Antonius Abt Paulus van Thebe Hilarion van Gaza Maria van Egypte Simeon Styliticus Adolphus
Het Leven van Simeon de Pilaarheilige

Simeon de Pilaarheilige leefde van 388 tot 459 n.Chr.
Er zijn twee versies van zijn levensverhaal, die behoorlijk van elkaar afwijken. Een daarvan is geschreven door Theodoretus, welke we misschien de 'officiële' versie zouden kunnen noemen, die ik op een andere pagina onverkort heb weergegeven.
Ook wordt Simeon nog genoemd door Evagrius in zijn Kerkgeschiedenis (ongeveer 580 n.Chr.), en dat fragment heb ik ook daar opgenomen.
Op de onderhavige pagina staat een versie van een leerling van hem, Antonius, die een wat minder literaire indruk maakt, maar toch wel interessante aanvullingen geeft, en waarvan ik op de andere pagina wat stukken heb gebruikt.


Het Leven van Simeon de Pilaarheilige
Door Antonius, zijn discipel of assistent

Hoofdstuk I
De heilige Simeon werd door God in de baarmoeder van zijn moeder verkozen, en hij dacht er alleen maar aan hoe hij Hem kon plezieren en gehoorzamen. Zijn vader werd Sufocion genoemd, en hij had geen ander onderwijs dan dat wat door zijn ouders gegeven werd. Op de leeftijd van dertien jaar zag hij op een dag een kerk terwijl hij de schapen van zijn vader voedde. Hij verliet zijn schapen en ging naar binnen waar hij, na het horen van het voorlezen van de Apostel, één van de ouderlingen benaderde.
"Wat was de betekenis van wat er werd gelezen?" vroeg hij.
"Het was over de onderliggende werkelijkheid (substantia) van de ziel," antwoordde de oude man, "en hoe een menselijk wezen kan leren om de Heer met heel zijn hart en verstand te vrezen." (Lukas 10.27)
Lukas 10.27 Hij gaf ten antwoord: ‘U zult de Heer uw God liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel, met heel uw kracht en met heel uw verstand, en uw naaste als uzelf.’
"Wat betekent het vrezen van God?"
"Waarom stel je me dergelijke ernstige vragen?"
"Ik zoek door u naar een antwoord van God. Ik wil over de dingen die ik hoorde leren, omdat ik onwetend en ongeletterd ben."
“Als je voortdurend vast, elk ogenblik bid, je klein maakt voor alle andere menselijke wezens, afstand doet van gehechtheid aan geld, ouders, kleding of bezit, maar niettemin je vader en moeder eert en de priesters van God, zal je het eeuwige koninkrijk erven. Maar als je, daarentegen, deze dingen niet doet zul je de uiterlijke duisternis erven die God voor de duivel en al zijn engelen heeft bereid. (Matteüs 22,13 & 25,30). Al deze dingen, mijn zoon, komen in het leven in kloosters volledig tot hun recht."
Matteüs 22,13 Toen zei de koning tegen de dienaren: “Bind hem aan handen en voeten en werp hem in de uiterste duisternis.” Het zal daar een gejammer zijn en een tandengeknars.
Matteüs 25,30 Werp die nutteloze slaaf in de uiterste duisternis.” Het zal daar een gejammer zijn en een tandengeknars.
Bij deze woorden viel Simeon aan zijn voeten.
"U bent mijn vader en moeder," zei hij, "leraar van alles wat goed is, en een gids naar het koninkrijk van de hemel. U hebt mijn ziel overtuigd, die hiervoor op weg naar de ondergang was. Moge de Heer u belonen voor de verandering die in mijn ziel is teweeg gebracht. Ik zal doen zoals u zegt en naar een klooster gaan, als het de wil van God is, en zijn wil in mij gedaan zal worden."
"Mijn zoon, alvorens je naar een klooster vertrekt, luister zorgvuldig naar wat ik zeg. Je zult beproevingen ondervinden, je zult moeten dienen en in naaktheid nachten moeten waken, en onbekende kwaden ondergaan alvorens vertroosting te vinden als een uitverkoren vat van God."
Hoofdstuk II
De heilige Simeon verliet de kerk en ging rechtstreeks naar het klooster van die prachtige man, de heilige Timoteus. Hij lag vijf dagen buiten het klooster, zonder te eten of te drinken. Op de vijfde dag ging abba Timoteus naar buiten en sprak hem aan.
