Vita Antonii Abba's Iconografie Vuur Antonianen Kunsten Cultus Folklore Plant Dier Literatuur Paulus Hilarion Maria Simeon Adolphus
Nederlands Frans Italiaans Spaans Portugees Koptisch Duits Orthodox Engels Amerikaans Aziatisch


Antonius planten, bloemen en vruchten
op schilderijen en prenten
(deel twee)

Ik heb het overzicht van Antonius planten over drie pagina's verdeeld.

Op deze:

Planten op een schilderij van Jeroen Bosch;
Planten op het schilderij van Aertgen van Leyden, "De roeping van Sint Antonius";
Randversieringen op Illuminaties en prenten;
Twee schilderijen met bloemen;
Vaandel van het Antoniusgilde van Stiphout;
Kruiden bij Dürer; Das große Rasenstück / De grote graszode; Türkenbund, Turkse lelie; Liebäugel, Gewone ossentong; Maria mit den vielen Tieren.
Van Eyck
; De aanbidding van het Lam Gods.

Op de eerste pagina vermeld ik de planten die afgebeeld zijn op het Isenheimer retabel van Mathias Grünewald.
Op de derde pagina vermeld ik de planten en bloemen die genoemd zijn naar Antonius of die het Antoniusvuur zouden genezen.

Antonius in de kruidentuin


Planten op het schilderij van (de navolger van) Hiëronymus Bosch.
Net als bij het Isenheimer retabel, kunnen we aannemen dat de planten die op dit schilderij van Bosch zijn afgebeeld, als geneeskrachtige kruiden werden gebruikt, en zeer waarschijnlijk ook bij de behandeling van het Sint-Antoniusvuur. En dat zou ook kunnen gelden voor de bloemen en planten rond Antonius op middeleeuwe en later illustraties.
Hoewel het erop lijkt dat de geneeskrachtige betekenis in de loop der tijden vervangen is door een meer decoratieve — dat men als het ware dit aspect 'vergeten' is.
De determinatie van de planten op het schilderij van Bosch en op de prenten daaronder (01 t/m 06) is verricht door de kruidendeskundige Hans van Boxtel, en is gebaseerd op zijn eigen jarenlange ervaring, bestudering van de 5-delige flora van de gebroeders Weeda (deze was zeer behulpzaam) en het boek Planten van Europa van de Standaarduitgeverij, oude prenten- en geneeskruidenboeken waaronder de Tacuinum Sanitatis met prenten van het einde van de 14e en 15e eeuw en het het Cruydeboek van R. Dodoens.
Van de behandelde afbeeldingen vindt Hans deze schilderkunstig gezien de mooiste, maar dat wil niet zeggen dat het daarmee makkelijker wordt.

Detail van het schilderij van Bosch

Hans gaat ervan uit dat dit Paardebloemen (Taraxacum officinalis) zijn. Het zouden ook nog Leeuwentanden (Leontodon hispidus) kunnen zijn.
Maar dat is minder waarschijnlijk.

De Paardebloem komt niet voor op het schilderij in Isenheim en wordt daarom hieronder uitgebreid besproken.
Interessante plant. Ongetwijfeld de Weegbree; maar welke? De Smalle weegbree (Plantago lanceolata) valt af vanwege de bladvorm welke niet lancetvormig is. Blijven over de Brede (Plantago major) of de Ruige (Plantago media) weegbree.
Hans kiest voor de laatste vanwege de bloemstengel. Deze is namelijk ongeveer even lang als die van de Brede weegbree maar het bloeigedeelte hiervan is veel korter. En dat is wat we op het schilderij zien (zie rechts).
De Brede weegbree en de Smalle weegbree zijn ook afgebeeld op het Isenheimer altaarstuk, en zijn dus op de andere plantenpagina al uitgebreid besproken.
We kunnen hier (links) veel speculeren omdat er nogal wat planten met gezaagd blad zijn. De hele Lipbloemenfamilie, met name de Andoorns, valt af alhoewel er planten zijn die op het eerste gezicht erop lijken. Hiertegen spreekt echter dat er twee maal een etage met 3 blaadjes voorkomt. En dat kan beslist niet bij deze familie. De vertanding, het gezaagde gedeelte van het blad, komt ook te fel over om het bijvoorbeeld een Witte dovenetel te laten zijn (en is bovendien lid van de Lipbloemenfamilie).
Het meest waarschijnlijk is de Grote brandnetel (Urtica dioica).
Het is nog vroeg in het jaar dus is er nog geen bloeiwijze. Het jaargetijde valt af te leiden uit de bloeiende Paardebloem en de nog niet bloeiende Weegbree.
Juist omdat het nog vroeg in het jaar is, zal dit (rechts) een Witte dovenetel (Lamium album) kunnen zijn. Dat zijn vroege bloeiers. De basis van de plant wordt aan het oog onttrokken door een rozet van de Weegbree.
De Dovenetel is ook afgebeeld op het Isenheimer altaarstuk, en is dus op de andere plantenpagina al uitgebreid besproken.
Deze is moeilijk te determineren, want we zien een soort van Weegbreerozet maar met een wit bloempje. Er zijn tweemaal 4 bloemblaadjes dus mogelijk is het een kruisbloemige. Te denken valt aan Look zonder look (Alliaria petiolata, ook een vrij vroege bloeier) maar dan hadden er veel blaadjes aan de stengel moeten zitten die ook nog eens enigszins gekarteld zijn. Kortom zo'n kruisbloemige bestaat niet. Behalve als je de Vroegling neemt, maar die heeft zo'n klein rozetje, dat valt nauwelijks op.
Het kan tenslotte zijn dat het de bloeiwijze van de Ruige weegbree is omdat deze een roze-witte kleur heeft in tegenstelling tot de andere Weegbreeën. Al met al, het is onzeker.

