Vita Antonii Abba's Iconografie Vuur Antonianen Kunsten Cultus Folklore Plant Dier Literatuur Paulus Hilarion Maria Simeon Adolphus
Nederlands Frans Italiaans Spaans Portugees Koptisch Duits Orthodox Engels Amerikaans Aziatisch
Antonius planten op het Isenheimer retabel

Ik heb het overzicht van Antonius planten over drie pagina's verdeeld.
Op de tweede pagina vermeld ik planten afgebeeld op andere schilderijen (zoals van Hiëronymus Bosch) en prenten.
Op de derde pagina vermeld ik de planten en bloemen die genoemd zijn naar Antonius of die het Antoniusvuur zouden genezen.
Op deze pagina, de planten die afgebeeld zijn op het Isenheimer retabel van Mathias Grünewald:
Plantago major / Grote weegbree;
Plantago lanceolata / Smalle weegbree;
Verbena officinalis / IJzerkruit of IJzerhard;
Gentiana cruciata / Kruisgentiaan;
Vincetoxicum officinalis / Witte engbloem;
Papaver dubium / Bleke klaproos;
Veronica teucrium / Grote ereprijs;
Trifolium repens / Witte klaver;
Lamium album / Dovenetel;
Ranunculus bulbosus / Boterbloem Sint-Antoniusraapje;
Anemone sylvestris / Bosanemoon;
Triticum spelta / Spelt;
Scrophularia aquatica, auriculata & nodosa / Sint-Antoniuskruid, Sint-Anthoniusknollen, Helmkruid.
De reden waarom de naam van een heilige aan een bepaalde plant werd gegeven, is niet altijd duidelijk. Het kan zijn dat die plant bloeit rond de feestdag van de heilige (zoals bijvoorbeeld het sint-janskruid). Vaak ook is het een meer uiterlijke symboliek, zoals de witte lelie van de Maagd Maria, die puurheid symboliseert.

Bij Antonius, niet alleen de genezer van het Sint-Antoniusvuur, maar ook nog van tal van andere ziekten van mens en vee, ligt het voor de hand dat de planten die zijn naam dragen, geneeskrachtige kruiden zijn.
Een aantal van deze werden gebruikt voor de behandeling van Sint-Antoniusvuur, maar hadden ook een wijdere toepassing.
En andersom, een aantal planten die naar Antonius vernoemd zijn, werden niet gebruikt tegen Sint-Antoniusvuur, maar voor andere kwalen.
In ieder geval is het zo, dat in het geval van Antonius een verband met het bloeien van een plant rond zijn jaardag — 17 januari — niet zo voor de hand ligt. De enige die daar enigszins voor in aanmerking zou kunnen komen, is het sneeuwklokje, die wel Sint-Antoniusbloem genoemd wordt. Maar die bloeit toch eigenlijk pas veel later, begin februari, en in vroeger eeuwen toen het veel kouder was in de winter, waarschijnlijk nog later. Als het geen geneeskrachtig kruid zou zijn — wat door sommigen beweerd wordt — zou het verband nog eerder met de vorm te maken kunnen hebben — het klokje van Antonius.
Antonius in de kruidentuin
Overigens ben ik voornamelijk geïnteresseerd in de folkloristische en symbolische aspecten van de planten en bloemen, en niet zozeer in de geneeskrachtige eigenschappen, hoewel de folkloristische en symbolische kenmerken natuurlijk weer — voor een deel tenminste — zijn ontleend aan de medische.

De informatie heb ik ontleend aan meerdere sites. Voor de meest geciteerde, zie de opgave onderaan de pagina.

Twee belangrijke bronnen wil ik toch wel meteen vermelden.
Dat is in de eerste plaats het [D] Cruyde-Boeck van Dodoens uit 1554. Dit Cruijdeboeck is een bijzondere verzameling van de kennis de geneesmiddelen in een periode die samenvalt met een zeer bijzondere aandacht ook voor Antonius, zowel als genezer als wel als onderwerp van schilder- en beeldhouwkunst. Het Cruijdeboeck is ook tot stand gekomen in dezelfde periode als het retabel van Isenheim, bijvoorbeeld.
Op beide pagina's over de Antoniusplanten heb ik uit deze bron geput.
De oude Nederlandse spelling is best te ontcijferen, dus heb ik het zo gelaten.

Een andere belangrijke bron is de zeer uitgebreide site over het Retabel van Issenheim [R], waar ik alleen op deze pagina uitgebreid aandacht aan geef.
Op een andere pagina op mijn site bespreek ik de schilderijen en beelden van dit altaarstuk dat zich bevindt in het Musée d'Unterlinden in Colmar, met nadruk op de afbeeldingen van Antonius.

Ik heb dIt overzicht van de Antoniusplanten dus over twee pagina's verdeeld.
Op deze, de eerste vermeld ik de planten op het Retabel van Issenheim.
Overigens is dat niet het enige schilderij waarop duidelijk te determineren planten zijn weergegeven. Dat is ook het geval op het schilderij van Hiëronymus Bosch, Verzoeking van St. Antonius, dat in het Prado hangt. Voorzover ik weet zijn nog geen herbalisten hiermee bezig geweest maar een aantal planten komen zeker overeen met die op het retabel.
Er zijn er meer geneeskrachtige kruiden die bekend zijn uit recepten tegen Antoniusvuur en meer algemene kruiden die misschien niet tegen Antoniusvuur maar voor andere kwalen werden gebruikt, maar waarvan sommige wel met de naam van Antonius worden gesierd, en die vermeld ik op de tweede pagina, t.w. Antonius planten, bloemen en vruchten en één Antoniusdier.

Geneeskrachtige planten bij Grünewald
St. Antonius Abt bezoekt St. Paulus de Heremiet in de woestijn. Retabel van Isenheim; 1512-1516. Matthias Grünewald. Musée d'Unterlinden, Colmar, Frankrijk.

Op dit paneel staat de ontmoeting afgebeeld van Antonius en Paulus van Thebe, de zeer bekende scène van het wonder van de raaf die hen beiden een brood komt brengen. De twee zitten in een nogal desolaat natuurlandschap met op de voorgrond een aantal planten (zie het detail hieronder).
(Navolger van) Hiëronymus Bosch. Verzoeking van St. Antonius (c.1500-25); Museo del Prado, Madrid, Spanje.
Een landschap met monsters en soldaten. Op de voorgrond zijn een aantal interessante planten afgebeeld.
Zie voor deze planten pagina 2 van de planten.
De op het retabel afgebeelde planten, zo mag men redelijkerwijs mag aannemen, werden als geneeskrachtige kruiden bij de behandeling van het Sint-Antoniusvuur gebruikt, temeer daar een lijder aan die ziekte op het daar tegenover liggende paneel van het retabel zeer plastisch en afschrikwekkend is weergegeven.
Omdat het retabel een duidelijk zichtbare getuigenis aflegt van deze kruiden, en omdat deze zijn gedetermineerd, zal ik die afbeelding als leidraad nemen voor dit hoofdstuk. Deze informatie is grotendeels ontleend aan een uitgebreide site over het Isenheimer retabel [R], maar dan wel uitgebreid met informatie van andere sites.
Op het schilderij van (de navolger van) Bosch, komen een aantal dezelfde kruiden voor als op het Isenheimer paneel, maar deze zal ik op de andere pagina over Antonius-planten behandelen..
Detail van het Isenheimer retabel
Ook op het Isenheimer retabel zijn overigens niet alle planten eenduidig te interpreteren, en sommige zijn helemaal niet te identificeren. Met enige zekerheid worden er 14 à 15 onderscheiden.
Maar er zijn hieronder maar twee die met de naam van Antonius gesierd worden, namelijk het Sint-Antoniusraapje, de boterbloem, ofwel ranunculus bulbosus. In het Frans Rave de Sainte Antoine genoemd, en in het Engels Saint Anthony’s rape. De andere is Sint-Antoniuskruid, helmkruid, ofwel scrophularia aquatica, met als variant de Sint-Anthoniusknol ofwel scrophularia nodosa.
[R] Zelfs als niet alle planten duidelijk kunnen worden geïdentificeerd, zo lijkt toch elk van hen op enigerlei wijze het "welzijn van de mens” te dienen.
In de Antonius-balsem, waarvan men een recept heeft gevonden, komen alleen de twee weegbree soorten voor en opvallend genoeg, niet de andere planten die op het Isenheimer altaar zijn afgebeeld. Maar wellicht zijn er nog andere recepten waarin dat wel het geval is.
Men vermoed in ieder geval dat die andere planten van het schilderij als ingrediënten van de Antonius-wijn — Saint Vinaigre — beschouwd moeten worden. De aanwezigheid van ijzerkruid zou dat kunnen bevestigen, want ijzerkruid werd opgelost in wijn en werd als ontgiftend middel toegediend. Het kan dus een heel belangrijk ingrediënt in de Antonius-wijn geweest zijn.
Zelfs bij een oppervlakkige blik op het schilderij valt al op hoe verschillend de twee groepen van planten gesitueerd zijn: aan de linker kant — bij Antonius — drie kruiden in een heldere omgeving, met veel ruimte geschilderd, aan de rechter kant, de planten bij Paulus — dicht op elkaar, waarbij de ene plant bijna in de andere overgaat.
(Links) De drie planten bij Antonius en in de onmiddellijke nabijheid van wapen van Guido Guersi, preceptor van de Antonianen in Issenheim en opdrachtgever van het altaarstuk — met als contrast de felverlichte steen daarachter — wekken in ieder geval de indruk dat daar iets speciaals wordt getoond. Het lijkt bijna alsof smalle weegbree, ijzerkruid en grote weegbree "in een ander licht” gesteld worden.