"Waar kom je vandaan, mijn zoon? En wie zijn je ouders, die je hiertoe hebben gedreven? Wat is je naam? Misschien heb je een of andere misdaad begaan, of ben je een slaaf die van je meester is weggelopen?"
"Niets van dat alles, mijn heer. Ik wil slechts de slaaf van de God zijn, als Hij het zo beslist, en mijn ziel van de ondergang redden. Laat me in het klooster worden om een dienaar van allen te zijn. Laat me niet langer buiten staan."
De abt nam hem bij de hand en leidde hem naar binnen.
"Mijn zonen," zei hij tot de broeders, "zie, ik geef u deze broeder. Onderwijs hem in alle regels van het klooster."
Zonder te klagen bracht hij vier maanden door in gehoorzaamheid aan allen, en in die tijd leerde hij het Boek der Psalmen uit zijn hoofd, en dagelijks ontving hij goddelijke voeding. Het voedsel dat hem samen met de broeders werd gegeven, gaf hij in het geheim aan de armen zonder aan de volgende dag te denken, want terwijl de broeders elke avond aten, at hij slechts één keer in de week.
Hoofdstuk III
Op een dag ging hij naar de bron om water te putten, en nam het touw van de put, dat de broeders voor het putten van water gebruikten en wond het om zijn lichaam op zijn huid, van zijn middel tot aan zijn hals. Hij ging naar binnen en vertelde de broeders dat hij het touw niet bij de bron kon vinden toen hij naar de put ging.
"Stil maar, broeder," zeiden ze, "de abt zal daar te zijner tijd voor zorgen."
Zijn lichaam werd geïnfecteerd vanwege het gewicht en de ruwheid van het touw, dat hem tot op het bot sneed. Het begroef zich in zijn vlees, zoals spoedig duidelijk werd. Op een dag gingen de broeders uit en betrapten hem terwijl hij zijn voedsel aan de armen gaf. Zij kwamen weer terug en vertelden het aan de abt.
"Waar heeft u deze persoon vandaan gehaald?" vroegen zij hem. "Wij kunnen ons niet zoals hij van voedsel onthouden. Hij vast van de ene zondag tot volgende, en geeft zijn voedsel aan de armen, en er is een zeer afschuwelijke stank die van zijn lichaam afkomstig is, die erger is dan iemand kan verdragen. De maden vallen van hem af terwijl hij loopt. Zijn bed is vol maden."
De abt ging er onmiddellijk heen en vond alles precies zoals zij hadden gezegd.
"Mijn zoon," zei hij tegen Simeon, "wat heeft dit allemaal te betekenen wat de broeders me over jou hebben verteld? Is het niet genoeg voor jou om in dezelfde mate te vasten zoals de anderen doen? Heb je het Evangelie ons niet horen vertellen dat de leerling niet boven zijn meester staat, en dat iedereen volmaakt wordt als hij doet zoals zijn leraar? (Matteüs 10,24-25 ) En vertel me, mijn zoon, wat is de oorzaak van die stank die van je lichaam komt?"
Matteüs 10,24-25 Een leerling staat niet boven zijn meester en een slaaf niet boven zijn heer. Voor de leerling is het voldoende dat hij wordt als zijn meester, en voor de slaaf dat hij wordt als zijn heer.
De heilige Simeon stond daar enkel, en zei niets.
De abt was boos, en gaf hem opdracht zijn kleren uit te doen, en ontdekte het touw om zijn lichaam dat alles bedekte behalve zijn hoofd.
"Waarom is deze persoon ooit naar ons gekomen?" schreeuwde hij, "alle regels van het klooster omverwerpend? Ik zeg je nu, dat je ons zult moeten verlaten, en gaan waarheen je maar wilt."
Maar met grote zorg en moeilijkheid verwijderden zij het touw van zijn lichaam tezamen met zijn rottende vlees, en zorgden dagenlang voor hem totdat hij was genezen.
Hoofdstuk IV
Zodra hij genezen was, verliet hij het klooster zonder het aan iemand te vertellen en ging naar een verlaten, opgedroogde waterput, niet ver van het klooster, dat door onreine geesten werd geteisterd. En diezelfde nacht [in een droom] werd de abt een troep demonen getoond, die het klooster omringden met zwaarden en knuppels, schreeuwend, "Timoteus, geef ons Simeon de dienaar van God. Als je dat niet doet, dan zullen wij het klooster afbranden en met jou erbij, want je hebt die rechtvaardige man onrecht gedaan."
