Antonius Abt Paulus van Thebe Hilarion van Gaza Maria van Egypte Simeon Styliticus Adolphus
Het Leven van Simeon de Pilaarheilige door Theodoretus
& Sint Simeon Stylites
door Evagrius
& Simeon de Pilaarheilige
door Antonius
Het Leven van Simeon de Pilaarheilige door Theodoretus - Simeon Stylites door Evagrius - De basiliek van St. Simeon Stylitus in Syrië - Navolgers van Simeon - Simeon in de literatuur - Lord Alfred Tennyson - Cavafy - Gibbon - Beeldende kunst - Simón del desierto, een film van Luis Buñuel - Saint Siméon, een dorpje in Frankrijk - Een beetje folklore -

Simeon de Pilaarheilige leefde van 388 tot 459 n.Chr.
Er zijn twee versies van zijn levensverhaal, die behoorlijk van elkaar afwijken. Een daarvan is geschreven door Theodoretus, welke we misschien de 'officiële' versie zouden kunnen noemen, die ik hier ook onverkort heb weergegeven.
En er is een versie van een leerling van hem, Antonius, die een wat minder literaire indruk maakt, maar toch wel interessante aanvullingen geeft, en waarvan ik hier en daar wat stukken zal gebruiken, in deze kleur blauw, hoewel ik de volledige tekst op een aparte pagina heb gezet.
Tenslotte wordt Simeon nog genoemd door Evagrius in zijn Kerkgeschiedenis (ongeveer 580 n.Chr.) en dat fragment heb ik onderaan opgenomen.

Het Leven van Simeon de Pilaarheilige
Door Theodoretus, bisschop van Cyrus, (c. 393-457)
in het Latijn vertaald door Gentianus Hervetus

Uit Historia Religiosa in Vitis Patrum, Boek IX, Hoofdstuk XXVI

[Voorwoord van Theodoretus]

Elke onderdaan van het Romeinse Rijk kent de beroemde Simeon, het grote wereldwonder. De Perzen kennen hem ook, evenals de Indiërs en de Ethiopiërs; in feite heeft zijn faam zich zelfs zo ver verspreid als de nomaden van Skythia, waar ze over zijn ijver en levenswijze hebben gehoord.

Laat ik meteen zeggen dat als ik niet zoveel getuigen zou hebben, ik zou aarzelen om zijn worstelingen te beschrijven, die groter zijn dan in woorden is te vatten, uit vrees dat het nageslacht deze slechts voor sprookjes zonder enige grond van waarheid zou houden. Want ze zijn groter dan je voor mogelijk zou houden voor de menselijke natuur, en de mensen zijn vanzelfsprekend geneigd wat ze horen te beoordelen naar de grenzen van de menselijke natuur. En als ze iets horen dat die grenzen overschrijdt, wordt dat door mensen die niet in goddelijke mysteriën zijn ingewijd, als onwaar beoordeeld.

Maar de aarde en zee zijn vol vrome leden van het ware geloof, die goed in goddelijke zaken onderwezen zijn, die zich bewust zijn van de genade van de Heilige Geest en die zeker zullen geloven wat ik zo ga vertellen, waardoor hun geloof nog groter zal worden, en die mijn verhaal met levendige belangstelling zullen ontvangen. Het is op die basis dat ik zal beginnen te beschrijven hoe hij een roeping van boven waardig was.

[Inspiratie door de stem van het Evangelie]
Hij werd geboren in een dorp dat Sefa genoemd werd, op de grens tussen ons land en Cilicië, waar zijn ouders hem leerden schapen te hoeden. In dat opzicht verkeerde hij in het goede gezelschap van de aartsvader Jakob, de strenge Jozef, de wetgever Mozes, de koning en profeet David, en al die andere goddelijke mensen zoals zij.
Toen het een keer hard gesneeuwd had moesten de schapen binnen blijven, en in deze periode van rust ging hij met zijn ouders naar de kerk.
Zijn eigen heilige mond vertelde me het volgende stuk. Want hij zei dat hij de stem van het Evangelie hoorde zeggen, ‘gezegend zijn degene die wenen en rouwen, ellendig zijn zij die spotten, gezegend zijn degenen die puur van hart zijn’ en de rest van die passage. (Matt. 5,3 e.v.) Hij vroeg een van de aanwezigen wat men moest doen om al die dingen te volgen, en men vertelde hem over het leven in eenzaamheid en haar verheven weg van het zoeken naar wijsheid. Matt. 5,3 ‘Gelukkig die arm van geest zijn, want hun behoort het koninkrijk der hemelen. Gelukkig die verdriet hebben, want zij zullen getroost worden. Gelukkig die zachtmoedig zijn, want zij zullen het land erven. Gelukkig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden. Gelukkig die barmhartig zijn, want zij zullen barmhartigheid ondervinden. Gelukkig die zuiver van hart zijn, want zij zullen God zien. Gelukkig die vrede brengen, want zij zullen kinderen van God genoemd worden. Gelukkig die vervolgd worden vanwege de gerechtigheid, want hun behoort het koninkrijk der hemelen.
Hij zei dat hij, na deze zaden van het goddelijke woord ontvangen te hebben, vruchtbaar gepland in de diepste voren van zijn hart, naar een nabijgelegen kapel van de heilige martelaren ging, zijn knieën boog en met zijn voorhoofd de grond aanraakte, en tot Hem bad ‘die alle mensen wil redden’ (1 Tim. 2,4 ), smekend dat hij naar de volmaakte weg van vroomheid en ware godsdienst geleid zou worden. Niet lang daarna lag hij vredig te slapen toen hij een droom kreeg.
‘Het leek alsof ik funderingen aan het graven was,' zei hij, ‘en ik hoorde iemand die dichtbij stond zeggen dat ik veel dieper moest graven. Nadat ik dieper gegraven had, zoals hij vroeg, probeerde ik uit te rusten, maar hij droeg me op verder te gaan met graven en niet op te houden met mijn werk. Dit gebeurde drie of vier keer, tot hij me tenslotte zei dat het diep genoeg was. Toen droeg hij me op te bouwen, maar geen inspanning te gebruiken, want de inspanning was voorbij en het toekomstig gebouw zou zonder inspanning verschijnen.'
Toekomstige gebeurtenissen bewezen dat deze voorspelling waar was, want wat er gebeurde, ging de kracht van de menselijke natuur te boven.
[Zijn eerste leraren]
Toen hij wakker werd ging hij naar een huis met monniken in de buurt. Hij bleef daar twee jaar, gegrepen door een diep verlangen om volmaakt in de deugd te worden, en ging toen naar het dorp Teleda, dat we al eerder noemden [In hoofdstuk IV in Historia Religiosa over Eusibius], waar de grote en goddelijke Ammianus en Eusebius hun kloosterlijk onderkomen hadden gebouwd.
Hij voegde zich echter niet bij hen, maar ging naar een ander huis dat daar een afdeling van was, een plaats van training in de filosofie,* dat door Eusebonas en Abibion gebouwd was, nadat zij door Eusebius voldoende waren onderwezen. * Hier staan in de engelse tekst de woorden ‘training ground’, een begrip zoals dat ook in India gebruikt wordt als een plaats voor asceten, later in de betekenis van een gemeenschap van sadhoes, die Akhara genoemd wordt.
Deze twee brachten hun hele leven in harmonie met elkaar door, in gedachten en daden. Zij waren als één ziel in twee lichamen, en hadden vele anderen bij hen, die door een liefde voor dit soort leven gegrepen waren.
Nadat zij dit leven verlaten hadden, had Heliodorus de leiding. Hij werd door zijn metgezellen zeer bewonderd. Op de leeftijd van vijfenzestig had hij tweeënzestig jaar een opgesloten leven geleid, want zijn ouders hadden maar drie jaar voor hem gezorgd, voordat hij bij deze gemeenschap kwam, zodat hij nooit veel dingen in deze wereld onder ogen gekregen had. Hij zei altijd dat hij niet wist hoe varkens eruit zagen, of hanen of andere soortgelijke dieren. Ik ontmoette hem vaak, en ik bewonderde zijn eenvoud van leven en had evenveel achting voor zijn prachtige reinheid van ziel.
[Palmbladeren als ‘haarhemd’]
Die voortreffelijke atleet van vroomheid, Simeon, leverde tien jaar lang tussen hen zijn strijd. Er waren er tachtig van hen, maar hij overschaduwde hen allen. Terwijl de anderen om de dag aten, vastte hij de hele week, wat zijn superieuren absoluut niet goedkeurden. Ze twistten met hem en zeiden dat hij de gewone gang van zaken verstoorde, hoewel niets van wat ze zeiden hem van gedachten deed veranderen, of erin slaagde zijn spirituele ijver te beteugelen.
De huidige overste van deze gemeenschap vertelde me, dat Simeon eens een touw van palmbladeren maakte, welke bijzonder scherpe en netelige dingen zijn, en dat rond zijn middel wikkelde, niet boven zijn kleding, maar direct op zijn huid, en het zo strak aantrok dat hij, waar het hem maar raakte, zweren kreeg. Nadat hij dit tien dagen gedragen had, begonnen de zweren te bloeden, en iemand die dit opmerkte, vroeg hem waarom hij bloedde. Hij zei dat het niets was, maar zijn metgezel stak hardhandig zijn hand in zijn kleren en ontdekte de oorzaak.
Hij rapporteerde het aan de overste, die hem berispte, en hem smeekte, en de wreedheid ervan benadrukte, en hij kon hem er slechts met veel moeite van overtuigen ermee op te houden.
Later, toen ontdekt werd dat hij nog meer van dergelijke dingen deed, werd hij uit het klooster gestuurd, om te voorkomen dat anderen die niet zo’n groot lichamelijk uithoudingsvermogen hadden, hem zouden gaan nadoen, tot hun grote nadeel.
Icoon 17e eeuw.
[Afzondering in de woestijn en vasten]
Hij ging naar een eenzamer plaats op de berg, waar hij een zeer diep ravijn vond, waar geen water in stroomde, waarin hij zich naar beneden liet zakken en God met zijn hymnen begon te loven. Ondertussen begon bij de oversten van het klooster hun geweten een beetje te knagen, en ze zonden er twee van de broeders op uit om hem te vinden en terug te brengen. Zij zwierven over de berg en vertelden aan de herders hoe hij eruit zag en hoe hij gekleed was en vroegen hen of ze hem gezien hadden. De herders wezen het ravijn aan, en toen zij die zagen, riepen ze luid in verbijstering en ze moesten een touw halen om hem na veel moeite omhoog te hijsen, want het was een plek die makkelijker was om in te komen dan er weer uit.
Hij bleef nog wat langer bij hen voordat hij naar het dorp Tellanessus ging, vlak bij Antiochië, waar hij de bergtop in bezit nam waar hij nu leeft. Hij vond daar een klein onderkomen waarin hij drie jaar compleet afgesloten verbleef.
En toen, in een poging zijn schat aan deugdzaamheid te vergroten, besloot hij veertig dagen totaal te vasten, net als die goddelijke mannen Mozes en Elia. Hij probeerde de bewonderenswaardige Bassus, die toen het beheer had over veel gemeenschappen in zijn capaciteit van leider van de gewone monniken, ervan te overtuigen de ingang tot zijn huis met klei dicht te smeren en daarbinnen niets achter te laten. Bassus maakte de tegenwerping dat een zelfaangerichte dood absoluut niet als een deugd gerekend kan worden, maar in de eerste plaats en vooral een misdaad.
'Goed dan, Abba,’ zei Simeon, ‘laat tien broden voor me achter, en een kruik water, en als ik merk dat mijn lichaam behoefte heeft aan wat voedsel, zal ik daar iets van nemen.'
Het werd gedaan zoals hij had gevraagd. Het voedsel werd binnen gebracht, en de ingang werd met klei afgesloten. Tegen het eind van die veertig dagen, kwam die bewonderenswaardige man Gods, Bassus, en verwijderde de klei, ging naar binnen en vond daar hetzelfde aantal broden als daarvoor, de kruik nog vol water, en Simeon zelf op de grond liggend, nauwelijks ademend, niet in staat te spreken of te bewegen. Hij vond een spons en bevochtigde en waste daarmee zijn mond, waarna hij hem het brood en de wijn van het goddelijke Avondmaal toediende. Daardoor gesterkt, kwam hij weer bij, en nam een beetje voedsel, wat sla en waterkers, waarvan hij per keer een klein beetje at dat hij nog net door kon slikken.
[Armoede, staan en vasten]
De grote Bassus was verbijsterd, en kwam terug om zijn eigen kudde over dit grote wonder te vertellen. Hij had meer dan tweehonderd metgezellen, aan wie het niet was toegestaan een lastdier of een molensteen te bezitten. Het was hen niet toegestaan van wie dan ook goud te accepteren, of om zelfs maar naar buiten te gaan om te kopen wat nodig was, maar ze bleven binnen, tevreden met wat voor voedsel dan ook dat hen door goddelijke genade gegeven werd. Zij handhaven deze regel tot op de dag van vandaag en hoeveel ze in aantal ook mogen toenemen, ze overtreden de hun gegeven regel niet.
Maar laat ik weer terugkeren naar de grote Simeon.
Vanaf die tijd tot op de dag van vandaag, dat wil zeggen, 28 jaar lang, heeft hij het veertig dagen vasten beoefend. De eerste paar dagen stond hij om God te loven, maar door hier mee door te gaan en naarmate de tijd verstreek moest hij die inspanning aanpassen. Zwakte van het lichaam stond hem niet toe te blijven staan. Dan moest hij gaan zitten om de goddelijke mis te zeggen, en gedurende de laatste dagen ging hij liggen. En omdat beetje bij beetje zijn natuurlijke krachten zwakker en zwakker werden, had hij geen andere keus dan daar halfdood te liggen.
Maar nadat hij zijn pilaar was opgegaan, dacht hij er geen moment aan naar beneden te komen en bedacht hij een manier om te blijven staan. Want hij richtte een grote houten balk op boven op zijn pilaar en bond zichzelf met touwen daaraan vast, en bracht zo de gehele veertig dagen door. Vanaf die tijd tolereerden zijn superieuren wat hij deed en accepteerden ze dat hij geen enkele hulp nodig had. Hij stond de volle veertig dagen, nam geen voedsel, maar met de levenskracht van zijn ziel versterkt door goddelijke genade.
Icoon uit 1465.
[IJzeren ketting, insecten]
Zoals we gezegd hebben, bleef hij drie jaar in die kleine woning, voordat hij naar de bergtop kwam die sindsdien zo beroemd en gevierd is geworden. Hij regelde het zo dat er een hek rondom de plek werd gebouwd, en nam een ketting van twintig el lang, waarvan hij het ene eind aan een grote steen bevestigde en het andere aan zijn enkel, zodat hij, al zou hij het willen, niet meer buiten die grens die hij gesteld had, zou kunnen gaan.
Daar bleef hij, en zocht het visoen van de hemel, kracht ontlenend aan de contemplatie van die dingen die boven de hemelen zijn, terwijl de vlucht van zijn gedachten op geen enkele wijze hierdoor gehinderd werd.
Maar later werd aan die bewonderenswaardige man Meletius de bisschoppelijke zorg over de stad Antiochië en heel de regio daarom heen gegeven, een oordeelkundig man, beroemd om zijn verstandigheid en gesierd door buitengewone scherpzinnigheid. Hij verklaarde dat Simeon's ketting overbodig was, want het was best genoeg dat de geest het lichaam de beperking op zou leggen die door de ketting werd opgelegd.
Dus in gehoorzaamheid aan de bisschop ging hij ermee akkoord het gebruik van de ketting te stoppen. Er werd een smid roepen, en opgedragen hem te verwijderen.
Nu was er bij zijn scheenbeen een stuk leer om de ketting vastgenaaid om het lichaam te beschermen, en toen dat noodzakelijkerwijs losgeknipt moest worden, zeggen ze, dat ze twintig grote insecten vonden, die zich in de plooien daarvan verborgen.
Meletius zelf getuigde dat dat was wat hij zag.
Ik heb dit vermeld om te demonstreren wat een grote geestkracht deze man had, want hij had gemakkelijk het leer kunnen terugbuigen en de insecten vernietigen. Maar hij gaf er de voorkeur aan hun felle beten te dulden, en naar hogere dingen te streven door de kleine dingen te verdragen.
In India bevestigden sadhoes kettingen aan hun p^nis, met het andere eind aan een paaltje in de grond, of soms ook liepen ze ermee rond.
[Faam]
Zijn roem verspreidde zich door de hele omgeving, en mensen kwamen van heinde en ver, sommigen brachten mensen met verlamming mee, sommigen zochten genezing voor hun eigen ziekten, anderen verlangden monnik te worden, want wat ze van nature moeilijk konden accepteren, accepteerden ze graag van hem.* * Een wat cryptische zin waarmee, denk ik, bedoeld wordt dat ze eruit zichzelf moeilijk toe konden komen monnik te worden en dat ze daarvoor de steun van Simeon nodig hadden.
Wanneer al deze mensen gekregen hadden waar ze om gevraagd hadden, gingen ze opgetogen weg en vertelden iedereen over de weldaden die ze ontvangen hadden, en stuurden er veel meer terug om naar soortgelijke dingen te zoeken. Al deze mensen die van overal vandaan kwamen, waren als rivieren die langs alle wegen stroomden, en zij kwamen op die plek tezamen als een menselijke oceaan, door stromen van alle kanten gevuld.
Er was een vloed van mensen, niet alleen uit de buurt, maar er waren Ismaëlieten, en Perzen en Armeniërs, en Iberen, en Homerieten, en anderen van nog verder weg.
Velen kwamen zelfs uit het verre Westen, Spanjaarden en Britten, en Galliërs.
Het is nauwelijks nodig eraan toe te voegen dat ze ook uit Italië kwamen; ze zeggen dat hij in Rome, verreweg de grootste stad, zo in preken werd geprezen dat het volk in al hun portieken en ingangen kleine beeldjes van hem plaatsten, om zich door zijn bescherming veiligheid te verschaffen.
Talloze mensen bleven naar hem toekomen en probeerden hem aan te raken om zo een zegen van zijn kleding van huiden te ontvangen. Aanvankelijk dacht hij alleen maar dat het belachelijk en onnodig was dat hem zoveel eer betoond werd, maar tenslotte bemerkte hij dat hij al die extra last die dat veroorzaakte nauwelijks kon verdragen. Dus regelde hij die zuil om op te staan, eerst opdracht gevend hem zes el hoog te maken, toen twaalf, en later twintig, en tenslotte zesendertig, wat het vandaag is. Het was onderdeel van zijn verlangen om weg de hemel in te vliegen en zich van aardse dingen te bevrijden.
Ik geloof niet dat het bouwen van deze pilaar in strijd is met het goddelijk plan, en ik wil degenen die er plezier in hebben dit te bespotten op het hart drukken hun tong in bedwang houden, en die niet zo gedachteloos te laten flappen.
Bas-reliëf van St. Simeon Stylitus,
uit de Hama regio, ca. 500 n.Chr., van basalt; in het Hama Museum.

