Vita Antonii Abba's Iconografie Vuur Antonianen Kunsten Cultus Folklore Plant Dier Literatuur Paulus Hilarion Maria Simeon Adolphus
Nederlands Frans Italiaans Spaans Portugees Koptisch Duits Orthodox Engels Amerikaans Aziatisch
Kritische kanttekeningen bij:
Peter Nissen's Varkenskoppen voor Sint Antonius
Oude en nieuwe achtergronden van een zuidnederlands ritueel
[in Antonius: 'De kleine en de grote'. Ed. Léon van Liebergen & Wouter Prins. Uden, 1995.]

Het artikel van Nissen bevat wat interessante feitjes en feiten over de Antoniusverering, daarom zal ik het in zijn geheel opnemen. Er is eigenlijk heel weinig over Antonius geschreven, en misschien nog wel minder over zijn relatie met het varken, dus alles is meegenomen.
Ik heb wel veel kritiek op dit artikel. Men kan zich afvragen of het wel zin heeft deze te spuien, aangezien dit artikel tien jaar geleden verschenen is en niet echt in de boekhandel of zo verkrijgbaar, maar aan de andere kant is het nog wel steeds in bibliotheken voorhanden, zoals het exemplaar dat ik las, dat in de Universiteitsbibliotheek van Utrecht aanwezig is. Het zou dus kunnen zijn dat er nog wetenschappers mee aan de slag gaan. En juist omdat er zo weinig over Antonius geschreven is, moeten we ervoor waken dat hetgeen vermeld wordt in ieder geval zo correct mogelijk is.

