Vita Antonii Abba's Iconografie Vuur Antonianen Kunsten Cultus Folklore Plant Dier Literatuur Paulus Hilarion Maria Simeon Adolphus
Nederlands Frans Italiaans Spaans Portugees Koptisch Duits Orthodox Engels Amerikaans Aziatisch
Antonianen in de kunsten
Literatuur Divina comedia, paradijs. Dante, 1307.- Decamerone. Boccaccio, 1353.
Divina comedia Dante Alighieri 1307
De Goddelijke Komedie, Vertaald door Christinus Kops in 1930, Amsterdam, 1982.
Commentaar in donkerblauw van Mula, Patrick. Comique folklorique et mémoire littéraire dans le cochon de Boccace.
Een fragment uit Het Paradijs, canto 29, regels 94-126
Doch eigen vondsten wil thans ieder geven;
die galmen luidkeels uit uw predikanten,
en van het Evangelie wordt gezwegen.
De een zegt, dat bij des Heren droevig sterven
de maan terugliep en de zon bedekte,
zodat diens licht niet doordrong naar beneden.
Een ander, dat het licht vanzelf verdoofde,
waarom de duisternis zo goed bij de Ebro
en de Indus als bij 't joodse volk zich toonde.
Uw stad telt zoveel Lapo's niet en Bindo's
als links en rechts door 't jaar vanaf de kansel
wordt uitgestrooid aan fabels en verdichtsels.
Lapo en Bindo:
namen die toen veel voorkwamen
Het doodsmasker van Dante. Het lijkt op een reliekenkastje! Zo keren overal de onnoozle schaapjes
alleen met wind gevoed vanuit de weide,
maar zulke onwetendheid weert schuld noch schade.
Neen, Christus sprak niet tot zijn eerste jongren:
'Gaat uit en predikt grappen aan de wereld!’
De waarheid gaf Hij hun om op te bouwen.
Die waarheid preekten zij zó luid en krachtig,
dat ze in hun strijd om 't waar geloof te ontsteken
van 't Evangelie schild en lans zich maakten.
Thans trekt men rond met fratsen en met grollen
en als de preek het volk maar braaf doet lachen,
dan zwelt de kap, en meer wordt niet gevorderd.
kap: monnikskap
Doch zag het volk eerst goed, wat vogel nestelt
in 't donker van die kap, O, vast zou 't weigren
de vrijspraak, waar 't nog steeds zijn hoop op vestigt.
vogel: duivel.
vrijspraak: de absolutie
Hierdoor schoot zoveel domheid uit de bodem,
dat rijk en arm, naar geen bewijzen vragend,
aanvliegen zou op allerlei beloften.
Hiermee mest Sint Antonius zijn varken,
ook anderen, veel erger nog dan zwijnen,
en waar hij mee betaalt, mist alle waarde.
De zin hierboven: "waar hij mee betaalt, mist alle waarde" is iets anders in de Nederlandse vertaling dan die in de Decamerone, waar staat: "betaalden met munten die klonken ook al waren ze niet geslagen", maar in het Italiaans zijn ze precies hetzelfde.
Sint Antonius, eind 15e begin 16e eeuw, Holland, Eikenhout.
Het volk weet niet dat er een duivelse vogel in de monnikskap zit verborgen, die de predikant zijn theatrale redevoeringen influistert. Met hun leugenachtige preken worden de lichtgelovige toehoorders tot de verdoemenis geleid, terwijl zij denken vergeven te worden en de zolang verwachte aflaat te verkrijgen.
Het is immers met beloftes van aflaten dat de predikanten trouwe aanhangers willen verwerven, en in ruil daarvoor gulle aalmoezen ontvangen. En het is hieruit dat de bedelorden hun voornaamste inkomsten trekken, zegt Dante ons. Als voorbeeld wijst hij vooral naar de zwendel die door beroepsklaplopers van de orde van Sint Antonius wordt gepleegd.
Antonianen mesten zo hun varkens vet met de aalmoezen die zij ontvangen in ruil voor vage beloftes van aflaten, voor de vergeving van de zonden, en erger nog, mesten bovendien nog anderen vetter dan de varkens zelf: namelijk hun onwettige nakomelingen, hun concubines en bastaarden, ook een soort varkens, volgens Dante.

In de Decamerone is Boccaccio wat minder extreem gefocust op de Antonianen. Ook andere orden maken zich schuldig aan zelfverrijking met behulp van valse beloften.
Maar niet voor niets herhaalt hij ook de zin die we bij Dante tegenkomen: "betaalden met munten die klonken ook al waren ze niet geslagen"

Passies van Christus en de Antichrist (detail), Lucas Cranach the Elder, 1521. Houtsnede. Verkoop van aflaten.
Wat wil zeggen dat de Antonianen voor de aalmoezen die zij krijgen, voor hun eigen welvaren en voor dat van hun varkens, betalen met ongemunt geld, niet gegraveerd, zonder stempel in reliëf, zonder de absoluut noodzakelijk zegelafdruk, die het als echt merkt.
Dus ze betalen met valse religieuze munt, met onwettige aflaten, niet gevalideerd door de Kerk, die zij niet bevoegd zijn om te verstrekken en dus zonder enige waarde.
De orde van Antonianen wordt hier expliciet door Dante als schuilplaats van fraudeurs en vervalsers van de godsdienst aangewezen.

Decamerone Giovanni Boccaccio 1353
Vertaald door Frans Denissen. Commentaar in donkerblauw van
Mula, Patrick. Comique folklorique et mémoire littéraire dans le cochon de Boccace.
Uit het dorp Certaldo (boven) was de familie van Boccaccio (rechts) afkomstig;
vanaf 1361 tot zijn dood zou hij er zelf wonen.
Zesde dag. Tiende Verhaal.
Broeder Ajuin belooft een aantal boeren dat hij hun een veer van de engel Gabriël zal tonen. Als hij in zijn koffertje echter houtskool aantreft, maakt hij hun wijs dat daarop Sint-Laurentius geroosterd is.
Toen iedereen van het gezelschap zijn verhaal had verteld, wist Dioneo dat zijn beurt gekomen was. Zonder een formele uitnodiging af te wachten verzocht hij [ ] om stilte en begon:
Bekoorlijke dames, hoewel ik volgens onze afspraak het voorrecht geniet te praten waarover ik wil, ben ik vandaag niet voornemens een ander onderwerp aan te snijden dan dat waarover jullie allemaal zo boeiend verteld hebben. Integendeel, ik wil in jullie voetsporen treden en jullie verhalen hoe een van de broeders van Sint-Antonius dankzij zijn sluwheid en tegenwoordigheid van geest wist te ontsnappen aan een valstrik die twee jongelui hem hadden gespannen. Jullie zullen het me niet kwalijk nemen als ik, om het verhaal goed uit de verf te laten komen, het wat breed uitmeet: jullie zien immers dat de zon nog steeds hoog aan de hemel staat.
