Vita Antonii Abba's Iconografie Vuur Antonianen Kunsten Cultus Folklore Plant Dier Literatuur Paulus Hilarion Maria Simeon Adolphus
Nederlands Frans Italiaans Spaans Portugees Koptisch Duits Orthodox Engels Amerikaans Aziatisch
De Woestijnvaders van P.W. van der Horst
is een slecht boek
Terug naar de boekbespreking.

Horst, P.W. van der. De Woestijnvaders. Amsterdam, 1998.

Levensverhalen van kluizenaars uit het vroege christendom

Kritiek en correctie op de vertaling van teksten door vdH.

Door Dolf Hartsuiker.

Voor de vergelijking van HET LEVEN VAN ANTONIUS maak ik hier gebruik van de Engelse versie, Athanasius: Select Works and Letters. Volume IV of NICENE AND POST-NICENE FATHERS, Series II, Philip Schaff and Henry Wace, editors. http://www.fordham.edu/halsall/basis/vita-antony.html

Er is nog een site met identieke tekst: http://www.newadvent.org/fathers/2811.htm

En van fragmenten voorzover die op het internet aanwezig waren van Hunink,en Vincent.

En Leven, getuigenissen, brieven van de Heilige Antonius Abt”, van Christofoor Wagenaar OCSO, Westmalle, 1981, aangegeven in roze/paars.

Voor de Bijbel citaten gebruik ik meestal de Willibrord vertaling.

[21] HET LEVEN VAN ANTONIUS

I

(1) Antonius was[, zoals u moet weten een] Egyptenaar van geboorte. Zijn ouders waren mensen van [een] goede [familie] afkomst die een aanzienlijk vermogen [bezaten] hadden vergaard. Omdat zij christenen waren, werd hij [in hetzelfde geloof] christelijk opgevoed. (2) Als kind groeide hij op bij zijn ouders en behalve hen en het huis kende hij niets en niemand anders. Maar toen hij [gegroeid was en de jongensjaren bereikte, en] ouder werd en opgroeide tot een jongen, [kon] weigerde hij [het niet verdragen om te leren lezen] schoolonderricht omdat hij [niets gaf om het gezelschap van] contact met andere [jongens] kinderen wilde vermijden. (3) Zijn enige verlangen was om, zoals [het over Jakobus] geschreven staat, [iets weggelaten wat naar de Bijbel verwijst, dus dit was onduidelijk, vdH.] [als] eenvoudig [man] in zijn huis te wonen. [Hij] Wel ging hij [gewoonlijk] met zijn ouders mee naar de kerk. Als kind was hij [niet lui] geen losbol, [heel wat anders, vdH.] en ook toen hij iets ouder was geworden, minachtte hij zijn ouders niet maar gehoorzaamde [zowel zijn vader als zijn moeder] hen. Hij was oplettend bij [wat gelezen werd] de schriftlezingen en [onthield] bewaarde wat hij daarin aan nuttigs voor zichzelf vond in zijn innerlijk. [‘bewaarde... in zijn innerlijk’, dat is toch nauwelijks Nederlands, vdH.]  (4) Als kind leefde hij in redelijke [welvaart] overvloed, maar toch viel hij zijn ouders niet lastig met vragen om allerlei luxe voedsel, want [dit was voor hem geen bron van] hij was niet op zoek naar het genot dat daarin gelegen is. Hij was [gewoon] geheel tevreden met wat hij kreeg en verlangde verder niets.

 

II

(1) Na de dood van zijn [vader en moeder] ouders bleef hij alleen achter met één heel jong zusje. Hij was zo'n achttien of misschien twintig jaar toen hij de zorg voor het huishouden en zijn zusje op zich nam. (2) Er waren nog geen zes maanden voorbijgegaan sinds de dood van zijn ouders toen hij eens zoals gewoonlijk naar de kerk ging en bij zichzelf nadacht over al deze dingen: hoe de apostelen [, hoe deze] alles achterlieten en de Heiland volgden, [Mt 4,20 [1] ] hoe anderen (in het boek Handelingen 4,35 [2] ) hun bezittingen verkochten en de opbrengst daarvan aan de voeten van de apostelen legden, zodat die kon worden verdeeld onder de behoeftigen, en wat voor groots hen in de hemel te wachten stond. [(vgl. Kol. 1,5 [3] )] (3) Terwijl hij daarover [peinsde] nadacht, ging hij de kerk binnen, en het kwam zo uit dat daar toen uit het Evangelie voorgelezen werd en hij hoorde hoe de Heer tot de rijke man zei: 'Als je [onverdeeld goed] volmaakt wil zijn, ga dan heen, verkoop al je bezittingen, en geef (de opbrengst) aan de armen. Kom dan hier en volg mij, en je zult een schat in de hemel hebben.' [Mt. 19,21 [4] ] (4) Alsof God zelf hem deze [22] gedachten aan de heiligen ingegeven had en deze [passage] schriftlezing er juist omwille van hem [gelezen werd] geweest was, ging Antonius onmiddellijk de kerk uit en schonk de bezittingen van zijn voorouders (dat waren meer dan acht hectare zeer goed en vruchtbaar bouwland) aan zijn dorpsgenoten, zodat [deze (bezittingen) voor hem] hij en zijn zus [geen blok aan het been meer zouden zijn.] door hen in het geheel niet meer lastiggevallen zouden worden. [Dat is toch heel wat anders, vdH.] (5) De roerende goederen die zij bezaten verkocht hij ook allemaal en [de] toen hij daarmee een aanzienlijke hoeveelheid geld [die hij] had vergaard, verdeelde hij dat onder de armen, maar hij hield wel wat achter ten behoeve van zijn zusje.

 

III

(1) Toen hij weer eens de kerk binnenging, hoorde hij dat de Heer in het Evangelie zegt: 'Maak je geen zorgen voor de dag van morgen.' [Mt. 6,34 [5] ] [, kon] Toen bracht hij het niet meer op nog langer te blijven, [maar] ging naar buiten, en [gaf] verdeelde ook [die dingen aan de armen.] dat onder de minderbedeelden. Zijn zusje vertrouwde hij toe aan [bekende en betrouwbare] enkele gelovige maagden[, en deed haar in een nonnenklooster om] die hij kende met de bedoeling haar [daar] tot een leven als maagd te laten opvoeden. Zelf wijdde hij zich voortaan [buitenshuis] aan de ascese in plaats van aan zijn huis, waarbij hij [op zichzelf lettend,] zich [met geduld trainde.] onderwierp aan een strikte discipline. (2) Er waren toen in Egypte nog niet zo veel [kloosters] kluizenaarscellen en geen [enkele] monnik [kende het hartje van de] wist er nog iets van de verre woestijn. [Allen] Ieder die aan zichzelf aandacht wilde[n] besteden oefende[n]  zich [vlakbij hun] niet ver van zijn eigen dorp in afzondering in de ascese. [De vraag is of deze eenzame asceten Christenen waren. Antonius was in ieder geval dus niet de eerste asceet, misschien wel de eerste Christen asceet, of misschien, volgens Athanasius dan, de eerste Christen asceet in de woestijn.]

(3) Welnu, in [het volgende] een nabijgelegen dorp woonde een oude man die zich van jongs af aan [als kluizenaar] had [geleefd] getraind in het leven in eenzaamheid. [Maar was deze man, de Guru van Antonius, een Christen?] [Nadat] Antonius [deze man gezien had] ontmoette hem en begon [hij] met hem [in zijn vroomheid] te [imiteren] wedijveren in het goede. (4) Aanvankelijk [hield] trok hij zich [op] terug in [plaatsen buiten] de omgeving van zijn dorp. Maar daarna, zodra hij hoorde dat er ergens een [goede man] ijveraar voor het geloof was, zocht hij [hem] die man op, zoals [de verstandige] een wijze bij [dat] doet. Hij keerde dan niet eerder terug naar zijn eigen plek voordat hij die man gezien had en van hem [als het ware] proviand voor [zijn] de reis [op de weg van] naar de deugd had gekregen. [Maar waren deze Guru’s Christenen?] (5) Op die plek verbleef hij dus aanvankelijk om [sterker te worden in] zijn [voornemen] geest in evenwicht te brengen, want hij had de bedoeling niet meer naar de [woonplaats] eigendommen van zijn ouders terug te keren en ook de herinnering aan zijn verwanten uit te bannen, maar heel zijn verlangen en al zijn energie te richten op [het verbeteren van] zijn inzet voor de ascese. (6) Hij werkte [echter] met zijn handen, want hij had gehoord: 'Wie niet [wil werken] werkt [zal] mag ook niet eten.' [2 Tess. 3,10 [6] ] Een deel van de opbrengst besteedde [23] hij aan brood, de rest gaf hij aan de behoeftigen. Hij bad onophoudelijk, omdat hij [wist] had geleerd dat men in [stilte] afzondering zonder onderbreking moet bidden. [ [7] ] (7) Hij was zo oplettend bij [wat er gelezen werd] de schriftlezing dat hij niets van de geschreven woorden ter aarde liet vallen maar alles onthield, waardoor zijn geheugen [daarna] de plaats van boeken innam.

 

IV

(1) Omdat hij zich zo gedroeg, was Antonius bij alle mensen geliefd. Zelf onderwierp hij zich oprecht aan de geloofsijveraars [‘geloofsijveraars’ impliceert Christenen, terwijl ‘goede mannen’ de mogelijkheid openlaat dat het een andere sekte betreft, zoals bijvoorbeeld de Essenen, die zo genoemd werden.] die hij bezocht, en hij [bemerkte waar elk hem voorbijstreefde] liet zich onderrichten in de ijver en de ascese waarin ieder van hen uitblonk. [Heel wat anders, vdH.] Hij zag bij de een beminnelijkheid, bij de ander [de onophoudelijkheid van] concentratie in het gebed. Hij observeerde bij de een [de afwezigheid van woede] het ontbreken van opvliegendheid, bij de ander menslievendheid. Hij lette bij de een [terwijl hij waakte] op diens nachtwaken, bij de ander [terwijl hij studeerde.] op de liefde voor de studie (van de Bijbel). [Waarom de Bijbel? In het Engels staat dat in ieder geval er niet bij.] Hij bewonderde de een om diens volharding, de ander om zijn vasten en slapen op de kale grond. Hij constateerde bij de een zachtmoedigheid, bij de ander [lankmoedigheid] grootmoedigheid. Hij [be]merkte bij allen in gelijke mate de vroomheid jegens Christus en de liefde jegens elkaar [die allen bezielden].

(2) Daarvan vervuld keerde hij dan terug naar zijn eigen plek waar hij zich aan de ascese wijdde. Daarna beijverde hij zich ervoor om [de eigenschappen die] wat hij bij elk van hen gezien had in zichzelf te verenigen en [verlangde ernaar bij zichzelf de deugden van allen] het allemaal zichtbaar te maken. (3) Hij was jegens zijn leeftijdsgenoten niet afgunstig, op één punt na: hij moest niet hun mindere lijken als het ging om [de hogere dingen] morele superioriteit. En hij [deed het zo] bracht dat op zo'n manier in de praktijk dat hij er niemand verdriet mee deed, maar dat de anderen zich zelfs over hem verheugden. (4) Alle mensen uit zijn dorp en de [goede mannen] liefhebbers van het goede met wie hij [intiem omging] regelmatig contact had, noemden hem, als ze hem zo bezig zagen [dat hij zo’n soort man was], [de door God geliefde] 'Theofilus, en sommigen groetten hem als hun zoon, anderen als hun broer.

 

V

(1) De hater van het goede, de afgunstige duivel, kon het niet verdragen zo'n [vastberadenheid] streven bij een jonge man aan te zien, en [alles wat] de dingen die hij gewoonlijk [tegen anderen] deed, trachtte hij nu ook tegen hem ten uitvoer te brengen. (2) Hij probeerde hem allereerst van de ascese af te brengen door hem [de herinnering aan zijn rijkdom in te fluisteren] terug te laten denken aan zijn bezittingen, de zorg voor zijn zus, [24] de [aanspraken van] band met zijn familie, geldzucht, eerzucht, de [diverse] genietingen van [het eten] gevarieerde maaltijden, [de] andere geneugten des levens, en ten slotte de [moeilijkheid van de deugd] harde weg naar de deugdzaamheid en [de inspanning die dat kost] de grote inspanningen die daarvoor vereist zijn. Hij gaf hem ook te denken over de zwakheid van [het] zijn lichaam en de lange duur van het leven. (3) En zo wierp de duivel een hele stofwolk van gedachten op in Antonius' geest, omdat hij hem van zijn [vastberaden doel] juiste keuze wilde [beletten] afbrengen.

Maar toen de Vijand zag dat hij [te] zwak [was voor de vastberadenheid] stond tegenover het besluit van Antonius en dat hij eerder zelf het onderspit zou delven vanwege diens standvastigheid, [vertrouwde] zette hij, afgeslagen door het geloof en bezwijkend onder de aanhoudende gebeden van Antonius, vol zelfvertrouwen al zijn kaarten [uiteindelijk] op de wapens [‘die in de navel van zijn buik’ [Job 40,11: maar niet zo duidelijk] zijn, en waar hij zich ook op beroemde.] van de buik. [Slecht vertaald, vdH, terwijl er ook nog een citaat in zit, en nog een stukje weggelaten.] Dat [is] zijn namelijk altijd zijn eerste [valstrik voor] hinderlagen waarin hij jonge mensen probeert te lokken. Hij viel de jonge man aan door hem 's nachts met lawaai te [verstoren] belagen en overdag zo lastig te vallen [zo]dat [toeschouwers] degenen die hem zagen de strijd opmerkten die er tussen [hen] beide partijen plaatsvond. (4) [De een kwam met onreine] Hij fluisterde hem vuile gedachten in, [en de ander bestreed] maar Antonius verdreef die met zijn gebeden. [De een] Hij probeerde hem [met begeerte in vlam te zetten] op te winden, de ander, als iemand die leek te blozen, beschermde zijn lichaam met] maar zodra Antonius dacht dat hij zich zou schamen, verschanste hij zijn lichaam achter geloof[, gebeden] en vasten.

 

(5) [En de] De ellendige duivel[, ongelukkig schepsel,] bestond het zelfs op een nacht in de gestalte van een vrouw [aan te nemen] te verschijnen en al haar [gedragingen] manieren na te bootsen, alleen om Antonius te verleiden. Maar hij[, zijn geest gevuld met] dacht aan Christus en de geestelijke adel van de ziel die [Hij inspireert,] wij aan hem danken, en zo doofde hij de gloeiende kolen van [het bedrog van de ander] die verleiding. (6) Nog eens hield de vijand hem [het gemak] de zoetheid van het genot voor, maar hij [als een man vervuld van woede en verdriet, richtte zijn gedachten op] stelde zich tegelijkertijd boos en verdrietig de dreiging van [het] [(helle)]vuur en [het knagen van] de kwelling door de worm [en door] voor ogen. Door daar deze [in stelling te zetten] dingen tegenover [zijn tegenstander] te stellen, doorstond hij [de verleiding] alles ongedeerd. [Dat was weer eens onjuist en onduidelijk, vdH.]

Dit alles strekte alleen maar tot schande van [zijn] de vijand. (7) Want hij die had gedacht gelijk te zijn aan God [(Gen. 3,5 [8] )] werd nu door een [jongeman bespot] jongen voor gek gezet. Hij die zich erop beroemde [boven] vlees en bloed te [staan] overwinnen werd nu zelf door een mens van vlees en bloed [op de vlucht gejaagd] afgeslagen. De Heer werkte namelijk [voor Antonius] mee aan zijn zijde, Hij die voor ons vlees heeft aangenomen en daarmee het lichaam de overwinning op de duivel heeft gegeven. Daarom kan ieder die de strijd [oprecht] zo voert, zeggen: 'Niet ik, maar de genade van God die met mij is.' [25] [(1 Kor 15,10] [9]

 

VI

(1) Ten slotte, toen de draak ook [zelfs op die manier] met dit middel niet in staat bleek Antonius eronder te krijgen, maar veeleer moest [toezien hoe] constateren dat hijzelf uit diens hart werd gestoten, [knarsetandend] knarste hij met zijn tanden (zoals het ook [geschreven] in de Schrift staat [Ps 112,10 [10] en Marc.8,18 [11] ]). Hij was [en] als het ware buiten zichzelf en zoals hij geestelijk is, zo [verscheen hij] manifesteerde [aan Antonius als] hij zich nadien ook aan hem in de gedaante van een zwart [jongetje] kind [Een EthiopiĎr] [, een zichtbare vorm aannemend die overeenkwam met de kleur van zijn geest]. [Weer slecht vertaald, vdH.] En [hij kroop zogenaamd voor hem en] alsof hij zich onderwierp, [bestookte] viel hij hem nu niet langer aan met gedachten[,] (want [hoe arglistig hij ook was, hij] de boosaardige was [verslagen] uitgeworpen), maar hij [sprak tenslotte met] bediende zich nu van een menselijke stem en zei: 'Ik heb vele[n] mensen [misleid] op een dwaalspoor gebracht en de meeste van hen eronder gekregen, [velen neer geworpen,] maar nu, nu ik tegen jou en jouw inspanningen [net zo aanval] dezelfde wapens gebruik als [de] tegen anderen, blijk ik te zwak.'

(2) Toen vroeg Antonius hem: 'Wie ben jij die daar zulke dingen tegen mij zegt?'

[Hij antwoordde met] Onmiddellijk liet hij klaaglijke [stem] klanken horen: 'Ik ben een vriend van de ontucht. Ik heb het op mij genomen om jongeren [die kant op] in haar hinderlagen te lokken en hen zo op te winden. Ik [wordt] heet dan ook de [“]geest van de ontucht[“] [genoemd]. Hoe velen die [kuis] in zelfbeheersing wilden leven heb ik wel niet op een dwaalspoor gebracht! Hoe velen die [sober wilden] beweerden zo te leven heb ik [wel niet misleid, hoe velen die kuis waren zijn door mij wel niet] op andere gedachten gebracht door [mijn aansporingen] hen op te winden! [Weer slecht vertaald, (3) [Ik ben degene die de profeet bedoelt met zijn verwijt aan mensen die gevallen zijn: " [De geest van ontucht heeft hen misleid] U bent de weg kwijtgeraakt door de geest van ontucht!" (Hos 4,12). [12] ] Ik ben degene om wie de profeet hun die zijn gevallen verwijten maakt, als hij zegt: "Door een geest van ontucht zijn jullie van het rechte pad geraakt!" Want het was door mijn toedoen dat ze beentje zijn gelicht. Ik ben degene die jou zo vaak heeft lastiggevallen maar even vaak door jou is afgeslagen.'

(4) Antonius dankte de Heer en [en zei dapper tegen hem] stelde zich hard op jegens de demon: 'Je bent werkelijk een heel verachtelijk wezen, want je bent zwart van geest en zwak als een kind.  [Voortaan heb ik geen last meer van jou.] Ik maak me voortaan geen enkele zorgen meer over jou. "Want de Heer is mijn helper[,] en ik [kan [lachen om] neerzien] zal op mijn vijanden neerzien.'" [(Psalm 117,7 staat bij Hunink, maar in feite is het 118,7 [13] )] (5) Toen de zwarte dat hoorde, sloeg hij direct op de vlucht, [huiverend bij] want hij vreesde deze woorden en [durfde niet langer] was zelfs bang in de buurt van die man te komen.