De auteur weet een aantal verschijnselen niet in de juiste context te plaatsen en geeft daardoor een onjuiste uitleg. Maar wat erger is, hij laat een aantal historisch zeer belangrijke feiten onvermeld, en komt daardoor niet toe aan het verklaren van het centrale thema van zijn artikel, namelijk de associatie van Antonius (a) met het varken en (b) met het offeren van de varkenskop (terwijl hij dat wel pretendeert te doen).
Wat punt (a) betreft, komt hij op p.50 nogal plotseling voor de dag met de Antoniaanse orde die het privilege hadden varkens vrij te laten rondlopen. Maar de auteur geeft niet aan hoe zij dat voorrecht verkregen hadden (en waarom niet een andere religieuze groepering) en zo weten we dus nog steeds niet waarom nou juist Antonius met het varken geassocieerd werd.
Wat punt (b) betreft, doet hij helemaal geen poging tot uitleg, anders dan te verklaren op p.51: “De ouderdom van het ritueel is moeilijk te verklaren. In veel gevallen gaat het momenteel om een herleefd gebruik...” Dit zijn 'verklaringen' waar we niet veel aan hebben!
Ik zal bij de oorspronkelijke tekst, waar nodig, mijn kritische kanttekeningen (groene tekst) plaatsen.
Varkenskoppen voor Antonius Kritische kanttekeningen
[p.47] In de religieus-culturele verbeeldingswereld van katholieken in Vlaanderen en het zuiden van Nederland heeft de Egyptische woestijnmonnik Antonius, vertrouwelijk betiteld als Antonius abt, vanaf de Late Middeleeuwen steeds een vooraanstaande plaats ingenomen. Verschillende parochies waren onder zijn patroonschap gesteld en tal van gilden, broederschappen en schutterijen hadden hem als hemelse beschermheer. En in de galerie van heiligenbeelden die menige Zuidnederlandse katholieke kerk sierde, ontbrak Antonius zelden. Volgens een Noordbrabantse uitdrukking, ontstaan in de sfeer van een zich tegenover het protestantisme profilerend na-tridentijns katholicisme, wordt de ware kerk immers gekenmerkt door de drie t's, die staan voor drie interieurstukken die in de kerken van de gereformeerde confessie ontbraken: "taltaar, turgel ent Tönnisbeeld" (het altaar, het orgel en het Sint-Antoniusbeeld). In de inleiding (links) blijkt al meteen de beperking van het artikel: het gaat alleen over zuidelijk Nederland en Vlaanderen. Terwijl wat Nederland betreft de verering van Antonius oorspronkelijk, tot aan reformatie en beeldenstorm, ook in noordelijke delen bestond, en met dezelfde rituelen werd gevierd. En sterker nog, het betrof (en betreft) hier een pan-Europees verschijnsel, en in die gebieden waar protestantisme of door de staat veroorzaakte secularisatie minder, of afwezig, zijn geweest (zoals Spanje, Italië en de Mediterrane eilanden) werd (en wordt) de verering van Antonius nog uitbundig gevierd. Deze beperkte blik van de auteur zal nog tot fouten leiden.
Antonius met het varken
Het meest karakteristieke materiële attribuut van het beeld van Antonius abt is zonder twijfel het varken. Ter onderscheiding van Antonius van Padua werd en wordt Antonius abt vaak ook gewoon 'Antonius met het varken' genoemd. In het dialect van Münsterland noemt men hem gemoedelijk 'Swienetünnes'.(1) Het attribuut is in de populaire beeldvorming veel hechter met de heilige verbonden geraakt dan de staf, waarmee hij bijvoorbeeld staat afgebeeld op de beroemde 'Aanbidding van het Lam Gods' van Jan van Eyck in de Sint-Baafskathedraal te Gent.
Toch heeft deze staf, die bekroond wordt met het Tau-kruis of crux commissa [in Gent heeft Antonius overigens geen T-staf maar een korte haak-staf], oudere rechten dan het varken. Het gaat in feite namelijk om een staf met een horizontale kruk, zoals die in de kerken van het Oosten door bisschoppen en abten werd gebruikt. Een staf met die vorm wordt momenteel nog steeds gehanteerd door de abten van de koptische kloosters in Egypte, het land waar ook Antonius leefde. De relatie tussen de heilige monnik en dit attribuut heeft dus iets vanzelfsprekends.
Met het varken is het anders gesteld. Het verschijnt in de afbeeldingen van de heilige pas rond 1400 als attribuut en blijkt dan meteen een ongekende populariteit te hebben. Er zijn vanaf de vijftiende eeuw, buiten de meer historiserende beeldcycli van zijn leven, nauwelijks nog afbeeldingen van Antonius de Grote waarop het varken ontbreekt.(2)
Over de relatie tussen Antonius en het varken is veel gespeculeerd. Vooral heeft men het varken willen uitleggen als een verbeelding van de duivel door wie Antonius in de [p.48] woestijn op de proef werd gesteld. Zo deed het bijvoorbeeld in de zestiende eeuw de Leuvense theoloog Joannes Molanus (3), en zo deden het in de twintigste eeuw ook nog volkskundigen.(4) In de middeleeuwse kunst en literatuur blijkt het varken inderdaad vaak op te treden als zinnebeeld van de duivel, van het kwaad en van de zonde. Het verbeeldde de ondeugden van de onzuiverheid (sorditas), de onmatigheid of gulzigheid (gula), de vraatzucht (crapula), de onkuisheid (luxuria) en de toorn (ira). (5) Ter verduidelijking. Voor wat betreft de negatieve visie op het varken, verwijst hij o.a. naar Der wilde Eber van Schouwink. In dat boek wordt echter vermeld dat deze negatieve visie de opinie van de kerkelijke autoriteiten weerspiegelt, die de kwestie vanuit een joods-christelijk optiek bekeken. Het volk dacht daar heel anders over, en stond in het algemeen juist positief t.o.v. zwijn en varken.
In het leven van Antonius, zoals dat beschreven is door de kerkvader Athanasius, figureert het varken echter niet, ook niet in deze symbolische betekenis. De duivel verscheen volgens Athanasius in allerlei dierlijke gestalten aan Antonius, zoals in die van slangen, leeuwen, stieren, wolven, schorpioenen, panters en beren, maar niet in die van een varken.(6) Een oplossing voor dit probleem heeft men gezocht door het varken als afleiding van of vervanging voor een ander motief uit het leven van Antonius te beschouwen.
Zo is gesuggereerd dat het varken oorspronkelijk een wilde ezel zou zijn geweest, een dier dat inderdaad in de levensbeschrijving door Athanasius figureert als gezel van Antonius. Die ezel zou door de latere kunstenaars niet meer begrepen zijn en daarom geleidelijk tot een varken zijn omgevormd. De enige ezel die ik in de Vita ben tegengekomen was ook weer een duivelse manifestatie, en wel in § 53. [1] Toen hij enkele dagen later aan het werk was ... kwam er iemand aan de deur en trok aan het koord dat hij aan het vlechten was; hij vlocht namelijk manden en gaf die aan zijn bezoekers in ruil voor wat zij voor hem meenamen. [2] Hij stond op en zag een dier dat weliswaar boven de dijbenen wel op een mens leek maar verder de poten en hoeven van een ezel had. Antonius sloeg slechts een kruis en zei: 'Ik ben een dienaar van Christus. Als je tegen mij bent uitgezonden, wel, hier ben ik.' [3] Maar het dier vluchtte met zijn demonen in zo'n grote haast dat het viel en stierf. En de dood van het dier betekende de val van de demonen.
