Het Leven van Paulus de Eerste Kluizenaar
door Hiëronymus, priester en godgeleerde

Het Leven van Paulus de Eerste Kluizenaar, ook bekend als Paulus van Thebe, werd geschreven in het jaar 374 of 375 gedurende Hiëronymus’ verblijf in de Syrische woestijn en is opgedragen aan Paulus van Concordia.
Hiëronymus
was een stormachtig, hartstochtelijk persoon die ook als kluizenaar in de woestijn probeerde te leven, maar zich daar toch niet goed bij voelde.
Terug in Rome, werd hij door de Paus overreed om Latijnse vertalingen van Hebreeuwse en Griekse manuscripten te maken.
Tussen 390 en 405 maakte Hiëronymus de Vulgaat, een bijbelvertaling in alledaags Latijn, grotendeels gebaseerd op oorspronkelijke Hebreeuwse bronnen. Tijdens het Concilie van Trente (1545-1563), ruim 1100 jaar later, werd deze vertaling voor de Katholieke kerk als enige gezaghebbende tekst verklaard.
De Heilige Hiëronymus. Marinus Claeszon van Reymerswaele (c.1490-1567). Museo Del Prado
De legende over hem smukte zijn leven als kluizenaar en geleerde op, inclusief 'fantastische' episodes, zoals de verleiding, waaraan hij in de woestijn werd onderworpen, zijn visioenen, en 'zijn' leeuw die hij getemd had door een doorn uit zijn poot te verwijderen.
De Vita van Paulus
Voorwoord van Hiëronymus
Voor veel mensen is er onenigheid over wie nu de eerste persoon was die als kluizenaar in de woestijn begon te leven. Sommigen wijzen ver terug in de tijd naar Elia en Johannes de Doper alsof die de eersten zouden zijn. Maar voor ons lijkt Elia eerder een profeet dan een monnik geweest te zijn, en wat Johannes betreft, die begon al te profeteren zelfs voordat hij geboren was! (Lucas 1,44 )
Anderen beweren dat Antonius de eerste was, een mening die de meeste mensen gewoonlijk aanhangen, maar die slechts ten dele waar is. Want het was niet zozeer dat hij de eerste was, als wel dat hij degene was die zoveel deed om anderen aan te moedigen het te doen.
Voorwaar, zelfs de discipelen van Antonius, Amathas en Macarius, van wie de eerste het lichaam van Antonius heeft begraven, beweren tegenwoordig dat Paulus van Thebe de wegbereider voor deze levenswijze is geweest.
Zelf hel ik ook over tot die mening, hoewel er velen zijn die allerlei verhalen vertellen, net naar het ze uitkomt, zoals het verhaal dat Paulus alleen maar een man was overdekt met haar dat tot op zijn voeten hing die in een gat in de grond leefde, en andere verzonnen praatjes die te langdradig zijn om je mee lastig te vallen.
Zulke onbeschaamde leugens moeten weerlegd worden.
Daarom dus, nu ik zie dat Antonius ijverig wordt gepubliceerd in zowel Grieks als Latijn, * heb ik besloten om iets te schrijven over het begin en het einde van Paulus’ leven, niet omdat ik zo’n groot vertrouwen heb ik mijn eigen kunnen, maar eenvoudigweg omdat het tot dusver nog niet behandeld is.
Wat er gedurende het grootste deel van zijn leven gebeurde, of wat voor gevechten met Satan hij heeft doorstaan, dat is aan geen mens gegeven om te weten.
* Het Leven van Antonius werd in de antieke wereld op grote schaal verspreid.
St. Paulus de Heremiet, Jusepe de Ribera (1591-1652). Louvre, Parijs.
Hoofdstuk 1
Tijdens de vervolgingen van Decius en Valerianus, verwoestte een barbaarse storm de kerken van Egypte en de Thebaïs. Het was in die tijd dat Cornelius in Rome en Cyprianus in Carthago glorieus hun bloed vergoten. Door het zwaard gedood te worden in de naam van Christus, werd toen als het echte christelijke offer gezien. Maar de vijand wilde de ziel onderwerpen, nog meer dan het lichaam, en zij vonden vernuftige, langdurende manieren uit om mensen ter dood te brengen. Zoals Cyprianus, die aldus geleden heeft, zei: ‘Hoewel ze wilden sterven, werd de dood hen onthouden.' Ik zal er een paar voorbeelden van geven zodat de wreedheid ervan duidelijker begrepen kan worden.
Hoofdstuk 2
Zo was er een bepaalde martelaar, die zegevierend standhield in het geloof gedurende martelingen door pijnbanken en hete ijzeren platen, dus gaven ze bevel hem helemaal met honing in te smeren en legden hem in de brandende zon met zijn handen achter zijn rug vastgebonden, in de hoop dat hij, ook al had hij de gloeiende braadpan overleefd, zou bezwijken aan de brandende pijn van de insectenbeten.
Hoofdstuk 3
Folio 191r. Uit de Belles Heures of Jean de France, duc de Berry. Paulus ziet de Verzoeking van een christen. In het MMA, NY. [Zie ook pagina] Zelfs Antonius lijkt uiterst rechts aanwezig te zijn.
Ze gaven bevel een andere jongeman, die nog in de bloei van zijn jeugd was, naar een uiterst verrukkelijke kleine tuin te brengen, met witte lelies en rode rozen, en een zacht kabbelend beekje dat erdoor heen slingerde, en een briesje dat zoet fluisterde door de bladeren van de bomen, waar ze hem werd op een veren bed legden, en hem daar achterlieten, met zachte zijden banden vastgebonden, om te voorkomen dat hij zou ontsnappen. Toen ze allemaal waren weggegaan, kwam er een prachtige prostituee binnen en begon zijn lichaam in de meest tedere omhelzingen te strelen, en, het is beschamend om te vertellen, zijn mannelijk deel in haar handen te liefkozen, in de hoop hem zo tot wellust aan te sporen, zodat zij een schaamteloze overwinning op hem zou behalen. Ik weet niet hoe deze soldaat van Christus het deed, of hoe hij zijn vastberadenheid bijeen wist te rapen. Maar kon hij wellust de overwinnaar laten zijn, waar martelingen mislukten?
Tenslotte, geïnspireerd door de hemel, beet hij zijn tong af en spuwde die in haar gezicht terwijl ze hem probeerde te zoenen. En de vreselijke pijn die daarop volgde, was dus sterker dan het gevoel van wellust.
Hoofdstuk 4
In de tijd dat deze dingen plaatsvonden, was Paulus ongeveer vijftien jaar oud. Hij en zijn getrouwde zuster hadden hun beide ouders verloren, die hen een rijke erfenis hadden nagelaten. Hij was goed onderwezen in zowel Grieks als Egyptisch, was zachtmoedig van aard, en hij had God zeer lief.
In de Levensschets van den H. Antonius Abt wordt als geboortejaar 229 genoemd.

Het is toch wel zeer opvallend dat Paulus evenals Antonius zijn ouders op zeer jeugdige leeftijd verloor. Zoals ik bij Antonius al opmerkte, zou zo'n traumatische gebeurtenis de keuze voor het kluizenaarschap zeker bepaald kunnen hebben.