We zien hem hier met alleen zijn hoofd boven het hekwerk uitsteken, dat boven op de pilaar staat. Een vogel, die Christus voorstelt kroont hem met een krans. De persoon op de ladder houdt een wierookbrander in zijn hand.
Ze zouden zich eerder moeten herinneren dat de Heer veel van dit soort dingen geregeld heeft ten bate van de gemakzuchtigen. Hij gaf Jesaja opdracht om naakt en op blote voeten rond te lopen, (Jes. 20,2) en Jeremia om een lendendoek om zijn heupen te doen als profetische handeling ten bate van de ongelovigen, (Jer. 13,1) en later, om houten en ijzeren jukken om zijn nek te dragen. (Jer. 27,2) Hij droeg Hosea op om een hoerige vrouw te nemen, en zijn liefde te tonen voor zijn hoererende en overspelige vrouw, (Hos. 1,2) en Ezechiël om veertig dagen op zijn rechterzij te gaan liggen en [driehondernegentig] honderdvijftig op zijn linkerzij, (Eze. 4,5-6) en verder om een muur door te breken (Eze. 12,7) en te vluchten als iemand die in ballingschap gaat, (Eze. 12,4) en zelfs om een scherp scheermes te nemen en daarmee zijn haar af te snijden, het in vieren te verdelen en links en rechts uit te delen zodat niemand in staat zou zijn deze in hun geheel te tellen. (Eze. 5,1) Jes. 20,2 Hij had hem bevolen: 'Doe het haren kleed om uw lendenen uit en trek uw sandalen uit.'

Jer. 13,1 'Ga een linnen lendendoek kopen, sla die om uw middel en zorg dat hij niet nat wordt.'

Jer. 27,2 'U moet een juk maken met riemen en dat op uw schouders nemen.'
Hos. 1,2 'U moet een hoerige vrouw trouwen en hoerenkinderen bij haar verwekken, want werkelijk, het land loopt door zijn overspel van de HEER weg.'
Eze. 4,4 Ga dan op uw linkerzijde liggen om de schuld van het volk van Israël te dragen. Het aantal dagen dat u zo zult liggen, zult u hun schuld dragen.
5 Want Ik reken het aantal jaren van hun schuld in dagen om: driehonderdnegentig dagen moet u de schuld van het volk van Israël dragen.
6 Als die dagen om zijn, moet u opnieuw gaan liggen, nu op uw rechterzijde, en de schuld van het volk van Juda dragen, veertig dagen lang.

Eze. 12,7 ... tegen de avond maakte ik met mijn hand een gat in de muur; in het donker laadde ik voor hun ogen de bagage op mijn schouder en vertrok.

Eze. 12,4 Breng de bagage voor uw ballingschap overdag voor hun ogen naar buiten en vertrek voor hun ogen tegen het vallen van de avond als een balling.