VII

(1) Dat was [de eerste zege die] het eerste gevecht van Antonius [op] met de duivel.[behaalde, of liever, dit was het werk van de Verlosser] was Het succes van Antonius was echter te danken aan de Heiland die in hem woonde, aan hem[,] 'Die de zonde veroordeeld heeft in het vlees opdat de rechtvaardige eis van de Wet zou worden vervuld in ons die niet naar het [26] vlees maar naar de Geest leven. [Rom 8,4 [14] [Niet exact: “Zo moest de eis van de wet vervuld worden door ons die geen zondig leven meer leiden, maar leven volgens de Geest.”] (2) Maar toch werd Antonius [in het vervolg] niet zorgeloos en [minachtte hij hem niet] beeldde hij zich niets in, [iets heel anders, vdH.] ook al [was] leek het erop dat de [Boze] demon [gevallen] zich onderworpen had. En ook de vijand, hoewel schijnbaar verslagen, hield niet op hinderlagen te leggen, want hij liep weer rond als een leeuw, op zoek naar een gelegenheid hem aan te vallen. [1 Petr. 5,8 [15] ] (3) Antonius, die uit de Schrift wist dat de [listen] methoden van de vijand talrijk zijn, [Ef. 6,11 [16] ] beoefende [ijverig] geconcentreerd de ascese en was erop bedacht dat, ook al had hij (de duivel) niet de kracht gehad om zijn hart door middel van lichamelijk genot te misleiden, hij zeker zou proberen om hem met een andere methode in een hinderlaag te lokken. Want de demon [houdt van] is een vriend van de zonde.

 

( 4) Meer en meer [beteugelde] kastijdde hij zijn lichaam en [hield het onderworpen aan strenge tucht] [1 Kor. 9,27 [17] ] onderwierp het aan dienstbaarheid [‘dienstbaarheid’? Staat ook bij Wagenaar; uit de Staten bijbel] [voor het geval hij bij toeval aan de ene kant gewonnen zou hebben, hij aan de andere kant neergetrokken zou worden.] om te voorkomen dat hij na een overwinning op het ene front een nederlaag zou lijden op een ander front. Zo besloot hij zich een strengere levenswijze aan te wennen. (5) Velen [waren verwonderd] bewonderden hem, [wat toch heel wat anders is] maar hijzelf verdroeg de inspanning gemakkelijk. Want [de geestdrift] het verlangen van de ziel, [die] dat er al zo lang [in hem huisde] geweest was, had [een] de juiste geesteshouding in hem bewerkstelligd. Zelfs [zodat hij na slechts] een kleine [inwijding van] aanleiding die hem door anderen [gekregen te hebben] aangereikt werd, was voor hem voldoende om heel zijn [hij daarin een] grote inzet [betoonde] te demonstreren. [Dat is toch weer heel wat anders, vdH!]

(6) Zijn nachtwaken ging zo ver dat hij dikwijls de gehele nacht slapeloos doorbracht. En omdat hij dat niet één keer maar heel vaak deed, [tot de verwondering van velen] wekte hij bewondering. Hij at maar één keer per dag, alleen na zonsondergang, [soms één keer in de] maar het gebeurde ook wel dat hij twee [dagen], en dikwijls zelfs [in de] vier dagen niets at. [Dat is toch wat anders, vdH!] [Philo [18] ] Zijn voedsel bestond uit brood en zout, zijn drank alleen uit water. (7) Dat er van vlees en wijn geen sprake was, hoef ik niet eens te zeggen; immers, ook bij de andere geloofsijveraars zou men zoiets niet aantreffen. Een [biezen] mat je [diende] voldeed voor hem om op te slapen, maar [meestal lag] heel vaak sliep hij ook gewoon op de [kale] grond. (8) Hij wees het zich insmeren met olie af, want het past jonge mannen beter zich met inzet aan de ascese te wijden [en zich niet bezig te houden met] dan te zoeken naar dingen die het lichaam [verwekelijken] soepel houden, zei hij. [Dat is toch weer heel wat anders, vdH!] Ze [moesten het] konden er beter naar streven het lichaam te laten wennen aan inspanningen, indachtig het woord van de apostel, 'Als ik zwak ben, dan ben ik sterk.’ [2 Kor. 12,10 [19] ] (9) [‘Want,’ zei hij, ‘de geestkracht] Hij placht te zeggen dat het geestelijke deel van de ziel [neemt toe naarmate] pas sterk wordt als de geneugten van het lichaam [verminderd] zwak worden. [Dat is toch weer zeer slecht vertaald, vdH! Deze en de voorgaande 5 §§!]

 

(10) Hij [was tot de] koesterde ook deze werkelijk wonderbaarlijke [conclusie gekomen, dat vooruitgang in] gedachte: men moet de weg naar de deugdzaamheid, en [de wereldverzaking voor dat doel] ook  [27] het kluizenaarsleven dat men leidt om die te bereiken, niet af[ge]meten [moet worden in] aan de tijdsduur maar [in] aan het verlangen en de vastbeslotenheid. (11) Zelf dacht hij [tenminste] nooit aan de voorbije tijd, maar [dag bij] alsof hij elke dag[, alsof hij aan het begin stond van zijn] opnieuw aan de ascese moest beginnen, vergrootte hij zijn inspanningen om vooruitgang te boeken, waarbij hij [vaak] voortdurend met [de uitspraak] een woord van Paulus [bij] tot zichzelf [herhaalde] zei: 'Vergetend wat achter mij ligt, strek ik mij uit naar wat voor mij ligt.' [Fil. 3,13] [20] (12) Ook hield hij zich deze [woorden] uitspraak van de profeet Elia voor: 'Zowaar de Heer leeft voor wie ik heden sta.' [1 Kon. 18,15 [21] ] Hij placht op te merken dat Elia met het woord 'heden' de voorbije tijd niet wilde meten, maar dat hij als iemand die altijd weer opnieuw begint, zich beijverde om zich dagelijks weer zo voor God te presenteren als men voor God verschijnen moet, namelijk rein van hart en bereid zijn wil te gehoorzamen en [alleen aan Hem] niets anders. (13) Hij hield zichzelf [altijd] voor: de asceet moet altijd [het leven] van de levenswandel van de grote Elia [bekijken, alsof hij zijn eigen] het leven leren dat hijzelf steevast moet leiden, als het ware [daarin gespiegeld ziet] kijkend in een spiegel.

 

VIII

(1) [Aldus] Antonius legde zichzelf [een strenger regime] zulke beperkingen op[leggend, vertrok] dat hij [naar] zich terugtrok in de grafkamers die ver bij zijn dorp vandaan lagen. (2) Hij droeg een van zijn vrienden op hem om de zo veel [dagen] tijd wat brood te brengen en ging een van de [grafkamers] graven binnen. Nadat de ander de deur achter hem gesloten had, bleef hij alleen binnen. De vijand kon dat niet verdragen en [was zelfs bang] uit angst dat hij [binnenkort] gaandeweg van de woestijn [met] een stad van [asceten] ascese zou [vullen] maken, [iets heel anders dus] [en kwam] viel hij hem op een nacht aan met een menigte demonen. Hij diende hem zo veel [zweep]slagen toe dat hij na de marteling zonder nog iets te kunnen zeggen [van de pijn] op de grond bleef liggen. (3) Hij verzekerde namelijk dat de [marteling] pijnen zo [buitensporig was] erg waren geweest dat [geen] het uitgesloten was dat die slagen door mensen toegediend waren, want die zouden nooit [hem ooit zo hadden] zo'n marteling kunnen zijn [pijnigen].

[Maar door] Door Gods [beschikking] voorzienigheid — want de Heer laat degenen die hun hoop op hem vestigen nooit in de steek — kwam zijn vriend [hem] de volgende dag al [de broden] brood brengen. Hij opende de deur en zag hem voor [dood] lijk op de grond liggen. Hij tilde hem op en bracht hem naar de kerk [in het] van zijn dorp waar hij hem op de grond legde. (4) Velen van zijn verwanten en de mensen uit het dorp gingen om Antonius heen zitten als om een dode. [28] Rond middernacht kwam Antonius bij zinnen en ging overeind zitten. Toen hij zag dat iedereen in slaap was gevallen en alleen zijn vriend nog wakker was, wenkte hij hem [met zijn hoofd om] naderbij te komen. Hij vroeg zijn vriend hem weer naar de grafkamers terug te dragen zonder iemand wakker te maken.

 

IX

(1) Hij werd dus door de man [gedragen] weer teruggebracht en[, zoals hij gewend was,] toen de deur gesloten was als voorheen, was hij binnen weer alleen. (2) Staan kon hij niet vanwege de slagen van de demonen, maar hij bad liggend op de grond. En na het gebed riep hij uit: 'Hier ben ik, Antonius, ik vlucht niet voor jullie [zweep]slagen! Want zelfs al geven jullie me er nog meer, "niets kan mij scheiden van de liefde van Christus".’[Rom. 8,35 [22] ] (3) Daarna zong hij de psalm 'Al stelt zich een leger op tegen mij, mijn hart zal niet vrezen.' [Ps. 27,3 [23] ]

(4) Deze dingen dacht en zei de asceet, en de vijand, die het goede haat, verbaasde zich erover dat hij zelfs na die slagen de moed had om terug te keren. Toen riep hij zijn [helle]honden bij elkaar en zei woedend tot hen: 'Jullie zien dat het ons niet gelukt is die man te stoppen met een geest van ontucht en met slagen, integendeel, hij [daagt] wordt zelfs brutaal tegen ons [zelfs uit]! We moeten hem op een andere manier aanpakken.'

Nu is het voor de duivel niet moeilijk kwade plannen te bedenken [om andere vormen aan te nemen]. [Dat is toch heel wat anders] (5) Toen het nacht was geworden, maakten de demonen zo'n ontzettend lawaai dat het wel leek of die hele plaats door een aardbeving werd getroffen. De demonen leken de vier muren van zijn vertrek te doorbreken en erdoor naar binnen te komen, waarbij ze het uiterlijk van wilde beesten en [kruipende dingen]  reptielen hadden aangenomen. (6) Direct was de hele plek vol van gestalten van leeuwen, beren, luipaarden, stieren, slangen, adders, schorpioenen en wolven, en elk daarvan bewoog zich op zijn eigen manier. (7) De leeuw brulde en wilde hem aanvallen, de stier leek hem op de horens te willen nemen, de slang kroop naar hem toe maar kon niet bij hem komen, de wolf stormde op hem af maar werd tegengehouden. De razernij van al deze verschijningen tegelijk en het lawaai van hun geluiden was zeer angstaanjagend.

(8) Antonius werd door hen geslagen en gestoken en daardoor kreeg zijn lichaam nog meer pijn te verduren. Maar [onvervaard] zonder te beven, en nog waakzamer [van] in zijn ziel, bleef hij liggen. Hij kreunde wel vanwege de pijn [van] aan zijn lichaam, maar [helder] nuchter van geest en alsof hij de spot met [29] hen dreef zei hij: (9) 'Als er enige kracht in jullie was geweest, dan was het genoeg geweest als er maar één van jullie was gekomen. Maar omdat de Heer jullie kracht gebroken heeft, proberen jullie me nu bang te maken door met z'n allen te komen. Het is echter een teken van jullie zwakheid dat jullie het uiterlijk van [wilde beesten] dieren aannemen.' (10) Hij [sprak met kracht] vatte opnieuw moed en zei: 'Als jullie het kunnen en [macht] gezag over mij hebben gekregen, [‘macht’ is wel iets ander dan ‘gezag’] aarzel dan niet maar val aan! Maar als jullie het niet kunnen, waarom vallen jullie me dan tevergeefs lastig? Want het geloof in onze Heer is voor ons een zegel en een muur ter bescherming.' [(vgl. Spr. 18,11 [24] )] (11) Na vele pogingen knarsten zij met hun tanden tegen hem [(Hand. 7,54 [25] )] want ze hadden niet hem maar zichzelf voor schut gezet.

 

X

(1) Ook op dat moment was de Heer de worsteling van Antonius niet vergeten maar schoot hem te hulp. Want toen hij omhoog keek, zag hij het dak als het ware opengaan en een lichtstraal naar hem neerdalen. (2) De demonen waren plotseling verdwenen, de pijn in zijn lichaam was onmiddellijk opgehouden en het [gebouw] huis was weer intact. Toen Antonius deze hulp bemerkte en weer beter kon ademhalen, omdat hij van zijn pijnen verlost was, vroeg hij aan het visioen dat hem verscheen: 'Waar was u? Waarom bent u niet direct bij het begin verschenen om mij het leed te besparen?' (3) Toen kwam er een stem tot hem: 'Ik was hier wel, Antonius, maar ik wachtte om jouw worsteling te kunnen zien. Omdat je nu stand hebt gehouden en geen nederlaag hebt geleden, zal ik voor altijd jouw helper zijn en jou overal beroemd maken.' (4) Toen hij dat hoorde, stond hij op en bad. En hij ontving zo veel kracht dat hij merkte dat hij in zijn lichaam meer kracht had dan voorheen. Hij was toen ongeveer 35 jaar oud.

 

XI

(1) Toen hij de volgende dag naar buiten ging, was zijn inzet voor de toewijding aan God nog groter. Hij ging naar de al eerder genoemde grijsaard [zijn guru] toe en vroeg deze om samen met hem in de woestijn te gaan wonen. (2) Toen die dat weigerde, zowel vanwege zijn leeftijd als ook omdat dat toen nog niet de gewoonte was, [niet juist, Athanasius!] vertrok hijzelf terstond [in zijn eentje] naar [het gebergte] de berg.

Maar toen de vijand opnieuw zijn ijver zag en hem [30] daarin [opnieuw] wilde dwarsbomen, zorgde hij ervoor dat hij onderweg [het schijnbeeld van] een grote zilveren schaal te zien kreeg. (3) Antonius doorzag echter de list van de hater van het goede. Hij bleef staan en ontmaskerde de duivel die hij in de schaal [zat] zag door tot de schaal te zeggen: 'Hoe komt nu een schaal in de woestijn? Over deze weg wordt niet gereisd en er is hier ook geen spoor van reizigers. De schaal is zo groot dat een val niet onopgemerkt zou blijven. (4) Ook zou degene die hem verloren is zijn teruggekeerd om hem te zoeken en hij zou hem hebben gevonden, want deze plek is verlaten. Dus dit is een list van de duivel. Hiermee kun je mijn [plan] enthousiasme niet dwarsbomen, duivel! "Laat dit maar met jou naar [ten verderve] de vernietiging gaan!"’ [Hand. 8,20 [26] ] (5) Toen Antonius dat zei, [loste] verdween de schaal [op] als rook die [voor een] van vuur afkomt.

 

XII

(1) Toen hij [verderging] daarvandaan weggegaan was, zag hij niet slechts een [schijnbeeld] verschijning van goud, maar echt goud op de weg liggen. Ofwel de vijand liet hem dit zien, ofwel een hogere Macht [beproefde] trainde de atleet en [wilde] liet zo aan de duivel [laten] zien dat hij niet taalde naar echt goud [geld]. Dit heeft hijzelf nooit verteld en wij weten er ook niet meer van dan dat het goud was wat hij zag. (2) Antonius was verbaasd over de hoeveelheid (goud), maar hij liep er zo snel langs alsof hij over een vuur [liep] sprong, en hij draaide zich niet meer om maar haastte zich verder met zo'n gezwinde spoed dat de plek [verborgen bleef] later vergeten werd.

(3) Meer en meer vastberaden haastte hij zich naar [het gebergte] de berg. Daar trof hij, aan de overkant van de rivier, een verlaten [fort] legerkamp aan dat al zo lang leegstond dat het nu vol zat met [kruipend ongedierte] slangen. Daarheen verhuisde hij en ging hij er wonen. (4) De [reptielen] slangen namen direct de wijk, alsof iemand ze wegjoeg. Hij barricadeerde de ingang en sloeg voor zes maanden brood op (zo [doet men dat in de Thebaēs] doen de Thebanen dat en vaak blijven die broden een heel jaar goed), en binnen had hij water [gevonden]. [Daarna schreed hij binnen zoals men dat in het] Alsof hij zich had opgesloten in een heiligdom [van een tempel doet, en]  bleef hij alleen binnen in zijn kluizenaarswoning, zonder naar buiten te gaan of iemand van de bezoekers te zien. (5) Een lange tijd wijdde hij zich zo aan de beoefening van ascese, waarbij hij slechts tweemaal per jaar via het dak broden ontving. [31]

 

XIII

(1) Bekenden die hem kwamen opzoeken moesten vaak hele dagen en nachten buiten doorbrengen omdat hij hen niet toestond binnen te komen. Zij hoorden dan een geluid dat klonk als een lawaaierige mensenmenigte[n] die binnen veel herrie maakte[n] en [jammerkreten] klaaglijke geluiden liet[en] horen en schreeuwde[n]: (2) 'Ga weg uit ons gebied! Wat heb jij met de woestijn te maken? Jij kunt onze listen niet verdragen!' (3) De mensen buiten dachten aanvankelijk dat er mannen met hem aan het vechten waren en dat die via ladders bij hem waren binnengedrongen, maar toen ze door een gat naar binnen keken, zagen ze niemand en beseften toen dat het demonen waren, en door angst bevangen riepen ze Antonius.

(4) Die [hoorde hij wel snel, terwijl] luisterde liever naar hen dan dat hij zich om [de demonen] die anderen [niet] bekommerde. [Niet goed begrepen, vdH?] Hij ging [naar de deur] dicht bij de ingang staan en drong er bij de mensen op aan terug te gaan [en] maar niet bang te zijn. 'Op deze manier,' zei hij, '[maken] manifesteren de demonen [hun schijnaanvallen tegen] zich jegens degenen die laf zijn. (5) Jullie moeten je daarom met het kruisteken bezegelen en vol vertrouwen weggaan. Laat hen zichzelf maar voor gek zetten.'