Een andere verklaring [wie, welke ??] meent dat het varken in de plaats is gekomen van een naakte vrouw. Deze zou onderdeel hebben uitgemaakt van de bekoringen van Antonius, meer specifiek van die door de onkuisheid. Maar de christelijke kunstenaars zouden het ongepast hebben gevonden een wellustige vrouw uit te beelden en zouden haar daarom hebben vervangen door het varken, zinnebeeld — zoals we al zagen — van de onkuisheid.
Al deze verklaringen missen echter iedere grond, al was het alleen al omdat het varken, op het moment dat het in de Late Middeleeuwen als attribuut van Antonius abt verschijnt, niets bedreigends heeft.
Het verschijnt steeds als een vriendelijke gezel, soms steels onder Antonius' mantel uitkijkend, soms gemoedelijk aan zijn voeten liggend, Van een demonische verleiding blijkt niets. Heel duidelijk is in dit verband een Antoniusaltaar uit de vijftiende eeuw, dat zich in het Westfälische Landesmuseum für Kund und Kulturgeschichte in Münster bevindt: terwijl Antonius op het houtgesneden altaar de duivel vertrapt, kijkt het varken, dat met zijn beide voorpootjes eveneens de duivel in bedwang houdt, juist vol vertrouwen op naar de heilige.(7) En op het beroemde paneel 'De bekoring van Sint Antonius' van Jeroen Bosch, te bewonderen in het Prado te Madrid, ligt het varken vredig naast de neergezeten kluizenaar. Dat is zeker waar. Het is ook vrijwel altijd een klein, jong, onschuldig varkentje, een biggetje haast, dat erg veel lijkt op Babe, uit de gelijknamige film, die met de andere dieren kan spreken.
Antoniusvuur en Antonianen
De oplossing van het probleem is gelegen in het feit dat een directe, historische relatie tussen Antonius abt en het varken eenvoudigweg niet bestaat. Het varken is in de religieuze verbeelding pas in de Late Middeleeuwen en indirect met de figuur van Antonius verbonden geraakt. Een bemiddelende rol daarin hebben een ziekte én een kloosterorde gespeeld.
Van belang is eerst te vermelden dat in het derde kwart van de elfde eeuw vermeende relieken van Antonius abt in Frankrijk terecht waren gekomen, waar zij geplaatst werden in de kerk van de priorij van de benedictijnen in La-Motte-au-Bois in de Dauphiné.(8) De plaatselijke bevolking bezocht al spoedig de resten van de heilige om er steun in allerlei noden te vinden. In het pestjaar 1089 ontstond echter een grote toeloop: La Motte-au-Bois groeide uit tot een bedevaartsoord en werd voortaan Saint-Antoine genoemd.
In dat bedevaartsoord zochten mensen genezing voor allerhande kwalen, maar vooral voor een vergiftigingsziekte die tot aantasting van de ledematen leidde. Deze ziekte werd veroorzaakt door het eten van voedsel dat bereid was met meel dat door moederkoren was aangetast. [p.49] Moederkoren is een schimmelvorming (claviceps purpurea) op graan, vooral op rogge, die leidt tot zwaar vergiftigde korrels. De schimmel bevat namelijk het giftige ergotine, dat brandende pijnen veroorzaakt en vurige rode zwellingen op de ledematen, vooral op armen en benen, tot gevolg heeft. Om die reden werd de ziekte ook wel 'heilig vuur' (ignis sacer) genoemd. In de agrarische samenleving van de Middeleeuwen kon deze schimmelziekte vaak een endemisch, dat wil zeggen met tussenpozen geregeld terugkerend, karakter krijgen. Omdat men nu bij de relieken van Antonius genezing zocht van deze kwaal, kreeg zij — bij de medici bekend als Ergotismus gangraenosus — al spoedig de naam Sint-Antoniusvuur.(9) De ziekte werd ‘heilig vuur’ genoemd, omdat die ook gepaard ging met hallucinaties en visioenen. Hier moet dan ook de reden gezocht worden voor de bescherming die men bij Antonius zocht, want hij stond immers bekend als de asceet die de duivelse visioenen had weten uit te bannen. Eén van de actieve bestanddelen van het moederkoren is namelijk lysergzuur, de 'LS' van LSD. Dit sterkste psychedelicum tot dusver bekend, wordt ook genoemd in de inleiding van het boek van Bauer, Das Antonius-Feuer in Kunst und Medizin, door Hofmann notabene, de uitvinder van LSD. De auteur verwijst wel naar dat boek, maar maakt deze connectie dus niet. (Zie voor meer over moederkoren elders op mijn site)
De genezing van de lichamelijke symptomen — vurigheid en rode zwellingen — kwam dus eigenlijk op de tweede plaats. Daarvoor diende een zalf die bestond uit varkensvet vermengd met Saint Vinage — een magische vloeistof die verkregen werd door wijn over de relieken van Antonius te laten stromen. Deze heilige wijn wordt ook beschreven door P. Noordeloos in "Antoniana", een werk dat ook voorkomt in de literatuuropgave bij het artikel, en het is vreemd dat de auteur deze relatie niet legt. (Zie voor een citaat uit Noordeloos elders op mijn site)
Maar goed, door dit complex aan symptomen en de geneeswijzen werd de ziekte 'Antoniusvuur' genoemd.
Ter verpleging van de lijders aan het Sint-Antoniusvuur en van de andere zieken die bij Antonius genezing kwamen zoeken, werd rond 1095 in Saint-Antoine een lekebroederschap gesticht. Dat zou volgens een latere overlevering gebeurd zijn door een edelman Gaston, uit dankbaarheid voor de genezing van zijn zoon, die ook aan het Sint-Antoniusvuur geleden had. Deze broederschap nam de zorg op zich voor een gasthuis dat op enige afstand van de benedictijnenpriorij werd gesticht en kwam onder toezicht van het moederklooster van de priorij, de abdij Montmajour bij Arles. Daardoor maakte de broederschap al spoedig een proces van verkloostering door. Zij groeide uit tot een orde die de naam van die der Antonianen kreeg.
In 1232 ontving deze orde statuten, die voorzagen in het afleggen van kloostergeloften en in het dragen van een habijt, waarop het eerder genoemde tau-kruis van Antonius was afgebeeld. In 1247 nam de gemeenschap de regel van Augustinus aan, zodat zij officieel een orde van reguliere kanunniken werd. Zij werd georganiseerd als een ridderlijke hospitaalorde. Binnen één eeuw kenden de Antonianen vestigingen in Italië, Spanje, Duitsland en het Heilig Land. Tijdens het hoogtepunt van hun verspreiding, [p.50] in de veertiende eeuw, onderhielden de Antonianen maar liefst 369 huizen, vrijwel allemaal gevestigd in steden en vaak, maar zeker niet altijd, verbonden aan een hospitaal. De orde werd in 1776/77 opgenomen in de Maltezer orde, ook genoemd die van de Johannieters. De laatste vestigingen van de Antonianen, waaronder die in Keulen, werden in 1803 gesloten.(10)
In de meeste steden waar zij gevestigd waren, genoten de Antonianen een bijzonder privilege, namelijk om een aantal varkens vrij door de stad te mogen laten lopen. In de preïndustriële samenleving nam het varken een prominente plaats in de voedselvoorziening in: het grootste deel van de vleesconsumptie betrof varkensvlees. Het wekt dus geen verwondering dat ook de hospitalen en huizen van de Antonianen een aantal varkens wilden vetmesten. Zij konden die uiteraard gebruiken voor eigen consumptie, maar ook konden zij het varkensvlees verkopen om de kas van het hospitaal te spekken. Zoals ik al zei, legt de auteur niet uit waarom de Antonianen dat privilege kregen.