(Onder rechts) Maar hoe zit het dan met de planten, die onder Paulus worden weergegeven? Het zijn — voor zover ze kunnen worden gedetermineerd — bekende middelen voor genezing en behandeling. De meeste van deze planten hebben echter verwarmende en bloeddoorstroming bevorderende eigenschappen.
Voor een behandeling in de laatste fase van het Antoniusvuur, die doorgaans met een amputatie afgesloten werd, lijken ze vanwege de gevaar van verbloeden daarom nogal ongeschikt.
Het enige doel van een geneesmiddel, dat uit de hier getoonde planten was bereid, zou de toediening ervan in een zeer vroeg stadium van de ziekte met zijn bloedsomloopstoornissen zijn geweest. Op dat moment zouden de patiënten nog niet in het ziekenhuis zijn.
Behoorden deze kruiden tot de geneesmiddelen, die de Antonianen op hun regelmatige reizen door de steden voor de behandeling van de eerste stadia van ergotisme aangeboden?
Het is wel opmerkelijk dat juist de enige twee planten die de naam van Antonius dragen — namelijk het Sint-Antoniusraapje, de boterbloem en het Sint-Antoniuskruid, helmkruid — in deze groep onder Paulus worden aangetroffen.
Afgezien overigens van de fysieke uitwerking van deze middelen, zouden ook de psychische effecten in ogenschouw genomen moeten worden. Tenslotte veroorzaakte ergotisme ook hallucinaties en duivelse visioenen. Je zou dan vermoeden dat vooral de kruiden die bij Antonius — als overwinnaar van de duivel — gegroepeerd zijn, voor dit doel geschikt zouden zijn. Zo kwam ik op een van de kruiden sites de opmerking tegen dat rauwe wortel van de grote weegbree giftig zou zijn! In het algemeen betekent dat echter dat het in geringere doses psychotrope eigenschappen heeft. Zoals bijvoorbeeld ook van de vliegezwam wordt beweerd dat deze giftig is, terwijl deze in feite hallucinaties veroorzaakt. Dit kan ook van ijzerhard, een zeer magisch kruid, beweerd worden.
Plantago major Grote weegbree
[R] De grote weegbree is op het schilderij gemakkelijk te herkennen. De primaire kwaliteiten hiervan worden als drogend en koelend beschreven en de weegbree wordt in het bijzonder voor gebruik bij het Antoniusvuur aanbevolen.
In een recentelijk ontdekt recept voor Antonius-balsem wordt weegbree genoemd, met de toevoeging, "beide soorten".
Aangenomen mag worden dat hiermee grote en smalle weegbree bedoeld wordt. Dit zou betekenen dat grote en smalle weegbree op dat moment de enige op het altaar weergegeven planten zijn die voor de behandeling van Antoniusvuur door de Antonianen gebruikt zouden worden.
Ervan uitgaande tenminste dat er geen andere recepten zouden zijn, wat mij toch wel waarschijnlijk lijkt.
Fleur de lys
Een niet direct kruidenkundige opmerking, ook al gaat het over een bloem: de Franse lelie op het “wapen” van preceptor Guido Guersi komt ook wel voor op de mantel van Antonius van sommige Middeleeuwse, beelden (zie bijv. een beeld in Zuurbemde). En dan nog de azuurblauwe achtergrond, typisch ook een kleur van Antonius, van de T op zijn mantel bijvoorbeeld.
En op een gezangenboek in Saint-Antoine-l'Abbaye zien we de fleur de lys naast het Antoniaanse wapen.
De lelie wordt beschouwd als een specifiek Maria-symbool, en met haar drie bloemblaadjes zou de fleur de lys de heilige Drie-eenheid representeren.
Maar het lijkt toch ook wel een typisch Antoniaans symbool te zijn.
Dit wapen van Guido Guersi, exact hetzelfde, is ook als sluitsteen te zien in het voormalig poorthuis van de commanderij in Issenheim.
Plantago lanceolata Smalle weegbree
[R] Een andere plant van de groep van drie bij Antonius lijkt gedeeltelijk onder het frame te verdwijnen. Het is waarschijnlijk een smalle weegbree (links onder).
Aan dit kruid worden in grote lijnen dezelfde eigenschappen en toepassingsgebieden als de grote weegbree toegekend, maar in minder sterke vorm. Het heeft ook drogende en koelende eigenschappen.
De smalle weegbree komt op nog een ander plaats op het schilderij voor (rechts), te weten in de tweede, grotere groep van planten, onder Paulus. Hier echter is de plant niet weergegeven met oprijzende bladeren, maar zijn ze veel meer op de grond gespreid.
Wat de werking van weegbree betreft, lezen we in het Cruijdeboek van Dodoens:
[D] Cracht en werckinghe
A Die bladeren van Wechbree in spyse oft anders inghenomen sijn seer goet tseghen den loop ende vloet van den catarren/ ende stercken die maghe/ ende sijn bequaem den ghenen die uutdroeghen ende die hoesten.
B Die selve bladeren ghesoden ende ghedroncken stelpen dat root melizoen ende den loop des buycx/ ende dijsghelijcx oock dat bloet spouwen/ tbloet pissen/ ende der vrouwen overvloedighe natuerlijcke crancheyt/ en alle bloet ganck.
C Tsap van Wechbree inghenomen stelpt ende doet ophouwen dat overvloedich braken/ ende stopt alderhande bloet ganck ghelijck die bladeren ende tsaet.
D Die wortel van Wechbree alleen oft met den wortelen ende saet in soeten wijn ghesoden ende ghedroncken opent die verstopte lever ende nieren/ ende sijn goet tseghen die geelsucht ende sweringhen der nieren ende der blasen.
E Men scrijft oock van Wechbree dat drije wortelen met water ende met wijn inghenomen die derdedaechse cortse/ ende vier wortelen die vierdedaechse cortse ghenesen ende verdrijven.
Plantago major
F Wechbree es oock goet ghebruyckt tot alle quade onsuyvere loopende ulceratien ende sweeringhen/ ouwe ende nieuwe wonden/ alle hittighe apostumatien ende gheswellen/ tot den cancker/ fistulen/ loopende gaten / quade crauwagien/ ende tseghen die beet van quade en verwoede honden / die bladeren ghestooten ende daer op gheleyt/ oft tsap daer inne ghedruypt oft vermenght met die plaesteren ende salven die daer toe ghebruyckt worden ende bequaem sijn.
G Die selve bladeren van Wechbree versueten die pyne van tfledercijn ende sijn seer goet gheleyt op die siecke leden die root ende vol hitten ende pijnen sijn.
H Tsap van Wechbree es oock seer goet tseghen die pijne der ooren/ wedom en verhittinghe der ooghen daer inne ghedruypt.
I Tselve sat oft dwater daer die bladeren oft wortelen van Wechbree inne ghesoden sijn ghenesen die quade heete sweringhen des monts/ den tantsweer/ ende die bloedinghen van dat tantvleesch/ dickwils in den mont ghenomen ende den mont daer mede ghespoelt.
K Die bladeren van Wechbree met sout vermenght verdrijven die sweerende clieren/ ende apostumatien ontrent den ooren ende keele/ daer op gheleyt/ oft die wortelen daeraf aen den hals ghedraghen als sommighe ghescreven hebben.
Plantago minor
[B] ... de grote weegbree gold als een plant die alle kwalen kon verhelpen. Zelfs een slangenbeet of de beet van een dolle hond zouden door het sap van de plant genezen. De duivel kon dit niet verdragen, zo meldt de legende, en beet woedend een stuk van de wortel af, zodat de wortel stomp is geworden.
Bedevaartgangers legden weegbree in de schoen om geen blaren te krijgen.
De smalle weegbree werd vroeger eveneens gezien als een belangrijk geneeskruid.
Meestal werd er thee getrokken van de bladeren. De drank zou helpen tegen hoest. Als je kiespijn had, moest je een tijdje kauwen op de wortel van de smalle weegbree, want dat verloste je binnen een uur van de pijn. Ook kompressen, samengesteld uit gekneusde bladeren, hielpen om bijen- of wespensteken snel te genezen.