Eze. 5,1 Mensenkind, neem een scherp mes, een scheermes, en laat het over uw hoofd en uw baard gaan. Neem dan een weegschaal en verdeel de haren.
2 Een derde deel moet u in de stad verbranden, wanneer de dagen van de belegering ten einde zijn; een derde deel moet u in het omliggende gebied met een zwaard klein hakken; het laatste deel moet u in de wind strooien en Ik zal het met het zwaard achtervolgen.
3 Maar een beetje haar moet u in een slip van uw kleed opbergen.
4 Toch moet u daarvan nog iets afnemen, het in het vuur werpen en daarin laten verbranden.
Het zijn allemaal zeer raadselachtige opdrachten, zeker de laatste.
De Heerser van het heelal gaf opdracht tot het doen van al die dingen om diegenen die Zijn woord niet gehoorzaamden of niet naar de profeten luisterden, tot bezinning te brengen, hen door deze buitengewone schouwspelen te overtuigen, en hen er toe te bewegen acht te slaan op de orakels van God. Want wie zou er niet totaal verbijsterd zijn bij het zien van de man Gods die naakt loopt? Wie zou zich niet afvragen waarom hij dat deed? Wie zou niet willen weten hoe een profeet een hoererende vrouw kon toestaan bij hem te wonen?
Maar de God van alles gaf opdracht tot het doen van elk van deze dingen vanwege zijn bezorgdheid voor degenen die een schandalig en lui leven leidden.
En zo verschafte Hij ook dit wonderbaarlijk nieuwe schouwspel [van Simeon op zijn pilaar], om iedereen over te halen ernaar te komen kijken louter vanwege het nieuwe en verbazingwekkende ervan, en om zeker te stellen dat degenen die kwamen een les zouden krijgen waarin ze konden geloven. Het nieuwe van het schouwspel was op zich een gelofte van de ware leer, en ieder die ernaar kwam kijken vertrok weer na iets van de aard van God geleerd te hebben.
Want net als mensen van tijd tot tijd de afbeeldingen op hun munten veranderen, door op sommige een leeuw te plaatsen, op een andere sterren of op weer een andere Engelen, om de waarde van het goud te verhogen door die erop geslagen beeltenis, zo voegt ook de Koning van het heelal veel nieuwe levenswijzen toe aan de goddelijkheid van de ware religie, alsof Hij beeltenissen en zegels drukt, niet alleen ten behoeve van degenen die tot het huishouden van het geloof behoren, maar om de tongen van allen die lijden aan de ziekte van het ongeloof aan te moedigen zich te gaan toeleggen op de lofprijzing van God.
Een Byzantijnse illustratie, die erg veel lijkt op het bas-reliëf hierboven.
[Als een kaars]
Het waren niet zozeer woorden, die hen hiervan overtuigden, maar het was de aanblik van de zuil op zich, die zelf boekdelen sprak. Dit simpele feit van een man die op een zuil staat, verlichtte ontelbare duizenden Ismaëlieten, die slaven van een blinde goddeloosheid waren geweest. Want net als een zeer heldere kaars die op een kandelaar is geplaatst, scheen hij als de zon zijn stralen alle kanten op.
En zoals ik al gezegd heb, zag hij de Iberiërs, Armenen en Perzen allemaal komen om de goddelijke doop te ontvangen. De Ismaëlieten kwamen ook in groepen, twee- of driehonderd tegelijk, soms ook duizend, en schreeuwden dat ze de dwalingen van hun voorouders verwierpen.
Voor het gezicht van deze grote lichtbron zworen ze de afgodsbeelden die ze voorheen aanbaden totaal af, en ze veroordeelden de orgieën van Venus — want ze zagen in dat dit een aanbidding van demonen was, zoals Simeon van hoog daarboven steeds maar herhaalde.
Ze ontvingen de goddelijke Sacramenten, en aanvaardden de wetten die deze goddelijke mond uitvaardigde. Zij gingen akkoord met de riten van de vaders en veroordeelden de barbaarse cultus van ezels en kamelen. Ik zag en hoorde dit allemaal zelf, hoe zij de goddeloosheid van hun geboorteland veroordeelden en de leer van het evangelie aanvaardden.
Ik raakte een keer in een hoogst gevaarlijke situatie, want Simeon had hun voorgesteld dat ze naar mij zouden gaan voor een priesterlijke zegen, waarvan zij, zoals hij zei, veel profijt zouden hebben. Toen even later deze grote massa barbaren op mij af kwam stormen, trokken sommigen mij naar voren, anderen naar achteren, en weer anderen naar opzij. Degenen die aan de buitenkant van de menigte stonden, drongen naar binnen en strekten hun handen uit om mijn baard aan te raken of om mijn kleren te grijpen, zodat ik werkelijk gestikt zou zijn door de manier waarop ze zo gewelddadig om me heen drongen, als Simeon niet geschreeuwd had dat ze allemaal weg moesten gaan. Van deze aard was de macht, bespot door de haatdragenden, die van deze pilaar voortvloeide, als Simeon het licht van de kennis van God uitstraalde tot in de geesten van de barbaren.
Er is nog iets anders dat ik als volgt zag gebeuren: een bepaalde stam van mensen die daar aanwezig was, smeekte hem om een gebed uit te spreken en hun stamhoofd de zegen te geven, maar de leden van een andere stam, die daar ook aanwezig was, maakten daar bezwaar tegen en zeiden dat hij niet de leider van die andere stam moest zegenen, maar de leider van hun eigen stam de zegen moest geven, want die andere leider was een tiran, terwijl die van henzelf absoluut rechtvaardig was.
De ruzie was zo groot en barbaars, dat ze elkaar tenslotte begonnen aan te vallen. Ik kwam tussenbeide met een aanhoudende smeekbede, en probeerde hen ervan te overtuigen daarmee op te houden, op grond van het feit dat de heilige man uitstekend in staat was om aan hen beiden de zegen te geven. Maar sommigen bleven klagen dat de anderen er niet bij betrokken mochten worden, en de anderen probeerden nog steeds te voorkomen dat hun tegenstanders een zegen gegeven zou worden. Het was pas toen Simeon hen van daarboven berispte, en hen met jankende honden vergeleek, dat de ruzie afnam. Ik vertel jullie dit om te tonen hoe sterk hun geloof bezit genomen had van hun geesten, want ze zouden nooit onder elkaar ruzie gemaakt hebben als ze niet hadden geloofd in de grote kracht van zijn zegen.
[Wonder van de verlamde man]
Ik zag nog een ander zeer beroemd wonder. De leider van een van de Saraceense stammen kwam om hulp vragen voor een lid van zijn gezelschap wiens ledematen verlamd waren geraakt toen ze tijdens hun reis in de grote citadel van Callinicus [Kallinikon] waren. De verlamde man werd naar voren gebracht, Simeon vroeg hem of hij de goddeloosheid van zijn volk wilde afzweren, en vrijelijk stemde hij daarmee in en deed wat hem werd gevraagd. Simeon vroeg hem of hij geloofde in de Vader en de eniggeboren Zoon en de Heilige Geest, en hij antwoordde dat hij dat deed
‘Bij je geloof in deze namen,’ zei Simeon, ‘sta op!'
Hij stond op, en bood onmiddellijk aan de leider van zijn stam op zijn eigen schouders naar zijn tent te dragen. De leider vond dat goed, en ze vertrokken. Alle aanwezigen verhieven hun stemmen om God te prijzen.
Het was in navolging van de Heer, die de verlamde man het bevel gaf zijn bed op te nemen, (Matt. 9,6) dat hij dit deed. Laat niemand deze handeling als een soort eigenmachtig optreden betitelen. Want Zijn Eigen stem zegt ons: 'Wie in mij gelooft zal de werken die ik verricht ook verrichten, en zelfs nog grotere.' (Joh. 14,12) En wij hebben de vervulling van die belofte gezien. Want terwijl er geen wonderen werden verricht door de schaduw van de Heer, brak alleen al de schaduw van de grote Petrus de macht van de dood, genas de zieken en dreef demonen uit. (Hand. 5,15) De Heer verrichtte wonderen door zijn discipelen, en nu verrichtte de goddelijke Simeon op dezelfde wijze veel wonderen door het gebruik van de goddelijke naam. Matt. 9,6 Maar opdat u weet dat de Mensenzoon bevoegd is om op aarde zonden te vergeven’ – toen zei Hij tegen de verlamde: ‘Sta op, pak uw bed op en ga naar huis.'

Joh. 14,12 Waarachtig, Ik verzeker jullie: wie in Mij gelooft, zal de daden die Ik verricht, ook zelf verrichten; ja nog grotere zal Hij verrichten, want zelf ga Ik naar de Vader, maar wat jullie zullen vragen in mijn naam, zal Ik doen, zodat de Vader verheerlijkt wordt in de Zoon.

Hand. 5,15 zelfs droeg men de zieken de straat op en legde hen daar neer op een bed of een matras, in de hoop dat wanneer Petrus voorbijkwam in ieder geval zijn schaduw op een van hen zou vallen.
[Wonder van de versteende kip]
Er was een ander wonder dat hij deed, nauwelijks minder wonderbaarlijk dan het andere. Onder degenen die in de reddende naam van Christus onze Heer waren gaan geloven, was een Ismaëliet uit een vrij bekende plaats die een gelofte aan God aflegde, met de goddelijke man als getuige, dat hij zich voortaan zou onthouden van het eten van vlees van welk levend wezen dan ook. Op de een of andere manier gebeurde het dat hij deze gelofte brak en iets probeerde te eten dat gedood was. Maar God wenste hem te berispen en tot andere gedachten te brengen, ter ere van zijn dienaar die de getuige was geweest van de gelofte die nu verbroken was, dus veranderde Hij het vlees van de kip in steen. Zelfs al had hij dat gewild, nu kon hij hem niet meer opeten. Inderdaad, hoe zou hij dat kunnen, als het vlees dat hij wilde eten in steen was veranderd? Deze barbaar was verbijsterd door deze verbazingwekkende en ongelooflijke aanblik, en ging zo snel hij kon naar de heilige man, bracht zijn verborgen zonde aan het licht, biechtte ten gehore van iedereen zijn overtreding op, en vroeg God om vergeving voor zijn misstap, de heilige man om bijstand vragend opdat deze hem door zijn almachtige gebeden van de boeien van zijn zonde zou bevrijden. Velen waren er die van dit wonder getuige waren, want ze zagen dat hij enkele van de kippenbotten die in steen veranderd waren bij zich had.
[Voorspellingen]
Ik was niet alleen getuige van wonderen, maar ik hoorde hem ook de toekomst voorspellen. Twee jaar voordat het gebeurde voorspelde hij een droogte en daaruit voortvloeiende misoogst, tezamen met de hongersnood en epidemie die daarmee gepaard gingen. Hij zei dat hij een grote staf had gezien die tegen de mensheid werd opgeheven, met zwepen eraan om hen te straffen. Een andere keer zei hij dat er een sprinkhanenplaag zou komen, maar dat die niet veel schade zou aanrichten, omdat in antwoord op de gebeden de goddelijke genade rijkelijk zou stromen. Dertig dagen later daalde een ontelbare hoeveelheid van hen op ons neer, zodanig dat ze de stralen van de zon onderschepten en ons in schaduw hulden. Dat zagen wij allemaal helder en duidelijk. Maar alleen het grasland voor de dieren leidde enig verlies, het menselijk voedsel werd nauwelijks geschaad.
En ook toen ik eens ruzie had met iemand, vertelde hij dat de ruzie zou eindigen, twee weken voordat ondervinding de waarheid van zijn voorspelling bewees.
Hij zag ook twee staven die uit de hemelen neer kwamen, de een viel in het Oosten en de ander viel in het Westen. De goddelijke man interpreteerde deze als opstanden van de Perzen en de Skythen tegen de Romeinse heerschappij, en hij legde het visioen aan de aanwezigen uit, en met veel tranen en oprechte gebeden weerde hij deze slagen die de wereld bedreigden af. Want de Perzen waren al gewapend en stonden klaar om de Romeinen aan te vallen, toen ze, doordat ze de wil van God tegen hadden, meteen al bij het begin werden gehinderd, verscheurd door hun eigen interne ruzies.
Simeon de pilaarheilige, Carel Willink, 1939.
Gemeentemuseum, Den Haag.