Taraxacum officinale Paardebloem
Op het schilderij van Bosch, de Verzoeking van Antonius, zijn duidelijk paardebloemen te herkennen, die in tegenstelling to de andere planten niet op het Isenheimer altaarstuk afgebeeld zijn. Ik zal deze daarom hier aandacht geven.
Op het schilderij is de bloem in de eerste fase van zijn bloei. Het zal dus vroeg in het voorjaar zijn. Dat is ook wel aan de andere planten te zien: geen weelderige groei zoals in de zomer. Dat geldt trouwens ook voor het schilderij van Grünewald; ook daar zijn de planten merendeels in hun voorjaarsverschijning (afgezien misschien van de papaver, aangezien deze al zaaddoosjes heeft).
De paardebloem heeft overigens in de andere Europese talen wel een wat indrukwekkender naam. Zo heet de plant in het Engels Dandelion, in het Frans, Dent de Lion, in het Spaans, Diente de León, en in het Duits, Löwenzahn, dus Leeuwentand. Deze naam verwijst naar de getande bladeren.
Het is zo’n veel voorkomende plant dat ‘ie haast niet meer opvalt, maar als je er goed naar kijkt dan zie je hoe mooi de bloem eigenlijk is; zeker wel een naam als Leeuwentand waardig.
[N] De felgele bloem opent zich bij zonsopgang en sluit zich in de schemering en bij regen.
De naam Taraxacum komt van het Griekse "taraxos" wat wanorde betekent en van "aka" wat remedie betekend.

Foto's van de paardebloem bij gewoon en UV licht

[A] Heel wat volksnamen, zowel in het Nederlands als in andere talen, verwijzen naar de vochtafdrijvende eigenschappen van het kruid. Daarom is de paardebloem bekend onder de naam Pisbloem. In andere streken wordt/werd gesproken over Beddepisser, Beddezeeker, Bedpieser, Paddepister, Pis-in-'t-bed, Pissebed, Seekebed, Zeekers....
Andere namen verwijzen naar de getande bladeren, die men vergeleek met het stekelige van distels. Zo krijg je dan namen als Dissel of Distel, Zuurdistel, Zevendistel, Melkdistel...
Het witte melksap gaf nog aanleiding tot andere benamingen: Melkbloem, Melkbladen, Melkwietsel, Melkriet....
Konijnen zijnen dol op paardebloem. Hiervan getuigen ook volksnamen als Knineblèden en Konijnengroen. De officiële naam paardebloem laat zien dat ook paarden het kruid als een lekker hapje beschouwden. Andere namen met die oorsprong zijn Paardsbloem, Hijnstebloem (hengstenbloem), Paardensla....
Namen als Kaarsjes, Pluimpje, Uitblazertjes, Brievenbesteller, Pluimbol verwijzen allemaal naar het uitgebloeide bloempluis dat door kinderen zo graag wordt weggeblazen.
Kinderen maken vaak bloemslingers van de paardebloem. Vandaar namen als Kettingbloem, Kettekroet, Kettingstronk, Kettingspol.
Namen als Papencrut, Papenblad, Papenstoelen, Monnikskop... zouden verwijzen naar de kale bloembodem die, als alle zaden afgevallen zijn, gelijkenis zou vertonen met de tonsuur van een geestelijke. Ook de namen Platters en Platgatters wijzen in dezelfde richting, want in de middeleeuwen heette die tonsuur 'platte'.
De namen die verwijzen naar 'hond', zoals Hoensbloem, hondeblöme, Hondeblômesloat... zou betekenen dat de plant als minderwaardig werd beschouwd.
'Molsla' tenslotte verwijst naar de wit gebleven paardebloemenbladeren die van onder molshopen werd opgegraven en als witlof werd gegeten.
[D] Vreemd genoeg wordt de paardebloem niet genoemd door de schrijvers in de klassieke oudheid, hoewel de plant in overvloed groeide in alle gematigde gebieden van Europa.
In China wordt de plant al in de 7de eeuw genoemd als medicinaal kruid.
Binnen de Ayurveda wordt Paardebloem toegepast bij leverkwalen.
Door de Arabische artsen wordt het kruid voor het eerst genoemd in de 10de en 11de eeuw, zij noemden de plant 'Taraxacon'. in Wales werd de plant ook veel in de middeleeuwen toegepast, tijdens de renaissance werd het kruid in toenemende mate gebruikt.
[*] In 1546 beschrijft Bock de plant als urinedrijvend middel.
Tabernaemontus (botanicus) roemt enige tijd later de wondhelende werking. Toch had men in vroegere eeuwen in de officiële geneeskunde weinig waardering voor de Paardebloem, al bleef het volksgebruik algemeen.
In oude kruidenboeken wordt de Paardebloem beschreven als een soort andijvie. Consumptie van het blad in het voorjaar zou het bloed zuiveren.
Paardebloem gold als verkoelend en heilzaam voor patiënten die door de koorts niet konden slapen. De plant vormt op zichzelf één van de best voorziene medicijnkastjes van moeder natuur.

Vroeger gebruikten de boeren de Paardebloem om in het voorjaar hun huizen en stallen uit te roken, om de boerderij te reinigen van onzuiverheden.
In het Cruijdeboeck van Dodoens staat er niet zoveel over:
[D] Naem
In Neerduytsch Papencruyt/ Honts roosen/ Canckerbloemen/ ende Scorftbloemen.
Cracht ende werckinghe
D Papecruyt es van crachten ende werckinghen der Cichoreyen seer ghelijck ende mach daervoor altijt ghebruyckt worden.
E Item Papecruyt doet dat hayr dat aen die sceelen van den ooghen aver rechts wast uut vallen ende wel wassen/ alsmen tsap daer aen dicwijls strijckt.

Dodoens stelt het op één lijn met cichorei, en bij de beschrijving daarvan treffen we een en ander aan dat op gebruik bij Antoniusvuur zou kunnen wijzen:
[D] E Die selve bladeren met meel van gersten mout vermenght/ sijn goet gheleyt op
dwilt vier/ ende alderhande heete gheswillen.
G Item dit selve sap met ceruysse ende azijn vermenght/ es goet gheleyt ende ghestreken op alle
gheswillen ende apostumatien die vercoelt behooren te worden/ ende op alle verhittinghen.