Toen de orkaan van de vervolging losbarstte, vluchtte hij in het geheim naar een afgelegen dorp. En toen — hoe komt het dat je zoveel macht hebt over het menselijk hart, O vervloekte zucht naar goud!’ * — wilde zijn zwager, die hem toch juist had moeten beschermen, hem gaan verraden. De tranen van zijn vrouw, hun gemeenschappelijke familieband, zelfs God niet die van bovenaf alles gadeslaat, kon hem in zijn misdadig voornemen tegenhouden.
Het nastreven van wreedheid kan de mens tot uitersten voeren net zoals vroomheid dat doet.
Maar toen die zeer verstandige jongeman dit vernam, vluchtte hij naar de bergen in de woestijn totdat de vervolgingen zouden ophouden.Maar wat hij door de noodzaak gedwongen was te doen, werd iets dat hij verwelkomde, en terwijl hij zich geleidelijk aan verder weg bewoog, beetje bij beetje voorzover nodig, en steeds maar weer, kwam hij tenslotte uit bij een rotsachtige berg met aan de voet ervan een grote grot met een grote steen over de ingang. Nadat hij de steen verwijderd had en naar binnen ging, verlangend het onbekende te onderzoeken met een menselijke nieuwsgierigheid, vond hij een uitgestrekte ruimte, met een opening naar de hemel erboven, maar overdekt door de gespreide takken van een oude palmboom.
Er was daar een sprankelende bron waaruit door een kleine opening een beekje vloeide, dat weer in de aarde werd opgezogen.
Er waren ook een paar kleine gebouwen bij de voet van de berg waarin zich de messen, aambeelden en hamers bevonden, die gebruikt werden om munten mee te slaan. Egyptische geschriften vertellen ons dat dit de plek voor een geheime munt was geweest in de tijd dat Antonius en Cleopatra samen waren.

Paulus door een onbekende Vlaamse schilder. The Bowes Museum.

Net als bij Antonius valt weer op hoe deze woestijnvaders toch altijd in zulke mooie oases wonen. Daarom kunnen we ze eigenlijk beter oasevaders noemen.
Hoofdstuk V
Dankbaar accepteerde hij dit verblijf dat God hem had gegeven, en hij begon zijn tijd in gebed en eenzaamheid door te brengen. De palmboom verschafte hem zowel voedsel als kleding. En opdat je niet denkt dat dit onmogelijk is, roep ik Jezus en zijn heilige engelen aan als mijn getuigen, dat ik in dat deel van de woestijn dat tussen Syrië en het land van de Saracenen ligt, zelf een van de monniken gezien heb die dertig jaar was opgesloten en op gerstebrood en modderig water leefde. In de Levensschets van den H. Antonius Abt: "Paulus was maar 22 jaar oud als hij de woestijn intrad."
En er was een andere die leefde in een oud ondergronds waterreservoir — dat in de heidense taal van de Syriërs als een 'cuba' bekend staat — die zichzelf in leven hield met vijf gedroogde vijgen per dag. Deze dingen zullen ongeloofwaardig lijken voor degenen buiten het geloof, maar ‘alle dingen zijn mogelijk voor hen die geloven.'
Hoofdstuk VI
Maar laat ik terugkeren naar het punt waar ik afdwaalde. Tegen de tijd dat Paulus de leeftijd van honderd en dertien jaar bereikte, leefde de negentigjarige Antonius op een andere plek in de woestijn. Antonius zei altijd dat het toen gebeurde dat hij zich afvroeg of er in de woestijn geen monnik zou zijn die volmaakter was dan hij, en dat hem ‘s nachts in zijn slaap geopenbaard werd, dat er een ander was die veel beter was dan hij, dieper de bergen in, en dat hij zich moest haasten hem te gaan bezoeken.
Bij het aanbreken van de dag ging de eerbiedwaardige grijsaard op weg naar hij wist niet waarheen, zijn zwakke oude ledematen met behulp van een staf ondersteunend. Tegen het midden van de dag met de hete zon boven zijn hoofd, brandde hij van de hitte, maar toch overwoog hij geen moment om met de eenmaal begonnen reis op te houden.
'Ik geloof in mijn God,’ zei hij, ‘die mij Zijn dienaar zal tonen, zoals Hij beloofd heeft.'