In tegenstelling tot de traditionele afbeeldingen waarop Simeon strijdbaar overeind staat, verschijnt hier meer een berustende gestalte in kleermakerszit. Bovendien zit hij op een pilaar die duidelijk niet speciaal voor dit doel werd opgericht. De zuil maakt immers deel uit van een klassiek tempelcomplex dat in staat van verval verkeert.
Het gevoel van vergane glorie wordt nog versterkt door de brandende stad op de achtergrond. Willinks pilaarheilige lijkt meer de eenzame overlevende van een instortende wereld dan middelaar tussen mens en God.
[Wonderbaarlijke geboorte]
Ik ken nog veel meer voorvallen zoals deze, maar ik sla ze over om te voorkomen dat ik beschuldigd wordt van wijdlopigheid. Wat ik jullie verteld heb, is voldoende om de spirituele visie waartoe zijn geest in staat was te staven.
De Perzische koning had zo’n hoge dunk van hem dat hij gezanten naar Simeon stuurde, omdat hij zijn leven en wonderen wilde leren kennen. Men zegt ook dat de koningin van Perzië vroeg of hij wat olie voor haar wilde zegenen, die ze als een bijzonder kostbaar geschenk accepteerde. Alle dienaren van het koninklijk hof waren zeer opgewonden toen ze hierover hoorden, ondanks de lasterpraatjes van de geleerde magi die ze over hem hoorden. Zij stelden ontelbare vragen over hem, en toen ze zoveel te weten waren gekomen als ze konden, maakten ze de naam van die goddelijke man zelfs in nog wijdere kring bekend. Massa’s andere mensen benaderden de muildierdrijvers, de bedienden en de soldaten, en boden geld om een deel van de gezegende olie te krijgen.
De koningin van de Ismaëlieten was onvruchtbaar, maar verlangde naar kinderen. Ze zond iemand van gezag en aanzien naar hem toe om te vragen dat zij moeder zou kunnen worden. Hij deed zijn verzoek, zij baarde een kind zoals zij gewenst had, en de koning nam het kind en bracht hem naar de heilige grijsaard, want het was aan vrouwen verboden hem te benaderen, en vroeg hem of dit vanwege zijn zegen gebeurd was.
‘Neen, het was uw handeling die het deed,’ zei Simeon. ‘Ik heb eenvoudigweg met tranen het zaad van het gebed uitgegoten. Het was uw zaad dat in de oogst resulteerde, toen u door gebed de regenbui van Gods genade deed neerkomen.’
Maar waarom zou ik proberen de diepte van de Atlantische Oceaan te peilen? Menselijke wezens kunnen dat niet meten, net zoals de daden die hij dagelijks verrichtte elke beschrijving te boven gaan.
[uit Antonius' Leven van Simeon]
De duivel in zijn afgunst veranderde zich toen in de gelijkenis van een Engel en verscheen in volle pracht in een vurige strijdwagen met paarden van vuur, naast de zuil waar de heilige Simeon stond. Simeon begon ook te stralen met een vurige pracht zoals een Engel.
"Simeon," zei de duivel op lieflijke toon, "luister naar het woord dat de Heer me heeft opgedragen om u te brengen. Want Hij heeft mij, zijn Engel, gestuurd met een strijdwagen van vuur en paarden van vuur, om u omhoog te voeren zoals ik ooit Elija omhoog voerde. (2 Kon. 2,11 ) Voor u is eveneens de tijd gekomen om in deze strijdwagen te stappen die de Heer van hemel en aarde heeft gezonden. Laten we eveneens ten hemel opstijgen, zodat de Engelen en Aartsengelen en Maria de moeder van de Heer, met de Apostelen en Martelaren, de Biechtvaders en Profeten u kunnen ontmoeten, waar u met de Heer kunt spreken die u naar zijn beeld creëerde. Dat is alles. Kom zonder uitstel mee omhoog."
"Heer," zei Simeon, "wilt u werkelijk mij, een zondaar, mee naar de hemel nemen?"
Hij hief zijn rechtervoet om in de strijdwagen te stappen en maakte het teken van het kruis met zijn rechterhand. Plotseling was de duivel nergens meer te zien. Hij verdween samen met zijn overtuigingskracht zoals stof voor het gezicht van de wind, zodat Simeon er toen zeker van was het de duivel was.
Toen hij weer tot zichzelf kwam, zei hij tegen zijn voet, "kom niet meer naar beneden, maar blijf zo tot mijn dood, tot de Heer me roept, zondaar die ik ben."
Ondertussen had de duivel hem brutaal in zijn dij verwond, die geïnfecteerd werd met hordes maden die uit zijn lichaam vielen en rond zijn voeten op de pilaar kronkelden, en vandaar naar beneden op de grond vielen.
Er was een zekere jonge man, Antonius genaamd, zijn helper, die hiervan getuige was en het opschreef. Simeon droeg hem op om de maden die gevallen waren te verzamelen en naar hem daarboven te brengen. En hij zette ze terug in zijn wond zoals Job deed.
"Eet wat de Heer jullie geeft," zei hij tegen de maden.
[Staan op één been]
Hij stond nacht en dag in het volle gezicht van allen. Hij had geen deuren, hij kon van alle kanten benaderd worden, aan iedereen een nieuwe en wonderbaarlijke aanblik verschaffend, nu eens lange tijd staande, dan weer veelvuldig buigend om God te aanbidden. Velen van de aanwezigen telden zijn aanbiddingen; iemand die bij me was telde eens tot twaalfhonderdvierenvijftig, voordat hij een fout maakte en de tel kwijt raakte. Als gevolg van zoveel buigen was hij in staat zijn voorhoofd tot zeer dicht bij zijn tenen te krijgen. Want aangezien zijn maag maar eenmaal per week voedsel nam, en dat was maar een klein beetje, ongeveer net zo veel als bij het deelnemen aan de heilige Sacramenten, hield dat in dat zijn rug heel gemakkelijk kon buigen. Ze zeggen dat hij als gevolg van het staan op één been een zweer kreeg, die pus afscheidde, maar niets dat hem overkwam heeft zijn levenswijze geremd. Hij verdroeg zowel de vrijwillige als de onvrijwillige beproevingen met een dapper en edelmoedig hart, en triomfeerde over alle door de toewijding van zijn ziel.
Bij een gelegenheid werd hij gedwongen zijn zweer aan iemand te laten zien. Wat er gebeurde was dit: een deugdzaam man, die zeer geacht was in de evangeliebediening van Christus, was uit Arabena gekomen om hem te bezoeken.
Vertel mij de waarheid,’ zei hij, ‘wat voor een soort mens is het die zijn leven zo verandert als u hebt gedaan. Bent u echt menselijk of bent u een onlichamelijke geest?'
De ascese van het jarenlang staan wordt in India al van oudsher beoefend.
De omstanders ergerden zich aan zijn ondervraging, en zeiden hem zijn mond te houden, maar Simeon antwoordde hem.
'Waarom ondervraag je me op deze manier?' vroeg hij.
'Omdat ik iedereen er over hoor praten dat u niet eet en niet slaapt, maar beide zijn noodzakelijk voor menselijke wezens. Niemand die met de menselijke natuur bekleed is kan leven zonder voedsel en slaap.'
‘Pak een ladder en kom naar boven,’ zei Simeon.
En zodra zijn hand boven de bovenkant van de ladder verscheen, tilde hij de zoom van zijn lange mantel op en begeleidde de hand naar zijn voeten, waar de man niet alleen Simeon's voeten zag maar ook die vreselijke zweer. Hij was verbaasd over afmeting ervan. Simeon vertelde hem ook hoe hij gevoed werd, en toen de man de ladder weer afkwam, kwam hij naar mij toe en vertelde mij er alles over.
[uit Antonius' Leven van Simeon]
Nogal lange tijd hierna hoorde zijn moeder waar hij was en kwam hem bezoeken, maar hij wou haar niet zien, want het was vrouwen verboden om die plaats binnen te gaan.
"Wacht gewoon maar een tijdje," zei Simeon, toen hij haar stem hoorde, "en wij zullen elkaar zien, als God het wil."
Zij begon te huilen toen ze zijn stem hoorde, en maakte haar haren los en smeekte hem dringend.
"Mijn zoon, waarom heb je dit gedaan? Als beloning voor het dragen van jou in mijn schoot, heb je me met verdriet gevuld. Voor de melk waarmee ik je voedde, heb je me tranen gegeven. Voor de kussen waarmee ik je overdekte, heb je me bittere pijnen in mijn hart gegeven. Voor de pijn en de arbeid die ik voor je leed, heb je me de pijnlijkste wonden gegeven."
Zij sprak met zoveel gevoel dat wij allen huilden.
Terwijl Simeon naar de stem van zijn moeder luisterde, begroef hij zijn gezicht in zijn handen en huilde bitter.
"Lieve Moeder," zei hij, "heb nog een tijdje vrede, en wij zullen elkaar in de plaats van eeuwige rust zien."
"In de naam van Christus Die jou vormde, als het wel mogelijk is om je als een soort vreemdeling in die grote tijd te zien, waarom dan sta je me nu niet toe je te zien? Of alsdat niet kan, nu ik je stem heb gehoord, laat me dan meteen maar sterven, want je vader is al gestorven van verdriet over jou. Laat me niet langer in deze staat van bitterheid, mijn zoon."
Door het huilen en jammeren geraakte zij in een toestand van trance, en zette haar pleidooien aan hem drie dagen en drie nachten voort.
Simeon bad toen tot de Heer en zij gaf meteen de geest. Ze namen haar lichaam op en brachten het naar een plek waar hij het kon zien. Vermoordde hij haar met zijn gebed? Of was dit een bijzonder vorm van euthanasie?
Het was hierna dat ze een grotere zuil voor hem bouwden van veertig el hoog, waarop hij zestien jaar stond, tot aan zijn dood. Gedurende die tijd leefde er een reusachtig wild beest (draco) dichtbij hem in de streek van Aquilo, en verhinderde dat het gras groeide. Een stuk hout had zijn rechter oog beschadigd zodat hij er niet meer mee kon zien. Op een dag kwam hij naar het gebied waar de man van God leefde, zich in ingewikkelde kronkelingen wringend alsof hij om genade vroeg, en zijn kop in nederigheid buigend. Simeon bekeek hem zorgvuldig, en trok een stuk hout van een el lengte uit zijn oog. Allen die het zagen verheerlijkten God, ook al hadden zij zich bevreesd op enige afstand gehouden. Het dier rolde zich op en lag onbeweeglijk terwijl alle mensen eraan voorbij liepen. Toen stond het op en boog ongeveer twee uren neer voor de deur van het klooster, alvorens naar zijn hol terug te gaan, zonder iemand enig kwaad te doen.
Simeon Stylitus, de Pilaarheilige, gedreven zilver en gedeeltelijk verguld. Syrië, 6e eeuw. Louvre, Parijs. De heilige is gekleed in een mantel en leest een boek. Er is een trap op de achtergrond, een schelp zweeft boven zijn hoofd dat getooid is met een mooie puntmuts. Aan de voet van de zuil is een Griekse inscriptie.
Het meest opvallend is natuurlijk de draak, die zich rond de pilaar slingert, en die wel wordt geïnterpreteerd als "die mächtige Versucherin", maar die waarschijnlijk toch eerder refereert aan de hier opgenomen passage uit Antonius's Leven van Simeon over de draak.
Ook de schelp weet men niet te interpreteren, anders dan "ein weiches Symbol", "Symbol der Reinheit und der Keuschheit." Het doet mij denken aan de schelp van Afrodite, Venus, en dus Maria, en aan de schelp die bedevaartgangers naar Compostella bij zich dragen.

Deze voorstelling is ook gebruikt door de ontwerpers van de Tarot-kaart (rechts), die wel duidelijk betrekking heeft op de episode uit Antonius's Leven van Simeon over de draak, en die als volgt geïnterpreteerd wordt:

Met deze kaart leren we over het integreren van de materiële en spirituele elementen van de wereld. Een gezond leven bestaat uit een balans van zowel de fysieke als spirituele aspecten. Zorg ervoor dat je je hoofd niet teveel in de wolken hebt, of dat je niet teveel en te lang alleen wilt zijn.
[Staan met twee armen omhoog]
Op publieke feestdagen vertoonde hij nog een ander voorbeeld van zijn uithoudingsvermogen. Van de ondergang van de zon tot de tijd dat deze weer de westerse horizon naderde, stond hij met zijn handen omhoog gestrekt in gebed, zonder slaap, de inspanning daarvan zonder moeite verdragend.
Bij al deze inspanningen, niettegenstaande de grootsheid van alle daden die hij verrichtte, was hij begiftigd met een bescheidenheid en zelfcontrole die hem de waardigste van alle mensen maakte. Bij deze bescheidenheid kwam nog dat hij het de mensen gemakkelijk maakte hem te benaderen, want hij was plezierig vriendelijk, en hij gaf gelijke aandacht aan allen die tot hem spraken, of ze nu handwerkers, bedelaars, of landbouwers waren. Hem was de gave van het onderwijzen gegeven door een gulle en overvloedige God. Tweemaal per dag gaf hij kleine preken, en goot hij het water des levens in de oren van zijn publiek. Hij sprak heel mooi, de discipline van een goddelijke geest tonend, er bij hen op aandringend naar boven te kijken en hun vleugels te ontvouwen, de wereld ver achter zich te laten, het visioen van het verwachte koninkrijk te zoeken, de straf van de hel te vrezen, wereldse dingen te verachten, en uit te zien naar de wereld die komen gaat.
In India waren de asceten zo mogelijk nog extremistischer en hielden ze twee armen boven het hoofd tot die totaal onbruikbaar zijn geworden. Tegenwoordig wordt dat nog met één arm gedaan.
Men kon hem ook zien optreden als een rechter, wiens oordelen altijd juist en rechtvaardig waren.
Het was altijd na het negende uur dat hij dergelijke dingen deed. De hele nacht, en de dag tot aan het negende uur besteedde hij aan voortdurend gebed. Als eerste van alles preekte hij op het negende uur tot de aanwezigen, dan luisterde hij gewoonlijk naar individuele verzoeken, sommigen genezend, en oordelen gevend aan anderen tussen wie er onenigheid was. Tegen zonsondergang begon hij zich gewoonlijk weer tot de Heer te wenden.
Maar tegelijk met al die dingen, schoot hij niet te kort in de zorg en voorzorg voor de heilige kerken, door nu eens de goddeloosheid van de heidenen het hoofd te bieden, dan weer de onbeschaamdheid van de joden te weerleggen, en dan weer de benden der ketters te overwinnen en op de vlucht te drijven, en er bovendien brieven aan de keizer over te schrijven. Hij schreef ook aan de leiders van gemeenschappen en magistraten, om hen tot ijver voor de Heer op te wekken, en soms ook aan de belangrijkste herders van de kerken, er bij hen op aandringend meer zorg te dragen voor hun kudden.
[Einde]
Bij het voor jullie beschrijven van deze paar regendruppels hoop ik lezers enig idee van een levensverwekkende regenbui te hebben gegeven, of hoe het is om de zoetste honing te proeven. Maar er zijn veel meer dingen dan deze om over te zingen en om te vieren. Hoe ’t ook zij, ik had niet beloofd om alles op te schrijven, maar slechts een paar dingen uit zijn leven om zijn stijl en karakter te tonen. Laten anderen maar veel meer over hem schrijven, als ze willen.
(Men veronderstelt dat het onderstaande stuk na de dood van Simeon aan Het Leven van Simeon is toegevoegd door iemand anders dan Theodoretus.)
Hij leefde hierna nog een lange tijd, met veel wonderen en inspanningen, in de hitte van de zon, in het ijs van de winter, gebeukt door windvlagen, in de zwakheid van zijn menselijke natuur, als enige onoverwinnelijk overblijvend van allen die er ooit waren, totdat het hem tenslotte was toegestaan bij Christus te zijn en de krans voor zijn ontelbare worstelingen te ontvangen, met zijn dood voor ongelovigen bevestigend dat hij toch maar menselijk was.