Zij gingen toen weg, [als met een wal omgeven] versterkt door het teken van het kruis. Hij bleef achter en ondervond [op] geen enkele [manier] schade van de [kwade geesten en] demonen, maar hij liet zijn strijd tegen hen geen moment verslappen. (6) Want het toenemend aantal visioenen [van boven] dat [hem] zijn geestesoog [te hulp kwam] ten deel viel en de zwakheid van zijn vijanden [verlichten zijn inspanningen in hoge mate en gaven hem nog meer ijver.] verschaften hem beide veel verlossing van zijn pijnen en maakten zijn enthousiasme nog groter. (7) Voortdurend kwamen zijn bekenden hem opzoeken in de verwachting hem dood te zullen aantreffen, maar dan hoorden ze hem psalmen zingen: 'Laat God opstaan en laat zijn vijanden uiteengeslagen worden, laten degenen die hem haten vluchten van zijn aangezicht. Mogen zij verdwijnen zoals rook verdwijnt. Zoals was voor vuur smelt, zo zullen de zondaars voor Gods aangezicht omkomen.' [Ps. 68,2-3 [27] ] En ook het volgende: 'Alle volkeren omsingelden mij, maar in de naam van de Heer heb ik hen teruggedreven.' [Ps. 118,12, maar hij bedoelt 118,10 [28] ]

 

XIV

(1) Bijna twintig jaar leefde hij zo in afzondering een leven van ascese, zonder ooit naar buiten te komen en zonder vrijwel ooit door iemand gezien te worden. (2) Daarna echter, toen velen het verlangen en de wil hadden gekregen zijn ascese na te volgen, forceerden enkelen van [32] zijn bekenden de toegangsdeur, en toen kwam Antonius naar buiten, als uit een heiligdom waarin hij in de mysteriĎn was ingewijd en door God geēnspireerd.[ [29] ] Toen [werd] kwam hij voor het eerst [gezien buiten] te voorschijn uit het [fort] legerkamp voor de ogen van [door] degenen die hem kwamen bezoeken. (3) Toen die hem zagen, verbaasde het hen dat zijn lichaam nog in dezelfde conditie was gebleven [als vroeger]. [Hij] Het was niet [dikker] vet geworden door gebrek aan [beweging] oefening, maar ook niet vermagerd door het vasten en de strijd tegen de demonen. [Hij] Het was precies zoals ze hem ook hadden gekend voordat hij zich terugtrok. En [bovendien was] zijn ziel [vrij van smet] was in een staat van reinheid. (4) Want die (ziel) was niet verkrampt door verdriet, ook niet verweekt door plezier, noch bevangen door uitgelatenheid of neerslachtigheid. Toen hij de menigte zag, raakte hij daarvan niet in de war, en toen zo veel mensen hem begroetten, raakte hij daarover ook niet [uitgelaten] opgetogen. [Integendeel, hij] Hij bleef volkomen gelijk aan zichzelf, als iemand die door de [Logos [30] ] rede bestuurd wordt en in zijn natuurlijke staat verkeert.[ [31] ]

(5) [Door hem genas de] De Heer genas door zijn handen vele[n] zieken die gekomen waren [van lichamelijke kwalen] en anderen [verloste] reinigde hij van [kwade geesten] demonen. (6) Hij gaf aan Antonius genade bij het spreken, zodat hij velen die bedroefd waren, kon troosten. Anderen, die ruzie met elkaar hadden, verzoende hij weer in vriendschap, en hij spoorde allen aan om niets ter wereld meer waard te achten dan de liefde tot Christus. (7) Als hij sprak, bracht hij de mensen het toekomstige goed in gedachten en de liefde die God voor ons mensen heeft, 'Hij die zijn eigen zoon niet gespaard heeft maar voor ons allen heeft overgeleverd.' [Rom. 8,32 [32] ] Zo wist hij velen te overreden voor een kluizenaarsleven te kiezen. En zo ontstonden er sindsdien ook in [het gebergte] de bergen kluizenaarscellen en werd de woestijn [als] een stad [bevolkt door] van monniken die [uit] van hun eigen [bezittingen] goederen en [volk] mensen waren weggetrokken en zich [ingeschreven] hadden laten inschrijven voor [het] een burgerschap in de hemelen. [(vgl. Fil. 3,20 [33] )]

 

XV

(1) Om zijn broeders te bezoeken moest Antonius eens het kanaal van ArsinoĎ oversteken, maar dat kanaal zat vol met krokodillen. Hij sprak [eenvoudigweg] slechts een gebed uit en toen stapten hij en zijn metgezellen het water in en bereikten ongedeerd de overkant. (2) Terug in zijn kluizenaarscel hernam hij zijn verheven en actieve inspanningen. (3) Door regelmatige gesprekken versterkte hij de inzet van hen die reeds [33] monnik waren, en bij de meesten van de anderen wist hij een verlangen naar een ascetisch leven op te wekken. En door de aantrekkingskracht van zijn woorden kwamen er spoedig zeer veel kluizenaarscellen bij, en hij leidde allen als een vader.

 

[Redevoering tot de andere kluizenaars]

(...) [16-43: De redevoering tot de andere kluizenaars of monniken over de duivel en demonen, laat Horst weg. Dat is zo’n 30% van de totale tekst, waardoor samen met de weggelaten dialoog met de Griekse filosofen, zo’n 60% onvertaald is gebleven.]

[Zie gescande tekst van Wagenaar]

XLIV

(1) [Terwijl Antonius aan het spreken was] Toen Antonius over deze dingen gesproken had, verheugden allen zich. Bij sommigen groeide de liefde voor de deugdzaamheid, bij anderen werd nonchalance gecorrigeerd, en [bij] weer anderen [kwam] maakten aan hun eigendunk een einde. Allen waren vastbesloten [om de aanvallen van de Boze te verachten, en ze verwonderden zich] minachting te hebben voor de listen van de demonen. Ze waren verbaasd over de genadegave die de Heer aan Antonius had gegeven om de geesten te onderscheiden.

(2) In de bergen [lagen] leken hun kluizenaarscellen [als] op tenten [in het rond, vol van] die gevuld waren met goddelijke koren [heilige groepen mannen] die psalmen zongen, de [Bijbel lazen] Schriften bestudeerden, vastten, baden, zich verheugden in de hoop op de [de dingen die komen gingen] toekomst, werkten om aalmoezen te kunnen geven en een leven van onderlinge liefde en harmonie leidden. (3) Het was werkelijk of men daar een land apart kon zien, [dat op zichzelf stond] een land van [godsverering en gerechtigheid] godvrezendheid en rechtvaardigheid. (4) Want daar was niemand die onrecht [deed of] werd aangedaan [iets vergeten, vdH!] en men hoorde er geen [aanmaning van] klacht over de belastinginner. [andersom dus, vdH!]  Maar er was wel een menigte van asceten, met als enige streven: deugdzaamheid. [Zo dat iedereen] Iedereen die de kluizenaarscellen [weer zag] en [zulk een goede] de orde onder de monniken, [met blijde stem uit zou roepen] zag, riep uit: 'Hoe schoon zijn uw woningen, oh Jakob, uw tenten, oh IsraĎl! Zij zijn als schaduwrijke valleien en als een tuin bij een rivier, als tenten die de Heer heeft opgezet, als ceders aan het water.' [(Num. 24, 5-6 [34] ).]

 

XLV

(1) Gewoontegetrouw bleef Antonius[,zoals zijn gewoonte was, keerde weer alleen terug naar] zelf zijn teruggetrokken leven leiden in zijn eigen kluizenaarscel, waar hij zijn ascese intensiveerde. Dag in dag uit zuchtte hij daar wanneer hij dacht aan de [verblijven] woningen in de hemel waarnaar hij verlangde[, en aan] als hij de korte duur van het mensenleven overdacht.

(2) [En hij at en sliep en] Want wanneer hij ging eten of slapen of [deed al de andere] een van de lichamelijke behoeften [gewoonlijk met schaamte, omdat] doen, dan schaamde hij zich als hij dacht aan [de spirituele vermogens] het geestelijke deel van de ziel. (3) [Vaak, wanneer] Wanneer hij met de talrijke andere monniken zou gaan eten, dan verontschuldigde hij zich[, denkend] dikwijls bij de gedachte aan het geestelijke voedsel en ging een eind bij hen vandaan zitten, omdat hij het beschamend vond als anderen hem zagen eten. (4) Hij at [gewoonlijk] dan ook alleen, en dan at hij omdat het lichaam dat vereist[e], maar regelmatig toch ook [vaak] met de broeders, en dan schaamde hij zich weliswaar [erg] voor hen, maar [toch sprak] hij [dan vrijmoedig] was ook vol vertrouwen vanwege de nuttige woorden [ter ondersteuning] die door hem gezegd werden.

(5) Hij placht dan te zeggen dat [het een mens past al zijn] we al onze tijd [te] moeten besteden aan [zijn] de ziel in plaats van aan [zijn] het lichaam; [hoewel toch] dat we weliswaar een klein beetje tijd aan [de behoeften van] het lichaam [te] moeten gunnen omdat dat nu eenmaal niet anders kan, maar [des te ijveriger al de overgebleven] dat we in de regel onze tijd aan [de] onze ziel [te] moeten besteden en [te] zoeken wat voor haar van nut is[, zodat deze niet]. (6) We moeten voorkomen dat de ziel door de geneugten van het lichaam naar beneden wordt getrokken[, maar in tegendeel,] en we moeten ervoor zorgen dat het lichaam [aan] geheel in dienst van de ziel [ondergeschikt is] staat. (7) Want dit is wat gezegd is door de [Verlosser] Heiland: 'Maak jullie geen zorgen om je leven, wat je moet eten, noch om jullie lichaam, wat je moet aantrekken. Jullie moeten niet zoeken naar wat je moet eten of drinken en daar niet over in zitten. Naar al deze dingen zijn de volkeren van de wereld op zoek. Jullie vader weet dat jullie al deze dingen nodig hebt. Maar zoekt zijn koninkrijk en dan zullen al deze dingen jullie geschonken worden.' [(Lc. 12,22 [35] en 29-31 [36] )]

 

XLVI

(1) Hierna kwam de kerk in de greep van de vervolging ten tijde van Maximinus. Toen men de heilige martelaren naar AlexandriĎ bracht, verliet hij zijn cel en [volgde hen] ging mee, terwijl hij zei: 'Laten we gaan om [te strijden] het strijdperk te betreden als we daartoe geroepen worden of om degenen die de strijd voeren gade te slaan.' (2) Hij verlangde ernaar het martelaarschap te ondergaan, maar omdat hij zichzelf niet wilde uitleveren, [verleende] stelde hij [bijstand aan] zich ten dienste van de belijders in zowel de mijnen als de gevangenissen. In de rechtszaal betoonde hij grote inzet door degenen die werden opgeroepen voor de strijd aan te moedigen en hen [op] te [vangen] ontvangen als ze het martelaarschap ondergingen en hen tot aan hun vervolmaking [= executie] te begeleiden.

(3) De rechter, die de [onbevreesdheid van Antonius en zijn metgezellen zag,] onbevreesde inzet van hem en de zijnen voor die zaak bemerkte, beval dan ook dat [geen] niemand van de monniken nog in de rechtszaal mocht verschijnen, [of zich nog] ja dat zij zich zelfs niet meer in de stad mochten ophouden. (4) Alle anderen nu dachten er wijs aan te doen zich die dag schuil te houden, maar Antonius [stoorde zich zo weinig aan het bevel] nam dit zo hoog op [heel wat anders, vdH!] dat hij juist zijn gewaad waste en de volgende dag vooraan op een verhoging ging staan zodat hij voor de prefect duidelijk zichtbaar was. (5) Allen verbaasden zich daarover en de prefect zag hem toen hij [met zijn gevolg] na afloop [heel wat anders, vdH!] langs hem liep, maar Antonius bleef [onverschrokken] onverstoorbaar staan en [toonde zo] gaf zo een demonstratie van de vastbeslotenheid van ons, christenen. (6) Zoals ik al zei, bad hij erom ook zelf martelaar te worden, en hij wekte inderdaad de indruk bedroefd te zijn dat hij [niet kon getuigen.] dat niet geworden was.

Maar de Heer beschermde hem omdat hij ons en anderen nog zozeer van nut kon zijn[, opdat hij] door voor velen een leraar [kon] te worden in de ascese die hijzelf uit de Schriften geleerd had. (7) Immers, alleen al door zijn levenswijze gade te slaan waren velen zich gaan beijveren zijn gedrag na te volgen. Zoals gewoonlijk wijdde hij zich dus weer aan de dienst aan de belijders, en alsof hij met hen gevangen zat, [zo zwoegde hij in zijn] leed hij met hen mee in die dienstbaarheid.

 

XLVII

(1)Toen tenslotte de vervolging ten einde was en de gelukzalige bisschop Petrus de martelaarsdood gestorven was, [vertrok] verliet Antonius de stad en trok hij zich weer terug in zijn kluizenaarscel. Daar was hij dagelijks een martelaar voor zijn geweten en hij streed de strijd van het geloof. Want hij [beoefende veel en nog strenger] legde zich toe op een strenge en nog rigoureuzere vorm van ascese[, want hij]. (2) Hij vastte nu altijd, en hij droeg [een] zijn kleed [met] zo dat de haren aan de binnenkant zaten en het vel aan de buitenkant; dat kleed [droeg] had hij tot aan zijn dood dag en nacht aan. Hij [waste zijn lichaam nooit met water om zich van vuil te bevrijden] ging nooit in bad en ook [noch waste hij ooit] zijn voeten waste hij nooit; ze gewoon [noch duldde hij het ze] in het water [te steken, tenzij door de noodzakelijkheid gedwongen.] houden als dat niet strikt nodig was, zelfs dat deed hij niet. (3) Niemand heeft hem zich ooit zien ontkleden, [noch] niemand heeft [iemand] ooit het lichaam van Antonius naakt gezien, behalve toen hij na zijn dood begraven [werd] moest worden.

 

XLVIII

(1) Nadat Antonius zich had teruggetrokken, en zich had [hij zich] voorgenomen om een periode [vast te stellen waarin hij niet] door te brengen zonder naar buiten [ging] te gaan of iemand [zou] te ontvangen, [maar] begon een legerofficier genaamd Martianus [kwam] hem [36] lastig te vallen. Deze had namelijk een dochter die door een demon werd geplaagd. (2) Hij bleef lange tijd op de deur bonken en vroeg Antonius naar buiten te komen en voor zijn kind tot God te bidden, maar Antonius wilde hem niet [open doen, keek van boven uit het venster, en] binnenlaten. Over de muur kijkend [een venster, geen muur, vdH!] zei hij tot hem: 'Man, wat schreeuw je tegen me? Ik ben maar een mens, net als jij. Maar als je [gelooft in] vertrouwt op Christus, die ik dien, ga dan heen en bid [volgens je geloof] met heel dat vertrouwen tot God, en dan zal het gebeuren.'

(3) Terstond [vertrok hij, en gelovig] kreeg de man vertrouwen, riep [hij] Christus aan, ging weg, en hij [kreeg zijn] had weer een dochter [terug,] die gereinigd was van de demon.

[Nog veel andere wonderen deed de] De Heer, die zegt: 'Vraagt en het zal jullie gegeven worden,' [(Lc. 11,9 [37] )] heeft door [hem] de handen van Antonius nog vele andere wonderen verricht. (4) Omdat hij [zijn] de deur niet open deed, [sliepen veel] waren er zeer vele zieken die gewoon de nacht vlak buiten zijn cel doorbrachten, en omdat ze geloofden en oprecht baden, werden ze gereinigd.

 

XLIX

(1) Maar toen hij merkte dat hij door te veel mensen werd gestoord en het hem gewoon niet werd toegestaan zich terug te trekken zoals hij zich [stellig] bewust had voorgenomen, en ook [vreesde] beducht was dat hij [zich] niet op grond van [de dingen die] wat de Heer door hem deed zich [verheven] zou [gaan voelen] verheffen of [dat] een ander beter over hem zou denken dan hij in werkelijkheid was, [over]woog hij een en ander af en nam de beslissing om naar de zuidelijke [Opper-]Thebaēs te gaan, waar niemand hem kende[, en vertrok]. Hij kreeg van de broeders broden mee en hij ging [aan] bij de oever van de rivier zitten[, uitkijkend of er] in afwachting van een boot [voorbij zou varen] die[, na aan boord te zijn gegaan] hem [stroomopwaarts] kon meenemen. [Veel vergeten hier, vdH!]

(2) [Terwijl] Toen hij dat aan het overwegen was, kwam er een stem [van boven] tot hem uit de hemel die zei: 'Antonius, waar ga je heen, en waarom?' (3) [Zonder ervan te schrikken, maar als iemand die] Hij keek daar niet van op, eraan gewend [is] als hij was om vaak op die manier [aangesproken] geroepen te worden, maar hij luisterde [hij ernaar] en antwoordde: 'Omdat de [toeloop van mensen me geen rust laat,] mensenmassa's me niet toestaan in alle eenzaamheid te leven, daarom wil ik naar de zuidelijke [Opper-]Thebaēs vertrekken, [wegens de veelvuldige overlast die ik hier ondervind] want hier word ik echt te vaak lastiggevallen en vooral [omdat] vragen ze mij dingen [van mij eisen] die mijn krachten te boven gaan.' (4) Toen sprak de stem tot hem: 'Ook als je naar de Thebaēs gaat, [of] en zelfs als je, zoals je van plan bent, naar de [Boekolia afdaalt] Boukolia gaat, dan krijg je nog meer [te verduren, ja, zelfs dubbel zoveel inspanningen.]  en zelfs het dubbele van die ellende te verdragen. [Maar als] Als je werkelijk in [de stilte] eenzaamheid wilt leven, [trek dan nu dieper de] ga dan nu naar de binnenste woestijn [in].' [‘de binnenste woestijn’ is een uitdrukking die vdH vaker gebruikt, maar eigenlijk onzinnig is.] (5) [37] Toen zei Antonius: 'Wie zal mij dan de weg wijzen? Want die ken ik niet.' De stem wees hem toen onmiddellijk op een paar Saracenen die op het punt stonden [die kant op te gaan] dezelfde route te nemen. (6) Antonius ging [dus] naar hen toe en vroeg hen of hij met hen [mee] naar de woestijn mocht [in] meereizen. En alsof ze een opdracht van de Voorzienigheid hadden gekregen, [namen] verwelkomden ze hem [bereidwillig op.] allerhartelijkst.

(7) Na drie dagen en drie nachten met hen te hebben meegereisd, arriveerde hij bij een zeer hoge berg. Aan de voet van die berg was een zeer heldere bron met zoet en heel koel water, en daaromheen een vlakte met een paar verwaarloosde palmbomen. [In plaats van woestijnvaders kunnen we ze beter oasevaders noemen]

 

L

(1) Alsof [het hem] hij door God [werd ingegeven] daartoe werd bewogen, vatte Antonius liefde op voor die plaats, want dit was de plek die [was aangewezen] werd bedoeld door degene die aan de oevers van de rivier tot hem had gesproken. (2) Aanvankelijk kreeg hij broden van zijn medereizigers en verbleef hij alleen op de berg zonder dat er iemand anders in zijn gezelschap was. [Alsof hij] Hij beschouwde die plek als zijn eigen huis [herkend had, zo hield hij van toen af aan die plaats vast.] en bleef er dus wonen.

(3) [Maar] Zelfs de Saracenen namen met opzet de route langs die plek om hem vreugdevol broden te brengen, toen ze eenmaal zijn geloofsijver bemerkt hadden. (4) [En] Ook de palmbomen aldaar schonken hem [zo nu en dan] enige [bescheiden en sobere leeftocht.] verlichting, zij het niet echt veel. Maar daarna, toen de broeders over die plaats hoorden, zorgden ze er als kinderen die aan hun vader denken voor dat ze hem [iets werd toegezonden.] (brood) bezorgden.

(5) Toen Antonius echter zag dat sommigen zich vanwege dat brengen van brood afmatten en ontberingen leden, wilde hij ook daarin de monniken sparen. Hij [besloot] ging bij zichzelf te rade en vroeg toen aan degenen die hem kwamen opzoeken [te vragen] om een [houweel] spade, [heel wat anders, vdH!] een bijl en wat [tarwe] graan mee te brengen. (6) Nadat men hem dit alles gebracht had, doorkruiste hij het land rond de berg, vond een klein stukje grond dat wel geschikt leek en [bewerkte het] bracht het in cultuur. Omdat hij [overvloedig] royaal de beschikking had over water [had om te besproeien] uit een bron, zaaide hij er graan. [Toch weer wat anders, vdH!] [Dit deed hij jaar na jaar en zo had hij] Aangezien hij dat jaarlijks deed, kon hij voortaan zijn eigen brood maken, en hij was blij dat hij daardoor niemand meer tot last hoefde te zijn[ en dat hij zichzelf zonder veel moeite in leven kon houden]. [Stukje vergeten, vdH?]

(7) Toen hij vervolgens bemerkte dat er toch mensen bleven komen, begon hij ook wat groenten te verbouwen om ervoor te zorgen dat de bezoekers [enig soelaas zou hebben] enige versterking zouden ontvangen na de [37] [inspanning] ontberingen van [die] zo'n moeilijke reis. (8) Aanvankelijk [brachten] was het zo dat de wilde dieren in de woestijn, op zoek naar water, [schade toe aan] het zaaigoed en de aanplant vernielden. (9) Maar [eens] dan pakte hij zachtaardig een van die dieren beet en zei tot hen allemaal: 'Waarom richten jullie nu toch die schade bij mij aan terwijl ik jullie helemaal niets aandoe? Ga nu weg en, in de naam van de Heer, kom hier niet meer in de buurt.' En sindsdien kwamen ze[, alsof ze bang waren voor zijn bevel] uit ontzag voor zijn verbod niet meer in de buurt van die plek.