Sint Antonius en de centaur.
Secrets d'histoire naturelle. 15e eeuw. Bibliothèque Nationale de France. Parijs.
Hij had dat nog niet gezegd of hij zag een wezen half mens, half paard, dat naar de mening van de dichters centaur wordt genoemd. Zodra hij die zag, maakte hij op zijn voorhoofd het kruisteken.
‘Hé, jij daar,’ riep hij, ‘waar in deze streek woont de dienaar van God ongeveer?'
Het wezen maakte vreemde, gekke geluiden, waarbij het woorden verhaspelden die niets betekenden, met een gezicht geheel overdekt met borstelige haren, maar onderdanig probeerde het toch zichzelf begrijpbaar te maken. Het wees toen met de rechterhand in de gewenste richting, racete over het wijde land met de snelheid van een vogel en verdween uit het zicht.
Ik weet niet echt, of dit nu een verschijning was door de duivel gezonden om hem bang te maken, of eenvoudigweg een dier dat door de woestijn, die een broedplaats is van allerlei monsterlijke beesten, was verwekt.
Dat zo'n vreemd dier of centaur — als het dus de duivel niet is — kan bestaan, laat staan spreken (of in ieder geval verstaan en begrijpen) verbaast kerkvader Hiëronymus blijkbaar niet. Ook Antonius spreekt het vreemde wezen aan; alsof hij zulke wezens elke dag tegenkomt. Maar in de woestijn kon je van alles tegenkomen; dat was toen de algemeen aanvaarde opvatting.
Hoofdstuk VII
Sprakeloos liep Antonius verder en dacht na over wat hij had gezien. Na korte tijd zag hij in een rotsachtige uitholling een heel kleine dwerg met een gekromde snuit en gehoornd voorhoofd, wiens onderste ledematen eindigden in de hoeven van een geit. Hoewel hij bevreesd was voor deze verschijning, greep Antonius, als de goede strijder die hij was, het schild van het geloof en het harnas van de hoop. (Ef. 6,14-17)
Ef. 6,14-17 Stel u op, de waarheid als een gordel om uw middel, de gerechtigheid als een pantser om uw borst, de ijver voor het evangelie van de vrede als schoeisel aan uw voeten. Draag steeds het schild van het geloof, waarmee u alle brandende pijlen van het kwaad kunt doven. Draag ook de helm van de redding en het zwaard van de Geest, dat wil zeggen, het woord van God.
Ondanks de angsten van Antonius, bood dit merkwaardige schepsel hem als een soort vredesoffer enkele dadels aan als voedsel voor op reis, die hij aanvaardde en hij ging dichter naar hem toe.
‘Wat ben jij?’ vroeg Antonius.
'Ik ben een sterveling,’ antwoordde hij, ‘en een van de bewoners van de woestijn die de heidenen aanbaden als faunen, saters en incubi. Ik kom tot u als een afgevaardigde van mijn volk. Wij smeken u dat u voor ons bidt tot onze gemeenschappelijke Heer, van Wie we weten dat Hij kwam om de wereld te redden. Want Zijn geluid heeft weerklonken over heel de aarde.’ (Ps. 19,3-4 )
De Faunen, Arnold Böcklin.
Nog twee illiuminaties uit de Belles Heures. [Zie ook pagina]
Folio 191v. Antonius zoekt de hermitage van Paulus.
Paulus zit rustig te lezen aan de andere kant van de Rode Zee. Er zijn vreemde wezens in de woestijn.
Folio 192r. Antonius, met korte kromstaf en klok in de linkerhand, vraagt de weg aan een centaur. Paulus zit rustig te leze, bij een sarcofaag. De twee leeuwen zijn al aanwezig.
Bij deze woorden rimpelden overvloedige tranen over het gezicht van onze bejaarde reiziger, een teken van de diepe vreugde die zijn hart in stroomde. Want hij verheugde zich over de glorie van Christus die Satan heeft overwonnen, en betuigde tegelijkertijd zijn dank dat hij kon verstaan wat het wezen zei. Hij sloeg met zijn staf op de grond en riep uit:
'Wee u, Alexandrië, dat afgoden in plaats van God aanbidt! Wee u, O stad die de hoer heeft gespeeld, waar demonen van over de hele wereld samenstromen! Wat kan je nu nog zeggen? Want zelfs de beesten spreken van Christus terwijl jij afgoden vereert in plaats van God!'
Hij was nauwelijks uitgesproken of het gehoornde dier vluchtte alsof het vleugels had. Voor het geval dat iemand in de verleiding zou komen dit alles niet te geloven, laat hij zich dan herinneren dat de hele wereld getuige was van het feit dat tijdens het bewind van Constantijn * een levend wezen zoals dit in Alexandrië werd vertoond, wat het volk een bijzonder schouwspel verschafte. En later werd zijn dode lichaam naar Antiochië gebracht, in zout geconserveerd om te voorkomen dat het door de hitte zou gaan rotten, waar de Keizer het zelf gezien heeft.
De Ontmoeting van St. Antonius en St. Paulus, 1445, Sassetta (Stefano di Giovanni) The National Gallery of Art, Washington D.C.
Hoofdstuk VIII
Maar, om tot mijn verhaal terug te keren, Antonius vervolgde zijn reis zoals hij was begonnen, uitkijkend naar de sporen van wilde dieren in de enorme uitgestrektheid van de woestijn. Hoe hij het deed of waarheen zijn weg hem leidde, ik weet het niet.
Alweer was een andere dag ten einde gekomen. Wat hem niet bleek te verontrusten, als iemand die er op vertrouwt dat Christus hem niet in de steek zal laten.
De tweede periode van duisternis bracht hij door met bidden de hele nacht lang, en in het schemerige licht van het ochtendgloren zag hij een wolf, hijgend van een brandende dorst, die naar de voet van een berg kroop. Hij hield hem in het oog om te zien waar hij heenging, en nadat de wolf weer uit een grot te voorschijn gekomen en weggegaan was, ging hij zelf naar de grot toe.
Hij begon naar binnen te kijken, maar hij kon niets zien dat zijn nieuwsgierigheid bevredigde, want het donker verduisterde zijn blik. Maar, zoals de Schrift zegt, 'volmaakte liefde drijft vrees uit,' (1 Joh. 4,18 ) en zo ging hij met langzame stappen en met ingehouden adem naar binnen, als een ervaren onderzoeker. Beetje bij beetje ging hij een stukje verder, terwijl hij vaak stilstond, totdat hij plotseling een geluid hoorde. En toen bespeurde hij door de benauwende, blinde donkerte in de verte een glimpje licht. Hij haastte zich er gretig naar toe, en stootte met zijn voet tegen een steen, wat nog een hard geluid maakte. Toen de gezegende Paulus dit hoorde, sloot hij de deur die opengestaan had, denkend dat hij de wolf nu wel kon buitensluiten.
Antonius en Paulus in een Landschap (detail); David Teniers de Jongere, (ca. 1636 - 38), Allen Memorial Art Museum, Oberlin College.
Antonius liep toen daarbuiten heen en weer tot het later was dan het zesde uur [= de middag], en smeekte om toegelaten te worden. Paulus was op dat moment dus niet helderziend, of bemerkte niet anderszins dat hier de heilige Antonius voor zijn deur stond!
Maar ja, het was voor het eerst in 80 jaar dat er iemand langs kwam.
‘U weet wie ik ben, waar ik vandaan kwam, en waarom ik gekomen ben,’ zei hij. ‘Ik weet dat ik het niet verdien u te zien. Maar toch, ik ga niet weg voordat ik dat gedaan heb. U laat wel de wilde dieren binnen. Waarom jaagt u dan mensen weg? Ik heb naar u gezocht en u gevonden. Ik heb geklopt, dus doe nu open! Als ik daar niet in slaag, zal ik hier op uw drempel sterven. En dan moet u mijn lichaam begraven.'
Zulke woorden uitend hield hij vol en bleef onberoerd. En de held gaf hem beknopt dit ten antwoord.
'Zeker, niemand vraagt zo als hij van plan is moeilijkheden te veroorzaken,’ zei hij, ‘en niemand die zulke tranen huilt zal een ander waarschijnlijk kwetsen, maar waarom zou het u verbazen dat ik mijn deur niet geopend heb, aangezien u zelf hebt gezegd dat u hier gekomen bent om te sterven?'
St. Paulus de Heremiet, c 1656-1660.
Mattia Preti, Art Gallery of Ontario.
En met een glimlach deed Paulus tenslotte de deur open. Ze omarmden elkaar, begroetten elkaar bij hun naam, dankten gezamenlijk de Heer, gaven elkaar een heilige kus, en gingen zitten. Dan opeens kent Paulus hem blijkbaar wel, en Antonius weet ook opeens dat de ander Paulus heet.
‘Stil maar!’ zei Paulus. ‘Kijk nou eens naar datgene waar u zoveel moeite voor gedaan hebt om te vinden: niets dan onverzorgde grijze haren die door ouderdom verteerde ledematen bedekken. Kijk, ik ben alleen maar een mens, en spoedig zal ik alleen nog maar stof zijn. Maar evenzogoed, “omdat de liefde alles verdraagt,” (1 Cor. 13,7 ) vertelt u me eens, hoe het met de mensheid gaat, of er in de oude steden nieuwe huizen verrijzen, hoe de wereld wordt geregeerd, en of er nog steeds mensen zijn die in de ban van de demonen verkeren.’
Hoofdstuk IX
Terwijl ze zaten te praten, zagen ze een raaf in de takken van de boom gaan zitten. Deze vloog zachtjes omlaag en legde voor hun verbaasde ogen een heel brood neer, alvorens weer weg te vliegen.
‘Hoe wonderbaarlijk,’ zei Paulus, ‘de goedertieren en barmhartige Heer heeft me de laatste zestig jaar steeds een half brood gestuurd. En nu, vanwege uw komst, heeft Hij Zijn dienaren een dubbel rantsoen gestuurd!'
In de Levensschets van den H. Antonius Abt: "Tot den ouderdom van 43 jaren, leefde hij van de vruchten van zijnen palmboom; gedurende het overige zijns levens, werd hij, gelijk de profeet Elias, door eene raaf gespijsd, welke hem dagelijks een half brood bracht."
St. Antonius Abt en St. Paulus de Heremiet.
Ca. 1635-38. Diego Velázquez. Museo del Prado, Madrid.