Toen hij ontwaakte riep hij de broeders en vertelde hen dat hij een visioen had gehad en er zeer ongerust over was. Op een andere nacht zag hij een menigte van sterke mannen rond hem staan die schreeuwden, "geef ons Simeon, de dienaar van God, want hij is geliefd door God en de Engelen. Waarom heb je hem gestraft? Hij is groter in het gezicht van God dan jij bent, en alle Engelen van God hebben verdriet over hem, want God is van plan door hem vele wondertekenen te doen in deze wereld, zoals niemand anders ooit heeft gedaan."
In grote vrees, riep de abt de broeders bijeen.
"Zoek uit waar die man is en breng hem hier terug, om te voorkomen dat wij allen wegens hem sterven. Hij is waarlijk een heilige van God. Ik heb grote dingen over hem gezien en gehoord."
Alle monniken gingen erop uit hem te zoeken, ze zochten overal maar vonden hem niet. Zij kwamen terug en rapporteerden aan de abt.
"Er is geen plek meer over waar wij niet hebben gezocht, tenzij hij misschien bij die verlaten waterput is."
"Ik vraag u, broeders, om daar naar hem te zoeken, en ik zal met u meegaan. Hij is echt een heilige en dienaar van God."
Hij koos vijf van hen uit om met hem naar de waterput te gaan. Terwijl hij bad daalde hij daarin af met de broeders. Toen de heilige Simeon hen zag komen begon hij tot hen te spreken.
"Dienaren van God, ik verzoek u, laat me voor een uur in vrede, zodat ik mijn geest kan verfrissen die tot nu toe enigszins verstoord is. Mijn ziel is zeer bekommerd, want ik heb God beledigd."
"Kom, dienaar van God," zei de abt, "laat ons u mee terug nemen naar het klooster. Want ik weet nu dat u een dienaar van God bent."
Hij wilde niet gaan, maar zij dwongen hem terug naar het klooster te gaan, waar iedereen zich in tranen aan zijn voeten uitstrekte.
"Wij hebben tegen u gezondigd, dienaar van God," zij zeiden. "Vergeef ons."
"Waarom maken jullie de last op deze ongelukkige zondaar nog groter?" zei Simeon met een diepe zucht. "Jullie zijn het die onze vaders en dienaren van God zijn."
Maar hij bleef nog een jaar bij hen.
Hoofdstuk V
Zonder het aan iemand te vertellen vertrok hij, en ging naar een plaats niet ver van het klooster waar hij een kleine cel bouwde met muren van droge steen. Hij bleef daar drie jaar, en vele mensen zochten hem op en vroegen hem om zijn gebeden. Toen bouwde hij een kleine kolom van vier el hoog, waarop hij vier jaar leefde.
Doordat zijn reputatie als heilige zich over de hele wereld verspreidde, bewoog de druk van mensen hem ertoe om een kolom van twaalf el hoog te maken, waarop hij twaalf jaar leefde. Toen maakten ze voor hem een kolom van twintig el hoog, waarop hij nog eens twaalf jaar leefde. Alle mensen die zich daar toen hadden verzameld bouwden twee basilieken dichtbij hem en bouwden een andere kolom voor hem van dertig el hoog, waar hij vier jaar leefde en wonderen begon uit te voeren. Hij genas vele mensen die bij hem kwamen met ziekten of demonen, en maakte blinden weer ziend. Verschrompelde handen werden weer gezond gemaakt, de doven hoorden en lepraleiders werden gereinigd. Hij overreedde vele mensen, Saracenen, Perzen, Armaceni en Laoti om het Christelijke geloof te omhelzen. De Allophyli hoorde eveneens over hem en zijn krachten, en kwamen om vóór hem neer te buigen.
Hoofdstuk VI
De duivel in zijn afgunst veranderde zich toen in de gelijkenis van een Engel en verscheen in volle pracht in een vurige strijdwagen met paarden van vuur, naast de zuil waar de heilige Simeon stond. Simeon begon ook te stralen met een vurige pracht zoals een Engel.