Interessant is het waar hij het heeft over ‘wildvuur’ en hete gezwellen’ en ‘alle verhittingen’.
Maar je zou natuurlijk een band met Antonius als genezer van allerlei — of zelfs alle — kwalen kunnen zien en dan zouden alle kruiden in aanmerking komen om met hem te worden afgebeeld. En soms lijkt het daar ook wel op, zoals zal blijken uit het hoofdstuk hieronder.
[D] Sinds de 20ste eeuw wordt de plant gebruikt in de zogenaamde 'taraxacotherapie', voor nieren, blaas en constitutie. Voor de lever, bij geelzucht en een trage leverwerking. Ook bij hepatitis, verstopping van de lever en de galblaas, ook bij galstenen, stimuleert de galafvoer. Door de diuretische werking ook een goed middel bij reuma en jicht. Stimuleert de pancreas bij diabetespatiënten. Een zeer goede vochtdrijver, ook als het vasthouden van vocht wordt veroorzaakt door hartfalen. Heeft een mild laxerende werking.
Bij branderige ogen, vermoeide ogen,. Ook voor huidproblemen die door problemen van de lever worden veroorzaakt (droog eczeem).
Folklore en magisch gebruik
[D] De wortel kan wanneer deze is gedroogd, worden gemalen; als men hiervan een thee maakt kan deze voorspellende krachten teweeg brengen. Ook kan men deze thee naast het bed zetten om geesten op te roepen.
[N] De vruchten werden gezien als een orakel, zoveel parachutes na het wegblazen nog blijven staan zoveel kinderen zal hij of zij krijgen. En wanneer je alle parachutes weg kon blazen mocht je een wens doen.
[D] Als je wilt weten hoe lang je nog te leven hebt, blaas dan de pluisjes van een Paardebloem, zoveel als erop blijven staan, zoveel jaren heb je nog te leven. Op deze manier kun je ook de tijd lezen, zoveel pluisjes als er nog op de Paardebloem staan, zo laat is het.
Om een boodschap aan een geliefde te sturen, kun je Paardebloempluisjes in zijn of haar richting blazen en je boodschap visualiseren. Als je Paardebloemblad begraaft in de zuidwesthoek van je huis, zal er een gunstige wind over blazen.
[K] Paardebloemen komen op middeleeuwse schilderijen vaak voor als symbool van rouw, gemakkelijk te herkennen op schilderijen van de Kruisiging door vroege Vlaamse en Duitse kunstenaars. De paardebloem komt soms voor in onderwerpen die verband houden met de Passie.


Planten (en dieren) op het schilderij van Aertgen van Leyden, "De roeping van Sint Antonius"
Commentaar en duiding van de bloemen en dieren door J. Bruyn, uit "Werken van Aertgen van Leyden", zijn in puper weergegeven.
Niet-medisch symboliek van de site van Tom Westeneng is in rood.
De roeping van Sint-Antonius (± 1530?), heeft tussen 1913 en 1963 veertien kunsthistorische pennen in beweging gezet die opteerden voor toeschrijving aan Lucas van Leyden (1494-1533) of aan Aertgen van Leyden (1498-1564). De hardste argumenten wijzen naar Aertgen.
Antonus staat hier voor een kathedraal, zoals die in de Middeleeuwen in Europa, te zien zou kunnen zijn, en zeker niet in Egypte in de 4e eeuw. Maar dat geldt natuurlijk ook voor de andere details
Antonius, de grote figuur rechts, is uitgedost in zeer kostbare kleren, en heeft een hoed in de hand die doet denken aan een kardinaalshoed. Hij ziet eruit alsof hij van adel is.
Op zijn borst hangt een collier van de Orde van Antonius, met T kruis en klokje. Op de achtergrond, in dezelfde kledij en ook met collier, deelt hij ronde broodjes uit aan de armen (zouden eigenlijk zijn bezittingen moeten zijn).
Zou de rijk uitgedoste centrale vrouwspersoon in het groepje burgers zijn zuster zijn?
Hij hoorde "uit het Evangelie ... hoe de Heer tot de rijke man zei: “Als je volmaakt wil zijn, ga dan heen, verkoop al je bezittingen, en geef het aan de armen."
De roeping dus.

Dat de ... figuur onmiddellijk achter de dikke man met de groene puntmuts ... een zelfportret is, kan nauwelijks betwijfeld worden. De levendige, de toeschouwer aanziende kop draagt daarvan alle kenmerken.

Het schilderij zou vervaardigd zijn in opdracht van het Antonius Hospitaal in Leiden, dus het zou dan geen verbazing wekken als de bloemen op de voorgrond geneeskrachtige kruiden zouden zijn.
Van deze tien [op het schilderij getoonde] kruiden worden er in één of meer van de drie geraadpleegde kruidenboeken vijf geprezen wegens hun werking tegen het Antoniusvuur, de overige tegen vurige ontstekingen of gezwellen of tegen de pest. Hier volgen hun namen met enige citaten uit deze kruidenboeken:
Witte papaver (papaver somniferum); ligt rechts van de "signatuur" L, over de rand van de trede heen.
Hortus sanitatis, cap. CCXL1X: "Item magsamcn [=papaver] bletter in eszig gesotten und uff das sant anthonie fuer geleyt ist esz verdryben."
Bock, fol XLV v': "Kornrosen wasser lescht das wild fewr, das rotIauffen und schöne, darüber geschlagen."
Dodoens, IlI, cap. LXXXI; "Opium met azijn ghemenght es goet op dat wilt vier ende op alle verhittinghe ghestreken."
Stinkende gouwe (Chelidonium majus); ligt recht boven de L, het gele bloempje dat over de trede hangt.
Hortus sanitatis, cap. LXXXV; "Mit dem safft der wurtzeln gestrichen die uszetzikeyt an dem lybe benympt die und damach .ix. dage alle morgen und des obents gebruchet den syrope gemacht von ertrauch oder katzenkerbeln [= fumaria officinalis] und die dage alle mit dem safft gestrichen hilffet an [=ohne] zwyfell."
Bock, fol. XLI v0; "Ein edel bewert haut zum wilden feur, zerknitscht und also grün auffgelegt."

Ruig klokje (Campanula trachelium); ligt rechts daarachter, onder [bij] de voeten van de jonge St. Antonius.
Dodoens, II, cap. XX; "Halscruyt in water ghesoden es seer goet ende gheneest die pijnen ende swillinghen van den hals ende van die keele van binnen, ende alderhande ghezweer des monts alsmen daermcde gorgelt oft die mont spoelt."
Anjer (Dianthus caryophyllus); onder de slapende vrouw met de uil op de schouder, onder de vrouw in het wit met de vlieg op het hoofd, in de hand van het kind daarnaast en uiterst links op de grond.
Dodoens, Il cap. VII; "Conserve van den bloemen van Ginoffelen met suyeker gemaeckt sterckt dat herte ende es goet ghebruyckt in die heete cortsen ende tseghen die pestilentie." "Die wortel van den keykens [=Vetonica sylvestris]... ghepoedert ende met wijn inghenomen es oock tsegen die pestilentie, ende tseghen alle fenijn, ende tseghen die beten ende steken van den fenijnnighen ghedierte seer goet."