Het wonder met de broodbrengende raaf is een van de populairste scènes uit het leven van Paulus, maar ook van Antonius.
Op de achtergrond het toekomstige wonder van de leeuwen bij de begrafenis van Paulus.
St. Antonius Abt bezoekt St. Paulus de Heremiet.
1512-1516. Matthias Grünewald. Musée d'Unterlinden, Colmar, Frankrijk.

Weer een afbeelding van het wonder met de broodbrengende raaf, de meest voorkomende afbeelding van Paulus, die hier in zijn zelfgevlochten mantel is afgebeeld, een ander iconografisch attibuut.
Het wonder met de broodbrengende raaf refereert aan de Bijbelse raaf die vlees en brood naar Elia brengt:
   
1 Koningen XVII 6 - Elias van de ravens gespyst:  

4 Gij kunt uit de beek drinken, en Ik heb de raven geboden u daar van spijze te voorzien.
6 De raven brachten hem des morgens brood en vlees, en des avonds brood en vlees, en hij dronk uit de beek.
   
Ze dankten God voor Zijn werken en gingen aan de rand van de sprankelende bron zitten. Vanaf toen tot aan de avond hadden zij een discussie over wie nu het brood moest breken. Paulus zei dat de gast het moest doen, Antonius zei dat de oudste het moest doen. [Kinderachtig gedoe. De heiligen hebben niets beters te doen!] Uiteindelijk bereikten ze het compromis dat ieder het brood aan een kant zou beetpakken en eraan trekken, met als resultaat dat ieder een deel van het brood in zijn handen zou hebben. Op handen en knieën dronken ze een beetje water uit de bron, en brachten daarna de nacht door wakend in gebed, God’s lof prijzend.
Hoofdstuk X
Toen de dag tenslotte over de aarde weerkeerde, had Paulus dit tot Antonius te zeggen.
'Ik wist al lange tijd, broeder, dat u in deze streek woonde. God had mij beloofd dat Hij u zou sturen om mijn mededienaar te zijn.
Nu kent Paulus plotseling niet alleen de naam van Antonius maar ook allerlei details.
Maar voor mij is de tijd om te gaan nu aangebroken en ik heb er altijd naar verlangd om “heen te gaan en bij Christus te zijn.” (Fil. 1,23) “Ik heb de wedloop tot een goed einde gebracht, en nu wacht mij de krans der gerechtigheid.” (2 Tim. 4,7-8) De Heer heeft u gezonden om mijn lichaam met aarde te bedekken, of beter, om aarde aan aarde terug te geven.' Fil. 1,23 Ik word naar twee kanten getrokken: ik heb het verlangen heen te gaan en met Christus te zijn, want dat is verreweg het beste.

2 Tim. 4,7-8 Ik heb de goede strijd gestreden, de wedloop tot een goed einde gebracht, het geloof bewaard. Nu wacht mij de krans der gerechtigheid, die de Heer, de rechtvaardige rechter, aan mij zal geven op die dag, en niet alleen aan mij maar aan allen die met liefde hebben uitgezien naar zijn verschijnen.

Antonius huilde en jammerde bij de gedachte om zo in de steek te worden gelaten, en bad dat hij die reis met hem zou kunnen delen.
'Je hoeft je eigen eind niet te kennen,’ zei Paulus, ‘maar dat van een ander. Alles wat je moet doen is het Lam te volgen tot de tijd komt voor jou om de last van het vlees af te leggen, en het zal aan andere broeders zijn om het voorbeeld te volgen van wat je nu op het punt staat te doen.
Haast je daarom, voordat het te laat is, om me de mantel te brengen die bisschop Athanasius je gegeven heeft, zodat je daar mijn arme lichaam in kan wikkelen.'
Dit vroeg de gezegende Paulus niet omdat het hem veel kon schelen of zijn lijk nu bedekt of naakt zou rotten, want zeer lang al had hij zich sowieso slechts gekleed in gevlochten palmbladeren, maar omdat Antonius minder verdrietig over zijn naderende dood zou zijn, als hij weg zou gaan.
St. Paulus de Heremiet, 1640, Jusepe de Ribera.
Museo del Prado, Madrid.