 

LI

(1) Zo was hij alleen [midden] in de binnenste berg[en], waar hij zich wijdde aan gebed en ascese. De broeders die hem [dienden] kwamen opzoeken vroegen hem [of ze] om toestemming om hem maandelijks dienstvaardig olijven en peulvruchten en olie [mochten komen] te brengen. Hij was toen namelijk al een oude man.

(2) Hoeveel worstelingen hij te doorstaan had toen hij daar woonde, niet zozeer met vlees en bloed, zoals de Schrift zegt, maar met de vijandige demonen, [(vgl. Ef. 6,12 [38] )] dat hebben we gehoord van degenen die hem hebben opgezocht. (3) Want ook daar hoorden ze lawaai, vele stemmen en het [gekletter] geluid van wapens, en 's nachts zagen ze hoe de berg vol met [wilde dieren] vonken was. [Heel wat anders, vdH, ‘vonken’’ of ‘wilde dieren’.] Ook zagen ze hoe hij vocht als tegen zichtbare tegenstanders en hen met gebed bestookte.

(4) Degenen die hem kwamen bezoeken, sprak hij moed in, [en] maar zelf streed hij zijn strijd, geknield en biddend tot God. (5) Het was werkelijk verbazingwekkend dat deze man, alleen in zo'n woestijn, niet bang was [voor] als de demonen [die] hem aanvielen en ook, terwijl er daar zo veel [viervoetige beesten] wilde dieren waren, viervoeters en kruipend ongedierte, [(Hand. 10,12 [39] )] geen angst kende voor hun [woestheid] agressie. [Klinkt wat overdreven, want hij was opgegroeid in de woestijn min of meer, en bovendien zat hij in een zeer geciviliseerde plaats.] Hij had werkelijk, zoals de Schrift zegt, vertrouwen in de Heer als [in] de berg Sion. [(Ps. 125,1 [40] )] [Want zijn] Hij had een geest [stond onwrikbaar en onverstoorbaar vast] die niet door aardbevingen of vloedgolven klein te krijgen was, [toch een beetje anders, vdH.] zodat de demonen liever [voor hem] op de vlucht sloegen en de wilde dieren, zoals geschreven staat, vrede met hem sloten. [(vgl. Job 5,23 [41] )]

XXX

LIl

(1) De duivel dus (zoals David [dat] in een psalm [zingt (Ps. 35,16 [42] )] zegt) hield Antonius knarsetandend in de gaten [en knarsetandende tegen hem]. Maar Antonius werd [bijgestaan] aangemoedigd door de [Verlosser] Heiland en bleef [onaangetast] onaangedaan door [zijn sluwheid en veelsoortige trucs.] de talrijke duivelse listen. (2) Als hij de nacht [wakend] slapend doorbracht, [precies het tegenovergestelde, vdH!!!]  stuurde de duivel wilde [beesten] dieren op  [39] hem af. [en vrijwel] Vrijwel alle hyena's van de woestijn kwamen dan uit hun holen en omsingelden hem [en hij stond in hun midden terwijl] van alle kanten. (3) Wanneer elk van hen zijn muil opensperde en dreigde hem te bijten, [en dan] zei Antonius (omdat hij deze streek van de vijand wel doorhad) tot hen allen: 'Als jullie volmacht [over mij] hebt gekregen om tegen mij op te treden, dan ben ik bereid door jullie verslonden te worden, maar als jullie door demonen [op mij af] zijn [gestuurd, blijf dan niet,] geēnstrueerd, verlies dan geen tijd maar ga weg, want ik ben een dienaar van Christus.' [(Rom. 1,1 [43] ; Fil. 1,1 [44] ; Gal. 1,10 [45] )] [Toen] Als Antonius dat zei, [vluchtten] renden ze allemaal weg, verjaagd door [dat Woord] zijn woorden als door een zweepslag. [‘dat Woord’, vdH, waarmee Christus bedoeld wordt!]

 

LIII

(1) Toen hij enkele dagen later aan het werk was (want hij [zorgde er voor] lette erop dat hij [hard werkte] ook handenarbeid verrichtte), kwam er iemand aan de deur en trok aan  het koord [dat hij aan het vlechten] waarmee hij aan het werk was; hij vlocht namelijk manden en gaf die aan zijn bezoekers in ruil voor wat zij voor hem meenamen. (2) Hij stond op en zag een dier dat weliswaar boven de dijbenen wel op een mens leek maar verder de poten [en hoeven] van een ezel had. [Woordje vergeten, vdH?] Antonius sloeg slechts een kruis en zei: 'Ik ben een dienaar van Christus. Als je tegen mij bent uitgezonden, wel, hier ben ik.' (3) Maar het dier vluchtte met zijn demonen in zo'n grote haast dat het viel en stierf. En de dood van het dier betekende de val van de demonen. Zo [probeerden ze van alles] zetten ze alle mogelijke middelen in om hem uit de woestijn weg te krijgen, maar het lukte hun niet.

[De laatste aanval van de duivel.]

 

LIV

(1) Eens werd hem door de monniken gevraagd om [van de berg af te dalen] naar hen terug te keren en hen en hun woonplaatsen [na] enige tijd te bezoeken. Hij reisde samen op met de monniken die hem waren komen halen, terwijl een kameel [de] hun broden en het water droeg. (2) Die woestijn is namelijk volledig zonder water. Er is nergens enig drinkbaar water behalve in die berg waar zijn [kluizenaarscel] ascetische woning is; daar hadden zij dat water dan ook geput. Maar onderweg raakte het water op en omdat er een [enorme] uitzonderlijke hitte heerste, liep iedereen nu gevaar. (3) Ze [hadden in de omgeving rond gelopen] waren  op verschillende plaatsen gaan zoeken maar konden geen water vinden en ze waren niet in staat nog verder te lopen. Ze gingen op de grond liggen en in hun wanhoop lieten ze de kameel maar gaan.

(4) [40] Toen de grijsaard echter zag dat allen in gevaar verkeerden, werd hij bijzonder bedroefd en begon hij te zuchten en te steunen. Hij liep een eindje bij hen vandaan, knielde, strekte zijn armen en bad. En direct [liet] zorgde de Heer dat er water [opborrelen] was op de plek waar hij [had staan] stond te bidden. (5) Toen iedereen gedronken had, leefde men weer op. Nadat ze [hun flessen] de zakken met water gevuld hadden, gingen ze de kameel zoeken en ze vonden het dier weer. Zijn touw had zich namelijk om een steen vastgedraaid zodat hij niet had kunnen weglopen. Ze brachten hem terug, gaven hem te drinken, legden de [flessen] zakken op zijn rug en voltooiden hun reis ongedeerd.

(6) Toen Antonius bij de buitenste cellen aankwam, [groetten] omhelsden allen die hem[,] zagen hem als een vader [beschouwend]. En alsof hij met [voorraden] proviand uit het gebergte kwam aanzetten, onthaalde hij hen op zijn woorden en [gaf] liet hen [een deel van zijn hulp] delen in geestelijk voordeel. (7) Opnieuw was er vreugde in de bergen, en ijver om (geestelijke) vooruitgang te boeken, en vertroosting vanwege [hun] het wederzijds [geloof] vertrouwen. [(vgl. Rom 1,12 [46] )] [Toch weer even anders] (8) Ook hijzelf verheugde zich toen hij [de ijver] het enthousiasme van de monniken zag en constateerde dat zijn zuster, die in maagdelijkheid oud was geworden, [en dat zij] nu ook zelf aan andere maagden leiding gaf.

 

LV

(1) [Na een zeker aantal] Enkele dagen later keerde hij weer terug naar de berg. Daarna [zochten velen hun toevlucht bij hem] bleven er veel mensen tot hem komen, [en] maar ook anderen, mensen die [leden] ziek waren, waagden het [ernaar toe te gaan] hem op te zoeken. (2) [Aan] Voor de monniken die tot hem kwamen [gaf] had hij altijd [het voorschrift] dezelfde boodschap[Toch weer even heel wat anders, vdH!]: [“] te vertrouwen op de Heer en [heb] Hem lief te hebben, zichzelf te behoeden [je] voor onreine gedachten en vleselijke lusten en [laat je], zoals het in het boek Spreuken geschreven staat, 'zich niet door verzadiging van de maag te laten meeslepen.’ [(Spr. 24,15 [47] LXX)] (3) Vermijdt Verder ijdelheid te mijden en [bid] voortdurend te bidden, [zing] vóór het slapen gaan en na het opstaan psalmen te zingen, [houdt] de geboden [van] in de Schriften [in het hart, wees] uit het hoofd te leren, zich de daden van de heiligen [indachtig] te herinneren zodat [jullie] de ziel [in] door de herinnering [gebracht van de geboden, in harmonie komt met de] aan hen afstemt op hun geloofsijver [van de heiligen]. [Toch weer even wat anders]

(4) Vooral raadde hij hen aan voortdurend te mediteren [op] over het woord van de apostel: 'Laat de zon niet ondergaan over uw toorn.' [(Ef. 4,26 [48] )] (5) Hij zei: 'Jullie moeten dit zo opvatten dat dit in het algemeen voor alle geboden bedoeld is, in die zin dat de zon niet alleen over onze toorn maar ook over geen enkele andere zonde van ons [41] mag ondergaan. Want het is goed, ja zelfs noodzakelijk, dat de zon ons niet veroordeelt vanwege een kwade daad overdag en de maan niet vanwege een zonde in de nacht, al was het maar een [slechte] gedachte. (6) Om nu die gezindheid in ons te bewaren, is het goed naar de apostel te luisteren en zijn woord te bewaren, want hij zegt: "Onderzoekt uzelf, beproeft uzelf.” [(2 Kor. 13,5 [49] )]

(7) Elke dag moet iedereen zich dus rekenschap geven van zijn daden overdag en 's nachts. Als hij heeft gezondigd, moet hij daarmee ophouden; heeft hij niet gezondigd, dan moet hij zich niet daarop laten voorstaan, maar in die goede toestand blijven en niet verslappen, ook moet hij zijn naaste niet veroordelen en zichzelf vrijspreken totdat, zoals de heilige apostel Paulus zegt, [“tot de komst van] de Heer komt die het verborgene doorzoekt [naspeurt” (vgl. 1 Kor. 4,5 [50] en Rom. 2,16 [51] )].

(8) Want we zijn ons dikwijls [doen we onbewust dingen die wij] niet eens bewust van onze daden. Wijzelf hebben soms iets niet in de gaten [hebben], maar de Heer merkt alles op. Laten we daarom aan hem het oordeel overlaten en [sympathie voor] met elkaar medelijden hebben en elkaars lasten dragen. [(Gal. 6,2 [52] )] Laten we [echter] onszelf onderzoeken en ernaar streven onze tekortkomingen aan te vullen.

 

(9) [En als beveiliging tegen de] Ook hier moet men op letten om er zeker van te zijn niet in zonde [laten we het volgende in acht nemen] te vervallen: ieder moet [zijn eigen] de daden en [de opwellingen] bewegingen van zijn eigen ziel [wat zijn ‘bewegingen’ van de ziel, vdH?] signaleren en opschrijven, alsof we die aan anderen [zouden] moeten mededelen. (10) En vertrouw er dan op dat, uit louter schaamte dat het bekend wordt, we zullen ophouden met zondigen en zelfs geen slechte gedachten meer koesteren. (11) Want wie wil er nu gezien worden wanneer hij een zonde bedrijft? Of wie die gezondigd heeft zal niet liever liegen omdat hij wil dat het onbekend blijft?

Zoals we dus, wanneer we elkaar zien, [geen ontucht bedrijven] niet tot overspel zullen overgaan [toch weer heel wat anders, vdH], zo zullen we ook, wanneer we onze gedachten opschrijven als om ze aan elkaar mede te delen, ons [makkelijker] behoeden voor onreine gedachten, uit schaamte dat ze bekend zouden worden. (12) Laat dus wat we opgeschreven hebben fungeren als het oog van onze medeasceten, met de bedoeling dat we, [evenzeer als we blozen om het op te schrijven] ons evenzeer schamend voor het opschrijven als [wanneer we ontdekt zouden] voor het gezien worden, geen enkele slechte gedachte meer toelaten. (13) Als we onszelf zo vormen, zullen we in staat zijn het lichaam [onderworpen te houden] tot onze slaaf te maken [1 Kor. 9,27 [53] ], de Heer te behagen, en de listen van de vijand onder onze voeten te vertrappen.'

 

[42] (.. .) [De hoofdstukken 56 tot en met 88 heeft Horst weggelaten, met daarin genezingen, strijd met Arianen, en zijn monologen met de Griekse filosofen (waaruit duidelijk wordt dat Antonius nooit door de Grieken beēnvloed zijn kunnen zijn), wat wonderen (waaronder een negatief wonder), helderziendheid, genezingen, discussie over de Arianen, en de brieven van de keizer. Dat is zo’n 30% van de totale tekst, waardoor samen met de weggelaten toespraak tot de monniken, en de demonologie, zo’n 60% onvertaald is gebleven.]

 

[89] LXXXIX

(1) [Het is de moeite waard] Hoe was het einde van zijn leven? Het is goed dat ik [het] dat vertel en dat u daarover[, als u dat wilt,] hoort, [hoe zijn dood was] wat u trouwens ook wilt. Want ook [dit einde van hem] dat is iets [dat het waard is nagevolgd te worden] waarin hij navolgenswaardig was. (2) [Zoals zijn gewoonte was] Gewoontegetrouw bezocht hij de monniken op de buitenste berg[, en omdat hij van de Voorzienigheid gehoord had dat zijn eigen einde nabij was, zei hij tot]. Omdat hij door de voorzienigheid van tevoren was ingelicht over zijn levenseinde, sprak hij de broeders als volgt toe: 'Dit is het laatste bezoek dat ik jullie breng en het zou me verbazen als we elkaar in dit leven nog een keer zouden zien. (3) [Ten slotte is de tijd voor mijn vertrek aangebroken] Het is nu voor mij tijd om op te breken, want ik ben bijna 105 jaar [oud].'

 

Toen ze dat hoorden, huilden ze en omhelsden en kusten de grijsaard. (4) Maar [hij sprak verheugd] alsof hij van een vreemde stad terugkeerde naar zijn [eigen stad zeilde,] vaderstad, onderhield hij zich opgewekt met hen en vermaande hen [niet lui te worden in] hun inspanningen[, noch hun] niet te laten verslappen en de ascese niet te versagen, maar zo te leven alsof ze elke dag [stierven] zouden kunnen sterven. En, zoals [hij] ik al eerder [had] heb gezegd, [hij dus, niet ik] hij spoorde hen aan zich ervoor in te zetten [met ijver] hun ziel te behoeden voor onreine gedachten, [enthousiast] te wedijveren met de heiligen [na te volgen], zich niet in te laten met de schismatieke Meletianen ([want jullie kennen] u kent hun kwalijke en [wereldse] perverse instelling), [noch enig] en geen contact te onderhouden met de Arianen, want [hun] ook van die mensen is de goddeloosheid [is] voor iedereen overduidelijk. (5) [Noch verstoord te worden als je ziet dat de] 'Ook al zien jullie hun rechters hen [beschermen,] verdedigen, ligt er niet wakker van, want er zal een einde [aan] komen [en hun gewichtigheid] aan hun verschijning, die is sterfelijk en van korte duur. (6) [Blijf] Houdt jullie dus [onbezoedeld door] liever rein van hen en [houdt de tradities] behoudt de overlevering der vaderen [in ere, en als voornaamste het heilige geloof] en met name het vrome vertrouwen in onze Heer Jezus Christus, [wat] die jullie uit de Schriften hebt [geleerd] leren kennen en [waaraan jullie] die ook dikwijls door mij [zijn  herinnerd] in jullie herinnering is gebracht.' [‘wat’ of ‘die’ is een heel verschil, vdH!]

 

XC

(1) Toen de broeders er bij hem op aandrongen dat hij bij hen zou blijven om daar te sterven, [liet] bracht hij dat niet [toe] op om vele redenen die hijzelf door zijn zwijgen [aan hen] kenbaar maakte, maar vooral om de volgende. (2) De Egyptenaren plegen de lichamen van [heiligen] overledenen, en [vooral] met name die van de heilige martelaren, met [begrafenisrituelen] een grote geloofsijver de laatste eer te bewijzen[, en] door hen niet onder de grond te [begraven] stoppen maar [hun lichamen] hen in linnen [doeken] te wikkelen, [43] op een [bank] bed te leggen, en [in hun huizen] binnenshuis bij zich te bewaren, menend [hiermee de overledenen] op die manier de doden te eren. (3) Antonius had [er] al [vaak bij] meermalen de bisschoppen [op aangedrongen de mensen over deze kwestie een gebod te geven.] gevraagd het volk daarover nu eens te vermanen. (4) [Op dezelfde wijze onderwees hij de leken en berispte hij de vrouwen, zeggende dat dit niet volgens de wet was] Leken zette hij te kijk en vrouwen schold hij uit [dit klinkt toch wel erg ‘out of character’ uit de mond van Antonius, vdH!] en hij maakte hun duidelijk dat zoiets niet geoorloofd en al helemaal niet vroom was. Want de [lichamen] graven van de aartsvaders en de profeten zijn tot op [heden in graftombes] de dag van vandaag bewaard gebleven en ook het lichaam van de Heer zelf is in een graf[tombe] gelegd [(vgl. Joh. 19,41 [54] )] en een steen die ervoor geplaatst werd [verborg het] onttrok hem aan het gezicht totdat Hij op de derde dag opstond. [(vgl. Mt. 27,60 [eigenlijk 27,62 e.v. [55] )] (5) [En door aldus te spreken, toonde hij aan] Door die dingen te zeggen maakte hij duidelijk dat degene die de lichamen van de overledenen niet begroef, [zelfs al zouden ze heilig zijn, de wet overtrad.] ook als het om heiligen ging, een zonde beging. Want wat is er nu groter en heiliger dan het lichaam van de Heer? (6) Velen nu die dat hoorden, begroeven voortaan [de] hun doden [onder de grond] en dankten de Heer dat ze zo goed onderricht waren.

 

XCI

(1) [Maar hij, omdat hij op de hoogte was van deze gewoonte, en] Omdat hij van deze dingen wist, was hijzelf bang dat ze zo ook met zijn lichaam zouden omgaan[, haastte zich om] Nadat hij van de monniken op de [buitenste] uiterste berg afscheid [te nemen en ging] had genomen, haastte hij zich op weg. Toen hij bij de binnenste berg [in] was aangekomen, waar hij [gewoonlijk verbleef. En] meestal woonde, werd hij na enkele maanden [werd hij] ziek. Hij riep degenen die [daar waren] bij [zich] hem waren — er waren twee mensen die daar sinds vijftien jaar ook [in de berg verbleven] woonden om de ascese te bedrijven en die hem vanwege zijn hoge leeftijd [bij te staan] bedienden — en hij zei tot hen: (2) 'Ik ga nu — zoals de Schrift het noemt — de weg der vaderen [(vgl. Joz. 23,14 [56] )], want ik merk dat de Heer mij roept. [Wees] Weest jullie nu waakzaam [opdat] en laat jullie in zo lange tijd opgebouwde ascese niet verloren [gaat] gaan, maar [beijveren jullie je] spant jullie ervoor in, alsof jullie nu pas een begin [maken om] maakt, jullie grote inzet te behouden. (3) Jullie kennen [het verradelijke van] de demonen die jullie belagen, jullie weten [,] hoe [woest] grimmig ze zijn, maar ook [hoe weinig] dat hun kracht [ze hebben. Wees] zwak is. Weest dus niet bang voor hen, [maar adem] ademt veeleer altijd Christus in en [vertrouw] vertrouwt op hem. [Leef] En leeft alsof jullie elke dag kunt sterven, let op jullie zelf, en [blijf] blijft denken aan de vermaningen die jullie van mij hebben gehoord. (4) Onderhoudt geen enkel contact met de schismatici en al helemaal niet met de ketterse Arianen. Jullie weten hoe ook ik hen uit de weg ben gegaan vanwege hun [vijandigheid naar] Christus -vijandige [en de vreemde leerstellingen van hun ketterij.] ketterse instelling. (5) [Wees daarom des te ijveriger om op de eerste plaats volgelingen van God te zijn en dan van] Spant ook jullie je er veeleer voor in je altijd te verbinden [44] in de eerste plaats met de Heer, en daarna met de heiligen, opdat zij jullie na de dood [ook] als [welbekende] vrienden en bekenden in hun eeuwige tenten zullen ontvangen. [(Lc. 16,9 [57] )] Denkt daarover na, overweegt dat.

