is de wonderbaarlijkste, die ik ooit heb gehoord. Gelooft ge aan de openlijke, zichtbare inwerking van een booze macht, die de kerk Duivel noemt?"
Ik wilde antwoorden, maar de Paus ging verder:  “Gelooft ge, dat de wijn, dien ge uit de reliquieënkamer hebt gestolen en opgedronken, u tot de misdaden dreef, die ge hebt begaan?"  
“Als een met vergiftigde dampen bezwangerd water schonk hij kracht aan de booze kiem, die in mij lag, opdat zij zou kunnen voortwoekeren!"

Uiteindelijk, na de nodige boetedoeningen is hij weer terug in zijn klooster, waar hij een gesprek heeft met de Prior, die zegt:

“Ach, broeder Medardus, nog altijd waart de duivel onverpoosd op aarde rond en biedt den menschen zijn elixers aan!”

Met dank aan Claus Peter Letsch.
William H. Ainsworth

The Temptation of Saint Anthony

1837
Uit zijn boek "Crichton"


Crichton is een avonturenroman, geschreven door William Harrison Ainsworth, dat gebaseerd is op het leven van James Crichton, die leefde in 16e eeuw.

Het gedicht over Antonius wordt voorgedragen door de nar Siblot tijdens een diner in het Louvre van Henri III, koning van Frankrijk.
Maar het lijkt een beetje misplaatst, zo aan een overduidelijk consumentistisch souper, dus waar zou het oorspronkelijk vandaan komen? Heeft Ainsworth het zelf geschreven?

Het hele boek is als e-boek te lezen, in meerdere versies.
Met dank aan Claus Peter Letsch.
A. Des Tilleuls La tentation de Saint Antoine 1874
Uit zijn boek "Les marionnettes de Dominique Séraphin"
Gezien de titel van het boek zou je iets over marionetten verwachten, maar dat blijkt niet echt uit de tekst en de illustraties.
Evenzogoed zou het wel op eerdere marinetten-uitvoeringen gebaseerd kunnen zijn.
Het gehele boek is als e-boek op de site van BnF te zien.
La tentation
de Saint Antoine :

Pièce féerique en quatre actes – A. Des Tilleuls

Attention, grands et petits enfants, voilà le spectacle qui commence.
Silence ! Le rideau se lève et vous allez voir ce que vous allez voir, c'est-à-dire :
La tentation de Saint Antoine.

De verzoeking
van Sint Antonius:

Feeëriek stuk in vier bedrijven — A. Des Tilleuls

Let op, kinderen groot en klein, zie de voorstelling die begint.
Stilte! Het doek gaat op en je zult zien wat je zult zien, dat wil zeggen:
De verzoeking van Sint Antonius.

Premier acte
Voilà l'anachorète Antoine dans le désert. Il est assis devant son ermitage et caresse son fidèle compagnon.
- Viens, mon petit bijou ; viens, mon petit trognon, donne la patte à papa.
Le cochon pousse de petits grognements de joie et remue sa queue en tire-bouchon. Tout à coup le ciel s'obscurcit, l'éclair brille, le tonnerre gronde ; le cochon s'enfuit à toutes jambes, et saint Antoine chante cette romance, paroles de Scribe et musique de Rossini :
Ciel, l'univers va-t-il donc se découdre
Quel bruit, quel feu, quel horrible fracas !
Devant mes yeux je vois tomber la foudre : *
L'on n'est pas bien ici, portons plus loin nos pas.
Eerste bedrijf
Zie hier de kluizenaar Antonius in de woestijn. Hij zit voor zijn hermitage en streelt zijn trouwe metgezel.
- Kom, mijn juweeltje; kom, mijn kleine snoes, geef papa eens een pootje.
Het varken maakt kleine knorretjes van vreugde en kwispelt met zijn kurkentrekkerstaart. Plotseling verduistert de hemel, het bliksemt, de donder brult; het varken gaat er vandoor, en Sint Antonius zingt deze romance, teksten van Scribe en muziek van Rossini:
Mijn Hemel, gaat het universum dan uiteen vallen?
Wat een lawaai, wat een vuur, wat een vreselijk geraas!
Voor mijn ogen zie ik de bliksem inslaan
We voelen ons niet goed hier, laten we verderop stappen.
* Deze eerste drie regels hierboven, en de twee hieornder, met kleine variaties, heb ik elders toegeschreven gezien aan Michel-Jean Sedaine, 1871.
Voilà l'anachorète Antoine devant son ermitage qui caresse son inséparable compagnon. Ziehier de kluizenaar Antonius die voor van zijn hermitage zijn onafscheidelijke metgezel streelt.
Deuxième acte
Voici Proserpine, la femme de Lucifer, qui se présente pour séduire l'ermite. Elle porte une robe à volants des magasins du Louvre ; un jupon brodé et de jolies bottines à talons ; la voilà qui s'approche du saint homme et qui lui dit d'un ton sucré :
- Antoine, si tu veux couper ta vilaine barbe et l'habiller comme un membre du Jockey-Club, nous irons faire un tour au bois de Boulogne et danser une petite mazurka.
- Arrière, femme perverse, je ne danse pas avec vos pareilles.
Et, prenant son goupillon, le saint asperge la femme de Lucifer ; celle-ci, poussant des cris terribles, aussitôt disparaît sous terre ; saint Antoine enchanté entonne son deuxième couplet:
Dieu-tout puissant, que je l'échappe belle!
Satan voulait me corrompre le cœur!
Tweede bedrijf
Ziedaar Proserpina, de vrouw van Lucifer, die zich presenteert om de kluizenaar te verleiden. Ze draagt een jurk met ruches uit de winkels van het Louvre; een geborduurde rok en mooie laarzen met hakken; daar is is die de heilige man nadert en die hem zoetgevooisd zegt:
- Antonius, als u uw lelijke baard wilt afknippen en u als een lid van de Jockey Club kleedt, zullen we een wandeling in het Bois de Boulogne maken en een beetje de mazurka dansen.
- Naar achter, boze vrouw, ik dans niet met types zoals jij.
En, zijn wijwaterkwast pakkend, besprenkelt hij de vrouw van Lucifer; zij, onder het slaken van verschrikkelijke schreeuwen verdwijnt onmiddellijk onder de grond; sint Antonius, betoverd, reciteert zijn tweede couplet: Almachtige God, daar ben ik ternauwernood aan ontkomen!
Satan wilde mij het hart corrumperen!
Proserpine, vêtue à la dernière mode, engage saint
Antoine à couper sa vilaine barbe.
Proserpina, gekleed volgens de laatste mode, spoort Sint Antonius aan om zijn lelijke baard af te knippen.
Troisième acte
Voilà Lucifer qui vient lui-même tenter saint Antoine. Le malin a pris l'habit de son cousin le banquier.
- Père Antokie, dit-il en lui offrant un londrès, viens donc avec moi manger une sole normande chez Philippe; après quoi, nous irons flâner dans les coulisses du Grand-Opéra. Mon landau nous attend à deux pas : arrive.
- Tu perds ton temps et ta jeunesse, lui répond le saint homme ; je n'aime pas le poisson, et le théâtre me fait mal à la tête.
- Ah! tu fais des manières; attends, mon mignon, dit Satan d'un air vexé, et il s'éloigna.
Cinq minutes après, une troupe de diablotins vint démolir l'ermitage du saint et rôtir son cochon.
Derde bedrijf
Ziedaar Lucifer die zelf gaat proberen Sint Antonius te verleiden. De kwaadaardige man heft zich verkleed als zijn neef de bankier.
- Vader Antokie, zegt hij, terwijl hij hem een sigaar aanbiedt, kom met mij mee een Normandische tong eten bij Philippe; dan gaan we daarna lanterfanten achter de schermen bij de Grand-Opéra. Mijn rijtuig wacht ons op twee stappen van hier: kom.
- Je verspilt je tijd en je jeugd, antwoordt de heilige man hem; ik hou niet van vis en van theater krijg ik pijn in mijn hoofd.
- Ah! je stelt je wel aan [?]; wacht, mijn kleintje, zegt Satan op een geërgerde toon, en hij loopt weg.
Vijf minuten later komt een troep duiveltjes de hermitage van de heilige verwoesten en zijn varken braden.
Lucifer, déguisé en banquier, invite l'anachorète à dîner
chez un très bon restaurateur.
Lucifer, vermomd als bankier, nodigt de kluizenaar uit om te gaan eten bij een zeer goede restaurateur.
Quatrième acte
- Nom d'un chien ! s'écria saint Antoine dès qu'il fut seul, voilà mon ermitage démoli et mon pauvre compagnon grillé comme un cochon vulgaire. O ma pauvre maisonnette, si bien abritée contre les courants d'air, te voilà détruite ! et toi, infortuné cochonnet, toi, que je regardais comme mon fils, je ne te verrai plus! que vais-je devenir? Mon Dieu, puisque je n'ai plus ni cochon ni maison, faites-moi la grâce de me retirer de ce monde.
Un ange descend du ciel et prononce ces paroles, en empruntant la voix d'un soprano de la chapelle Sixtine :
« Antoine, tes maux sont finis. Le Seigneur m'envoie te chercher pour te conduire au ciel. »
Saint Antoine disparaît dans les airs aux sons harmonieux d'une symphonie en la majeur. C’est fini.
Vierde bedrijf
- Verdorie! roept Sint Antonius uit, zodra hij alleen was, kijk mijn hermitage toch eens, gesloopt en mijn arme metgezel gegrild als een gewoon varken. O mijn arme huisje, zo goed beschermd tegen tocht, kijk, vernietigd! en jij, ongelukkig varkentje, jij, die ik zag als mijn zoon, ik zal je nooit meer zien! wat moet er van mij worden? Mijn God, nu ik noch varken noch huis heb, geef mij de genade om me uit deze wereld terug te trekken.
Een engel komt neer uit de hemel en zegt deze woorden, de stem van een sopraan uit de Sixtijnse Kapel aannemend:
"Antonius, je ellende is voorbij. De Heer heeft me gestuurd om je naar de hemel te brengen."
Sint Antonius verdwijnt in de lucht op de harmonieuze klanken van een symfonie in la groot. Het is klaar.
Saint Antoine, guidé par l'ange, s'élève dans les cieux
aux sons d'une musique harmonieuse.
Sint Antonius, begeleid door de engel, stijgt ten hemel op het geluid van harmonieuze muziek.
Paul Arène La vraie Tentation du Grand Saint Antoine 1880
  De ware Verzoeking van de Grote Sint Antonius  
La vraie Tentation du Grand Saint Antoine
Conte pour la Noël
Dédié a mes petites amies Jeane et Madelon Dauphin
De ware Verzoeking van de Grote Sint Antonius
Een verhaal voor kerstmis
Opgedragen aan mijn kleine vrienden Jeane en Madelon Dauphin
Met illustraties van Vollon, Bastien-Lepage, Léonce Petit, J. d’Alheim, G. Rouchegrosse, Scott, Forain, Ch. Bigot, L. Chevalier, Sutter.
In veel verhalen over Antonius en zijn varken wordt hun vriendschap beklemtoond. In dit verhaal lijkt het erop dat Antonius zijn goede vriend gaat opeten, maar gelukkig blijkt het een door duivels veroorzaakte illusie.
De naam van het varken in dit verhaal, Barrabas, doet meteen denken aan de Bijbelse boef, Barabas, Bar-abbâ, "zoon van de vader". Het zou kunnen dat Arène deze naam heeft gehoord van zijn grootmoeder. In het tijdschrift Le Progrès Illustré van 28 December 1897, noemt zijn grootmoeder in een verhaal over Antonius, “De Gelukzalige Dood van de Grote Antonius” zijn varken Barrabas. Maar waar zou zij het vandaan hebben? En zou ook het onderhavige verhaal van zijn grootmoeder afkomstig zijn?