Afdruk van een steatiet gietvorm voor een medaillon van Sint Simeon; Byzantijns. Kelsey Museum.
[uit Antonius' Leven van Simeon]
Een paar later jaar, op een vrijdag, strekte hij zich uit om te bidden en bleef zo liggen, gedurende de hele zaterdag en zondag. Ik werd zeer ongerust, en klom omhoog en stond voor hem.
Hij stierf op vrijdag, 2 september, 459.
"Meester," zei ik, "sta alstublieft op en geef ons uw zegen. Er zijn mensen hier die al drie dagen op een zegen van u wachten."
Hij gaf geen antwoord.
"Hoe komt het dat u geen notitie van me neemt?" vroeg ik. "Heb ik iets gedaan dat u beledigde? Alstublieft, geef me uw hand — of is uw geest misschien vertrokken?"
Toen hij me niet antwoordde, dacht ik dat ik aan niemand iets zou zeggen — ik was bang om hem aan te raken. Na daar een half uur gestaan te hebben, boog ik neer om mijn oor op een plek te houden waar ik beter kon luisteren. Er was geen adem, slechts een geur als van vele parfums die van zijn lichaam opstegen, en ik wist dat hij naar de Heer was heengegaan. Overweldigd, huilde ik bittere tranen, en boog neer om zijn ogen te kussen en zijn baard en zijn haar glad te strijken.
"Waarom hebt u me verlaten, mijn meester?" jammerde ik. "Waar zal ik nu uw Engelachtig onderwijs vinden? Hoe kan ik voor u antwoorden? Wie zal deze zuil zonder u kunnen aanschouwen, en nalaten te rouwen? Welk antwoord zal ik aan de zieken geven wanneer zij u komen opzoeken en u niet vinden? Wat ik zal zeggen? Hoe kan ik dat in mijn nietswaardigheid verklaren? Ik zie u hier vandaag; morgen zal ik zowel aan de rechterkant als aan de linkerzijde zoeken en u niet vinden. Onder welk voorwendsel zou ik uw kolom misschien over kunnen nemen? Helaas, wanneer zij van verre komen om u te zien en u niet vinden!"
Mijn verdriet was zo groot dat ik het bewustzijn verloor, en onmiddellijk verscheen hij aan me.
"Ik zal deze pilaar niet verlaten," zei hij, "noch deze heilige berg op de plaats waar ik zo bekend ben geworden. Maar daal af en maak verontschuldigingen aan de mensen, en verzend een bericht naar de bisschop in Antiochië, maar in het geheim, opdat er geen beroering ontstaat onder de mensen. Want ik ben ter ruste gegaan, zoals de Heer het wilde. Maar u moet in deze plaats blijven dienen, en de Heer zal u in de hemel belonen."
Ik kwam bij en in verwarring antwoordde ik, "meester, denk aan mij in uw heilige rustplaats."
Zijn mantel opheffend, viel ik aan zijn voeten neer en kuste zijn voetzolen, en omdat ik wist hoeveel groter zij waren dan de mijne, plaatste ik ze op mijn ogen, en schreeuwde, "zegen me, zo bid ik u, mijn meester."
En opnieuw huilde en schreeuwde ik, "wat kan ik van u bewaren om me aan u te herinneren?"
En terwijl ik dit zei, trilde zijn lichaam, maar ik was bang om hem aan te raken.

Niemand wist wat er was gebeurd. Ik daalde af van de pilaar en stuurde een betrouwbare broeder naar de bisschop in Antiochië. Hij kwam meteen met drie andere bisschoppen en ook Ardaborius, de bevelhebber van het leger. Zij zetten driepoten rond de zuil op en bevestigden zijn kledingstukken daaraan. Zij brachten zijn lichaam naar beneden en legden het naast een altaar voor de zuil, en terwijl zij tezamen kwamen, vloog een troep vogels over de pilaar, en kreten hun vogelschreeuwen alsof ze in de rouw waren, zoals iedereen kon zien. De klaagzang van zowel mensen als dieren kon voor zeven mijlen rondom worden gehoord. Zelfs de bergen hadden verdriet en de velden en de bomen in die plaats, want een dikke mist spreidde zich over alles uit.
Ik vroeg me af of er een Engel zou komen die hem zou bezoeken, en inderdaad, tegen ongeveer het zevende uur waren zeven oudsten in gesprek met een Engel wiens gezicht glansde als de bliksem en wiens kleding zo wit was als de sneeuw. En zolang ik kon luisterde ik in angst en beven naar zijn stem. Ik kon niet beschrijven waar die op leek.
Susanna, Simeon & Marciana.
Zelfs na de dood bleef hij onwrikbaar, want hoewel zijn ziel naar de hemel gegaan was, werd het zijn lichaam niet toegestaan te vallen, en bleef het rechtop staan op zijn slagveld, een onoverwonnen atleet, van wie geen van zijn ledematen de grond aan wilde raken, zelfs in zijn dood de overwinning voor de strijder van Christus verkondigend.
Zijn genezingen van allerlei ziekten, zijn wonderen, de kracht van zijn goddelijke werk, worden nu in allerlei heilige relikwieën net zo gevierd als destijds, maar nu bovenal met dat monument voor zijn grote deugd en zijn dagelijkse strijd, die grote en beroemde zuil die, zo zeg ik, de rechtvaardigheid en lof van Simeon verkondigt.
Ik hoop dat ik in zijn heilige voorbeden mag delen en mijn heilige werken mag volhouden, en ik bid tot God die voor ons allen zorgt, de God die de pracht van devotie en het ware geloof is, mijn leven te besturen en mij te kneden in de vorm van het evangelie.
Terwijl de heilige Simeon op de lijkbaar lag, probeerde de Paus van Antiochië om een lok van Simeon's baard te nemen als een relikwie, maar toen hij zijn hand uitstrekte raakte deze onmiddellijk verlamd. Vele eden werden aan God gezworen en vele gebeden tot hem gericht voordat zijn hand weer hersteld was.
Nadat ze het lichaam op de lijkbaar hadden geplaatst gingen ze op weg naar Antiochië. Alle mensen van het omringende gebied waren bedroefd dat zij van een dergelijke grote bron van relikwieën werden beroofd, want de bisschop van Antiochië had verboden dat zijn lichaam zou worden aangeraakt.
Toen zij zover gekomen waren als het dorp Meroë, kon niemand de lijkbaar verder bewegen. Toen viel een man die veertig jaar doof en stom was geweest plotseling neer voor de lijkbaar en begon te spreken.
"Welkom, O dienaar van God!" schreeuwde hij. "Uw aankomst heeft me genezen! Als ik verdien te leven, zal ik u alle dagen van mijn leven dienen."
Hij stond op van de grond, greep één van de muilezels die de lijkbaar trokken en begon deze onmiddellijk voorwaarts te bewegen. En zo was die man van dat ogenblik af weer heel gemaakt. Zijn zonde was geweest dat hij van de vrouw van een andere persoon had gehouden. Hij had overspel met haar willen plegen maar nooit de kans gehad. De vrouw stierf en werd in een graf geplaatst, maar hij had in het graf ingebroken, en was onmiddellijk met doofheid en stomheid geslagen, in welke toestand hij veertig jaar was gebleven.
Simeon Stylitus, Johannes de Theoloog, Apostel Philippus.
Iedereen uit de stad van Antiochië kwam naar buiten om het lichaam van heilige Simeon met offerandes van goud en zilver naar binnen te brengen. Met psalmen en hymnen en vele toortsen brachten zij hem als eerste naar de belangrijkste kerk, en toen naar de kerk van Boete. Vele wonderen gebeurden bij zijn graf, meer dan er tijdens zijn leven waren gebeurd, en de man die was genezen diende daar tot de dag van zijn dood.
Vele mensen van het geloof boden geld aan de bisschop Antiochië aan, hopend relikwieën van zijn lichaam te krijgen, maar werden teleurgesteld vanwege de eden die waren gezworen.
Ik, Antonius, een nederige zondaar, heb dit korte verslag samengesteld naar mijn beste kunnen. Gezegend is hij die dit boek bezit en het in de kerk leest en in het huis van God, want wanneer hij de herdenking van Simeon viert, zal hij een beloning van de Hoogste ontvangen, want aan Hem is de eer en de macht en de glorie tot in lengte der tijden.

Amen.


Sint Simeon Stylites
door Evagrius
uit Historia Ecclesiastica, I.13, ongeveer 580 n.Chr.

In deze tijden bloeide en werd vermaard, Simeon, van heilige en beroemde nagedachtenis, die de vondst bedacht van zichzelf op de top van een pilaar te plaatsen, daardoor een ruimte van nauwelijks twee el omtrek in beslag nemend. Deze man, die in het vlees het bestaan van de hemelse heerscharen poogt te realiseren, tilt zichzelf boven de zorgen van de aarde, en richt zich, de benedenwaartse tendens van de menselijke natuur overweldigend, op de dingen van boven.
Hij werd aanbeden door heel het land, verrichtte vele wonderen, en Keizer Theodosius II luisterde naar zijn raad en vroeg om zijn zegen.

Simeon hield het verduren van deze levenswijze zesenvijftig jaren lang vol; waarvan hij er negen in het eerste klooster doorbracht waar hij in goddelijke kennis werd onderwezen, en zevenenveertig in de "Mandra" zoals het werd genoemd; namelijk, tien in een bepaald hoekje; op kortere zuilen, zeven; en dertig op één van veertig el.
Na zijn vertrek [uit dit leven] werd zijn heilige lichaam naar Antiochië vervoerd, begeleid door het garnizoen, en een grote menigte die het eerbiedwaardige lichaam bewaakte, om te voorkomen dat de inwoners van de naburige steden [hier worden de Saracenen mee bedoeld] zouden samenkomen en het wegvoeren. Op deze wijze werd het naar Antiochië vervoerd, en, tijdens zijn voortgang, van buitengewone voortekenen vergezeld.
Het lichaam is vrijwel intact tot mijn tijd bewaard gebleven; en in gezelschap van vele priesters, genoot ik van een aanblik van zijn heilige hoofd, in het episcopaat van de beroemde Gregorius, toen Philippicus had verzocht om hem die kostbare relikwie van de heilige toe te zenden om het tegen de Oostelijke legers te beschermen. Het hoofd was goed bewaard gebleven behalve de tanden waarvan sommige met geweld door de handen van de vromen [voor relieken] waren verwijderd.
Volgens een andere schrijver, Theodoretus, in de tijd van Simeon, werd hij bezocht door pelgrims van dichtbij en ver weg: Perzië, Ethiopië, Spanje, en zelfs Brittannië. Tot deze preekte hij af en toe. Hij droeg een zware ijzerketting op zijn lichaam. Bij het bidden, "boog hij zijn lichaam zodat zijn voorhoofd bijna zijn voeten raakte." Een toeschouwer telde eens 1244 herhalingen van deze beweging, en gaf het tellen toen op. Simeon nam slechts één karige maaltijd per week, en vastte gedurende de Vastentijd. Men beweert dat, nadat de duivel hem met een zweer in zijn dij had getroffen als beloning voor iets teveel eigendunk, Simeon, als boetedoening, het getroffen been nooit meer op de pilaar zette, en gedurende het resterende jaar van zijn leven op één been stond.
Reliekhouder met reliek van Simeon, Matteo di Lorenzo, 1398;
Musée du Duomo de Florence.