Een verhaal uit de Decamerone. Waterhouse, 1916.
Zoals jullie misschien wel weten, is Certaldo een kasteeldorp in de Val d'Elsa op Florentijns grondgebied, dat, ook al is het klein, eertijds door welvarende en vrijgevige burgers werd bewoond.
Omdat er dus wel wat te verdienen viel, werd het plaatsje gedurende lange tijd één keer 's jaars bezocht door een broeder van Sint-Antonius, die er de dwazen een vette aalmoes afhandig probeerde te maken.
Hij heette broeder Ajuin en was daar een graag geziene figuur, wat misschien minder te danken was aan de godsvrucht van de inwoners dan wel aan zijn naam: Certaldo stond namelijk in heel Toscane bekend om de smakelijke uien die er groeiden.
Broeder Ajuin was een gedrongen mannetje met rood haar en een goedmoedig gezicht en hij was de vrolijkste snuiter die je je kon indenken. Bovendien was hij — ook al kon hij amper lezen en schrijven — zo goed van de tongriem gesneden dat een buitenstaander hem niet alleen voor een groot redenaar zou hebben gehouden, maar zelfs zou hebben gedacht dat hij met Cicero of Quintilianus in hoogsteigen persoon te maken had. En door haast iedereen in de streek werd hij als een lid van de familie, een vriend of toch minstens als een goede kennis beschouwd.

Broeder Ajuin heet in het Italiaans "Cipolla". Hierboven de ui in het wapen van Certaldo.

Nu was broeder Ajuin in de maand augustus weer eens voor zijn jaarlijkse bedeltocht naar Certaldo afgezakt, en toen alle godvrezende mannen en vrouwen uit de omliggende gehuchten voor de zondagsmis in de parochiekerk waren samengestroomd, stapte hij op het meest geschikte moment naar voren en sprak: 'Broeders en zusters, zoals bekend is het jullie gewoonte om elk jaar, ieder naar eigen godsvrucht en vermogen, aan de behoeftigen van de hoogeerwaarde heer Sint-Antonius een deel van de oogst te schenken, opdat deze heilige man zijn beschermende hand zal uitstrekken over jullie ossen, ezels, varkens en schapen. Ook plegen jullie, en vooral dan diegenen die lid zijn van onze broederschap, eenmaal per jaar voor datzelfde goede doel een bescheiden som gelds af te staan. Om deze milde giften in ontvangst te nemen ben ik door mijn overste, de abt, hiernaartoe gezonden. Ik nodig dan ook iedereen met Gods zegen uit om na de nonen, als de klokken luiden, hier voor de kerk samen te komen, waar ik gewoontegetrouw de preek zal houden, waarna jullie in de gelegenheid zullen worden gesteld het kruis te kussen.
En omdat ik weet dat jullie allemaal trouwe vereerders zijn van Sint-Antonius, zal ik jullie als bijzondere toegift een fraaie en aanbiddenswaardige relikwie tonen, die ik eigenhandig uit het Heilige Land overzee heb meegebracht. Het gaat om een van de veren die de engel Gabriël in de kamer van de Maagd Maria achterliet nadat hij haar in Nazareth de blijde boodschap had gebracht.'

Na deze woorden zweeg hij en kon de mis verdergaan.
Terwijl broeder Ajuin dit alles vertelde, waren er onder de talrijke toehoorders in de kerk ook twee gewiekste jongelui, Giovanni del Bragoniera en Biagio Pizzini, die, nadat ze samen hartelijk hadden gelachen om de relikwie van broeder Ajuin, besloten hem met die engelenveer een poets te bakken, hoewel ze goed met hem bevriend waren en vaak in zijn gezelschap vertoefden.
Aartsengel Gabriël in Maria-Boodschap. Bernardo Daddi. In Florence bekend van 1320 tot 1348. Musée du Louvre.
Ze hadden opgevangen dat de bedelbroeder het middagmaal zou gebruiken bij een vriend in de bovenstad en dus wachtten ze het moment af dat hij aan tafel zou zitten en gingen toen naar de herberg waar hij gelogeerd was. Ze spraken af dat Biagio de knecht van broeder Ajuin aan de praat zou houden, terwijl Giovanni tussen de bagage van de frater naar die fameuze veer zou zoeken — hoe die er ook mocht uitzien — en hem zou laten verdwijnen, om eens te zien hoe hij die verdwijning aan het volk zou verklaren.
Broeder Ajuin had een knecht, die door sommigen Guccio de Walvis genoemd werd en door anderen Guccio de Viespeuk of Guccio het Zwijn. Hij was zo'n schurftig kereltje, dat zelfs Lippo Topo's karikaturen er in vergelijking met hem nog heel onschuldig uitzagen.
Broeder Ajuin liet zich tegenover vrienden vaak spottend over hem uit met de woorden: 'Mijn knecht heeft negen ondeugden, die zo erg zijn dat zelfs één ervan, mocht die bij Salomo, Aristoteles of Seneca voorkomen, in staat zou zijn om al hun wijsheid, scherpzinnigheid en deugdzaamheid teniet te doen. Je kunt je dus indenken wat voor een man hij is, die geen spoor van wijsheid, scherpzinnigheid of deugdzaamheid in zich draagt, maar wél negen van die ondeugden bezit.'
De "Walvis" heeft vanuit Bijbels perspectie iets duivels (denk aan Jonas), terwijl het "Zwijn" natuurlijk en verwijzing is naar het varkentje, de metgezel van Antonius, zij het hier in de negatieve betekenis van 'wellusteling'.
Lippo Topo is een apocriefe figuur, aan wie spreekwoordelijk allerlei grappen en potsemakerijen worden toegeschreven.