 

(6) En als jullie iets om mij [geven] geeft en [om] aan mij [denken] denkt als [om] aan een vader, [sta] laat dan niet toe dat iemand mijn lichaam meeneemt naar Egypte om het in een van hun huizen op te baren. Juist om dat te vermijden ben ik naar de berg teruggekeerd en hier gekomen. (7) Jullie weten hoe ik altijd ben uitgevallen tegen degenen [heb berispt] die [die gewoonte hadden] dat doen en hen heb aangemaand [ermee] met die gewoonte op te houden. [Jullie moeten] Begraaft dus mijn lichaam [begraven] en verstopt het [zelf] onder de grond [stoppen], en [houden jullie je aan mijn woorden dat] houdt jullie je aan wat ik gezegd heb: laat buiten jullie niemand die plek te weten [mag] komen. (8) Want bij de opstanding der doden zal ik mijn lichaam van de Heiland in onvergankelijke staat terug ontvangen. [En verdeel] Verdeelt mijn klederen onder elkaar en geeft aan bisschop Athanasius mijn ene schaapsvacht en de mantel waarop ik gelegen heb, die hijzelf mij nieuw gegeven heeft en die [met mij oud geworden is.] ik heb versleten. (9) En [geef] geeft bisschop Serapioon mijn andere schaapsvacht, maar [houden jullie] het haren [hemd zelf] kleed mogen jullie houden. Welnu, kinderen, het ga jullie [verder] goed, [want] Antonius [vertrekt] gaat elders heen en is niet meer onder jullie.'

 

XCII

(1) Toen hij dat gezegd had, [en] omhelsden zij hem [gekust hadden, tilde hij]. Hij tilde zijn voeten op het bed, en [terwijl] het [leek] was alsof hij vrienden [op zich toe] zag aankomen en daarom bijzonder blij werd ([want terwijl] hij [zo] lag[, zag] namelijk en zijn gezicht [er verheugd uit]straalde van vrolijkheid)[, stierf hij]. Toen blies hij zijn laatste adem uit en werd [hij tot de] met zijn vaderen [vergaderd.] herenigd. [niet ‘zijn’, vdH! En het is een standaarduitdrukking met ‘vergaderd’.] (2) [En daarna, overeenkomstig zijn gebod] Overeenkomstig de bevelen die hij gegeven had, bewezen zij hem de laatste eer, omwikkelden [ze hem en begroeven hem,] zijn lichaam en verborgen het onder de grond [verstoppend. En tot vandaag de dag]. Tot op heden weet niemand waar [het begraven was] hij ligt, behalve [alleen] die twee. (3) [Maar elk van hen] Degenen die [de] een schaapsvacht [‘de’ niet ‘een’, vdH! Hij had er toch maar één!] en het versleten kleed van de gelukzalige Antonius hadden gekregen [en het kledingstuk dat door hem was gedragen, bewaart dat als een kostbare schat.] bewaren dat nu als een voorwerp van grote waarde. Want [alleen al] als ze ernaar [te] kijken, is [als] het [zien van] alsof ze Antonius zien, en [degene die erin gekleed is, lijkt]  als ze het aantrekken, is het alsof ze zijn vermaningen met vreugde [te] dragen.

 

XCIII

(1) [Dit is] Dat was het einde van het leven [van] dat Antonius in [het] zijn lichaam heeft geleid, en [het bovenstaande] zo was het begin van [de] zijn ascese. [Een vreselijke fout hier, vdH!!! Namelijk ‘zijn i.p.v. ‘de’!!!] [Zelfs al is mijn verhaal klein vergeleken met zijn verdienste, gebruik het toch ter overdenking van de grootsheid van Antonius, de man van God.] En ook al is wat ik erover [45] heb geschreven maar weinig in vergelijking met zijn deugdzaamheid, bedenkt u dan toch eens op grond van mijn geschrift wat voor iemand die Godsman Antonius is geweest, een man [Die] die vanaf zijn jeugd tot op zo'n hoge leeftijd een onverminderde inzet voor de ascese heeft bewaard. In zijn ouderdom werd hij niet overmand door de zucht naar kostbare spijzen, en al evenmin bracht de zwakheid van zijn lichaam hem ertoe van kleding te veranderen of zelfs maar zijn voeten met water te wassen. En toch [bleef] leed hij [totaal vrij van letsel]. in geen enkel opzicht enige schade. (2) Want zijn ogen waren [helder] nog onbeschadigd en [behoorlijk zuiver en] in goede staat: hij kon [scherp] goed zien. En van zijn tanden was er niet één uitgevallen; alleen waren zij tot op het tandvlees versleten vanwege de hoge ouderdom van de grijsaard. [Hij bleef sterk in beide handen en] Ook waren zijn voeten en handen gezond gebleven. [En terwijl] Hij leek blakender van gezondheid, sterker en vuriger dan alle [mensen] anderen die zich bedienen van gevarieerd [verschillende soorten] voedsel [gebruiken], [en] baden en afwisselende kleding[, zag hij er opgewekter en krachtiger uit].

 

(3) [En het feit dat zijn roem overal verkondigd werd; dat allen hem met bewondering beschouwen, en dat] Hij was overal beroemd en werd door iedereen bewonderd, ja zelfs degenen die hem nooit [hebben] hadden gezien verlangden naar hem [verlangen], en dat is toch een [duidelijk] teken van zijn deugdzaamheid en [de liefde van God voor] van de vriendschap van zijn ziel met God. [Toch enigszins anders, vdH!] (4) Want Antonius werd niet bekend door geschriften[, noch door] of wereldse wijsheid[, noch door]  of een [van de kunsten werd Antonius beroemd] of andere handvaardigheid, maar alleen door [zijn vroomheid tot God] godvruchtigheid. Dat [dit] dat een gave Gods [was] is, zal niemand ontkennen. (5) [Want hoe] Hoe had men trouwens over hem kunnen horen in Spanje en GalliĎ, in Rome en Afrika, terwijl hij in een berg verborgen zat, als dat niet dankzij God zelf was die Zijn [eigen volgelingen] mensen overal bekendheid geeft en dit ook al aan het begin aan Antonius beloofd had? (6) Want ook al handelen zij in het verborgene en willen ze [in het duister] onbekend blijven, [toch toont de Heer] God maakt hen [als lampen om allen te verlichten] aan allen bekend als een lichtend voorbeeld, opdat op deze manier zij die [het] daarvan horen [aldus] beseffen dat de geboden [van God] in staat zijn [de mensen voorspoed te brengen en ijver op het] een mens te helpen op het juiste pad te komen en dat ze in ijver ontvlammen om dat pad van de deugdzaamheid in te slaan.

 

[Vers 94 ontbreekt, waarin alweer iets slechts over de Grieken verteld wordt, namelijk, “de demonen waarvan de Grieken denken dat het goden zijn, helemaal geen goden zijn...”]

HET LEVEN VAN PAULUS

(1) Bij velen bestaat er onzekerheid over de vraag wie van de monniken nu als eerste een leven als kluizenaar in de woestijn is begonnen. Sommigen gaan wel erg ver terug in de tijd, wanneer ze aannemen dat dit begin lag bij Elia en Johannes (de Doper); het lijkt mij dat Elia wel meer dan [eerder] een monnik was, en Johannes begon al te profeteren voordat hij geboren was! Anderen echter beweren — en dat is een vrij algemeen aanvaarde en populaire opinie -—dat Antonius de grondlegger van deze levenswijze is. Dit is maar ten dele waar, omdat hij niet zozeer aan alle anderen voorafging als wel omdat anderen door hem werden gestimuleerd tot die levenshouding. Twee leerlingen van Antonius, genaamd Amathias en Macarius (van wie de eerste het lichaam van zijn meester heeft begraven), bevestigen tot op de dag van vandaag dat een zekere Paulus uit Thebe [Luxor] de eerste leider van deze beweging was, een mening die ik deel.

Sommigen brengen naar believen verhalen over hem in omloop, zoals bijvoorbeeld dat hij in een onderaardse grot leefde en zulk lang [48] haar had dat het tot op zijn voeten hing, en andere ongeloofwaardigheden die hier niet herhaald hoeven te worden. Ook lijkt het mij zinloos om de pertinente leugens te weerleggen die weer anderen over hem vertellen.

[Mijn vertaling, DH] Voor veel mensen is het een twistpunt wie nu de eerste persoon was die aan een leven als kluizenaar in de woestijn is begonnen. Sommigen gaan wel erg ver terug in de tijd, wanneer ze erop wijzen dat Elia en Johannes de Doper tot de eersten behoorden; maar het lijkt mij dat Elia eerder een profeet dan een monnik was, en wat Johannes betreft, die begon al te profeteren zelfs voordat hij geboren was! [Lucas 1.44]

Anderen beweren echter dat Antonius de eerste was en dat is een vrij algemeen aanvaarde mening die de meeste mensen aanhangen. Maar dit is slechts ten dele waar, omdat hij niet zozeer de eerste was als wel omdat hij degene was die zoveel heeft gedaan om anderen daartoe te stimuleren. Trouwens, twee discipelen van Antonius, genaamd Amathias en Macarius, van wie de eerste het lichaam van Antonius heeft begraven, beweren tegenwoordig nog dat Paulus uit Thebe degene is geweest die deze beweging begon, hoewel hij niet de eerste was die die naam droeg, en dit is een mening die ik ook deel.

Sommigen vertellen net naar het ze uitkomt allerlei verhalen over Paulus, zoals bijvoorbeeld het verhaal dat hij alleen maar een man was met lang haar dat tot op zijn voeten hing die in een onderaardse grot leefde, en andere verzinsels die hier verder niet ter zake doen. Zulke onbeschaamde leugens zijn het nauwelijks waard tegengesproken te worden.

VIII APOLLO

[Deze is wel in Monachorum, hoewel hij daar Apollonius genoemd wordt, hoofdstuk VII. Terwijl hij in Lausiaca Apollo genoemd wordt, hoofdstuk LII]

 

Toen leek hij de stem van God te horen die tot hem zei: 'Apollo, Apollo, door jou zal ik de wijsheid van de Egyptische wijzen vernietigen en ik zal de kennis van de geleerde heidenen afschaffen. En jij zult voor mij behalve hen ook de wijzen van Babylon vernietigen en jij zult alle verering van demonen wegvagen. Welnu, ga naar de bewoonde wereld, daar zul je voor rij een eigen volk verwekken, ijverig in goede werken.'

(4) Hij antwoordde: 'Heer, neem van mij weg de arrogantie, opdat ik niet door rij boven de broeders te verheffen, alle goed verspeel.' Toen sprak de goddelijke stem opnieuw tot hem: 'Leg je hand op je nek, dan zul je (de arrogantie) beetpakken en die in het zand begraven.' Hij legde snel zijn hand in zijn nek en greep daar een zwart jongetje [Eigenlijk staat er dat hij een kleine EthiopiĎr uit zijn keel trekt, en dat is ook logischer] en begroef het in de woestijn terwijl het schreeuwde: 'Ik ben de demon van de arrogantie!'

 

[Mijn bewerking] Toen hoorde hij de stem van God die tot hem zei: 'Apollo, door jou zal ik de wijsheid van de Egyptische wijzen verwarren en de vaardigheden van dat volk. En door mij  zul jij de wijzen van Babylon verwarren en alle verering van demonen uit hun midden verdrijven. Ga dan naar de plek waar ze wonen en je zult voor mij een bijzonder en perfect volk stichten dat streeft naar goede werken.'

Hij antwoordde: 'Heer, bevrijdt mij van een opschepperige trots, opdat ik niet, boven mijn broeders verheven, al Uw gerechtigheid verlies.' Toen sprak de goddelijke stem opnieuw tot hem: Steek je hand in je keel en trek er uit wat je daar vind, en begraaf dat in het zand.' Onverwijld stak hij zijn hand in zijn keel en trok daar kleine EthiopiĎr uit [dit moet toch wel iets anders zijn, een pad of zo, wat tengevolge van gebroddel tot jongetje is veranderd; of gemanifesteerd schuldgevoel] en begroef deze in de woestijn terwijl deze schreeuwde: 'Ik ben de geest van de trots!'

(59) Hij had zware kritiek op degenen die ijzeren boeien [die waren er dus! Worden trouwens wel vermeld in Monachorum maar niet in Lausiaca, en daar als ijzeren halskettingen.] en lang haar droegen [die waren er dus ook! Maar er staat, zowel in Monachorum als in Lausiaca: die hun haar knipten of overdreven verzorgden, en dat is dus precies het tegenovergestelde van wat Horst zegt!!! Wat enigszins blijkt uit de volgende zin, over vertoon en behagen.]. Hij zei: 'Die zijn uit op vertoon en het behagen van mensen, terwijl ze het lichaam door vasten zouden moeten kastijden en in het verborgene het goede doen. Dát doen ze niet, maar ze zetten zich wél voor iedereen te kijk.'

 

[mijn vertaling] Degenen die hun haar knipten of overdreven verzorgden en ijzeren halskettingen droegen, of andere dingen deden om aandacht op zichzelf te vestigen, sprak hij bestraffend toe. ‘Het is duidelijk,’ zei hij, ‘dat deze mensen er alleen op uit zijn menselijke lof te verkrijgen. Ze doen het om op te vallen, maar het gebod is dat zelfs jullie vasten in het geheim moet worden gedaan, zodat alleen God het weet die in het verborgene ziet en openlijk beloont. (Matt.6.18 [58] ).

 

 [Deze tekst lijkt enigszins op mijn versie van Monachorum en nauwelijks op die in Lausiaca. En wat nog vreemder is: vanaf p. 110 geeft hij de versies van Macarius uit de Lausiaca. Nogal dubbelop. En hij vermeldt het ook niet.]

(1) Velen van de woestijnvaders die daar woonden vertelden ons het levensverhaal van Macarius, de leerling van Antonius, die nog maar vrij kort geleden gestorven was. Evenals Antonius had ook hij bijzonder veel wonderen verricht, zowel genezingen als andere tekenen, zoveel dat men ze niet allemaal zou kunnen vertellen. Maar een paar van zijn grote daden willen wij toch kort vermelden.

[Deze tekst is in mijn versie van Lausiaca en Monachorum niet te vinden]

(2) Toen hij eens bij de grote woestijnvader Antonius prachtige palmbladeren zag liggen waarmee deze aan het werken was, vroeg hij hem één bundeltje daarvan. Maar Antonius zei tot hem: 'Er staat geschreven, "Gij zult niet begeren wat van uw naaste is.'" En zodra hij dat gezegd had, verschrompelden alle palmbladeren alsof ze door vuur waren aangeraakt. Toen Antonius dat zag, zei hij tot Macarius: 'Zie, mijn geest zal op jou rusten, en jij zult voortaan de erfgenaam van mijn deugden zijn.'

[Deze tekst is in mijn versie van Lausiaca en Monachorum niet te vinden]

(3) Daarna vond de duivel hem eens in een toestand van grote fysieke uitputting in de woestijn, en hij zei tot hem: 'Zie, je hebt nu de genadegave van Antonius ontvangen. Waarom maak je geen gebruik van dat voorrecht en vraag je God niet om voedsel en kracht voor de reis?' Toen zei hij tot hem: "'Mijn kracht en mijn lied is de Heer. ”En jij, jij moet de dienaar Gods niet verzoeken.'

(4) Toen schiep de duivel voor hem een drogbeeld van een met vracht beladen kameel die door [98] de woestijn dwaalde en die alle benodigde levensmiddelen bij zich had. Toen het beest Macarius zag, ging het voor hem zitten. Maar hij besefte dat het een drogbeeld was - hetgeen ook zo was - en hij begon te bidden. En onmiddellijk werd de kameel in de aarde verzwolgen.

 

[Deze tekst lijkt op mijn versie van Monachorum, maar veel langer, en komt niet voor in Lausiaca. Maar in Monachorum is geen sprake van een kopie van het paradijs, maar meer van een mooie tuin, en dus ook geen engels en demonen, maar gewoon mensenwerk.]

(5) Een andere keer vroeg hij na lang vasten en bidden aan God hem het paradijs te laten zien dat Jannes en Jambres hadden geplant in de woestijn omdat ze een kopie van het ware paradijs wilden maken.

(6) Toen hij drie weken lang zonder eten door de woestijn had gezworven en al bewusteloos was geraakt, zette een engel hem op die plek neer. Er waren overal demonen die de ingangen van het paradijs bewaakten en hem niet binnenlieten. Het gebied was bijzonder groot en besloeg een enorme afstand.

(7) Toen hij na een gebed het toch waagde naar binnen te gaan, vond hij daar twee heilige mannen. Die waren al een hele tijd geleden op dezelfde manier binnengekomen. Na een gebed omhelsden zij elkaar en verheugden zich zeer over de ontmoeting. Zij wasten hem de voeten en zetten hem enige paradijsvruchten voor. Hij nam ervan en dankte God, verbaasd over de grootte en de kleurenrijkdom van de vruchten. En ze zeiden tot elkaar: 'Het zou mooi zijn als alle monniken hier waren.'

(8) Hij zei: 'Midden in het paradijs waren drie grote bronnen die opwelden vanuit de diepte en die het paradijs bewaterden en ook enorme bomen die heel vruchtbaar waren en allerlei soorten fruit onder de hemel voortbrachten.'

(9) Toen Macarius zeven dagen bij hen gebleven was, wilde hij weer teruggaan naar de bewoonde wereld en zijn monniken met zich meenemen. Toen zeiden de heilige mannen tot hem dat hij dat niet kon doen, omdat de woestijn erg groot en uitgestrekt was en er vele demonen overal in die woestijn waren die monniken op een dwaalspoor brachten en doodden, zodat inderdaad al vele anderen die hadden willen komen waren gedood.

(10) Maar Macarius kon het niet langer opbrengen daar te blijven en zei: 'Ik moet ze hierheen brengen opdat ze van deze weelde kunnen genieten.' Toen snelde hij naar de bewoonde wereld en nam een van de vruchten als bewijsstuk mee. Hij droeg ook een grote hoeveelheid palmtakken bij zich die hij had verzameld. Hij zette de takken nu als bakens in de woestijn neer om te voorkomen dat hij zou verdwalen als hij terug zou komen.

(11 Maar toen hij ergens in de woestijn in slaap was gevallen, ontdekte hij toen hij wakker werd [99] dat al die palmbladeren door de demonen waren verzameld en bij zijn hoofd neergelegd. Maar hij stond op en zei tot hen: 'Als het Gods wil is, zullen jullie ons niet kunnen verhinderen het paradijs binnen te gaan.'