Er zijn nogal wat volksnamen: hondsbloem, ganzentong, tonge, schapentongen, slakkenbedden, hazenoren. Kempische volksnamen: hondsribben, hondribbel, ribbel, hondblaar, hondstong, ganzetong, wegentree.
Tenslotte, afgezien van alle medische eigenschappen van de weegbree, is ook de symbolische waarde van deze planten — zeker op een schilderij vol religieuze symboliek — niet te onderschatten.

Plantago komt van Planta pedis (Latijn) en betekent "voetzool" duidend op de gelijkenis van de bladeren met een voetzool. Weegbree werd eerst door de Romeinse soldaten over heel Europa, en daarna vanuit Europa door de hele wereld verspreid.

[K] Maar belangrijker, weegbree is een plantje dat het overal doet, zelfs op paden waar veel op gelopen wordt. Daarom wordt het in Engeland ook wel ‘way bread’ genoemd en het werd het symbool van het veelbetreden pad van de mensheid die zoekt naar de weg van Christus.
De plantago lanceolata kreeg zijn naam door zijn puntige bladeren, die deden denken aan de speer die in Jezus zijde gestoken werd, toen hij gekruisigd werd. Daarom symboliseert deze plant het Lijden van Christus.
Omdat het een algemene en nederige plant is, werd hij door Italiaanse Renaissanceschilders afgebeeld op schilderijen voorstellende de Nederigheid van Maria of van de Heilige Familie.
De plantago heeft 7 bladeren, dus symboliseert hij de 7 Gaven van de Heilige Geest.
De plantago had soms echter een geheel tegengesteld symbool, namelijk van steriliteit, omdat volgens Plinius, een drank van deze plant steriliteit kon veroorzaken.
Verder werd de plantago beschouwd als een plant die al het Kwaad weerde en daarom was het ook het symbool van de Verlossing.
Verbena officinalis IJzerkruit of IJzerhard
[R] De derde plant in de groep bij Antonius, achter de grote weegbree, is zonder aarzelen te herkennen als ijzerkruid. De eigenschappen van ijzerkruid worden beschreven als koelend en drogend.

Het werd niet uitdrukkelijk voor de behandeling van Antoniusvuur aanbevolen, maar de ontgiftende werking, als het tezamen met wijn werd toegediend, is wel vermeld en een paar decennia na de totstandkoming van de altaarstukken werd ijzerkruid wel gebruikt voor de uitwendige behandeling van Antoniusvuur.
In het Cruideboek lezen we de volgende medische eigenschappen:
[D] Cracht en werckinghe
A Die bladeren van dat rechte dat es rechtopwassende Verbene/ oft die wortelen alleene/ oft beyde tsamen in water ghesoden/ sijn seer goet voor die sweeringhen des monts/ ende des tantvleeschs/ alsmen daer mede den mont spoelt.
B Tselve water daer die Verbene oft huer wortelen in ghesoden sijn/ es goet tseghen die tantsweer/ ende maeckt die tanden vast/ dicwils in den mont ghenomen/ ende vijf daghen lanck ghedroncken gheneset dat Crimpsel des buycx.
C Dese Verbena met olie van Roosen ende azijn vermenght oft in olie ghesoden ende op thoot ghelijck een plaester gheleyt/ gheneest die pijne ende weedom des hoofs. Tselve doet oock een cransken van Verbena om thoot ghedraghen als Archigenes scrijft.
D Die bladeren van Verbena met verckens liese vermenght oft met olie van Roosen versueten ende ghenesen die pijne ende weedom der moedere daer op gheleyt.
E Die selve bladeren met azijn vermenght sijn goet gheleyt op dwilt vier/ verergerde ende vervuylde sweeringhen/ ende met huenich ghemengelt ghenesen zy die versche wonde/ ende sluyten die oude.
F Die cruypende oft neere Verbene es goet tsegen alderhande fenijn beet ende steeck van slanghen ende andere fenijnnige ghedierten met wijn ghedroncken oft van buyten daer op gheleyt.
G Die bladeren van dese Verbene een vierendeel loots swaer met half zoo veel wieroocx ende met ouden wijn veertich daghen nuchter ghedroncken ghenesen die geelsucht.
H Die bladeren van die neere Verbene met den wortelen in wijn ghesoden es goet tseghen die quade ende voorts etende sweeringhen des monts ende der amandelen/ die mont daer mede ghespoelt.
I Die gruene bladeren ghestooten minderen die ghezwillen/ versueten die pijne van den hittighen apostumatien/ ende suyveren die vervuylde sweringhen daer op gheleyt.
K Van deser Verbene vindtmen ghescreven dat dwater daer zy in gheleyt es/ in die eetcameren ghesprayet/ het gheselcap blijde ende vrolick maeckt.
L Item dat een tacxken met drije ledekens goet es ghedroncken tsegen die derdedaechse cortsen/ ende met vier ledekens oft knoopkens tseghen die vierdedaechse.

IJzerhard is een kruid dat sinds mensenheugenis gebruikt wordt, en de medische, folkloristische en ‘magische’ eigenschappen zijn dan ook zeer uitgebreid.
In die antieke opvattingen en gebruiken vinden we toch ook heel wat ‘links’ met Antonius, zeker als we ervanuit gaan dat hij een gekerstende “incarnatie” van een Keltische godheid, druïdische genezer of ‘tovenaar’ zou zijn.
Ook deze plant — net als de weegbree — lijkt zeker psychotrope eigenschappen te hebben, ook al wordt daar in het hierboven genoemde kruidenboek niet direct op gewezen.
Verbena wordt beschreven als een kruid dat alle “duivelsche ziekten” kan genezen. Antoniusvuur werd ongetwijfeld gezien als een duivelse ziekte, en Antonius een duivelsbestrijder, dus is het nogal vanzelfsprekend zowel genezer als geneesmiddel tezamen aan te treffen. Verder werd (en wordt) het gezien als een middel dat kan beschermen tegen heksen, duivels, geesten en demonen, vergif en toverij. Ongetwijfeld ook werd Antonius aangeroepen voor hetzelfde doel, en ongetwijfeld ook werd bijvoorbeeld de oorzaak van Antoniusvuur toegeschreven aan dit soort hekserijen en bovennatuurlijke invloeden.
De informatie hieronder heb ik samengesteld uit die van drie sites [A] [K] [*] maar er is op het internet veel meer te vinden.
De botanische geslachtsnaam ‘Verbena’ is afkomstig van het Oud-Griekse ‘Verbenaca’, dat weer afstamt van een oud Indo-Europees woord dat magische staf betekende.
Het Franse ‘Vervaine’ en het Engelse ‘Vervain’ zijn natuurlijk direct afgeleid van Verbena, terwijl het Nederlandse IJzerhard en het Duitse Eisenkraut een andere oorsprong hebben.
De verklaring die het meest voor de hand lijkt te liggen is dat "ijzer" naar het gelijknamige metaal verwijst, en dit wordt uitgelegd doordat de stengels ‘zo taai als ijzerdraad zijn’, en een metaalachtige kleur hebben, en ‘zo hard zijn dat je het met een ijzeren zeis moeilijk kan maaien’ of tenslotte ‘niets kan ijzer zo hard maken als het sap van het kruid’.
In de middeleeuwen werd het kruid beschouwd als een magische plant die in staat was om met haar sap ijzeren harnassen, maliënkolders, pantsers en schilden ondoordringbaar te maken voor pijlen.
Toch zijn dit wellicht slechts verklaringen ‘achteraf’: meer waarschijnlijk ligt de oorsprong in ‘Isernkraut’, waarbij "is" hard of taai betekend.
Nederlands: Duive(n)gras, Duivekruid, Eizen, Fleuruskruid, IJzerkruid, Iserhart, Iserhert, Kerckkruyd, Pleuriskruid, Strooikruid.
Engels: Enchanter’s Plant, Herba Sacra, Herb of Grace, Herb of Enchantment, Van-Van, Herb of the Cross, Holy Herb, Juno’s Tears, Pigeon’s Grass, Pigeonwood, Simplers Joy, Verbena, Vervan
Duits: Altarkraut, Opferkraut, Gegenkraut, Dinskraut, Richardskraut, Sagenkraut, Taubenkraut, Stahlkraut, Druidenkraut, Eisenhart, Eisenherz, Wundkraut, Isenkraut, Wunschkraut, Traumkraut, Mönchskappe, Teufelswurz, Venusader, Träne der Isis, Junoträne.
IJzerhard werd in veel verschillende culturen bij religieuze rituelen gebruikt. Vóór de Grieken en de Romeinen, en de Kelten en de Germanen, beschouwden ook de Perzen en de Egyptenaren het IJzerhard reeds als een heilige plant.
Bij de Egyptenaren was het kruid aan Isis gewijd, en werd het gebruikt bij talrijke religieuze plechtigheden. Men ging ervan uit dat het kruid ontsproten was uit de tranen van Isis, die huilde om haar vermoorde echtgenoot.
Voor de Grieken was het kruid één van de ‘hiero botane’, heilige kruiden. De Grieken en de Romeinen, die wijdenhet kruid toe aan Aphrodite/Venus, de godin van de liefde, en door de eeuwen heen, tot in de eerste helft van de 20ste eeuw, werd het kruid in liefdesdrankjes en liefdesbetoveringen gebruikt. De plant zou ook het vermogen hebben om vijanden te verzoenen.
In Griekenland gold het als een gelukskruid. Bosjes ijzerhard werden aan deurposten en in de stallen gehangen ter bescherming.
De Romeinen gaven ijzerhard de naam Herba Sancta (heilig kruid). Koeriers te paard droegen het kruid ter bescherming tegen de vijand. Verdragen werden beklopt met een bosje ijzerhard om het meer gezag te verlenen. Met een stoffer gemaakt van dit kruid werd het altaar van Jupiter schoongeveegd om ongeluk af te weren.
Ook bij de Kelten, die het kruid ‘Ferfaen’ noemden, had ijzerhard een grote religieuze betekenis. De druïden gebruikten het bij voorspellingen, barden kroonden zich met de plant om inspiratie te krijgen.
Het kruid werd gedompeld in het water waarin werd geschouwd. Tijdens rituele ceremonies werd dit water gesprenkeld over de aanwezigen en geïnitieerden droegen kransen van ijzerhard op het hoofd.
Voor de Druïden was zij één van de zeven heilige kruiden. Zij oogstten dit kruid alleen met de heilige sikkel, net zoals maretak. De juiste oogsttijd was als er geen zon of maan aan de hemel stond en de ster Sirius rijzende was. Honing werd geofferd op de plek van de oogst.
IJzerhard was een van de midzomerplanten waarvan men veronderstelde dat ze over magische krachten beschikten, als ze op de vooravond of de dag van de zomerzonnewende werden geplukt.
Het was een wenskruid waarmee men op St. Jansnacht schatten kon vinden.
Om haar haar volle kracht te laten moest men haar op Goede Vrijdag, liefst met een gouden voorwerp, nooit met een ijzeren, uitgraven.
De Duitse benamingen ‘Opferkraut’ en ‘Altarkraut’ geven nog iets weer van het belang dat de Germanen aan het kruid hechtten. De naam ‘Dinskruid’ verwijst naar ‘Diu’, de Germaanse oorlogsgod, en naar het feit dat het kruid een rol speelde als heilig offerkruid bij oorlogs- en vredesbeslissingen.
Tijdens de middeleeuwen bleef dit kruid erg in trek. Met het verse sap op je huid zou je onweerstaanbaar zijn voor het andere geslacht. Bruiden plukten ijzerhard voor een gelukkig huwelijk.