"Simeon," zei de duivel op lieflijke toon, "luister naar het woord dat de Heer me heeft opgedragen om u te brengen. Want Hij heeft mij, zijn Engel, gestuurd met een strijdwagen van vuur en paarden van vuur, om u omhoog te voeren zoals ik ooit Elija omhoog voerde. (2 Koningen 2,11)
2 Koningen 2,11 Terwijl zij pratend verder gingen, kwam er opeens een wagen van vuur met paarden van vuur, die hen van elkaar scheidde, en in een stormwind werd Elia ten hemel opgenomen.
Voor u is eveneens de tijd gekomen om in deze strijdwagen te stappen die de Heer van hemel en aarde heeft gezonden. Laten we eveneens ten hemel opstijgen, zodat de Engelen en Aartsengelen en Maria de moeder van de Heer, met de Apostelen en Martelaren, de Biechtvaders en Profeten u kunnen ontmoeten, waar u met de Heer kunt spreken die u naar zijn beeld creëerde. Dat is alles. Kom zonder uitstel mee omhoog."
"Heer," zei Simeon, "wilt u werkelijk mij, een zondaar, mee naar de hemel nemen?"
Hij hief zijn rechtervoet om in de strijdwagen te stappen en maakte het teken van het kruis met zijn rechterhand. Plotseling was de duivel nergens meer te zien. Hij verdween samen met zijn overtuigingskracht zoals stof voor het gezicht van de wind, zodat Simeon er toen zeker van was het de duivel was.
Hoofdstuk VII
Toen hij weer tot zichzelf kwam, zei hij tegen zijn voet, "kom niet meer naar beneden, maar blijf zo tot mijn dood, tot de Heer me roept, zondaar die ik ben."
Ondertussen had de duivel hem brutaal in zijn dij verwond, die geïnfecteerd werd met hordes maden die uit zijn lichaam vielen en rond zijn voeten op de pilaar kronkelden, en vandaar naar beneden op de grond vielen. Er was een zekere jonge man, Antonius genaamd, zijn helper, die hiervan getuige was en het opschreef. Simeon droeg hem op om de maden die gevallen waren te verzamelen en naar hem daarboven te brengen. En hij zette ze terug in zijn wond zoals Job deed.
"Eet wat de Heer jullie geeft," zei hij tegen de maden.
Hoofdstuk VIII
Basilicus, koning van de Saracenen, hoorde over hem en kwam hem bezoeken. Terwijl hij naar hem op keek, viel een made van het lichaam van Simeon terwijl hij stond te bidden. De koning rende om die op te pakken en als een geloofsdaad hield hij die boven zijn ogen.
"Waarom doet u dat, uwe majesteit?" zei Simeon toen hij zag wat de koning deed. "Het maakt dat ik me schuldig voel, want de made was uit mijn rottende lichaam gevallen."
Bij deze woorden opende de koning zijn hand en vond daar een kostbare parel in.
"Dit is geen rottende made," zei hij, "maar een zeer kostbare parel."
"Het wordt aan u als menselijk wezen gegeven naarmate u gelooft," zei Simeon. "Moge het in uw handen worden gezegend voor alle dagen van uw leven."
En die vrome man trok zich in zichzelf terug.
Hoofdstuk IX
Nogal lange tijd hierna hoorde zijn moeder waar hij was en kwam hem bezoeken, maar hij wou haar niet zien, want het was vrouwen verboden om die plaats binnen te gaan.
"Wacht gewoon maar een tijdje," zei Simeon, toen hij haar stem hoorde, "en wij zullen elkaar zien, als God het wil."
Zij begon te huilen toen ze zijn stem hoorde, en maakte haar haren los en smeekte hem dringend.
"Mijn zoon, waarom heb je dit gedaan? Als beloning voor het dragen van jou in mijn schoot, heb je me met verdriet gevuld. Voor de melk waarmee ik je voedde, heb je me tranen gegeven. Voor de kussen waarmee ik je overdekte, heb je me bittere pijnen in mijn hart gegeven. Voor de pijn en de arbeid die ik voor je leed, heb je me de pijnlijkste wonden gegeven."
Zij sprak met zoveel gevoel dat wij allen huilden.
Terwijl Simeon naar de stem van zijn moeder luisterde, begroef hij zijn gezicht in zijn handen en huilde bitter.
"Lieve Moeder," zei hij, "heb nog een tijdje vrede, en wij zullen elkaar in de plaats van eeuwige rust zien."