Paulus is gekleed in een lendendoek van gevlochten palmbladeren.
Hoofdstuk XI
Antonius was zeer verbaasd door wat Paulus zei over Athanasius en zijn mantel, maar alsof hij naar de woorden van Christus Zelf luisterde, en met de angst voor God in zijn hart, durfde hij niet anders te doen, en met stille tranen kuste hij Paulus' ogen en handen, en keerde terug naar dat klooster dat later door de Saracenen werd bezet.
De manier waarop hij zich voortbewoog hem niet, want zijn lichaam was verzwakt door zijn leeftijd en zijn vasten, maar toch stelde zijn geest hem in staat de effecten van de ouderdom te overwinnen.
Toen zijn tocht erop zat, en hij eindelijk zijn cel bereikte, was hij doodmoe en snakte naar adem. De twee leerlingen, die al heel lang voor hem zorgden, renden hem tegemoet
'Waar bent u al die tijd geweest, vader?' vroegen ze.
'Wee mij, zondaar,’ antwoordde hij. ‘Ik verdien het niet om monnik genoemd te worden. Want ik heb Elia gezien, en Johannes de Doper in de woestijn, en waarlijk, Paulus in het paradijs.'
Hij zei niets meer maar sloeg zich op de borst en haalde de mantel uit zijn cel.
‘Wilt u ons niet wat meer vertellen over wat dit allemaal betekent,’ vroegen de leerlingen.
'Er is een tijd om te spreken en een tijd om te zwijgen,' (Pr. 3,7 ) antwoordde hij.
Noord Kroatië, 18e eeuw, uit de eermalige Paulus kerk in Veternica.
Paulus, geëxalteerd, is gekleed in zijn mantel van palmbladeren.
Een houten reliëf met Paulus en Antonius uit Novi Vinodolski, 16e eeuw.
Met raaf, brood, palmen en mantel van palmbladeren.
Zonder zelfs maar een beetje voedsel tot zich te nemen, ging hij weer naar buiten, en nam dezelfde weg als waarover hij zojuist gekomen was, hunkerend naar Paulus, verlangend hem te zien, en zich in zijn gedachten een beeld van hem vormend. Want hij was bang dat Paulus tijdens zijn afwezigheid de geest zou geven aan Christus. Wat in feite ook gebeurd bleek te zijn.
Hoofdstuk XII
Want op het derde uur van de volgende dag zag hij Paulus, helder schijnend in een mantel zo wit als sneeuw, ten hemel opstijgen, temidden van een koor van profeten en engelen, en ogenblikkelijk viel Antonius met zijn gezicht ter aarde, gooide zand over zijn hoofd, en huilde en jammerde.
‘Waarom heb je ons verlaten, Paulus?’ riep hij uit. ‘Waarom ben je weggegaan zonder afscheid te nemen? Ik leerde je pas nu kennen; waarom ben je zo plotseling weer vertrokken?'
De gezegende Antonius vertelde later dat hij de rest van de weg zo snel had gerend dat het wel leek alsof hij vloog. En dat was maar goed ook.
Want toen hij de grot binnenging, trof hij Paul aan op zijn knieën, met zijn hoofd en handen naar de hemel uitgestrekt, zijn lichaam onbeweeglijk. Aanvankelijk dacht hij dat Paul aan het bidden was en bad hij ook. Maar toen hij geen zuchten hoorde zoals Paulus die gewoonlijk al biddend slaakte, snelde hij naar hem toe en kuste hem in tranen, en hij besefte dat zelfs het lijk van de heilige man bad tot de God voor wie alles leeft.
St. Paulus de Heremiet. Ca. 1660. Mattia Preti.
Hoofdstuk XIII
Hij omwikkelde het lichaam en sleepte het naar buiten, terwijl hij de traditionele christelijke liederen en psalmen zong. Hij maakte zich er zorgen over dat hij geen spade had om een gat in de grond te graven, en hij bekeek het probleem van alle kanten, de diverse mogelijkheden afwegend.
'Als ik terugga naar het klooster,’ zei hij, ‘dan is dat een reis van drie dagen. Maar als ik hier blijf, dan kan ik niets doen. Dus laat me daarom hier maar sterven, zoals passend is. Laat mij mijn laatste adem uitblazen, oh Christus, naast uw strijder, Paul.'
Temidden van zijn verwarring werd hij zich plotseling bewust van twee leeuwen die uit de woestijn op hem toe kwamen springen, met hun manen achter hen aan wapperend. Deze episode met de twee gravende leeuwen, komt totaal overeen met die van Abba Zosimas en Maria van Egypte.
Eerst werd hij door angst overvallen, maar zijn geest op God richtend, bleef hij daar redelijk onverstoorbaar staan, alsof het alleen maar twee duiven waren waar hij naar keek.
De leeuwen renden direct naar het lichaam van de heilige man, en met hun staarten tussen de poten, legden ze zich neer aan zijn voeten en lieten een geweldig gebrul horen, zodat Antonius wel moest begrijpen dat ze rouwden op de enige manier die ze kenden. Daarna begonnen ze iets verderop de grond weg te schrapen, en ze groeven een gat in het zand om een graf te maken dat groot genoeg was voor een mens.
De Verzoeking van St. Antonius, [detail] (1591-94) ; Maarten de Vos, Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, Antwerpen.
Daarna gingen zij naar Antonius, alsof ze een beloning voor hun daad wilde krijgen, met gespitste oren en hun nekken uitgestrekt om zijn handen en voeten te likken. En hij realiseerde zich dat ze hem om de zegen vroegen. Onmiddellijk barstte hij uit in een lofzang op Christus dat zelfs stomme dieren naar God opzien.
‘O Heer, zonder uw toestemming valt er geen blad van de boom en geen mus op de grond, (Mat. 10,29 ) geef aan deze wezens wat naar uw inzicht hun toekomt.'
Hierna gaf hij hun met een beweging van zijn hand te kennen dat ze weg moesten gaan.
Toen ze weg waren, droeg hij het lichaam op zijn gebogen en bejaarde schouders, en legde het in het graf, en bouwde er een grafheuvel overheen zoals de gewoonte voorschreef.
Een volgende dag brak aan, en Antonius nam, als enige erfgenaam van deze man die zonder testament was gestorven, de mantel die Paulus voor zichzelf uit palmbladen had gevlochten in het vlechtwerkpatroon van een mand.
En zo keerde hij terug naar zijn klooster en vertelde zijn leerlingen alles wat er gebeurd was. En van toen af aan droeg hij altijd de mantel van Paulus op de plechtige feesten van Pasen en Pinksteren.
In de Levensschets van den H. Antonius Abt: "De dood van den H. Paulus, eersten aartsvader van de woestijn, had plaats in het jaar 342."
Hoofdstuk XIV
Laat mij, om dit kleine werkje te besluiten, vragen aan degenen die de omvang van hun erfenis niet kennen, die in marmeren villa’s wonen, en die zich ervan verzekeren dat hun enige zoon van al hun weelde zal profiteren, of het deze grijsaard in zijn naaktheid ooit aan iets ontbroken heeft?
Jullie drinken uit kostbare bekers, hij was tevreden met de kom van zijn handen. Jullie dragen gewaden van gouddraad, zijn kleding was grover dan die van jullie allerlaagste slaaf. Maar voor hem in zijn ergste armoede werden de poorten van het paradijs geopend, terwijl jullie met al jullie goud de hel zullen erven. Hij was — naakt — gekleed in Christus, terwijl jullie met je zijden kleding de bedekking van Christus zijn kwijtgeraakt.
Paulus, die nu in dorre aarde begraven is, zal weer in heerlijkheid opstaan, terwijl jullie die snoeven op jullie overdadige tombes zullen branden met al jullie werken.
St. Hiëronymus. Ca. 1607-1608. Caravaggio. Co-Cathedraal van St. Johannes, Valletta, Malta.
Ik smeek jullie, deel, deel ten minste iets uit van jullie zo gekoesterde rijkdommen. Waarom worden jullie doden in vergulde lijkwaden begraven? Hoe komt het dat jullie ambitie niet bevredigd wordt zelfs als deze omgeven is door de tranen van rouw? Denken jullie nu echt dat de lichamen van de doden niet zullen rotten als ze in zijde gewikkeld zijn?
Wie u ook bent die dit verhaal leest, ik smeek u om Hiëronymus te gedenken, een zondaar, die als de Heer hem een keus zou geven, de mantel van Paulus met al zijn verdienste verre zou verkiezen boven het purper van koningen en hun koninkrijken.
Middeleeuwse varianten van de Vitae van Antonius en Paulus
Bij Noordeloos treffen we een literaire kritiek aan op legende over Paulus en zeer interessante Middeleeuwse varianten van de Vitae met allerlei uitbreidingen en verfraaiingen.
Literaire kritiek
De herinnering aan S. Paulus van Thebe is door Hieronymus vastgelegd in hetgeen men pleegt te noemen de vita Pauli. Voorzover hieronder verstaan wordt een enigermate bevredigende levensbeschrijving is de titel een weinig te wijdluftig. Het verhaal toch bevat waarschijnlijk niet meer historie dan deze één zin: “Want Macarius, de volgeling van Antonius, en Amathas, die het lichaam van zijn meester heeft begraven, zijn er nu nog om te bevestigen, dat zekere Paulus van Thebe de eerste kluizenaar is geweest, al heeft hij de naam niet".
Het geheel bestaat slechts uit een beschrijving van een bezoek, dat Antonius aan Paulus zou hebben gebracht, met een paar opmerkingen vooraf.
Dit kan moeilijk een levensbeschrijving heten. Hoe zou Hieronymus deze ook hebben kunnen samenstellen? Waar de authentieke levensbijzonderheden te halen omtrent een man, die in de woestijn levende, zolang de omgang met mensen vermeden had, dat de wereld hem vergeten was!
Hieronymus geeft dan ook ridderlijk toe, dat hij slechts een paar bijzonderheden kan geven over het begin en het einde van het leven. En, indien de mededeling in zijn Kroniek, dat Antonius zijn bezoekers veel verhaalde over de bewonderenswaardige heiligheid van zekere Paulus van Thebe, juist is, dan heeft Antonius blijkbaar alleen kunnen vertellen van het einde van diens leven. En zo Antonius niet meer kon mededelen uit eigen waarneming, dan heeft er tussen beide eremieten geen uitwisseling van bijzondere karakteristieken van den levensstrijd plaats gehad, want Hieronymus getuigt niets te weten van het eigenlijke leven en van de strijd met de satan.
Dit punt interesseerde hem wel, maar zijn zegslieden hadden Antonius hierover niet horen spreken.
Al kon Hieronymus dan al geen levensbeschrijving publiceren, toch heeft hij voor de historie willen vastleggen, dat Paulus van Thebe de eerste kluizenaar in de woestijn is geweest. Dit was voor hem een historisch feit. "Dit is ook ons gevoelen", verklaart hij. Paulus van Thebe is voor hem een historische persoon, getuige zijn Kroniek en zijn mededeling aan Eustochius: "Paulus is dit kluizenaarsleven begonnen; Antonius echter gaf er den glans aan", en zijn gezegde "naar de woestijnen van de Antoniussen en Paulussen".