Van het kruid zou je de meest fantastische en toekomstvoorspellende dromen krijgen. Met wat kruid in je schoen zou je niet moe worden of de verkeerde weg inslaan. Paarden liepen sneller, giftige slangen zouden niet bijten.
Kinderen kregen een amulet met ijzerhard voor een “wakkere geest en goede inborst”. Het kruid werd ingezet bij koorts, mazelen, slangenbeten, pokken en de pest.
Ook ging men er van uit dat wie zich insmeerde met het sap van de plant in staat was om in de toekomst te zien, om wensen te vervullen, vijanden tot vrienden te maken en dat men beschermd was tegen ziekte en betovering.
Ook astraal reizen was dan mogelijk. IJzerhard vormde waarschijnlijk om deze reden ook één van de bestanddelen van heksenzalven (vliegzalven).
De heksen droegen het als kousenband naar de sabbat. Het wordt vaak genoemd als ingrediënt van heksenzalf en voor het “brouwen” van het weer.
Wat werkt voor de heks werkt ook voor ons, moeten ze gedacht hebben want het was een populair kruid om te beschermen tegen hekserij, geesten en demonen.

In heel wat streken werd IJzerhard gebruikt als een afweerplant, die in staat was duivels en heksen te verdrijven, en te beschermen tegen vergif en toverij. In Engeland zei men: ‘Vervain and Dill hinders witches from their will’.
Het genas alle besmettelijke ziekten en zenuwziekten, dus alle “duivelsche ziekten”.

Antoine Wiertz; De jonge heks; 1857.
Gentiana cruciata Kruisgentiaan
[R] In de groep planten bij Paulus is met grote waarschijnlijkheid een kruisgentiaan te herkennen.
Deze plant wordt in de verschillende werken over kruidengeneeskunde beschreven, onder andere, als remedie voor wonden en, toegevoegd aan wijn, als medicijn tegen allerlei vergiften.
De gentiaan wordt over het algemeen als droog en warm beschreven, waarbij de kruisgentiaan geen speciale vermelding krijgt.
In het Cruideboek lezen we:
[D] Dit cruyt heet in Hoochduytsch Modelgeer ende Speerenstich. Hier te lande Madelgheer/ ende wordt van sommighen in Latijn gheheeten Cruciata/ dat es Creutzwurtz Cruyswortel ...

[D] Cracht en werckinghe
A Die bladeren oft wortelen van Madelgheer ghesoden ende gedroncken sueveren die borst/ ende doen die taye fluymen die daer op vergaert ligghen lossen ende ruymen/ ende sijn goet ghebruyckt den ghenen die met eenighe vallende sieckte besmet sijn.
B Dit selve cruyt es oock seer goet tseghen alle fenijn vergiftheyt/ quade lochten ende pestilentiale sieckten/ in der maniere als voor oft gepoedert ende alzoo ingenomen.
C Madelgheer suyvert ende gheneest die wonden ende die quade sweeringhen alsmense wascht met den wijn daer sij in ghesoden sijn/ oft het poeder daer in stroyet.
D Die swijnherders in Duytschlant gheven dit cruyt ghekapt den verckenen teten ende/ bewaeren die selve daer mede/ van tvier ende alle dyergelijcke ghebreken/ die in tijde van sterften onder die verckenen comen.
[*] De gentiaan is vernoemd naar een Illyrische koning, Gentius genaamd, die regeerde van 180 tot 167 voor Christus en die de medicinale toepassingen van de plant ontdekte.
Jaren later zou een zeer geliefde vorst van Hongarije, Ladislas genaamd, die later heilig verklaard werd, God hebben gevraagd hem naar een remedie voor de pest te leiden. Hij vuurde een pijl de lucht in, en toen deze viel, doorboorde deze de wortel van een gentiaan plant.
Volgens Culpeper (een 17e eeuwse kruidenkundige) kan "een zekerder remedie om de pest te voorkomen niet gevonden worden."

[*] In vroegere tijden ging men ervan uit dat dit kruid epidemieën weghield.

De verwijzingen naar de geneeskrachtige eigenschappen tegen "pestilentiale sieckten" — en Antoniusvuur werd als een soort pest beschouwd — en tegen sterfte onder de Duitse "verckenen", maken een associatie met Antonius wel zeer vanzelfsprekend.
Vincetoxicum officinalis Witte engbloem
[R] Verder wordt in de groep planten bij Paulus waarschijnlijk een witte engbloem getoond.
Een geneesmiddel tegen wonden en waterzucht. Het heeft warme en droge eigenschappen.
In het Cruideboek lezen we:
[D] Naem
Dit cruyt wordt gheheeten in Griecx ende in Latijn Asclepias/ van sommighen Cission, Hederula, Cissiphyllon ende Hederae folium/ ende nu ter tijt Hirundinaria. In Hoochduytsch Schwalbenwurtz. In Neerduytsch Swaluwortel.
Oirsake sijns naems
Dit cruyt heeft sijnen naem naer den ouden Esculapius die in Griecx Asclepios ghenaempt wordt. Dien den Griecke ende Heydenen toe scrijven/ dat hy die ierste geweest es die de conste der Medecynen ghevonden heeft/ ende daer om oock voor een god van den selven ghehouwen ende gheeert.
Cracht ende werckinghe
A Die wortel van dit cruyt in water ghesoden ende ghedroncken verdrijft dat crimpsel ende weedom in den buyck/ ende es seer goet den ghenen die van eenich fennijnich ghedierte oft van eenen verwoeden hont ghebeten sijn/ niet alleen als voor inghenomen/ maer oock van buyten daer op gheleyt.
B Die bladeren ghestooten sijn seer goet gheleyt op die quade sweeringhen van den borsten ende van die moedere.
[*] De witte engbloem is een zeer giftige plant. Omdat de plant braakneigingen opwekt, is de plant heel vroeger gebruikt als tegengif; vandaar de geslachtsnaam Vincetoxicum.
Papaver dubium Bleke klaproos
[R] Heel typisch en gemakkelijk herkenbaar is de papaver. Over de precieze aanduiding bestaan verschillende meningen. Het kan een klaproos (Papaver rhoeas) zijn, maar de vorm en het uiterlijk van de geschilderde zaaddoosjes doen toch vermoeden dat het eerder een bleke klaproos (Papaver dubium) is. De bleke klaproos heeft een langwerpige, meer dan twee maal zo lang als brede, met poriën openspringende doosvrucht met hierop een deksel.
De primaire functie van de papaver zou koelend en drogend zijn. De papaver wordt daarenboven beschouwd als slaapmiddel en werd waarschijnlijk ook als kalmerend middel gebruikt.
Links is het zaaddoosje van de Papaver rhoeas, en rechts dat van de Papaver dubium.
En inderdaad lijkt de afbeelding op het retabel meer op de plant op de rechter foto.
In het midden, de bloeiende Papaver dubium.
In het Cruideboek wordt de papaver "Huel" genoemd.
[D] Dat sap van den Huel heet in Griecx Opion. In Latijn ende in die Apoteke Opium.
Cracht ende werckinghe
A Die bladeren ende bollekens van Huel in water ghesoden ende ghedroncken doen slapen. Tselve doen zy oock alsmen thooft oft die handen daer in badet.
B Van den bollekens in water ghesoden wordt een syrope ghemaeckt die oock doet slapen/ ende seer goet es tseghen die vloet van die subtijl vochticheyt uut den hoofde op die borst rijsende/ ende tseghen die hoest van alsulcken subtilen vochticheyt oorspronck.
....
I In summa Opium in alle manieren van binnen oft van buyten ghebruyckt doet slapen ende versuet alle pijne ende weedom/ maer moet met rijpe deliberatie ghebruyckt sijn.