De buste van Paul Arène is van Julliean-Antoine Injalbert; 1897.
Het verhaal staat in zijn geheel, in diverse formaten, op internet. Met illustraties. Hier is een link naar een word.doc versie in ‘t Frans.
Sint Antonius duwde de deur open en zag in zijn hut een half dozijn kleine kinderen, die uit het dorp omhoog gekomen waren, ondanks de ontbering, om hem honing en noten te brengen, lekkernijen die de goede kluizenaar zichzelf eenmaal per jaar toestond, op eerste kerstdag, vanwege zijn hoge leeftijd. “Ga in een kring zitten, beste vrienden, en gooi wat dennenappels in het vuur zodat de vlammen oplaaien.
Goed! ... Maak nu plaats voor Barrabas: de trouwe Barrabas heeft het zo vreselijk koud dat zijn snuit vervelt en dat zijn verstijfde staart niet uit de krul kan komen. De kinderen hoestten, snotterden, Barrabas (want dat is de echte naam van het varken van Sint Antonius), Barabbas, met zijn hoeven wellustig in de hete as gestopt, gromde; de heilige sloeg zijn capuchon neer, schudde de sneeuw van zijn schouders, streek met zijn hand over zijn mooie grijze baard waaraan ijspegeltjes hingen, ging zitten, en hij begon:
“Dus het is mijn verzoeking, waarover ik jullie moet vertellen?
“Ja, goede Sint Antonius! ja, grote Sint Antonius!
“Mijn verzoeking? maar jullie kennen deze even goed als ik, mijn verzoeking. Die werd duizend keer getekend en geschilderd, en jullie kunnen kijken op mijn muur, waarop ik zorgvuldig alle prenten, oude en nieuwe, verzamelde (God vergeef me deze misschien ijdele manie!), opgedragen aan mijn glorie en die van Barabbas, van de prent van Epinal die een dubbeltje kost, met lied inbegrepen, tot de bewonderenswaardige meesterwerken van Teniers, van Breughel en Gallot.
Gravure Impr. Pellerin & Cie. Imagerie d’Épinal, 1893, No 376, La Tentation de Saint Antoine. Bibliothèque nationale de France.
Jullie moeders, dat is zeker, hebben jullie meegenomen naar het Luxembourg om te kijken, in het marionettentheater, naar mijn povere hermitage zoals die hier is, met de kapel, de hut, de klok die in de vork van een dode boom opgehangen is, en ik in het midden in gebed, terwijl Proserpina me een slag toebrengt, en een groep duiveltjes, die aan het einde van een touw balanceren en op de geschrokken Barrabas inslaan en hem opjagen.
Binnenkort ook, als jullie naar school gaan, wat, naar ik hoop, niet lang meer zal duren, kunnen jullie, door de ramen van de bibliotheek, deze woorden lezen: "De Verzoeking van Sint Antonius, door de heer Gustave Flaubert," gegraveerd in gouden letters in mooie opdruk op de rug.
Deze meneer Flaubert is een bedreven man, hoewel hij niet voor kleine kinderen van jullie leeftijd schrijft, en is, wat mij betreft, vrij nauwkeurig op de hoogte; van hun kant, de kunstenaars over wie ik jullie daarnet nog sprak, hebben geen van de duivels vergeten, die, op verschillende momenten mij in verzoeking hebben gebracht; ze hebben er zelfs meer aan toegevoegd.
Daarom, mijn kinderen, als ik het nou weer over deze bekende gebeurtenissen heb, ben ik bang dat het echt als gebazel overkomt.
“Oh! Sint Antonius! ... Oh! grote Sint Antonius!
“Als ik jullie nu eens iets anders vertelde?
“Nee! De verzoeking, de verzoeking.
Gravure Impr. Pellerin & Cie, Imagerie d'Épinal, 1905. N° 622,
Petits théâtres: grandes constructions. Tentation de Saint Antoine. Bibliothèque nationale de France.
Zie nog meer Pellerin op de theaterpagina.
“Goed dan, zei Antonius glimlachend, ik zie dat ik ook dit jaar weer niet kan ontsnappen aan de verzoeking; maar omdat jullie buitengewoon braaf zijn geweest, zal ik over een verzoeking vertellen die geen kunstenaar heeft geschilderd en waarover de heer Gustave Flaubert niet heeft gesproken.
Deze was niettemin verschrikkelijk, is het niet, Barrabas? en ik rolde langer dan zou moeten het hellende vlak af waaronder in een groot gat de vlammen van het hellevuur al schitterden. Het was overigens op eenzelfde nacht als deze en naar aanleiding van kerstavond dat deze lotgevallen mij overkwamen.
Bij dit begin ging Barrabas, duidelijk geïnteresseerd, op zijn twee voorpoten rechtop zitten om te luisteren, de kinderen huiverden en kwamen dichterbij, en dit is het kerstverhaal dat de goede kluizenaar hun vertelde:
“Dus, beste vrienden, stel je eens voor, dat na duizend opeenvolgende pogingen mij te beproeven, de duivels opeens waren gestopt om mij in verzoeking te brengen. Mijn nachten werden stil. Geen gehoornde monsters met klauwen meer die me door de lucht droegen op vleermuisvleugels; geen handlangers van de hel meer met geitensik en apensnuit; geen zonderlinge muzikanten meer die proberen Barrabas te verschrikken met hun buik als een contrabas en hun wijd uitlopende neus die bazuint als een onmogelijke klarinet; geen koningin Proserpina meer in een gouden jurk bezaaid met levende edelstenen, sierlijk en majestueus…
En ik dacht: "Alles gaat goed, Antonius, de duivels zijn ontmoedigd."
We woonden, Barrabas en ik, zo blij als we konden wezen, op onze rots. Barrabas kwam en ging, volgde me overal, beurde me op met zijn openhartigheid en ik verheugde me met zijn kinderlijke vrolijkheid; ik, ik deed wat elke goede kluizenaar doet: ik bad, ik luidde mijn klok op de gewenste uren, en tussen de oefeningen en gebeden door, putte ik water uit mijn bron om de groenten van mijn tuin, die in een beschutte uitgraving groeiden, water te geven.
Het duurde zes maanden en meer ... zes mooie maanden van eenzaamheid!
Ik viel in slaap in alle vertrouwen; maar, helaas, het Kwaad werd wakker.
Op een dag, vlak voor Kerstmis, toen ik bezig was me te koesteren in de zon voor mijn deur, verscheen er een man.
Hij had met ijzer beslagen laarzen, een forse staf, een fluwelen vierkant gesneden jas; op zijn rug droeg hij de mand van de marskramer, en hij riep: "Spies, spies, spies ... Koopt! Koop een spies! Met een licht accent van Auvergne. Heeft u een spies nodig, goede kluizenaar?
Vervolg uw weg, goede man, ik leef van helder water en wortels, en kan niets met uw spiesen.
Goed, goed, laten we niet boos worden, we zullen de handel weer inpakken! Toch, voegde hij er met een duivelse blik aan toe, me op Barabbas wijzend, die meer scherpzinnig dan ik, woedend in een hoek gromde, toch had deze hier me schitterend geleken en voldoende vetgemest, en ik dacht, God vergeef me! dat u hem voor de aanstaande kerstavond bestemd had.
Het feit is dat die bengel van een Barabbas, sinds de duivels zijn spijsvertering niet langer kwelden, zich met een verblijdende laag vet had getooid. Ik merkte dit opeens op. Maar om vandaar over tot het gaan eten van mijn enige vriend, ging toch wel te ver. Toen ik dan ook zag dat de marskramer het pad weer afdaalde, met een beteuterd gezicht, met zijn spies in de hand, en zijn gedachten nog bij dat idee dat hij had wat ik met het lichaam van Barrabas moest doen op kerstavond, kon ik niet nalaten te lachen.
Geleidelijk aan echter, als een onkruid dat voortwoekert, groeide dat helse idee, want het was natuurlijk een duivel uit de hel die, vermomd als een marskramer, me een spies had willen verkopen, en schoot dat helse idee om Barrabas op te eten wortel in mij.
Ik droomde van spiesen, ik zag spiesen. Tevergeefs vermeerderde ik mijn verstervingen en boetedoeningen; boetedoeningen en verstervingen konden er niets aan doen. En vasten, het vasten zelf leidde alleen maar tot overprikkeling van mijn eetlust. Ik ontvluchtte Barrabas, ik durfde hem niet meer mee te nemen op mijn questen, en als hij dan, bij mijn terugkomst, kwispelend met zijn staartje, liefkozend met zijn ruwharige rug over mijn blote voeten wreef, wendde ik mijn ogen snel af en had niet het hart hem te strelen. Maar ik denk, mijn kinderen, dat dit alles jullie niet erg interesseert, en misschien hebben jullie liever ...
“Nee! goede Sint Antonius.
“Ga door, grote Sint Antonius.
“Ik zal dan verdergaan, hoeveel moeite het me ook kost om zulke smartelijke herinneringen op te rakelen. Wat een verzoekingen! Wat een beproevingen!
De duivel bedient zich soms van de meest onschuldige dingen om een schepsel tot het kwade aan te zetten.
In de buurt van mijn hermitage was een klein bos (ik denk dat als je goed zoekt er nog enkele bomen te vinden zijn), waar goede mensen me toegestaan hadden om met Barrabas eikels te zoeken. Het was onze favoriete wandeling, ’s avonds, bij zonsondergang, wanneer het eikenblad goed ruikt. Daar las ik, Barrabas propte zich vol met eikels, en vaak ook, als hij met zijn snuit de natte grond onder de afgevallen bladeren omploegde, wist hij een soort korrelige ballen, zwart en geurig, op te spitten, die hij met verrukking oppeuzelde.
“Truffels, misschien, grote Sint Antonius?
“Ja, mijn kleine vrienden, truffels, een zwam die ik tot dan toe minachtte, maar waarvan de herinnering plotseling weer tot mij kwam, precies en smakelijk.
Zodat wanneer vanaf dat moment, Barabbas een truffel opgroef, ik die hem deed loslaten door met een stok pardoes bovenop zijn snuit te slaan, en hypocriet, opdat de ongelukkige niet ontmoedigd zou worden, hem in plaats daarvan een kastanje of twee toegooide.
“Oh! Sint Antonius!"
Ik verzamelde er aldus meerdere ponden van...
“En wilde u de poten van Barrabas met truffels bereiden?"
Hoewel ik dat nog niet besloten had, moet ik bekennen dat ik er vaag over mijmerde.
Naast mijn deur, hervatte de kluizenaar, na een stilte, was een plant, die door de wind was meegevoerd tussen de vaste rots en de muur ontkiemd. Zijn lange grijsachtig groene bladeren roken lekker, en in het voorjaar kwamen de bijen zich in de kleine paarse bloemen wentelen. Ik hield van deze bescheiden plant die alleen voor mij leek te hebben willen bloeien; ik gaf hem water, ik verzorgde hem, ik had er wat aarde omheen aangebracht. Maar helaas! op een ochtend, toen ik er net een loot op-en-top van afbrak, had ik,terwijl ik hem opsnoof, een snel en verleidend visioen van zijen van het varken roosterend aan het spit en badend in een jus goudbruin van de loten van het kruid, in groepen van vijf in het vlees gestoken, roosterend en omkrullend. Mijn plant, mijn bescheiden plantje, was de salie van de keukenmeiden, en de heerlijke geur riep sindsdien in mijn ziel alleen nog maar beelden op van braspartijen en gebraden varken.
Beschaamd over mijzelf, rukte ik mijn salie uit en gaf mijn truffels, alles in een keer, in een kom, aan Barrabas, die zich er tegoed aan deed.
Maar ik mocht er niet zo makkelijk vanaf komen. De salie uitgerukt, de truffels weggegooid, maar mijn verzoekingen hielden toch aan. Ze kwamen zelfs vaker voor, onweerstaanbaarder naarmate Kerstmis naderde. Stellen jullie jezelf eens in mijn plaats: met een nog steeds fikse maag en sinds jaren karig gevoed met ongezouten groenten besproeid met helder water, wat ik zag voorbijkomen aan de voet van mijn rots, op de grote weg die leidt naar de stad, was goed genoeg om iemand heiliger dan ik te verdoemen. Wat een processie, beste vrienden! De lokale bevolking, trouwe christenen, bereidden hun kerstavond acht dagen van tevoren voor, en er waren, van 's morgens tot 's nachts, talloze konvooien van proviand: karrenvrachten dode herten en wilde zwijnen, vastgebonden kreeften, vissen in volle draagmanden, oesters in manden, kippen en hanen ondersteboven opgehangen over de zadels van rijpaarden; vette schapen op weg naar het slachthuis; eenden en parelhoenders; een witte vlucht waggelende ganzen; een zwarte zwerm kalkoenen die hun paarse krop schudden; nog daargelaten de moedertjes van het platteland, die in hun manden boomvruchten droegen gerijpt op stro en vers geconserveerde druiven, witte wintermeloenen, eieren en melk voor crèmes, honingraten en honing in potten, kazen en gedroogde vijgen. En dat schalde, rinkelde, bazuinde, babbelde, giechelde, een verleidelijk kabaal dat steeds de boventoon voerde, opperste verzoeking! de wanhopige kreten van een varken met vastgebonden poot, die zijn begeleider meesleepte, en die krijste terwijl hij aan zijn touw trok.
Eindelijk was het Kerstmis. Nadat de Nachtmis in de kapel gelezen was en alle assistenten vertrokken, sloot ik de kapel met de sleutel en barricadeerde ik me snel in mijn hut. Het was koud, net zo koud als vandaag; de noordenwind blies en sneeuw bedekte de velden en wegen. Ik hoorde buiten lachen en zingen; dat waren mijn parochianen, goed ingepakt, die op weg gingen naar het feestmaal van Kerstavond in de buurt. Ik keek door het gat in het luik: hier en daar in de witte vlakte, straalden felle lichten in de ramen van boerderijen, en daar beneden kleurde de verlichte stad de hemel rood als de weerspiegeling van een enorme oven. Toen herinnerde ik me de goede Kerstavonden van mijn jeugdige lekkerbekkerij, grootvader die voorzat aan tafel en het grote houtblok van de Kerst met nieuwe wijn overgoot; ik zag de dampende schotels, het witte tafelkleed, de dansende vlam in het aardewerken schotels en de tinnen potten op het dressoir, en ik voelde me zo alleen met Barrabas, terwijl iedereen feest vierde, voor een pover vuur met een povere wortel en een kruik met water dat aan het bevriezen was, dat opeens een groot verdriet me overmande, en ik uit riep, "Wat een Kerstavond!" En ik kon mijn tranen niet in meer in bedwang houden.
Dit was het moment waarop de verleider gewacht had.
Na enkele ogenblikken steeg een geruis van onzichtbare vleugels op en werd luider in de stilte van de nacht. Een schaterlach doorkliefde de lucht, en zacht gebonk, bescheiden geklop, klonk op mijn luik en op mijn deur. "De duivels! Berg je, Barabbas!" riep ik. En Barabbas, die goede redenen had om niet van duivelskunsten te houden, vluchtte achter de trog.
Mijn dakpannen ratelden alsof het hagelde; opnieuw ging de helse bende razend tekeer rondom mijn armzalige hut.
Maar dit was wel het vreemdste. In plaats van de angstaanjagende geluiden en wanklanken waarmee mijn vijanden zich meestal aankondigen: kreten van nachtvogels, geblaat van geiten, tegen elkaar stotende botten en rammelende ijzeren kettingen, waren het deze keer zeer zachte geluiden, eerst vaag en zoals de verkleumde reiziger die hoort komen uit een logement, rokend en gesloten, maar die, steeds meer onderscheiden, uiteindelijk samenvloeien tot een prachtige muziek van spitten die men polijst, pannen die men schuurt, flessen die geleegd worden, glazen die gevuld worden, vorken die op schotels tikken en draaispitten die klingelen, erom vragend om weer gebruikt te worden.
Plotseling stopte de muziek, een hevige schok deed de planken van mijn hut trillen, het luik ging open, de deur viel, en door de binnenstromende wind doofde mijn lamp.
Ik dacht dat ik al roet en zwavel inademde ... Helemaal niet! De helse wind kwam dit keer vol met goede geuren en rook naar karamel en kaneel; na de binnenkomst van de wind werd het heel weldadig in mijn hut.
Op een gegeven moment hoorde ik Barabbas schreeuwen; ze hadden zijn schuilplaats gevonden: "Nou, goed! zei ik tegen mezelf, zie hoe de oude grappen weer beginnen; ze zullen hem nog vuurwerk aan zijn staart binden; deze heren demonen zijn niet erg vindingrijk!" En, mijzelf vergetend, vroeg ik de hemel om mijn compagnon de kracht te geven om de bezoeking te verdragen. Maar omdat hij steeds harder schreeuwde, waagde ik het mijn ogen te openen, en doordat mijn lamp plotseling nieuw leven ingeblazen werd, zag ik de ongelukkige martelaar, bij staart en oren vastgehouden, worstelen te midden van een rondedans van witte duivels.
“Witte duivels, grote Sint Antonius?"
Ja, beste vrienden, witte duivels, en wit van het mooiste wit, dat kan ik jullie verzekeren: vermomd als banketbakkersjongens, als koksjongens, met het korte jasje en de muts. Ze zwaaiden met lardeerpriemen en manoeuvreerden door de lucht, te paard op druippannen van het spit.
Ondertussen, in het midden van het huis, hadden ze een lange plank op twee schragen geplaatst en Barrabas erboven op gelegd. Nabij de plank: een groot mes, een emmer, een kleine borstel, een spons. Barrabas krijste, en ik besefte dat de duivels Barrabas zouden gaan slachten.
Wat een verdoemenis die lekkerbekkerij! Zolang het bloed stroomde en Barabbas krijste, voelde ik enige emotie in mijn ziel; maar toen Barrabas eenmaal stil was: "Bah!" zei ik tegen mezelf: "nu hij toch dood is!" Het was met een schuldige koelbloedigheid, en zelfs met enige interesse, dat ik zag hoe de onschuldige Barrabas, mijn lieve metgezel in de eenzaamheid, onder de handen van de helse koks wreed bewerkt werd en wonderbaarlijk getransformeerd tot een hoop sappige dingen.
Ik zag hem geroosterd en geschraapt worden; aan de voeten langs een ladder opgehangen; overlangs geopend, geleegd, gewassen, wit als een lelie en reeds goed ruikend in de stoom van het kokende water; daarna gesneden, in stukken gehakt, gezouten, tot paté gehakt, tot worst vermalen, alles met een snelheid, een duivelse gezwindheid, wel zo dat in een oogwenk de stenen van mijn haard bedekt waren met een bed van brandende kolen (duivels, helaas, hebben daar nooit gebrek aan), en werd ik omringd door volle vleesketels, beladen spitten, gegarneerde spiesen waar, en dat beken ik, tot mijn grote vreugde! de in stukken gesneden overblijfselen van degene die mijn vriend was, zongen, bruinden, bibberden, braadden, te midden van dampen aromatisch als amber, in sappige jus en gouden roux.
Plotseling verandert alles. Wat een schouwspel! ... Een paleis in plaats van een hut; geen keuken meer of gloeiende kolen; de vervallen muur krijgt lambrisering, de aarden vloer wordt bedekt met tapijt.
Alleen de dakpannen behouden hun gaten; maar deze gaten worden getransformeerd tot een prachtig met wijnstokken begroeid prieel, dat langs het vergulde plafond loopt, dat door zijn uitsnijdingen, het blauw van de hemel en de sterren laat zien (ik had iets dergelijks vroeger eens bewondert bij een stedeling aan wie ik de boetvaardigheid predikte). En door deze gaten, stegen, daalden een legioen van kleine koksjongentjes die gerechten droegen, kronkelend door de bladeren, hangend aan de ranken van de broze wijnstokken, zich vastklampend aan de fluweelzachte knoppen, in hun armpjes druiven omarmend, die zich langs de groene scheuten lieten glijden, en een tafel waar ik zat, overlaadden met gerechten gekookt tot in de perfectie.
Op die tafel was er van alles. Ah! beste vrienden, als ik er al aan denk, loopt het water me in de mond ... Hemel! Wat kan ik ervan zeggen?
Nee, als ik er al aan denk, krijg ik er wroeging over in mijn hart: vier hammen, twee grote, twee kleine; vier poten bereid met truffels; een enkele varkenskop, maar goed gevuld met pistachenoten; varkensgehakt; koude vlezen in gelei roze kleurend onder hun muts van trillende amber; delicate worstjes, gedraaide saucijzen, bloedworsten zwart als de hel; dan gebraad, gehakt, sauzen! Ik stond er nochtans van te kijken, met open mond, en opengesperde neusgaten, dat er onder de ruige borstels van een nederig dier zo veel lekkere dingen konden rijpen, en ik werd ontroerd door de herinnering aan Barabbas.
“Maar at u ervan, grote Sint Antonius?"
Bijna, beste vrienden, bijna at ik er al van! Ik prikte mijn vork al in het knapperige vel van een bloedworst die een zeer beleefde duivel me aanbood. Toen de vork er in ging, lachte de duivel; "Vade retro, vade!.," riep ik. Ik herinnerde me net de glimlach van de helse kleine marskramer, de oorzaak van al mijn verleidingen, die, twee maanden eerder, mij een spies had aangeboden om te kopen. "Vade Satanas, vade retro!" Het visioen vervloog; de dageraad scheen, mijn vuur doofde geheel uit, Barrabas, vriendelijk en gezond, schudde zich en liet zijn klokje rinkelen; en, in plaats van de rondedans van witte duivels, kwamen er sneeuwvlokken zo groot als jullie vuist, door de deur en het luik, die door de storm opengewaaid waren, wervelend in de ijzige wind.
“En toen? zeiden de kinderen, die zeer geboeid waren door zo’n prachtig verhaal.
“Daarna, berouwvol en met vol gemoed, deelde ik mijn maaltijd van wortels met Barrabas, en sindsdien zijn er nooit meer duivels onze Kerstavond komen verstoren."
Guy de Maupassant Saint-Antoine, Contes de la Bécasse 1887
Sint-Theunis
In: De jongedochter Martin. Alle verhalen 1882-1883 [pp. 132-140]
vertaling: Hans van Cuijlenborg. Uitgeverij L.J. Veen Amsterdam/Antwerpen.
In het Frans heet deze Sint-Theunis gewoon Saint-Antoine, dus een letterlijke vertaling van zijn naam als Sint-Antonius zou misschien meer aan de orde zijn geweest. Anderzijds benadrukt deze vertaling als Sint-Theunis wel het boerse karakter van de hoofdpersoon.
Deze Sint-Theunis is overigens verre van heilig te noemen.
Hij is een vreetzak en dronkelap. Maar wat erger is, in feite mishandelt hij zijn tegenspeler, een Pruisisch soldaat, lichamelijk en geestelijk door hem — als een varken — vet te mesten en hem belachelijk te maken.
Uiteindelijk vermoordt hij hem zelfs, en veroorzaakt daardoor nog eens de executie van een onschuldige gendarme die de schuld van de moord krijgt.
Als ‘verzachtende omstandigheid’ zou misschien voor zijn tijdgenoten gegolden kunnen hebben dat de Pruis een vijand was. Maar toch, vanuit een ‘Christelijk heilig’ standpunt had dat natuurlijk geen verschil mogen maken.
Maar ik neem het verhaal toch maar op, omdat het een zienswijze van Antonius weergeeft, die wat doet denken aan het ‘lage’ karakter van de Antoniaan in het verhaal van Boccaccio. Dus er werd niet altijd zo positief gedacht over de Katholieke heiligen als representanten van de Kerk.
Ze noemden hem Sint-Theunis, omdat hij Theunis heette en misschien ook wel omdat hij een levensgenieter was, altijd vrolijk, een grappenmaker, een stevig eter en een fors drinker, en een groot liefhebber van dienstmeiden, al was hij de zestig voorbij.
Hij was een grote boer uit de Caux, hoogrood, met een stevige borstkas en een dikke buik, met daaronder lange benen die te mager leken voor de omvang van zijn lijf.
Hij leefde als weduwnaar alleen met zijn dienstmeid en zijn twee knechts op zijn boerderij die hij als een sluwerd beheerde, met een wakker oog voor zijn belangen, handig in het zaken doen, in het opfokken van vee en in het bebouwen van zijn grond. Zijn beide zonen en zijn drie voordelig uitgehuwelijkte dochters woonden in de buurt en kwamen eens per maand bij vader thuis eten. Zijn levenskracht was befaamd door de hele streek in de omtrek, en er was een zegswijze ontstaan die luidde: 'Hij is zo sterk als Sint-Theunis.’
Toen de Pruisische invasie plaatsgreep, beloofde Sint-Theunis in het café wel een heel leger te lusten, want als oprecht Normandiër was hij een snoever, wat laf en blufferig. Hij sloeg met zijn vuist op de houten tafel, die opsprong en de kopjes en de glaasjes liet dansen, en schreeuwde, met een rood smoelwerk en een geniepige blik, met de gespeelde woede van een levensgenieter: 'Ik lust ze wel rauw, nondeju!' Hij rekende er natuurlijk op dat de Pruisen niet tot Tanneville zouden komen, maar toen hij hoorde dat ze al in Rautôt zaten, kwam hij zijn huis niet meer uit en bespiedde onophoudelijk de weg door zijn keukenraampje, omdat hij elk moment verwachtte bajonetten te zien voorbijtrekken.
Op een ochtend, toen hij soep zat te eten met zijn personeel, ging de deur open en de burgemeester van de gemeente, boer Chicot, verscheen met achter zich aan een soldaat die een zwarte helm
met een koperen punt droeg. Sint-Theunis sprong op, en al zijn volk keek hem aan, omdat ze verwachtten dat hij de Pruis zou doodslaan. Maar hij beperkte zich tot de hand van de burgemeester te schudden, die hem zei: 'Den dezen is voor jou, Sint-Theunis. Ze zijn vannacht gekomen. Haal voorzekers geen streken uit, want ze hebben het over fusilleren en alles in de fik steken als er ook maar dit gebeurt. Dus gewaarschuwd ben je. Geef hem te eten, 'm lijkt m'n in orde. Goeienavond, ik ga naar den anderen. D'r zijn d'r voor elkenen.' En hij vertrok.
Vader Theunis was bleek geworden en bekeek zijn Pruis. Het was een grote jongen met vet en blank vlees, blauwe ogen, blonde haren en een baard tot zijn jukbeenderen, die stom, verlegen en goedaardig leek. De slimme Normandiër had hem meteen door en beduidde hem gerustgesteld dat hij kon gaan zitten. Toen vroeg hij hem: 'Wilt u soep?' De vreemdeling begreep het niet. Toen werd Theunis overmoedig, schoof hem een vol bord onder de neus en zei: 'Hier, slik dat maar door, groot varken.'
De soldaat antwoordde: 'Ja', en begon met graagte te eten terwijl de triomferende boer merkte dat hij zijn reputatie had gered en dus naar zijn personeel knipoogde, dat gekke bekken trok, omdat ze tegelijkertijd doodsbenauwd waren en zin hadden om te lachen.
Toen de Pruis zijn bord leeg had, serveerde Sint-Theunis hem er nog een dat hij ook liet verdwijnen. Maar hij aarzelde bij het derde, dat de boer hem per sé wilde laten opeten, waarbij hij telkens herhaalde: 'Allez, stop dat er ook nog achteraan. Je moet er nog van groeien, wat dacht je wat, allez, varken van m'n!'
En de soldaat, die slechts begreep dat ze hem wilden laten eten tot hij verzadigd was, lachte tevreden en beduidde dat hij vol zat.
Toen werd Sint-Theunis pas echt intiem, sloeg hem op de buik en schreeuwde: 'Heeft 'm zijn pensje lekker vol, m'n varken!' Maar plotseling sloeg hij dubbel, zo rood alsof hij een hartaanval kreeg, en kon niets meer zeggen. Hij had een idee gekregen dat hem deed stikken van de lach: 'Natuurlijk, natuurlijk, Sint-Theunis met zijn varken. Daar heb ik mijn varken!' En de drie bedienden begonnen op hun beurt te schaterlachen.
De oude was zo tevreden dat hij brandewijn liet aanrukken, goeie, afbijt, waarop hij iedereen trakteerde. Er werd geklonken met de Pruis, die met zijn tong klikte bij wijze van compliment, om aan te geven dat hij dit fantastisch vond. En Sint-Theunis schreeuwde hem in het gezicht: 'Nietwaar? Dat is me nog eens een borrel, hè! Zo geven ze ze bij jou niet, varkentje van me.'
Vanaf dat moment ging vader Theunis er niet meer op uit zonder zijn Pruis. Hij had wat hij zocht, dit was zijn particuliere wraak, zijn wraak van grote slimmerik. En de hele streek, die sidderde van angst, lachte zich rot achter de rug van de overwinnaars om de mop van Sint-Theunis. Echt waar, als het ging om grappen was hij ongeëvenaard. Alleen hij kon zulke dingen bedenken. De ouwe boef!
Hij ging elke dag na de middag naar zijn buren, arm in arm met zijn Duitser, die hij vrolijk voorstelde door hem op de schouder te kloppen: 'Zie, hier heb ik m'n varken, zie maar eens of ten vet wordt, dat beest.'
En de boeren straalden van plezier. 'Wat is ten toch geestig, diën duvelse Theunis!'
'Ik verkoop hem je, Cesaire, drie pistolen.'
'Daarvoor doen ik het, Theunis, en je wordt genodigd de bloedworst te komen eten.'
'Wat ik gaarne wou, dat zijn z'n poten.' '
Voel hem de buik maar eens, je zult zien dat het enkelt spek is.'
En iedereen knipoogde zonder al te hard te lachen, uit angst dat de Pruis er ten slotte achter zou komen dat ze de draak met hem staken. Alleen Theunis werd met de dag brutaler, kneep hem in de dijen en riep dan: 'Zuver spek', sloeg hem op zijn rug en schreeuwde: 'Niks als zwoerd', tilde hem op in zijn armen van ouwe reus, in staat een aambeeld te dragen, en verklaarde: 'Hem weegt zeshonderd, schoon aan de haak.'
En hij had de gewoonte aangenomen zijn varken overal waar hij ermee aankwam, eten te laten aanbieden. Dat was de grote pret, het grote vertier van alledag: 'Geef hem maar wat je hebt, den diën vreet alles.' En ze gaven de man brood met boter, aardappelen, koude ragout, worst, waarbij ze zeiden: 'Gelijk de uwe, en eersteklas.'
De soldaat, stom en meegaand, at uit beleefdheid, in zijn nopjes met die aandacht, vrat zich ziek door niets te weigeren en werd echt dikker, kwam strak in zijn uniform te zitten, wat Sint-Theunis in vervoering bracht en hem telkens deed zeggen: 'Zal ik je eens wat zeggen, varken van m'n, aanstonds moeten me een ander kot voor je maken.'
Ze waren trouwens de beste vrienden van de wereld geworden. En als de ouwe in de buurt zaken ging doen, ging de Pruis uit zichzelf met hem mee, alleen al voor het genoegen bij hem te zijn. Het weer was vreselijk, het vroor dat het kraakte, en de verschrikkelijke winter van 1870 leek alle plagen in één keer over Frankrijk los te laten.
Vader Theunis, die zaken al vroeg voorbereidde en van gelegenheden profiteerde, voorzag dat hij voor het voorjaar mest te kort zou komen, en kocht die van een buurman, die er te veel van had. Afgesproken werd dat hij elke avond met zijn kiepkar een lading mest zou komen halen.
Dus begaf hij zich elke dag bij het vallen van de avond op weg, naar de boerderij van de Haules, een halve mijl verderop, altijd in gezelschap van zijn varken, en elke dag was het weer een feest om het dier te voeden. De hele streek kwam daar naartoe zoals ze zondags naar de hoogmis gingen.
Maar de soldaat begon achterdocht te koesteren, en als er te hard gelachen werd, rolde hij onrustig met zijn ogen, waarin soms een vlammetje van woede ontstak.
Welnu, toen hij op een avond zijn buikje rond had gegeten, weigerde hij verder nog een hap door te slikken. En hij probeerde op te staan om weg te gaan. Maar Sint-Theunis hield hem met zijn arm tegen, legde hem zijn beide stevige handen op de schouder en duwde hem zo ruw weer terug dat de stoel onder de man brak.
Een stormachtige vrolijkheid barstte los, Theunis raapte stralend zijn varken op, deed net alsof hij het verzorgde om het te genezen en verklaarde vervolgens: 'Als je dan niet meer wilt eten, dan zul je drinken, nondeju!' En ze gingen brandewijn in het café halen.
De soldaat rolde woest met de ogen, maar hij dronk toch, hij dronk zoveel hij maar kon, en Sint-Theunis hield hem bij, tot groot vermaak van de aanwezigen.
De Normandiër, rood als een tomaat, met de blikken ontvlamd, vulde de glazen, klonk en brulde 'Proost!' en de Pruis sloeg zonder een woord te zeggen stuk voor stuk de glazen cognac achterover.
Het was een strijd, een veldslag, een revanche! Wie het meest kon drinken, potverdorie! Ze konden geen van beiden meer toen hun liter op was. Maar geen van beiden was winnaar. Het was een nek-aan-nekrace, punt uit. Ze moesten de volgende dag maar opnieuw beginnen!
Wankelend liepen ze naar buiten en gingen op weg, naast de kiepkar met mest die langzaam door de beide paarden werd getrokken. De sneeuw begon te vallen, en de maanloze nacht verlichtte triest met zijn doodse bleekheid de vlakte. Kou beving beide mannen, waardoor hun dronkenschap verergerde, en Sint-Theunis, die er de pest over in had dat hij niet had gewonnen, vermaakte zich door met zijn schouder zijn varken optaters te verkopen om hem in de greppel te doen belanden. De ander vermeed die aanvallen door hem te ontwijken, en telkens sprak hij een paar woorden Duits op geërgerde toon die de boer deed schaterlachen. Ten slotte werd de Pruis boos, en op het moment dat Theunis hem weer een nieuwe stoot wilde verkopen, reageerde hij met een vreselijke vuistslag die de reus aan het wankelen bracht.
Opgehitst door de brandewijn greep de oude man de jongen vervolgens bij de armen, schudde hem even door elkaar zoals hij dat gedaan zou hebben bij een kind, en smeet hem vervolgens in één keer naar de overkant van de weg. Tevreden over deze prestatie sloeg hij vervolgens de armen over elkaar en begon weer te lachen.
Maar de soldaat kwam bliksemsnel overeind met ontbloot hoofd, want zijn helm was weggerold, trok zijn sabel en wierp zich op vader Theunis.
Toen hij dat zag, pakte de boer zijn zweep in het midden, zijn grote zweep van hulst, recht, sterk en soepel als een bullepees. De Pruis kwam er aan, met gebogen voorhoofd, het wapen in de aanslag, van plan te doden. Maar de oude man greep met zijn volle hand de kling waarvan de punt zijn buik dreigde te doorboren, duwde haar aan de kant en sloeg zijn vijand keihard met het handvat van de zweep op de slaap, waarop deze aan zijn voeten ineenzakte.
Geschrokken en verstomd van verbazing bekeek hij dat lichaam dat eerst nog schokte met stuiptrekkingen en vervolgens roerloos op de buik bleef liggen. Hij boog zich voorover, draaide hem om, bekeek hem even. De man had de ogen dicht, een straaltje bloed stroomde uit een wond naast zijn voorhoofd. Ondanks de nacht zag vader Theunis de bruine vlek van dat bloed op de sneeuw.
Hij bleef daar staan en raakte de kluts kwijt terwijl zijn kiepkar gewoon doorreed, op de rustige stap van de paarden.
Wat moest hij doen? Hij zou worden gefusilleerd! Ze zouden zijn boerderij in brand steken, ze zouden het dorp verwoesten! Wat te doen? Wat te doen? Hoe moest hij dat lichaam verbergen, de dood verbergen, de Pruisen een loer draaien? In de verte hoorde hij stemmen, in de grote stilte van de sneeuw. Toen raakte hij in paniek, raapte de helm op, zette die weer op het hoofd van zijn slachtoffer, pakte hem vervolgens bij het middel, tilde hem op, rende met hem weg, haalde zijn span in en wierp het lichaam op de mest. Thuis zou hij wel verder zien.
Hij liet stapvoets rijden, brak zich het hoofd, kwam op niets. Hij zag en voelde zich verloren. Hij reed het erf op. Er brandde nog licht bij een dakraam, zijn dienstmeid sliep nog niet. Daarop liet hij meteen zijn kar achteruitrijden tot de rand van de mestput. Hij bedacht dat als hij de lading zou lossen, het lichaam dat erop lag onder in de kuil zou vallen. En hij liet de laadbak kieperen.
Zoals hij had voorzien werd de man onder mest bedolven. Theunis platte de hoop met zijn greep en plantte die toen in de grond ernaast. Hij riep zijn knecht, beval zijn paarden in de stal te zetten en ging naar zijn kamer.
Hij kroop in bed, nog altijd nadenkend over wat hij nu moest doen, maar er kwam geen idee bij hem op en zijn angst werd in de onbeweeglijkheid van het bed alleen maar groter. Ze zouden hem fusilleren! Hij zweette van angst, hij klappertandde, rillend stond hij op, omdat hij het tussen de lakens niet meer uithield.
Hij ging naar de keuken, pakte de fles met zuiver nat uit de kast en ging weer naar boven. Hij dronk twee grote glazen achter elkaar, waardoor er een nieuwe dronkenschap over de oude heen kwam te liggen, zonder de angst uit zijn ziel weg te nemen. Dat had hij toch even mooi gedaan, godvergeten imbeciel dat hij was!
Hij ijsbeerde nu door zijn kamer, zocht listen, verklaringen en trucs, en af en toe spoelde hij zich de mond met een slok afbijt om zich een hart onder de riem te steken.
En hij kwam op niets. Volstrekt op niets.
Tegen middernacht begon zijn waakhond, een soort halve wolf die hij Bijter noemde, te janken dat het niet mooi meer was. Vader Theunis ging dat door merg en been en telkens als het dier weer zo'n onheilspellende, lange klaagzang aanhief, doorvoer de oude man een rilling van angst.
Hij had zich op een stoel laten vallen, met lood in de schoenen, verdoofd, aan het eind van zijn krachten, angstig afwachtend tot Bijter weer met zijn klacht zou beginnen, en geschokt door zo'n plotselinge schrik, zo erg dat je zenuwen ervan gaan trillen.
De klok beneden sloeg vijf. De hond hield maar niet op. De boer werd er gek van. Hij stond op om het dier te gaan losmaken, om het niet meer te hoeven horen. Hij ging naar beneden, deed de deur open, en liep de nacht in.
De sneeuw viel nog altijd. Alles was wit. De gebouwen van de boerderij vormden grote donkere vlekken. De man liep naar het hondenhok. De hond trok aan de ketting. Hij maakte hem los. Toen sprong Bijter weg, bleef vervolgens met de haren overeind staan, de poten recht, de tanden in de wind, en de snuit naar de mesthoop gericht. Sint-Theunis stond van kop tot teen te beven en stamelde: 'Wat mankeert je toch, rothond?' en hij deed weer een paar stappen naar voren, doorzocht met zijn blik het vage duister, het vale duister van het erf.
En toen zag hij een gestalte, een menselijke, gezeten op zijn mesthoop!
Hij bekeek dat, aan de grond genageld van afgrijzen, hijgend. Maar plotseling zag hij vlak bij zich de steel van zijn in de grond geplante greep, trok die eruit, en in zo'n bevlieging van angst waardoor zelfs de lafste mensen roekeloos worden, rende hij eropaf, om te kijken. Hij was het, zijn Pruis, besmeurd uit zijn sponde van uitwerpselen opgerezen, die hem had verwarmd en bijgebracht. Hij was automatisch gaan zitten, en bleef daar zitten, in de sneeuw die hem bepoederde, nog versuft van dronkenschap, verdoofd van de klap en uitgeput van zijn wond.
Hij zag Theunis, en te afgestompt om iets te begrijpen, maakte hij aanstalten om op te staan. Maar de oude man begon zodra hij hem had herkend als een dol beest te schuimbekken.
Hij stamelde: 'Zo, varken! Varken toch! Jij bent niet dood! Maar nu zal je me zeker aangeven... wacht even... wacht even!' Hij stortte zich op de Duitser, wierp met alle kracht die hij in beide armen had zijn opgeheven mestgreep als een lans, en stak de vier ijzeren punten tot de steel in de borst.
De soldaat viel achterover op zijn rug, slaakte een lange stervenszucht, terwijl de oude boer zijn wapen uit de wonden trok, en het steeds maar weer in de buik stak, in de maag, in zijn keel, toeslaand als een bezetene, dat nog kloppende lichaam van kop tot teen doorborend, waaruit het bloed in grote gutsen naar buiten stroomde.
Toen hield hij op, ademloos van het geweld van zijn klus, haalde diep adem en werd weer rustig van de gepleegde moord.
Toen kraaiden de hanen in de kippenhokken en omdat het dag ging worden, ging hij aan het werk om de man te begraven.
Hij groef een gat in de mest, stuitte op grond, ging nog dieper, in een opwelling van kracht wanordelijk werkend, met woeste bewegingen van zijn armen en zijn hele lijf.
Toen het gat diep genoeg was, rolde hij het lijk erin met de mestgreep, gooide er weer aarde op, stampte die goed aan, legde toen de mest weer op zijn plek en glimlachte toen hij het dikke pak sneeuw zag dat zijn karwei afmaakte en sporen wiste met zijn witte sluier.
Toen stak hij zijn greep weer in de mesthoop en ging naar huis. Zijn nog halfvolle fles brandewijn was op tafel blijven staan. Hij leegde haar in één teug, wierp zich op zijn bed en viel diep in slaap.
Hij ontwaakte nuchter, met rustige, heldere geest, in staat het geval te overpeinzen en te voorzien wat er nu ging gebeuren.
Na een uur rende hij door het dorp en vroeg overal bescheid over zijn soldaat. Hij ging naar de officieren om te horen, zo verklaarde hij, waarom ze hem zijn man weer hadden afgenomen.
Omdat ze op de hoogte waren van hun band werd hij niet verdacht, en hij leidde zelfs de zoektochten, waarbij hij beweerde dat de Pruis elke avond achter de meiden aanging.
Een oude gepensioneerde gendarme, die in een naburig dorp een herberg had, en een mooie dochter, werd gearresteerd en gefusilleerd.
Le cochon et la légende de Saint Antoine Het varken en de legende van de heilige Antonius [in Barcelona]
Een vergeten tekst van Maupassant
Op de site van Les Amis de Flaubert wordt melding gemaakt van een “vergeten tekst van Maupassant”, die waarschijnlijk in een wekelijks tijdschrift, de Tam-Tam, in Rouen in ongeveer 1880, was gepubliceerd onder het pseudoniem Guy de Valmont, een van de eerste pseudoniemen die door Maupassant werd gebruikt.
De runderen gaan zonder tegenstand naar het slachthuis. Het zware bataljon gaat vreedzaam voorwaarts door de straat; en boven de golven die hun ruggen maken, zien we hun grote gebogen hoorns als scheepsmasten heen en weer gaan. De schapen, in regimenten, gaan hun dood tegemoet, dravend, de een achter de ander; ze stoppen even op het moment dat de eerste stopt en gaan dan weer op het bevel bevel van de herder.
Maar de ongelukkige varkens, die vermoeden welk lot hen bedreigt, schreeuwen boos en weigeren verder te gaan, hun kleine ronde oog, vol van hardnekkige wanhoop, is pijnlijk om te zien en al hun grote lichamen, slap en vet, rillen van angst. Om een luie koe te doen lopen, een rebelse ezel, een ongehoorzame hond, krijgen ze een touw om de nek, waarmee ze dan voort worden getrokken; maar voor een varken — neen, — hun drijvers hebben de onwaarschijnlijkste handelwijze uitgevonden.
Je kent het wel, dat vreselijk kleine staartje als een kurkentrekker, dat lijkt op een gedraaide draad eindigend in een gerafeld kwastje. Het is zo solide als een kabel en is sterk genoeg om de enorme buik van het beest voort te trekken. De man wikkelt hem om de pols, dat staartje, en omdat ze nooit breekt, gaat het dier achteruit op zijn poten als op rolletjes, knorrend van woede en pijn.
Het varken is, in het algemeen, één van de meest verguisde dieren. Zegt men niet altijd: "Vuil als een varken!"
Hij is vies, dat is waar, maar omdat hij niet anders kan. Omdat de hemel hem een maag gaf die elke vorm van voedsel kan verteren, eet hij alles. Vandaar de overtuiging dat hij zich alleen voedt met de meest walgelijke rotzooi, vandaar ook het gezegde: "Je kan geen varkens met schoon water vet mesten!"
Het varken houdt niet van nature van slijk, maar doet dat omdat men hem tijdens het grootbrengen eraan gewend heeft zich daarin te wentelen. Tenslotte, ook al eet hij vuilnis, hij weet ook de truffels te vinden, wat bewijst dat hij nog niet zo’n verdorven smaak heeft!
Hij heeft zijn roemruchtigheden in de geschiedenis, net als het paard en hond. Hij veroorzaakte de dood van de zoon van een koning.
Hij heeft ook legendarische voorouders. Vóór Lodewijk VI, bijgenaamd "de Dikke", konden de varkens vrij rondscharrelen in de stad Parijs. Maar nadat één van hen, per ongeluk, het paard van Philip, de zoon van de koning, had doen struikelen en de prins na de val stierf, werd de toegang tot de straten, bij koninklijk edict, voortaan verboden voor de broers van de schuldige.
Evenwel verkregen de goede vaders van de abdij van Sint-Antonius, door gebeden en op voorspraak van de meest invloedrijke prelaten, vrijheid voor hun kuddes, op voorwaarde dat ze voortaan een klokje rond de nek gebonden zouden dragen.
Ik sprak over de abdij van Sint-Antonius. Het beroemdste varken waarvan de traditie ons een herinnering heeft nagelaten, is zeker de metgezel van de heilige die zijn naam aan de abdij heeft gegeven. Er is weinig bekend over zijn geschiedenis. Hierbij dan.
[Nu volgt dan de legende waarvan verschillende versies zijn. Zie op mijn site de pagina over het varken]
Een koning van Catalonië had een vrouw die erg mooi en zeer goed was.
De duivel was er jaloers op, en de onderwereld verlatend, wist hij in het lichaam van de koningin binnen te dringen en haar de meest onbezonnen handelingen te laten plegen.
De arme koning werd zo bedroefd door de aanblik van zijn betere helft die door de duivel bezeten was, dat hij de meest vereerde monniken tot haar riep, de meest vermaarde kluizenaars, de meest vrome bisschoppen. Ze konden doen wat ze wilden, de hele dag en de hele nacht gebeden reciteren, stromen gezegend water over het lichaam, bewoond door Satan, sprenkelen, het kwaad wilde niet weggaan en verijdelde al hun exorcisme.
Maar de roem bracht tot de oren van de koning de naam van een arme kluizenaar, Antonius geheten, die met zulk een heiligheid en zo'n kracht was begiftigd, zo werd gezegd, dat het genoeg was voor hem om een land binnen te komen om er alle demonen te verdrijven. (Ook al namen ze wraak toen God de heilige aan hen overleverde.)
Ambassadeurs werden naar hem toe gestuurd, en zij brachten hem naar Barcelona, waar hij zich onder het volk begaf dat hem tegemoet snelde en voor hem knielde.
De paleispoorten waren wijd open en hij kwam bij de bezeten koningin. Hij begon meteen te bidden om te weten met wat voor soort demon hij te maken had, en na hem herkend te hebben, joeg hij hem weg met het teken van het kruis.
De bevrijde koningin kuste de goede heilige. Maar ziedaar, tot de grote verbazing van de toeschouwers, zag men een grote zeug de kamer binnen komen, die aan de voeten van Antonius een arm, klein varkentje neerlegde dat zonder benen en zonder ogen was geboren. Antonius, zonder te begrijpen, weliswaar, wie dit dier van het wonder dat hij zojuist had verricht had kunnen vertellen, maar begrijpend welke dienst ze van hem verwachtte, gaf direct het zicht aan het biggetje en raakte het vier keer met de wijsvinger aan, en deed onmiddellijk vier pootjes uitbotten.
Dit stripverhaal van de legende is hieronder geheel te zien.
Vervolgens, na de koning gegroet te hebben, ging hij terug naar de eenzaamheid. Hij liep een hele dag, verloren in gebed en zonder naar zijn omgeving te kijken, tot hij iemand van achter aan zijn mantel voelde trekken. Hij draaide zich om en zag het kleine varkentje dat hem uit dankbaarheid had gevolgd en hem nooit meer verliet.
Ziedaar waarom ik geloof dat de legende waar is, want toen de duivel later de goede kluizenaar vervolgde, klampte hij zich hardnekkig aan zijn varken vast, denkend aan de koningin van Catalonië.
Stijn Streuvels De Ommegang 1906
Het verhaal werd gepubliceerd in de bundel "Het Uitzicht der Dingen".
De Ommegang speelt zich af in Ingooigem waar Stijn Streuvels het grootste deel van zijn leven woonde.
Ik heb hieronder een aantal excepts, waarin het religieuze ritueel en Antonius een grote rol spelen, weergegeven. Maar het verhaal is wel zo mooi dat ik het onverkort als pdf aan mijn site heb toegevoegd.
De dorpelingen, boeren, knechts en meiden worden wel enigszins uitgebeeld als "edele wilden" (des bons sauvages), maar het is alles met zeer veel gevoel en oog voor detail beschreven.
Ik heb zelf een soort hoofdstuk-indeling aangebracht, tussen [ ] weergegeven.
De meeste foto's bij dit verhaal zijn van Stijn Streuvels zelf.
[Voorbereidingen, 8 dagen]
Galmt er iets daar hoog in de lucht ? of komt het aangeruischt uit de verte, als eene preveling van wind in de bladeren ? of is het alleen maar verbeelding die leeft in 't geheugen van de dorpelingen ?
Alles blijft stil en neemt zijn gewoon verloop. Het schijnt nochtans alsof er iets ophanden ware, iets dat buiten den gewonen sleur van werk en leven ligt. Naderen ze niet de jaarlijksche blij dagen, waarop het dorp zijn feestelijk uitzicht vertoont ? De ommegang, waarop heel de bevolking der streek komt toegestroomd om den wonderen Heilige te dienen, — de negen dagen waarop alle werk stilvalt en de parochianen feest vieren ?
Het verlangen hangt als iets tastelijks in de lucht en ieder heeft nagerekend : wanneer de plechtigheid zal aanbreken. Nergens nog is er iets te merken; niemand die van zijn bezigheid opkijkt of onrustig schijnt : bedaard blijven ze aan 't werk ; geen enkel voorteeken van de gebeurtenis is er te bespeuren.
De bindsters in het koorn.
Foto van Stijn Streuvels.
De menschen verwachten het als een natuurverschijnsel dat op vasten en gestelden tijd, telkens weerkeert, ook als er niemand aan denkt. Bij ondervinding weet elke dorpeling dat het de plechtige feestdagen zijn ; in hun gemoed staat de ommegang als een groote verademing in het gestadig werk ; en 't geen ze er bij voelen, wanneer ze denken aan hetgeen dit jaar weer nakende te gebeuren staat : is een beetje trots omdat ze de parochianen zijn van die bevoorrechte parochie, waar hun Heilige zijne wonderen verricht en waar al de menschen, uit heel den omtrek, die beladen zijn met ongelukken of ziekte, moeten komen, om troost en hulp en ontlasting. Zij zelf zullen de gelegenheid waarnemen om ook hunne devotie tot den Heilige te volbrengen en hem zijne jaarlijksche dagen te wijden, omdat Hij het van een ieder verzoekt. Al het andere, de groote, luide lustigheid van de wereldsche kermis, komt er dan nog bij ; het zal hen een genoegen zijn alle familieleden eens op bezoek te ontvangen en hen wel te vergasten.
Maar bij jonkheden en jonge meisjes is het anders gesteld : door heel het jaar wendt en draait al het verlangen van hun hart naar dat tijdstip ; ze durven er niet naar verlangen, omdat het verlangen naar den blijdag tevens een vernaderen van den tijd meebrengt waarop de ommegang weer voorbij zal zijn. Alle voornemens en verwachtingen van de genoegens staan in hun gemoed gereekt tot een hoogte van alle denkelijk geluk. Heel hun verlangen is er op gesteld, — die dag moet hen alle mogelijke vreugden meebrengen. In hun gemoed staat hij uitgebeeld : aanbrekend met een heerlijken dageraad, en 't geen ze alsdan beleven zullen, beschouwen zij als het toppunt van genot. De zonneschijn zelf houdt dat verlangen in en 't komt hen voor dat het leven, na den ommegang, dat het land hier rondom, niet meer zoo schitterend verlicht zal zijn, gelijk nu. Ze voorvoelen nu reeds de treurnis om de gewaarwording : dat ze weer een vol jaar zullen moeten wachten naar een volgenden ommegang. Maanden lang reeds houdt ieder zijn drinkgeld gespaard, zijn goede voornemens en sterke hoop gereed om er zooveel mogelijk de deugd van te halen ; hun hoofd zit vol ongezegde dingen en terwijl hun gesprek over de alledaagsche voorvallen loopt, blijft hun gedacht op het onuitgesprokene gesteld.
Ze bimbammen overhands alle drie, de klokjes, als drie lustige meisjes zingen ze : bim-bam-bom ! Om ter zeerst, tellend, elk zijn tonge slaat in de mate en alteenegader rellen de heldere drieklanken, blijde, lustig den toren uit, al door de klokgaten, lijk lichtperels in de lucht gestrooid, terwijl de avond weemoedig is. Maar spijts den avond perelt het als een lied, als de levenslustige blij mare, vreugde verkondend alom : dat 't ommegang is ! Bim-bam-bom !
Daar is ineens de blij mare over 't land, de klokken bellen het uit : 't is ommegang, hij komt !
Morgen is het weer een gewone dag van werk op het land en overmorgen ook, maar acht dagen lang, na de negen kloppen der bedeklok' s avonds, herneemt de blijde tribbel, de driezang van de klokken die 't altijd opnieuw verrnonden : dat de ommegang nadert.
De Sint Antoniuskerk.
Foto van Stijn Streuvels.
De Heilige was vergeten ! De Heilige leeft ! De Heilige van de parochie, op hem steunt alle betrouwen, — hij zorgt voor alles : het is zijn feestdag die nadert en die gevierd wordt — 't is ommegang, Zondag is het ommegang !