De basiliek van St. Simeon Stylitus in Syrië
Antiochië en Constantinopel streden over het bezit van zijn overblijfselen, maar de voorkeur werd gegeven aan Antiochië, en het grootste deel van zijn overblijfselen werd daar gelaten als bescherming van die stad die geen muren had.
Te zijner ere werd een enorme basiliek opgericht, die als Qal'at Sim'ân (het huis van Simeon) bekend staat. Het bestaat uit vier basilieken die van een achthoekig hof uit naar de vier punten van het kompas werden uitgebouwd. In het centrum van het hof staat de basis van St. Simeon's pilaar.
De ruïnes, zo’n 60 kilometer ten noorden van Aleppo, zijn nog steeds een trekpleister, maar nu meer voor toeristen die Syrië bezoeken, voor wie het een van de vaste onderdelen van de reis is.
In de loop der eeuwen is de pilaar stukje bij beetje kleiner geworden doordat pelgrims en toeristen er stukjes steen afhakten om als relikwie mee te nemen.
Als we de steen vanuit nog weer wat andere standpunten bekijken lijkt deze soms kleiner, dan weer lijkt hij zelfs iets anders van vorm. De foto rechts is een zeer scherpe en waarschijnlijk de meest recente.
Maar de vraag blijft: zou dit rotsblok überhaupt wel het restant van Simeon's pilaar zijn?
En een vraag uit 2016: zou ISIS het bouwwerk al vernietigd hebben?

Navolgers van Simeon

Daniël 409-493
stond 37 jaar

(detail) Aardenwerk, 6-7e eeuw.
Simeon de Jongere
(517-592) stond 68 jaar
Engelen zweven boven hem, een man houdt een wierookvat onder bij de pilaar. De berg waar hij stond werd later "Wonder Berg" genoemd.

Alipios, verbleef 53 jaar op zijn pilaar, stierf in 608, 118 jaar oud.

Lazarus 968-1054

Verder waren er nog (niet altijd in de juiste datum volgorde, denk ik, en waarschijnlijk is dit lijstje nog niet compleet): St. Agathon die 50 jaar stond in Sakha, Egypte in de 7e eeuw; St. Vulfolaic van Trier (Gallië); St. Peter van Mt. Athos; St. Nicholas; St. Paulus van Latmos (d. 956); St. Nicetas van Pereyaslavl-Zalesski (d. 1186).
Daniël.
In de 5de eeuw leefde hij gedurende 37 jaar op een platform van een vierkante meter op de top van een pilaar van 20 meter hoog; en de wilde stammen van de woestijn kwamen naar hem toe om gedoopt te worden en geestelijke adviezen te krijgen.

Simeon in de literatuur
St. Simeon Stylites
door Lord Alfred Tennyson (1809-1892)
Tennyson wordt vaak beschouwd als de belangrijkste vertegenwoordiger van de Victoriaanse tijd in de Engelse poëzie. In 1850 volgde hij Wordsworth op als Dichter des Vaderlands (Poet Laureate), en in 1884 werd hij in de adelstand verheven.
Na zijn dood in 1892, werd hij begraven in de Poets' Corner in Westminster Abbey.

Zijn lange gedicht over Simeon geeft de emotionaliteit en gedrevenheid van de asceet zeer goed weer.
De vertaling is van mijn hand.