(12) Toen hij in de bewoonde wereld aankwam, liet hij de vruchten zien aan de monniken en trachtte hen zo over te halen mee te gaan naar het paradijs. Er verzamelden zich vele woestijnvaders bij hem die zeiden: 'Dat paradijs is er toch niet voor de vernietiging van onze zielen? Want als we daarvan nu al zouden genieten, dan hebben we ons deel van het goede al op aarde gehad. Welk loon zullen we dan later nog krijgen als we bij God komen, of voor welke deugd zullen we beloond worden?' Zo overtuigden ze hem niet meer terug te gaan.

 

[Deze tekst lijkt enigszins op mijn versie van Monachorum en komt in Lausiaca niet voor]

(13) Een andere keer werden hem verse druiven gezonden, en hoewel hij ernaar verlangde ze op te eten, toonde hij zijn zelfbeheersing en zond ze naar een broeder die ziek was en die erg gesteld was op druiven. Toen die ze ontving, was hij er erg blij mee, maar omdat hij zijn zelfbeheersing wilde verbergen stuurde hij ze door naar een andere broeder, en wendde voor dat hij geen trek had in eten. Toen die ander het voedsel kreeg, deed die precies hetzelfde, al had ook hij erg veel zin ze op te eten.

(14) Toen de druiven uiteindelijk vele broeders waren langs geweest zonder dat iemand er iets van had willen eten, zond de laatste die ze kreeg ze weer naar Macarius, in de veronderstelling dat hij deze een groot geschenk gaf. Toen Macarius ze herkende en een nauwkeurig onderzoek instelde naar de gang van zaken, was hij zeer verbaasd en dankte de Heer voor zo'n grote zelfbeheersing van hen. Uiteindelijk at hij er ook zelf niet van.

 

[Deze tekst is in mijn versie van Lausiaca en Monachorum niet te vinden]

(15) Een andere keer, zo gaat het verhaal, zat Macarius in zijn grot in de woestijn te bidden. Een andere grot in de buurt werd bewoond door een vrouwtjeshyena. Terwijl hij zat te bidden kwam die hyena plotseling binnen en begon aan zijn voeten te likken. Het beest pakte hem zachtjes bij zijn hemd en trok hem naar haar eigen grot toe. Hij ging mee en zei: 'Wat zou dat beest toch willen doen?'

(16) Toen zij hem tot aan haar eigen grot had geleid, ging zij naar binnen en bracht toen haar eigen jongen die blind waren geboren naar hem toe. Hij bad toen en gaf de jonkies ziende en wel aan hun moeder terug. Zij bracht hem uit dankbaarheid een geschenk in de vorm van een enorme vacht van een grote ram en legde die aan zijn voeten. Hij glimlachte haar toe [100] als ware het een vriendelijk en gevoelig wezen. Hij spreidde die vacht uit als vloerkleed en die is tot op vandaag bij iemand bewaard gebleven.

 

[Het volgende zeer verkort bij Horst, maar lang in Monachorum en zeer lang in Lausiaca]

(17) Men vertelt ook over hem dat, toen een of andere schurk een meisje dat kloosterlinge wilde worden door magische kunsten in een merrie had veranderd, haar ouders haar bij hem brachten en hem smeekten of hij alsjeblieft voor haar wilde bidden en haar weer in een vrouw wilde veranderen. Hij sloot haar toen zeven dagen in eenzaamheid op, terwijl haar ouders in de buurt bleven, en zelf bracht hij in een andere cel de tijd in gebed door. Op de zevende dag ging hij met haar ouders naar binnen en zalfde haar helemaal met olijfolie in. Toen boog hij zijn knieĎn en bad samen met hen, en toen ze opstonden vonden ze haar weer in een meisje veranderd.

III POTAMIAENA

[dit is toch geen woestijnvader, zelfs geen woestijnmoeder, dus misschien alleen voor het sensationalisme eraan toegevoegd? Terwijl Horst verderop wel woestijnvaders onvertaald, en woestijnmoeders onvermeld, laat.]

(1) De bovengenoemde gezegende Isidorus had Antonius zaliger ontmoet en vertelde mij later een voorval dat het verdient vastgelegd te worden en dat hij van hem had gehoord. Er leefde ten tijde van Maximianus de vervolger een bijzonder mooi meisje, Potamiaena genaamd, dat iemands slavin was. Haar meester had geprobeerd haar met tal van beloften te verleiden, maar zonder succes.

(2) Ten slotte werd hij zo razend dat hij haar uitleverde aan de toenmalige prefect van AlexandriĎ. Hij gaf haar aan als een christen en als een vrouw die vanwege de vervolgingen kwaad sprak van de politieke situatie en de keizers. Hij bood de prefect geld aan met de opmerking, 'Als ze akkoord gaat met mijn wensen, zorg er dan voor dat ze ongestraft blijft.' Maar als ze zou volharden in haar rigide opstelling, zo verzocht hij, dan moest ze zodanig worden gestraft dat ze niet levend zijn zedeloosheid aan de kaak zou kunnen stellen.

(3) Ze werd voor de rechter geleid en de aanval op het bolwerk van haar overtuiging werd met diverse martelinstrumenten ingezet. Onder deze instrumenten was ook een grote ketel. De rechter beval deze te [105] vullen met pek en te verhitten. Toen het pek kookte en begon vlam te vatten, hield hij haar de keus voor: 'Je kunt nu óf weggaan en je aan de wil van je meester onderwerpen óf er anders van overtuigd zijn dat ik je in de ketel kopje onder zal laten gaan.' Zij antwoordde: 'Moge er nooit meer zo'n rechter zijn die iemand beveelt zich aan zedeloosheid te onderwerpen.'

(4) Hij werd razend en beval haar uit te kleden en in de ketel te gooien. Maar zij verhief haar stem en zei: 'Bij het hoofd van de keizer die jij vreest, als je besloten hebt mij zo te straffen, geef dan opdracht dat ik slechts stukje bij beetje in de ketel word neergelaten, zodat je zult weten welk een groot uithoudingsvermogen mij geschonken is door Christus, die jij niet kent.' Toen men haar beetje bij beetje over de periode van een uur in de ketel liet zakken, blies ze de laatste adem uit toen het pek haar nek had bereikt.

(. ..) [Ontbrekende Abba’s: OR, PAMBO, PIOR, AMMON, BEJAMIN, APOLLONIUS, PAEESUS & ISAIAH, MACARIOUS de jongere, NATHAHAEL]

XVIII MACARIUS VAN ALEXANDRIŤ

[Nog onvolledig gecorrigeerd]

 (1) Ik heb wél de andere Macarius ontmoet, de Alexandrijn die priester was van de zogenaamde Kellia, waar ik zelf ook negen jaar heb gewoond. De eerste drie jaren daarvan leefde hij nog. Sommige dingen heb ik zelf meegemaakt, andere heb ik van hemzelf gehoord, weer andere van andere mensen.

[Hier ontbreekt een stuk dat wel in mijn Lausiaca staat: over een bekeerde tribuun en over druiven die de ronde doen.]

Zijn ascetische levenswijze was als volgt. Als hij hoorde over een of andere vorm van ascese, probeerde hij die altijd te vervolmaken. Hij vernam bijvoorbeeld dat de monniken van Tabennisi tijdens de gehele veertigdagentijd ongekookt voedsel aten, en besloot vervolgens zeven jaar lang niets meer te eten wat met vuur in contact was gekomen. Hij at alleen nog maar rauwe groenten, als hij die kon vinden, en geweekte peulvruchten.

(2) Toen hij deze deugd tot volmaaktheid had gebracht, hoorde hij over een andere kluizenaar dat die maar drie ons brood per dag at. Toen brak hij zijn biscuitrantsoen in stukjes en gooide die in een kruik. Hij besloot voortaan niet méér te eten dan wat hij met zijn hand daaruit kon krijgen. Hij vertelde schertsend: 'Ik kon heel wat stukjes pakken, maar ik kon ze niet naar buiten krijgen vanwege de nauwe opening, want net als een belastinginner liet die me niet door!' Hij beoefende deze vorm van ascese drie jaar waarbij hij maar ongeveer één ons brood at en een vergelijkbare hoeveelheid water dronk. Per jaar gebruikte hij niet meer dan een halve liter olijfolie.

 

(3) Hier is een ander voorbeeld van zijn ascese. Hij besloot boven slaap verheven te zijn en hij beweerde dat hij twintig dagen lang niet onder een dak was geweest om de slaap te overwinnen. Overdag werd hij door de brandende zon geblakerd en 's nachts bevroor hij van de koude. Hij zei: 'Als ik niet snel het huis was binnengegaan en slaap had [114] genoten, dan zouden mijn hersenen verdroogd zijn, zodat ik voorgoed bewusteloos zou zijn gebleven. Ik heb de slaap overwonnen voor zover het binnen mijn vermogen lag, maar voor zover het van de natuur afhangt die slaap nodig heeft, heb ik moeten wijken.'

(4) Toen hij eens [door de geest (of demon) van het neuken werd geplaagd] 's morgens vroeg in zijn cel zat, werd hij door een muskiet in zijn voet gestoken. Omdat hij pijn had sloeg hij het dier dood met zijn hand, en het zat vol met zijn bloed. Hij keurde het in zichzelf af dat hij had gehandeld uit wraak en veroordeelde [hij] zichzelf er toe om zes maanden naakt in het moeras van Sketis te gaan zitten dat in de grote woestijn ligt. Dat is namelijk een plek waar de muskieten [zo groot zijn als wespen en] zelfs de huiden van wilde zwijnen verwonden, net als wespen. Hij werd daar zo over zijn hele lichaam gestoken dat hij zulke builen kreeg dat [je zou kunnen denken] sommigen dachten dat hij aan elefantiasis [lepra] leed. Toen hij na zes maanden terugkeerde naar zijn cel, kon men alleen aan zijn stem nog merken dat hij Macarius was.

[De volgende §§ 5-9 zijn door vdH zeer verkort weergegeven en zeer slecht vertaald; ik heb geen zin om dat allemaal te corrigeren.]

(5) Hij vertelde mij dat hij eens verlangde de graftuin van Jannes en Jambres binnen te gaan. Die graftuin behoorde vroeger de magiĎrs toe die zo'n grote invloed hadden op de Farao. Omdat ze een lange tijd zo'n macht hadden gehad, hadden ze dat bouwwerk gemaakt met stenen die aan alle kanten vier voet maten. Zo bouwden zij hun eigen grafmonument en deponeerden daar veel geld in. Ze plantten er ook bomen, want het was een vochtige plek, en tussen die bomen sloegen ze een put.

(6) Omdat de heilige man de weg niet kende, volgde hij op de gok de sterren terwijl hij de woestijn doorkruiste als ware het een zee. Hij nam een bundel riethalmen en plaatste er om de mijl een in het zand als een soort mijlpaal om de weg terug weer te kunnen vinden. Na een reis van bijna negen dagen bereikte hij de plek. In de nacht dat hij bij de mijlpaal van de graftuin sliep, heeft de demon die altijd de atleten van Christus tegenwerkt, al die riethalmen verzameld en [weggegooid en juist niet] bij zijn hoofdeinde neergelegd.

(7) Toen hij opstond, vond hij de riethalmen. Misschien had God dat toegestaan om hem verder te trainen zodat hij niet zou vertrouwen op riethalmen maar op de wolkkolom die IsraĎl veertig jaren door de woestijn had geleid.

Hij vertelde: 'Zeventig demonen kwamen mij tegemoet vanuit de graftuin, krijsend en fladderend als kraaien voor mijn gezicht, en ze zeiden: "Wat wil je, Macarius? Wat wil je, monnik? Waarom ben je naar onze plek gekomen? [115] Je kunt hier niet blijven!" En ik zei tot hen: "Ik wil alleen maar even naar binnen gaan en rondkijken en dan ga ik weer weg."

(8) Toen ik naar binnen ging, zag ik een koperen vat en een ijzeren ketting naast de put hangen, maar die waren door de tand des tijds al vergaan, en granaatappels die geen enkele vrucht in zich hadden omdat ze door de zon uitgedroogd waren.' Vervolgens keerde hij weer terug en was twintig dagen onderweg. Toen het water en het brood dat hij bij zich had opraakten, kwam hij in een problematische situatie terecht. Net toen hij op het punt stond in elkaar te zakken verscheen hem een meisje, zo vertelde hij, dat een gewaad van zuiver linnen droeg en een kruik bij zich had die overliep van water.

(9) Hij zei dat zij op een afstand van een kleine 200 meter bij hem vandaan bleef, en zo reisde ze drie dagen met hem mee. Hij zag haar wel staan met die kruik [terwijl ze hem uitdaagde, pestte] maar kon haar niet bereiken. Door het vooruitzicht eruit te kunnen drinken kon hij echter de inspanning opbrengen het vol te houden. Daarna verscheen er een kudde antilopen [koeien] waarvan een van de vrouwtjes een jong had - er zijn er heel veel [koeien] in die streek - en haar uier, zo zei hij, stroomde over van melk. Hij kroop onder haar, werd gezoogd, en was verzadigd. Terwijl de antilope [koe]  hem zoogde, ging ze helemaal tot aan zijn cel met hem mee terwijl ze haar eigen jong afwees.

 

(10) Een andere keer was hij een put aan het graven vlak bij een groentetuintje toen hij door een adder werd gebeten; en dat is een dodelijk dier. Hij pakte het dier met zijn beide handen bij zijn kaken beet en scheurde het in tweeĎn, terwijl hij zei: 'Als God je niet heeft gestuurd, hoe durf je hier dan te komen?'

 

[Dit stuk, tot § 12, staat niet in mijn Lausiaca]

Hij had verschillende cellen in de woestijn, een in de grote woestijn van Sketis, een in Liba, een in het zogeheten Kellia, en een op de berg Nitria. Sommige daarvan hadden geen venster en men zegt dat hij daarin de veertigdagentijd zittend in duisternis doorbracht. Een ander was zoveel kleiner dat hij daarin niet eens zijn benen kon uitstrekken. Maar de laatste was ruimer en daarin ontmoette hij degenen die hem kwamen bezoeken.

(11) Hij genas een zo grote menigte van bezetenen dat het aantal niet meer te berekenen valt. Toen ik er was, werd een meisje uit de betere kringen van Thessalonica bij hem gebracht dat al vele jaren aan verlamming leed. Twintig dagen lang zalfde hij haar eigenhandig met [115] heilige olie [heilige ? olie] terwijl hij voor haar bad, en hij stuurde haar weer genezen naar haar stad terug. Na haar terugkeer stuurde zij hem vele geschenken.

 

(12) Toen hij hoorde dat de Tabennisioten leefden volgens een grootse leefwijze, verkleedde hij zich als een arbeider uit de wereld en reisde in vijftien dagen door de woestijn naar de Thebaēs. Toen hij in het klooster van Tabennisi arriveerde, vroeg hij naar hun archimandriet die Pachomius heette, een man van groot aanzien die de gave van de profetie had. De waarheid omtrent Macarius bleef hem echter verborgen. Toen hij hem ontmoette, zei hij: 'Ik smeek u, neem mij op in uw klooster zodat ik monnik kan worden.'

(13) Toen zei Pachomius tot hem: 'Maar je bent al op een gevorderde leeftijd, dus je kunt je niet meer bekwamen in de ascese. De broeders hier zijn al asceten en je kunt hun inspanningen niet opbrengen. Dat red je niet en dan treed je uit en begin je kwaad over hen te spreken.' Hij accepteerde hem dus niet, de eerste dag niet, de tweede dag niet, en dat zeven dagen lang. Maar Macarius kon het opbrengen om al die tijd vastend te blijven wachten, en zei daarna tot Pachomius: 'Accepteer mij toch, vader, en als ik niet vast en werk zoals zij, geef dan bevel mij eruit te gooien.' Toen overtuigde hij de broeders hem te accepteren. De communiteit van dat ene klooster telt tot op vandaag [40.000] 1.400 mannen.

 

(14) Hij trad dus in. Na enige tijd brak de vastentijd aan en hij zag dat iedere monnik op een verschillende manier ascese bedreef. De een at alleen 's avonds, de ander om de twee dagen, een derde om de vijf dagen, en weer een ander stond de hele nacht, maar zat overdag. Macarius bevochtigde een flink aantal palmbladeren en ging daarmee in een hoek staan, en totdat de veertig dagen voorbij waren en het Pasen was geweest at hij geen brood en dronk geen water, hij boog zijn knieĎn niet en ging niet liggen. Behalve een paar koolbladeren at hij niets, en dat alleen op zondag, om de indruk te wekken dat hij toch at.

(15) En als hij al eens weg moest om zijn behoeften te doen, keerde hij snel terug en ging daar weer staan, zonder tegen iemand iets te zeggen, want hij deed zijn mond niet open en stond er maar te zwijgen. Afgezien van het gebed in zijn hart en de palmbladeren in zijn handen ondernam hij niets. Alle asceten zagen dat en maakten ruzie met de abt, zeggende: 'Waar hebt u die man zonder lichaam vandaan gehaald? Gooi hem eruit of weet dat wij er anders allemaal vandoor gaan.' [117] Toen Pachomius over deze wijze van ascese hoorde, bad hij dat God hem zou openbaren wie deze man was.

(16) En dat werd hem geopenbaard. Toen pakte hij Macarius bij de hand en leidde hem naar de kapel waar het altaar was en zei tot hem: 'Kom hier, eerwaarde, u bent Macarius en u hebt dat voor mij verborgen gehouden. Jarenlang heb ik ernaar verlangd u te ontmoeten. Ik dank u dat u mijn kinderen een flink lesje hebt geleerd, zodat ze niet meer prat kunnen gaan op hun eigen ascetische deugden. Maar keer nu terug naar uw eigen plek, want u hebt ons voldoende gesticht, en bid voor ons.' Na dat verzoek trok hij zich terug uit het klooster.

 

(17) Een andere keer vertelde hij ons het volgende: 'Na erin geslaagd te zijn elke vorm van ascese waarin ik mezelf wilde bewijzen te vervolmaken, kreeg ik nog een ander verlangen: ik wilde vijf dagen lang mijn geest zonder enige afleiding op God richten. Toen ik die beslissing had genomen, sloot ik mijn cel en de hal om niemand te woord hoeven te staan, en vanaf de tweede dag hield ik mij daar onbeweeglijk. Ik gaf mijn geest een opdracht: "Daal niet af uit de hemel. Daar heb je de engelen, de aartsengelen, de krachten van omhoog, de God van het heelal. Daal niet af tot beneden de hemel."

(18) Na dit twee dagen en nachten te hebben volgehouden irriteerde ik de demon dermate dat hij zich voordeed als een vurige vlam en alles wat er in mijn cel was verbrandde. Zelfs het matje waarop ik stond ging in vlammen op en ik dacht dat ik zelf ook helemaal in brand stond. Ten slotte moest ik er op de derde dag overweldigd door angst mee ophouden omdat ik mijn geest niet meer voor afleiding kon vrijwaren, dus ik daalde weer af om de wereld te zien, om niet de indruk van arrogantie te wekken.'

(19) Toen ik zelf eens deze heilige Macarius ging opzoeken, vond ik buiten zijn cel een priester van een dorp die daar op de grond lag. Zijn hoofd was helemaal weggevreten door de ziekte die kanker heet, en je kon het bot boven op zijn hoofd zien blootliggen. Hij was gekomen om genezen te worden, maar Macarius had hem niet binnengelaten. Toen verzocht ik hem: 'Alstublieft, heb toch medelijden met hem, en geef hem antwoord.'

(20) Maar hij zei tegen mij: 'Hij verdient het niet genezen te worden. Dit is hem overkomen als een les. Als je wilt dat hij genezen wordt, overtuig hem er dan van dat hij moet ophouden de [118] mis te bedienen. Want dat doet hij terwijl hij in ontucht leeft, en daarom krijgt hij die les. Maar God geneest hem.' Toen ik dat de getroffen man meedeelde, stemde hij ermee in en zwoer nooit meer voor te gaan. Toen pas ontving Macarius hem en zei: 'Geloof je dat God bestaat?' 'Ja,' zei de man.