Vanavond luiden zij weerom en negen dagen lang zullen zij luiden, zoolang tot de ommegang daar is. Hun zang gaat als een welbekend lied; zij zingen het lied eener goede herinnering uit het schoon, tooverachtig verleden en meteen brengen ze de blijde boodschap van iets wonders dat nog eens zal weerom keeren — iets dat in aantocht is — iets dat verloren of voor altijd vergaan scheen en voorbij : het vreugdegeschal nadert uit de verte !

EIken avond, negen dagen naareen, luiden de klokken weer hun zelfden schoonen tribbel, dan komt iedereen vóór zijn deur en de jongens dansen in ronde op de dorpsplaats. Telkens is de lucht vol geruisch en terwijl de menschen daar staan en 't gewone nieuws vertellen, weten zij niet wat er in hun binnenste gebeurt; ze laten zich doorzinderen, 't geluid doorstroomt hun gemoed en ze glimlachen van de deugd, als menschen die zich laten nat regenen in eene stortvlaag, omdat ze te lang in zomerdroogte naar lafenis gesmacht hebben. De groote mannen staan met de armen gekruist, in hun besmeurde kleeren, den blik naar binnen gekeerd, te luisteren en. heel bezig met 't gerucht dat uit de klokgaten stijgt en opensproeit in de avondlucht. Op hun mond ligt een monkel van trots en welgezindheid bij ’t besef : dat hun beiaard op gindsche dorp daar, en over heel de streek, het feest van hunnen ommegang verkondigt.
[De offer-koe]
Den Zondag, acht dagen voor het feest, wanneer de jongens na de hoogmis uit de kerk komen, vinden ze het volk in dichten groep staan zien naar iets — en als ze in haast tusschen de beenen der groote menschen doorgekropen zijn of door een kleine opening gesparteld, toch nader geraken, ontwaren ze de koe die Verhelst, de beenhouwer, daar houdt bij het zeel. Verhelst de beenhouwer, zoogezegd, die eIken Zondag wat vleesch gaat halen voor zijnen winkel en ook soms wel een varkentje slacht, maar die telkenjare met den ommegang, en dien keer alleen, zijn ambacht werkelijk uitvoert en naar de letter beenhouwer is, omdat hij dán, tegen den ommegang, werkelijk een levende en geheele koe slacht. Het koebeest dat hij gekocht heeft en dienen zal om al de parochianen te gerieven voor hun feestmaal, komt hij acht dagen op voorhand, in levenden lijve, ten toon stellen, omdat iedereen zou weten dat 't geen oude rutte is 't geen hij voor de plechtige gelegenheid heeft aangekocht !
De boeren staan er rond geschaard en doen gewichtig, terwijl ze het beest bekijken. Ze betasten de heupen en nijpen over het ruggebeen en stooten de kneukels in de koe heur lanken, gelijk koopmans op eene beestenmarkt. Ze vragen aan Verhelst : waar hij ze vandaan gehaald heeft, hoe oud ze is, hoeveel ze weegt, tegen welken prijs hij ze heeft aangekocht. En dan begint er twist onder de welweters : er komen tegenstrijdige beweringen om den beenhouwer leugenachtig te maken.
Maar Verhelst valt niet flauw, hij weet zijne faam te handhaven en zijn wederwoord roept hij stout over de hoofden der omstanders. Wanneer de koe om end om bekeken is, gaan de boeren naar 't stadhuis of naar de Kroone een kapper bier drinken en eene pijp rooken.