Overigens waren deze Antoniusvarkens waarschijnlijk niet voor de consumptie bestemd, maar eerder voor de fabricage van de medicijn. Vandaar ook hun bijzondere positie.
Het waren overigens in de Late Middeleeuwen niet alleen de kloosters van de Antonianen die Antoniusvarkens vrij door de stad mochten laten rondlopen. In Nederland bijvoorbeeld hebben de Antonianen maar één vestiging gekend, namelijk die in Maastricht, gesticht in 1236 en opgeheven in 1783, toen het huis in het kapittel van Onze-Lieve-Vrouw werd geïncorporeerd.(11) Toch kwamen ook in steden waar de orde niet gevestigd was, Antoniusvarkens voor. In die plaatsen stonden zij onder de hoede van een lekebroederschap die de heilige Antonius als patroon had. Een groot aantal Nederlandse steden heeft een dergelijke broederschap gekend.(12)
Waren de varkens eenmaal vet genoeg, dan werden ze in opdracht van deze broederschap geslacht en werd het vlees verdeeld onder de armen van de stad. Eigenlijk denk ik dat hier een andere, zeer oude gewoonte aangeduid wordt, die oorspronkelijk los stond van de Antoniusvarkens, namelijk het slachten van ‘gemeenschapsvarkens’, zelfs het offeren van ‘heilige varkens’ of varkens aan de goden (zie hieronder en ook elders op mijn site). En uit deze gewoonte is dan ook het ‘latere’ gebruik voortgekomen (‘later’ volgens de auteur dan), van het offeren van varkenskoppen en het per opbod verkopen ten behoeve van de armen.
Op zeker moment heeft de Antoniaanse broederschap dit gebruik gemonopoliseerd, en middels geschiedvervalsing het voorgesteld of zij altijs al als enige dit recht had..
De geprivilegeerde varkens van de Antonianen en van de Antoniusbroederschappen hoefden niet op kosten van de hospitaalbroeders of de lekebroeders vetgemest te worden. Ze mochten vrij door de stad lopen en werden dus als het ware vetgemest door de straat. Zij waren in de letterlijke zin van het woord straatvarkens. Om ze herkenbaar te doen zijn als eigendom van het Antoniusklooster of de Antoniusbroederschap, werden de varkens gemerkt met het tau-kruis, dat op de rug werd geverfd of in de poten ingebrand. Ook droegen ze vaak een belletje om de nek of waren ze gemerkt doordat een oor was afgesneden, in het middeleeuwse Amsterdam het rechteroor, in Utrecht het linkeroor. Uiteraard werd nu en dan geprobeerd een varken voor een Antoniusvarken te laten doorgaan door het ten onrechte te merken. Tegen misbruik van het merkteken werd echter streng opgetreden en in de veertiende eeuw hebben minstens vier pausen een bepaling uitgevaardigd tegen hen die een varken ten onrechte met het teken van Sint Antonius lieten rondgaan.(13)
Varkens genoten aanvankelijk in de middeleeuwse steden een betrekkelijk grote bewegingsvrijheid. Zij werden min of meer beschouwd als huisdieren, maar speelden tegelijk een rol in de stadsreiniging. De ruimte tussen de huizen werd immers beschouwd als vuilnisbelt; wat men niet meer nodig had, ook aan bederfelijke producten, werd op straat gegooid. De rondscharrelende varkens ruimden een groot deel van het keukenafval, van voedselresten en vergelijkbare zaken op. Omdat de stedelijke wetgeving vanaf de veertiende eeuw het vrij rondlopen van vee en met name van straatvarkens juist trachtte tegen te gaan, is de uitzonderingspositie die de Antoniusvarkens behielden in verschillende plaatsen nadrukkelijk vastgelegd. Dit lijkt me geen correcte weergave van de positie van de Antoniusvarkens. Het waren tenslotte een soort ‘heilige’ dieren, en die hoefden zeker niet als de gewone varkens van afval te leven. Ze liepen wellicht wel vrij rond (hoewel soms met varkenshoeder), maar ze kregen ongetwijfeld allerlei goed-eetbare resten toegeworpen, of ze hadden zo hun vaste adresjes waar ze op hun dagelijkse ronde langsgingen. Vandaar ook de Franse uitdrukking (zie hieronder), 'van poort naar poort, zoals de varkens van Sint Antonius'.
De heiligheid van deze varkens wordt zelfs door de auteur aangegeven, waar hij zegt dat, “het stelen en verorberen van een Antoniusvarken gelijk stond aan heiligschennis...”
Het aantal varkens dat vrij mocht rondlopen was uiteraard niet onbeperkt: in Wesel werd in 1375 het aantal Antoniusvarkens bepaald op zes, in Hoorn in 1424 op twee en in Harderwijk nog in 1564 op vier.(14)
[51] Dat de varkens van Sint-Antonius vrij mochten blijven rondlopen door de stad en in alle straten of zelfs op de erven en in de huizen plachten rond te snuffelen en te wroeten, heeft verschillende uitdrukkingen voortgebracht. In het Frans wordt een rusteloze beweeglijkheid uitgedrukt in het spreekwoord: 'De porte en porte, comme les pourceaux de St. Antoine' ('van poort naar poort, zoals de varkens van Sint Antonius'). In het Duits kent men de uitdrukking: 'So frech wie ein Antonius-Schwein', en in het Nederlands kan men iemand verwijten dat hij anderen 'naloopt als een Sint-Antoniusvarken' of dat hij 'snuffelt als een Sint-Antoniusvarken'. Van zware personen werd wel gezegd dat zij 'dik waren als het varken van Sint Teunis'. Omdat het stelen en verorberen van een Antoniusvarken gelijk stond aan heiligschennis die door de heilige zelf ongetwijfeld bestraft zou worden, werd in Italië van personen die onder onverklaarbare omstandigheden overleden, wel gezegd: 'Ha forse rubato un porco di San Antonio' ('hij zal wel een varken van Sint Antonius gestolen hebben').(15)
De bekendheid van de Antoniusvarkens in de Late Middeleeuwen heeft hen in de beeldvorming tot een onafscheidelijk attribuut van de heilige kluizenaar gemaakt. Dat dit attribuut vooral vanaf 1400 met grote regelmaat op afbeeldingen van Antonius abt verschijnt, heeft ongetwijfeld te maken met de grote pestepidemie die Europa in de veertiende eeuw heeft getroffen. Dit is dus niet echt een verklaring; eerder een omdraaiing van de feiten.
Dat Antonius ook als pestheilige beschouwd ging worden wijst op een uitbreiding van zijn functie. De ziekte 'het Antoniusvuur' werd namelijk verkeerd begrepen als een vorm van pest. Deze functie-uitbreiding ging op den duur nog veel verder, en zo werd hij gezien als behoeder en genezer van alle ziekten.
Een ander uitbreiding van zijn functie — door zijn associatie met het varken ongetwijfeld — betreft zijn beschermheerschap van het vee en huisdieren.
Ook het Sint-Antoniusvuur werd met de pest in verband gebracht. Voor de Antonianen braken met het uitbreken van de 'zwarte dood' drukke tijden aan. En dat gold ook voor hun hemelse patroon, Antonius abt, die in het rijtje van de pestheiligen, de vier heilige maarschalken en de veertien noodhelpers werd opgenomen.