Hindernisse
Tghebruyck van alle Huelen es seer sorghelijck ende quaet ende sonderlinghe van dat Opium/ dat alst te veel inghenomen wordt oft te dicwils van buyten ghebruyckt oft anders sonder rijpe deliberatie gheorboort/ swaere lastighe slapen maeckt/ met rasernie ende ydelheyt vermenght/ beneemt verstant ende sinnen/ bringht lammicheyt ende onmachtheyt van leden/ ende ten laesten oock den mensche doodet.
Die tamme witte Huel heeft eenen rechten effenen steel... een ront bolleken/ dat groot ende lanckachtich wordt daer in tsaet leyt dat wit es/ en tot den ghebruyck der medecynen seer dienstelijck. (Deze lijkt dus niet op de papaver dubium die afgebeeld is op het retabel)
[*] Er zijn in Nederland vijf soorten papaver, waaronder de slaapbol (Papaver somniferum), een klaproos met een bolle vruchtdoos. Hierbij worden ook weer diverse ondersoorten onderscheiden.
Uit de Papaver somniferum album wordt maanzaad gewonnen, voor "op de broodjes" Het zaad bevat vrijwel geen opiaten, maar een test op verdovende middelen zal na het consumeren van een grote hoeveelheid maanzaad wel een positieve uitslag vertonen.
En dan is er nog de Papaver somniferum somniferum. Deze papaver met witte bloembladen, is de opium-papaver, waarbij het melksap ongeveer 10% opium bevat, waaruit de volgende stoffen kunnen worden gewonnen: morfine, codeïne, papaverine, laudanine en noscapine.
Het sap van de plant is giftig en is zelfs dodelijk bij bepaalde hoeveelheden.
Alleen bij de laatste soort is dus opium te winnen. Waarschijnlijk, gezien de beoogde verdovende werking, zou het dan toch eigenlijk om deze laatste variant moeten gaan. Maar de afbeelding van de zaadbol op het schilderij doet inderdaad het meest denken aan die van een bleke klaproos (Papaver dubium).
Papaver somniferum
Volgens [R] zou deze Papaver dubium, het 16e eeuwse “Kreutterbuch” van Hieronymus Bock citerend, ook werkzaam zijn: “Funff oder sechs Kölblein mit ihrem Samen inn wein gesotten vber das halb theyl vnd getrucken / macht zimlich wol schlafen. Tücher darinn genetzt vnnd vmb das haupt aslo gebunden / bringet den Schlaff desto krefftiger."
Dus wellicht beschikte men toen over technieken om de zwakkere zaadbollen of het sap of zaad daaruit voldoende te concentreren om een werkzame stof te bereiden.
Veronica teucrium Grote ereprijs
[R] Een van de planten in het midden wordt gewoonlijk als grote ereprijs, maar ook wel als dovenetel geduid. Vanwege de tanden der bladeren echter is een grote ereprijs waarschijnlijker.
Ereprijs wordt als heet en droog beschreven. Aan de ereprijs wordt daarom een bloedverdunnende werking toegekend, die een opwarming van de zieke bewerkstelligde.
Het Cruideboek hanteert een iets andere naamgeving en Veronica teucrium komt er niet in voor. Wel Veronica officinalis, die met de hedendaagse naam Mannetjesereprijs en door Doedens als Eerenprijs manneken wordt aangeduid.
Er blijken dus een mannelijke en vrouwelijke variant te zijn.
Gezien de afbeelding op het retabel, en ook afgaande op de beschrijving van Dodoens, zal het hier dus waarschijnlijk de Mannetjesereprijs betreffen.
[D] Eerenprijs es tweederleye van gheslacht/ dat eene es dat oprecht Eerenprijs datmen Eerenprijs manneken heet. Dat ander een cruydeken den Eerenprijs seer ghelijckende/ dat men Eerenprijs wijfken nuempt.
Cracht en werckinghe
A Eerenprijs es seer goet ghebruyckt tot die verstoptheyt ende weedom der nieren (als Paulus schrijft).
B Eerenprijs in water ghesoden ende dat ghedroncken/ heylt alle oude en versche wonden/ ende suyveret tbloet van alle quade corruptien ende vuyle verbrande vochticheden/ ende midts dijen es seer goet ghedroncken die scorft zijn/ die eenighe quade ruydicheyt/cleyn poxkens oft maseren hebben.
C Water van Eerenprijs ghedestilleert met wijn ende menichmael overghehaelt tot dattet rootachtigh worde/ es seer ghepresen tot die oude hoesten/ uutdroginghen ende ghequetstheyt vander longhene/ want men schrijft van hen datter alle ulceratien/ sweeringhen ende quetsuren der longhene kan heylen.
D Dat Eerenprijs wijfken es van ghelijcke natueren/ maer dat manneken es in alder manieren beeter en bequaemer.
[B] Ereprijs komt in alle soorten en hoedanigheden voor in Nederland. De soort die ik hier behandel is de mannetjesereprijs. Ik ben er niet zeker van of en in welke hoeveelheden deze plant nog in de Kempen voorkomt. Er is nog wel een Kempische volksnaam: engeloogje.
De legende rond de mannetjesereprijs is gebouwd rond de bijbelse figuur Veronica, de vrouw die, tijdens Jezus' tocht naar Golgotha, haar hoofddoek aan hem gaf, zodat hij zijn besmeurde en bebloede gezicht kon afvegen. Later gaf het goedgelovige volk de naam veronica aan de mannetjesereprijs, omdat men op de bloemblaadjes de tekening van Christus' aangezicht meende te herkennen, precies zoals die op de doek van Veronica zou zijn achtergebleven.
Ook staat 'Vera' voor 'waarlijk', en 'icon' voor 'afbeelding'.
De Mannetjesereprijs dankt zijn naam aan het feit dat men vroeger de gewoonte had twee veel op elkaar lijkende soorten ter onderscheiding met mannetje en wijfje te betitelen, in dit geval werd eertijds de Tijmereprijs met Ereprijswijfke aangeduid.

De naam Ereprijs zou het plantje te danken hebben aan het feit dat in de Middeleeuwen, winnaars van grote toernooien een krans kregen van de bloemen.
Trifolium repens Witte klaver
[R] Op de voorgrond staat een soort klaver. Gezien de groeivorm is het waarschijnlijk witte klaver.
Aan klaver wordt over het algemeen de eigenschap ‘heet’ toegeschreven. De inheemse klaver wordt aanbevolen bij onder andere, zweren van de borst, "Sint Veltins ziekte" ofwel "vallende ziekte", "Bloed Ganck", wat waarschijnlijk dysenterie betekende, en waterzucht.
De afbeelding in het Cruijdeboeck is die van een rode klaver, de Trifolium pratense, maar volgens Dodeoens is de werking van beide hetzelfde:
[D] Ende dese sijn tweederhande/ een met roodachtighen bloemen ende een met witten bloemen/ ende anders en hebben sy gheen groot ondersceet.