"In de naam van Christus Die jou vormde, als het wel mogelijk is om je als een soort vreemdeling in die grote tijd te zien, waarom dan sta je me nu niet toe je te zien? Of als niet kan, nu ik je stem heb gehoord, laat me dan meteen maar sterven, want je vader is al gestorven van verdriet over jou. Laat me niet langer in deze staat van bitterheid, mijn zoon."
Door het huilen en jammeren geraakte zij in een toestand van trance, en zette haar pleidooien aan hem drie dagen en drie nachten voort. Simeon bad toen tot de Heer en zij gaf meteen de geest. Ze namen haar lichaam op en brachten het naar een plek waar hij het kon zien.
"Moge de Heer u in zijn vreugde ontvangen," zei Simeon huilend, "want voor mij heeft u veel moeite gedaan. U droeg me negen maanden in uw schoot, u voedde me met uw melk, en werkte hard om voor me te zorgen."
Terwijl hij dit zei, zagen wij allen dat er zweetdruppels op zijn moeders voorhoofd verschenen en wij zagen haar lichaam bewegen. Simeon hief zijn ogen naar de hemel op.
"O machtige Heer God," schreeuwde hij, "U zit tussen de Engelen, en ziet tot in de diepten van de hel, U kende Adam voor hij bestond, U hebt de rijkdom van het koninkrijk van de hemel beloofd aan hen die van U houden, U sprak tot Mozes in de brandende struik, U gaf Uw zegen aan Abraham onze vader, U leidt de zielen van de rechtvaardigen naar het paradijs en de zielen van de goddelozen naar de duivel, U temde de twee leeuwen, (Daniël 6,23) en redde Uw dienaren van de vurige oven van de Babyloniërs (Daniël 3,27), U zond de raven om Elia te voeden, (1 Koningen 17,6) ontvang nu haar ziel in vrede en plaats haar tussen de heilige vaders, want aan U is de macht van alle tijden."
Daniël 6,23 Mijn God heeft zijn engel gezonden om de leeuwen te muilkorven. Ze hebben mij niet verwond, omdat ik in Gods ogen onschuldig ben.
Daniël 3,27 De satrapen, gouverneurs, landvoogden en raadsheren van de koning verdrongen zich rond de mannen en zagen dat het vuur hun lichamen niet had geraakt; zelfs het haar op hun hoofd was niet geschroeid, hun mantels waren nog heel en er hing zelfs geen brandlucht om hen heen.
1 Koningen 17,6 De raven brachten hem ’s ochtends en ’s avonds brood en vlees en hij dronk uit de beek.
Hoofdstuk X
Het was hierna dat ze een grotere zuil voor hem bouwden van veertig el hoog, waarop hij zestien jaar stond, tot aan zijn dood. Gedurende die tijd leefde er een reusachtig wild beest (draco) dichtbij hem in de streek van Aquilo, en verhinderde dat het gras groeide. Een stuk hout had zijn rechter oog beschadigd zodat hij er niet meer mee kon zien. Op een dag kwam hij naar het gebied waar de man van God leefde, zich in ingewikkelde kronkelingen wringend alsof hij om genade vroeg, en zijn kop in nederigheid buigend. Simeon bekeek hem zorgvuldig, en trok een stuk hout van een el lengte uit zijn oog. Allen die het zagen verheerlijkten God, ook al hadden zij zich bevreesd op enige afstand gehouden. Het dier rolde zich op en lag onbeweeglijk terwijl alle mensen eraan voorbij liepen. Toen stond het op en boog ongeveer twee uren neer voor de deur van het klooster, alvorens naar zijn hol terug te gaan, zonder iemand enig kwaad te doen.
Hoofdstuk XI
Een zekere vrouw, die zich op een nacht dorstig voelde, ging naar de waterkruik om te drinken en slikte een kleine slang door die in de kruik had gezeten. Het nestelde zich in haar maag, en alle inspanningen van artsen, magiërs en tovenaars konden er niets aan doen. Na een tijdje werd zij naar de heilige Simeon meegenomen, die opdracht gaf om haar op de grond te leggen en water van het klooster in haar mond te gieten. Hij schreeuwde luid, en trok toen een slang van drie el lang uit haar mond. De slang barstte binnen het uur, na zeven dagen binnen in haar geweest te zijn. In dat zelfde uur verkreeg de vrouw haar gezondheid weer.