De anjer bezat tevens een rijk geschakeerde religieuze betekenis zowel als een apotropeïsche, als afweermiddel tegen ziekten en boze geesten. Deze kwaliteit dankte zij aan de in de middeleeuwen gebruikelijke identificatie met de door Plinius beschreven en in de Oudheid als wonderdadig beschouwde Betonica.
Het lijkt dan ook niet toevallig, dat juist de anjer hier wordt afgebeeld in de onmiddellijke nabijheid van ziekte aankondigende of veroorzakende demonische dieren (waarover hieronder nader), wier in oud bijgeloof wortelende betekenis in Dodoens' "fenijnnigh ghedierte" haar wetenschappelijke echo vindt.

Dat de functie van amulet, die de anjer vervulde, haar meermalen in de nabijheid van de St, Antonius-verering bracht
[denk bijvoorbeeld aan de “man met de anjer” van Van Eijck], wil nog niet zeggen, dat er een specifiek religieus verband russen beide zou bestaan.
"Algemeen is de rode anjer symbool voor passie, bewondering en verlangen naar iemand. In de renaissance symbool voor de liefde die gebruikt werd bij de aankondiging van het huwelijk. 'Dios' 'Anthos' Gods bloem."
"De witte anjer [is] het symbool voor toewijding en waardigheid";
De naam "Antoniuskraut", die nog tegenwoordig wel voor Betonica officinalis wordt gebruikt, wordt niet in verband gebracht met St. Antonius maar met Antonius Musa, de lijfarts van Augustus, aan wie men een geschrift De herba vetonica toeschreef dat in 1538 door Gabriel Humelberger te Bazel werd uitgegeven.
Roos (kleinbloemige, gevulde roosjes); onder de vrouw met de uil aan weerskanten van de grote anjer.
Hortus sanitatis, cap. CCCXXXVII: "Die bletter von rosen gestoszen und uff die heiszen geswern geleyt zücht die hitz darusz."
Bock, fol. CCCLXX!IlI: "Jetz gemelte auszgedruckte Rosen, mag man milch warm auff den magen mund legen, die leschen die hitz des selbigen, wehren auch dem feuchten magen presten, und leschen das wlld fewr. Vorgemelte kranckhelt oder hitz Iescht auch der Rosen essig, und das Rosen öli, welches vast nützlich ist zu den brennenden blattern, zu der zelt der pestilenz."
"In de Christelijke traditie verwijst de roos naar Maria; roos zonder doornen en symbolisch voor het lijden van Christus."
Viooltje (Viola odorata); op en onder de mantel van de vrouw met de vlieg op het hoofd.
Hortus sanitatis, cap. CCCCXIII: "Violen sInt gut gestoszcn und uff das verhitziges gliedt geleyt an dem Iybe."
Bock, fol CCXIl: "Viol Sirup auff zweu oder drei Iöffel eingenommen, Ieschet die brennende hitz der schnellen feber, behelt den bauch olfen, erweicht die Pestern, kreftigt das hertz, stilt das seitten stechen, und ist in summa nutz unnd gut zu allen hitzIgen kranckheiten."

"
Binnen het Christendom wordt het maarts viooltje gewijd aan Maria, symbool voor zuiverheid en zedigheid. De algemene symboliek is hoop en gedachten."
Bernagie (Borago officinalis); midden onder de stoel van de op de voorgrond zittende man.
Bock, fol. XCII: "Andere tugent des Burresch seind wie droben van der Ochsenzung geschriben ist." Fol. XCI: "Die wurtzel mit öl gekocht, und uberlegt, zuvor mit GerstemäI zerstossen, als ein plaster, leschet den kalten brant und wild fewr."
Gele ganzebloem (Chrysanthemum segetum); links tegen de op de grond afhangende mantel van de zittende man.
Dodoens, Il, cap. XXXIII: "Die bloemen van desen cruyde met was ende olie vermenght doen sceyden die herde coude ghezwellen die op thooft comen, daer op ghelijck een pIaester gheleyt."
Madeliefje (Bellis perennis); onmiddellijk daaronder.
Hortus sanitatis, cap. CCCXXXIII: "Vor die Bechten (=dauwwurm, huiduitslag) am lybe syede disz krut mit der wurtzeln ya regen waszer und wesch die flechten da mit am lyb sye heylent und verswinden zu handt... Auch mag man disz wurtzeI zurknutschen und uber die geswolst legen es bilfet an zwyfe!."
Bock, fol. LXII: "Die grüne blerter seind heilsam zu allen hitzigen wunden, darauff gelegt. Das kraut zerknitscct und ulf die gesehwulst der Macht gelegt, hinderschIecht und weret der hitz, mit senfftigkeit unnd niderlegung des sehmerzens."
Dodoens, II, cap. XIX: "Madelieven cruyt ghestooten es goet gheleyt op alle heete sweeringhen ende apostumatien, roode verhitte loopende ooghen."
"Madeliefje, liefje van de wei, staat symbool voor onschuld, reinheid (maagdelijkheid) en trouw in de liefde/loyale liefde."
Groot weegbree (Plantago major); De vermoedelijk te blauw geworden "staart" onder de voet van de zittende man links en geheel rechts onder.
Hortus sanitatis, cap. CCCVIIl: "Auch leschet der salft das heylige fuer mit huszwortz vermengt genant semperviva (huislook)."
Bock, fol. LXXXVllI: "Wegerich safft oder wasser mit Hauswurtz temperiert, und uber das wild fewr gelegt, lescht das selbige, deszgIeichen alle hitzige schäden."
Dodoens, I, cap. LXll: "Weechbree es oock goet gebruyckt tot alle quade onsuyvere loopende ulceratien ende sweeringhen, ouwe ende nieuwe wonden, alle hittighe apostumatien ende geswellen..."

Het is bekend, dat weegbree, evenals de papaver, op GrünewaId's altaarvleugel met het Bezoek van Antonius bij Paulus staat afgebeeld, vermoedelijk omdat deze kruiden door de Antonianen van lsenheim werden gebruikt als bestanddeel van hun St. Antoniuswijn of -balsem.
Niet te determineren waren: het gele, jasmijn-achtige bloemetje tussen de voeten van de jonge St. Antonius en de petunia-achtige rose bloem links van de L.