Cracht ende werckinghe
A Die Claveren met hueren bloemen oft alleen in huenich water oft wijn ghesoden ende ghedroncken versueten ende ghenesen die heete ende scerpe stekende pijnen van den dermen. Tselve doet oock dat water daer zy in ghesoden sijn van onder met een clisterie gheset.
B Claveren oock in water ghesoden ende eentijt van daghen ghedroncken stelpt die witte vloet van den vrouwen.
C Die bloemen ofte bladeren van Claveren met olie gesoden doen die heete bloetsweeren ende andere dyerghelijcke gheswillen rijp worden ende uutbreken oft somtijts oock sincken ende vergaen daer op ghelijck een plaester gheleyt wordt.
Trifolium (Latijn) komt van Tri = drie en Folium = blad. Driebladig dus, zoals bij elke klaversoort.
Gezien de drie bladeren en de magie van het getal drie, kan het niet anders of klaver heeft een symbolische betekenis en magische functie.
[*] Zo is er de Ierse Shamrock, een 'klavertjesdrie', in het Engels Dutch clover genaamd.
Het klavertjesdrie is al eeuwenlang bekend als een beschermer. Het klavertjesdrie was een amulet van de Kelten. De betekenis hield verband met de drie hartvormige blaadjes van de klaver, die de drievoudige moeders ofwel 'moeders van de harten' van de Keltische folklore voorstelden.
Wat de magische beschermende functie betreft: ieder met een klaver in zijn zak, kon heksen, tovenaars en goede feeën herkennen.
Volgens de christelijke overlevering was het Sint-Patrick, de beschermheilige van Ierland, die het klavertjesdrie onsterfelijk maakte als symbool. Toen hij in Ierland aankwam om er de bewoners te kerstenen, zou hij op aanzienlijke tegenstand van de bevolking zijn gestoten, die nog zeer verknocht was aan hun oude zonnegod. Toen hij zijn boodschap aan koning Leoghaire meedeelde, deed hij dat met behulp van een klavertjesdrie, dat hij had geplukt en waarvan hij zei dat de drie blaadjes de heilige drie-eenheid voorstelden.
Elk jaar op Sint-Patricksdag (17 maart) wordt de heilige geëerd en spelden mensen klavertjesdrie op hun kleding.
Glas-in-lood raam in Saint Patrick's Cathedral in Armagh.
Ze worden vooral gedragen tijdens het populaire ritueel van 'drowning the shamrock' (het klavertjesdrie 'water geven'). Deze oude gewoonte lijkt een excuus te zijn om elke kroeg binnen loopafstand te bezoeken en het klavertjesdrie herhaaldelijk op vloeibare wijze te bedanken voor de bescherming gedurende het afgelopen jaar.
De Ierse shamrock wordt tegenwoordig als hanger, broche of speld gedragen, de oorspronkelijke plant gegoten in glas of doorzichtig plastic, of als gouden of zilveren sieraad.
Veel Ieren die op het punt staan een riskante bezigheid uit te voeren, zoeken traditioneel beschermende hulp bij de gelukbrengende shamrock. Daarom is deze speciale amulet zo vaak te zien op gelegenheden als bruiloften en ook tijdens oorlogen. Ierse geliefden plachten shamrocks uit te wisselen ten tijde van hun verloving en Ierse soldaten droegen ze mee als ze ten strijde trokken.
[B] Vroeger dacht men, dat klaver vooral aan de randen van de hel groeide. Omdat het plantje, ook als het drie blaadjes heeft, alle ziektes en betoveringen genas, zocht de duivel naar een middel om de klaver uit die omgeving weg te krijgen. Daarom schiep hij het duivelsnaaigaren, een plant die draden spint rond de klaver en de plantjes verstikt.
Als je een klavertje vier in je bezit had, dan kon je er schatten mee vinden, vooral als het op St. Jansavond (24 juni) was geplukt. [Hetzelfde werd ook van IJzerhard beweerd.]
Naai bij een geliefde een klavertje vier in de kleren, en er zal hem geen kwaad overkomen, tenminste zolang hij er geen weet van heeft. Trapte een man met zijn blote voeten op een klavertje, dan kreeg hij koorts. Trapte een vrouw erop, dan werd zij door haar man bedrogen.

De connectie van duivel—hel—klaver—genezing past vanzelfsprekend zeer goed bij Antonius als genezer en duivelbezweerder.

Maar, tenslotte, hoe zit het met klaveren in het kaartspel?
Lamium album Dovenetel
[R] Algemeen wordt aangenomen dat links van de papaver een dovenetel staat. Dat de dovenetel een witte is lijkt voor de hand te liggen, maar het kan net zo goed een andere soort dovenetel zijn.
Aan de witte dovenetel wordt de eigenschap ‘heet’ toegeschreven, die — volgens de vier-sappen (humores) leer — volgens het uitgangspunt " heet tegen heet" zou zijn gebruikt.

Volgens anderen heeft de dovenetel wondgenezende eigenschappen.
Overigens wordt deze plant ook wel als ‘ereprijs’ geïdentificeerd.
In het Cruijdeboeck lezen we:

[D] Naem
Doove Netelen heeten in Latijn van Plinius Lamium ende Aononium oft Anonium/ ende nu ter tijt Urtica iners oft Urtica mortua. In Hoochduytsch Todt Nessel en Taub Nessel. In Neerduytsch doove ende doode Netelen. In Franchois Ortie mort.

Cracht en werckinghe
Doove Netelen ghestooten met sout/ ghenesen verteeren ende doen sceyden alle ghezwellen/ croppen ende clieren daer op gheleyt/ van crachten ende werckinghe den Netelen seer ghelijck.
Lamium is afgeleid van Lamos (Grieks) en betekent "muil, keelgat". Dit slaat op de muilvormige bloemkroon. In een oude beschrijving van de dovenetel staat dat de bloem lijkt op de smoel van een kat, wanneer die bijten wil.
Album komt van Albus (Latijn) en betekent "wit", natuurlijk de kleur van de bloem.
[*] Op sommige plaatsen wordt de plant Witte Aartsengel of Aartsengel genoemd, waarschijnlijk omdat hij voor het eerst bloeit op de dag die gewijd is aan de aartsengel Michaël.
Volgens een oude legende, wordt staal gedompeld in het sap van deze plant buigzaam.
[*] Het destillaat van de bloemen van de Witte Aartsengel zou geschikt zijn, "om het hart op te vrolijken, het gezicht een goede kleur te geven, en de vitale geesten frisser en levendiger te maken."
[A] Er zijn nog veel meer Nederlandstalige volksnamen die refereren aan het druppeltje nectar dat in de bloemetjes zit, zoals honingbloem, honingnetel, honingkruid, honingzuiger, maar ook memmetje, memzuiger, memmentingel (tingel = brandnetel), tietzuiger, of nog suikernetel, suikeren mommel, suikerstik.
Ook zijn er namen die verwijzen naar de ‘mensvormpjes’ die je kan ontdekken in de helmknoppen in het bovendeel van de bloem, en zo kom je dan bij namen als Adam-en-Eva.
En natuurlijk is er een hele reeks volksnamen die te maken hebben met het feit dat de dovenetel niet prikt, ‘doof’ is: brandenekel-die-niet-steekt, brandnetel-die-niet-brand, distel-die-niet-steekt, dode-tingel, dode-stekel, dooienetel, makke-barnekel, onprikbare barnekel…
En er is nog een andere verklaring voor de naam Lamium:
[A] Lamium zou verwijzen naar Lamia, één van de vele liefjes van de Griekse oppergod Zeus. Toen Hera haar eega Zeus met zijn liefje Lamia betrapte, zou zij de onfortuinlijke schone in een bloem hebben veranderd. Als je goed kijkt in de muil van het bloempje, kan je met wat fantasie in de helmknoppen van de meeldraden de lichamen van de twee geliefden nog zien.

Maar eigenlijk was de straf van Hera voor Lamia veel wreder: Hera zorgde ervoor dat alle kinderen die Lamia van Zeus kreeg, al in de wieg stierven. Lamia werd gek van verdriet, en veranderde in een vleesetend monster dat jonge baby’s opat.
Ranunculus bulbosus Boterbloem Sint-Antoniusraapje
Dit is een van de twee planten op het retabel van Isenheim, die een overduidelijke connectie met Antonius heeft. Dit is al meteen duidelijk uit de Hollandse naam van deze plant, Sint-Antoniusraapje, de Franse naam, Rave de Saint-Antoine, de Duitse, St. Antoni-Röslein, en de Engelse namen Saint Anthony's turnip en Saint Anthony’s rape.
[R] Aan de onderkant van het schilderij bevindt zich een plant, die een boterbloem zou kunnen voorstellen. Sommige mensen adviseren het — maar alleen uitwendig — voor zweren. Voor inwendig gebruik wordt het afgeraden.
In het Cruideboeck worden de volgende namen voor de plant genoemd:

[D] Dit cruyt wordt van Apuleius Batrachion ghenaempt/ ende van den gheslachte van Ranunculus ghesceyden. In Duytsch worddet hier te lande Sint Anthuenis raepken gheheeten.

Natuere cracht ende hindernisse
A Dit cruyt es van natueren ende van werckinghe den Hanenvoeten seer ghelijck ende es oock seer hinderlijck inghenomen ghelijck die Hanenvoeten.

Wat Dodens zegt over de Hanenvoeten geldt dus ook voor het Antoniusraapje.