Varkenskoppen voor Sint Antonius: een jong plattelandsritueel
Zo uitvoerig als we hier en daar ingelicht zijn over stedelijke straatvarkens, zo weinig is uit de Middeleeuwen en de vroegmoderne tijd bekend over Antoniusvarkens op het platteland. Maar er zijn sporadische aanwijzingen dat ze ook daar voorkwamen. In 1513 sprak een keur uit het Brabantse Oisterwijk over personen 'die Sinte Anthonisvercken oft andere sancten oft sanctinnen vercken houden'.(16)
De indruk bestaat dat ook op het platteland de praktijk gangbaar was dat een of meer varkens ten laste van de gemeenschap kwamen. Zij mochten vrij door het dorp lopen en van huis tot huis hun voedsel bijeen scharrelen. Het was verboden deze varkens te verwonden of te verjagen. Op of rond de feestdag van Antonius abt (17 januari) werd het varken dan geslacht en werd het vlees verdeeld onder de dorpsarmen.(17) Het lijkt erop dat de auteur deze zienswijze eigenlijk niet wil accepteren. Maar we moeten er toch vanuit gaan dat deze gemeenschapsvarkens al bestonden voor Antonius, en in feite zelfs al voor de kerstening van Europa. Pas later, na de 14e eeuw, zijn deze gebruiken rond de gemeenschapsvarkens geïncorporeerd in de cultus van Antonius-met-het-varken (ofwel gecoöpteerd door de Antoniaanse broeders).
Op hetzelfde platteland bestaat momenteel in een aantal dorpen een ritueel op of rond het feest van Sint Antonius abt, waarin eveneens varkens de hoofdrol spelen. Het betreft het offeren van varkenskoppen en andere delen van het varken, eventueel ook een heel varken, aan sint Antonius en vervolgens het in het openbaar bij opbod verkopen van die varkenskoppen, waarbij de opbrengst ten goede komt van kerk en parochie of een of ander nader omschreven doel, bijvoorbeeld de restauratie van een Sint-Antoniuskapel.
De ouderdom van dit ritueel is moeilijk te bepalen. In veel gevallen gaat het momenteel om een herleefd gebruik, waarbij het jaar van herinvoering doorgaans goed te traceren is.
Met zijn opmerkingen, "De ouderdom van dit ritueel is moeilijk te bepalen" en "herleefd gebruik", lijkt de auteur te suggereren dat het niet zo’n oud gebruik is.
Wat hij niet verklaart, is dat het ritueel op zoveel plaatsen ‘herleefd’ is, en dat het gebruik niet alleen in Nederland en Vlaanderen bestaat, maar in andere delen van Europa, en dat het dus gewoonweg wel oud moet zijn.
En een zeer duidelijke aanwijzing voor de ouderdom van dit ritueel, waarmee de auteur bekend zou moeten zijn, vermeldt hij niet. In het boek Der wilde Eber, waarnaar de auteur twee maal verwijst, staat namelijk op p.30: "... bestond in de noordelijke landen in de tijd der heidenen het gebruik om aan de vooravond van het Joelfeest, het huidige kerstmis, een everzwijn te offeren ter ere van Frey, de zogenoemde sonalgöltr (zoeneverzwijn)." En er staat: "... dat een bepaald kerstgebruik van het Queens College te Oxford uit dit everoffer voor het Joelfeest voortgekomen is. Hier wordt namelijk bij het officiële kerstmaal op feestelijke wijze een versierde zwijnekop opgediend. Daarbij wordt de traditionele 'boar's head carol' (hymne op de zwijnekop) gezongen, die een zegenwens voor de feestdagen inhoudt." In een noot stelt Schouwink dat hij ernaar heeft geïnformeerd en dat het gebruik ook nu nog steeds plaatsvindt, maar dat men tegenwoordig, omdat zwijnekoppen moeilijk verkrijgbaar zijn, de kop van een volgroeide zeug gebruikt. Dit lijkt toch allemaal wel zeer veel op de gebruiken in Zuid-Nederland en Vlaanderen! Dat Nissen hiernaar in het geheel niet verwijst, om deze connectie te bevestigen dan wel te ontkennen, is echt onverklaarbaar.
Wat de auteur overigens ook niet vermeld, wat in Der wilde Eber staat, is dat everzwijnen de 'rijdieren' (dus metgezellen) waren van zowel Frey als zijn zuster Freya. (Voor een volledig citaat, zie mijn site.)
Tenslotte nog wordt in Der wilde Eber vermeld dat ook bij de Kelten het everzwijn in hoog aanzien stond, en we kunnen er dus vanuit gaan dat daar soortgelijke rituelen plaatsvonden.
En ook bij de Romeinen (zie mijn site) was het varken een offerdier. Het is dan ook niet zo vreemd dat we associatie van varkens(koppen) met Antonius over heel Europa aantreffen.
Maar helaas, bij de auteur geen woord over dit alles.
(Tussen haakjes: Het is wel vreemd dat Schouwink, die Antonius en de jaarlijkse slacht van de Antoniusvarkens in het midden van de winter, wel noemt aan het eind van zijn boek, het ritueel rond het offeren van de varkenskoppen op het vaste land van Europa niet lijkt te kennen.)
Voor Vlaanderen zijn de nu nog gepraktiseerde gebruiken rond Antonius abt enkele jaren geleden door Walter Giraldo geïnventariseerd (18), voor Nederland zijn ze door verzamelingen van kranteknipsels redelijk gedocumenteerd.(19) Als het om gegevens van vóór de Tweede Wereldoorlog gaat, is de situatie echter minder rooskleurig. We beschikken dan slechts over sporadische vermeldingen.
Deze wijzen er in elk geval op dat het ritueel in Nederland buiten de provincies met een overwegend katholieke bevolking, dus Noord-Brabant en Limburg, nauwelijks of geen verspreiding heeft gekend. Een beetje vreemde opmerking. Voor de beeldenstorm was heel Nederland immers katholiek?! En aangezien ik ervan uit ga, zoals ik hierboven verduidelijkt heb, dat het ritueel van de varkensofferande weer ouder is dan het katholicisme, lijkt het me zeer onwaarschijnlijk dat dit ritueel niet in heel Nederland (en heel Europa) plaatsvond. Dat het nu alleen nog voorkomt in provincies (en landen) met een overwegend katholieke bevolking wekt natuurlijk geen verwondering.
[p.52] In de Nederlandse provincie Limburg was het vóór de Tweede Wereldoorlog bekend in Vaals en Hoensbroek.(20) In Geleen brachten sommigen eertijds ook halve varkenskoppen naar de kluizenaars die de kluis van Krawinkel bewoonden, maar van een verkoop van deze koppen blijkt niéts.(21) In de provincie Noord-Brabant heeft het offeren van varkenskoppen tot het interbellum bestaan in Sambeek, Escharen en Nieuw-Borgvliet (bij Bergen op Zoom).(22) In dezelfde tijd bestond in een andere Noordbrabantse plaats met een Sint-Antoniusgilde, namelijk Terheijden, een opmerkelijk gebruik tijdens de kermis, namelijk het vangen van een met groene zeep ingesmeerd varken.(23) Of het varken na de vangst ook geofferd en verkocht werd, is niet duidelijk.
Opmerkelijk is dat de vroegste gegevens over dit ritueel niet veel ouder zijn dan de overgang van de achttiende naar de negentiende eeuw.(24) Wat ik opmerkelijk vind, is dat die ene verwijzing naar het mogelijk bestaan van het ritueel vier eeuwen terug, verbannen wordt naar een eindnoot.
En dat er niet meer aanwijzingen in officiële teksten te vinden zijn, wil nog niet zeggen dat het gebruik niet bestond. Het was wellicht in de ogen van de (kerkelijke) autoriteiten een onsmakelijk vertoon van bijgeloof door achterlijke boeren, en de moeite van het vermelden niet waard.
Voor de Brabantse plaats Essene is bekend dat de abdij van Affligem in 1787 toestemming verleende om offers in natura in het openbaar te verkopen, onder de voorwaarde dat de offers netjes werden verpakt en niet werden doorverkocht in de plaatselijke drankgelegenheden.(25) In het Belgisch-Limburgse gehucht Hoksent bij Eksel, waar een kapel ligt die is toegewijd aan Onze Lieve Vrouw en Sint-Antonius, moet het gebruik in het begin van de negentiende eeuw al bestaan hebben. In 1812 komt in de kerkrekening van Eksel voor het eerst een post voor inzake 'een en eenen halven verkenskop'; deze bracht één gulden en achttien stuivers op.(26)
Het lijkt waarschijnlijk dat het gebruik ook niet veel ouder is. Van een continuïteit met de Antoniusvarkens uit de vroegmoderne tijd lijkt geen sprake, eerder van een aflossing van deze laatste door de geofferde varkens uit de negentiende en twintigste eeuw. Het gaat bij het offeren immers niet om varkens die vrij hebben mogen rondlopen en door de gemeenschap zijn vetgemest, maar om varkenskoppen die door een individuele schenker worden afgestaan. Het is duidelijk dat ik ervan overtuigd ben dat het juist om een oeroud gebruik gaat, dat tijdelijk vermengd is geraakt met Antoniaanse rituelen. Toen deze orde haar invloed verloor, en mét haar zowel de Antoniusvarkens en gemeenschapsvarkens verdwenen, kon het ritueel natuurlijk alleen maar blijven voortbestaan door gebruik te maken van privé varkens. Deze verandering betekent dus absoluut niet dat het om een 'jong' verschijnsel gaat.
Het verdwijnen van gemeenschapsvarkens is eigenlijk net zo’n verschijnsel als het verdwijnen van gemeenschapsgronden, zoals meents en mients.