Het valt op, dat van de hierboven geciteerde kruidenboeken dat van de Elzasser Hiëronymus Bock het Antoniusvuur ("wild fewr") veel vaker uitdrukkelijk noemt dan de beide andere; de Brabander Rembert Dodoens noemt het slechts eenmaal, bij de papaver ("wilt vier"). Dit hangt uiteraard samen met de geografische verbreiding van de ziekte.
Hoe zit het met de kersen? Er zijn er vier te zien. Zouden het alleen maar vlakvullingen zijn, makkelijk ook als realistische objecten te schilderen? Of zouden die nog een “medische” betekenis hebben, of een folkloristische?
Zijn "
de kersen, de aardbeien, de frambozen en de druiven [afgebeeld in De Tuin der Lusten] niets anders dan de goddeloze symbolen van geslachtelijke lust".? Anderzijds: "De kers staat symbool als 'Hemelse vrucht".
Intussen moeten wij ons ervoor hoeden, de betekenis van de afgebeelde kruiden tezeer in technisch medische zin op te vatten. Dat andere associaties mede kunnen zijn opgetreden, stipten wij reeds aan. Maar ook de medische betekenis heeft een veel ruimere symbolische strekking en een veel sterker religieuze gebondenheid dan onze moderne opvatting van het geneesmiddel zou doen vermoeden. De middeleeuwse opvatting van Christus als de opperste medicijn en de Verlossing als de opperste genezing maakt dit reeds duidelijk.

Zo vertegenwoordigen hier de met St. Antonius in verband gebrachte kruiden ongetwijfeld niet slechts de lichamelijke genezing van of de afweer tegen de met hem geassocieerde ziekten maar ook de weg naar het eeuwig leven, de vrome levenswandel die de heilige op dit moment [afgebeeld op het schilderij] verkoos boven de wereldse genietingen.

Op dezelfde wijze zijn de afgebeelde dieren — de libelle op een anjer, de vlieg op de witte kap van de vrouw op de voorgrond en de uil op de schouder van de slapende vrouw — niet alleen te beschouwen als ziekte-demonen in engere zin maar ook als vertegenwoordigers van het kwaad in deze wereld. Alle drie leefden zij het volksgeloof als verschijning van de duivel of zijn trawanten. De vlieg vindt men als zodanig terug in de visioenen van de H. Colette en nog in de tegenwoordige tijd schijnt hij deze rol te spelen. Maar tevens werd hij geacht de veroorzaker te zijn van pest, veepest en (in de hersenen rondzoemend) van krankzinnigheid, zoals de libelle de dood, en een overdag schreeuwende uil een pestepidemie aankondigde.


Randversieringen op Illuminaties en prenten
Op tal van prenten, illustraties, illuminaties en afbeeldingen van Antonius zijn bloemen, planten en vruchten afgebeeld. Hieronder geef ik slechts een paar voorbeelden; er zijn er veel meer.

Middeleeuwse prent 01
Commentaar van Hans van Boxtel:
Een mooi blad! Met duidelijk herkenbare planten. Deze schilder heeft beter gekeken of was begaafder dan die van prent 02 (hieronder).
Dit (rechts) is ongetwijfeld een Akelei (Aquilegia vulgaris). Dit is meteen te zien aan de bloem. Deze heeft 5 kroonbladeren die uitlopen in een zogenaamd spoor (ook al zie je er maar 4. Dat is ook op moderne foto’s vaak het geval door het camerastandpunt). Bovendien is een ander kenmerk van de Akelei dat het blad driedelig is en elk deel weer in drieën verdeeld. Dat zie je goed bij het volledige blad net boven het midden.
De vrijheid van de schilder is wel geweest dat hij de bloemen allemaal aan dezelfde stengel heeft geplaatst en dat is in het echt beslist niet zo. Maar gezien het golvende en zwierige karakter van de totale omlijsting is het wel te verdedigen om het zo te doen.

Dodoens in zijn Cruijdeboeck is er heel kort over: Dese bloemen ... hebben in der medecynen gheen ghebruyck. Zouden deze bloemen hier dus alleen als randversiering dienen?

(Rechts) Ongetwijfeld de Goudsbloem (CalenduIa officinalis). En nog wel in de favoriete kleurstelling van Hans: oranje met een bruin hartje.
Dit (links) is een mooier voorbeeld van het Viooltje (Viola) dan bij prent 02. Een goede poging om het enigszins gekartelde en ingesneden blad te schilderen en met ook een prima uitvoering van de 5 bloemblaadjes waarvan de onderste (vaak het grootmoedertje genoemd) de grootste is. Welke viool het precies is valt niet te zeggen maar wel heeft dit exemplaar een mooi geel hartje wat je bij veel violen tegenkomt.
Nog een voorbeeld van goed kijken en uitvoeren van deze schilder.
Er staat in Dodoens Cruijdeboeck niet veel over de Cracht en werckinghe van Goutbloemen en uit wat er staat kan je opmaken dat deze waarschijnlijk niets met genezing van het Antoniusvuur te maken hebben.
In Dodoens Cruijdeboeck worden de Violetten wel uitgebreid beschreven, met vele geneeskundige toepassingen.
Zo staat er onder meer over de Cracht en werckinghe:
A Violetten in water ghesoden ende ghedroncken sijn goet tseghen die heete cortsen ende tseghen alle verhittinghen van der levere ende van alle inwendighe leden/ ende iaghen af duer den camerganck die heete geele cholerijcke vochticheden. Tselve doen oock/ dat sap/ syrope ende conserve van Violetten.
C Die selve Syrope gheneest alle verhittinghen ende rouwicheden van der keelen alsmense dicwils in den mont neempt. Tselve doen oock dat suycker/ conserve ende tsap van Violetten.
E Violetten ghestooten ende alleen oft met olie vermenght op thooft gheleyt leschen ende nemen af/ die hitte ende versueten die pijne des hoofts/ ende verwecken tot slapen/ ende maken die hersenen vochtich/ ende midts dyen sijn goet tseghen die verdrooginghe van den herssenen/ melancolie/ swaericheyt ende diepe ghepeysen.
F Violetten ghestooten ende met meel van gersten mout ghemenght/ sijn goet gheleyt op alle heete gheswellen ende apostumatien/ ende ghenesen die verhittinghe ende pijne der ooghen/ ende die heete sweeringhen ende swellinghen/ ende dat uutgaen des eersderms.
H Tcruyt van den Violetten es goet ghebruyckt tseghen die heete cortsen/ ende verhittinghen van der levere/ ende verweckt den camerganck.
Dit zou dus wel een plant kunnen zijn die een geneeskrachtige werking op sommige symptomen van het Antoniusvuur zou kunnen hebben.
Onmiskenbaar op prent 01 zijn (links en boven) dit Ereprijzen. In de middeleeuwen was de Veronica officinalis, oftewel Mannetjesereprijs, nogal favoriet ook bij kruidkundigen. Belangrijke kenmerken zijn de 4 bloemblaadjes met een lichter hartje. De rozerode variëteit is mogelijk ook weer een schilders vrijheid, dan wel kende de schilder meer variëteiten van deze familie zoals de rode Waterereprijs (Veronica catenata). Goed mogelijk is het ook dat hij zowel de Mannetjesereprijs heeft geschilderd die lila-blauw is (maar niet zo rozerood) en de gewone ereprijs die echt diep blauw is.