[D] Cracht ende werckinghe
A Die bladeren oft wortelen van hanenvoeten ghestooten/ ende op eenighe ghesonde plaetse des lichaems gheleyt/ bijten die huyt ende dat ghesont vleesch open/ ende maken bleynen/ bladeren/ roven ende gaten/ ende sijn mits dien goet op die quade swerende naghelen ende wratten of af te doen vallen.
B Oock machmen die bladeren van hanenvoeten tot seer quade ruydicheyt ende scorftheyt des hoofts ende andere quade crauwagien/ ende om die letteeken uut te doene ghebruycken/ alsmense ghestooten daer op leyt/ ende niet langhe daer op en laet ligghen/ maer terstont afneempt.
C Item die wortelen van hanenvoeten ghedroocht/ ghepoedert/ ende in die nuese ghesteken doen niesen.
Hindernisse
Alle hanenvoeten inghenomen sijn scadelijck/ hinderlijck/ ende doottelijck...
[S] De knolboterbloem werd of wordt gewestelijk met diverse namen aangeduid: Sint-Antoniusraap, Sint-Anteunisraapje, Sint-Antonisraapje, drieswortel of droeswortel, etc.
Dodoens noemt de plant Cnobbelachtigen Hanenvoet of Sint Anthuenis raepken, en deze wordt daarnaar in het Latijn ook wel Rapum Divi Antoni genoemd.
Men heeft vermoed dat de plant in de Nederlanden misschien Sint-Antoniusraapje heette wegens de scherpte en de brandende hoedanigheid van de wortel, zodat de naam een verwijzing zou bevatten naar het Sint-Antoniusvuur.
Bij deze plant is het verband met de pestheilige Antonius abt echter nog meer evident dan gewoon maar een verwijzing naar de naam Antoniusvuur. In zijn beschrijving van de geneeskrachtige eigenschappen ervan vermeldt Dodoens immers dat de wortel gebruikt wordt bij de behandeling van pestachtige gezwellen of klapooren (d.i. ernstige zweren) en hij beschrijft hoe men moet te werk gaan om met de geplette wortel de pest of de Karbunckelen (rode puisten) te genezen: "die wordt van veele op de pestighe gheswillen oft klapooren met Sout gestooten zijnde geleydt, want het maeckt bleynen ende doet blaeskens oft zeeren aen de huyt komen, op wat deel des lichaems datmen dat leydt".
Meer nog: “Men meent dat het Sint Antheunis Raepken ghenoemt wordt overmidts dat het bequaem soude zijn om Sint Antheunis seer te ghenesen.”
Er is dus nog een andere naam, namelijk drieswortel of droeswortel, die op meer magische eigenschappen lijkt te duiden.
[*] Joost van Ravelingen, de bewerker van Dodoens "Cruydeboeck", voegt er in de editie van 1644 aan toe dat de plant in het Nederduits Drieswortel of Truswortel, in het Hoogduits Druswurtz heet. Anderen noemen hem weer Drus-, Tors-, of Trieswortel
Al deze namen, droeswortel, truswortel, torswortel of drieswortel zouden van Thor afgeleid kunnen zijn, want "kwade dries of droes" is een christelijke scheldnaam voor deze heidense godheid. In die betekenis verwijst het woord droes ook naar de duivel: “de droes (drommel) mag hem halen.”
Maar droes betekent ook klier of gezwel. Zo zijn de gewone en de kwade droes paardenziekten.
Nu zou het kunnen zijn dat in die gezwellen de hand van de duivel gezien werd, en dus naar hem genoemd werden. Maar het zou ook op een overeenkomst in vorm kunnen berusten: de droes (het gezwel) lijkt op de wortel van de boterbloem, en daarom zou die kunnen helpen bij de bestrijding van de ziekte.
Dat deze plant naar Antonius vernoemd is, pleit eigenlijk voor de opvatting dat droes in dit verband een heidense godheid of de duivel betekende — Thor wordt Antonius. Het komt dan neer op een kerstening van een zeer nuttige plant, niet alleen ter bestrijding van de zweren bij paarden (droes), maar ook bij die van mensen.
Daarnaast zou het ook kunnen dat de naam van Antonius — overwinnaar van de duivel — er juist voor gebruikt is om het duivelse karakter van de plant teniet te doen.
Een ander argument voor een relatie met Antonius zou voort kunnen vloeien uit het feit dat boterbloemen een blaartrekkend vermogen bezitten. Lijders aan het Antoniusvuur vervielen vaak tot de bedelstaf, en bedelaars maakten gebruik van de blaarverwekkende effecten van het kruid om de sympathie van de bevolking op te wekken. Dit is ook een argument bij de Herba St. Antonii, Loodkruid, welke eenzelfde blaartrekkend effect heeft.
Hoever bedelaars in die tijd gingen zien we op dit detail van het centrale paneel van een drieluik van Jeroen Bosch, de Verzoeking van de Heilige Antonius. Het toont een slachtoffer van het Antoniusvuur, die zijn afgevallen voet voor zich op een witte doek heeft gelegd, een strategie van veel bedelaars in die tijd als ze lijders aan de ziekte waren geweest. Om het effect van een dergelijk demonstratie te verhogen zullen ze zeker niet afkerig zijn geweest van andere strategieën.
Tenslotte zou er ook een relatie via het varken van Antonius kunnen zijn, aangezien ik op een site de uitleg tegenkwam dat het in het Engels Saint Anthony's turnip genoemd zou worden omdat het een favoriet voedsel is van zwijnen, en Antonius een zwijnenhoeder was!
Anemone sylvestris Bosanemoon
[R] Er is op het schilderij nog een hanenvoet plant weergegeven. Het zou daarbij kunnen gaan om een witte boterbloem. Maar een identificatie als bosanemoon lijkt ook mogelijk.
In de oude medische en botanische bronnen worden deze planten niet beschreven.
Dit laatste is toch niet juist.
Zo wordt de Ranunculus platanifolius, ofwel grote witte boterbloem, in Dodoens’ Cruijdeboeck wel degelijk beschreven.
[D] ... met witte bladeren Witte hanenvoet ghenaempt.
Alle hanenvoeten sijn heet ende drooghe tot in den vierden graedt
De werking van witte boterbloem zal dus dezelfde zijn als die van het de gewone boterbloem ofwel Sint-Antoniusraapje.

Omdat er op het retabel al een boterbloem — het Sint-Antoniusraapje — voorkomt, zou het toch wel zeer waarschijnlijk zijn dat het hier om de bosanemoon gaat, een heilige plant met geneeskrachtige eigenschappen.
En ook deze wordt ook door Dodoens genoemd — cleyne Hanenvoet (Aprilschen Hanenvoet) — en beschreven:
[D] Tvierde hanenvoet wordt gheheeten Ranunculus parvus. In Hoochduytsch Weisz Aprille blumen/ Kleiner hanenfusz/ Waldthenle. Hier te lande cleyn Hanenvoet oft Aprilsche hanenvoet.
Ook de bosanemoon wordt door Dodoens onder de Hanenvoeten gerekend, dus de medische eigenschappen zijn hetzelfde als die beschreven bij de boterbloem.
De bosanemoon kom je toch wel op heel veel sites tegen met verwijzingen naar oude gebruiken, zowel in folkloristische als in geneeskrachtige betekenis, en met medische uitwerkingen die verder gaan dan die door Dodoens genoemd worden.
Zo vond ik de volgende beschrijvingen van de geneeskrachtige werking van de bosanemoon:
[*] Bosanemoon werd gebruikt tegen reuma, lepra en kiespijn.
Het sap werd gebruikt om urine af te drijven en oogontstekingen te behandelen. Net als de meeste andere planten van de ranonkelfamilie bevat de bosanemoon giftige stoffen, die bij gevoelige mensen voor huidproblemen kunnen zorgen.
Het eten van meerdere planten is voor een mens dodelijk. Dieren krijgen er "slechts" ontstoken ingewanden van.
Vroeger schijnt het sap van de plant gebruikt te zijn om aan pijlpunten te smeren. Het getroffen wild raakte snel verlamd, zodat het ingehaald en afgemaakt kon worden.
[*] Het giftige sap (gemengd met vet van een oude zeug) werd in de Middeleeuwen gebruikt tegen melaatsheid.
Vooral de verwerking met varkensvet doet toch wel erg aan de Antoniusbalsem denken, evenals het feit dat het tegen een pest als melaatsheid werd gebruikt, voorzover Antoniusvuur ook als een pest werd gezien.
[B] De Bosanemoon wordt ook wel "tournemidi" genoemd of "achteromkijkertje" want de bloem draait gedurende de dag met de zon mee. Dan zijn er nog Kempische volksnamen: boterbloemke, wild vuurkruid, duivelsklauw en kikvorsenbloem.
[*] De naam Bosanemoon komt van het Griekse woord anemos (wind) en het Latijnse nemorosa (in het bos). En sylvestris daarenboven betekent bosplant. De plant werd misschien zo genoemd omdat de bloemen opengaan zodra de eerste lentewind waait.