Hoofdstuk XII
De grootst mogelijke welsprekendheid zou nauwelijks volstaan om al zijn wonderwerken voldoende te beschrijven, maar zijn krachten waren zo groot dat wij er niet in stilte aan voorbij kunnen gaan. Zo gebeurde het eens dat er een groot tekort aan water in het gebied was, en de mensen en alle dieren liepen gevaar om door gebrek aan water om te komen. De heilige Simeon zag hun benarde toestand en stond in gebed. Op ongeveer het tiende uur van de dag was er een plotselinge aardbeving die een enorme opheffing van de aardkorst in het land ten oosten van het klooster veroorzaakte. Een spleet verscheen waarin een onmetelijke hoeveelheid water te zien was. Hij gaf opdracht om een put van zeven el diep te gegraven, en vanaf dat ogenblik is er geen gebrek aan water geweest tot op de dag van vandaag.
Het was ook in die tijd dat een groep mensen eens een grote afstand aflegden, om van de gebeden van Simeon te kunnen profiteren en om van zijn wonderdaden getuige te zijn, en zij pauzeerden onderweg wegens de hitte, om onder de bladeren van een boom te rusten. Terwijl zij daar zaten, zagen zij plotseling een drachtig hert langs lopen.
"Bij de gebeden van de heilige Simeon," schreeuwden zij, "wij betoveren je om stil te staan zodat wij je kunnen vangen."
En het hert stond absoluut bewegingsloos. Zij vingen het en doodden het, en na er iets van gegeten te hebben, werden zij met stomheid geslagen, en het was in die toestand dat zij vóór de heilige Simeon aankwamen, de huid van het hert met zich meedragend. Zij verbleven daar twee jaar zonder een volledige behandeling voor hun stomheid te kunnen vinden. Hun misdaad was zo slecht dat het bijna een misdaad is om erover te spreken. De huid van het hert werd in de kerk opgehangen als getuige van het mirakel van het vervloeken.
Hoofdstuk XIII
Er was een grote luipaard in die streken die zowel mensen als dieren in een wijd gebied doodde. De mensen kwamen daarvandaan naar de heilige Simeon en vertelden hem over alle grote kwaden waar het dier de oorzaak van was. De heilige Simeon gaf opdracht een beetje aarde van het klooster te nemen en dat op die plaats in het rond te strooien, en zo werd het gedaan. De mensen gingen een tijdje later op onderzoek uit en vonden de luipaard dood liggen, en zij allen verheerlijkten de God van Simeon.
Hoofdstuk XIV
Dit is het bevel dat hij aan iemand gaf die hij had genezen:
"Ga naar huis en geef glorie aan God die u heeft genezen, en durf het niet te zeggen dat Simeon u genas. En matig u niet aan om bij de naam van de Heer te zweren. Dat is een ernstige zonde. Als het moet, zweer dan bij mij, een nietige zondaar, of u gelijk heeft of niet."
Dit is waarom alle oosterse en barbaarse volkeren van dat gebied bij Simeon zweren.
Hoofdstuk XV
Een zekere rover uit Antiochië die Jonathas heette, kwam plotseling het klooster binnen stormen, gevolgd door vele achtervolgers, zoals een leeuw die door een groep jagers wordt achtervolgd, en niet in staat om zich voor hen te verbergen. Hij omhelsde de pilaar van de heilige Simeon en huilde bitter.
"Wie ben je, mijn zoon?" vroeg Simeon, "en waar kom je vandaan en waarom kom je?"
"Ik ben Jonathas, een rover. Ik heb vele misdaden begaan en kom hier om mijn berouw te tonen."
"Van zulke is het koninkrijk der hemelen," (Matteüs 19,14 ) zei de heilige Simeon, "maar probeer me niet op de proef te stellen, opdat niet blijkt dat je weer tot de verdorvenheden die je hebt afgezworen bent teruggekeerd."
Matteüs 19,14 Jezus zei: ‘Laat die kinderen en verhinder niet dat ze bij Me komen, want van zulke kinderen is het koninkrijk der hemelen.’
De officiële achtervolgers van Antiochië kwamen aan terwijl hij sprak.
"Overhandig ons die kwade en gevaarlijke Jonathas," schreeuwden zij, "of anders zal de stad in oproer raken. Want de dieren om hem te verslinden staan al klaar."
"Ik leidde hem niet naar deze plaats," zei de heilige Simeon. "Hij die hem hier leidde is groter dan ik en komt mensen als deze te hulp. Want van zulke is het koninkrijk der hemelen. Maar als u zich in staat voelt hier binnen te gaan, kom dan en grijp hem. Ik kan dat niet zelf doen, want ik vrees Hem die hem hierheen stuurde."