Although I be the basest of mankind,
From scalp to sole one slough and crust of sin,
Unfit for earth, unfit for heaven, scarce meet
For troops of devils, mad with blasphemy,
I will not cease to grasp the hope I hold
Of saintdom, and to clamour, mourn and sob,
Battering the gates of heaven with storms of prayer,
Have mercy, Lord, and take away my sin.
Al ben ik de laagste van de mensheid,
van scalp tot voetzool één roof en korst van zonde,
ongeschikt voor aarde, ongeschikt voor hemel, nauwelijks geschikt
voor troepen van duivels, gek van godslastering,
zal ik niet ophouden om de hoop te grijpen die ik houd
van heiligheid, en te roepen, te rouwen en snikken,
de poorten van de hemel beukend met stormen van gebed,
heb genade, Heer, en neem mijn zonde weg.
Let this avail, just, dreadful, mighty God,
This not be all in vain, that thrice ten years,
Thrice multiplied by superhuman pangs,
In hungers and in thirsts, fevers and cold,
In coughs, aches, stitches, ulcerous throes and cramps,
A sign betwixt the meadow and the cloud,
Patient on this tall pillar I have borne
Rain, wind, frost, heat, hail, damp, and sleet, and snow;
And I had hoped that ere this period closed
Thou wouldst have caught me up into thy rest,
Denying not these weather-beaten limbs
The meed of saints, the white robe and the palm.
Laat dit baten, rechtvaardige, vreselijke, machtige God,
dit allemaal niet tevergeefs zijn, dat driemaal tien jaar,
driemaal vermenigvuldigd met bovenmenselijke pijnen,
met hongeren en met dorsten, koortsen en koude,
met hoesten, pijnen, steken, zwerende stuipen en krampen,
een teken tussen de weide en de wolk,
op deze hoge pilaar ik geduldig heb gedragen
regen, wind, vorst, hitte, hagel, vocht, en ijzel, en sneeuw;
en ik had gehoopt dat voor deze periode afgesloten was,
U me zoudt hebben binnengehaald in Uw rust,
deze door stormen geteisterde ledematen niet ontzeggend
de beloning van heiligen, de witte mantel en de palm.
O take the meaning, Lord: I do not breathe,
Not whisper, any murmur of complaint.
Pain heaped ten-hundred-fold to this, were still
Less burthen, by ten-hundred-fold, to bear,
Than were those lead-like tons of sin that crushed
My spirit flat before thee.
O begrijp de betekenis, Heer: Ik zucht niet,
noch fluister, enig geruis van klacht.
Pijn tien-honderd-voudig hierboven opgehoopt, ware nog
minder last, tien-honderd-voudig maal, om te dragen,
dan die lood-achtige tonnen van zonde waren die
mijn geest plat drukten vóór U.
O Lord, Lord,
Thou knowest I bore this better at the first,
For I was strong and hale of body then;
And though my teeth, which now are dropped away,
Would chatter with the cold, and all my beard
Was tagged with icy fringes in the moon,
I drowned the whoopings of the owl with sound
Of pious hymns and psalms, and sometimes saw
An angel stand and watch me, as I sang.
Now am I feeble grown; my end draws nigh;
I hope my end draws nigh: half deaf I am,
So that I scarce can hear the people hum
About the column's base, and almost blind,
And scarce can recognize the fields I know;
And both my thighs are rotted with the dew;
Yet cease I not to clamour and to cry,
While my stiff spine can hold my weary head,
Till all my limbs drop piecemeal from the stone,
Have mercy, mercy: take away my sin.
O Heer, Heer,
U weet dat ik dit aanvankelijk beter verdroeg,
want ik was sterk en gezond van lichaam toen;
en hoewel mijn tanden, die nu zijn uitgevallen,
van de koude klapperden, en mijn hele baard
was gerafeld met ijzige franjes in de maan,
overstemde ik het geroep van de uil met het geluid
van vrome hymnen en psalmen, en zag soms
een engel staan en naar me kijken, terwijl ik zong.
Nu ben ik zwak geworden; mijn eind is nabij;
ik hoop dat mijn eind nabij komt: halfdoof ben ik,
zodat ik nauwelijks de mensen kan horen gonzen
rond de basis van de zuil, en bijna blind,
en nauwelijks de velden kan herkennen die ik ken;
en mijn beide dijen zijn verrot van de dauw;
maar toch houd ik niet op te roepen en te schreeuwen,
zolang mijn stijve ruggegraad mijn moede hoofd op kan houden,
totdat al mijn ledematen stuk voor stuk van de steen vallen,
heb genade, genade: neem mijn zonde weg.
O Jesus, if thou wilt not save my soul,
Who may be saved? who is it may be saved?
Who may be made a saint, if I fail here?
Show me the man hath suffered more than I.
For did not all thy martyrs die one death?
For either they were stoned, or crucified,
Or burned in fire, or boiled in oil, or sawn
In twain beneath the ribs; but I die here
Today, and whole years long, a life of death.
Bear witness, if I could have found a way
(And heedfully I sifted all my thought)
More slowly-painful to subdue this home
Of sin, my flesh, which I despise and hate,
I had not stinted practice, O my God.
O Jezus, als U mijn ziel niet wilt redden,
wie kan dan gered worden? wie is het die gered kan worden?
Wie kan tot een heilige worden gemaakt, als ik hier faal?
Toon me de man die meer heeft geleden dan ik.
Want stierven niet al Uw martelaren één dood?
Want of zij werden gestenigd, of gekruisigd,
of verbrand in vuur, of gekookt in olie, of gezaagd
in tweeën onder de ribben; maar ik sterf hier
vandaag, en hele jaren lang, een leven van dood.
Wees mijn getuige, als ik een manier gevonden zou hebben
(en nauwgezet zeefde ik al mijn gedachte)
nog langzamer-pijnlijk ter onderwerping van dit huis
van zonde, mijn vlees, dat ik veracht en haat,
had ik op de uitvoering niet beknibbeld, O mijn God.
For not alone this pillar-punishment,
Not this alone I bore: but while I lived
In the white convent down the valley there,
For many weeks about my loins I wore
The rope that haled the buckets from the well,
Twisted as tight as I could knot the noose;
And spake not of it to a single soul,
Until the ulcer, eating through my skin,
Betrayed my secret penance, so that all
My brethren marvelled greatly. More than this
I bore, whereof, O God, thou knowest all.
Want niet alleen deze pilaar-straf,
niet alleen dit verdroeg ik: maar terwijl ik leefde
in het witte klooster daar ginds in de vallei,
droeg ik vele weken over mijn lendenen
het touw dat de emmers uit de put trok,
zo vast gedraaid als ik de lus kon knopen;
en sprak er met geen enkele ziel over,
tot de zweer, die door mijn huid at,
mijn geheime boetedoening verraadde, zodat al
mijn medebroeders zich zeer verwonderden. Meer dan dit
droeg ik, waarvan, O God, U alles weet.
Three winters, that my soul might grow to thee,
I lived up there on yonder mountain-side.
My right leg chained into the crag, I lay
Pent in a roofless close of ragged stones;
Inswathed sometimes in wandering mist, and twice
Blacked with thy branding thunder, and sometimes
Sucking the damps for drink, and eating not,
Except the spare chance-gift of those that came
To touch my body and be healed, and live:
And they say then that I worked miracles,
Whereof my fame is loud amongst mankind,
Cured lameness, palsies, cancers. Thou, O God,
Knowest alone whether this was or no.
Have mercy, mercy; cover all my sin.
Drie winters, opdat mijn ziel naar U toe zou groeien,
leefde ik daar hoog op gindse berghelling.
Mijn rechterbeen geketend aan de rots, lag ik
opgesloten in een dakloze kluis van puntige stenen;
soms ingezwachteld in zwervende mist, en tweemaal
gezwart met Uw brandmerkende donder, en soms
neerslag opzuigend als drank, en niet eten,
behalve de karige toevalsgift van degenen die kwamen
om mijn lichaam aan te raken en te worden geheeld, en leven:
en zij zeggen toen dat ik wonderen verrichtte,
waarvoor mijn faam onder de mensheid luid is,
genas kreupelheid, verlammingen, kankers. Gij, O God,
weet alleen of dit zo was of niet.
Heb genade, genade; overdek al mijn zonde.
Then, that I might be more alone with thee,
Three years I lived upon a pillar, high
Six cubits, and three years on one of twelve;
And twice three years I crouched on one that rose
Twenty by measure; last of all, I grew
Twice ten long weary weary years to this,
That numbers forty cubits from the soil.
Dan, opdat ik meer alleen zou zijn met U,
leefde ik drie jaar op een pilaar, hoog
zes el, en drie jaar op één van twaalf;
en tweemaal drie jaar hurkte ik op één die zich verhief
twintig el gemeten; laatste van alle, groeide ik
tweemaal tien lange vermoeide vermoeide jaren aan deze,
die veertig el van de grond telt.
I think that I have borne as much as this -
Or else I dream - and for so long a time,
If I may measure time by yon slow light,
And this high dial, which my sorrow crowns -
So much - even so.
Ik denk dat ik zo veel als dit heb gedragen —
of anders droom ik — en voor zo’n lange tijd,
als ik tijd zou meten met het langzame licht ginds,
en deze hoge zonnewijzer, welke mijn verdriet bekroont —
zo veel — maar toch.
Georgisch
Byzantijns
And yet I know not well,
For that the evil ones come here, and say,
"Fall down, O Simeon: thou hast suffered long
For ages and for ages!" then they prate
Of penances I cannot have gone through,
Perplexing me with lies; and oft I fall,
Maybe for months, in such blind lethargies
That Heaven, and Earth, and Time are choked.
En toch weet ik niet goed,
voorzover de kwade geesten hier komen, en zeggen,
"val neer, O Simeon: ge hebt lang geleden
voor eeuwig en voor eeuwig!" dan kletsen zij
van boetedoeningen die ik niet kan hebben doorgemaakt,
me met leugens verwarrend; en vaak val ik,
misschien wel maanden, in zulke blinde lusteloosheden
dat Hemel, en Aarde, en Tijd verstikt zijn.
But yet
Bethink thee, Lord, while thou and all the saints
Enjoy themselves in heaven, and men on earth
House in the shade of comfortable roofs,
Sit with their wives by fires, eat wholesome food,
And wear warm clothes, and even beasts have stalls,
I, 'tween the spring and downfall of the light,
Bow down one thousand and two hundred times,
To Christ, the Virgin Mother, and the Saints;
Or in the night, after a little sleep,
I wake: the chill stars sparkle; I am wet
With drenching dews, or stiff with crackling frost.
I wear an undressed goatskin on my back;
A grazing iron collar grinds my neck;
And in my weak lean arms I lift the cross,
And strive and wrestle with thee till I die:
O mercy, mercy! wash away my sin.
Maar toch
Bedenk, Heer, terwijl U en alle heiligen
zich in de hemel amuseren, en de mensen op aarde
huizen in de schaduw van comfortabele daken,
met hun vrouwen bij het vuur zitten, gezond voedsel eten,
en warme kleren dragen, en zelfs de dieren hebben stallen,
ik, tussen de dageraad en ondergang van het licht,
één duizend en twee honderd keer neer buig,
voor Christus, de Maagdelijke Moeder, en de Heiligen;
of in de nacht, na een beetje slaap,
waak ik: de koele sterren fonkelen; ik ben nat
van doorwekende dauw, of stijf van krakende vorst.
Ik draag een onbewerkt geitevel op mijn rug;
een schavende ijzeren kraag schuurt mijn nek;
en in mijn zwakke magere armen hef ik het kruis,
en strijd en worstel met U tot ik sterf:
O genade, genade! reinig me van mijn zonde.
O Lord, thou knowest what a man I am;
A sinful man, conceived and born in sin:
'Tis their own doing; this is none of mine;
Lay it not to me. Am I to blame for this,
That here come those that worship me? Ha! ha!
They think that I am somewhat. What am I?
The silly people take me for a saint,
And bring me offerings of fruit and flowers:
And I, in truth (thou wilt bear witness here)
Have all in all endured as much, and more,
Than many just and holy men, whose names
Are registered and calendared for saints.
O Heer, U weet wat voor man ik ben;
een zondige man, verwekt en geboren in zonde:
' t is hun eigen schuld; ik kan er niets aan doen;
het ligt niet aan mij. Ben ik er de schuld van,
dat zij hier komen die me aanbidden? Ha! Ha!
Zij denken dat ik iets ben. Wat ben ik?
De dwaze mensen houden me voor een heilige,
en brengen me offerandes van fruit en bloemen:
en ik, in waarheid (U zult hier mijn getuige zijn)
heb alles bij elkaar net zoveel verdragen, en meer,
dan vele rechtvaardige en heilige mensen, wier namen
geregistreerd zijn en in de heiligenkalender opgenomen.
Good people, you do ill to kneel to me.
What is it I can have done to merit this?
I am a sinner viler than you all.
It may be I have wrought some miracles,
And cured some halt and maimed; but what of that?
It may be, no one, even among the saints,
May match his pains with mine; but what of that?
Yet do not rise; for you may look on me,
And in your looking you may kneel to God.
Speak! is there any of you halt or maimed?
I think you know I have some power with Heaven
From my long penance: let him speak his wish.
Goede mensen, u doet er verkeerd aan voor me te knielen.
Wat is het dat ik gedaan kan hebben om dit verdienen?
Ik ben een zondaar verachtelijker dan u allen.
Het kan zijn dat ik enkele wonderen heb verricht,
en enkelen mank en verminkt genas; maar wat dan nog?
Het kan zijn, dat niemand, zelfs onder de heiligen,
zijn pijnen met de mijne kan vergelijken; maar wat dan nog?
Maar sta toch niet op; want u mag naar me kijken,
en in uw kijken kunt u voor God knielen.
Spreek! is er iemand van u mank of verminkt?
Ik denk dat u weet dat ik enige macht heb in de Hemel
door mijn lange boetedoening: laat hem zijn wens uitspreken.
Yes, I can heal him. Power goes forth from me.
They say that they are healed. Ah, hark! they shout
"St Simeon Stylites." Why, if so,
God reaps a harvest in me! O my soul,
God reaps a harvest in thee. If this be,
Can I work miracles and not be saved?
This is not told of any. They were saints.
It cannot be but that I shall be saved;
Yea, crowned a saint. They shout, "Behold a saint!"
And lower voices saint me from above.
Courage, St Simeon! This dull chrysalis
Cracks into shining wings, and hope ere death
Spreads more and more and more, that God hath now
Sponged and made blank of crimeful record all
My mortal archives.
Ja, ik kan hem helen. Er gaat een macht van me uit.
Zij zeggen dat zij worden geheeld. Ah, luistert! zij schreeuwen
"St. Simeon Stylitus." Waarom, als dat zo is,
God een oogst in mij binnenhaalt! O mijn ziel,
God haalt een oogst in jou binnen. Als dit zo is,
kan ik wonderen verrichten en niet gered worden?
Dit wordt niet van wie dan ook verteld. Zij waren heiligen.
Het kan niet anders zijn dan dat ik zal worden gered;
ja, als een heilige gekroond. Zij schreeuwen, "kijk een heilige!"
En lagere stemmen heiligen me van boven.
Moed, St. Simeon! Deze doffe pop
breekt in glanzende vleugels open, en hoop voordat de dood
zich meer en meer en meer verspreidt, dat God nu heeft
gesponst en van geboekstaafde wandaden vrijgemaakt al
mijn archieven van sterveling.
O my sons, my sons,
I, Simeon of the pillar, by surname
Stylites, among men; I, Simeon,
The watcher on the column till the end;
I, Simeon, whose brain the sunshine bakes;
I, whose bald brows in silent hours become
Unnaturally hoar with rime, do now
From my high nest of penance here proclaim
That Pontius and Iscariot by my side
Showed like fair seraphs. On the coals I lay,
A vessel full of sin: all hell beneath
Made me boil over. Devils plucked my sleeve,
Abaddon and Asmodeus caught at me.
I smote them with the cross; they swarmed again.
In bed like monstrous apes they crushed my chest:
They flapped my light out as I read: I saw
Their faces grow between me and my book;
With colt-like whinny and with hoggish whine
They burst my prayer. Yet this way was left,
And by this way I 'scaped them. Mortify
Your flesh, like me, with scourges and with thorns;
Smite, shrink not, spare not. If it may be, fast
Whole Lents, and pray. I hardly, with slow steps,
With slow, faint steps, and much exceeding pain,
Have scrambled past those pits of fire, that still
Sing in mine ears. But yield not me the praise:
God only through his bounty hath thought fit,
Among the powers and princes of this world,
To make me an example to mankind,
Which few can reach to. Yet I do not say
But that a time may come - yea, even now,
Now, now, his footsteps smite the threshold stairs
Of life -I say, that time is at the doors
When you may worship me without reproach;
For I will leave my relics in your land,
And you may carve a shrine about my dust,
And burn a fragrant lamp before my bones,
When I am gathered to the glorious saints.
O mijn zonen, mijn zonen,
ik, Simeon van de pilaar, van achternaam
Stylitus, onder mensen; ik, Simeon,
de wachter op de zuil tot het eind;
ik, Simeon, wiens hersenen de zonneschijn bakt;
ik, wiens kale voorhoofd in stille uren
onnatuurlijk grauw van rijp wordt, verkondig nu
vanaf mijn hoge nest van boetedoening hier
dat Pontius en Iscariot aan mijn zijde
er als mooie engelen uitzagen. Op de kolen lag ik,
een vat vol zonde: de hele hel daaronder
deed me zieden. Duivels plukten aan mijn mouw,
Abaddon en Asmodeus grepen naar me.
Ik sloeg hen met het kruis; zij zwermden opnieuw.
In bed als monsterlijke apen verpletterden zij mijn borst:
zij klapwiekten mijn licht uit terwijl ik las: ik zag
hun gezichten groeien tussen mij en mijn boek;
Met veulenachtig gehinnik en met varkensachtig gejank
braken zij mijn gebed. Maar toch bleef deze manier over,
en op deze manier ontsnapte ik hen. Versterf
je vlees, net als ik, met zwepen en met doornen;
sla, deins niet terug, spaar niet. Als het kan, vast
de gehele Vasten, en bid. Ik ben nauwelijks, met langzame stappen,
met langzame, zwakke stappen, en veel buitengewone pijn,
voorbij die putten van vuur geklauterd, die nog steeds
zingen in mijn oren. Maar beloon me niet met lofprijzen:
God heeft het alleen door zijn mildheid gepast geacht,
onder de machtigen en de prinsen van deze wereld,
mij als een voorbeeld aan de mensheid te stellen,
wat weinigen kunnen halen. Toch zeg ik niet
behalve dat een tijd kan komen — ja, zelfs nu,
nu, nu, zijn voetstappen de onderste traptreden
van het leven beuken — ik zeg, dat de tijd voor de deur staat
dat u me zonder blaam kunt aanbidden;
want ik zal mijn relieken in uw land achterlaten,
en u kunt een heiligdom over mijn stof uithouwen,
en een geurige lamp vóór mijn beenderen branden,
wanneer ik vergaderd ben tot de zalige heiligen.
Icoon uit Rusland ± 1800.
Muurschildering in het klooster Grachanica, Kosovo.
While I spake then, a sting of shrewdest pain
Ran shrivelling through me, and a cloudlike change,
In passing, with a grosser film made thick
These heavy, horny eyes. The end! the end!
Surely the end! What's here? a shape, a shade,
A flash of light. Is that the angel there
That holds a crown? Come, blessed brother, come.
I know thy glittering face. I waited long;
My brows are ready. What! deny it now?
Nay, draw, draw, draw nigh. So I clutch it. Christ!
'Tis gone: 'tis here again; the crown! the crown!
So now 'tis fitted on and grows to me,
And from it melt the dews of Paradise,
Sweet! sweet! spikenard, and balm, and frankincense.
Ah! let me not be fooled, sweet saints: I trust
That I am whole, and clean, and meet for Heaven.
Terwijl ik toen sprak, ging er een steek van ernstigste pijn
verschrompelend door me heen, en een wolkachtige verandering,
in het voorbijgaan, maakte met een grover vlies dik
deze zware, hoornige ogen. Het eind! het eind!
Zeker het eind! Wat is dat hier? een vorm, een schaduw,
een lichtflits. Is dat de engel daar
die een kroon vasthoudt? Kom, gezegende broer, kom.
Ik ken Uw schitterend gezicht. Ik wachtte lang;
mijn hoofd is klaar. Wat! ontken het nu?
Nee, kom, kom, kom naderbij. Zo grijp ik het vast. Christus!
’T is weggegaan: 't is hier opnieuw; de kroon! de kroon!
Zo nu wordt ’ie aangepast en groeit aan me,
en de dauw van het Paradijs smelt ervan af,
zoet! zoet! nardusolie, en balsem, en wierook.
Ah! houdt me niet voor de gek, zoete heiligen: ik vertrouw erop
dat ik heel ben, en schoon, en gereed voor de Hemel.
Speak, if there be a priest, a man of God,
Among you there, and let him presently
Approach, and lean a ladder on the shaft,
And climbing up into my airy home,
Deliver me the blessed sacrament;
For by the warning of the Holy Ghost,
I prophesy that I shall die tonight,
A quarter before twelve.
Spreek, als er een priester is, een man van God,
daar onder u, en laat hem weldra
naderbij komen, en leun een ladder tegen de schacht,
en omhoog klimmend tot in mijn luchtig huis,
geef me het heilige sacrament;
want door de waarschuwing van de Heilige Geest,
voorspel ik dat ik vanavond zal sterven,
om kwart voor twaalf.
But thou, O Lord,
Aid all this foolish people; let them take
Example, pattern: lead them to thy light.
Maar Gij, O Heer,
Helpt heel dit dwaze volk; laat hen
voorbeeld nemen, toonbeeld: leidt hen tot Uw licht.
Simeon, een notitie van Cavafy (1899)
Constantine Cavafy (Konstantinos Kavafis), een van de belangrijkste Griekse dichters, werd op 29 april 1863 geboren en stierf op dezelfde datum in 1933 in Alexandrië, Egypte.