Als ze hem dan vroegen wat voor ondeugden dat wel waren, antwoordde hij met een rijmpje: 'Hij is een luierik, een lomperik en een viezerik; een leugenaar, een treiteraar en een pruttelaar; een lammeling, een stommeling en een ellendeling; en daarnaast heeft hij nog wat kleine foutjes die we maar beter met de mantel der liefde kunnen bedekken. En wat vooral zo lachwekkend aan hem is: overal waar hij komt wil hij een vrouw strikken en een nestje bouwen; omdat hij een lange, vettige zwarte baard heeft, vindt hij zichzelf zo knap dat naar zijn vaste overtuiging alle vrouwen bij de eerste aanblik al verliefd op hem worden, en als ze hem dan in de kou laten staan, rent hij hen zo hard achterna dat hij er zijn broek bij zou verliezen. Maar hij betekent een grote hulp voor me, want niemand kan mij een geheim vertellen zonder dat hij het ook wil horen. En als mij iets gevraagd wordt, is hij zo bang dat ik het antwoord schuldig zal blijven dat hij al meteen in mijn plaats ja of nee antwoordt zoals het hem uitkomt.'
Toen broeder Ajuin de herberg had verlaten, had hij Guccio op het hart gedrukt niemand toe te laten in de buurt van zijn reisgoed, en zeker niet van zijn zadeltas, omdat daarin de gewijde voorwerpen opgeborgen waren.
Maar Guccio de Viespeuk voelde zich beter in een keuken thuis dan een nachtegaal in het groene lover, vooral als hij vermoedde dat daar een dienstmeid te vinden was. En nu had hij in de keuken van de herberg een kokkin ontdekt die al even breed als hoog was, met kromme benen, een paar memmen als twee mestemmers en een gezicht als dat van de Baronci's. Ze droop van het vet en was helemaal bezweet en berookt, maar Guccio vloog op haar af als een gier op zijn prooi, waarbij hij alle spullen van broeder Ajuin onbeheerd achterliet en er zelfs niet aan dacht de deur op slot te doen.
En hoewel het augustus was, ging hij bij het vuur zitten en knoopte met Nuta — want zo heette ze — een gesprek aan.
Hij vertelde haar bloedernstig dat hij een edelman was bij volmacht, dat hij ruim elfendertigduizend florijnen bezat — die welke hij aan anderen schuldig was, en die eerder meer dan minder bedroegen, nog niet eens meegerekend — en dat hij meer dingen kende en kon dan Dominus Vobiscum zelf.
De gevolgen van onmatigheid. Jan Steen, 1626 -1679. National Gallery. Het varken wordt gevoed met rozen, wat een variatie is op het gezegde: "parels voor de zwijnen" en is in dit schilderij ook symbolisch voor wellust en vraatzucht.
En zonder zich te laten weerhouden door zijn hoed, die zo vettig was dat de Zusters der Armen er een grote pan soep van hadden kunnen koken, noch door zijn gescheurde en gelapte wambuis, dat rond de hals en onder de oksels wel verglaasd leek door het vuil en dat door het grote aantal bonte vlekken kleurrijker was dan een Tataarse of Indische deken, noch door zijn kapotte schoenen en zijn kousen vol gaten, verklaarde hij haar, alsof hij de Seigneur van Châtillon in eigen persoon was, dat hij haar een nieuwe garderobe zou schenken en haar een opknapbeurt zou laten geven, haar uit haar slavernij zou bevrijden en haar — al kon hij geen grote rijkdommen beloven — het vooruitzicht op een onbezorgde oude dag kon bieden, en nog veel dingen meer. Maar met hoeveel genegenheid hij deze voorstellen ook te berde bracht, ze maakten zoals de meeste van zijn ondernemingen evenveel indruk als een vlieg op een koeienvlaai.
Toen de twee jongelui ontdekten dat Guccio het Zwijn druk in de weer was met het versieren van Nuta, konden ze hun vreugde niet op: zo was het karwei immers al voor de helft geklaard.
Ze stapten de kamer van broeder Ajuin, waarvan ze de deur open vonden, ongehinderd binnen, en het eerste wat ze zagen was de zadeltas waarin de veer moest zitten. Toen ze die geopend hadden, vonden ze een overvloedig in tule gewikkeld kistje met daarin de staartveer van een papegaai: dit moest ongetwijfeld de relikwie zijn die hij aan de Certaldezen had beloofd.
Hij kon deze simpele landlieden zoiets inderdaad makkelijk wijsmaken want de oosterse rariteiten, die later helaas heel Italië zouden overspoelen, waren in die tijd nog nauwelijks tot in Toscane doorgedrongen.
En ook al waren ze daar misschien reeds bij een enkeling bekend, in een boeren gat als Certaldo hadden de inwoners vast nog nooit over papegaaien gehoord, laat staan dat ze er al een onder ogen hadden gekregen. Tevreden met hun vondst staken de jongelui dus de veer bij zich, en om het kistje niet leeg te laten deden ze er wat houtskooltjes in die ze toevallig in een hoek van de kamer hadden zien liggen.
Ze brachten de zadeltas weer in zijn oorspronkelijke staat terug en stapten ongezien met hun buit naar buiten, waar ze benieuwd afwachtten hoe broeder Ajuin, als hij in plaats van de fel geprezen relikwie een handvol kooltjes vond, zich uit de nesten zou helpen.
De "houtskooltjes" zijn een verwijzing naar de Divina Comedia van Dante, waarin hij deze als symbool van complete duisternis gebruikt, een totale afwezigheid van het licht van de waarheid.
Er zijn in de Decamerone meer verwijzingen naar Dante, zeker voor wat betreft bedriegende priesters en leugenachtige monniken.
Zie ook verderop in dit verhaal, en het fragment uit de Divina Comedia, Paradijs, hieronder.
De simpele mannen en vrouwen die in de kerk gehoord hadden dat ze na de nonen de veer van de engel Gabriël te zien zouden krijgen, keerden na de mis naar huis terug. Iedereen vertelde het nieuws aan de buren, en de kletskousen van het dorp zorgden wel voor de verdere verspreiding ervan. Na het middageten kwamen de mensen in zulke dichte drommen naar het kasteel plein toegestroomd dat er geen muis meer bij had gekund, en trappelend van ongeduld stonden ze te wachten op het vertonen van de veer.
Broeder Ajuin, die een hartig maal had genoten en daarna nog vlug een tukje had gedaan, werd even na de nonen wakker, en toen hij hoorde dat er een grote menigte boeren op de bezichtiging van de relikwie was afgekomen, droeg hij Guccio de Viespeuk op om de zadeltas samen met de rinkelbel naar het plein te brengen. Deze rukte zich met moeite los van de keuken en van Nuta en sleepte zich met de gevraagde voorwerpen naar het dorp hogerop, waar hij hijgend aankwam, want hij had zoveel water gedronken dat zijn lichaam nog eens zo zwaar geworden leek. Vervolgens ging hij, zoals broeder Ajuin hem gezegd had, voor de kerkpoort staan en begon luid met de bel te klingelen.