In de kritiek, die zijn geschrift terstond uitlokte, prikkelde hem het meest, dat men niet aarzelde te verklaren, dat Paulus niet in werkelijkheid, maar alleen in de verbeelding van den schrijver had bestaan. In de proloog voor zijn vita S. Hilarionis verklaart hij tegenover de kwaadsprekers: "Nu zullen zij mijn Hilarion wel neerhalen, gelijk zij het reeds mijn Paulus hebben gedaan; deze om zijn afzondering, gene om zijn veelvuldig bezoek. Van hem, die steeds verborgen leefde, wil men het bestaan niet aanvaarden en deze zal men als gewoon beschouwen, omdat zovelen hem gezien hebben".
Het succes van het leven van Antonius door Athanasius prikkelde hem tot schrijven. Hij wilde, dat ook zijn werk zou inslaan en bijdragen om het verlangen naar het kluizenaarsleven op te wekken. Daarom koos hij de vorm van een hagiografische novelle en omgaf hij de paar gegevens, waarover hij beschikte, rijkelijk met fantastische gebeurtenissen. De stof hiervoor had hij voor het grijpen.
Tengevolge van het verzoek van Athanasius om de monniken, die uit het land van S. Antonius de rivier kwamen afzakken, te ondervragen omtrent de grote heilige, van wie hij maar al te weinig bijzonderheden kon mededelen, waren verschillende verhalen in omloop geraakt.
Daarbij vertelt Hieronymus, dat de monniken zich vermaakten met het verzinnen en vertellen van de meest ongelooflijke gebeurtenissen. Uit een en ander kon Hieronymus naar hartewens putten. Hoe het ook zij, Hieronymus heeft zich volkomen aan die mentaliteit aangepast.
Sint Hiëronymus die de Vita Paulii schrijft. Uit het 'Liber vita sanctissimi Anthonii". 15e eeuw. Biblioteca Medicea Laurenziana, Florence.
Het werk van Hieronymus, dat zo zeer sprak tot de verbeelding van zijn tijdgenoten is op zijn beurt het uitgangspunt geworden van legendevorming. Deze heeft in hoofdzaak betrekking op het motief.
Auteurs in de door grootsheid en luister verwende middeleeuwen dikten de bevlieging van hoogmoed waaraan Antonius in de oorspronkelijke versie leed, flink aan, en zochten het motief van 'hoogmoed komt voor den val', of moet minstens aan de kaak gesteld worden. Meer met hun inzichten kwam overeen het stichten van een machtig klooster en dan nog liefst op een wijze, wondervol, zo als zij zelf talloze malen de stichting van hun eigen heerlijke abdijen hadden gedroomd. Een Antonius, die zo iets gepresteerd had, zou naar middeleeuws begrip, reden hebben tot trots op zich zelf en dus lijden aan hoogmoed.
En tot voorbereiding van het bezoek aan Paulus, zetten zij een legende ineen, die aan een Hieronymus geen oneer zou hebben gedaan.
Er is gezorgd voor voldoende sensatie. Ook de vraag hoe deze wezens, half mens half dier, in de woestijn rondzwierven, heeft men willen verklaren. Daartoe schakelde men de zonde in.
Antonius op bezoek bij Paulus
Met deze legende is de grondslag gelegd voor een zodanige zelfgenoegzaamheid bij Antonius, dat het inderdaad aannemelijk is dat hij een terechtwijzing ontvangt van God. Na zulk een prestatie was het voor de middeleeuwers aanvaardbaar dat S. Antonius in zijn cel te midden van zijn medebroeders sprak: "Ik verheug mij om U in deze wereld, wijl ik zulk een glorie Gods voor U heb verworven en dit klooster gesticht heb. En op aarde is er geen kluizenaar aan mij gelijk".
Deze woorden drongen door tot de Heer en toen Antonius op zijn rustbed lag, riep een stem uit de hemel: "Antonius"!
En hij antwoordde: "Heer, hier ben ik".
Toen vervolgde de stem: "Waarom hebt gij U verheven, gelijk een vogel die omhoog vliegt, zodat hij door een sterke windvlaag ter stond naar de aarde wordt teruggeslagen. Wel na was U de eer van God, maar wegens uw overmoed is zij verre van U geraakt.
En als gij een kluizenaar wilt zijn, zoals er geen tweede is, ga dan en zoek de eremiet Paulus de eenvoudige op. (De auteur verwart hier een andere vroege woestijnvader, Paulus Simplex, met Paulus van Thebe) Zijn moeder baarde hem in overspel, bracht hem naar de hoge bergen, legde hem in de spelonk van een leeuw en wentelde er een grote steen voor, opdat niemand de schande van zijn moeder zou kennen. Dag aan dag werd hij gevoed met de spijze van de heilige hemelbewoners door een raaf, die hem elke dag een half brood bracht. Zijn ogen hebben nimmer een vrouw aanschouwd.
Ga tot hem. Hij zal U leren kluizenaar te worden".
Antonius, door vrees bevangen, stond op en ging naar de kerk om zich voor God te vernederen en Hem te vragen hem de plaats te wijzen, waar Paulus de eenvoudige zich bevond.
Na zijn gebed trad hij naar buiten om aan de tekenen des hemels te zien of het nog geen tijd was om voor de metten te luiden. De maan echter scheen nog helder en daarom ging hij een weinig rusten op de muur van de kloosterpoort.
Terwijl hij daar zat, zag hij op zich afkomen twee wolven. Deze schudden hun kop, kwamen binnen de poort, likten zijn laarzen en kwispelden met hun staart. Antonius begreep dat God deze dieren tot hem gezonden had om hem te geleiden; daarom aarzelde hij niet hen te volgen.
Toen het morgen was geworden, bespeurde hij in de nabijheid van een open spelonk een eigenaardig wezen, staande bij een bron; op het hoofd twee horens gelijk een hert, hoeven als een kameel en behaard van de lendenen tot zijn voeten.
Antonius schrok niet weinig en bezwoer het hem te verklaren of het mens was of niet.
Het monster antwoordde: “Ik ben een mens en heet Agatho. Om mijn zonden ben ik zo misvormd. Ik leefde hier als een kluizenaar, maar de vijand wist mij te vangen. Ik zondigde met een hert, vandaar deze gelijkenis. Ik geloof echter in God de Heer, en dat ik door uw voorbede gered zal worden."
Hierop stortte Antonius een gebed voor hem, waarna hij hem vroeg: “Waar woont de eremiet Paulus"?
Agatho wees hem een pad. “Ga hier langs tot gij een opgerichte steen vindt. Klop daar aan. Hij onderhoudt mij als een vader".
Antonius volgde de aanwijzing op, klopte driemaal op de steen en vroeg: “Vader doe open". Maar Paulus deed juist alsof hij in de mening verkeerde dat satan aan zijn deur klopte. Hij sloeg zich tegen het voorhoofd en richtte een reeks van verwijten en verwensingen tegen hem die buiten stond.
Van een rustperiode trachtte Antonius gebruik te maken om het misverstand uit de weg te ruimen. "Vader Paulus, laat mij binnen. Ik ben uw dienaar Antonius".
Hierop antwoordde Paulus: "Gij zijt Antonius, de abt van het grote klooster, die zich in zijn cel verhovaardigde met de gedachte beter te zijn dan andere monniken? Bid God, dat Hij Uw zonde vergeve". Hierna gaf hij hem nog enkele vermaningen om de nederigheid te beoefenen en deed vervolgens open.
Antonius trad binnen met de vredewens: "Broeder, vrede zij ons en vrede aan alle Christen volk". Nadat Antonius plaats genomen had en Paulus zich had voorgesteld, begon deze de bezoeker te ondervragen: “Hoe gaat het in de wereld? Is het een vruchtbaar jaar? Hoe staat het met de verschillende rangen in de Kerk en hoe met het kloosterleven? Hoe wordt de wereld door de keizer geregeerd? En wat is toch Eva, die vrouw wordt genoemd, voor een schepsel? De apostel laakt het, omdat het Adam heeft verleid en omdat door hetzelve de wereld is vervloekt. Salomon echter zegt daarvan: “een goede vrouw is de kroon van haar man; een slechte vrouw echter verteert hem gelijk een worm het hout. Hoe wordt de vrouw genoemd door wie de wereld is verlicht"?
Antonius antwoordde o.m.: “Door Maria is Christus geboren en Christus heeft ons door het kruishout verlost en tot het eeuwig leven geleid".
Toen de ondervraging was beëindigd, merkte Paulus op dat het tijd werd om zich te versterken.
Nu was een raaf gewoon een half brood te brengen. Die dag echter bracht hij een heel.
"Zie", zei Paulus, “de Heer zendt ons zijn gave; laten wij gaan eten". En zij zetten zich neer bij een bron, dankten God en in bespiegeling over elkaar werd het bijna avond.
Toen deelde Paulus nog aan Antonius mede dat het geen gewoon brood was geweest dat hij met hem had genuttigd, maar de spijze van de burgers des hemels.
Daarna ried hij hem aan om naar zijn klooster terug te gaan, om zijn broeders te vertroosten. Deze waren bezorgd, wijl zij niet wisten waar hij was.
Tenslotte bekende hij nog, dat hij de zesde dag, de dag van Christus’ dood, uit het leven zou scheiden en vroeg hem het pallium, dat de heilige koning Theodosius op zijn altaar had gelegd, te gaan halen om hem daarin te begraven. De zetel van Paulus zou voor Antonius zijn.
Antonius en Paulus in de woestijn. David Teniers. Privé verz.
Na nog een waarschuwing om toch op zijn hoede te zijn tegen de nimmer versagende satan, omhelsden de beide eremieten elkander en scheidden met een verzoek om voor elkander te bidden. Met droefheid in het hart hervatte Antonius de terugweg.
Al spoedig kwam hem Agatho tegemoet, die zijn gewone menselijke gestalte had herkregen. Hij dankte God en wilde Antonius niet meer verlaten.
Aan het klooster gekomen, gingen zij eerst een gezamenlijk gebed storten. Daarna traden zij naar buiten om het verhaal van Antonius te horen: "Wee mij, zondaar, wijl ik een valse monnik ben. Ik heb monniken gezien en werkelijk heb ik in het paradijs gezien Paulus de eremiet". Hierop baden zij het officie en op het einde van de dag nuttigde hij enig brood met zijn broeders. Des nachts gaf hij het teken tot de metten. Daarop vroeg Antonius aan zijn broeders, dat zij hem niet zouden vergeten. Hij toch moest naar de plaats, waar hij geen ander mens meer zou zien.
Zij vroegen hem nu waarom? Hij echter troostte hen en verzocht hun iemand te kiezen om hen te doen volharden in het gebed en hen te bewaren en te leiden. Wat hem zelf aanging, voor zijn zaligheid was het beter, dat hij in algehele afzondering ging leven. Toen vroegen zijn medebroeders dat hij hun een leidsman zou geven. En hij gaf hun Agatho.
Hierna omhelsde hij iedere broeder afzonderlijk. Zij vroegen hem: "aan wie laat gij ons over, vader"? Op de zesden dag verliet hij zijn monniken.
Te middernacht nam hij het pallium en snelde als een vogel naar de spelonk van Paulus. Daar aangekomen, klopte hij aan, doch ontving geen antwoord. Toen hij naar binnen keek, zag hij hem in gebed liggen. Antonius ging binnen, knielde naast hem neer, maar bespeurde dat er geen leven meer in was.