De Grote ereprijs is ook afgebeeld op het Isenheimer altaarstuk, en is dus op de andere plantenpagina al uitgebreid besproken.

Middeleeuwse prent 02
Op deze illuminatie lijkt Antonius in een kruidentuin te staan met een kruidenboek in de hand. Er groeien weliswaar weinig kruiden in de tuin, maar de bloemen —en peulen! — eromheen zouden dan toch wel betekenisvol moeten zijn.
Commentaar van Hans van Boxtel:
De planten in de voorstelling van Antonius in de tuin zijn hier en daar een graspol met op de voorgrond rechts misschien een varenachtige, namelijk de Steenbreekvaren (Asplenium trichomanes). De bomen op de achtergrond zijn ook niet zo te duiden. Mogelijk is de boom rechts een naaldboom met kale onderstam wat je wel vaker ziet op sterk verarmde gronden. Een wat desolaat landschap.
Wat de rest van de prent betreft, is het opvallend dat de schilder alle planten op deze voorstelling dezelfde blaadjes en bloemplantstengels geeft.
Deze plant is gezien zijn kleur en bloemblaadjes waarschijnlijk een Goudsbloem
Hier valt niets over te zeggen. Er zijn 5 bloemblaadjes en een hartje. Dit zou uit kunnen wijzen op een composiet met zogenaamde buis en lintbloemen maar dan is het aantal lintbloemen (de 5) weer te weinig. Mogelijk alleen maar een "dichterlijke" vrijheid, decoratie?
Deze plant (links) valt ook nauwelijks te determineren. Het lijkt op een soort van (eetbare) peul of boon (Phaseolus vulgaris) maar dit stemt niet helemaal overeen met het blad.
Ondanks het feit dat de plant (rechts) niet geweldig geschilderd is, kan het haast niet anders zijn dan een viooltje (Viola) vooral gezien de plaatsing van de bloemblaadjes. Op prent 01 zien we een viooltje dat een stuk beter geschilderd is wat betreft de detaillering van een en ander.
Een fantasievolle en kleurige acanthusvoorstelling. De Acanthus is een geliefde plant in de architectuur (gebeeldhouwde zuilen van tempels en kerken etc.) en de schilderkunst. De schilder heeft hier beduidend meer werk van gemaakt dan van de overige voorstellingen welke veel minder fraai van uitvoering zijn en er eerder bij gepenseeld lijken te zijn.
Overigens wordt in Dodoens Cruijdeboeck wel enige geneeskrachtige werking — wellicht zelfs voor Antoniusvuur — toegeschreven aan de Acanthus:
Deser wortelen gruen ghestooten sijn goet gheleyt op die verbrantheyt/ ende op die leden die uut huer ledt ende ioncturen gheweest hebbe/ ende dijsghelijck oock op die handen ende voeten daer tfledercijn in es.

Middeleeuwse prent 03
Een Chrysant maar dan wel zonder de kenmerkende bladtooi.
Een Goudsbloem.
Duidelijk een Madeliefje (Bellis perennis).
Een Chrysant zonder de kenmerkende bladtooi.
Voor prenten 03 en 04 geldt dat de schilders enerzijds wel oog hebben voor detail maar anderzijds zonder aanziens des plants maar 1 soort blaadje schilderen voor toch echt verschillende planten. Gemakzucht?
Het Madeliefje (Bellis perennis) wordt wel in Dodoens genoemd als geneeskrachtig kruid, zoals o.a.:
A Cruyt van den Madelieven met den bloemen oft alleene/ sonderlinghe van den cleynen enden wilden/ in water ghesoden/ is goet ghedroncken tseghen die cortsen/ verhittinghe van der lever/ en van alle inwendighe leden.

Maar verder lijkt het erop dat we met deze prenten al voorbeelden hebben van het prevaleren van de decoratieve functie boven de betekenis van de planten in geneeskrachtig opzicht.


Middeleeuwse prent 04
Ook op prent 04 lijkt Antonius in een kruidentuin te staan, een even desolate tuin als die van prent 02.
Chrysanten zonder de kenmerkende bladtooi.

De Chrysant wordt in Dodoens Cruijdeboeck niet genoemd.

Het meest schrijnende voorbeeld van misbruik van schildervrijheid.
De bloem is zonder enige twijfel een Distel. Mogelijk de Wegdistel (Onopordum acanthium) maar ook de Wollige vederdistel (Cirsium eriophorum) kan heel goed. Dit alles vanuit het oogpunt dat de bloemkorf (het bekleedsel) ook stekels heeft en geen omwindsel zoals ook veel voorkomt bij de distels.
Evenzogoed heeft ook één van de distels (Onopordum acanthium) enige geneeskrachtige werking, zoals blijkt in Dodoens Cruijdeboeck:
Die bladeren oft wortel van deser Distele sijn goet ghedroncken ende inghenomen den ghenen die van den cramp sieck sijn oft eenich ledt vercrompen oft ghespannen hebben/ als Dioscorides ende Galenus scrijven.
Maar over de andere distels schrijft Dodoens:
Natuere cracht ende werckinghe van desen Distelen es onbekent/ om dat sy in die medecynen gheen ghebruyck en hebben.

Prent 05 Prent 06
Ook op de wat 'modernere' prenten nummer 05 en 06 (ca. 1840-1852), in het Musée des Civilisations de l'Europe et de la Méditerranée [*], zijn bloemen en planten nadrukkelijk aanwezig. Maar nu lijken ze vrijwel alleen nog maar decoratief bedoeld te zijn.
Hans van Boxtel geeft hierop het volgende commentaar:
De planten op prent 06 goed willen duiden is om moeilijkheden vragen omdat de bloemen helemaal niet sporen met het blad. Het blad lijkt het meest op de Aronskelk (Arum maculatum) maar de bloeiwijze die je er steeds bij ziet klopt in het geheel niet. Het is dus onduidelijk welke bloemen hier zijn geschilderd. De vrijheid van de schilder?
De planten op prent 05 kunnen niet anders dan een heleboel Chrysanten zijn. De hartjes zijn duidelijk zichtbaar wat kan betekenen dat we hier met de zgn. enkelvoudige of de anemoonvormige variëteiten van doen hebben.