Geitenprijskamp in Ingooigem.
Foto van Stijn Streuvels.

Dan eerst hebben de jongens hun weister om het wonderbeest te bekijken ; 't is hunne koe, de koe van heel het dorp, alleman zal koeivleesch eten, Zondag ! En met stoute spreuken beweren zij : wie er van de bille, wie van de pooten en wie van den steert zal geriefd geraken aan de kermistafel. En ze fletsen met hun kleine handjes op de koe haar vel. Ze weten wat voor stuk moeder besproken heeft en ze gaan om gelijk bij Verhelst, die met de eigen gedachten bezig, niet luistert. Maar de slimmerds vezelen ondereen en trachten te weten : wanneer Verhelst zijn koe den kop zal inslaan; en dan wordt er beraamd : hoe ze 't zullen beleggen om die wreede gebeurtenis bij te wonen ! Dat zal een buitenkansje zijn voor wie het spektakel kan bezichtigen.
Opvallend is wel dat hier een dorps-koe wordt geslacht, in plaats van een dorps-varken. Althans, er worden wel biggetjes aangedragen, maar hun lot — op korte termijn — is onduidelijk.
De bierwagens rollen door 't dorp en zware ronde tonnen met zeeverend schuim, proestend uit de bomme, worden in de kelders van al de herbergen gezeuld.
In zijn afgeslotene, donkere schuur, is de beenhouwer aan 't werk. Er wordt geslagen en gestampt, gegloeid en gezucht en de jongens, die een ooge wagen door de spleet, zien den slachter staan, met opgesloofde mouwen, lijk een moordenaar, klaar bloed !

Nu zijn het de jongens alleen niet die er belang in stellen en komen zien; tegen den avond, na het werk, zoolang de poort open blijft, willen de dorpelingen ook eens dat wonder dingen, hun geslachte koe, daar zien hangen, want dat telt als bijzondere bijbehoorte van den ommegang.
[Antonius-koeken]
Maar met den Zaterdag begint eerst en voorgoed, de oprechte, algemeene bedrijvigheid. Dan gaat de bakker eigenlijk aan den gang en dat is zijn bijzondere dag waarop al de dorpelingen met hem af te rekenen hebben. Voor volle zakken fijne, witte bloem heeft hij gezorgd en voor eieren en krenten en van gister reeds staan zijne broodpannen gereed gesmeerd, want heel dien dag was het geirnde bedevaart naar 't hoekje van de plaats, waar de bakker woont, van menschen die er elk hun bakte brengen ; en nu staat zijn winkel vol klutsjes gezift meel, vol eierpaanders, kommetjes melk en in papier gewonden : groote en kleine klompjes boter. Hoe zal de man daar zijn weg in vinden of klaar door zien ? dat vragen de wijvetjes die beangst zijn om hun eigene, deugdelijke ware in smakelijke koekebrooden veranderd, terug te krijgen.

En de reuk stoort over heel het dorp, de goede, smakelijke reuk van 't koekebrood dat al warm en versch uit den oven komt en te dampen ligt. Dát is een andere aankondiging van den ommegang en een blijde voorwaar !
[Het kerkhof]
In de kerk is de koster en zijn zuster en een paar nonnen bezig ; buiten is de grafmaker bezig ; ‘t gers van het kerkhof wordt gemaaid, de grafheuveltjes opgekuischt en de enteren hage die 't kerkhof omheint, is effen geschoren als een zijdeke. Daarbuiten, tusschen de haag en het melkwitte muurtje dat het beluik van den ommegang en de negen kappelletjes afsluit, ligt de bedeweg in zijn nette tegeltjes, rond en rond, en de eerden zoompjes, binnen en buiten den middelweg zijn geharkt in gelijke streepjes. Naast den ingang wordt, met houten latten en planken, de wijde renne opgetimmerd, waarin de offerande-viggetjes zullen opgesloten worden.

Nu tribbelen de klokken den laatsten keer en luiden alzoo den ommegang in.
Hij is begonnen : de opgetogenheid hangt in de lucht, — iedereen voelt zich aangezet door een plotseling ongekende blijheid die straalt op ieders wezen. Maar die blijheid is niet luidruchtig — alles blijft in zijn zelfde stilte en gewone nering. 't Is eene plechtigheid die de avond meebrengt en in 't einden van dien laatsten dag, begint de heiligheid reeds der negen feestdagen : iets dat altijd even ernstig verwacht wordt, omdat het van hierboven komt en geheimzinnig is en daarom ontzag inboezemt. Morgen staan de dorpelingen met hun patroonheilige voor 't aanschijn van heel de streek, van heel de wereld ; — morgen moet de zegen van een heel, rond jaar, als een ademdauw uit den hemel over het dorp neerdalen ; — morgen verzoekt de Heilige zijn groote vereering.
[De bedevaarders & de Ommegang]27
De nacht valt eindelijk over het dorp en de breede, ademlooze rust over heel de streek, die geëvend ligt in maneschijn, met mistwasems over de laagste landen. Hier op de heuvelhoogte rond het dorp, blijft het helder en de kerk met de huizen, staat er in een zwart gestompte drom, onder het helder maanlicht, als uit den wolkengrond gerezen, hooge, alleen in de ijle lucht. Zóó verschijnt het dorp aan de eerste nachtgangers, zij die langs de breede laan opklimmen om er in stilte hunne godsvrucht te volbrengen.
Dan begint de dag amper te priemen aan 't geluchte, de kerk is nog gesloten, de dorpelingen slapen nog, maar uit de vier gewesten, uit de laagten overal, komen de bedevaarders aan. Langs wegels en wegen, bij groepjes of alleen, in lange reken, als stomme schimmen, dwalen zij door den zomermist; geruischloos treden hunne voeten door den zavel ; — zij bidden ingetogen, dragen de muts in de hand en zonder één woord, begaan zij den ommegang, binnen het lage kerkmuurtje rond het kerkhof. Tot aan het hoofd en schouders steken de gestalten zwart uit, boven den witten rand van het muurtje en daar dwaalt en roert alles dooreen in gaan en keeren, van 't een kappelletje naar 't ander. Bij elk der negen bidplaatsen knielt eene menigte op den blauwen steen of op den grond en iedereen prevelt er met wijd uitgestrekte armen en geheven hoofd zijn gebed. De Ommegang is dus duidelijk een individuele activiteit. Er is geen gezamenlijke processie-optocht
[De biggen - de kerk]
Met de eerste dagklaarte komen de boeren op hunne karren aangerold, met de biggen die aan den Heilige geofferd worden. De dorpelingen zelve geraken in roering en deuren en vensters gaan open. Dan beklijft de drukte allengs aan en de toeloop komt van alle kanten. De bedevaarders zijn bestoven, nat van den smoor en iedereen gaat sprakeloos en zonder dralen, rechte toe, in dezelfde richting, 't hekken binnen van het kerkhof. Opeens beiert de drievoudige klokkengalm uit den toren; als een blijde morgengroet aan de zonne en aan den nieuwen dag, klinkt het jubelend geluid — de zon is op en de kerk gaat open !
Een drom menschen stonden reeds te wachten vóór de deur en in bende stroomen ze nu naar binnen. Anderen komen aan : mannen op hun zondagsch, maar barvoets 't meerendeel, ze dragen de schoenen op den schouder; vrouwen op hun best dragen korf of pander aan den arm, met de offerande voor den Heilige er in, en mondkost voor hun gezelschap.
Een glets van de zonne kleistert op de kerkvensters en op den witten kerkmuur en over heel het dorp, is de stille, nuchtere klaarte van den morgen heel en al feestelijkheid. Tusschen het beluik van het muurtje brobbelt het volk in tragen bedegang; langs de kapelletjes en vóór de kerkpoort, het plein vol, ploeteren de biggetjes in kudde dooreen. Ze snorken en grollen en er giert een scherp gegil telkens de veldwachter er een bij oor en steert opneemt en spartelend in de wijde renne kantelt.
Een groote bilkemei [meitak, tak van een berk] steekt uit op den toren ; de klokken bommelen daarboven alle drie in blij gezang. Langs de straat openen de marktkramers hunne tenten en stallen waren en speelgoed en suikerdingen uit. De ommegang is begonnen. Als een drom vlot de menigte over den kerkweg, rond het kerkhof, en die hunne godsvrucht volbracht hebben, trekken biddend de opene poort der kerke binnen om er den Heilige te dienen.
Op de groote bank in 't portaal, leggen de bedevaarders hunne offerande : een schotel zwijnsvleesch, een stulletje boter. Vandaar gaan zij bij de zitbank van den koster en doen er den koeke wijden, en het wassen keersje dat zij bij den ingang gekocht hebben; den koek stoppen zij in den zak en het keersje ontsteken zij en plaatsen het op den grooten kandelaar, vóór het beeld van den Heilige; en daar bidden de bedevaarders hun laatste, gewichtigste vijf Onze-Vaders.
[Het Antoniusbeeld]
Ter gelegenheid van de feestdagen is het altaar gepint met groen en bloemen, maar de heilige Antonius zelf staat er hoog, in de donkerte van zijn diepe nis, gelijk hij er van alle menschelijke heugenis gestaan heeft. Dit is de eerste keer dat Antonius met name genoemd wordt.
De lieden van heel de streek kennen hem, gelijk een kind zijn grootvader kent. Zijn beeld blijft in het gemoed van iedereen als een onveranderlijk "wezen" vastgegroeid, — niet gelijk het er staat, en zichtbaar is, maar gelijk het de argelooze geest opvatte, den eersten keer dat men als kind, mee mocht komen naar den ommegang en men den vreemden Heilige voor 't eerst aanschouwde, met de nieuwsgierigheid die de geheimzinnige huivering wekte, om al het wondere dat men thuis van grootmoeder, over den heiligen Eremijt had hooren vertellen.
Die vreemde geheimzinnigheid, die eerbiedige aandoening blijft de menschen bij, hun leven lang en 't "wondere" dat een ieder naar den ommegang lokt, is nog altijd en bijzonderlijk gericht op dat wondere beeld.
Het is uit ruw hout gekapt, zwart van ouderdom, wormstekig en vermolmd bij plaatsen. Maar niemand denkt aan dien uiterlijken vorm — de menschen zien er den Sint-Antonius, de mansgroote, oude, eerbiedweerdige eremijt, de eenzaat uit de woestijne, met zijn zwijntje dat hem overal volgt.
Heel de gedaante is in een wijde, losse monnikspij gedoken en zijn wezen zit bijna onzichtbaar, diep in 't donker, als in een hol, onder de groote kappe die neergetrokken is over zijn hoofd. Zijn lange haren en breede baard steken er uit en daar diepe in, onder de zwaar gewelfde wenkbrauwen, zitten de halftoegenepen oogen, en teekent zijn zwaar gebogen neus. Over heel zijn wezen blinkt de gemoedelijke goedaardigheid van een welgezinden, altijd monkelenden aartsvader, die gereed is om elk end een te helpen en die iedereen, ook de geringsten genezen wil en ontlasten. Aan zijn voeten ligt de duivel, de draak die vuur spuwt en kwaad uitstraalt. De oogen van het monster zijn opgezwollen en zijn muil is wijd opengesperd als een ovenmond. Maar Antonius schijnt er niet bang voor te zijn : met de rechterhand stekt hij zijnen pelgrimsstaf op dien vereenden kop en met de linkere houdt hij den wijsvinger dreigend uitgestoken, terwijl zijn lichtopgetrokken wenkbrauwen een gemaakte verwondering en de plooi van zijn lippen, tusschen den dikken baard, een zacht vermaan, en koestend... sst ! schijnen uit te drukken. Het biggetje zit al den anderen kant in de wijde vouwen der pij verscholen en Antonius zelve, staat tusschen de twee, om het beestje te bevrijden tegen alle kwaad. Het goedsullig varkentje schijnt alevenwel niets te vermoeden van 't geen hem bedreigt; het zit heel in de schaduw van zijn slodderooren en gebaart snorkend iets te zoeken of te besnuffelen tusschen de plooien van Antonius' kleed.
Dit 16e eeuwse beeld bestaat dus nu nog,
maar helaas is het na een soort “restauratie” totaal onherkenbaar geworden.
Gelukkig is er nog een oude foto van, zie hiernaast.
't Is of de Heilige leeft en zijn monkelen waarachtig is, alsof de draak waarlijk vuur uitspuwt en het zwijntje zijn krulsteertje wikkelt ! Zoo wezenlijk zijn die dingen onder elkaar in leven en werking, dat de menschen, die het beeld lang en roerloos aangestaard hebben, hun gebed vergeten en in vervoering geknield blijven, met de gedachten ver van al 't geen rondom hen in werkelijkheid gebeurende is en leeft. Maar hier bij het altaar, is het zoo innig stil, de morgenstond hangt zoo nuchter en ijl en onwezenlijk, als een bovenaardsche lucht van zaligheid op een ieders gemoed. 't Vertrouwen en de goedheid is als iets dat men met weldoende teugen inademt. De zon schiet haar volle stralen door de vensters, maar in de diepte van het altaar blijft het licht gedempt. De menschen staan als een tros tegen elkaar gedromd, in de broeiende hitte, en toch bidt er iedereen gemeenstig als in volle eenzaamheid — want éénzelfde gevoel gaat als een stroom uit de menigte op : de begeerten en smeekingen van een ieder zijn die van heel het volk.
't Is er stil rond het altaar als in een verlaten landelijk kerkje tegen avond — de dansende vlammetjes van de waskeersen spokkeren.
De Heilige blijft in zijn zelfde houding, hetzelfde gebaar doen en dat onveranderd, aanhoudend gebaar, schijnt de menschen, het aanhoudend wonder in blijvende verrichting : het kwaad dat verjaagd wordt. De eerst aangekomenen blijven er ingetogen geknield, tevreden dat ze er plaats vonden in de nabijheid van den Heilige, en niemand bekommert zich om de bijkomenden hunne plaats af te staan. De wezens zien ernstig, eerbiedig en lijfelijk roeren de lippen, alsof ieder, zonder loslaten of begeeren, aan 't herhalen ware van éénzelfde bede, elk volgens eigen noodwendigheid : "Heilige Antonius, bewaar ons en onze dieren van de plage ! Heilige Antonius, bewaar ons kindeke voor de dood ; Heilige Antonius wat moet ik doen om bevrijd te blijven. van mijn leelijke ziekte ? Heilige Antonius, wat verzoekt gij van mij ?" De menschen halen de geledene en voorbije rampen en ongelukken weer op, ze ondergaan vroegere angsten ; om van volgende rampen bevrijd te blijven, roerende bedankingen worden gestameld. Al het lijden en leed dat men ondergaan heeft wordt er den Heilige in stilte geopenbaard en blootgelegd, om zijn medelijden en voorspraak af te smeeken. En menigeen die daar staat, doet zijn verdokene bede om op voorhand 't kwaad af te weren dat altijd en boven ieders hoofd hangt en gereed is ons te overvallen. 't Gelijkt een stille bestorming waaraan de goede grijsaard niet zal kunnen wederstaan, want de bestorming schijnt zonder einde of ophouden. De uchtendtijd verroert en vergaat hier onopgemerkt; de lucht blijft drukkend van de hitte die van buiten komt en de hitte die van binnen uit de opgehoopte menigte dampt, met den geur van het waslicht dat de kerk vult tot in den koepel — en de menschen blijven onvermoeid bidden. 't Is of ze hier niet weg konden en door lang herhalen en taaie aanhoudendheid, de verzekering en overtuiging wilden meedragen dat hun smeeken zal verhoord worden. De dorpelingen die daar in strakke roerloosheid zitten, schijnen dezelfde menschen niet van op straat of op het veld : over hun wezen ligt iets als een bovenaardsche ernst — de ziel, het inwendigste van hun diepste wezen komt naar buiten; de lucht die hier ingeademd wordt, vervult hen met iets deugdelijks, dat rechtstreeks uit den hemel komt — dat hen verheft boven hun gewone doening en hen overstraalt met een andere vreugde dan die van 't gewone leven.
[De relikwie]
Nieuwe drommen komen eerbiedig en stil naar binnen, vlechten en dwingen om ook een plaatsje te krijgen; iedereen reikhalst om nader te komen en aan het gezegende hoekje te geraken waar men zijne bede kan doen als in de onmiddellijke nabijheid van God. Elk half uur komt de pastoor de groote afwisseling der bedevaarders bewerken : hij brengt de reliquie aan de communiebank en dan ontstaat er een algemeene woeling in de menigte. Al wie zijne devotie volbracht heeft, laat zijn plaats innemen en gaat de reliquie kussen aleer te vertrekken.
Streuvels geeft het relikwie hier verder weinig aandacht, terwijl deze zomer-ommegang juist zou moeten dienen ter commemoratie van de overbrenging van het relikwie vanuit Sainte-Antoine l’Abbaye naar Ingooigem in 1669. Hij geeft ook geen beschrijving, dus is het de vraag of het de “Antonius met een tap in zijn gat” is, de reliekhouder die tegenwoordig wordt gebruikt (zie rechts). Dat Streuvels deze gekend heeft, is wel zeker, want de term “Antonius met een tap in zijn gat” is van hem. Maar er is nog een andere relikwie, in een theca, in de kerk en er is nog een relkwiebuste van Antonius, die nu leeg is, dus misschien waren die het wel.
De verering van de relikwie is evenals de Ommegang een nogal individuele gebeurtenis. Het is niet zoals tegenwoordig: dat alle kerkgangers aan het eind van de mis de relikwie vereren.
[Martkramen & kermis]
Buiten, in 't schitterlicht over 't kerkplein en verder achter 't muurtje over de dorpsplaats, is het één wemeling van hoofden, in een drukte erger dan de zwijntjes hier in hun te nauwe renne. De witte huiven der kraamtenten vlekken op de somberheid der menschenkleeding. En 't gerucht en geroep en 't geschreeuw hangt over de straat als van een broeienden bijenzwerm.
Ver buiten de dorpsplaats, aan eIken ingang der drie straten, worden de aankomende menschen af
gewacht door jongens die Antonius-koeken verkoopen en elkeen gerieven willen. Herbergen en winkels hebben alle deuren rekwijdopen en 't volk brobbelt overal in en overal uit. Een geur van versche koffie hangt in de straat, want nu is elk aan 't zoeken om zijn uchtendbrood te verorberen. Aan de kramen ook is er volle nering daar de bedevaarders die in den nacht aankwamen, nu gereedschap maken om aleer te vertrekken, een fooi te koopen en een welkom mee te dragen voor de thuiswachters. De vreemdelingen hebben meestal hunne godsvrucht volbracht, de Heilige is gediend, dat is voor hen de ontlasting en nu voelt ieder zich vrij en voldaan. Vrienden en kennissen die men gedurende den ommegang, op het kerkhof of in de kerk, terwijl men met 't hoog-ernstige bezig was zonder te mogen verstrooid worden, niet bezien heeft — die vrienden ontmoet men nu alle stappe als bij verrassing.

Jonkmans en jongedochters vinden er elkaar en hier, in dien ijlen, zonneschitterenden uchtend, tusschen de kramen, met 't woelende volk de strate vol, is het voor velen de gewichtige stonde van het leven, waar de eerste, diepe blik gewisseld wordt, die merkteeken zal slaan in de ziel, waar het groot, het plechtig woord wordt uitgesproken, dat twee levens voor altijd verbinden zal, en over de gewichtige wending in 't bestaan moet beslissen. Ze hebben verlangd naar dien dag als naar het wonder, waarop er, buiten hun toedoen, datgene zal gebeuren, dat te raden lag, groeiende was en op dien dag moet openbloeien en tot rijpdom bedijgen ; van weerskanten hebben zij gevreesd en gehoopt over den uitval en 't verloop van de ontziene en gewenschte gebeurtenis, en nu ze elkander ontmoet hebben, zijn ze voldaan en laten het den Heilige over om hun lot verder te beschikken.

De jongens zijn er nu ook reeds bij; ze hebben hun nieuwe kleeren aan en zijn haastig en vernibbeld om hun drinkgeld te verteren. Ze staan te hankeren en uit te kiezen bij de kramen, ze rijden op den peerdjesmolen of schommelen tusschen de hooge schalken in de schuitjes, op den touter. Maar 't meerendeel' staan met den krentenboterham in de vuist, bij de renne waar Sint-Antonius' zwijntjes vergaard zijn en te snorken en piepend dooreen loop en. Zie wat een schorming onder de kudde vette, roze, bolle-lijfjes, telkens er een stukje van den boterham te groffelen valt ! Aan 't verlangen waarin ze geleefd hebben, denken de jongens nu niet, — ze loopen, ze roepen ! ze kijken hun oogen uit naar al die nieuwigheid en ze genieten den ommegang dwarsdoor, zonder achterdocht. Hunne oogen stralen van lust en begeerte, want 't is leute en kermis al waar ze kijken. De lucht en heel het dorp zit er vol van; maar hier op de plaats en rond de kerk, roert en leeft de groote beweging, rumoert het gerucht in de zonnigheid van den zomerschen Zondag ; hier op het hoogtepunt van 't dorp, viert de blijdschap en de opgetogenheid met een waas van gedoezige kalmte en stille tevredenheid er over, als in 't beluik van een zomersch priëeltje, waar geen geweld of schreeuwend gerucht aan kan geraken.
[De biggen-2]
Later in den voormiddag komen de dorpsboeren aangereden met hun zwaar ratelend gespan. Zij houden stil bij de renne op 't kerkhof en offeren daar hun zwijntje dat ze in eene mand onder het rijtuig hebben meegebracht. De lijvige peerden worden afgespannen op 't hof van 't gemeentehuis en de boeren trekken eerst nog de gelagkamer binnen om een pijp te rooken, in afwachting tot het klopt voor de hoogmis. Wat gebeurt er eigenlijk met die zwijntjes? Daar horen we verder niets meer over. Er vind blijkbaar geen openbare verkoping bij opbod plaats.
[De hoogmis]
De hoogmis telt als de opperste plechtigheid van den ommegang, het hoogtepunt, de pracht en de glorie, de praal van den grooten dag. En al wie parochiaan is en niet te zorgen heeft voor noenmaal of beesten, gaat nu aan 't werk om zich gereed te maken en de nieuwe kleeren uit te halen.
Bij 't eerste zwaar en traag getamp der groote klok, treden de vreemdelingen die bekommerd zijn om plaats te krijgen, reeds binnen en dan nog moeten zij de verholene hoekjes benuttigen en ergens langs de zijwanden rechtstaan, want de parochianen hebben elk hun eigen stoel waar vandaag niemand vreemds aan mag raken. Zij zelf mogen daarom wel zonder haast en gerust, hunne kleeding en opschik in orde brengen.