De door de gemeenschap gekoesterde Antoniusvarkens zijn verdwenen met de instorting van het Ancien Régime aan het eind van de achttiende eeuw. Zij lijken daarmee juist plaats gemaakt te hebben voor een nieuw ritueel, dat eveneens in relatie tot Antonius en zijn varken staat, maar van een heel andere aard was [dan] de vroegere praktijk.
De varkenskoppen die volgens het nieuwe ritueel aan Antonius geofferd worden, zijn afkomstig van varkens die door de bezitters voor eigen consumptie of voor de verkoop zijn geslacht, en niet meer ten behoeve van de dorpsarmen. Toch willen de schenkers van de koppen graag een sacrale bescherming over de slacht ontvangen en tevens hun dankbaarheid tonen. Dit wordt uitgedrukt door de schenking van de koppen, die dan vervolgens bij opbod verkocht worden. Er is dus niet zozeer sprake van een 'nieuw ritueel', maar van een nieuwe positie van de varkens.
Overigens gaat het per viering i.h.a. maar om één varkenskop. Er is dan ook maar één schenker van een kop. Er worden nog wel andere schenkingen gedaan — zoals bij een tombola — om ook per opbod verkocht te worden. En de opbrengsten zijn nog steeds voor algemeen nut. De schenkers willen niet zozeer van Antonius 'een sacrale bescherming over de slacht ontvangen' maar eerder bescherming (een goede gezondheid) voor zichzelf en het vee, en inderdaad willen ze 'hun dankbaarheid tonen' voor de genoten bescherming van het afgelopen jaar.
Door de opbrengst van deze verkoping komt dan toch een bedrag bij elkaar dat besteed kan worden aan een bepaalde nood. Van het sociale aspect van de vroegere Antoniusvarkens keert dus toch iets in het nieuwe ritueel terug.
Dat het ritueel rond het feest van Antonius abt op 17 januari plaatsvindt, heeft uiteraard te maken met het feit dat het varken diens bekendste attribuut is. Maar de datum past ook goed in het veranderend ritme van de voedselvoorziening op het platteland. Lange tijd was het gebruik geweest om bij het begin van de winter, in de slachtmaand november, een varken voor eigen consumptie te (laten) slachten. Met de producten daarvan moest men de hele winter zien door te komen. Door de gestegen welvaart in de negentiende eeuw werd het echter mogelijk halverwege de winter nog een tweede of zelfs derde varken te slachten.(27) Die tweede of derde slacht nu kon goed in het midden van januari plaatsvinden, zodat men de kop en eventuele andere delen van het geslachte varken op 17 januari aan Antonius abt kon offeren. [p.53] Die eerste zin is eigenlijk onbegrijpbaar. Wat is dan de relatie tussen "diens bekendste attribuut" en de 17e?
Het tweede gedeelte van de paragraaf lijkt me niet juist. Het (ritueel) slachten van het gemeenschapsvarken is natuurlijk iets heel anders dan het (gewoon) slachten van varkens voor de eigen consumptie. Het slachten van het gemeenschapsvarken was van oudsher al een bijzondere gebeurtenis, een offerande aan de goden, een ritueel dat op die dag ongetwijfeld vanuit oeroude astrologische overwegingen plaatsvond.
Die ‘stijgende welvaart’ is dan ook een een zéér vergezocht argument, een 'economisch-materialistische' bagatellisering van een 'magisch-religieus' ritueel.
Verspreiding en vorm van het ritueel
Het offeren en bij opbod verkopen van varkenskoppen kent momenteel in Nederland slechts een geringe verspreiding. Het is bekend in twee dorpen in Noord-Brabant, namelijk Groeningen en Maashees, beide gelegen in de gemeente Vierlingsbeek, en in twee dorpen in de provincie Limburg, Ayen en Altweert. In Ayen en Maashees staat het bekend als 'köpkesmert', in Groeningen als 'köpkesmaondag'. In Vlaanderen kent het een grotere en bovendien groeiende populariteit. Walter Giraldo noteerde het ritueel of een variant ervan in drie dorpen in de provincie West-Vlaanderen (Ingooigem, Zerkegem en Aartrijke), vijf dorpen in Oost-Vlaanderen (Belsele-Puivelde, Uitbergen, Zarlardinge, Iddergem en Herdersem), drie dorpen in de provincie Brabant (Essene, Erps-Kwerps en Rotselaar), acht dorpen in de provincie Antwerpen (Edegem, Ranst-Millegem, Lille, Zalfen bij Oostmalle, Turnhout-Oosthoven, Bel bij Geel, Olmen en Achtel bij Rijkevorsel) en vier in de provincie Limburg (Herent-Neerpelt, Hoksent-Eksel, 't Solt-Opitter en As).
Doorgaans vindt het ritueel plaats op de feestdag van Antonius abt zelf, dus op 17 januari, of op de daarop volgende zondag. In een aantal plaatsen wijkt men uit naar de zondag vóór het feest (As), naar de zaterdag het dichtste bij het feest (Zerkegem, Uitbergen en Zalfen) of naar de maandag na het feest (Groeningen en Herdersem). Het ritueel speelt zich meestal in of rond een kerkgebouw of kapel af. Doorgaans wordt het geopend met het al dan niet in een stoet aandragen van de offergaven: een of meer varkenskoppen, een heel varken of stukken van het varken. Soms wordt ook ander vee, zoals eenden, kippen, kalkoenen, konijnen aangevoerd, en hier en daar ook andere etenswaren (boter, brood, eieren, vlaaien, vruchten, drank). In enkele plaatsen waar het feest op zondag gevierd wordt, worden de offergaven al op de daaraan voorafgaande zaterdag bij de boeren opgehaald, bijvoorbeeld in Ingooigem door leden van de kerkfabriek en van een sportvereniging. [54] In Belsele-Puivelde wordt het varkensvlees door de plaatselijke slagers geschonken. Worden de gaven in een stoet naar de kerk gedragen, dan wacht de pastoor ze doorgaans bij de kerkdeur op om ze te zegenen. Vervolgens krijgen ze in de kerk een plaats bij het altaar, de preekstoel of het Antoniusbeeld. Na de misviering begint dan het verkopen bij opbod van de gaven. Waar zich dit afspeelt, hangt af van de weersomstandigheden en de plaatselijke mogelijkheden. Vaak gebeurt het bij de kerkdeur of op het kerkplein (in Ayen onder een grote linde bij de kapel), soms ook bij het gemeentehuis (Lille) of in een parochiecentrum of -zaal. De organisatie van de verkoop berust in de meeste gevallen bij een gilde dat Antionius abt als patroon heeft. In Ayen gebeurt het door de schutterij, in Altweert door de buurtvereniging. Als veilingmeester, in Groeningen en Ayen de 'ruper' (roeper) genoemd, treedt een bekende dorpsgenoot op, in de meeste gevallen een van de kerkmeesters, soms ook de koster. Hij moet de kunst verstaan met humor en plagerijen de prijs voor zijn waar op te drijven. In enkele plaatsen geldt de verkoop van een varkenskop als hoogtepunt en afsluiting van de veiling. Tijdens het bieden wordt onaangekondigd de klok geluid, en wie juist tijdens een klokslag biedt, is de koper. Hij wordt echter geacht na betaling van de prijs de varkenskop aan de veilingmeester terug te geven, zodat de kop nog een tweede of derde maal verkocht kan worden. Het kopen is dus een symbolische handeling geworden; de bieder geeft feitelijk een geldelijke gift voor het vastgestelde doel. Dit doel kan de kas van kerk of parochie zijn, maar ook een nader omschreven bestemming, zoals het onderhoud of de restauratie van een kapel (Ayen, Groeningen, Achtel), van een kruisbeeld (As) of van het plaatselijke kunstpatrimonium (Essene).
Om de stemming er tijdens de verkoop in te houden, wordt deze hier en daar opgeluisterd met muziek. Het is aboluut niet nodig om 'de stemming er tijdens de verkoop in te houden'. Die is er gewoon, en hoeft niet met muziek 'opgeluisterd' te worden. Zo gesteld, is het eigenlijk een nogal denigrerende opmerking.
Ook wordt er vaak drank geschonken, en om de januarikou te verdrijven, worden in Essene geïmproviseerde kacheltjes aangestoken en in Zalfen een Sint-Antoniusvuur. De bewering dat het Sint-Antoniusvuur in Salphen dient "om de januarikou te verdrijven”, toont wel aan hoe beperkt de blik van de auteur is, in tijd en ruimte. Blijkbaar weet hij niet dat in de Mediterrane landen grote vuren ter gelegenheid van de viering van Antonius ontstoken worden. Zo ook is het Sint-Antoniusvuur in Salphen een magisch vuur, een vuur voor offerandes, een oeroud Joelvuur, een vreugdevuur. (Zie ook elders op mijn site.)
En de kolencomfoors in Essene, hoewel inderdaad geen 'heilig' vuur, worden als "geïmproviseerde kacheltjes" ook niet correct omschreven.
De auteur noemt niet de verbranding van Sint Tunnis in de gedaante van een strooien pop in Broekhuizenvorst, wat toch ook wel heel interessant mag heten, en wat een bijzonder licht werpt op het gebruik van Antoniusvuren!
In heel wat plaatsen wordt de verkoop gevolgd door een gezamenlijke maaltijd, aangeduid als 'Breugelmaaltijd', 'Sint-Antoniusmaal', 'Boerenmaaltijd' of 'Zwijntjeskermis', en [die is] samengesteld uit als traditioneel beschouwde gerechten, zoals marmiet, erwtensoep, boerenkool, spek, worst, konijn, mosselen, haring, pannekoeken en rijstepap. De gemeenschapsmaaltijd die vroeger natuurlijk volgde op het offeren (slachten) van het gemeenschapsvarken.
In een enkele plaats, namelijk Zerkegem, wordt nog een varken verloot.