Daarnaast zijn er zeer klein afgebeeld, nog twee bloemen te onderscheiden.
Dit zou een Goudsbloem, maar dan met teruggeslagen bloemblad, kunnen zijn.
We kunnen hier 6 bloemblaadjes tellen wat er op kan duiden dat we van doen hebben met een loot uit de leliefamilie. Gezien de gele meeldraden zijn of het Lenteklokje (Leucojum vernum) of het Zomerklokje (Leucojum aestivum) kandidaat. Maar deze planten hebben wel een duidelijke kelk en op het schilderij zijn de bloemblaadjes duidelijk teruggeslagen. Anderzijds zijn op dit schilderij alle bloemen afgebeeld met teruggeslagen bloem(=kroon)bladeren.
Het kan ook nog zijn dat de Anemoonfamilie hier model heeft gestaan en dan zijn goede kandidaten de Berganemoon (Anemone narcissiflora) of Bosanemoon (Anemone sylvestris). [De laatste wordt besproken op de andere plantenpagina] Het is allemaal vrij tricky omdat die teruggeslagen bloemblaadjes determinatie moeilijk maken. Als uitsmijter: het zou ook nog het Zonneroosje (Cistus Salvifolius) kunnen zijn.
Bij Dodoens vinden we over Leucojum vernum:
Natuere ende werckinghe van desen bloemkens en is noch ter tijt niet bekent.
Over Cistus albidus:
Die bloemen van Cistus in wijn ghesoden ende ghedroncken/ stelpen alle loop des buycx/ ende alle bloetganck/ ende verdrooghen alle overvloedighe vochticheyt van der maghen ende van den anderen leden des buycx.
Die bladeren van Cistus heylen ende ghenesen die cleyne wonden daer op gheleyt.


Twee schilderijen met bloemen
Twee schilderijen in Saint-Antoine-l'Abbaye uit de 17e eeuw, van Monnoyer (links) en Nicolas Robert (rechts).
Schilderijen van boeketten — van zomaar mooie bloemen — waren op een gegeven moment erg populair in Europa, maar aangezien deze twee schilderijen zich het "hoofdkwartier" van de Antonianen bevinden, waar hun belangrijkste hospitaal was, zouden we kunnen verwachten dat dit bloemen van kruiden zijn die bij de genezing van Antoniusvuur werden gebruikt.


Vaandel van het Antoniusgilde van Stiphout
Op een vaandel van het Antoniusgilde van Stiphout zijn bloemen afgebeeld. Een aantal daarvan zijn heb hierboven al besproken [h], en een aantal op de pagina over het Isenheimer retabel [i], maar er zijn er ook bij die geen relatie, althans een mij niet bekende relatie, met Antonius lijken te hebben. En vraag één is, zijn dat zomaar decoratieve versieringen? En vraag twee is, geldt dat ook voor andere afbeeldingen van Antonius met bloemen om hem heen, zoals op Middeleeuwse illuminaties?
Zoals op hun site staat te lezen,
... zijn er bloemen afgebeeld, die in Stiphout voorkomen:
  • boven links een klaproos [i] en paardebloem (5) [h];
  • boven rechts een korenbloem en hoogwinde (6);
  • onder links een driekleurig viooltje (2),
  • onder rechts een wilgenroosje, ook wel St.-Antoniuslelie (1) [h];
  • rechts boven de teunisbloem (7) [h],
  • rechts onder klaver [i] en grasklokje (8);
  • links boven vergeet-me-niet en sneeuwklokje, ook wel St.-Antoniusbloem (4) [h];
  • links onder akkerwinde (3).


Kruiden bij Dürer
Al googelend op de kruiden van Antonius kwam ik de aquarel van Dürer tegen. Deze heeft slechts zijdelings met het onderwerp te maken, maar is toch zo mooi — en toch ook zeer interessant — dat ik niet kan nalaten deze erbij te verwerken.
En van het een komt het ander, dus heb ik ook de andere afbeeldingen van kruiden door Dürer erbij opgenomen.
Das große Rasenstück De grote graszode
De aquarel “De grote graszode” van Albrecht Dürer, uit 1503, toont een stuk hooiland met diverse grassen en kruiden. Het jaartal 1503 is nauwelijks leesbaar verstopt in de donkere partijen in de rechter benedenhoek. In tegenstelling tot de eerste indruk wordt hier geen natuurlijke grasplag getoond. Het standpunt ligt zeer laag. De afbeelding kan daarom niet op het hooiland zijn gemaakt. Mogelijk werden de grassen afzonderlijk bestudeerd en getekend.
Hoewel de studie slechts een natuuruitsnede toont, zijn de afzonderlijke grassen, alsook de paardebloem en de weegbree, als volledige planten afgebeeld, van wortel tot top of bloem.
Onder de afgebeelde planten bevinden zich grote weegbree (Plantago major), ereprijs (Veronica chamedrys), duizendblad (Achillea millefolium), madeliefje (Bellis perennis) en paardebloem (Taraxacum officinale).

Op een Engelse site staan de verschillende grassen vermeld, zoals Kropaar (Dactylis glomerata), Fioringras (Agrostis stolonifera) en Veldbeemdgras (Poa pratensis); en verder nog het kruid Veldhondstong (Cynoglossum officinale).

Het lijkt historici niet duidelijk te zijn waarom Dürer de aquarel maakte en waarom hij deze verzameling grassen en kruiden koos. Deed hij het alleen maar als observator van de natuur, als schilderkunstige oefening, of bedoelde hij een verzameling geneeskrachtige kruiden te maken?
Mij lijkt eigenlijk de laatste reden het meest waarschijnlijk. Want op de aquarel komen een aantal kruiden voor die ik in verband met Antonius besproken heb, zoals Ereprijs (Veronica chamedrys), Grote weegbree (Plantago major) en de Paardebloem (Taraxacum officinale) — en deze twee laatste staan zowel op het retabel van Isenheim als op het schilderij van Bosch.
Bovendien komen ook in het Cruijdeboeck van Dodoens alle andere planten voor: Duizendblad (Achillea millefolium) als “Geruwe”, Madeliefje (Bellis perennis) als “Madelieven ende Kersouwen”, en Veldhondstong (Cynoglossum officinale) als “Hondtstonghe”.
Alleen de grassen worden bij Dodoens niet vermeld.
Ook het jaar waarin de aquarel gemaakt is, 1503, is interessant. Het retabel van Isenheim is in 1512-1516 tot stand gekomen en Mathias Grünewald kende ongetwijfeld (het werk van) Dürer. En misschien geldt dit ook wel voor de (navolger van) Jeroen Bosch die de Verzoeking van Antonius schilderde in c. 1500-25.