Hij heeft kritiek op Tennyson’s poëtische behandeling van Simeon, die “wel enkele goed gemaakte verzen bevat,” maar, “tekortschiet in toon.” Het onderwerp vereist iets beters: “Het was een zeer moeilijke opgave — een opgave bestemd, wellicht, voor een machtige koning van de kunst — om een gepaste taal te vinden voor zo'n grote heilige, zo'n bijzondere man.” Maar hijzelf komt ook niet verder dan onderstaande notitie.
In een notitie die door Cavafy in ongeveer 1899 is geschreven, en die gevonden werd in zijn exemplaar van Gibbon’s Decline and Fall of the Roman Empire, (Herfsttij en Ondergang van het Romeinse Rijk) spreekt Cavafy zijn bewondering uit voor St. Simeon de Pilaarheilige.
Simeon Transl. Edmund Keeley and Philip Sherrard Mijn vertaling
Yes, I know his new poems;
all Beirut is raving about them.
I’ll study them some other day.
I can’t today because I’m rather upset.
Ja, ik ken zijn nieuwe gedichten;
heel Beirut is er wild enthousiast over.
Ik zal ze op een dag wel eens bestuderen.
Vandaag kan ik het niet want ik ben nogal in de war.
Certainly he’s more learned in Greek than Libanius.
A better Poet than Meleager though? I wouldn’t say so.
Zeker is hij meer geleerd in het Grieks dan Libanius.
Maar een betere Dichter dan Meleager? Dat zou ik niet zeggen.
But Mevis, why talk about Libanius
and books and all these trivialities?
Mevis, yesterday (it happened by chance)
I found myself under Simeon’s pillar.
Maar Mevis, waarom over Libanius praten
en boeken en al die oppervlakkigheden?
Mevis, gisteren (het gebeurde bij toeval)
kwam ik terecht onder Simeon’s pilaar.
Het is vreemd dat de pilaar toen nog leek te bestaan, in ieder geval groot genoeg om er 'onder' te kunnen staan,
terwijl die pilaar, getuige de foto's hierboven, nu — zo'n 100 jaar later — tot een rotsblok gereduceerd is.
I slipped in among, the Christians
praying and worshipping in silence there,
revering him. Not being a Christian myself
I couldn’t share their spiritual peace —
I trembled all over and suffered;
I shuddered, disturbed, terribly moved.
Ik glipte mee tussen de Christenen
die daar in stilte baden en vereerden
hem aanbaden. Omdat ik zelf geen Christen ben
kon ik niet delen in hun spirituele vrede —
ik trilde over mijn hele lijf en leed;
ik huiverde, van streek, vreselijk aangedaan.
Please don’t smile; for thirty-five years — think of it —
winter and summer, night and day, for thirty-five years
he’s been living, suffering, on top of a pillar.
Before either of us was born (I’m twenty-nine,
you must be younger than me),
before we were born, just imagine it,
Simeon climbed up his pillar
and has stayed there ever since facing God.
Alsjeblieft, glimlach niet; vijfendertig jaar lang — bedenk dat wel —
winter en zomer, nacht en dag, vijfendertig jaren lang
heeft hij geleefd, geleden, bovenop een pilaar.
Voor een van ons was geboren (ik ben negenentwintig
jij moet jonger zijn dan ik),
voordat we waren geboren, stel je eens voor,
klom Simeon op zijn pilaar
en is daar sindsdien gebleven tegenover God.
I’m in no mood for work today —
but Mevis, I think it better that you tell them this:
whatever the other sophists may say,
I at least recognize Lamon
as Syria’s leading poet.
Ik ben niet in de stemming om te werken vandaag —
maar Mevis, ik denk dat het beter is als jij hun dit zegt:
wat de andere drogredenaars ook mogen zeggen,
ik tenminste erken Lamon
als Syrië’s voornaamste dichter.
Edward Gibbon (1737-1794) Herfsttij en Ondergang van het Romeinse Rijk
Gibbon over Simeon de Pilaarheilige:
“Deze grote, deze wonderbaarlijk heilige is zeker een onderwerp dat in de kerkelijke geschiedenis uitgekozen kan worden voor bewondering en studie. Hij is, wellicht, de enige mens geweest, die echt helemaal alleen durfde te zijn ... De glorie van Simeon vervulde en verbijsterde de aarde. Ontelbare pelgrims drongen rond zijn pilaar. Mensen kwamen uit het verste Westen en uit het verste Oosten, uit Brittannië en uit India, om te staren naar deze unieke aanblik — naar deze kaars van geloof ... geplaatst en aangestoken op een verheven kandelaar.”
Kunst
Beeldende kunst
In de beeldende kunst is er weinig aandacht aan Simeon gegeven, terwijl het onderwerp zich er toch zo goed, zeker ook visueel, voor lijkt te lenen.
Als we zien hoeveel schilderijen er vanaf de 15e eeuw van Antonius Abt, Paulus van Thebe en Maria van Egypte zijn gemaakt, dan is dat toch wel heel merkwaardig.

Het enige 'klassieke' schilderij dat ik ben tegengekomen is het schilderij van Carel Willink, zie hierboven, en dat is eigenlijk qua voorstelling niet eens 'waarheidsgetrouw' te noemen, en toch ook nog betrekkelijk recent (1939).
Säulenheiliger Stylite
De twee moderne kunstwerken, hierbij afgebeeld, vond ik zonder verdere beschrijving op het internet, en de vraag is dan ook in hoeverrre de kunstenaars zich door de oude asceet hebben laten beïnvloeden.
Simón del desierto, een film van Luis Buñuel
Een korte film uit 1965, met Claudio Brook, Silvia Pinal, Hortensia Santovena, en Juan Fernández.

De inspiratie voor Simon van de Woestijn kwam uit een dertiende-eeuws boek dat de grote dichter Federico Garcia Lorca aan de regisseur aanraadde, dat ging over Simeon Stylitus, en het citaat bevatte, "Stront stroomde langs de pilaar zoals was druppelt van kaarsen."
Het kan ook, voor een deel, door het verhaal van de Heilige Antonius geïnspireerd te zijn, zowel de versie van bisschop Athanasius als Gustave Flaubert’s Verleiding van St. Antonius. Hoe dan ook, Buñuel, die net als Pasolini een zelf-verklaarde atheïst was, heeft in het grootste deel van zijn werk bijbelse en godsdienstige beelden verwerkt.

De film begint als Simon — boven op zijn pilaar van acht meter hoog staande, nu zes jaar, zes maanden en zes dagen lang — een nieuwe, hoger-tot-de-hemel-pilaar krijgt aangeboden door een familie die hij op wonderbaarlijke wijze had genezen.
De monniken van een lokaal klooster bieden aan om Simon tot lid van het priesterschap te maken, maar hij wijst dat af met de verklaring dat hij dat onwaardig is. Hij is er tevreden mee als een asceet de boeren te zegenen, die bij hem voor wonderen komen.
Wanneer Simon de handen van een dief er weer aan zet die hem als straf voor een diefstal waren afgehakt, is het eerste wat de man met zijn wonderbaarlijke handen doet zijn jonge dochter tegen de zijkant van haar hoofd te slaan.
Satan zelf, gespeeld door Mexicaanse filmster Silvia Pinal, onderbreekt spoedig het vreedzame gebed van Simon.
Aanvankelijk neemt Satan het mom van een uitdagend klein schoolmeisje dat in een zeemanskostuum en zwarte kousen en kousebanden, Simon smeekt met zijn gebeden op te houden en zich met haar in eeuwige zonde te verenigen, maar hij weigert.
Hij zet zijn gebed voort, niet ontmoedigd door monniken die proberen om hem in diskrediet te brengen, en de aanwezigheid van zijn moeder die in een klein huisje onder zijn pilaar wacht. Hij schreeuwt zijn gebeden uit, af en toe zeer vermakelijk. Bij één gelegenheid begint hij een gebed en zegt dan halverwege, "ik vergat de rest."
Hij overleeft een ander Satanisch bezoek, dit keer onder het mom van een vrouwelijke maar gebaarde, kikker-exploderende Jezus, maar tenslotte komt Satan, in de gedaante van een verleidelijke vrouw, Simon in een doodskist ophalen die door de woestijn glijdt alsof ‘ie gemotoriseerd is, en neemt Simon mee naar een "zwarte mis”.
De laatste scenes spelen zich af in een dansclub in de New York, waar Simon, nu gekleed als beatnik in plaats van in vuile lappen, zit te kijken naar de massa jonge mensen die zeer energiek dansen, een dans die het Radioactieve Vlees wordt genoemd.
Tenslotte de gevleugelde woorden van Buñuel, als commentaar op zijn film:
"Godzijdank ben ik nog steeds een atheïst!"
Simón del desierto on Vimeo.
Cultus
Saint Siméon, een dorpje in Frankrijk
Saint Siméon de Bordes is een klein dorp, zo'n 65 kilometer ten oosten van Parijs, en vernoemd naar de Pilaarheilige.
In de kerk aldaar bevindt zich een reliek van Siméon, die door de tempeliers na hun kruistochten in de 12e eeuw zou zijn meegebracht.
De heilige Siméon had de reputatie om klierontsteking te genezen.
Er is ook een Siméon bron in het dorp, waar het standbeeld van de heilige in een nis staat opgesteld. Vroeger kwamen pelgrims, getroffen door huidziektes, naar de bron. Maar tegenwoordig wordt deze niet meer bezocht.

de bron

De houding, met ontbloot been, zowel op het houten beeld als in het gebrandschilderde raam, refereert waarschijnlijk aan het moment dat Simeon zijn zweren laat zien.
Rusland
In de cultuur en folklore in onze omgeving lijkt Simeon niet zo'n belangrijke positie in te nemen.

Zoals blijkt, rechts, uit deze prachtige kerk in Rusland, speelt Simeon in het Oosters Orthodoxe Christendom duidelijk een grotere rol.
Of is het beter te zeggen, spéélde een grote rol, gezien de verwaarloosde kerk links?
Deze kerk, in Moskou, is gebouwd in 1679, en was ooit de parochiekerk van Gogol.
Een beetje folklore betreffende Simeon de Pilaarheilige
Een weerspreuk, gerelateerd aan zijn naamdag 5 januari:

In januari veel regen,
brengt de vruchten weinig zegen.

Bronnen voor de tekst

De Engelstalige versie van St. Simeon Stylitus door Theodoretus is te vinden op Historia Religiosa.
De Engelstalige versie van Antonius is te vinden op Historia Religiosa.
De Nederlandse vertaling van de versie van Antonius (van mijn hand) op mijn site
De Engelstalige vermelding van St. Simeon Stylitus door Evagrius in zijn Ecclesiastical History.

Voor Simón del desierto, van Luis Buñuel, heb ik geput uit diverse besprekingen, zoals *.
En ik heb de Duitse versie van de film gezien.

Mijn eigen aantekeningen staan in het groen.

Bijbelcitaten zijn ontleend aan de Willibrordvertaling.


contact: Dolf Hartsuiker