Toen zag hij op naar de hemel en zag de koren der engelen de ziel van Paulus, schitterend blank, omringd door scharen profeten en apostelen, ten hemel dragen. Antonius was bedroefd over de plotselinge scheiding en hij omhelsde hem en bracht hem buiten, wikkelde zijn lichaam in het pallium en ging aan het hoofdeinde zitten zingen en psalmen zeggen, overeenkomstig christelijk gebruik.
Le Ravissement de Saint Paul, Le Dominiquin: Domenico Zampieri; 17e eeuw; Musée du Louvre. Parijs.
Het speet Antonius, dat hij geen schop had om een graf te graven.
Toen hij evenwel opkeek, zag hij twee leeuwen uit de woestijn recht op het lichaam van de heilige grijsaard aankomen. Met hun staart kwispelende legden zij zich aan zijn voeten en maakten een geluid alsof zij treurden. Toen begonnen zij vlakbij de zandige grond uit te graven. Hiermede gereed, gingen ze naar Antonius, likten zijn handen om hem te beduiden dat zij een kuil gegraven hadden. Deze gelastte hun heen te gaan.
Vervolgens nam hij het lichaam van Paulus en begroef dit in de kuil en maakte daarop een grafheuvel, zoals gebruikelijk.
De begraving vond plaats op de top van de berg Cedron, die is nabij Sinaï.
Dan richtte Antonius zijn schreden naar de cel van Paulus en sleet daar in alle nederigheid voor God zijn levensdagen in gebed. Ook kleedde hij zich met het kleed van zijn heilige voorganger, dat van palmbladeren gevlochten was.
Hij nu stichtte het eerste klooster in die streek.
Muurschildering in het Paulusklooster in Egypte.
Cultus
Het klooster van Paulus van Thebe in Egypte