Over de straat en vóór het kerkplein is het een tijdlang een aanhoudende gang van menschen op hun paaschbest, — een gang al in dezelfde richting. Binnen het kerkmuurtje dikt de menigte als een zware drom tegeneen, een drom die de trappen van 't portaal opstijgt en door het zwarte schaduwgat, de kerk binnenstroomt. En wanneer het laatste getink van het klokje ophoudt, staat de stroom ineens gestremd : de kerk is vol ! Over de trappen en over het plein, over de straat, tot tegen de huizen van den overkant, staat en vult die gestremde drom als een zwarte sleep die uitpuilt, uitborrelt en openspreidt over de plaatse. De menschen die nu nog aankomen, brengen een stoel mede uit de herberg en trachten mis te hooren in open lucht en volgen den priester zoo goed het gaat, op 't gezang en 't geluid dat van binnen opstijgt.
De kerk is vol zon en vol luister : de vanen hangen uit; de groote, koperen kandelaars blinken als goud en lange, nieuwe waskeersen staan er in te branden. Elke heilige heeft een grooten mei van witte en roode rozen op een gulden stander. De heilige Antonius prijkt in zijn hooge nis als op een berg van laurieren en heel zijn altaar is als een sterrenhemel omgeven, vol brandende keerslichtjes.

De zonne bijt door de hooge ramen en 't is vervaarlijk heet geworden in die overvolle beuken. Eens de misse ingeklopt, komt er stilte, afwachting naar den aanvang der plechtigheid. Vooraan in de eerste rij, knielen de dochters der deftige ingezetenen, in maagdelijk witte kleedij en de meisjes van minderen rang ontleden met de oogen, den snit van lijf en rok, vol bewondering of misprijzen. En zij die daar te praal zitten, kijken niet op, zijn bewust van de onderzoekende blikken bachten en bezijds hen...
Maar de belle klinkt ! Uit het lage deurgat der sacristie komen in stoet : de kerkbaljuw in zwart laken met zijnen staf, de missedienaars in wit en rood en de priesters in kleeren die stijfstaan van gegraand goud. Ze zijn er ineens gekomen en vullen heel het koor en 't altaar en bij elke buiging in 't gaan en keeren, flikkert in 't gedempte licht daar diep in 't hooge omhein, 't gepinkel van goud en borduursel op de zware kazuifels, als sterrevonkjes in 't donker. Meteen heeft het orgel al zijn monden open en met felIen ademblaas, jagen de zware tonen, door de kerk. De priester staat gebogen aan den voet van 't altaar en zegt halfluide het "Confiteor" en nu ook gaat er éénzelfde gevoel, als een stroom van den priester al over de hoofden, naar ’t volk ; — al de menschen, als één man, bidden mede, buigen en kloppen op de borst, in deemoedige onderwerping en vragen vergiffenis, elk voor zijn eigene zonden en voor de zonden van heel de parochie. Uit de hoogte, door de beuken, gaat het halend en herhalend "Kyrie Eleison" ; 't klinkt als een trage smeeking, altijd kloeker en met groeiend geweld wordt het hooger aangeslagen, als een bede die den Hemel bestormen wil, dwingend om verhoord te worden.
Met den aanvang van het statig, blijde en hooggalmend "Gloria in Excelsis" heffen al de hoofden als ontlast door een levendwekkenden adem van vreugde en jubel voor de verkondiging van den glorievollen vrede. Als een stroom gaat de voeling weer van priester naar het volk en 't opgetogen geluid der zangers en 't orgelspel drukt de feestelijke stemming uit der geloovigen. De priester gaat en keert tusschen zijne dienaren, de trappen op en de trappen af. Ginder in zijn hooge afzondering, handelt hij rechtstreeks en in onmiddellijke nabijheid, met den Allerhoogste; hij smeekt, hij bidt en den opgedanen zegen deelt hij mede aan zijn medebiddende parochianen. Zij knielen beneden hem en zitten gespannen de kerke volgestampt — en volgen aandachtig, ingetogen, den gang van het verheven sacrificie. Boven de hoofden dreunt aanhoudend de zang, — de luide, de levende adem, de ziel en de stem van het volk. Wanneer de kaplaan bezijds stand heeft gevat, vóór het groote boek en luidop het "Evangelie" opzegt en de "Waarheid" met vasten en beslisten klank wordt afgelezen, staan al de menschen recht en zegenen zich met een driedubbel kruis, om vaardig te worden het woord Gods te aanhooren. Niemand begrijpt een letter van 't geen verkondigd wordt, maar elkeen is overtuigd dat in die klanken, de opperste waarheid verborgen ligt en dingen gezegd worden die het verstand van gewone menschen niet vatten kan. Wie denkt hier ten ander nog aan werkelijke of aan menschelijke dingen ? Alles wat hier gebeurt komt van omhoog, uit de verten waar geen begrip aan reiken kan en alles ontzaglijk wordt van majesteit en goddelijkheid. De kerk is de omsloten ruimte tusschen de hooge muren die boven eIken beuk in spitsen boog, tot een hoog gewelf toeloopt, als de kappe van den blauwen hemel; beelden en sieraden bekleeden de muren, het waslicht brandt — maar wie denkt er aan een gebouw of wie merkt er iets op van de werkelijke dingen om end om ? De kerk, men voelt het, is het omsloten beluik waar de gebeden gezamenlijk ten hemel opstijgen, — de plaats waar schamele zielen komen handelen met God ; het heiligdom waar de geest van de aarde opstijgt, waar men al het wereldsche vergeet en de groote, geestelijke levensdingen gebeuren. Hier op die plaats heeft men als kind, de eerste indrukken ontvangen van het Opperwezen; de oudere dorpelingen hebben er hun leven lang, eIken Zondag hun plicht komen kwijten en aan hun geestelijke behoeften voldaan. In de kerk gebeurt elke aanraking met het bovenaardsche. Al de kinderen van 't dorp zijn hier gedoopt geworden, deden er hunne eerstecommunie, en na heel die lange reeks Zondagen dat men er de mis heeft bijgewoond — als men oud geleefd, zoo ver niet meer geraken kan, worden hen uit de kerk, de Heilige gerechten te huis gebracht; en wanneer voor de sukkelaars, alles afgeloopen is wat het aardsche bestaan inhield, komt men er, een laatsten keer in lijke, om er de uiterste gebeden te krijgen voor aleer de groote, gewichtige reis aan te gaan. De kerk omvat heel het geestelijke bestaan dier landsche menschen, zij is hun ander thuis, waar het hooger leven en het goddelijke hun geopenbaard wordt, waar zij zich ondereen de parochianen voelen, de menschen van eenzelfde groote familie, die denzelfden God voor Vader en Beschermer hebben. De kerk is het heilig huis, ze staat in het midden van het dorp, álles zwermt er naar toe, van daar straalt de bezieling allenthenen uit. Nu, terwijl de goddelijke dienst gecelebreerd wordt, blijft het belang van heel de bevolking er samengetrokken ; ommelands liggen de velden, staan de huizen, de boomen, — al wat leeft — in de schaaierende zon, eenzaam, verlaten, onnuttig ; — hier in het heilig beluik zijn al de parochianen samengetropt, in eenzelfde geestesvervoering, met God bezig, met den grooten God van alle landen, van alle werelden, — Hij, de schepper die heert over alles wat bestaat en alle menschelijke dingen naar eigen meening maakt en breekt : de gevreesde God, voor wie al wat leeft een simpele nietigheid is die verdwijnt vóór Zijn sterken adem. Niemand denkt nu aan eenig wereldsch of vergankelijk bezit of onnuttig getuig; aller aandacht is op 't bovenaardsche gericht, want nu is 't de tijd, nu seffens de groote stond, 't plechtig oogenblik waarop het bijzonderste zal gebeuren, 't geen de dorpelingen maar éénmaal te jare gegeven wordt : zoo aanstonds, na 't Evangelie — dat voor hen enkel verborgene waarheden, in een onverstaanbare taal verkondigd, behelst, — zal hun in levende Vlaamsch de "Waarheid" geopenbaard worden. Iedereen is er op gesteld en verlangt er naar, alsof het hun iets van groote weerde zal bijbrengen waar hun aller voordeel en heil van afhangt. 't Is het eenvoudig, ingegroeid verlangen naar de leering, die vast en kennelijk leeft in hun hart en gemoed, maar die gezegd en herzegd moet worden en in woorden, beeldelijk voorgelegd, tot voedsel voor hun eenvoudigen geest.
[Een monnik, kluizenaar]
Vandaag echter is het iets buitengewoons dat de nieuwsgierigheid prikkelt, iets vreemds dat met vrees en ontzag afgewacht wordt : vandaag krijgen de parochianen de leering die hen uit een verre streek, uit het onbekende, gebracht wordt, — de leering over iets dat hen onmiddellijk aanbelangt — vandaag komt een munk uit den vreemde vertellen over 't leven van hunnen Heilige !
Na het "Amen" gaat er meteen de groote roering en veel gedruis onder 't volk — stoelen worden onder schrobbeling gekeerd en alle wezens, die naar 't hoogaltaar gericht waren, wenden nu naar den preekstoel.
En daar staat hij reeds deze die gekomen is, niemand weet vanwaar — als een geheimzinnige verschijning, midden in de vertrouwde dingen der oude dorpskerk. Hij is een groote, oude man, met witten baard en zijn haren vormen een zilverwitte kroon rond zijn kaal geschoren schedel. Zijn breed, hoekig lijf steekt in een ruwe monnikspij, zijn wijde mouwen hangen wabberig en los over zijn bloote armen en de groote kappe ligt overgeslagen, al achter op zijnen rug.
Beeld van Antonius, vervaardigd door Karel Lateur, de broer van Stijn Streuvels.
Foto van Stijn Streuvels.

Het beeld lijkt op dat in Ingooigem, met de vuurspuwende draak aan de voeten van Antonius en het varkentje zo onder de mantel, en vooral ook de gezichtsuitdrukking. Ik vermoed dat het een model is voor een groter beeld.
Daar hoog, onder het stemscherm van 't gestoelte, staat hij te kijken over die opeengepakte menigte — hij gelijkt op den Heilige, op den ouden eremijt zelf. Het bruine vel van zijn wezen vlekt in den krans van zijn witten baard en heel zijn hoofd rijst uit de diepte van den breeden kraag, als omglansd met iets dat hij meegebracht heeft van de zon ginder ver, uit de streek waar de Heiligen leven. Zijne oogen zijn zacht, maar ze stralen als lichtjes bachten de dichtgenepen wimpers; zijn. mond monkelt gemoedelijk in zijn dikken baard : hij ziet er uit als een zachte, goedgeaarde profeet uit het Oud-Testament. En die heilige man dien ze nooit te voren zagen, schijnt de dorpelingen toch niet vreemd, hij draagt dezelfde kleedij van hun heiligen Antonius, en dat boezemt al het ontzag in en den eerbied — hij ook is een eremijt gelijk Antonius... Maar nauwelijks heeft hij de heilige namen gepreveld en een kruis geteekend als een zegen over 't volk, — van eer hij aanvangt te spreken, wordt het stil als in eene woestijne ; alle blikken zijn naar omhoog gericht, alle oogen staan op den vreemden munk en dán reeds komt hij hen niet meer voor als een vreemdeling, maar wel als hun heilige Antonius zelf, — de Heilige die in levenden lijve zijn eigen leven en gevaarten komt vertellen, alsof hij hier op de wereld weergekeerd ware.
Men hoort geen adem gaan en in die stilte klinken de trage, kalme woorden, zonder merkbare stembuiging, gelijkig en op eenzelfden toon; maar die woorden komen één voor één en slaan duidelijk als met stalen klank in de algeheele stilte van het kerkbeluik ; en effen aan met de uitgesproken woorden, ontstaan de beelden, zoodanig dat ze te voorschijn komen en de toehoorders vóór den geest staan als werkelijkheid. De heilige man spreekt alsof hij reeds uren bezig was en nooit uitscheiden moest. Het gaat als een simpel vertelsel en hij doet alsof hij daar alleen stond en voor zichzelf sprak — zoo vloeiend, zoo aaneengeregen gaat het.
... Van het leven der eerste monniken in den overouden tijd, toen ze in de woestijne huisden, samen met de leeuwen en ander wilde dieren...
De monnik geeft een interpretatie van de Vita, vertelt over de Verzoekingen door de duivel, —“Wellust en Geneuchte” — en hoe Antonius die overwon
De woestijn die hij bewoonde, werd vermaard; een groote roep ging op en elk wilde den Heilige zien. Menschen kwamen toegestroomd, lieden die van 't kwaad bezeten waren, en met een enkel teeken, verloste Antonius hen van den vijand. Antonius stierf en zijn gebeente bleef dezelfde kracht behouden en veel wondere dingen gebeurden langen tijd na zijne dood...
De munk besloot zijne legende en miek de toepassing met een vermaan en een betoog. Hij bewees : hoe wij ook drie vijanden te bestrijden hebben, hoe wij het kwaad moeten bevechten, — het kwaad waarmede wij allen behept zijn en dat komt van den duivel, van de wereld en van ons eigen kranke vleesch. En hij eindigde met te verklaren : het uitwerksel der deugden van den Heilige die nu, gelijk vroeger, altijd gereed blijft om ons te helpen in de moeilijkheid van den strijd ; — hoe hij ons werkelijk te hulpe komt, in de kwalen die de Booze ons berokkent.
[Het vuur]
Geen enkel van die klare, duidelijke woorden was er de toehoorders ontsnapt. Het weerklonk in hun diepste wezen als 't besef der waarheid. Ieder voelde zoo goed zijn eigene zwakte; ieder wist hoe zij, eenvoudige menschen, blootstonden en onder den dwang leefden van het kwaad, dat als een gedurige dreiging, op hun geestelijke en zakelijke welvaart woog. Het kwaad stond hen voor, zij kenden het als een monster, den draak die vuur spuwt en in een wenk iemand plat legt, zoodat hij nooit meer recht geraakt. En ze wisten ook hoe Antonius hun aller helper was ; hoe zij, bevoordeeligde parochianen, onder zijne bescherming stonden. Het kwaad dat de Heilige bevochten en overwonnen had, kenden zij bijzonderlijk onder den vorm van het "vuur". De munk had het niet gezegd of vernoemd, maar zij wisten het door eeuwenlange overlevering. Het vuur was de groote vijand — het gedrocht dat 's zomers uit de lucht schiet als een schicht en met een vlammende tonge lekt en in een wenk alles platbrandt. Het hemelsch vuur en ook nog het andere, vreemde, geheimzinnige vuur, dat geen naam draagt en geen vorm heeft, maar onzichtbaar brandt en woelt in 't ingewand der dieren, dat plotseling de sterfte in de stallen brengt en gloeit en verteert, erger dan het bliksemvier uit den hemel.
Van die twee grootste rampen die de landman beducht, hield de patroonheilige zijne parochianen bevrijd. Zij eerden hun Heilige, zij deden alles wat hij van hen verzocht : offerden hem de schoonste biggen van eIken worp, van hunne beste boter droegen zij ter kerke, onstaken licht vóór zijn beeld, in ieder kapelletje. En hij bevrijdde hen van het "vuur". Dat stond vast, daar twijfelde niemand aan, dat was eene overtuiging gelijk de klaarte van den dag en de donkerte van den nacht : nooit iemand op 't dorp was door 't bliksemvuur beschadigd geworden of verbrand. Tien, honderd levens verre in 't geheugen der dorpelingen, had er ooit iemand huis of schuur of stal weten afbranden : de bliksem viel wel eens op het dorp, maar richtte er nooit de minste schade aan. Men sprak daar niet over, want dat wás zoo.
Vreemdelingen, menschen uit den verren omtrek, zag men afkomen met den druk op het wezen, in nood met de zwijnen ; met de ziekte, met 't "vuur" in den stal; ze dienen den Heilige en de kwaal verdwijnt, — doch nooit iemand van 't dorp zelf moest er den Heilige komen dienen voor ziekte in den stal — dat bestond niet. Streuvels noemt niet het andere vuur, het Antoniusvuur, de ziekte bij mensen.
[Mis, vervolg]
Het vertrouwen in Antonius was hier eene dadelijke werkelijkheid geworden ; daarom bleef hun geloof zoo sterk en hoorden en luisterden zij met zulke bewondering en aandacht naar alles wat hun Heilige betrof. Gedurende heel 't sermoen was het eene vervoering geweest, den vreemden munk hadden zij aangehoord in eene verrukking die hen boven al het bestaande verheven hield. Met een glans in de oogen en iets om den mond als een glimlach van afspraak en een teeken van algemeene instemming, zaten zij daar nog wanneer de hooge gestalte van den ouderling, met zijn witten baard en diepgerimpeld, donker wezen en zijne monnikspij, de trappen was afgedaald, om tusschen het volk te verdwijnen, gelijk hij gekomen was. Dan eerst ontstond er een plotseling rumoer, een algemeen ontwaken onder de menigte, een weerkeer tot de werkelijkheid. En de plechtige zang van het "Credo in unum Deum" viel daar dreunend in, als eene bestorming die het wondere spiegelbeeld der woestijne, met galmende waarheden in een andere lucht en in 't gemoed der parochianen kwam vastspijkeren. Later, wijl de priester in hooge afzondering, in stilte het brood en den wijn offert en het orgel een zacht neurend en eindeloos deuntje afdraait, groeit er eene stemming zoo stil, zoo zonnig, vol van eene wondere teederheid in de kerk. 't Gewelf en heel de ruimte is doormiereld van zonnegoud en kleur; bij gulpen straalt het ter vensteren in en het witte licht brandt op het hemelsch blauw en het groen van de groote schilderij die te leven schijnt in 't levend zonnelicht. Het zomerlandschap dat daar uitgebeeld staat, gelijkt eerder een wijd uitzicht, een breed open raam over de zonnige verte van den heerlijken buiten. Het blauw van de lucht lijkt er ondoorgrondelijk diep ; de bolle bosseboompjes staan er in-groen, met bloempjes als kleurige sterretjes, die lichten uit het lommer van de weide waar 't kindeke Jezus en Sint-Janneke, in hun mollige, bloote lijvetjes, te buitelen liggen, tusschen vette, ronde engeltjes, met bolronde kroezelkopjes en blinkende, blauwe oogen en roze vlerkjes. Uit het orgel neurt het deuntje voort en 't wentelt op en om zichzelf, als de geur en de kleur die van uit dat goud glanzend zomerlandschap, met zonnige diepten vol stille teederheid, opwasemt. De priester blijft doende aan het altaar en de menschen, die met de gedachten nog haperen, ginder ver in de woestijn vol zand en zon, zijn halveling bezig met de gebeden in hun boek, maar drijven stilletjes mede op de dobbering van het wentelend deuntje dat, als een waterke openvloeit en altijd herbegint waar het schijnt te eindigen. De hooge, witte muren, de pijlers en de heiligen in hunne nissen, staan er nog en 't gewelf overkoepelt de beuken, maar de kerk is zoo vol licht, dat de wanden die de ruimte afbakenen, doorzichtig schijnen en het er wijd wordt en open als een vrij landschap, met den hemel voor gewelf en een einder voor beluik, waar engeltjes spelen in de eenzaamheid en de stilte van het zachte deuntje zonder einde.
Middelerwijl heeft de koster, met de vaardigheid zijner vingeren en zonder iemand het merken kon, daar hoog in zijn eenigheid, stillekes aan het droomige, wazige deuntje een andere wending gegeven en den aanvang tot de "prefacie" voorbereid. Met den eersten aanhef staan de menschen recht en, elk in zijn boek, bidden ze mee 't geen de priester, in gelijkgaande zwenkingen, luide uitgalmt : het loflied van de groote gebeurtenis die nadert.
In het ‘Lijsternest’, het huis waar de schrijver Stijn Streuvels woonde in Ingooigem, staat op een kast in zijn bureau dit Antoniusbeeldje, zo'n 30 cm groot. Het is gemaakt door Karel Lateur, de broer van Stijn Streuvels, die eigenlijk Frank Lateur heette.
Foto en info van Antoon Vanquaethem.
Een hevige bellerinkeling besluit den zang en na het drievoudig "Sanctus" valt alles stil en knielen de geloovigen in afwachting. De consecratie naakt, het orgel zelve dooft zijne stem, zoodat een enkel flauw gezoem heensuist over de neêrgebogene hoofden.
Het wonder gebeurt, terwijl de belle aanhoudend klinkt en een wolke wierook heel het hoogkoor met een hulsel van blauwigheid vult die 't mysterie geborgen houdt waar niemand naar toe kijken durft. De God der heirscharen is neergedaald en vult alles met Zijne onmiddellijke tegenwoordigheid.
Het kleine kerkje staat hier nu als het middelpunt der wereld; de uitgestrekte velden houden op te bestaan, het leven, de bewustheid is hier samengedrongen en alles ligt in vereering en aanbidding voor den God van hemel en aarde. Niets bestaat er onder 't wijde geluchte, buiten de heilige plaats hier, waar de wierook walmt en de belle klinkt. De klokke ginder hoog in den toren, slaat driemaal drie slagen die uitronken over de stilte en de zonnigheid van het verlaten dorp. Zij verkonden het heinde en verre : dat het groot wonder hier gebeurende is en de negen slagen vullen de ruimte van de ijle lucht allenthenen. Maar hier kloppen de menschen ootmoedig op de borst, een ieder bekent zijne nietigheid voor het Opperwezen die 't al vermag, en niemand die woorden vindt om die Grootheid aan te spreken.
Zoolang duurt de ingetogenheid, tot de priester het eerst wagen durft en het "Pater Noster" aanheft. Dan komt de ontlasting en van nu voort dringt de feestlucht der wereldsche dingen de kerke binnen.
[De kermis & herberg]
Trage, sleepvoetend, in kudde, schuift de menigte en bult naar buiten; de vloed stroomt er open over den kerkeweg en het dorpsplein. Er is dus geen processie, of ommegang met het heiligebeeld; er is ook geen dierzegening.
Al de hoofden zijn naar buiten gekeerd, reikhalzen en op alle wezens blinkt het genoegen en de nieuwsgierigheid; want de orgels van den peerdjesmolen en den touter, zijn in leven en beweging gekomen; men is ontlast van den misseplicht en men komt ineens in de zonnige, opene lucht, waar men vrij kan ademhalen, de armen uitstrekken en de schouders rondwenden. Zwart, met rood en blauw en hier en daar iets wit of licht gekleurd — roze, malve, teerblauw, — alles roert in drom doorheen. Met zon over de hoofden, waar felroode bloemen, hoogblauwe en witte linten door kletteren, wemelt het kerkplein en de strate vol. Rond de kramen, in en uit de herbergen gaat het gedrang open, — overal roerende en poerende volk, lachende wezens, trotsche, ernstige tronies die kraanhalzen en tinteloogend rondkijken, trage slenterend of stilstaande, met jongens die haastig en gejaagd, overal doorvlechten en nergens rust vinden in die woeling.
[De maaltijd]
... ginder op de groote hoeven en in de huizen te lande en hier op de plaatse, overal zitten de bewoners met hunne overkomst, aan de kermistafel, te eten en een stuk van de schoone, vette koe, die Sneijer geslacht heeft en uitverkocht over heel de gemeente. Want al wie ooit of eenigszins aan het dorp huisvastheid bezat, werd door vriend of magen ten disch genood : zonen en dochters die uitgetrouwd zijn en in den vreemde leven, jongens die soldaat geworden zijn, meisjes die dienen in stad, ooms en moeien, peters en meters, alleman is op bezoek gekomen en naar 't dorp genood geworden om samen den schoonen dag te vieren. En overal gaat het er aan tafel hartelijk en leutig toe.
[De avond]
De avond valt daarop en met den avond zelf, wordt het stiller rond de kerk; de wijde poort is dicht; op den bedeweg is geen enkel mensch meer te zien — dat groot middelpunt van bedrijvigheid is nu een verlaten en vergeten plek in het dorp. Een enkel biggetje loopt er te kreunen als verdoold in de wijde renne.
Maar verder in den avond groeit het gerucht en de wereldsche beweging weer aan : de jonkheden die bij benden samengetroept zijn, hebben te veel van het bier geproefd en dat heeft den gloed in hun hoofd gebracht; gezang en druistigheid welt op ; maar Karel de veldwachter, wandelt kalm over en weder en zijne tegenwoordigheid zal wel maken dat de leute in geen baldadigheid ontaardt !