Türkenbund, Turkse lelie Liebäugel, Gewone ossentong
En Dürer schilderde nog meer geneeskrachtige kruiden, zoals de "Türkenbund" (Lilium martagon), 1495, de Turkse lelie, die in het Cruijdeboeck van Dodoens “Lelikens van Calvarien/ Heydens bloeme ende wilde Lelien” genoemd wordt.

En de "Liebäugel" (Anchusa officinalis), ± 1503/05, de Gewone ossentong, die in het Cruijdeboeck van Dodoens “Ossentonghe” genoemd wordt.



Maria mit den vielen Tieren
Dan wil ik nog even "Maria mit den vielen Tieren" uit 1503 vermelden. Er zijn meerdere versies van, waarvan ik de pentekening met aquarel hier toon die zich in het Albertina museum in Wenen bevindt, en de kopie daarvan door Jan Brueghel de Oudere in 1604 geschilderd, op een mij onbekende locatie.
Op deze afbeeldingen staan naast de vele dieren ook aardig wat planten, en naar we mogen aannemen niet zonder bedoeling.
Helaas vallen op de afbeeldingen die ik op internet vond niet alle planten goed te onderscheiden. Ik meen links een iris te herkennen — (Iris germanica of florentina), die ook bij Dodoens wordt genoemd, als “Lisch over zee“ of “Lisch”. Op één site wordt de stokroos genoemd, en die valt inderdaad te onderscheiden, rechts van Maria — (Alcea rosea) die bij Dodoens wordt vermeld als, “Maluwe”. En op een andere site onderscheid men de aardbei — (Fragaria vesca),die bij Dodoens “Eerdtbesien” wordt genoemd.
Dus ook hier weer zijn de identificeerbare planten geneeskrachtige kruiden.


Van Eyck's "Aanbidding van het lam Gods"
Zoals Dürer wellicht Mathias Grünewald en de (navolger van) Jeroen Bosch beïnvloed heeft. zo zou hij zelf zeker beïnvloed kunnen zijn door Jan van Eyck.
Hij heeft in ieder geval het belangrijkste werk van Van Eyck gezien, "De aanbidding van het Lam Gods", zoals blijkt uit zijn "Tagebuch der niederländischen Reise", uit 1521:
"[In Gent] zag ik het veelluik in de Sint Janskerk, de 'Aanbidding van het Lam' van Jan van Eyck. Het is een diep doordacht schilderij; de figuren van Eva, Maria en God de Vader zijn bijzonder goed."
Wat dit bezoek betreft: "De overlevering wil, dat toen het zo zelfbewuste Duitse genie oog in oog stond met het veelluik, hij stil werd, na uren bewondering eerbiedig de lijst kuste en toen zwijgend heenging."
Interessant is wel dat op dat zeer realistische veelluik bijzonder veel bloemen en planten zijn afgebeeld, "Op de vijf panelen van het benedenregister hebben plantenkundigen zowat 42 plantensoorten herkend waaronder wijnstok, granaatstruik, vlier, rozelaar, valeriaan, rode koekoeksbloem, dalkruid, boerenwormkruid, salomonszegel, violier, wilde aardbei, steenbreek, grote weegbree, stinkende gouwe, gele bloemhoofdjes, paardebloem en lelietje-van-dalen.
Van Eycks natuurschildering is niet alleen een verzamelplaats van middeleeuwse natuurkennis, zij is vóór alles een vindplaats van geschilderde poëzie."

Ik laat er hier maar een klein deel van zien, maar de paardebloem (in het midden) is makkelijk te herkennen, evenals de weegbree en lelietje-van-dalen.
[K] In deze middeleeuwse, Hemelse tuin ziet men: witte druiven, granaatappelen, vlier, egelantier, vijg (grote struik) op de achtergrond en daarvoor van links naar rechts: (valeriaan, op dit fragment niet zichtbaar), rode anjers, wilde aardbeien, waarachter dalkruid, boerenwormkruid, Salomonszegel,
en in het gras: nachtviolier, steenbreek, paardebloemen, een bladrozet van weegbree en rechts blad en bloem van de stinkende gouwe.
Al deze bloemen hebben een speciale betekenis. Soms omdat ze heilzaam zijn, soms ook door hun geur (lekker ruikende planten werden gehaat door de duivel!) of door de vorm van blad of bloem.
In het algemeen was het zo, dat drie-lobbige bladeren duidden op de Drieëenheid, alles met ‘vier’duidde op het kruis of de vier evangeliën, ‘vijf’ op de vijf wonden van Jezus aan het Kruis, wit op de onschuld van Maria en blauw op haar trouw of het duidde op de hemel, rood duidde op het bloed van Christus en witte vlekken waren ontstaan uit de melk van de zogende Maria! Laag-bij-de grond-groeiende plantjes waren symbool van Nederigheid, en deze deugd was de allerbelangrijkste!


Gebruiken met bloemen en planten en een vrucht bij Antoniusvieringen
Bloemen worden bij elke viering gebruikt, dus als een Antoniusbeeld met bloemen getooid is, hoeft dat niet altijd een speciale betekenis te hebben. Hoewel we er wel vanuit kunnen gaan dat de keuze voor de soort bloemen en de schikking toch ook niet helemaal toevallig is. Traditie zal daar toch een rol spelen. Zie verder Cultus en vieringen rond Antonius.
Ook voor:
  • Bloementapijt en bloemenprocessie
  • Gebruik van de sinaasappel

Veel geciteerde sites:
  • [A] Annetannes Kruidenklets
  • [B] Bloemrijk; Honderd Kempische planten met een verhaal. Frans Hoppenbrouwers. (pdf)
  • [D] Dodoens, Rembert (Rembertus Dodonaeus) Cruydt-Boeck.
  • [K] Kerktuin NPB Wassenaar
  • [N] Natuurlijkerwijs.com
  • [P] Plant(en)namen
  • [S] Sint-Antonius in de plantenwereld (pdf)
  • [W] Natuurlijk welzijn



contact: Adolf Hartsuiker