(21) 'Kun jij God in de maling nemen?' 'Nee,' antwoordde hij. 'Als jij je zonden inziet en ook de les begrijpt waarom God je dit heeft doen overkomen, neem je dan voor voortaan beter te leven.' Daarop beleed hij zijn schuld en beloofde nooit meer te zondigen en nooit meer de mis op te dragen, maar de lekenstand aan te nemen. Macarius legde hem de hand op en na een paar dagen was hij genezen. Hij kreeg weer haar en ging gezond naar huis.

[Hier ontbreekt een §]

(22) Met eigen ogen heb ik gezien dat een jongetje dat bezeten was door een boze geest bij hem werd gebracht. Hij legde hem de ene hand op het hoofd en de andere op het hart en hij bad zo lang tot hij de jongen in de lucht liet zweven. De jongen zwol op [en werd zo groot dat hij totaal misvormd werd] als een wijnzak en raakte zo verhit dat het leek of hij helemaal aan wondroos leed. Plotseling schreeuwde hij het uit en begon uit al zijn [lichaamsopeningen] zintuigen water te laten wegstromen, en toen hij uiteindelijk leeg was, nam hij weer zijn gewone formaat aan. Na de jongen [met zijn eigen handen] met heilige olie gezalfd te hebben en met water begoten te hebben, gaf hij hem terug aan zijn vader. Hij beval hem veertig dagen lang geen vlees en wijn te nuttigen. En zo genas hij hem.

 

(23) Eens werd hij geteisterd door gedachten van ijdelheid die hem uit zijn cel verdreven en hem suggereerden om bij wijze van goede daad naar Rome te gaan om daar de zieken te genezen. Want de gave die hem macht gaf over boze geesten werkte krachtig in hem. Toen hij een lange tijd daaraan geen gehoor gaf maar hem het vuur wel na aan de schenen werd gelegd, viel hij neer op de drempel van zijn cel, stak zijn voeten naar buiten, en zei: 'Trek me maar, demonen, sleep me maar! Want ik ga niet op mijn eigen voeten. Als jullie kans zien me zo weg te brengen, dan ga ik mee.' En hij bezwoer hen: 'Ik blijf hier tot vanavond liggen. Als jullie me dan niet van mijn plek hebben gekregen, dan luister ik echt niet meer naar jullie.'

(24) Na er lange tijd gelegen te hebben stond hij op. Maar toen het nacht werd, vielen ze hem weer aan. Hij vulde toen een mand met twintig kilo zand, zette die op zijn schouders en zwierf ermee door de woestijn. [119] Daar kwam Theosebius Kosmetor uit AntiochiĎ hem tegen en die zei: 'Vader, wat draagt u daar? Geef die last toch aan mij en vermoei uzelf er niet mee!' Maar hij antwoordde: 'Ik vermoei degene die mij vermoeit, want hij weet van geen ophouden en probeert mij naar het buitenland te krijgen.' Na lange tijd rondgezworven te hebben keerde hij terug naar zijn cel, en hij had zijn lichaam vermurwd.

[Dit stuk, tot § 27, staat niet in mijn Lausiaca]

(25) Deze heilige Macarius vertelde mij eens het volgende (bedenk dat hij een priester was): 'Ik merkte tijdens het uitdelen van de mysteriĎn dat ik het offer nooit had gegeven aan de asceet Marcus, want een engel reikte hem dat aan vanaf het altaar. Ik zag alleen maar de botjes van de hand van degene die hem dat gaf.' Deze Marcus was een heel jonge man, die het Oude en het Nieuwe Testament uit zijn hoofd kende, een heel zachtmoedig iemand en bescheidener dan wie ook.

(26) Op een dag ging ik op een geschikt moment naar hem toe - hij was toen al op zeer hoge leeftijd - en ik posteerde mij voor zijn deur om te horen wat hij zou zeggen of doen. Op zijn leeftijd achtte ik hem verheven boven andere mensen. En hij was binnen, helemaal alleen, een man van tegen de honderd die al zijn tanden kwijt was, en hij vocht met zichzelf en de duivel. Hij zei: 'Wat wil je, ouwe schurk? Kijk, je hebt olie en wijn gehad. Wat wil je nog meer, grijze veelvraat?' Zo schold hij zichzelf uit. En daarna ook de duivel: 'Ben ik je nog iets schuldig? Je vindt toch niets, dus ga maar van me weg!' En alsof hij aan het spotten was, zei hij tot zichzelf: 'Kom, ouwe veelvraat, hoelang moet ik nog bij je zijn?’

[De volgende §§ zijn in mijn Lausiaca iets uitgebreider]

(27) Zijn leerling Paphnoutius vertelde mij dat een hyena eens een blind jong van haar bij Macarius bracht. Ze klopte met haar kop op de deur en ging de hof binnen waar hij buiten zijn cel zat en wierp het jong aan zijn voeten. De heilige pakte het jong, spuugde het op zijn ogen en bad, en direct kon het dier weer zien. De moederhyena zoogde het jong, pakte het op en ging weg.

(28) De volgende dag bracht het dier de heilige de vacht van een groot schaap. De gezegende Melania vertelde mij: 'Ik kreeg die vacht van Macarius als een gastgeschenk.' Wat is er trouwens zo wonderlijk aan dat Hij die de leeuwen voor DaniĎl tam maakte, ook de hyena's inzicht gaf? Hij placht te vertellen dat hij sinds hij gedoopt was niet meer op de grond spuugde, en het was al zestig jaar geleden dat hij gedoopt was. [120]

(29) Wat betreft zijn uiterlijk, hij was klein van stuk en had geen baard; alleen op zijn lippen en het puntje van zijn kin had hij haren. Door zijn extreme ascetisme wilden namelijk zijn gewone baardharen niet groeien. Ik ging een keer naar hem toe omdat ik leed aan verveling en lusteloosheid, en ik zei hem: 'Vader, wat moet ik doen? Ik heb deprimerende gedachten die mij zeggen: "Je voert hier niets uit, ga toch weg!'" Toen zei hij tegen mij: 'Vertel ze maar dat ik om Christus' wil de muren bewaak.' Dit zijn maar een paar verhalen over de heilige Macarius die ik heb verteld van de vele die er zijn.

 

[Lausiaca, hoofdstuk XXI, over Abba Mark, ontbreekt hier]

XIX MOZES DE ETHIOPIŤR

[Is hoofdstuk XXII in mijn Lausiaca]

(1) Er was een man genaamd Mozes, een zwarte EthiopiĎr, die slaaf van een overheidsbeambte was. Zijn meester ontsloeg hem wegens veelvuldig wangedrag en diefstal. Er werd zelfs gezegd dat hij moorden op zijn geweten had. Ik moet deze wandaden wel vermelden om zo de kwaliteit van zijn bekering duidelijk te kunnen maken. Men vertelde dat hij de aanvoerder van een roversbende was, en onder zijn roversactiviteiten is de volgende wel een echt wapenfeit. Hij koesterde wrok tegen een herder die hem op een nacht met zijn honden een bepaalde actie onmogelijk had gemaakt.

(2) Omdat hij hem wilde vermoorden, doorkruiste hij het gebied waar de herder zijn schapenstal had. Men had hem verteld dat dat aan de overkant van de Nijl was. Er was toen net een overstroming en de Nijl was wel anderhalve kilometer breed. Hij nam zijn zwaard tussen zijn tanden, bond zijn kleren boven op zijn hoofd en zo zwom hij de rivier over. Terwijl hij bezig was de rivier over te zwemmen, zag de herder kans zich te verstoppen, en wel door zichzelf onder het zand te begraven. Mozes doodde toen zijn vier beste rammen, bond ze aan elkaar met een touw, en zwom weer terug.

(3) Toen hij bij een klein [dorp] poortgebouw kwam, vilde hij de dieren. Hij at het beste vlees zelf op en verkocht de huiden in ruil voor wijn. Daarvan dronk hij wel een saēte - dat is in Romeinse termen wel zo'n negen liter - en keerde daarna terug naar zijn bende, zo'n tachtig kilometer daarvandaan.

Pas laat kwam deze zondaar door een of ander voorval tot bekering [121] en toen meldde hij zich aan bij een klooster. Hij wijdde zich zo intens aan de praktijk van boetedoening dat hij zelfs de demon die vanaf zijn jeugd zijn compagnon in het kwaad was geweest tot erkenning van Christus bracht. Zo wordt er ook verteld dat hij eens, toen hij in zijn cel zat, werd overvallen door rovers die niet wisten wie hij was. Ze waren met z'n vieren.

(4) Hij bond ze gewoon aan elkaar, nam ze als een bundel stro op zijn rug en bracht ze naar de kerk van de broeders. Daar zei hij: 'Omdat ik niemand kwaad mag doen, moeten jullie maar zeggen wat ik met die lui moet doen.' Toen beleden zij hun zonden, en toen ze in de gaten kregen dat hij Mozes was, die beruchte rover over wie ooit iedereen sprak, verheerlijkten zij [de naam van Christus] God en ook zij zeiden de wereld vaarwel onder invloed van zijn verandering. Ze dachten namelijk: als hij, die zo'n sterke en machtige rover was, God is gaan vrezen, waarom zouden wij onze redding dan uitstellen?

 

(5) Toen begonnen demonen deze Mozes [de Gezegende (want zo moeten we hem wel nomen)] aan te vallen, en wel door te proberen hem naar [wilde gedachten aan neuken] zijn oude gewoonte terug te drijven, namelijk ongeremde hoererij. Hij werd zo vreselijk in verzoeking gebracht dat, zoals hijzelf vertelde, zijn roepingvastberadenheid sterk aan het wankelen werd gebracht. Hij ging toen naar de grote Isidorus die in de woestijn van Sketis verbleef, en vertelde hem over de oorlog [tegen het neuken] die hij te voeren had. Maar die zei tot hem: 'Wees niet bedroefd, zo gaat dat in het begin, ze vallen je dan des te heftiger aan door te proberen je oude gewoontes te doen herleven.

(6) Een hond op een vleesmarkt gaat daar niet vandaan uit gewoonte, maar pas als die markt sluit en niemand hem meer iets geeft, blijft hij daar weg. Zo is het ook in jouw geval: als jij standvastig blijft, dan zal de demon jou ontmoedigd alleen laten.'

[Mozes de dienaar van Christus] Hij ging weer terug en vanaf dat moment wijdde hij zich met nog meer ijver aan de ascese, vooral als het voedsel betrof. Hij nam alleen nog maar droog brood, ongeveer drie ons, en verzette bijzonder veel werk onder het uitspreken van vijftig gebeden per dag.

[Na enige tijd, echter] Maar hoewel hij zijn lichaam afmatte, bleef hij toch [druk bezig in zijn geest, vooral tijdens zijn] door vurige begeerten en dromen gekweld worden.

(7) Hij raadpleegde toen een [bepaalde] andere van de heiligen [monnik] en vroeg: 'Wat moet ik doen [, Abba]? De dromen van mijn ziel verduisteren mijn verstand met hun gebruikelijke genotzucht.' Hij kreeg als antwoord: [121] 'Omdat jij je geest nog niet hebt vrijgemaakt van fantasieĎn over die dingen, heb je hiervan te lijden. Neem je toevlucht tot nachtwaken, bidden en vasten, dan zul je snel hiervan verlost worden.' Hij nam ook dit advies ter harte en ging heen. In zijn cel nam hij zich voor de hele nacht niet te slapen en zijn knie niet te buigen [onder het voorwendsel van bidden, om de tirannie van de slaap uit te bannen.].

 

8) Hij bleef daarop zes jaar lang [rechtop staan] in zijn cel en stond alle nachten midden in zijn cel te bidden zonder een oog dicht te doen. Toch kreeg hij [zijn onmatige begeerten] de zaak niet onder controle. Daarom nam hij weer een andere levenswijze op zich. [Deze strijder met de Duivel] Hij ging 's nachts naar de cellen van [die monniken die oud waren geworden door de praktijk van hunlevenswijze en die niet meer instaat waren zonder hulp water te halen] de oude en meer gevorderde asceten, nam hun waterkruiken en vulde ze heimelijk met water - ze moeten het water namelijk van verre halen, sommigen drie kilometer, anderen wel acht, weer anderen echter nog geen één.

(9) Op een nacht [besliste] kon de demon die [in de gaten had wat hij aan het doen was dat hij de volharding van deze atleet niet langer kon verdragen] op hem lag te wachten zich niet meer beheersen, en toen Mozes zich voorover boog in de put, sloeg hij hem met een knuppel op zijn [rug] lendenen en liet hem als dood liggen, zonder dat Mozes merkte wat hem was aangedaan en door wie. De volgende dag werd hij gevonden [,daar levenloos liggend] door [een monnik] iemand die water kwam putten, en die berichtte dat aan de grote Isidorus, de priester van Sketis. Deze [kwam met een paar anderen en] nam hem mee en bracht hem naar de kerk, en hij bleef een heel jaar lang zo ziek dat zijn lichaam en ziel maar met moeite hun [samenhang konden bewaren] oude kracht herkregen.

(10) De grote Isidorus zei tot hem: 'Mozes, houd maar op met de demonen te [vechten] twisten en [houdt maar op met de oorlog] ga maar niet meer tegen hen tekeer, want [je moet wat gematigder zijn in je levenswijze.] er zijn grenzen ook aan de moed die zich uit in ascese.' Maar hij zei: 'Ik houd niet op voordat die door demonen ingegeven [de] fantasieĎn [van mijn dromen] ophouden!' Daarop zei Isidorus [, de priester, de dienaar van Christus]: 'In de naam van Jezus Christus, je [smerige] dromen zijn [vanaf nu] opgehouden! Neem nu vol vertrouwen [en met een goed geweten] deel aan de communie. [Maar schep hier niet over op alsof je door je eigen inspanning je] Je bent hieraan onderworpen geweest voor je eigen bestwil, om te voorkomen dat je er prat op zou gaan de hartstochten de baas te zijn [bent] geworden.' [Het is God die zijn kracht in jou heeft getoond, voor jouw nut, dus overschat jezelf niet.]

 

[De volgende § te kort en gebrekkig vertaald; ik geef maar twee verbeteringen]

(11) Hierna keerde hij weer terug naar zijn cel. Ongeveer twee maanden later antwoordde hij op een vraag van Isidorus dat hij nergens meer last van had. Hij werd de gave van macht over de demonen waardig gekeurd, en wel in die mate dat hij nog minder bang was voor een demon dan wij voor een mug [zo weinig last had van de aandacht van demonen als van vliegen in de winter]. Zo was de levenswandel van Mozes de EthiopiĎr. Ook hij werd gerekend tot de groten onder de vaders. [123] Hij stierf op 75-jarige leeftijd in Sketis waar hij priester geworden was en liet [75] zeventig leerlingen achter.

 

(...) [Overgeslagen 13 hoofdstukken: PAUL, Life of a VIRGIN, CRONIUS, PAUL THE SIMPLE, PACHON, STEPHAN, VALENS, ERO, PTOLEMY, A lapsed VIRGIN, ELIAS, DOROTHEUS, Amma PIAMUN.]

XXXII PACHOMIUS EN DE TABENNISIOTEN

 (1) Tabennisi is een plaats in de Thebaēs waar een zekere Pachomius woonde. Hij was een man die behoorde tot degenen die een oprecht leven leiden en daarom kreeg hij ook de gave van de profetie en door engelen gezonden visioenen. Hij was iemand van een zeldzame menslievendheid en had ook een grote broederliefde. Hij zat eens in zijn grot en toen verscheen hem een engel die tot hem zei: 'Wat jezelf betreft heb je de volmaaktheid bereikt. Het heeft daarom geen zin meer in je grot te blijven zitten. Kom, ga naar buiten en roep alle jonge monniken samen en ga met hen samen wonen. En je moet aan hen regels geven naar het voorbeeld dat ik je nu ga geven.' Toen gaf hij hem een bronzen plaat waarop het volgende stond geschreven:

(2) 'Je moet iedereen toestaan te eten en te drinken in de mate die men nodig heeft. Naargelang de krachten van degenen die eten moet je hun ook taken opdragen. Verbied niemand te vasten of te eten. Draag de zwaardere taken op aan de sterkeren die eten, en de minder zware aan de zwakkeren die meer ascese bedrijven. Maak aparte cellen in de binnenhof en laat in elke cel drie monniken wonen. Maar maaltijden moeten door allen in een gemeenschappelijk vertrek genuttigd worden.

(3) Men mag niet liggend slapen, maar wel zittend op stoelen die zo gemaakt zijn dat de rugleuning achterover helt. Hierover heen zijn dan dekens gelegd. Men moet 's nachts een linnen tuniek met een ceintuur dragen. Iedereen moet ook een jas van geitenvacht hebben die hij bij het eten altijd moet dragen. Als men op zaterdag en zondag ter communie gaat, mag men de ceintuur losmaken, de jas van geitenvacht uitdoen, en alleen met de cape met capuchon naar binnen gaan.' Hij maakte die namelijk voor hen zonder haar, als voor kinderen, en daarop liet hij ook een purperen brandmerk aanbrengen in de vorm van een kruis.

(4) Hij bepaalde dat er 24 klassen monniken zouden zijn en elke klasse duidde hij aan met een letter van het Griekse alfabet: alfa, bźta, gamma, delta enzovoort. Dus als bijvoorbeeld een overste aan [124] zijn secondant iets wilde vragen over of zich anderszins bezighouden met een zo grote menigte monniken, dan zei hij: 'Hoe gaat het met sectie alfa?' of 'Hoe staat zźta ervoor?' of 'Doe de groeten aan rho.' Iedere letter had ook zo zijn symbolische waarde. 'Aan de wat meer eenvoudige en onbedorvenen moet je de letter iota toewijzen, maar aan de moeilijkere en gecompliceerdere typen de letter xi.'

(5) Op die manier koos hij op grond van de aard van hun neigingen, hun gewoonten en hun manier van leven een geschikte letter voor elke orde. Maar alleen de meer geestelijk ingestelden kenden de symbolische waarde ervan.

 

Verder stond er op de bronzen plaat: 'Een vreemde monnik van een ander klooster met een andere regel mag niet samen met hen eten of drinken of zelfs maar het klooster binnenkomen, behalve wanneer blijkt dat hij echt op reis is. Degene die echter binnenkomt om bij hen te blijven wonen, laten ze drie jaar lang niet binnen de heilige ruimten komen. Pas als hij drie jaar het zwaardere handwerk heeft verricht, mag hij binnenkomen.

(6) Wanneer ze eten, moeten ze hun hoofden bedekken met hun capuchons, want de ene broeder mag de andere niet zien kauwen. Ook mag men tijdens het eten niet praten of zijn oog van zijn bord of de tafel elders heen laten dwalen.' Verder schreef hij voor dat ze overdag twaalf gebeden moesten zeggen, ook twaalf tijdens de avonddienst, twaalf tijdens de nachtdienst, en drie op het negende uur. Een ander voorschrift was dat ze, wanneer de gemeenschap ging eten, ieder gebed door een psalm moesten laten voorafgaan.

(7) Toen Pachomius de engel tegenwierp dat er te weinig gebeden waren, zei de engel tot hem: 'Ik heb dat voorgeschreven zodat ook de 'kleinen' de regel kunnen uitvoeren zonder eronder te lijden. De volmaakten hebben helemaal geen regelgeving nodig; die hebben in hun cellen toch al hun hele leven aan contemplatie van God gewijd. Ik heb de regels gegeven voor diegenen wier geest niet tot ware kennis in staat is, zodat ook zij, als huisslaven, hun rol in het leven kunnen vervullen en in vrijmoedigheid leven.'