Maar die uitbundigheid is ook van korten tel : de treffelijke dochters moesten met den avond naar huis en bij de knapen koelt de spanning en gaat het aardige er af, zoo gauw ze alleen zijn om zottigheid te bedrijven. Het minder volk, de jeugd van de geringere werklieden, trekt nu gekoppeld van de plaatse weg, langs de verholene wegeltjes in de donkerte, elk waar ze weten dat er plezier te vinden is naar hunne gading. Ver ten uitkante, in de kleine, dompige herbergjes van eIken "knok" zit de speelman te wachten en in de lage weefkamer of in de warmte van een keukentje, begint de dans en het drinken.
Daar, in de verholene donkerte, afgelegen van 't dorp, wordt de zeegbaarheid van den heiligen dag vergeten in de drift van den drank en de warmte van den wellust, gebeuren de onbedachte daden van lichtzinnige toegevendheid en broedt het kwaad dat later van tijd zijne gevolgen zal uitwerken, waar men, in veel huizen om weenen moet en in 't ongeluk komen ; het gebeurt in de verte en aan degenen die er zich vrijwillig in begeven hebben of er zich argeloos lieten medeslepen, uit een schuchtere begeerte om van 't kwaad te proeven dat ze niet kenden.
[De novene]
‘s Anderen daags, van' s morgens vroeg, komen er nieuwe bedevaarders hunne godsvrucht doen en den Heilige dienen. Den dag door, aanhoudend, maar zonder vertoon of gerucht, is het een komen en gaan van stille buitenlieden; de dorpelingen zelve zijn weer op hun akker aan 't werk. De ommegang duurt negen dagen en negen dagen blijft de feestelijke stemming in ' t gemoed der parochianen bestaan. Anders werkt en leeft men gewoon voort en dezelfde stilte hangt over het dorp evenals op gewone werkdagen. Zoo amper is die ééne groote dag verleden en niets anders schiet er meer over tenzij de stemming die is als een herdenken, eene geheugenis aan iets dat schoon was, maar al te ras voorbijging.

Die eerste dag gaat voorbij en de andere negen ook, volgen één voor één, als een traag aftellen van iets dat wegvalt in ’t verleden : de ommegang gaat voorbij. De parochie heeft haar zelfde uitzicht weergekregen.

Boven hunne hoofden, terwijl ze te werken staan, op de velden om end om, bakelt de zonne. Hoog boven alle menschelijk inzicht en boven alle menschelijk belang en andere nietigheden, wentelt zij voort, in stagen gang van zomervaste dagen. Daar hoog nu, wordt er aan den hemel iets anders aangekondigd ; met feller klank dan bronzen monden 't vergalmen kunnen, dreunt de boodschap als een blijde nieuwmare.
Door heel den hemel, waar de zonne stijgt als een vlammend ros met waaiende mannen van vuur, wordt de komst ingeluid van het nieuwe jaargetijde, 't hoogtepunt van de lange dagen, 't singelen van de hardste hitte : de zomer komt ! de zomer wordt geboren ! De zomer ! de straffe zomer, die 't koorn rijpt en heel den oogst, den rijken oogst meebrengt en leeftocht, de weelde en den rijkdom. En op heel het dorp is alleman nu daarmede bezig, — met angst en betrouwen kijkt ieder naar omhoog, met hoop en vrees in het hart : elk is in de weer met zijn eigen, luttele belangen. En niemand denkt dat die grootsche gebeurtenis enkel en alleen de gewone wenteling verbeeldt van het ronde jaar : de eeuwige, onmeedoogende gang van den tijd, die gaat en gaat — met altijd en eenbaarlijk hetzelfde uitzicht der dingen dat, altijd nieuw en altijd oud, nooit en andert : de groote, en eenbaarlijke "Ommegang" van de wereld rond de zonne !
Anatole France Het Eiland der Pinguïns 1908
In dit satirische spotschrift van Anatole France speelt Antonius een zeer kleine rol. Hij lijkt geïnspireerd te zijn door, of gemodelleerd op, de Antonius van Flaubert. Maar daaraan valt natuurlijk nauwelijks te ontkomen: dat werk heeft een geweldige impact gehad op vrijwel alle kunstenaars die daarna kwamen, zowel schilders, schrijvers als musici.
Deze fabel, waarin pinguïns menselijk trekken krijgen en dus ook menselijk zwakheden, doet denken aan boeken als 'Gulliver's Reizen' en 'Animal Farm', die maatschappij-kritisch en mens-kritisch van aard zijn.
Het verhaal begint met een domme fout van een verblinde heilige asceet, Maël, die de pinguïns voor mensen aanzag en ze doopte om ze te bekeren.
Daardoor is er een discussie in het Paradijs ontstaan of God ze nu ook verder moet vermenselijken of in ieder geval van een ziel moet voorzien.
God de Vader, komt er — om te beginnen — niet al te slim uit naar voren, maar de engelen en hogepriesters loven hem evenzogoed:

"Ik weet het beter dan gij," antwoordde de Heer "Met eenzelfde blik omvat ik de hedendaagse problemen, die moeilijk zijn, en de toekomstige, die dat niet minder zijn. Zo kan ik u zeggen, dat, nadat de' zon nog tweehonderd en veertig maal rond om de aarde gedraaid heeft..."
“0, verheven taal!" riepen de engelen uit.
"En waardig aan de Schepper van het heelal," antwoordden de hogepriesters.
"Dit is," hernam de Heer, "een wijze van spreken, die in verband staat met mijn oude kosmogonie, en waar ik geen afstand van doen zal zonder dat het ten koste is van mijn onveranderlijkheid... Nadat dus de zon nog tweehonderd en veertig maal om de aarde gedraaid heeft...

Men vraagt de heilige Catharina om raad, en zij noemt in haar lange betoog een aantal wezens, zoals "chimeren, half nimf en half slang ... gorgonen ... bokpotigen ... scylla's ... sirenen, die in de zee zingen ... met vrouwenborsten en vissenstaarten ... en ook nog de centauren", om aan te geven "dat de scheiding tussen mens en dier niet volkomen is", en "dat het voldoende is enige menselijke lichaamsdelen te bezitten — op deze voorwaarde dan altijd, dat ze edel [ja ja] zijn — om te komen tot de eeuwige gelukzaligheid."
Het verhaal gaat dan verder.

"O Heer, geef aan de pinguïns van de oude Maël een menselijk hoofd en een menselijke borst, opdat ze u waardig kunnen loven en schenk hun een onsterfelijke, maar kleine ziel."
Aldus sprak Catharina, en de vaderen, de kerkvaders, de biechtvaders en hogepriesters lieten een gemompel van instemming horen.
Maar Sint Antonius de kluizenaar verhief zich en twee knoestige, rode armen opheffend naar de Allerhoogste, riep hij uit:
"Doe het niet, O Heer, mijn God, in naam van uw heilige Parakleet [eerder een ketter dan een heilige, zie], doe het niet!"
Hij sprak met zulk een heftigheid, dat zijn lange witte baard aan zijn kin heen en weer zwaaide als een lege eetzak aan de bek van een hongerig paard.
"Heer, doe het niet! Vogels met mensenhoofden bestaan reeds. Sinte Catharina heeft niets nieuws uitgevonden."
"De verbeelding verzamelt de reeds bestaande stof en vergelijkt die onderling; zij schept nooit," antwoordde Sinte Catharina droogjes.


"... Het bestaat reeds," vervolgde Sint Antonius, die niet wilde horen.
"Ze heten harpijen en het zijn de meest onbetamelijke beesten van de schepping.
Op een dag, dat ik in de woestijn de heilige Paulus, de priester, te eten kreeg, plaatste ik de tafel op de drempel van mijn hut onder een sycomore. De harpijen kwamen en streken neer op de takken; ze verdoofden ons door hun schelle kreten en bevuilden al de spijzen. Door de last, die deze monsters mij bezorgden, kon ik niets verstaan van de leringen van de heilige Paulus en wij aten vogelmest bij ons brood en onze sla.
Hoe kan men nu geloven dat de harpijen u waardig kunnen loven, Heer?"
"Zeker, in mijn temptaties heb ik veel tweeslachtige monsters gezien; niet alleen wezens, die half vrouwen half slang of vis waren, maar die nog veel onsamenhangender in elkaar zaten; zoals b.v. mannen, wier lichaam gemaakt was van een ketel, een bel, een klok, een buffet, gevuld met eten en vaatwerk, of zelfs van een huis met deuren en vensters, waardoor men mensen kon zien, die hun huiselijke bezigheden verrichtten. De eeuwigheid zou niet voldoende zijn, als ik al de monsters mocht beschrijven, die mij in mijn eenzaamheid overvallen hebben, vanaf de walvissen, opgetuigd als schepen, tot de regen van rode beestjes, die het water van mijn bron in bloed veranderden.
De heilige Antonius als heremiet
(Detail) Lucas Cranach de Oude. ± 1520/25.
Maar niets was zo afgrijselijk als deze harpijen, die met hun uitwerpselen de bladeren van mijn schone vijgeboom verbrandden."
"De harpijen," merkte Lactantius [een retoricus uit de 4e eeuw, vooral bekend vanwege zijn beschrijving van de feniks] op, "zijn vrouwelijke monsters met vogellichamen. Ze hebben het hoofd en de borst van een vrouw. Hun onbescheidenheid, hun onbeschaamdheid en hun gemeenheid komen voort uit hun vrouwelijke natuur, zoals de dichter Virgilius in zijn Aeneïs heeft aangetoond. Zij delen in de vervloeking van Eva."

"Spreken wij niet meer over de vervloeking van Eva," sprak de Heer. "De tweede Eva heeft de eerste losgekocht."
Paul Orose, schrijver van een algemene geschiedenis [een Spaanse priester uit de 5e eeuw]... verhief zich en smeekte de Heer:
"Heer, verhoor mijn gebed en dat van Antonius, maak géén monsters meer in de zin der centauren, sirenen en faunen, allen geliefd aan de Grieken, deze samenstellers van fabels. Gij zult er geen enkele voldoening van smaken. Dit soort van monsters heeft heidense neigingen, en hun dubbele natuur maakt hen niet geschikt voor zuiverheid van zeden."

De discussie gaat nog verder, ook al is er veel onenigheid.

Na deze woorden verhief zich in de vergadering een geweldig gerucht van afzonderlijk gevoerde gesprekken en doctorale woordentwisten. De Griekse vaderen waren met de Latijnse in hevige strijd gewikkeld over de substantie der aard en de afmetingen der ziel, die aan de pinguïns behoorde gegeven te worden.
"Biechtvaders en hogepriesters" riep de Heer uit: "Doet niet als de conclaven en synoden op aarde en ontketen in de zegevierende kerk geenszins dat geweld, dat de strijdende Kerk in verwarring brengt I Want het is maar àl te waar: in al de concilies, die in Europa, in Azië en Afrika onder inblazing van mijn geest gehouden zijn, hebben de vaderen elkanders baard uitgerukt en ogen uitgekrabd. Niettegenstaande dat waren zij onfeilbaar, want ik was met hen."

Uiteindelijk besluit God de pinguïns een ziel — ook al is het een kleine — te verlenen, en enige menselijke trekken.
Het verdere al te menselijke verloop is dan voorspelbaar.

Het boek zal nauwelijks meer gelezen worden. Ik trof het aan in het magazijn van de afdeling kinderboeken (!) van de plaatselijke bibliotheek. Door de vele klassieke verwijzingen is het voor een moderne lezer, zelfs met een gymnasiale opleiding, al niet meer te volgen. Laat staan dat het een kinderverhaal zou zijn. Maar ja, sprekende dieren, dat doet al snel aan Disney denken.
Anton van Duinkerken Sint-Antonius-Lied 1922 / 1927
Uit Verzamelde gedichten / Onder Gods Ogen.
Het gedicht wordt begonnen en besloten met een vertaling van de twee coupletten van het motet van Anthonius Busnoys (1430-1492), “Anthoni usque limina”. Ik heb een iets andere spelling van het Latijn gebruikt, gevonden in artikel in een online boek: For Whom the Bell tolls; van Rob C. Wegman, in Hearing the Motet. En ik heb de daarin gevonden Engelse vertaling toegevoegd. Op de pagina over Antonius in de Muziek zal ik het motet verder bespreken.
Anthoni usque limina
Orbis terrarumque maris,
Et ultra, qui voritaris
Providentia divina,
Quia demonum agmina
Superasti viriliter:
Audi cetum nunc omina
Psalentem tua dulciter.
Antonius tot aan de grens
Van aarde's land en oceaan
Verdelger van de dwaze waan
Naar Gods voorzienigheid en wens,
Daar gij het duivlenheir bestreedt
En overmocht uit zuivre moed;
Hoor naar ons koor, nu ’t zoveel goed
Zacht uitjuicht als' t omtrent u weet
Anthony, who, as far as the edges
Of the earth and sea,
And even beyond, art invoked
Through divine providence,
Because thou hast manfully overcome
The host of demons:
Hear the gathering now
Sweetly singing thy miracles.
Et ne post hoc exilium
Nos igneus urat Pluto,
Hunc ab orci chorum luto
Eruens fer auxilium:
Porrigat refrigerium
Artubus gracie moys
Ut per verbi misterium
Fiat per omniBus noys.
Voorkom, dat na dit ballingsland
Ons' t onderwerelds vuur nog deer';
Help ons ontworstlen aan 't verweer
Der aarde, die de ziel verzandt.
Gij, muze der genade, stort
Ons koelvocht voor de lichaamsbrand,
Tot onze geest verzadigd wordt
Van Gods mysterieus verstand.

And, lest after this exile
Fiery Pluto burn us,
Bear assistance, delivering this choir
From the mire of the underworld:
Let the water of grace
Offer refreshment to the limbs,
So that the Spirit, though the mystery
Of the Word, may be in all.

Lees het gedicht van links naar rechts, van boven naar beneden.
I  
‘Antonius tot aan de grens
Van aarde's land en oceaan
Verdelger van de dwaze waan
Naar Gods voorzienigheid en wens,
Daar gij het duivlenheir bestreedt
En overmocht uit zuivre moed;
Hoor naar ons koor, nu ’t zoveel goed
Zacht uitjuicht als' t omtrent u weet’
De wereld lag van Jesus' bloed
Nog vochtig als van ochtenddamp,
De dwaze maagd hield in haar lamp
Een allerlaatste flikkergloed,
Toen licht van licht, hij wist niet hoe,
Antonius de lijn liet zien
Die wordt getrokken van 't misschien
Naar 't allerzekerst zeker toe,
Een Jacobsladder, een kolom
Van vuur, een laaiend bramenbos,
En plotsling sloeg verrukking los
In 't innigst van harts heiligdom.
Er zong een verre nachtegaal
En 't was zijn eigen zielsverdriet,
Een heimwee, dat een hemel ried
In Gods voor ons verborgen taal.
Geen smaak van aardse spijs, geen tuin
Met duizend vogels en geen vrouw,
Vertroostten, toen dit zweeg, zijn rouw.
Hij zag in elke stad haar puin,
In elke lucht haar avondrood.
Gelijk een kind wantrouwig spiedt
Naar 't eigen moeders bed, verried
Zijn liefst genot zijn diepste nood.
Toen las hij: 'Wie volmaakt wil zijn
En volgens Gods geboden leeft,
Verkope 't beste, dat hij heeft
En volge Mij.' Het was geen pijn,
Maar onuitzegbare afscheidsvreugd,
Waarmee hij werelds mijn en dijn
Verliet en toog naar de woestijn
Als woeste dienaar van de deugd.
Geen uren telt ons hart, wanneer
Zijn God het vult met eeuwigheid,
Dan sluipt de wereld met haar tijd
Voorbij angs haar volmaakte Heer,
Geruisloos als een angstig beest
En 't water in de ziel staat stil.
Het spiegelt enkel wat de wil
Van God ontsluiert voor de geest.
II  
Maar op een zachte lentedag,
Dat zoele wind een zaadgeur dreef
Tot in de kluis, waar hij verbleef,
Ontzonk opeens hem 't blij ontzag.
Wist hij van satans list nog niet
De vleierij, die harten trekt
En uit herinn'ring heimwee wekt
Als dromen uit een toverlied?
Hij hunkerde naar de fontein,
Die over 't plein te Khoma zong.
Dor als woestijnzand bleef de tong,
Maar 't water kreeg al smaak van wijn.
Een ruisen uit de verte riep
Vertrouwd, 'lijk toen hij jongen was
De beek die, door haar oevergras
Verborgen, langs de woning liep.
Dit water zong, en zijn muziek
Zoog wulpse saters over 't pad,
Najaden, naakt in 't blinkend bad,
Vermaakten 't zwaar-begeerteziek
Geworden hart, en weggespat
Riep water in de bloesemwei
Gekriel van dieren wakker, blij
Om wat hun jeugd aan heerlijks had.
Een krekel sjirpte. Zomerstil
Bewoog de lucht een ogenwenk.
Door dit dartele gedenk
Versuft, ontsijpelt hem de wil
Tot sterk verweer; hij ziet zich staan
Als aan de rand van ruimte en tijd
God zelf, die heeft gebenedijd
Wat dieren doen bij 't samengaan.
Zijn honger heeft geen eetlust meer,
Zijn dorst vervloeit tot visioen
Van waterklaarte tussen groen
Door 't welig landschap van weleer.
Daar schieten bloemen uit een stronk
Lang dorgeworden hout; fluweel
Als vrouwenzachtheid is 't struweel
Der dorens langs de bergspelonk.
Tot in de hemel stijgt een kleur
Van inkarnaat uit elke vondst
Dier wellust, bruut als dierenbronst,
Hem toegewaaid op zomergeur
En, vreugde aan eng'len onbekend,
Een siddering als van een vuur
Loopt over 't blauw van 't schel azuur
En scheurt het zeil der hemeltent.
Naiade, Waterhouse, 1893. Detail.
Antonius, aan God gelijk
In scheppende verbeeldingsmacht,
Heeft niet vergeefs het uur gewacht
Waarin ten hemels huldeblijk
Hem de Verkoorne zijner ziel
't Mysterie openbaren zou
Van ’s wereld’s oerbeeld, waar berouw
Niet als een schaduw over viel.
Hier grenst het aardse paradijs,
Waarin het hart nog onbeproefd
De hulp der hemelkracht niet hoeft
Te vragen voor de stervensreis,
Aan 't rijk van Pan, die schuld en deugd
In duizelende oneindigheid
Eenzelvigt tot een feestbereid
Besef van eeuwge levensvreugd.
God is alleen wat ieder vindt
In 't innigst van zulk vreugdbesef:
Zijn eigen zekerheid, de tref
Van 't pijlschot dat de roos bemint,
Misschien het heiligst in de spot,
Die God verzaakt en alles leert
Herstellen in een ongedeerd
Vóórparadijslijk heerserslot.
Wie God verstaan wil weze als Hij
En scheppe zelf zijn vreugdedag.
Hem gaat het zorgvol rouwbeklag
Der kleinen onverhoord voorbij.
Er wellen klanken naar zijn keel
En heel zijn wezen wordt een zang,
Doorjuicht van leed, dat jarenlang
Gespaard bleef voor dit vreugdedeel.
III  
Antonius, uw uur is om.
De warmte, die uw leden blaakt,
Verkilt, en weder staat gij naakt
Bij 't kruisbeeld van uw heiligdom.
Doch nooit een dag meer leeft gij of
Dit uur herhaalt zich aan uw hart;
Uw schepper hebt gij uitgetart,
Die maar een schepsel zijt uit stof.
Hier ligt uw gesel. Vruchteloos
Hebt gij uw lenden gekastijd:
Gij bleeft dezelfde, die gij zijt,
Van God verworpen voor altoos.
Nu drommen duizend monsters aan.
Gevlerkte slangen likken u
De voeten en van walging schuw
Laat gij het ongediert begaan.
Zijt gij als God? Ziehier uw roem,
Door ‘t razend godsverstand gebaard:
Een tijger, die met zwijnen paart
Schreeuwt krols van wellust u ten doem.
Een groengeschubde draak bekoort
Een basilisk met kraaigeluid.
Een specht stoot helse stonden uit
De stilten van een boomstam voort.
Een vogelbekdier zoekt zijn prooi
Tussen de vingers van uw hand.
Er schuift een schildpad langs de wand
Der kluis, uw adelarenkooi!
Die storm van onzin smakt u neer
En tolt uw lijf door 't kille slijk.
Wat ligt nog binnen uw bereik
Dan hard berouw om 't lief weleer?
Zie de doorwonde Christus aan,
Antonius, en wees als Hij
Een worm gelijk; uw hovaardij
Had Hem vertreden onder 't gaan.
Hij liet zich doen. Hij zwijgt en lijdt
Voor ieder, die zijn ootmoed stuurt,
Zolang de smart der wereld duurt,
Naar 't hart van Gods barmhartigheid.
La Tentation de Saint Antoine. David Teniers de Jonge, 17e eeuw, Louvre.
Aan Hem gelijk wordt iedereen,
Die zijn bebloede voetspoor treedt,
Omdat hij zelf zich schuldig weet
Aan 't leed, waarin ons heil verscheen
En omdat God gekend wil zijn
In 't stadig werk van elke dag.
Het hoogste, dat de mens vermag,
Houdt de verbeelding mild en klein.
De gordel en het geseltouw,
Het kruisbeeld, het getijdenboek
Onthieven u aan satans vloek.
Antonius, gij bleef getrouw
En nu de tijd ons dreigt met waan,
Bescherm ons brein voor hovaardij,
Ons hart voor ontucht; blijf nabij,
Laat ons aan uwe zijde staan!
'Voorkom, dat na dit ballingsland
Ons' t onderwerelds vuur nog deer';
Help ons ontworstlen aan 't verweer
Der aarde, die de ziel verzandt.
Gij, muze der genade, stort
Ons koelvocht voor de lichaamsbrand,
Tot onze geest verzadigd wordt
Van Gods mysterieus verstand.'
 