Folklorisering en locale identiteit
Van een groot aantal plaatsen weten we dat het offeren en verkopen van varkenskoppen er een betrekkelijk jong of recentelijk heringevoerd ritueel is. Zoals ik al eerde aantoonde, is het een oeroud ritueel, en zelfs op je klompen kun je aanvoelen dat een dergelijk ritueel in zo’n ‘groot aantal plaatsen’ (en landen) gewoonweg niet ‘jong’ kan zijn. Dat het op een aantal plaatsen tijdelijk verdwenen is en dus weer ‘recentelijk heringevoerd’, dat is heel goed mogelijk.
In de Nederlandse dorpen Ayen en Altweert bestaat het (opnieuw) sinds 1951. In de eerstgenoemde plaats zou het in de negentiende eeuw al bestaan hebben, maar in de jaren twintig van onze eeuw weer in onbruik zijn geraakt.(28) Van Groeningen en Maashees kennen we het jaar van (her-)invoering niet, maar alles wijst erop dat ook daar het gebruik niet oud is.(29) Voor Vlaanderen weten we dat het is (her-)ingevoerd in Ranst-Millegem in 1970, in Zalfen in 1972, in Lille in 1977, in Nederhasselt in 1978, in Bel in 1979, in Herdersem in 1986 en in Zarlardinge in 1988. In Herdersem worden wel al sinds 1964 op de zondag pensen tussen de bij het gemeentehuis verzamelde menigte geworpen en in Zarlardinge sinds 1977 worsten (de zogenaamde 'trippenworp').
De (her-)invoering van het ritueel lijkt alles te maken te hebben met de opkomst van publieke feesten die het besef van locale eigenheid moeten uitdrukken en versterken.(30) Deze openbare vieringen van het plaatselijke identiteitsbesef zijn een gevolg en een uitingsvorm van het proces van folklorisering, dat wil zeggen van het proces waarin bijna verdwenen elementen van een al dan niet vermeende vroegere volkscultuur worden heropgenomen en op demonstratieve wijze worden opgevoerd. [p.55] Het is geënsceneerde volkscultuur, vertoning, schouwspel, bedoeld om een groot publiek te vermaken.(31) De viering van Antonius is toch meer dan alleen het ritueel rond de varkenskoppen: het is vooral ook een plechtige mis, een eucharistieviering die erop gericht is dank te zeggen aan de heilige die ziekten voorkomt en geneest. Uit de getuigenisboeken in kerken en kapellen blijkt dat veel gelovigen de H.Antonius zo benaderen.
Tijdens de recente uitbraak van varkenspest in Noord-Brabant, was er opeens een enorme toename in de belangstelling voor Antonius en rituelen in kerken en kapellen.
Zoals uit mijn kanttekeningen duidelijk is geworden, is zelfs het vertoon rond de varkenskoppen meer dan alleen maar folklore, meer dan alleen maar vermaak voor een groot publiek. Opvallend is bovendien dat er niet echt ‘publiek’ is; het zijn vrijwel allemaal deelnemers. Er is natuurlijk veel plezier, maar ook een soort piëteit: de gemeenschappelijk offerande aan de heilige, het besef, hoe vaag en verdrongen nu ook, van het wonder. Voor ‘vieringen’ van het ‘plaatselijke identiteitsbesef’ (een wat vreemde formulering, maar allez), zijn er nog wel heel wat andere mogelijkheden, zoals bijvoorbeeld carnaval. Daarvoor hoeft de viering van Antonius dus niet '(her-)ingevoerd' te worden.
Met het ritueel rond de varkenskoppen verbinden zich dan ook vaak andere vormen van folkloristische vertoning. In Zarlardinge gaat het gepaard met een stoet met ondermeer reuzenpoppen, evenals in Herdersem, waar het tot een vierdaags festijn is uitgegroeid, met ondermeer een antiekbeurs en toneelspel, en in Turnhout-Oosthoven. In laatstgenoemde plaats is in 1981 het 'Antoniuswater', een likeur op basis van bessen, ingevoerd.(32) In Ayen wordt de 'köpkesmert' opgenomen in de feestelijke voorbereidingen voor carnaval, met ondermeer een schuttersbal en een carnavalszitting. In Zalfen en Bel worden volksdansen vertoond, in Olmen worden ambachten verbeeld en in Zerkegem vindt een kwis over dialectwoorden plaats. Dat kan allemaal wel waar zijn, maar deze folkloristische franjes hoeven geen afbreuk te doen aan de kern van de zaak, t.w. de viering van Antonius, de offerande van de varkenskoppen, de zegening van dieren.
De tendens van het hele artikel is eigenlijk dat de auteur naar zijn stokpaardje toe schrijft, namelijk de “Folklorisering van het onalledaagse”, de titel van zijn net daarvoor verschenen boek (zie noot 31).
In verschillende plaatsen ten slotte worden paarden en/of huisdieren gezegend, iets wat, zonder het ritueel van de varkenskoppen, op het feest van Antonius abt tot voor kort bijvoorbeeld ook in het Noordbrabantse Esch gebeurde. (afb. 36) Dat gebeurt zowel tijdens de dag(en) van Antonius als ook in de zomer, zoals in de afbeelding waarnaar de auteur verwijst. Hij heeft dat blijkbaar niet in de gaten, want hij meent als bijzonderheid te kunnen constateren dat het in Esch ‘zonder het ritueel van de varkenskoppen’ gebeurde. In de zomer wordt natuurlijk niet geslacht of geofferd voor Antonius!
In al deze gevallen is het Antoniusritueel uitgegroeid tot een dorpsfeest, dat een gevoel van gemeenschap, van communitas, moet verbeelden en herkenbaar moet maken.
Met de Egyptische kluizenaar uit de derde en vierde eeuw heeft die viering van locaal identiteitsbesef nauwelijks of niets meer te maken. In de eenzaamheid van de woestijn had Antonius weinig communitas te vieren, en varkens zal hij daar ook niet vaak zijn tegengekomen. Dit zijn wat flauwe, enigszins denigrerende opmerkingen.
Dat varkens en varkenskoppen met de Egyptische kluizenaar niets te maken hebben is nogal evident; daar hoeft de auteur niet op terug te komen.
Overigens was het in ‘de eenzaamheid van de woestijn’ niet zo eenzaam. Zoals uit de Vita blijkt, had Antonius een aantal leerlingen en behoorlijk veel aanloop. Hij had het zo druk met deze communitas dat hij zich vaak 'verder in de berg' moest terugtrekken.
Het was voor Antonius zelfs niet zo woestijnachtig, want hij verbleef voor het grootste deel van zijn lange leven in een prachtige oase. Maar dit terzijde.