Het is hier duidelijk waar de bel van Antonius voor dient:
het trekken van de aandacht en het vragen om aalmoes.

Toen het er zwart zag van de mensen, begon broeder Ajuin nietsvermoedend met zijn preek, waarbij hij zijn stellingen met een vloed van woorden kracht bijzette. Toen het ogenblik was aangebroken om de veer van de engel Gabriël te laten zien, bad hij eerst plechtig het confiteor, liet vervolgens twee toortsen aansteken en wikkelde voorzichtig de tule los. Pas nadat hij eerbiedig zijn hoofd had ontbloot, haalde hij het kistje tevoorschijn. En nadat hij nog enige woordjes gesproken had tot lof en eer van de heilige Gabriël en zijn relikwie, maakte hij het open.
Toen hij zag dat het vol kooltjes zat, was Guccio de Walvis wel de laatste die hij van deze streek verdacht: daarvoor was de knecht veel te eenvoudig van geest. Evenmin vervloekte hij hem omdat hij niet op zijn spullen had gelet, want hij had niets anders verwacht. Maar hij was razend op zichzelf omdat hij hem zijn bezittingen had toevertrouwd, want hij wist toch dat het een lammeling, een stommeling en een ellendeling was.
Uit de Grandes Heures de Rohan. 15e eeuw. Bibliothèque Nationale de France.
Hij vertrok echter geen spier van zijn gezicht, hief de ogen en de handen ten hemel en zei, zo hard dat iedereen het kon horen: 'O God, gezegend zijt Gij om Uw almacht.'Vervolgens deed hij het kistje weer dicht en wendde zich tot de toehoorders met de woorden: 'Broeders en zusters, jullie moeten weten dat ik, toen ik nog maar pas het habijt droeg, door mijn overste naar de landen werd gestuurd waar de zon opgaat, met de uitdrukkelijke opdracht net zo lang te zoeken tot ik de privileges van Varkadië gevonden zou hebben, die, ofschoon er geen zegelrecht op rust, heel wat nuttiger zijn voor anderen dan voor ons. "Varkadië" heet in het Italiaans, "Porcellana", wat natuurlijk betrekking heeft op het varken (porc), wat niet alleen een oort betekent waar men de pleziertjes van het wellustige varken kan beleven, maar wat ook refereert aan de 'rosse' wijk in Florence, waar een straat en een hospitaal zo heetten.
Tegelijkertijd heeft het ook betrekking op Guccio het Zwijn, die namelijk naar een historische figuur verwijst, die Guccio Porcellana heette, en die in de straat Porcellana in Florence woonde en die omstreeks 1324 bewaker was van het Hospitaal Porcellana, dat gesitueerd was in de wijk waar de familie Boccaccio woonde.
Ook de verder nog genoemde 'landen' zijn dubbelzinnige verwijzingen naar straten in Florence met een slechte reputatie, iets wat voor de Florentijnse lezers en toehoorders het verhaal nog extra komisch gemaakt zal hebben.
Als je dit fragment in het Italiaans wil horen:
Dus begaf ik me vanuit Tortellinië op weg naar Boezoekië, waarna ik de koninkrijken Sultanië en Tulbanië aandeed. Ten slotte kwam ik in Ayatolië, vanwaar ik, niet zonder dorst, na enige tijd Fakirië bereikte. Maar waarom zou ik alle landen beschrijven die ik bereisde?
Nadat ik de Straat van Penarië had overgestoken, zette ik voet aan wal in Mopland en Grolland, twee dichtbevolkte naties waar veel mensen wonen. Vervolgens zette ik koers naar Jokkelije, waar ik heel wat confraters vond, naast broeders van andere orden, die allemaal om de liefde Gods honger en dorst uit de weg gingen en zich zorgvuldig van hulp aan hun naaste onthielden om hun beloning in de hemel veilig te stellen, en die altijd betaalden met munten die klonken ook al waren ze niet geslagen. "Mopland" is "Truffia", d.w.z. 'oplichterij' en "Grolland" is "Buffia", d.w.z. 'kluchtigheid' en 'bluf'. "Jokkelije" is 'Leugenland'.
Het betalen "met munten die klonken ook al waren ze niet geslagen" is weer een verwijzing naar Dante, zie hieronder de laatste regel van het canto.
Daarna kwam ik in het land van de Abruzzen terecht, waar de mensen op klompen door berg en dal trekken en de varkens in hun eigen darmen stoppen. Verder kwam ik mannen tegen die hun stokbroden in de broodmand staken en hun wijn in de wijnzak goten. Van daaruit kwam ik bij de bergen van de Basken, waar alle beekjes naar beneden stromen. Kortom, ik reisde steeds maar verder, tot ik ten slotte Voorachterindië bereikte, waar ik, dat zweer ik op de pij die ik draag, het gevogelte zag vliegen: een ongelooflijke ervaring voor wie zoiets nog nooit heeft aanschouwd. En wie mij niet gelooft, moet het maar eens vragen aan de bekende zakenman Jan Contant, die daar noten kraakte en de doppen in het klein verkocht.
Maar omdat ik niet vond wat ik zocht en geen roeispanen bij me had, keerde ik op mijn schreden terug en kwam in het Heilige Land waar 's zomers het koude brood vier stuivers kost, terwijl je het voor niets warm krijgt. Daar ontmoette ik de eerbiedwaardige pater Lamemetrust Asteffekan, de hooggeprezen patriarch van Jeruzalem, die er uit eerbied voor de pij van Sint-Antonius die ik altijd gedragen heb, op stond dat ik alle heilige relikwieën in ogenschouw zou nemen die hij bezat. Dat waren er zoveel dat ik er een mijlenlange opsomming van zou moeten geven, maar om jullie niet teleur te stellen zal ik er toch enkele noemen: eerst toonde hij me de duim van de Heilige Geest, die er gaver uitzag dan ooit tevoren, vervolgens het kuifje van de Serafijn die aan Sint-Franciscus verscheen, en een van de nagels van een Cherubijn, daarna een van de Asperges waarover in de hoogmis gezongen wordt, de jurk van onze Moeder de Heilige Kerk, een paar stralen van de ster die aan de drie Wijzen in het Oosten verscheen, een flesje met het zweet van Sint-Michiel na zijn gevecht met de duivel, de kinnebak van Magere Hein die Lazarus bezocht en nog talloze andere relikwieën.
Reliek van Sint Antonius in de San José kerk in Avila, Spanje.