Het gedicht lijkt een kritiek in te houden op de ascese van Antonius.
In deel I beschrijft Van Duinkerken de bekende situatie dat Antonius de wereld verzaakt en zich in de woestijn terugtrekt na het Woord van God gehoord te hebben, en deze actie lijkt zijn goedkeuring nog wel te krijgen.
Maar in deel II lijkt hij aan te geven dat Antonius bezwijkt voor de geneugten des vlezes, waar Antonius dan in deel III spijt van heeft.
En dan heeft Van Duinkerken het over een gesel en een geseltouw en het kastijden der lenden, een zelfkastijding in dienst van een streven dat als hovaardig betiteld wordt. Nu is het zo dat nergens in de Vita van Antonius van zelfkastijding gesproken wordt, Dat was nou juist niet zijn ascese; zijn ascese was de onthouding niet de zelfkwelling. Maar deze ascese van onthouding lijkt ook afgewezen te worden, en de conclusie van Van Duinkerken lijkt te zijn dat alleen de navolging, de aanbidding van Christus, “een worm gelijk”, de ware weg is.

Simon Vestdijk Een moderne Antonius 1960
Olivier, de hoofdpersoon in het boek Een moderne Antonius van Vestdijk lijkt in het geheel niet op de oorspronkelijke Antonius. Ik heb dan ook geaarzeld of ik het boek wel op zou nemen in deze Kunstafdeling, maar heb het toch maar gedaan omdat ook andere eigentijdse kunstenaars op eenzelfde wijze met het verhaal van Antonius omgaan (zoals bijvoorbeeld Egk in zijn liederencyclus Die Versuchung von Antonius) en omdat juist dit soort contrasten het oorspronkelijke verhaal van Antonius vanuit een andere hoek belichten.
Ik heb de pagina-volgorde van het boek niet strikt aangehouden, maar bespreek de fragmenten min of meer thematisch.
[Het tijdschrift]
[47] Als drukwerk, kennelijk door Caroli zelf verzonden, ontving hij een oude aflevering van een Duits etnografisch tijdschrift, waarin een artikel voorkwam, getiteld 'Über Ansätze der Polydiagnostik im 20-en Jahrhundert', en ondertekend met de naam D. Müller, vermoedelijk dus een pseudoniem. Op de titelpagina stond: 'Van de schrijver', zodat aan het auteurschap nauwelijks twijfel kon bestaan. Dit artikel, niet zeer lang, maar in een [48] onheldere Duitse stijl geschreven, kostte Olivier veel hoofdbreken. Het handelde over de diagnostische methoden van Paracelsus en diens tijdgenoten, maar even goed over heksenvervolgingen, duivelsaanbidding en alchemie; het stond vol Latijnse en oud-Duitse citaten, verwees in lange voetnoten naar de duisterste bronnen, en was slechts met de grootste moeite in verband te brengen met de theorieën over polydiagnostiek, zoals Caroli die voor hem had geschetst. Een gecombineerd optreden van elementairgeesten, humores, heksen, duivels en demonen moest stellig tot een wirwar van ziekten leiden, vooral wanneer ook de zonde daar nog een woord in meesprak; maar een moderne theorie daaraan te verbinden leek toch wel uiterst gewaagd. De vage conclusie van de schrijver, dat het menselijk lichaam een 'Tummelplatz' was van invloeden, had men ook zonder Paracelsus wel kunnen bedenken, en wanneer het artikel bijgeval niet van Caroli was, had het hem, op de naam 'polydiagnostiek' na, nauwelijks tot zijn excentrieke leer kunnen inspireren. Wat is dan, afgezien van de titel natuurlijk, dan de connectie met de Heilige Antonius?
De meest voor de hand liggende is een Duits tijdschrift waarin een artikel staat over de “Versuchung” van Antonius, en dat geschreven zou zijn door een andere belangrijke figuur in het boek, Dr. Caroli, die herhaaldelijk de functie en gestalte van de duivel krijgt toebedeeld. Dat artikel evenwel wordt alleen maar genoemd, maar blijft inhoudelijk zeer vaag en oningevuld.
[49] [Met] het tijdschrift opengeslagen op zijn handen, zocht hij naar de illustraties en naar de titels van de bijbehorende artikelen. Er was iets bij over Polynesiërs en andere wilden; over beelden op het Paaseiland, treffend geïllustreerd; over oude gebruiken op het eiland Guernsey; tenslotte begon het bladeren hem te vervelen, en hij raadpleegde de inhoudsopgave achterin. Van de titels was er één rood aangestreept: 'Über die physiologischen Vorbedingungen der Versuchung des heiligen Antonius', en de schrijver was 'A. Caroli, Arzt'.
Verbaasd over deze vondst, bladerde hij nu haastig terug, hoewel een stem hem zei, dat hij zich met dit artikel misschien beter niet in kon laten; maar het artikel, dat acht bladzijden telde, bleek er in zijn geheel uitgescheurd te zijn.
Alleen een der illustraties was overgebleven: de reproductie van een schilderij van de hand van een hem onbekende meester.
[50] De heilige Antonius zat daar in rust of in aanbidding, omspeeld door veelsoortige monsters en toestellen, naast zich de snuit van een varken, dat er nogal onnozel uitzag.
Verzoeking van St. Antonius
(Navolger van) Hiëronymus Bosch, c.1500-25.
Museo del Prado, Madrid, Spanje.
[Eerste hallucinatie]
[26] Plotseling stond hij stil. Een der berken aan zijn rechterhand, ongeveer vijf meter voor hem uit, had zijn aandacht getrokken. Het was of iemand hem daar stond te bespieden. Even later zag hij, dat het een vrouw was, die zich half achter de berk verborgen hield: een wit gezicht, en verder alles donker, als omzwachteld, zonder dat men de afscheiding zag van rok en mantel, of ook maar een blote hand. Verplaatste hij zich, dan verplaatste zij zich mee, ongeveer zoals eekhoorns doen, die langs een boomstam in dezelfde richting draaien als waarin de belager zich beweegt. Toch had hij de indruk, dat de gedaante op een of andere wijze met de stam vergroeid was. Of het witte gezicht naar hem keek, kon hij niet zeggen. Hij was niet bang. Ongeduldig geworden wilde hij naar de berk toelopen, en toen was opeens alles weg. Daarna liep hij nog om de boom heen, maar zag niets meer, ook geen voetsporen in de sneeuw. Wat was het geweest? Hij geloofde niet in het bovennatuurlijke. Had iemand zich achter de boom verstopt, dan had hij haar moeten zien. De gedaante was kleiner geweest dan hijzelf, en zeker een vrouw. Toen hij zijn weg vervolgde, begon er een zachte fluittoon in zijn oren te klinken, een hoog, verbaasd geluid, dat aanzwol en weer verdween. Vermoedelijk was hij dus toch wel bang geweest. En een wat vage parallel met het Leven van Antonius wordt gevormd door het overlijden van de echtgenote van Olivier, wat de uiteindelijke oorzaak zou zijn voor het optreden van zijn hallucinaties, een traumatisch ervaring die enigszins overeenkomt met het overlijden van de ouders van Antonius, wat voor hem het begin was van (en wellicht de aanleiding voor) zijn ascetische loopbaan.
Na tien minuten had hij zonder verdere moeite de hoofdweg bereikt, en het dorp scheen hem zo vlug mogelijk kwijt te willen, want nog tien minuten later zat hij al in de autobus, op weg naar het station. Hij besloot aan het voorval geen waarde te [27] hechten. Na zoveel wit, in een bos, zag men iets zwarts. Dit was zo weinig ongewoon, dat hij erin slaagde de verschijning vrijwel te vergeten,—niet geheel: bij tijden dacht hij er nog wel eens aan, als aan een voorval dat men als oude man aan zijn kleinkinderen vertelt, sterk opgesmukt, en zonder er zelf nog in te geloven. Na de dood van zijn vrouw was het volledig uit zijn herinnering verdwenen.
Een wezenlijk verschil is natuurlijk dat Olivier, de hoofdpersoon, absoluut niet met religie bezig is; hij is een bankier van een kleine bankonderneming die hij samen met zijn broer bezit en runt. Hij gelooft zelfs niet in God, of dit wordt althans niet expliciet gesteld. En hij gelooft zeker niet in het bovennatuurlijke, wat wel expliciet gesteld wordt. Aan het eind van het boek, na een lange periode van allerlei hallucinaties, als hij blijkens de titel van het hoofdstuk “genezen” is, dan is hij nog steeds dezelfde persoon, zij het enige ervaringen rijker, maar zeker niet verlicht’ of ‘bekeerd’ of iets dergelijks.
Dat is heel wat anders dan de positie van Antonius, die zowel in God als de Duivel gelooft, en de Ene nastreeft terwijl hij de andere bestrijdt. Bovendien gelooft hij ook in het bovennatuurlijke, zoals het doen van voorspellingen, het waarnemen op grote afstand, het verrichten van wonderbare genezingen en zo meer, zij het dat deze gaven van God afkomstig zijn, of van de Heer die door hem heen werkt. Na zijn “Verzoekingen” is hij een ander mens: hij heeft de Duivel overwonnen en is daardoor sterker, verlichter geworden, en dichter tot God gekomen.
Omdat Olivier voor zichzelf geen strikte ascetische gedragsregels stelt, kan hij ook niet echt in ‘verzoeking’ gebracht worden.
The Temptation of St. Anthony
1950-1, William Roberts. Tate Gallery, Londen.
[God]
[61] 'Kijk,' zei hij, naar het buffet wijzend, 'dat is aardig voor u om te zien, gaat u dáar staan... Die meneer, die daar het hoogste woord heeft, die bedoel ik.' Het was niet moeilijk te ontdekken wie Caroli op het oog had: een stevig gebouwde zestiger met zijig wit haar, die van een groep oudere heren met koppen koffie in de hand niet alleen het middelpunt was, maar die zich beijverde steeds grotere kringen in het gesprek te betrekken, waarbij hij zich niet ontzag van zijn handen een scheepsroeper te maken, spiralen in de lucht te tekenen, of zelfs korte dansjes te volvoeren, met één hand in de hoogte, alsof hij een castagnet schudde. Het leek wat vulgair, en Olivier, die hem niet kende, kon tot geen andere slotsom komen dan dat deze heer zich voor zijn leeftijd wel erg opwond en de goedkoopste middelen niet versmaadde, om de aandacht op zich te vestigen. Nochtans deed de ernst, waarmee men naar hem luisterde, tot een zekere maatschappelijke positie besluiten. Iemand uit de zakenwereld? Een musicus?
Vragend wendde Olivier zich tot zijn begeleider. Deze greep hem bij de arm, en samen wandelden zij verder. 'Dat is God,' fluisterde Caroli, 'u heeft hem goed bekeken: wat vindt u van hem?'
Het bloed steeg Olivier naar de wangen. Tegen blasfemie was [62] hij behoorlijk bestand, maar deze manier om hem eerst een tijd in een koffiekamer te laten gluren en dan met een dergelijke krankzinnige opmerking voor de dag te komen leek hem een staaltje van systematische voor de gekhouderij, waar hij nog niet de dupe van hoefde te zijn om het als iets vernederends te voelen. Blijkbaar vond Caroli hem een geschikt object voor dit soort proefnemingen.
Zoals gezegd, Antonius gelooft zowel in God als de Duivel als bestaande ‘wezens’, maar vanzelfsprekend niet van dit aardrijk, terwijl in het boek Een moderne Antonius God en de Duivel alleen bestaan voorzover ze op bepaalde mensen worden geprojecteerd. Zo is Dr. Caroli meestal de Duivel maar deze rol wordt soms ook toebedeeld aan zijn zoon, of aan een andere figuur, de ingenieur en genezer dr. Hammerstein. Terwijl de rol van God wordt opgenomen door een witharige man (zonder naam verder), op aanwijzing van Dr. Caroli in zijn functie als duivel.
En er zijn nog wat vage Faustiaanse verwijzingen naar een ziel die verkocht zou zijn, Mefisto en de duivel en zo, maar voor Olivier is zelfs een begrip als ‘ziel’ al te vaag, dus hoe zou hij die verkocht kunnen hebben, en waarvoor. Het ‘verkopen van de ziel’ zou een situatie zijn, precies omgekeerd aan die van het weerstaan van ‘verzoekingen’, wat op Olivier, zoals gezegd, ook al niet van toepassing was.
Toen hij niets zei, vervolgde de dokter: 'U moet niet denken, meneer Olivier, dat dit overdrachtelijk is bedoeld: de god der scheepsbouwers, of van de bankdirecteuren, of zoiets. Ook niet om er een ongewone mate van zelfingenomenheid mee aan te duiden. Neen, deze man is God in de meest letterlijke, de zuiver theologische betekenis. U gelooft dat niet?'
'Excuseer me,' mompelde Olivier, en met een korte buiging liep hij weg in de richting van de foyer. Van deze opwelling had hij onmiddellijk spijt. Zijn optreden had krachtiger kunnen zijn, hij had de grappenmaker waarachtig eerst nog wel de les kunnen lezen, en bovendien — bespottelijke gedachte — zou Caroli nu kunnen denken, dat hij naar de foyer ging, om de druk doende heer te vragen of hij werkelijk God was.
The Temptation of St. Anthony
1942-3, Michael Ayrton.
[De duivel]
[109] Dat mijn vader de duivel is: zeker wou ik dat beweren. Of in dienst van de duivel, dat maakt praktisch geen verschil. Dokter Belial Belzebub Asmodeus Astharoth Caroli,—niet dat hij zo heet, hoor, maar zo noem ik hem wel eens bij mezelf. Het klinkt nog mooi ook.'
Olivier lachte schamper.—'Ik geloof niet eens in het bestaan van de duivel.'
'Het doet er helemaal niet toe, of hij bestaat,' zei de jonge Caroli vermoeid, terwijl hij zijn bierglas nam, er met één oog in spiedde, en het toen slurpend leegdronk, 'dacht je, dat de stof bestaat, de elektronen, de atoomkernen? Als ze maar wèrken, dat is de hoofdzaak. Alle dingen, die je tot nu toe hebt meegemaakt, — ik wil ze niet weten, hoor, daar gaat het helemaal niet om, — die zouden precies zo gebeurd zijn, wanneer er geen duivel bestond, of voor mijn part twee duivels. Waar of niet? Ze gebéuren, en jij zit ermee.'
[110] De jonge Caroli was huilerig gaan spreken, vol abject zelfbeklag.
‘Of hij toen al zijn ziel aan de duivel had verkocht, of zelf de duivel was geworden, weet ik niet; je zou haast zeggen van wel....’
[110] Dat de oude Caroli de duivel was, geloofde hij nog steeds niet, maar wie bij zijn zoon zulke indrukken achterliet, was misschien erger dan de duivel. Deze laatste had hij zich altijd voorgesteld als een toneel-Mefisto, een soort sceptische filosoof met wereldse manieren, en als het erop aankwam toch altijd nog in dienst van God, als vrijwilliger als het ware, of voor halve dagen.
[124] [Caroli:] Het is heel goed mogelijk, dat ik de duivel ben, of een trawant van de duivel, maar ik kan u daar geen inlichtingen over geven.'
'Dat is nogal sterk wat u daar zegt,' zei Olivier, die opmerkzaam toeluisterde.
'Waarom? Had u misschien gedacht, dat ik niet in de duivel geloof? Natuurlijk is er een duivel.
De Verzoeking van St. Antonius. 1945. Max Ernst.
Alles wat denkbaar is bezit in de mate van die denkbaarheid ook een zekere graad van realiteit. Ik bedoel nu niet, dat de mensen door generaties lang aan de duivel te geloven tenslotte de duivel te voorschijn hebben geroepen,— hoewel dat uiteraard óók mogelijk is, — ik bedoel eenvoudig het feit van de denkbaarheid: zelfs wanneer niemand eraan zou denken. Maar verder weet ik van de duivel niets af.'
'Uw zoon vertelde mij, dat u hem als jongen uw staart en uw hoeven heeft laten zien.'
Nu de vrede getekend was, had hij geen reden meer om Caroli onaangenaam te zijn, en de mededeling over de staart en de hoeven had hij uitsluitend gedaan om het onzinnige ervan in het licht te stellen, of zelfs om er zich samen met zijn gastheer vrolijk over te maken. Maar de uitwerking was geheel anders. Caroli richtte zich op, balde de vuisten, en stiet zo'n verschrikkelijke vloek uit, dat Olivier nauwelijks naar hem durfde te kijken.
Hij snauwde: 'Spreek me niet over dat individu,' en er kwamen woorden als 'ploert', 'pooier', en zelfs 'duivelskind'.
Wat door Vestdijk misschien bedoeld is als een overeenkomst, maar wat het toch eigenlijk niet is, dat zijn de hallucinaties waaraan Olivier lijdt. Olivier weet namelijk altijd dat het hallucinaties zijn, die iets met een duivel te maken zouden kunnen hebben, of waar duiveltjes in optreden, maar waar hij toch niet echt in gelooft. Het zijn daardoor wat loze vertoningen, zelfs wel wat amusant, zonder verdere betekenis.
Terwijl de visioenen en zinsbegoochelingen van Antonius voor hem (en voor zijn tijdgenoten) een tastbare realiteit waren, waarvan de duivel de oorzaak en de schuldige was.
Zo sloegen de demonen Antonius met de zweep waar hij lichamelijke striemen aan overhield. De demonen veroorzaakten ook wel hallucinaties, ze namen andere gestalten aan, maar ook die hadden vaak een zeer realistisch karakter; en waren daardoor juist gevaarlijker dan hallucinaties die als zodanig te herkennen waren.
[127] De visioenen waren soms mooi, maar zij gaven geen gevoel van macht of verrukking, en de voldoening hen als visioen te doorzien was iets waarvoor men spoedig afstompte. De oude heiligen, in zekere zin zijn lotgenoten en voorlopers, hadden het wat dat betreft gemakkelijker gehad: [128] voor hen de verleiding God te verloochenen en de duivel te aanbidden; voor iemand, die niet in God geloofde, werd dat tot een spel met woorden, en voor iemand, die de duivel in dokter Caroli had gezien, tot een aanfluiting.
Temptation of Saint Anthony
Colini (Vojen Wilhelm Cech-Colini).
[Andere hallucinaties]
[131] Uitvoerige monsters zaten te pronk op triomf wagens: ernstige vissen, bitse nachtegalen, expressieve padden, de ogen sloom en listig geloken. Dan weer werd het verkeer doorkruist door een stoet naakte vrouwen, van wie de voorste een vlag droeg met een vrouwelijk schaamdeel erop geborduurd. In de onmogelijkste standen, en tot op de daken van openbare gebouwen toe, werden paringen opgemerkt, bevallingen, operaties, waarbij vlijmscherpe monsters met zichzelf buiken opensneden. Dan droop de straat van het bloed, een zacht klokkend geluid verwekkend. Tien wandelaars droegen een grote slang, de kop getooid met een ouderwetse strohoed. Uit een trottoirrand lichtten feeërieke gezichtjes op, achter een winkelruit zat een rose geraamte met zijn knokenvoet in een gloeiend komfoor.
[Duiveltjes]
[64] Zo vlug hij kon begaf ook Olivier zich naar de uitgang. Toen hij voor het laatst nog eens naar boven keek, ontdekte hij iets schokkends. Langs twee van de kariatiden, die het balkon droegen, klommen duiveltjes naar boven. Het waren glinsterende groene kereltjes met vrij korte staarten, die elkaar met hoekige gebaren aanmoedigden; zij waren naakt, voor zover dit groene [65] oppervlak naakt kon heten; hun kopjes waren heel klein. Twee van hen hielpen elkaar. Hij meende de enige te zijn die erop lette; op het allerlaatst zag hij nog, dat het eerst aangekomen duiveltje op de partituur van Rutman hurkte om haar te bevuilen.