Zeer bang gingen de mannen weg en vertelden de mensen in Antiochië wat er was gebeurd. Ondertussen klampte Jonathas zich aan de pilaar vast en omhelsde die zeven dagen lang.
"Heer," zei hij tot de heilige Simeon, "als u het woord sprak, dan zou ik in staat zijn om hiervandaan weg te lopen."
"Om dan haastig terug te gaan naar je verdorvenheden?"
"Nee, heer, maar mijn tijd is gekomen."
En terwijl hij sprak gaf hij de geest. Terwijl zij op het punt stonden hem buiten het klooster te begraven, kwam een andere groep ambtenaren uit Antiochië om hem te halen.
"Geef ons deze misdadiger", schreeuwden zij. “De hele stad is in oproer wegens hem."
"Hij die hem hier leidde," zei heilige Simeon, "kwam met een gezelschap van de hemelse heerschaar, en hij heeft de macht om uw gehele stad en iedereen daarin in de hel te werpen. Hij heeft zich verzoend met deze ziel, en ik was bang dat hij me ook tot zich zou nemen. Dus gelieve me geen problemen meer te geven, nederige zondaar die ik ben."
En ook zij vertrokken in grote vrees, en vertelden alles wat zij hadden gehoord en gezien.
Hoofdstuk XVI
Een paar later jaar, op een vrijdag, strekte hij zich uit om te bidden en bleef zo liggen, gedurende de hele zaterdag en zondag. Ik werd zeer ongerust, en klom omhoog en stond voor hem.
"Meester," zei ik, "sta alstublieft op en geef ons uw zegen. Er zijn mensen hier die al drie dagen op een zegen van u wachten."
Hij gaf geen antwoord.
"Hoe komt het dat u geen notitie van me neemt?" vroeg ik. "Heb ik iets gedaan dat u beledigde? Alstublieft, geef me uw hand — of is uw geest misschien vertrokken?"
Toen hij me niet antwoordde, dacht ik dat ik aan niemand iets zou zeggen — ik was bang om hem aan te raken. Na daar een half uur gestaan te hebben, boog ik neer om mijn oor op een plek te houden waar ik beter kon luisteren. Er was geen adem, slechts een geur als van vele parfums die van zijn lichaam opstegen, en ik wist dat hij naar de Heer was heengegaan. Overweldigd, huilde ik bittere tranen, en boog neer om zijn ogen te kussen en zijn baard en zijn haar glad te strijken.
"Waarom hebt u me verlaten, mijn meester?" jammerde ik. "Waar zal ik nu uw Engelachtig onderwijs vinden? Hoe kan ik voor u antwoorden? Wie zal deze zuil zonder u kunnen aanschouwen, en nalaten te rouwen? Welk antwoord zal ik aan de zieken geven wanneer zij u komen opzoeken en u niet vinden? Wat ik zal zeggen? Hoe kan ik dat in mijn nietswaardigheid verklaren? Ik zie u hier vandaag; morgen zal ik zowel aan de rechterkant als aan de linkerzijde zoeken en u niet vinden. Onder welk voorwendsel zou ik uw kolom misschien over kunnen nemen? Helaas, wanneer zij van verre komen om u te zien en u niet vinden!"
Mijn verdriet was zo groot dat ik het bewustzijn verloor, en onmiddellijk verscheen hij aan me.
"ik zal deze pilaar niet verlaten," zei hij, "noch deze heilige berg op de plaats waar ik zo bekend ben geworden. Maar daal af en maak verontschuldigingen aan de mensen, en verzend een bericht naar de bisschop in Antiochië, maar in het geheim, opdat er geen beroering ontstaat onder de mensen. Want ik ben ter ruste gegaan, zoals de Heer het wilde. Maar u moet in deze plaats blijven dienen, en de Heer zal u in de hemel belonen."
Ik kwam bij en in verwarring antwoordde ik, "meester, denk aan mij in uw heilige rustplaats."
Zijn mantel opheffend, viel ik aan zijn voeten neer en kuste zijn voetzolen, en omdat ik wist hoeveel groter zij waren dan de mijne, plaatste ik ze op mijn ogen, en schreeuwde, "zegen me, zo bid ik u, mijn meester."