En omdat ik hem in mijn vrijgevigheid een exemplaar afstond van de codex met de Griekse beginselen in de volkstaal, samen met een paar hoofdstukken van Sodomitius die hij allang zocht, schonk hij me een deel van zijn gewijde relieken: een van de spijkergaten van het Heilige Kruis, een ampul met wat klokgelui van de tempel van Salomo, de veer van de engel Gabriël waar ik het al over had, een van de klompen van de Sint-Gerardus van Villamagna, die ik niet zo lang geleden in Florence cadeau heb gedaan aan een vurige vereerder en naamgenoot van hem, en ook een handvol houtskolen waarop de gelukzalige martelaar Laurentius geroosterd werd.
Al deze dingen bracht ik eerbiedig mee naar onze contreien, waar ik ze zorgvuldig bewaar. Weliswaar heeft mijn overste nooit toegestaan dat ik ze aan iemand zou tonen zolang er geen bewijsstuk van hun echtheid voorhanden was, maar nu die echtheid, niet alleen door brieven van de patriarch maar ook door bepaalde mirakelen die ze verricht hebben, vast is komen te staan, heb ik zijn toestemming gekregen.
Omdat ik ze niet aan anderen durf toe te vertrouwen, houd ik ze steeds bij me. Nu bewaar ik de veer van de engel Gabriël voorzichtigheidshalve in een kistje, en de kolen waarop Sint-Laurentius geroosterd werd in een ander, en deze twee kistjes lijken zo op elkaar dat ik ze vaak met elkaar verwar, wat me ook vandaag is overkomen: in plaats van het kistje met de veer blijk ik namelijk dat met de kolen bij me te hebben.
De martelaar Laurentius, die op een laag vuurtje geroosterd wordt.
Meester van Jean Rolin II (KB).
Ik geloof trouwens niet dat het zomaar een vergissing betreft, integendeel, ik ben ervan overtuigd dat het Gods wil is en dat Hij zelf het kistje met de kolen in mijn handen heeft gelegd om mij er op het laatste ogenblik aan te herinneren dat het overmorgen het feest van Sint-Laurentius is.
En omdat het Gods wil is dat ik op die manier in jullie zielen de vlam van de devotie voor die heilige aanwakker, liet Hij me niet de engelenveer meebrengen, zoals ik me had voorgenomen, maar de gezegende kolen die gedoofd werden door de wegdruipende levenssappen van dit gemartelde lichaam.
Ontbloot daarom, beminde broeders en zusters, het hoofd en kom eerbiedig nader om die te aanschouwen.
Reliek beeldje met een vinger van Sint Laurentius. Koper en verguld zilver. 13e begin 14e eeuw. Musée du Louvre.
Maar dit wil ik jullie eerst nog zeggen: ieder die door deze kolen met het kruisteken wordt aangeraakt, zal het hele jaar lang niet door het vuur omkomen zonder het zelf te voelen.'
Na deze woorden hief hij een lofzang aan ter ere van Sint-Laurentius, deed het kistje open en toonde het kolengruis. En toen de dwaze menigte daar een tijdje eerbiedig en vol bewondering naar had staan gapen, haastten allen zich met veel gedrang naar broeder Ajuin en smeekten hem, na rijkelijker offergaven dan ooit gestort te hebben, hen met die heilige kolen aan te raken.
Daarop begon de bedelmonnik kwistig levensgrote kruisen te tekenen op hun witte kielen en wambuizen en op de sluiers van de vrouwen, waarbij hij hun verzekerde dat de kooltjes na gebruik toch weer in het kistje zouden aangroeien, zoals hij al ettelijke malen had vastgesteld.
Het is grappig dat Boccaccio zo de draak steekt met de verering van relieken, en dat hij daar een Antoniaanse monnik voor gekozen heeft, want hoewel reliekverering ook bij andere orden een rol speelde, was juist bij de Antoniaanse Hospitaalbroeders de verering van de relieken van Antonius, en het gebruik ervan als Saint Vinage in de bereiding van de medicijn tegen het Antoniusvuur, uiterst belangrijk.
Het dragen van grote kruisen op de kledij was trouwens in die dagen een straf (of boetedoening) die door de Inquisitie kon worden opgelegd.
Zo nam broeder Ajuin — tot groot profijt van zichzelf — de lichtgelovigheid van de Certaldezen te baat om wraak te nemen op degenen die hem door de veer te ontvreemden een poets hadden willen bakken. Toen de twee jongelui hoorden en zagen met welke omwegen en in welke bewoordingen de broeder zich hieruit had weten te redden, moesten ze zo hard lachen dat hun kaken er bijna door ontwricht werden.
Nadat het volk huiswaarts was gekeerd, gingen ze naar hem toe en vertelden hem met de grootste vrolijkheid van de wereld wat ze gedaan hadden. Daarop gaven ze hem de papegaaienveer terug, die hem een jaar later niet minder aalmoezen opbracht dan deze keer de houtskool.
Het gezelschap was in de wolken over dit verhaal en er werd hard gelachen om broeder Ajuin en bovenal om zijn pelgrimstocht en om de relikwieën die hij had gezien en meegebracht.

Boccaccio die de Decamerone voorleest aan koningin Jeanne van Napels. Gustaf Wappers, 1849. Musées royaux des Beaux-Arts de Belgique, Brussel.
In dit satirische boek is niet echt sprake van oneerbiedige goddeloosheid, of van minachting voor de verering van heilige objecten, noch twijfel aan de waarde van boetedoeningen zoals het geven van aalmoezen, het reciteren van gebeden of zelfs het verkrijgen van aflaten. Zo stelt hij in III, 7: "Nu is het inderdaad zo dat zonden worden uitgewist met aalmoezen en gebed..."

Door de overdrijving van zijn voorstellingen, door de onwaarschijnlijkheid van de fictieve relieken, maakt Boccaccio duidelijk dat hij de verering van relieken alleen maar bekritiseert, wanneer die omslaat in bijgeloof, als het onderscheid tussen echte en vervalste relieken niet meer gemaakt wordt, als het echte geloof overgaat in blinde lichtgelovigheid.
Boccaccio stelt de domme onwetenden aan de kaak die blindelings in van alles geloven. Hij stelt eveneens degenen aan de kaak die verkeerde overtuigingen propageren en materieel en moreel voordeel uit het bijgeloof van de onwetende massa's halen: niet alleen degenen die zich verrijken (volgens de meest traditionele kritiek op de kerk), maar vooral degenen die aldus hun macht en hun gezag over de eenvoudige zielen vestigen, die zij vervolgens aan hun wil kunnen onderwerpen.
Er zijn talrijke officiële pogingen door de Kerk ondernomen, om een onderscheid te maken tussen de echte heilige objecten die het waard zouden zijn om vereerd te worden, en de voorwerpen die het niet zijn.