[127] Hem vielen twee dingen op: dat het nauwelijks met rumoer gepaard ging, al hoorde hij wel eens stemmen, en dat de satanische indringers hem niet in zijn leven of werk hinderden anders dan door hun aanwezigheid. Ook in zijn dromen vertoonden zij zich niet; het was of zij dan van hun spelen uitrustten, of wellicht was hij zelf moe. Maar wat wilden ze? Hem krankzinnig maken, voor zover hij het al niet was? De verklaring leek te goedkoop. Hoewel hij dokter Caroli niet meer als de aanstichter beschouwde, bleef toch het feit van het getekende contract. Waar had hij zich toe verplicht, of wat had hij bezworen of afgezworen? Had hij zijn ziel verkocht? Hij wist niet eens, of het mogelijk was iets te verkopen, dat zo schimmig was, en tevens zozeer met hemzelf verweven, als zijn eigen ziel; en bovendien had hij dan toch iets in ruil moeten krijgen.
Terwijl bij Antonius de demonen meestal niet als zodanig te herkennen zijn (juist omdat ze een andere gestalte aannemen om de mysticus te misleiden), nemen ze bij Olivier juist een zeer herkenbare gestalte aan, zijn het pesterige groene wezentjes met een staart en zo, die links en rechts hun behoefte doen. Het zijn dan ook eerder Middeleeuwse figuurtjes, die lijken op gargouilles, de monsterlijke waterspuwers die Gotische kathedralen versieren.
[128] Maar er was geen contact met hen mogelijk, en de manier, waarop zij alles bevuilden, bewees wel, dat zij tot de lagere vormen van leven of schijnleven behoorden, waarmee niets was aan te vangen. Ook het vuil was schijnvuil. Als zij wilden, losten zij op in de lucht; in het donker verspreidden zij een zachtgroen schijnsel.
[129] Die ochtend nu, terwijl Frederik hem voor de tweede maal thee inschonk, nam hij een stuk brood en hield dat vlak voor het gezicht van het duiveltje, dat het dichtst bij hem stond, een vrij groot kereltje, met een staart die tot op de vloer hing. Hij voelde hoe het brood tegen het kopje stuitte, en wachtte af.
Beet het mannetje erin, dan had hij er een zekere macht over verkregen, en zou het misschien verder kunnen africhten; bleek er een stuk uit het brood gehapt te zijn, dan was er een tastbaar contact tot stand gekomen met het demonenrijk, een contact dat ongetwijfeld gevaren met zich bracht, maar dat ook de mogelijkheid opende om zich te verweren, wanneer het volkje kwaad wilde. Dan gaf hij ze bijvoorbeeld rattenkruit te eten. Beminnelijke gedachte! Half vermaakt keek hij toe hoe het monstertje de kop schudde om het brood te vermijden, hoe zijn hand dus meeschudde met die beweging, en hoe het duiveltje het toch vertikte om een stap achteruit te gaan.
Frederik keek naar zijn schuddende hand. 'Je zou zeggen, dat u een hond voert, meneer,' zei Frederik op lijmerige toon, een echte ontbijttoon, want Frederik had last van morgenziekte.
[Engeltjes]
[100] Juist keek hij weer eens naar de wolkenlaag beneden hem, die zich tot ver in Duitsland moest uitstrekken, toen zijn aandacht getrokken werd door iets onverklaarbaars. Eerst meende hij, dat grote, witte en nogal eigenaardig gevormde vogels het vliegtuig vergezelden, en hij onderscheidde ook wel vleugels, of vleugeltjes, maar het was toch iets anders. De vleugels bewogen zich niet, of maar hoogst zelden, en die ze droegen waren geen vogels, doch — zag hij goed? — kleine kinderen, elk op een wolkje gezeten, in witte hemdjes, die vrij veel van het rose vlees bloot lieten. Hetzelfde geldt ook voor de engeltjes die Olivier tijdens de vlucht met een vliegtuig waarneemt, welke meer een soort cherubijntjes zijn, naakte kindertjes met vleugeltjes, dus ook Middeleeuwse figuurtjes, terwijl de Bijbelse engelen eerder uit de kluiten gewassen mannen zijn, met flinke vleugels.
Zij waren duidelijk te zien, zij zaten allemaal bovenop het wolkendek, niet half erin, en zij gleden langzamer voorbij dan wanneer zij geheel in rust waren geweest.
De wolken hadden uit zichzelf dus een zekere snelheid. Voor zover dit was na te aan, keken zij recht voor zich uit, nooit naar boven. Van deze engeltjes zag hij er telkens vijftien tot twintig tegelijk, en zij schenen zich uitsluitend op de weg van het vliegtuig te bevinden; verderop, waar zij nog maar de grootte van stipjes zouden hebben gehad, zag hij er geen een.
Cherubini, Raphael.
[Het varken]
[168] Toen hij op zijn kamer licht maakte, zag hij in een hoek bij het raam een varken liggen. Het dier lag zacht knorrend op zijn zij en hield de rose oogleden gesloten; het was even vuil als het andere, echte varken, dat in een der bijgebouwen huisde, en ook even groot en even vet: een bijzonder geslaagd duplicaat, waar hij verder wel niet veel last van zou hebben. Was het er de volgende ochtend nog, dan zou hij kunnen controleren of het andere in het hok lag. Behoedzaam naderde hij, en zei: 'Zo, ben jij daar ook,'—het varken knorde alleen maar. Toen had hij ineens zin in een experiment. Na op een stoel geklommen te zijn, haakte hij de vooroverhellende spiegel van de muur, waarbij veel stof en kalk naar beneden kwam, zette hem op de grond, en richtte hem dusdanig dat hij het varken erin weerkaatst zou moeten zien. Inderdaad lukte dit zonder enige moeite, al was het glas erg verweerd. Op het hoogtepunt van de ‘ziekte’ van Olivier verschijnt er een varkentje in zijn kamer. Dat ligt daar maar zo'n beetje, een paar weken of zo, maar is dan opeens verdwenen. En juist door die verdwijning realiseert Olivier zich dat hij ‘genezen’ is.
[169] De volgende ochtend lag het varken nog op dezelfde plek. Het was zonder enige twijfel een hallucinatie. Niet alleen dat het echte varken op zijn plaats bleek te zijn, aan de naaister, die zijn ontbijt bracht,—wat ze gewoonlijk twee keer in de week deed, wanneer ze niet uit werken ging,—was ook niets bijzonders te bespeuren, al zou zij er zeker twee minuten over gedaan hebben alvorens het zien van het varken om te zetten in de notie van iets ongewoons.

[215] Neuriënd stond hij op, en het eerste wat hij zag was dat het varken niet meer in de hoek van de kamer lag. Dit was vreemd, en zelfs ietwat teleurstellend, want hij was aan het dier gehecht [216] geraakt: een van zijn weinige visioenen die zich fatsoenlijk hadden gedragen. Maar misschien kwam het terug.

[216] Het varken had hij dadelijk doorzien: het varken had in overeenstemming daarmee gehandeld: het varken was weg. Of betekende dit nog iets anders? Betekende het soms, dat hijzelf veranderd was? Had de beslissende gebeurtenis van deze nacht iets bewerkstelligd, iets weggevaagd? Was hij genezen, of bezig te genezen?
Samenvattend: Vestdijk heeft zo'n beetje te hooi en te gras wat elementen uit de Middeleeuwse verbeeldingen van het Antonius verhaal gebruikt (en Middeleeuwse verbeeldingen uit andere bronnen), maar zonder diepgaande parallellen tussen Olivier’s belevenissen en die van de oorspronkelijke Antonius te creëren.
Zonder dus iets nieuws bij te dragen aan de moderne persoon Olivier die een ‘klassieke’ verzoeking zou ondergaan of iets nieuws te zeggen over de persoon Antonius in het licht van de opvattingen en kennis van de moderne tijd. De duiveltjes en cherubijntjes en andere zinsbegoochelingen hebben voor Olivier geen echte betekenis maar hooguit een zekere amusementswaarde.
De Kwellingen van de H. Antonius. Een paneel [25 x 22 cm], dat in 1830 werd gevonden bij de afbraak van de stadswal in Utrecht en in bezit kwam van het Utrechts Museum.
Het schilderij is waarschijnlijk van een navolger of tijdgenoot van Jeroen Bosch. Het 'toeval' wil dat Jeroen Bosch' geboortehuis "In Sinte Anthonis" heet.
Louis Paul Boon Mieke Maaike's o/øscene jeugd 1972
Antonius de asceet wordt in dit boekje bespot. Boon, de iconoclast, doet hier denken aan Félicien Rops. En beide zijn ongetwijfeld geïnspireerd door Flaubert. Maar Boon gaat toch weer een stap verder.
Boon, geboren te Aalst, moet zeker ook beelden van Antonius in de kerk aldaar hebben gezien, maar hoe hij met heiligenbeelden omging, blijkt uit het volgende citaat:

In haar mémoires vertelt Boon’s onafscheidelijke levensgezellin Jeanneke hoe ze op hun trouwdag een set heiligenbeelden in een stolp kregen. Boon en Jeanneke hebben de volgende dag hun huwelijk plechtig ingewijd door de beelden stuk voor stuk kapot te laten vallen op de vloer.

I.v.m. mogelijk ongewenst bezoek aan de site door gegoogle op bepaalde woorden,
heb ik hier scans gebruikt en in de titel de spelling gewijzigd.

Als Antonius het boekje had kunnen lezen, zou hij het als het werk van de duivel hebben beschouwd.
Een citaat van een site die geheel aan Mieke Maaike gewijd is, en die het natuurlijk van geheel andere kant beziet:

"Het christendom heeft Eros gif doen drinken" stelde Nietzsche kort en goed.

De twee citaten hieronder geven al enigszins de toon aan van het boekje, dat uitsluitend gaat over de se+vele avonturen van een meisje tussen de 11 en 18 jaar oud met veelal getrouwde oudere mannen. Een verhaal dat in de 21ste eeuw niet of nauwelijks nog gepubliceerd zou kunnen worden.

Citaten van pagina's 57 en 93.
Naast Flaubert en Rops, doet het toch ook denken aan de cantate van Frederick Forrest, St. Antonius en zijn Varken, hierboven in zijn geheel weergegeven, en hieronder een fragment.

O mijn mooi zwijntje,
Zoeter dan het vijgje,
dat groeit op ginds twijgje,
Van suikerzoet kandij;
Mijn liefde voor jou overtreft
Al wat die mooie meisjes
Als hun spiegelbeeld hebben

Zie ook De Verzoeking van de Heilige Antonius van Félicien Rops op deze pagina.

Michel Rio Merlijn 1997
  vert. door Nelleke van Maaren  
Antonius komt slechts kort voor in de legende van Merlijn, zoals die door Rio verhaald wordt, maar ik vind het toch interessant om fragmenten van dit verhaal (een sprookje haast) hier weer te geven.
Ik vind er iets in terug van mijn eigen voorstelling over een 'versmelting' van Antonius wiens verhaal en beeld uit Egypte naar Europa zijn overgewaaid met een legendarische lokale tovenaar van een Merlijn-achtige gestalte en reputatie.
Het verhaal, zoals het door Rio verteld wordt, speelt zich af in de 5e eeuw. In het jaar 493, als hij al zo’n 50 jaar oud is, trekt Merlijn zich terug in zijn grot, waar hij verder het grootste deel van zijn leven zal doorbrengen, en waar hij ook zit als hij terug blikt op zijn honderdjarig leven.
Afgezien van het feit dat Antonius expliciet door deze Merlijn genoemd wordt, zijn er meerdere overeenkomsten (al dan niet opzettelijk door Rio in het verhaal vervlochten).
  • Evenals Antonius is Merlijn honderd jaar oud.
  • Hij is een langdurig kluizenaar, levend in een grot, en erkend wijze of tovenaar.
  • Hij heeft een bijzonder contact met wilde dieren, in het bijzonder met een wild zwijn, en geneest ze.
  • Hij lijkt vegetarisch te zijn.
  • En hij ondergaat de verzoekingen van een mooie vrouw. Een duidelijk verschil met Antonius, die in deze episode expliciet genoemd wordt, is dan wel dat het echte verzoekingen zijn, geen ‘illusoire’, en dat Merlijn eraan toegeeft.

In dit verhaal is hij nogal “Christelijk”, hoewel dat nergens expliciet wordt gesteld, maar de opmerking op p. 115 over het “bijgeloof van de oude druïden” dat Merlijn bij Viviana bespeurt, impliceert dat wel enigszins.
In mijn fantasie echter, zou Merlijn zelf eerder een Druïdische opperpriester zijn, die zich zou afzetten tegen het Christelijk geloof dat in die tijd ongetwijfeld al bekend was in die contreien en wellicht ook actief gepredikt.
Ook was de kennis over Antonius als anachoreet — of als Christelijk tovenaar — in die tijd en zelfs in het verre Brittannië niet onwaarschijnlijk.
[Zie ook Magny-le-Désert en Saint Ortaire die in dezelfde periode in het bos van Andaines zijn hermitage had.]

Op pagina 102 is Merlijn in het woud, waar hij Viviana, zijn aanstaande minnares ontmoet. Zij was duidelijk
“... in moeilijkheden. Ze was bleek, maar hield zich kranig en toonde geen spoor van angst. Vlak voor haar stond een everzwijn, een monsterlijke solitair met vlijmscherpe slagtanden en een vacht vol bloed dat gutste uit een wond die zijn moordlust alleen maar aanwakkerde, dat aanstalten maakte met heel zijn logge, compacte massa op haar af te stormen. Ik stelde me tussen hem en de jageres en begon, zonder verder een beweging te maken, tegen het redeloze dier te praten:
'Ik weet, zwijn, dat je je op je eigen terrein bevindt en dat je aangevallen en gewond bent zonder je aanvaller te hebben uitgedaagd of beledigd. Het is dus niet meer dan rechtvaardig dat je je verdedigt tegen de grillen en willekeur van een soort die van moord en doodslag een genoegen en een spel heeft gemaakt om in vredestijd die onverzadigbare lust tot doden te bevredigen die hen er in oorlogstijd toe drijft elkaar te doden. Maar bezie de situatie nu eens met een stoïcijnse blik.
Bedenk dat een zuiver filosofische overwinning boven alles te verkiezen is, ook boven de matige eer die je kunt inleggen met een moord op een zo broos schepsel. Jij bent sterk en machtig, en de grootste deugd van de sterke is nu eenmaal de juiste combinatie van minachting en mildheid te betrachten ten opzichte van de zwakkere die, juist vanwege zijn zwakheid, in woede is ontstoken en zijn verstand heeft verloren.
Zie dus af van je rechtvaardige wraak en lever je belachelijke beul over aan de ergste vernedering, de morele nederlaag namelijk, die des te pijnlijker is voor het geweten - hoe leeg of verdorven ook - omdat die les hem wordt geleerd door een wezen zonder ziel, als wijst de materie de geest de weg naar adeldom en grootmoedigheid.'
Op dat moment draaide het everzwijn, dat zijn aanval had opgeschort omdat hij was geïntrigeerd door de modulaties van mijn stem, zich om en draafde op een sukkeldrafje weg. Achter me hoorde ik lachen en ik keerde me om. Het meisje kwam naderbij.
'Ik dank u, heer Merlijn, dat u mij hebt gered, al ben ik van mijn leven nog niet zo beledigd. Ik merk dat alles waar is wat ik over u heb gehoord en dat u zowel de wilde dieren als hun prooi in uw ban kunt brengen en overtuigen.'
Op pagina 111 trekt Merlijn zich terug uit de wereld.
Ik haalde een armvol takken en bladeren en ging de grot binnen. Hij was schoon en droog. Tegen de achterwand maakte ik een legerstede waarover ik een paar bontvellen gooide en waarop ik me vervolgens uitstrekte. De maan verscheen in de grotopening en wierp haar kille licht naar binnen. Opeens werd zij bijna verduisterd door een lange, gracieuze gestalte, omgeven door een aura dat iets had van vergane glorie. Viviana strekte zich naast me uit.
Met geveinsde strengheid zei ik: 'Dus al in het eerste uur van mijn kluizenaarsbestaan achtervolg je me als een wereldse verzoeking en breng je me in de situatie van Antonius van Heracleopolis die tegen de schijngestalten van het vlees moest vechten.' [Heracleopolis ligt vlak bij Coma, de veronderstelde geboorteplaats van Antonius.]
'Laat me nog een paar uur bij je blijven. Tot de ochtend. Tot de ochtend maar.'
'Dat is langer dan je nodig hebt om te overwinnen.'
Ik omhelsde haar en vervolgde:
'Als Antonius de anachoreet met zo'n verzoeking zou zijn geconfronteerd was hij bezweken. En ik probeer er niet eens weerstand aan te bieden.'
En Viviana zorgde ervoor dat deze uren de hele nacht, de hele dag en een deel van de volgende nacht voortduurden.
Ten slotte werden we door slaap overmand. Ik ontwaakte toen ik voelde hoe ze zich van mij losmaakte en de legerstede verliet. Ze liep naar de ingang van de grot en begon een vreemde bezweringsformule waarin ik de dubbelzinnige kennis van Cardeu vermengd met het bijgeloof van de oude druïden herkende. Ze riep de Gallische god Ogmios aan...
[114] Ik bestudeerde ook de dieren, en weldra vluchtten ze niet alleen niet meer voor me weg en aanvaardden mijn aanwezigheid, maar ze kwamen me zelfs tegemoet tijdens mijn wandelingen in het woud, op zoek naar voer, verlichting van de pijn die hun wonden veroorzaakten of alleen maar naar een vriendelijke aai. Net als ik vluchtten ze voor Viviana's onderdanen en maakten me daarmee los van mijn eigen soort, zoals de mensen zelf al eerder hadden gedaan, overigens vanuit heel andere sentimenten. Dat verschil, dat leegte en angst om mij heen had geschapen, bevolkte nu mijn eenzaamheid met wilde genegenheid.
Sommige dieren, en niet de minste, klommen zelfs tegen de rotspunt op om de nacht in mijn grot door te brengen of daar hun heil te zoeken als de mensen van het meer een jachtpartij organiseerden.
Niet zelden legde daarom een zwaar everzwijn of een groot hert zich aan de voet van mijn legerstede of waakte bij de ingang van de grot, na mijn groentemaaltijd te hebben gedeeld.
De meest wilde en argwanende dieren, de wolf en de vos die aangehaald wilden worden als honden en mijn hand likten, brachten me soms zelfs vlees van een nog warme prooi dat ik beleefd weigerde. Ik praatte tegen allemaal en had de indruk dat ze dat prettig vonden.
Ze waren in staat iets te bedenken, ergens naar te streven en lief te hebben, maar wat hen uitsloot van de wet van de moraal en hun bewustzijn tot de meest elementaire vorm beperkte was het feit dat ze niet van te voren hun eigen dood konden voorzien, omdat ze geen lering konden trekken uit die van anderen.
Zo beleefden ze elke dag als een soort eeuwigheid, zonder nieuwsgierigheid of waarde, onderworpen als ze waren aan de oneindigheid van de cyclus. En ik beschouwde deze verwantschap tussen een eeuwigheid die ontstaat uit het onbewust-zijn en de Eeuwigheid die het absolute bewustzijn van de mens zich voorstelt als een wrede overbodigheid van het verstand.
Le Roman de Saint-Antoine, Christian Ganachaud, 2004.

Ik heb het boek niet gelezen maar op de website wordt een samenvatting gegeven:

In deze roman ontvouwt het leven van de Heilige Antonius zich voor ons, met zinnen die oprijzen van de bodem van zijn kluizenaarsgrot in Egypte, waarin de eerste christelijke monnik zijn leven doorbracht tot aan zijn dood in 356. [Niet helemaal correct]
Tot wie spreekt hij vandaag? Tot ons vanzelfsprekend. Tot wie anders? Hij spreekt tot ons, maar dóór Ganache, de alter ego en literaire dubbelganger van de auteur. Alsof Antonius wist dat hij, om in deze wereld gehoord te worden die de onze is, een moderne bemiddelaar nodig had, die absoluut verankerd is in het directe heden.

De thema's van het boek: het geloof, de wederopstanding.
Christian Ganachaud spreekt ons hier over een man die zijn leven heeft doorgebracht met zich te verbergen, zich op te lossen, om één te worden met God.
Hein Stufkens Voor een kluizenaar 2007
Uit zijn verzamelde gedichten: Een woord in de wind    
Voor een kluizenaar

Ik dwaal door het woud
en zoek niets
of iets dat geen naam mag hebben.

Ik vecht met mijzelf op de berg.
Niemand wint, niemand verliest
en niemand vindt dat erg.

's Nachts waak ik in mijn grot.
Dan bezoekt mij droef de duivel
of praat ik oeverloos met god.

Hoe ik bid? Ik zit en zie
mijn visioenen huiverend aan
of smeek ze van mij heen te gaan.

Geen levende ziel die kan bestaan
in deze zuivere woestenij.
Antonius, vader, sta mij bij!
Stripverhaal
Pellerin et Cie Le cochon de Saint Antoine, La Tentation de Sint Antoine 1880-90

Imagerie d’Epinal N°3027 éditions Pellerin et Cie.

Na het genezen van de vrouw van de koning van Navarra, die bezeten was door de duivel, wordt Sint Antonius aangeklampt door een zeug die probeert de aandacht van de heilige man te vestigen op haar biggetje dat blind is. Bewogen door medelijden raakt de kluizenaar de ogen van het biggetje aan. Terstond slaakt het varkentje een geknor van tevredenheid en begint het om zijn weldoener in de lucht te springen!
Dit is weer een variant op de legende van Antonius in Barcelona. [Zie op mijn site de pagina over het varken]

De laatste twee raampjes lijken het incident met de zoon van Koning Lodewijk VI, bijgenaamd de Dikke, met zijn vijftienjarige zoon, Philippe van Frankrijk, op de Motte Saint-Gervais te Parijs, weer te geven. Het paars schrok van een varken, de jonge prins viel van zijn paard en stief.

Imagerie d’Epinal N° 376 éditions Pellerin et Cie.
Een soort stripverhaal avant la lettre.

Een Verzoeking van Antonius, vergezeld door zijn varken met klokje om de hals, door de Koninging van Sheba, de Duivel (Pluton) als bedelaar, de Duivel met een zak goud. Antonius die met zijn wijwaterkwast, en geholpen door zijn varken, de duivels verjaagt; een engel die te hulp schiet, maar uiteindelijk blijft hij toch met een uitgebrande hermitage achter.

Vidas Ejemplares San Antonio Abad 1957
De Vita van Antonius in een stripboek, Comics Cristianos - San Antonio Abad, uitgegeven in Mexico in 1957.
Script van P. Carlos de Ma. y Campos, S.J. — Dialoog van Javier Peñalosa — Artistieke uitvoering van Aljonso Tirado — Omslag van Rafael Barnadiarán.
Het stripboek geeft in 34 pagina's een mooi beeld van de omgeving van Antonius in zijn tijd, met Romeinen, Egyptenaren, Arabieren, Egyptische tempels en afgodsbeelden.
Omslag — Antonius confronteert de Romeinen tijdens de Christenvervolging in Alexandrië.

Ik heb hier een aantal pagina's weergegeven.
Pag. 2 — De stad Koman; Antonius met zijn vader: "op school leer je bijgeloof". Pag. 4 — Antonius hoort het verhaal van de jonge Jezus in Egypte.
Pag. 5 — Antonius hoort: "Indien gij volmaakt wilt zijn, verkoop wat gij hebt en geef het aan de armen, kom en volg mij..." Pag. 11 — Antonius wordt belaagd door demonen; een vriend redt hem.
Pag. 13 — Antonius wordt weer belaagd door demonen. Pag. 23 — Antonius drijft de duivel uit bij een jonge vrouw. Pag. 31 — Antonius op bezoek bij Paulus; en de raaf. Pag. 33 — de dood van Paulus en Antonius.

Heeft u informatie over Antonius Abt, of vragen, neem dan contact op met mij: Dolf Hartsuiker