Ter afsluiting, wil ik stellen dat het artikel van Nissen, zoals gezegd, wel een paar nuttige feitjes en feiten bevat, maar dat het niet echt heeft bijgedragen tot een beter begrip van Antonius en zijn relatie tot het varken.

[Noten van Nissen]
1. G. Korte, Antonius der Einsiedler in Kult, Kunst und Brauchtum Westfalens (Werl 1952).
2. 2 F. Caraffa, A. Rigoli en M.C. Bosi, 'Antonio abate', Bibliotheca Sanctorum 2 (Roma 1962) 106-136: E. Sauser, 'Antonius Abbas', Lexikon der christlichen lkonographie 5 (Rom-Freiburg-Basel-Wien 1973) 205-217, met name 209.

3. J. Molanus, De historia ss. imaginum el picturarum pro vera carum usu contra abusus (Leuven 1594) 113verso.

4. Bijvoorbeeld K.C. Peeters, Eigen aard. Grepen uit de Vlaamse folklore (Antwerpen 1946) 271, en J. Frère, Volkskunde in Limburg (Gent 1992) 176.

5. S. Braunfels, 'Schwein', Lexikon der christlichen Ikonographie 4 (Rom-Freiburg-Basel-Wien 1972) 134-136; W. Schouwink, Der wilde Eber in Gottes Weinberg. Zur Darstellung des Schweins in Literatur und Kunst des Mittelalters (Sigmaringen 1985) passim, ondermeer 60-63 en 93-96.

6. G. Bartelink, 'Benamingen en verschijningsvormen van duivel en demonen in oudchristelijke geschriften', in: G. Rooijakkers, L. Dresen-Coenders en M. Geerdes (red.), Duivelsbeelden. Een cultuurhistorische speurtocht door de Lage Landen, Baarn 1994, 54-67, met name 59 en 62.

7. Schouwink, Der wilde Eber, 108 en afbeelding 33.

8. P. Noordeloos, 'La translation de St. Antoine en Dauphiné', in: Analecta Bollandiana 60 (1942) 68-81

9. H. Chaumartin, Le mal des ardents et le feu saint-Antoine (Vienne 1946); V.H. Bauer, Das Antonius-Feuer in Kunst und Medizin (Berlin-New York 1973).

10. A. Mischlewski, Grundzüge der Geschichte des Antoniterordens bis zum Ausgang des 15. Jahrhunderts, unter besonderer Berücksichtigung von Leben und Wirken des Petrus Mitte de Caprariis (Köln-Wien 1976) (Bonner Beiträge zur Kirchengeschichte, 8). Zie ook I. Ruffino, 'Canonici Regolari di Sant'Agostino di Sant'Antonio. di Vienne', in: Dizionario degli Instituti di Perfezione 2 (Roma 197;) 134-141

11. P. Noordeloos, 'Een bijdrage tot de geschiedenis van de Commanderie van S. Antonius te Maastricht', in: Publications de la Société Historique et Archéologique dans le Limbourg 92-93 (1956-1957) 153-254.

12. Over de stedelijke broederschappen van Sint-Antonius, zie P. Noordeloos, 'Antoniana', Archief voor de geschiedenis van de katholieke kerk in Nederland, (1959) 27-107, met name 60-69.

13. P. Noordeloos, Het varken van S. Antonius (ongepubliceerd typoscript; exemplaar in Museum voor Religieuze Kunst te Uden) 16 en 18-19. Vgl. ook B.H.D. Hermesdorf, Rechtsspiegel. Een rechtshistorische terugblik in de Lage Landen van het herfsttij (Nijmegen '980) 76.

14. Noordeloos, Het varken van S. Antonius, 15. Vgl. Hermesdorf, Rechtsspiegel, 76.

15. Over de eerbied voor Antoniusvarkens als motief in volksverhalen, vgl. ook: S. Thompson, Motif-Index of Folk-Literature I (Copenhagen 1955) 410: B256.2
16. Hermesdorf, Rechtsspiegel, 76.

17. H. Bächtold-Stäubli (Hrsg.), Handwörterbuch des deutschen Aberglaubens, (Berlin-Leipzig 1927) 505; Schouwink, Der wilde Eber, 108.

18. W. Giraldo, 'Sanctus Antonius abbas redivivus. Een bijdrage tot de Gegenwartsvolkskunde', in: Liber amicorum, Prof. Dr. Jozef van Haver aangeboden naar aanleiding van zijn vijfenzestigste verjaardag (Brussel 1991) 153-163.

19. Een verzameling krantenberichten uit vooral de jaren vijftig stond mij ter beschikking uit de nalatenschap van Pieter Noordeloos (1887-1962), de gewezen gemeentesecretaris van Grootebroek, die enkele decennia lang onderzoek deed naar Antonius en de Antonianen. Zie over hem J.L.M. de Lepper, 'Noordeloos herdacht', in: Archief voor de geschiedenis van de katholieke kerk in Nederland 5 (1963) 1-4. Daarnaast beschik ik zelf over een verzameling krantenknipsels vanaf de jaren zeventig.

20. Het Huisgezin, '3 januari '1951.

21. M.J.H.A. Schrijnemakers, De jaarkring in het oude Geleen (Geleen 1981) 12.

22. Het Huisgezin, 13 januari '1951: van Nieuw-Borgvliet is een foto opgenomen in D.J. van der Ven, Ons eigen volk in het feestelijk jaar (Kampen z.j.) tegenover 33.

23. Van Dortmond, 'Antonius Abt en 'n volksspel', Eigen Volk 5 (1933) 192.

24. Het lijkt nogal gewaagd om op grond van een enkele rekeningpost uit 1591 voor de verkoop van een varkenskop te concluderen dat het ritueel in Turnhout-Oosthoven al ruim vier eeuwen oud is. Zie W. van Hout, 100 jaar Sint-Antoniusparochie Oosthoven (Turnhout 1988) 121.

25. Giraldo, op.cit., 158.

26. Antoniana nr. 33 (1990) 591.

27. J. Jobse-van Putten, 'De voeding in de agrarische samenleving van Noord-Brabant en het noorden van Limburg', in: Ch. de Mooij en R. van de Weijer (red.), Rijke oogst van schrale grond. Een overzicht van de Zuidnederlandse materiële volkscultuur ca. 1700-1900 (Zwolle 1991) 69-89, met name 70-72 en 77. Vgl. B. van Dam, Oud-Brabants dorpsleven. Wonen en werken op hel Brabantse platteland (Oisterwijk 1972) 61

28. Dagblad voor Noord-Limburg, 20 januari 1980.

29. J.N. Leget, Groeningen en het gilde van St. Anthonis en St. Nicolaas (Groeningen 1976) 40; vgl. de foto's in G. Verhoeven, Vierlingsbeek-Groeningen, 1. Kerk en onderwijs (Boxmeer 1984), ongepagineerd.

30. J. Boissevain, 'Nieuwe feesten: ritueel, spel en identiteit', in: idem (red.), Feestelijke vernieuwing in Nederland? (Amsterdam 1991) (Cahiers van het P.J. Meertens-Instituut,

31. P. Nissen, De folklorisering van het onalledaagse (Tilburg 1994).

32. Van Hout, 100 jaar Sint-Antoniusparochie Oosthoven, 133-136.

contact: dolfhart@ziggo.nl