Eveneens zijn er talloze besluiten van concilies geweest, die zich tegen het bijgeloof hebben gekeerd en het valse vroomheid rond de relieken.
De handel in valse relieken en het gebruik van vervalste pauselijke attesten schijnen een notoire praktijk van Antonianen geweest te zijn. In 1240 schreef Gregorius IX aan de bisschoppen van Lyon om de voornaamste vestiging van de broeders van Saint-Antoine, die van Vienne, hiervoor te veroordelen.
Het is natuurlijk wel zo dat relieken werken, althans voor degenen die geloven dat ze zo — letterlijk — contact krijgen met een hogere macht. Je kan dat afdoen als bijgeloof, of "magie", maar zeker is dat dit geloof ouder is dan de Katholieke kerk. Het gaat terug naar een geloof in 'aardse' goden en godinnen, zoals vertegenwoordigd in heilige bomen, of in heilige bronnen — later gekerstend in Maria-vereringen. En het heeft ook elementen van voorouderverering.
Hoewel deze praktijkendoor de Kerk als 'heidens' zijn veroordeeld, is de kerk er niet in geslaagd ze uit te roeien. Hooguit heeft ze de gelovigen van zich vervreemd.
Maar daar moet ik wel aan toevoegen dat het eigenlijk niet uitmaakt of de reliek 'echt' of 'vals' is. In die zin is een positief effekt meer een demonstratie van de bijzondere kracht van de geest (mind).
Ook heden ten dage nog leeft het geloof in de kracht van relieken, zie mijn pagina over cultus van Antonius.
Decamerone, Derde dag, Tiende verhaal
Alibech, een jonge vrouw met ascetische aspiraties, gaat op zoek naar een guru en vindt de kluizenaar Rusticus, met wie ze zijn duivel uit haar hel verdrijft. Er zijn zeker echo's van de Vita van Antonius: deze scene speelt zich af in de Thebeïsche woestijn, en Alibech kan nauwelijks lezen of schrijven. De kluizenaars worden blootgesteld aan de Verzoeking des vlezes, die ze niet kunnen weerstaan — dit dan in tegenstelling tot Sint Antonius.
In de stad Gafsa in Berberije leefde eens een schatrijke man, die naast een aantal zonen ook een mooie en charmante dochter had wier naam Alibech was. Ze was geen christin, maar hoorde veel christenen die in de stad woonden vaak de lof zingen van hun geloof en van een godgewijd leven en daarom vroeg ze een van hen op een mooie dag hoe ze God het best kon dienen. Ze kreeg te horen dat de godvruchtigste christenen de wereld ontvluchten, zoals degenen die zich in de eenzaamheid van de Thebeïsche woestijn hadden teruggetrokken.
Eerder door kinderlijke nieuwsgierigheid dan door een weldoordachte overtuiging gedreven, begaf het naïeve meisje, dat hooguit veertien was, zich reeds de volgende morgen zonder iemand iets te zeggen in haar eentje op weg naar de Thebeïsche woestijn.
Na een vermoeiende voettocht van enkele dagen, die haar verlangen echter geenszins aantastte, bereikte ze uiteindelijk de onherbergzame streek.
Van Gafsa in Tunesië naar Thebe is een heel eind.
In de verte ontwaarde ze een hutje, stapte erop af en trof op de drempel een vrome kluizenaar, die haar stomverbaasd vroeg wat ze kwam doen.
Ze antwoordde dat ze Gods roepstem had gehoord en op zoek was gegaan naar iemand die haar kon leren hoe ze Hem het best kon dienen. Bij het zien van haar jeugdige schoonheid vreesde de brave man dat de duivel hem een loer zou draaien als hij haar onderdak bood. Daarom prees hij haar goede voornemens, gaf haar wat wortels, wilde appels en dadels te eten en leste haar dorst met water, waarna hij haar van zich afschudde met de woorden: 'Mijn dochter, hier niet ver vandaan woont een heilig man, die op dat punt een veel beter leermeester is dan ik: wend je tot hem.'
Hij wees haar de weg, maar van deze kluizenaar kreeg ze precies hetzelfde te horen. Zo trok ze steeds maar verder tot ze terechtkwam bij een nog jonge monnik, Rusticus, een bijzonder vroom en goedhartig man, aan wie ze dezelfde vraag voorlegde als aan zijn collega's.
Deze zag daarin een kans om zijn eigen standvastigheid op de proef te stellen en zond haar dus niet zoals de anderen door, maar verleende haar gastvrijheid. Tegen het vallen van de avond spreidde hij voor haar een bedje van palmbladeren en nodigde haar uit zich daarop ter ruste te leggen. Nauwelijks was ze echter gaan liggen, of de Verzoeker begon zich met zijn krachten te meten en algauw moest hij vaststellen dat hij die laatste schromelijk had overschat.
Rusticus of Rustico, zoals hij in het Italiaans heet, is een naam die in eerste instantie nogal landelijk, 'rustiek'. aandoet. Maar er waren inderdaad wel een een drietal heiligen — maar geen kluizenaars — die Rusticus heetten, in de 3e en de 5e eeuw.
Het duurde dan ook niet lang of hij keerde zijn belager de rug toe en gaf zich gewonnen. Hij liet de godvruchtige gedachten, gebeden en boetedoeningen voor wat ze waren vermeide zich in de geest met het beeld van Alibechs jeugd en schoonheid, waarbij hij naar een manier zocht om zijn lusten op haar bot te vieren zonder haar te laten merken dat hij enkel door vleselijke begeerte gedreven werd.
Nadat hij enkele vragen had gesteld om de mogelijkheden af te tasten, bleek dat ze nog nooit met een man had verkeerd en dus even onschuldig was als ze eruitzag. Daarom besloot hij haar onder de dekmantel van een godsdienstige oefening naar zijn hand te zetten. Eerst bracht hij haar omstandig bij dat de duivel de aartsvijand van God is, waarna hij haar te verstaan gaf dat er geen godgevalliger werk denkbaar is dan de duivel terug te sturen naar de hel, waarheen de Heer hem verbannen had.
Het meisje vroeg hem hoe dat in zijn werk ging. 'Dat zul je zo dadelijk zien,' antwoordde Rusticus. 'Je hoeft alleen maar te doen wat je mij ziet voordoen.'
Daarop begon hij zich van zijn schamele kledij te ontdoen. Alibech volgde gehoorzaam zijn voorbeeld en weldra stonden ze daar allebei spiernaakt. Vervolgens liet hij het meisje tegenover zich plaatsnemen en knielde als in aanbidding voor haar neer. In deze positie werd de aanblik van haar charmes hem echter te machtig en kwam de opstanding des vleses.