In een legende vinden we een andere verklaring voor de naam en het gedrag van de plant:
[*] Anemone was een nimf die door de windgod Zephyrus bemind werd. Zijn vrouw, de godin Flora, kon dit niet verdragen en werd jaloers. Ze veranderde de nimf in een bosanemoon. Zo komt het dat de bloem nu bij het minste zuchtje wind al beweegt, want dan is Zephyrus bij haar, en ze zou zo kort bloeien dat het niemand zou opvallen.
En er zijn nog meer mythen en legenden:
[B] Volgens de Griekse mythologie zou de bosanemoon ontstaan zijn uit de tranen van Venus, toen haar geliefde Adonis sneuvelde op het slagveld. De gekerstende versie spreekt over de tranen van Maria om de dood van haar zoon. De bosanemoon zou daarom op Goede Vrijdag uitbundiger bloeien.
In de Middeleeuwen gold de bosanemoon als een heilige plant, die betovering en kwade invloed kon weren, als je haar als een amulet bij je droeg.
Triticum spelta Spelt
[R] Er staan drie planten op het schilderij die moeilijk te identificeren zijn. Waarschijnlijk behoren ze tot de familie der Poaceae, ofwel grassen.
Kühn onderscheidt weliswaar bruin cypergras (Cyperus fuscus), kweek (Triticum repens) en spelt (Triticum spelta), maar hij geeft niet precies aan waar deze planten zich op het schilderij bevinden. Zijn bevindingen worden niet door relevante publicaties noch door huidige botanici bevestigd.
Er is wel een autoriteit die met zekerheid spelt meent te kunnen onderscheiden.
De enige plant die in aanmerking komt voor deze identificatie, is dan de plant in het midden.
[W] Spelt (triticum spelta) is geen tarwe, maar is een oeroud graantype dat de laatste jaren in opmars is omdat het aantrekkelijker is dan tarwe wat onze gezondheid betreft.
Uit het instituut voor prehistorische geschiedenis te Keulen wordt bericht dat het verbouwen van spelt reeds in de late steentijd, rond 2500 jaar voor Christus, een grote bloei kende.
In het Cruideboeck lezen we:
[D] Cracht ende werckinghe
A Tmeel van Spelte met rooden wijn es goet tseghen die beeten ende steken van den scorpioenen/ ende den ghenen die bloet spouwen.
B Tselve meel met suete boter oft versch ruet van gheyten/ versuet die rouwicheyt van der keelen ende den hoest.
C Dit meel met wijn ende salpeeter gheneest die loopende ende draghende sweeringhen/ die witte scelferinghen van der huyt ende die pijnen van der maghen/ voeten ende van der vrouwen borsten.
D In somma/ Spelte es der Terwen van crachten seer ghelijck/ ende es een goet ende bequaem voetsel voor den menschen ende voor alle ghedierten als Theophrastus seyt.

Dodoens spreekt in C over ‘dit meel gemengd met wijn en salpeter geneest lopende en dragende verzweringen en de witte schilferingen van de huid’, wat geneeskrachtige eigenschappen zijn die bij Antoniusvuur zeker van belang kunnen zijn geweest, en die vermenging met wijn doet toch vanzelfsprekend weer denken aan Antoniuswijn.
Scrophularia aquatica, auriculata & nodosa Sint-Antoniuskruid, Sint-Anthoniusknollen, Helmkruid
[R] Geheel niet te identificeren is een plant rechtsonder in het schilderij, die tegen de donkere achtergrond slechts zwak zichtbaar is.
Overigens moet er ook op gewezen worden dat Kühn aangeeft, dat er op het altaar gevleugeld helmkruid (Scrophularia aquatica) kan worden geïdentificeerd. Het is niet duidelijk welke plant hij daarmee bedoelt.
Maar omdat Kühn hem noemt als plant die op het retabel voorkomt, en als Herba Divi Antonii, en de plant dus duidelijk met Antonius geassocieerd wordt, en zal ik deze toch in dít hoofdstuk behandelen.
[S] Van de helmkruidfamilie zijn in Nederland en België enkele soorten inheems. De bekendste daarvan zijn helmkruid of speenkruid, vooral dan de soorten Scrophularia nodosa, ‘helmkruid of speenkruid’ en Scrophularia aquatica, ‘waterspeenkruid, gevleugeld helmkruid’.
Zoals dat met veel planten en kruiden het geval is, bestaan er voor het helmkruid een hele reeks plaatselijke volksnamen, zoals knopig helmkruid, groot lierkruid, knoestig speenkruid, aambeienkruid, scrofelkruid, scheurbuikkruid, sint-markoenskruid, sinternellebladeren, berstekruid, rotelare en Turkse toep.
Scrophularia nodosa
Een andere volksnaam voor de twee soorten (helmkruid en waterspeenkruid) is Sint-Antoniuskruid.
Waarom het helmkruid in de volksmond ook speenkruid heet, zal duidelijk zijn. Het wordt namelijk gebruikt als volksremedie tegen o.a. aambeien. Dat is al eeuwen het geval. "Het verdroocht ende gheneest die speenen", schreef Dodoens, en, "speencruydt wort seer ghepresen van vele in de herde geswillen van de clieren oft cropsweeren. Sy houden ‘t oock seer goet in het smertigh gheswil van de speenen oft anbeyen."
Waarom het helmkruid ook Sint-Antoniuskruid wordt genoemd, is niet echt duidelijk. Daar het volgens Dodoens ook gebruikt werd op "veruuylde en voorts etende sweringhen ende tot den kanker" kan het best ook bij de behandeling van Sint-Antoniusvuur gebruikt zijn.
Daarnaast zou het vooral goed zijn tegen spataderen, bloeddrukverlagend en waterafdrijvend werken en kunnen dienen als pijnstillend middel wanneer niets sterkers voorhanden is.
Scrophularia auriculata
Dodoens gebruikt bij Scrophularia nodosa niet de benaming Antoniuskruid, maar wel bij Scrophularia auriculata, geoord helmkruid, dat hij Sinte Anthuenis cruyt noemt naast aanduidingen als Helm cruyt en Beeckscuym.
Maar in de bespreking van Cracht en werckinghe, wordt van beide hetzelfde gezegd.

Scrophularia nodosa [D] Over het helmkruid ook wel aangeduid als knopig helmkruid, ierste (oprecht) Helm cruyt en groot Speen cruyt.

Scrophularia auriculata [D] Dat tweede en heeft ghenen sonderlinghen naem in Latijn oft in der Apoteken. In Duytsch wordet Beeckscuym en Sinte Anthuenis cruyt ghenaempt.

Cracht en werckinghe
A Die bladeren/ stelen/ saet/ wortelen/ en sap van dat oprecht Helm cruyt verteeren ende doen verdwijnen alderleye gheswel/ en herde clieren/ alsmense met eedick menghelt/ ende daer twee daghen lauwachtich op gheleyt.
B Die bladeren ghestooten/ zijn goet gheleyt op vervuylde en voorts etende sweringhen ende tot den kanker met sout ghemenght en daer op gheleyt.
C Tsap van desen cruyde verdrijft die roose in daensicht alsmen dat daer mede wascht. Die wortel inghenomen verdroocht ende gheneest die speenen: Dijsghelijck doet zy oock ghestooten/ en van buyten daer op gheleyt. Tsaet es goet ghedroncken teghen die wormen.
D Dat tweede es oock seer goet teghen alle vervuylde ende voorts etende sweeringhen Inder selver manieren ghelijck dat ierste ghebruyckt.
Scrophularia nodosa - Knopig helmkruid
Galeopsis, Urtica labeo (Scrofularia maior, Castrangula, Ficaria), ierste (oprecht) Helm cruyt (groot Speen cruyt)
Overigens verwijzen anderen voor scrophularia nodosa wel naar Antonius:
[*] De knollen van het helmkruid Scrophularia nodosa worden Sint-Anthoniusknollen genoemd; zij werden gevoederd aan varkens die aan klierziekten leden.
Hildegard von Bingen noemde ze 'Sauwurz', Zeugwortel. In Nederland worden ze Sogewortel, of Zoeghewortel genoemd.
Het feit dat deze knollen voor varkens werden gebruikt zou ook een heel goede verklaring voor de naamgeving Antoniusknollen kunnen zijn, naast het feit dat deze kruiden waarschijnlijk ook tegen het Antoniusvuur werd gebruikt.
Veel geciteerde sites
  • [A] Annetannes Kruidenklets
  • [B] Bloemrijk; Honderd Kempische planten met een verhaal. Frans Hoppenbrouwers. (pdf)
  • [D] Dodoens, Rembert (Rembertus Dodonaeus) Cruyde-Boeck.
  • [K] Kerktuin NPB Wassenaar
  • [N] Natuurlijkerwijs.com
  • [P] Plant(en)namen
  • [R] Retabel Isenheim, Heilende Kräuter von Uschi Schedlik
    Citerend ook uit “Altar als Darstellung mittelalterlicher Heilkräuter“ von Dr. Wolfgang Kühn.
  • [S] Sint-Antonius in de plantenwereld (pdf)
  • [W] Natuurlijk welzijn

contact: Adolf Hartsuiker