En opnieuw huilde en schreeuwde ik, "wat kan ik van u bewaren om me aan u te herinneren?"
En terwijl ik dit zei, trilde zijn lichaam, maar ik was bang om hem aan te raken.
Hoofdstuk XVII
Niemand wist wat er was gebeurd. Ik daalde af van de pilaar en stuurde een betrouwbare broeder naar de bisschop in Antiochië. Hij kwam meteen met drie andere bisschoppen en ook Ardaborius, de bevelhebber van het leger. Zij zetten driepoten rond de zuil op en bevestigden zijn kledingstukken daaraan. Zij brachten zijn lichaam naar beneden en legden het naast een altaar voor de zuil, en terwijl zij tezamen kwamen, vloog een troep vogels over de pilaar, en kreten hun vogelschreeuwen alsof ze in de rouw waren, zoals iedereen kon zien. De klaagzang van zowel mensen als dieren kon voor zeven mijlen rondom worden gehoord. Zelfs de bergen hadden verdriet en de velden en de bomen in die plaats, want een dikke mist spreidde zich over alles uit.
Ik vroeg me af of er een Engel zou komen die hem zou bezoeken, en inderdaad, tegen ongeveer het zevende uur waren zeven oudsten in gesprek met een Engel wiens gezicht glansde als de bliksem en wiens kleding zo wit was als de sneeuw. En zolang ik kon luisterde ik in angst en beven naar zijn stem. Ik kon niet beschrijven waar die op leek.
Hoofdstuk XVIII
Terwijl de heilige Simeon op de lijkbaar lag, probeerde de Paus van Antiochië om een lok van Simeons baard te nemen als een relikwie, maar toen hij zijn hand uitstrekte raakte deze onmiddellijk verlamd. Vele eden werden aan God gezworen en vele gebeden tot hem gericht voordat zijn hand weer hersteld was.
Hoofdstuk XIX
Nadat ze het lichaam op de lijkbaar hadden geplaatst gingen ze op weg naar Antiochië. Alle mensen van het omringende gebied waren bedroefd dat zij van een dergelijke grote bron van relikwieën werden beroofd, want de bisschop van Antiochië had verboden dat zijn lichaam zou worden aangeraakt.
Hoofdstuk XX
Toen zij zover gekomen waren als het dorp Meroë, kon niemand de lijkbaar verder bewegen. Toen viel een man die veertig jaar doof en stom was geweest plotseling neer voor de lijkbaar en begon te spreken.
"Welkom, O dienaar van God!" schreeuwde hij. "Uw aankomst heeft me genezen! Als ik verdien te leven, zal ik u alle dagen van mijn leven dienen."
Hij stond op van de grond, greep één van de muilezels die de lijkbaar trokken en begon deze onmiddellijk voorwaarts te bewegen. En zo was die man van dat ogenblik af weer heel gemaakt. Zijn zonde was geweest dat hij van de vrouw van een andere persoon had gehouden. Hij had overspel met haar willen plegen maar nooit de kans gehad. De vrouw stierf en werd in een graf geplaatst, maar hij had in het graf ingebroken, en was onmiddellijk met doofheid en stomheid geslagen, in welke toestand hij veertig jaar was gebleven.
Hoofdstuk XXI
Iedereen uit de stad van Antiochië kwam naar buiten om het lichaam van heilige Simeon met offerandes van goud en zilver naar binnen te brengen. Met psalmen en hymnen en vele toortsen brachten zij hem als eerste naar de belangrijkste kerk, en toen naar de kerk van Boete. Vele wonderen gebeurden bij zijn graf, meer dan er tijdens zijn leven waren gebeurd, en de man die was genezen diende daar tot de dag van zijn dood.
Vele mensen van het geloof boden geld aan de bisschop Antiochië aan, hopend relikwieën van zijn lichaam te krijgen, maar werden teleurgesteld vanwege de eden die waren gezworen.
Ik, Antonius, een nederige zondaar, heb dit korte verslag samengesteld naar mijn beste kunnen. Gezegend is hij die dit boek bezit en het in de kerk leest en in het huis van God, want wanneer hij de herdenking van Simeon viert, zal hij een beloning van de Hoogste ontvangen, want aan Hem is de eer en de macht en de glorie tot in lengte der tijden.

Amen.

Deze versie van Antonius is (in het Engels) te vinden op Historia Religiosa.

contact: dolfhart@ziggo.nl