'Wat is dat voor een uitsteeksel dat ik niet heb?' riep Alibech bij het zien daarvan verwonderd uit.
'Mijn dochter,' zei Rusticus, 'dat is nu de duivel waar ik het daarnet over had. Zoals je ziet, maakt hij me op dit ogenblik het leven zo zuur dat ik het haast niet uithoud.'
'God zij geprezen,' zei het meisje, 'dat ik er beter aan toe ben dan jij: ik heb namelijk niet zo'n duivel.'
'Dat klopt,' zei Rusticus, 'maar omgekeerd heb jij weer iets wat ik niet heb.'
'Wat dan?'
De Verzoeking van de Heilige Antonius. Félicien Rops (1833 - 1898)
'Jij hebt de hel. Volgens mij heeft God jou trouwens hier naartoe gezonden voor mijn zieleheil. Als die duivel me lastig blijft vallen, zou je me een grote dienst bewijzen als je me toestaat hem in de hel te jagen. En tegelijk zou je een godgewijd werk verrichten, wat naar je me vertelde toch het doel is van je komst.'
'Vader,' antwoordde het argeloze meisje, 'als ik dan toch de hel heb, ga dan gerust je gang.'
'Wees gezegend, mijn dochter,' antwoordde Rusticus. 'Laten we dan maar aan de slag gaan en hem op zijn plaats zetten, zodat hij me in het vervolg met rust laat.'
Met deze woorden voerde hij het meisje naar een van de bedjes en leerde haar hoe ze de vervloekeling moest kerkeren.
Alibech, die nog nooit enige duivel naar de hel had gestuurd, voelde de eerste keer een beetje pijn, en daarom zei ze: 'Vader, die Satan moet bepaald een booswicht en een vijand van God zijn, want hij doet, om van het andere maar te zwijgen, zelfs de hel pijn als hij daarheen wordt gestuurd.'
'Kind, dat zal niet altijd zo blijven,' troostte Rusticus haar.
Het verhaal van Alibech en Rustico. Houtsnede uit de Italiaanse uitgave van 1492. De afbeelding toont een p^nis in ere*tie, wat in middeleeuwse voorstellingen een zeldzaamheid is.
En om te vermijden dat zulke ongewenste neveneffecten zich in de toekomst nog zouden voordoen stuurde hij, voordat ze opstonden, de vorst der duisternis tot zesmaal toe naar zijn rijk terug, tot hij compleet van zijn hovaardij was genezen en zich koest hield.
Maar de volgende dagen stak de hoogmoed nog meer dan eens de kop op en telkens was het meisje maar al te bereid om die te kastijden.
Op den duur begon zij in deze taak zoveel behagen te scheppen dat ze tegen Rusticus zei: 'Ik zie nu wel in dat de mensen in Gafsa die me vertelden hoe zoet het is om God te dienen, de waarheid spraken. Voorzover ik me kan herinneren, heb ik nooit een werk verricht dat me zoveel voldoening bezorgde als het in de hel stoppen van de duivel. Volgens mij is iedereen die zich aan andere bezigheden wijdt dan aan de dienst van God een driedubbel overgehaalde ezel.' Vaak trommelde ze Rusticus op met de woorden: 'Vader, ik ben hier gekomen om God te dienen en niet om de handen in de schoot te leggen.
Laten we Satan naar zijn gerechte verblijfplaats terugjagen.' En terwijl ze met dat vrome werk bezig waren, zei ze wel eens: 'Rusticus, ik begrijp niet waarom de duivel de hel telkens weer ontvlucht, want als hij er verbleef met evenveel genoegen als waarmee hij er ontvangen en vastgehouden wordt, zou hij er nooit meer weg willen.'
Door haar geestelijke vader telkens weer tot godsdienstoefeningen aan te sporen jakkerde ze hem zo af dat hij rilde van de kou waar een ander zou zweten. Dus begon hij haar af te schepen met het argument dat de duivel alleen maar gekastijd en de hel ingejaagd moest worden als hij uit hoogmoed de kop opstak: 'En wij hebben hem godzijdank zo zijn vet gegeven dat hij de Heer smeekt hem met rust te laten.'
Zo wist hij haar een tijdje zoet te houden, maar toen ze merkte dat Rusticus helemaal niet meer van plan leek om Heintje Pik nog naar het inferno te sturen, zei ze op een dag: 'Rusticus, al is jouw duivel nu getuchtigd en plaagt hij je niet meer, daarom laat mijn hel me nog geen vrede: dus zou je er goed aan doen om nu met je duivel de woede van mijn hel te helpen bedwingen, zoals ik jou met mijn hel geholpen heb om de verwaandheid uit jouw duivel te verdrijven.'
Rusticus, die op wortels en water leefde, kon het op den duur niet meer bolwerken.
Hij zei dat er te veel duivels nodig waren om zo'n hellevuur te blussen, maar dat hij zijn uiterste best zou doen. En zo wist hij soms wat balsem in de wonde te gieten, al stelde dat niet méér voor dan een boon in een brouwketel. Alibech, die meende dat ze in haar godsdienstige plichten schromelijk tekortschoot, stak haar ontgoocheling niet onder stoelen of banken.
Terwijl aldus tussen Rusticus' duivel en Alibechs hel, of tussen willen en niet kunnen, een hevige strijd aan de gang was, brak in Gafsa een brand uit, die ook het ouderlijk huis van Alibech in de as legde en waarin haar vader, broers en andere bloedverwanten jammerlijk omkwamen. Het gevolg was dat Alibech het gehele familiebezit erfde.
Toen een jongeman met de naam Neherbal, die zijn hele vermogen had verbrast, vernam dat de erfgename nog in leven was, ging hij op zoek naar haar en slaagde erin haar op te sporen voordat de rechtbank de bezittingen van haar vader bij gebreke van rechthebbenden had aangeslagen. Tot groot genoegen van Rusticus en tot haar eigen ongenoegen voerde hij haar mee naar Gafsa en trouwde met haar, waardoor hij mede-eigenaar werd van haar immense fortuin.
Toen een paar vriendinnen haar nog vóór de bruidsnacht vroegen hoe ze in de woestijn God had gediend, antwoordde ze dat ze de duivel naar de hel had teruggestuurd en dat Neherbal een zware zonde had begaan door haar van zo'n godgevallig werk weg te halen.