Het klooster van Paulus van Thebe (Deir Mar Boulos), wordt ook wel het Klooster van de Tijgers (Deir al-numur) genoemd, vanwege de locatie in de wildernis.
Het werd verscheidene keren tijdens de 15de en 16de eeuwen geplunderd, maar werd later weer bevolkt door de monniken van het St. Antonius Klooster.
De Kerk van St. Paulus, die ondergronds gebouwd is, werd oorspronkelijk gegraven in de grot waar de heilige leefde en waar nu nog zijn overblijfselen in een marmeren schrijn worden bewaard.

Volgens een traditioneel verhaal werden de overblijfselen van de heilige in 1240 naar Constantinopel gebracht, en vandaar in 1381 naar Venetië. Een urn in de kerk van St. Julianus in Venetië werd namelijk verondersteld zijn overblijfselen te bevatten. Een recente analyse heeft echter aangetoond dat de overblijfselen in Venetië slechts één been van een zeer oude man (meer dan tachtig) omvatten, die tussen de eerste eeuw en de eerste helft van de vierde eeuw n.Chr. leefde. Het zou dus wel een deel van het lichaam van de heilige kunnen zijn, maar het merendeel rust toch in het Egyptische klooster dat zijn naam draagt.
De bron van St. Paulus
Een oude bron in het noorden van het complex is vernoemd naar St. Paulus. Er komt ongeveer vier kubieke meter water per dag uit. Het water stroomt uit een bergspleet en wordt gebruikt voor drinken en koken, om te wassen, en voor irrigatie.
Zo’n honderd meters zuidelijk van het klooster is er nog een tweede bron, die de Poel van Miriam wordt genoemd, naar de zuster van Mozes en Aäron, die zich daar volgens de traditie tijdens de Exodus wasten.
De Orde van St. Paul Heremiet
De Orde van St. Paul Heremiet werd in de eerste helft van de 13de eeuw in Hongarije opgericht. De stichter van de Orde was Eusebius, een kanunnik van Esztergom. De leden van de Orde waren eigenlijk kluizenaars in Hongarije die in grotten leefden. Voor hun patroon kozen zij St. Paul de Heremiet, waardoor hun orde de naam kreeg van Orde van St. Paul Heremiet, en zij in het kort "Pauline Vaders" genoemd werden.
De kloosterorde verspreidde zich door Hongarije, Polen, Kroatië, Oostenrijk en Beieren.
Na een tijd gaven de overheden bevel veel kloosters te sluiten. Nochtans volhardden zij in Polen, waar zij de toewijding aan de Heilige Maagd Maria bevorderden bij het belangrijke klooster van Czestochowa, waar zij nog steeds verblijven.
Daarnaast zijn er afdelingen in Hongarije, Australië en Amerika.
In het wapen van de Orde staan de twee wonderen omtrent Paulus centraal, namelijk de raaf die het brood brengt en de leeuwen die zijn graf graven, dus toont deze een palmboom, twee leeuwen en een raaf.
Szentkút, Hongarije, de Paltas monniken, volgers van de heilige Paulus de Kluizenaar
In het kleine dorpje Szentkút, hemelsbreed zo'n zes kilometer van de Harten Herberg bevindt zich een heilige bron. Het dorpje, dat geen dorpje is in feite, doch slechts een kloosterorde huisvest en de bron waar ooit de heilige Maagd Maria verscheen (zeventiende eeuw), behoort bij Pétöfiszallas.
Behalve de bron die sinds jaar en dag een waar pelgrimsoord is, bevinden ook de befaamde Paltas monniken (volgers van de heilige Paulus de Kluizenaar) zich in Szentkút. Tijdens hoogtijdagen van het katholieke geloof worden er buitenlucht-diensten gehouden en met Pinksteren vindt er steevast een grote braderie/markt plaats inclusief tocht (processie) rondom het terrein. 's Avonds is er dan een mooie dienst in het pittoreske kerkje en buiten, waar het publiek op houten banken of gewoon in het gras zit te luisteren en waar honderden kaarsen worden ontstoken langs het speciale Maria-en-kind tempeltje.
Uit de bron, waar Maria de Moeder ooit verscheen als een gigantische lichtstraal, stroomt na die tijd helend water. Honderden mensen komen er een flesje vullen of houden ledematen onder de stromende fontein of — zoals vroeger — onder de oude gietijzeren pomp.
De grot van Lourdes is er ook nagebouwd, want deze Hongaarse plek heeft een sterke verbinding met deze beroemde Franse bedevaartplaats.
Dood van St. Paulus de Heremiet, toegeschreven aan Maarten de Vos, 1532-1613. The Bowes Museum.
Kerk
Koptisch Orthodoxe Kerk van De Heilige Paulus Van Thebe - Leeuwarden
Van Aylvaleane 12 - Hilaard, Leeuwarden
Folklore
Weerspreuk
Paulus heeft in ieder geval één weerspreuk, gekoppeld aan zijn naamdag 15 januari:

St. Pauwel is de eerste der drie harde koppen

Met harde koppen, de harde vorst die omstreeks deze tijd kan voorkomen, worden Paulus van Thebe (15-01), Antonius Abt (17-01) en Sebastiaan (20-01) bedoeld.

Twee Duitse weerspreuken:
"St. Paulus klar, / gutes Jahr, / bringt er Wind, regnet's geschwind."
"Ist der Paulustag gelinde, / folgen im Frühjahr rauhe."

Bloem & patroonheilige
De iconografische attributen van Paulus zijn: zijn mantel van gevlochten palmbladeren, palm, raaf (met brood), twee leeuwen
Paulus heeft in ieder geval één bloem die met hem geassocieerd wordt, namelijk de klimop, hedera helix.
Hij is de patroon van de wevers en mandenvlechters, vanwege zijn kleding — lendendoek of mantel — die bestond uit gevlochten palmbladeren.

Wat palmbladeren kleding van Paulus betreft: dat doet me toch ook sterk denken aan de hedendaagse sadhoes die tot de Vishnoeïetische subsekte van tyagi's behoren, die een zeer streng ascetisch bestaan leiden. Zij verblijven of slapen nooit onder een dak en gebruiken nooit meer dan één dekentje, ongeacht de weersomstandigheden.
Bovendien gebruiken ze nog steeds uitsluitend natuurlijke producten, zoals de hier afgebeelde waterpot die een uitgeholde kalebas is. En hun minimale kleding bestaat ook uit natuurlijke producten, zoals de schaam-bedekking die van banane-blad is gemaakt, en die kela-langoti wordt genoemd. Het koord over zijn borst is van gevlochten gras, evenals zijn 'armband' en 'halsband' waar als kraal een stukje tulsi-hout aan hangt.
Rama Sharan Das, een tyagi sadhoe gekleed in een lendendoek van banane-blad.
Bronnen voor de tekst
Er zijn twee versies van het verhaal, die nogal op elkaar lijken. Maar omdat één ervan me iets dichter bij de simpele verhaaltrant van het 'origineel' lijkt te liggen, heb ik daarvan in mijn bewerking voornamelijk gebruik gemaakt. Maar zowel Wagenaar als Van der Horst hebben juist de andere versie gekozen, die in het Engels te vinden is op New Advent.
'Mijn' versie is (in het Engels) te vinden op: De Vitis Patrum.

Levensschets van den H. Antonius Abt. Abdij Averbode. 1915.

# Mijn eigen opmerkingen staan in het groen.

Bijbelcitaten zijn ontleend aan de Willibrordvertaling.


contact: Dolf Hartsuiker