'Hoe doe je zoiets?' vroegen de vrouwen, en toen Alibech hun dat in woord en gebaar duidelijk maakte, kregen ze haast een stuip van het lachen. 'Wees maar niet bang, kindje,' proestten ze, 'dat wordt ook hier gedaan. Je kunt ervan op aan dat Neherbal met jou God niet minder ijverig zal dienen.'
Het verhaal van de bekeerlinge ging als een lopend vuurtje door de stad en weldra was het een gevleugeld woord dat de beste manier om God te dienen erin bestaat de duivel de hel in te drijven. Van overzee bereikte dit spreekwoord onze moederstad en het is er in zwang gebleven.
Fenesta ca lucive van Morriconi, uit de de film de Decamerone van Pasolini.
Decamerone, Derde dag, Zevende verhaal
Verder vinden we in de Decamerone, Derde dag, Zevende verhaal, een passage, die ook handelt over bedriegelijke praktijken van geestelijken, waaruit overigens eens te meer de invloed van Dante duidelijk wordt, want deze passage lijkt Canto 29 uit de Divina Comedia (zie hierboven) te imiteren, in slechts iets andere woorden.
Maar hier is zeker sprake van ongezouten kritiek en is de luchtige toon ver te zoeken. En het wordt ook duidelijk dat het niet alleen de Antonianen zijn die zich schuldig maken aan onoirbare praktijken, wat Dante lijkt te willen suggeren.
Vroeger waren paters uiterst vrome en eerbiedwaardige mensen, maar heden ten dage kan men degenen die zich de naam pater aanmatigen nog slechts herkennen aan hun habijt, en zelfs dat is niet meer wat het placht te zijn, want terwijl de stichters van de kloosterorden voorschreven dat het krap, schamel en uit ruwe stof vervaardigd moest zijn als teken van hun verachting voor de wereld, gaan de paters van vandaag gekleed in ruime, gevoerde, glanzende pijen van het fijnste laken. Met die elegante, vorstelijke gewaden lopen ze schaamtelozer dan leken in de kerken en op de pleinen te pronken.
En zoals vissers het erop aanleggen om met één worp van hun net zoveel mogelijk vissen binnen te halen, zo trachten die zogenaamde paters zoveel mogelijk kwezels, weduwen en pilaarbijters van beiderlei kunne in de wijde zakken van hun pij te stoppen. Met iets anders houden ze zich nauwelijks bezig. Om de waarheid eer aan te doen zou ik dus moeten zeggen dat ze niet eens het habijt van geestelijken dragen, maar enkel de kleur ervan.
De paters van weleer beijverden zich bovendien voor het zielenheil van hun medemens, terwijl die van vandaag alleen op vrouwen en geld uit zijn. Ze putten zich uit in vervloekingen en schilderen afschuwwekkende helletaferelen om goedgelovige zielen de stuipen op het lijf te jagen en hun aan het verstand te brengen dat zonden met aalmoezen en missen moeten worden afgekocht. Zo krijgen deze heren, die meer uit luiheid dan uit devotie in het klooster zijn getreden, het voor elkaar dat de een hun brood toestopt en een ander hen van wijn voorziet, terwijl een derde hen aan tafel uitnodigt om de zielerust van zijn overledenen te verzekeren.
Nu is het inderdaad zo dat zonden worden uitgewist met aalmoezen en gebed, maar als de milde schenkers zouden beseffen van welk allooi de begunstigden zijn, dan hielden ze hun goeie geld voor zich of wierpen het nog liever voor de zwijnen.
En omdat die huichelaars maar al te goed weten dat veel varkens de spoeling dun maken, trachten ze met getier en bangmakerij anderen uit de buurt van de goudmijn te houden, zodat alleen zijzelf daaruit kunnen putten.
Ze klagen de wellust van de mannen aan in de hoop dat die hun staart zullen intrekken en de vrouwtjes aan hun aanklager overlaten.
Een tarotkaart, geïnspireerd door de Decamerone.
Ze laken woeker en oneerlijke winst in de hoop met de terugbetaling te worden belast: dan kunnen ze, met hetzelfde geld waarvan ze beweerden dat het de bezitter ervan in het verderf zou storten, hun habijt nog wat ruimer maken en bisschopszetels en andere prelaatschappen najagen.
En als iemand hun deze en andere wandaden aanwrijft, maken ze zich ervan af met de leuze "Luister naar onze woorden, maar kijk niet naar onze daden", alsof de schapen en niet de herder het goede voorbeeld moeten geven. Maar hoewel velen zich door hun misleidende taal zand in de ogen laten strooien, zijn er toch ook heel wat die hun listen en lagen doorzien.
De monniken van vandaag eisen van de gelovigen dat ze doen wat hun gezegd wordt: hun beurzen spekken, hun alle zielsgeheimen toevertrouwen, de kuisheid beoefenen, geduldig en vergevingsgezind zijn, achterklap mijden.
Allemaal goede, prijzenswaardige en godgevallige betrachtingen. Maar waarom vragen ze dat alles?
Enkel en alleen om bij hun streven naar wereldse geneugten alle mogelijke concurrentie van de leken te voorkomen.
Wie zal ontkennen dat ledigheid zonder geld niet lang kan duren?
Als Jan met de pet zijn geld laat rollen voor zijn eigen pleziertjes, is het afgelopen met het luilekkere leventje van de papen in hun klooster; als hij de vrouwtjes het hof maakt, is de kans voor de papen verkeken; als hij prikkelbaar of haatdragend is, zullen de papen niet het lef hebben om in zijn huishouden ruzie te komen stoken. Maar waarom zou ik hier nog verder over uitweiden?
Telkens als ze weer met hun welbekende excuus voor den dag komen, vallen ze voor de goede verstaander door de mand. Waarom blijven ze niet bij hun moeder thuis als ze zich niet in staat voelen om een kuis en deugdzaam leven te leiden?
En als ze dan toch het geestelijke kleed aantrekken, waarom treden ze dan niet in de voetsporen van Christus, die volgens het evangelie genezend en predikend rondtrok? Laten ze eerst zélf het goede voorbeeld geven, vóór ze anderen de les lezen. Ik heb er in mijn leven wel duizend gekend die het dag en nacht aanlegden met al wat rokken draagt, niet alleen met wereldse vrouwen, maar zelfs met kloosterzusters.
En meestal waren dat degenen die het hardst verdoemenis riepen op de preekstoel.
De Decamerone werd in 1497 door Girolamo Savonarola verbrand omdat het onzedelijk zou zijn.

Heeft u informatie over Antonius Abt, of vragen, neem dan contact op met mij: Dolf Hartsuiker