(8) Er is nu een groot aantal kloosters dat zich aan die regel houdt en het aantal van hun bewoners loopt wel op tot zevenduizend. Het eerste grote klooster is dat waarin Pachomius zelf woonde en waaruit [125] alle andere kloosters zijn voortgekomen; in dat klooster woonden [ongeveer 1.400]  1.300 man [vanaf is het in mijn Lausiaca een apart hoofdstuk, namelijk XXXIX, over Abba Aphthonius] onder wie ook mijn goede vriend Aphthonius, die nu onderabt is in het klooster. Onkreukbaar als hij is, zonden de monniken hem naar AlexandriĎ om hun producten te verkopen en in te kopen wat ze nodig hadden.

(9) Er zijn ook nog andere kloosters, met tweehonderd ą driehonderd monniken. Ik bezocht een van die kloosters toen ik in Panopolis was en trof er driehonderd mannen aan. Ze verrichten allerlei soorten arbeid, en van wat ze overhouden van de opbrengsten onderhouden ze ook de nonnenkloosters en gevangenissen.

(10) (.. .) (Heel § 10 is waarschijnlijk een latere toevoeging) [Wat zou die hiermee bedoelen?]

 (11) Degenen die dagdienst hebben staan vroeg op en gaan naar de keuken of naar de eetzaal. Tot aan etenstijd zijn ze bezig met het bereiden van voedsel, het op tafel zetten van broden, geconserveerde kruiden, olijven, kazen, en rauwkost. Sommigen komen al op het zesde uur binnen om te eten, anderen het zevende, achtste, negende, elfde uur, nog anderen pas 's avonds laat, en weer anderen om de twee dagen. Zo weet iedere letter zijn eigen tijd.

(12) Met hun werk is het net zo. De een werkt als boer, de ander als tuinier, weer een ander als koperslager, als bakker, als architect, als leerlooier, als wever van grote manden, als schoenmaker, als huidennaaier, als kalligraaf, of als mandjeswever. Ze kennen de hele Bijbel uit hun hoofd.

 

[In mijn Lausiaca staat nog een § over vrouwenkloosters die niet is vertaald door Van der Horst]

 

(...) [Overgeslagen zo’n 23 hoofdstukken: VIRGIN ten onrechte beschuldigd, POEMENIA, AMMON, BE, THEONA, ELIA. HELEN, APELLE, nog een JOHN, PAPHNUTIUS, TICINE, PROTOCOMES, MERCATOR, APOLLONIUS, PHILEMON, DIOSCUROS, monniken van NITRIA, nog een AMMON, ISIDORE, AMMON de priester, JOHN, PITYRION, en EULOGIUS.]

XXXVII SARAPION

[enkele correcties]

(1) Er was een zekere Sarapion die men Sindonius noemde omdat hij niets anders aanhad dan een linnen lap [een ‘sindon’]. Zijn ascese betrof vooral het radicaal afstand doen van alle bezit. [Hij had geen enkele ontwikkeling en daarom werd hij geacht onverschillig te zijn voor elke vorm van lichamelijk gemak. Ook al kon hij niet lezen, leerde hij toch] Hij was een zeer ontwikkelde man die de hele Bijbel uit zijn hoofd kende. Met al zijn bezitloosheid en meditatie over de Schriften bracht hij het niet op om rustig in een cel te wonen. Niet dat hij werd afgeleid door materiĎle [begeerten] zaken, maar [hij werd aangetrokken door het leven als apostel en] hij trok de hele bewoonde wereld door en [hing de meest totale armoede aan en] vervolmaakte [doorzettingsvermogen] die deugd. Dat was nu eenmaal zijn aard, [want] en er zijn verschillen van aard, [ook al hebben alle mensen dezelfde menselijkheid] niet van wezen.

(2) De vaders vertelden dat hij eens een asceet als compagnon nam en zichzelf aan enkele heidense acteurs in een stad verkocht voor [126] twintig muntstukken. Die munten verzegelde hij en hij bewaarde ze bij zichzelf. Hij bleef als slaaf in dienst bij de acteurs die hem hadden gekocht totdat hij hen tot christenen had gemaakt en van het theater afstand had doen nemen. Hij nam alleen water en brood en zijn mond hield niet op schriftwoorden te citeren.

(3) Het duurde geruime tijd voordat eerst de acteur tot inkeer kwam, daarna de actrice, en daarna hun hele familie. Het verhaal gaat dat zolang zij niet wisten wie hij was, hij elke keer hun beider voeten waste. Maar ten slotte lieten beiden zich dopen en zeiden het toneelspel vaarwel. Ze bekeerden zich tot een eerbiedwaardig en godvruchtig leven en hielden de man in hoog aanzien. Ze zeiden tot hem: 'Luister, broeder, we willen je vrijlaten omdat jijzelf ons van die schandelijke slavernij hebt bevrijd.' Toen antwoordde hij hun: 'Omdat God gehandeld heeft om jullie ziel te redden, wil ik jullie het geheim van mijn optreden vertellen.

(4) Ik ben een vrij man en een Egyptische asceet, maar ik kreeg medelijden met jullie ziel en daarom heb ik mij aan jullie verkocht om jullie te redden. Nu God dit gedaan heeft en jullie zielen gered zijn door middel van mijn nederige staat, verzoek ik jullie het geld weer terug te nemen zodat ik kan vertrekken en anderen gaan helpen.' Maar ze deden hem een dringend verzoek en verzekerden hem: 'We zullen je als onze vader en meester beschouwen, als je maar bij ons blijft!' Ze konden hem echter niet overhalen. Toen zeiden ze: 'Geef het geld aan de armen, want dan is het een onderpand van onze redding. Maar bezoek ons dan ten minste één keer per jaar.'

(5) Tijdens een van zijn vele reizen kwam hij ook eens in Griekenland. Hij verbleef drie dagen in Athene waar niemand zich verwaardigde hem een stuk brood te geven. Hij had helemaal niets bij zich, geen geld, geen knapzak, geen jas, niets. Toen de vierde dag aanbrak, had hij vreselijke honger - want honger kan heel erg zijn als die niet vrijwillig is en ook nog gepaard gaat met onverschilligheid van anderen. Daarom ging hij op een heuvel top staan waar de stadsbestuurders zich plachten te verzamelen, en begon luidkeels te weeklagen, en terwijl hij hard in zijn handen klapte zei hij: 'Mannen van Athene, help!'

(6) Toen kwam iedereen op hem af rennen, zowel filosofen als arbeiders, en ze zeiden: 'Wat heb je? Waar kom je vandaan? Wat is er aan de hand met je?' Toen zei hij: 'Ik ben een Egyptenaar. Maar sinds ik mijn ware [127] vaderland heb verlaten, ben ik in handen van drie geldschieters gevallen. Twee van hen laten mij nu met rust omdat ik alle schulden heb voldaan en zij niets meer op te eisen hebben, maar die derde wil mij niet met rust laten.' Toen wilden ze weten wie die schuldeisers waren, om hun nieuwsgierigheid te bevredigen, en ze vroegen hem: 'Waar zijn ze en wie zijn het? Wie is degene die je lastigvalt? Wijs hem aan, dan kunnen we je helpen.'

(7) Toen vertelde hij hun: 'Vanaf mijn jeugdjaren ben ik geplaagd door geldzucht, vraatzucht, en onkuisheid. Van twee heb ik mij bevrijd, geldzucht en onkuisheid; die vallen me niet meer lastig. Maar van die vraatzucht kan ik me maar niet bevrijden. Want ik heb nu voor de vierde dag niet gegeten en mijn maag blijft mij maar lastigvallen en eist haar gewone portie op, waar ik niet zonder kan.' Toen gaven enkele filosofen, die vermoedden dat hij een [allegorisch] stukje opvoerde, hem een munt. Hij nam die in ontvangst en ging ermee naar een bakkerswinkel waar hij een brood kocht. Daarop verliet hij onmiddellijk de stad om er nooit meer terug te keren.

(8) De filosofen zagen in dat hij werkelijk een deugdzaam mens was. Ze gaven de bakker de prijs van het brood en kregen de munt terug.

Daarna ging hij naar [een plaats in de buurt van Lacedaemonia] Sparta en vernam daar dat een van de vooraanstaande bewoners met zijn hele gezin manicheeĎr was, al was het verder een rechtschapen man. Net als in het vorige geval verkocht hij ook nu weer zichzelf aan die man. Binnen twee jaar had hij hem van zijn ketterse ideeĎn afgebracht en wist hij ook diens vrouw tot de kerk te leiden. Ze kregen hem lief en beschouwden hem niet langer als hun slaaf maar als een echte broeder of vader, en ze verheerlijkten God.

(9) Hij scheepte zich eens in op een boot die naar Rome zou varen. De zeelui dachten dat hij óf de reissom al had betaald óf het bedrag in baar geld bij zich had. Ze accepteerden hem zonder meer als passagier. Elk dacht van de ander dat hij diens geld had geēnd. Toen ze waren afgevaren en al zo'n negentig kilometer van AlexandriĎ verwijderd waren, begonnen tegen zonsondergang de opvarenden te eten (de matrozen hadden toen al gegeten).

(10) Men constateerde toen dat hij niets at, maar omdat het de eerste dag was, dacht men dat het vanwege het varen was. Maar zo ging het ook op de tweede, derde en vierde dag. Toen ze op de vijfde dag hem stilletjes zagen zitten terwijl [128] de anderen aan het eten waren, zeiden ze: 'Man, waarom eet je niet?' Hij zei: 'Omdat ik niks heb.' Hierna vroegen ze zich onderling af: 'Wie heeft eigenlijk zijn bagage of zijn geld ingenomen?'

(11) Toen ze ontdekten dat niemand dat gedaan had, begonnen ze ruzie met hem te maken en zeiden: 'Hoe ben jij zonder geld hier binnengekomen? Hoe denk je ons de overtocht te betalen? En waarmee denk je jezelf te voeden?' Toen zei hij: 'Ik heb helemaal niets. Neem mij maar mee terug en dump me maar waar jullie me gevonden hebben.' Nu zouden ze voor geen honderd geldstukken de reis hebben willen onderbreken, dus ze zetten hun koers voort. Zo kwam hij dus op dat schip en ze gaven hem uiteindelijk te eten tot ze in Rome kwamen.

 

(12) Toen hij in Rome aankwam, probeerde hij uit te zoeken wie in die stad de grote asceten waren, hetzij mannen, hetzij vrouwen. [Vanaf hier in mijn Lausiaca hoofdstuk LXXXXIV, Het Leven van Abba DOMNIO] Hij ontmoette daar onder anderen Domninus, een leerling van Origenes, wiens bed na zijn dood zieken genas. [Vanaf hier in mijn Lausiaca hoofdstuk LXXXXV, Een zwijgende MAAGD] Toen hij hem ontmoette, hielp deze hem, want het was een man van hoog moreel en intellectueel gehalte. Hij vernam van hem welke asceet, man of vrouw, zich daar bevond en kwam zo het bestaan te weten van een maagd die in afzondering leefde [opgesloten in een cel, voor vijfentwintig jaar, die het zwijgen beoefende en nooit met iemand sprak] en nooit iemand ontmoette.

 

(13) Toen hij hoorde waar ze woonde, ging hij erheen en zei tegen de oude vrouw die haar verzorgde: 'Vertel de maagd dat het nodig is dat ik haar ontmoet, want God heeft mij gestuurd.' Na twee of drie dagen wachten mocht hij haar ontmoeten en zei: 'Waarom zit je altijd?' Ze zei: 'Ik zit niet, ik reis.' Toen zei hij: 'Waarheen ben je onderweg?' En zij: 'Naar God.' Daarop vroeg hij haar: 'Leef je nog of ben je al dood?' Ze antwoordde: 'Ik geloof in naam van God dat ik al dood ben, want iemand die nog in het lichaam leeft kan zo'n reis niet maken.' Hij zei tot haar: 'Om mij te overtuigen dat je dood bent, doe wat ik doe.' Hierop zei ze: 'Draag mij iets op wat mogelijk is en ik zal het doen.'

(14) Hij antwoordde: 'Voor iemand die dood is, is alles mogelijk, behalve een goddeloze daad.' Toen zei hij: 'Ga naar buiten en laat je zien.' Maar zij antwoordde hem: 'Ik ben al vijfentwintig jaar niet naar buiten gegaan, waarom zou ik dat nu dan wel doen?' Daarop zei hij: 'Als jij gestorven bent aan de wereld en de wereld aan jou,56 dan maakt het je toch niets meer uit of je nu wel of niet naar buiten gaat? Ga daarom naar buiten.' En ze ging naar buiten. [129] Nadat ze zichzelf buiten had vertoond en naar een kerk was gegaan, zei hij daar tegen haar: 'Als je me wilt overtuigen dat je gestorven bent en niet langer leeft om mensen te behagen, doe wat ik doe, dan weet ik dat je gestorven bent.

(15) Trek net als ik al je kleren uit, leg ze op je schouders, en loop dan [net als ik alleen gekleed in een ‘sindon’] in deze gedaante dwars door de stad heen met mij voorop.' Toen zei ze tot hem: 'Met zo'n onfatsoenlijke daad zou ik velen shockeren, en dan kunnen ze zeggen, "Die is gek en door een demon bezeten.'" Hij antwoordde haar: 'En wat kan jou dat schelen als ze zeggen, "Die is gek en door een demon bezeten"? Want jij bent aan hen gestorven.' Zij zei echter tot hem: 'Als je iets anders wilt, zal ik het doen. Maar ik beroem mij er niet op dat stadium bereikt te hebben.'

(16) Ten slotte zei hij [die groot doorzettingsvermogen had] tot haar: 'Kijk, je moet niet meer zo groot over jezelf denken [of over jezelf opscheppen], alsof je vromer bent dan alle anderen, [en meer] of dood aan de wereld, want [zelfs] ik ben meer dood dan jij. [opschepper!] Ik zal je nu metterdaad tonen dat ik wél aan de wereld gestorven ben, want [dus] ik ga dat nu onverstoorbaar en zonder gźne doen.' Hij ging heen en liet haar vol nederigheid en met gebroken trots achter [en gaf de richting aan waarin ze nederigheid moest zoeken].

Er zijn nog vele andere wonderen die hij verricht heeft en die bijdroegen aan het bereiken van beheersing van de hartstochten [deze zin is ook anders, maar niet belangrijk genoeg om te corrigeren]. Hij stierf op zestigjarige leeftijd en werd in [de woestijn] datzelfde Rome begraven.

XXXVIII EVAGRIUS

[veel correcties]

(1) Het zou onjuist zijn de lotgevallen van de beroemde diaken Evagrius, een man die een leven heeft geleid als dat van de apostelen, hier onvermeld te laten. Men moet deze dingen juist op schrift stellen tot stichting van de lezers en tot eer van de goedheid van onze Heiland. Het leek mij het beste in mijn uiteenzetting bij het begin te beginnen, daarna te vertellen hoe hij zijn doel bereikte, en ten slotte hoe hij na het bereiken van ascetische volmaaktheid op 54-jarige leeftijd stierf in de woestijn, zo vervullend wat er geschreven staat: 'In korte tijd heeft hij vele jaren voltooid.'

(2) Hij kwam uit de stad Ibora in Pontus en was de zoon van een [priester] plattelands bisschop. Hij werd tot voorlezer gewijd door de heilige Basilius, bisschop van de kerk in Caesarea. Na de dood van [de heilige bisschop] Basilius werd zijn begaafdheid opgemerkt door Gregorius van Nazianze [, de broer van Basilius], een bijzonder wijze en serene bisschop [op één lijn te stellen met de Apostelen], tevens een briljant geleerde, [130] die hem tot diaken wijdde. Tijdens de grote synode van Constantinopel stond Gregorius hem vervolgens af aan de gezegende bisschop Nectarius, iemand die [zijn vermogen om allerlei redeneringen over allerlei onderwerpen samen te vatten zeer kon waarderen.] zeer bedreven was in het weerleggen van ketterijen. In die [grootse] stad [kreeg hij een grote reputatie voor het publiekelijk weerleggen van] kwam hij tot bloei en in jeugdig enthousiasme bedreef hij polemiek tegen allerlei ketterijen.

(3) Nu gebeurde het dat hij, die inmiddels in heel de stad in hoog aanzien stond, [geobsedeerd] verstrikt raakte [door] in begeerte voor een vrouw. Hijzelf heeft dat later verteld toen hij eenmaal van [dergelijke] die dwanggedachte[n] bevrijd was. De vrouw was bovendien ook [geobsedeerd door] verliefd op hem. Ze behoorde tot de hogere kringen. Evagrius, die God vreesde en zijn eigen geweten respecteerde, en die de omvang van het schandaal en het leedvermaak van de ketters al voor zich zag, bad [nederig tot] God dat die het zou verhinderen. Terwijl [Hoewel hij van lust bezeten was en gevangen in zijn begeerten voor die] de razend verliefde vrouw [die zich aanbood] bij hem aandrong, wilde hij met haar breken, maar hij kon het niet. De boeien van zijn [verraderlijke lusten] verslaafdheid aan haar hielden hem tegen.

(4) Niet lang daarna, toen [na] zijn gebed [en voordat hij zijn begeerten ten uitvoer had kunnen brengen] voorkomen had dat hij de daad zou begaan, kreeg hij een door een engel gezonden visioen. Hij zag soldaten van de gouverneur, men greep hem, leidde hem voor een rechtbank, nam hem in hechtenis (wat de Romeinen custodia noemen) en bond zijn nek en zijn handen vast met ijzeren kettingen en boeien. Al die tijd vertelde [Terwijl] niemand van degenen die [hem vroeger volgden, hem konden vertellen] zich met hem bezighielden waarom dat gebeurde. Maar [zijn geweten sprak en] hij besefte dat [hij deze straf verdiende] hem dit overkwam vanwege haar, en hij vermoedde dat haar man erachter zat.

(5) [Zijn geest in verwarring, kwam hij tot die conclusie omdat hij betrokken was geweest bij soortgelijke processen waarbij de misdaden van ander mensen waren besproken. Zijn angst en mentale marteling waren zeer intens] Hij maakte zich er vreselijk zorgen over. Intussen vond er een ander proces plaats en werden er mensen gemarteld vanwege een of andere aanklacht, en zo bleef zijn angst groot. Toen veranderde de engel die hem het visioen zond van gedaante en deed zich aan hem voor als een echte vriend en sprak tot hem, terwijl hij daar vastgebonden zat samen met veertig [veroordeelde] criminelen: 'Meneer de diaken, waarom wordt u hier vastgehouden?' Hij zei: 'Ik weet het waarachtig niet, maar ik heb een vermoeden dat iemand, [een officier van hoge rang] de voormalige gouverneur, tegen mij ageert omdat hij door een [waanzinnig overdreven ijver gedreven wordt.] dwaze jaloezie bevangen is. En ik vrees dat [en] de magistraat [heeft] is omgekocht [die]  en mij tot [de meest ernstige] straf zal veroordelen.'

(6) Toen zei de engel [nog steeds in zijn gedaante van vriend]: 'Luister naar je vriend. Het is niet goed voor je als je in deze stad blijft.' Evagrius zei tegen hem: 'Als [jij] God mij uit deze ellendige situatie bevrijdt [daar] en jij me daarna nog in Constantinopel [bevrijdt] ziet, [zweer ik] weet dan dat ik die straf zonder meer zal ondergaan [, wetende dat ik meer straf verdiend heb].' [131] Toen zei de ander: 'Ik ga het Evangelie halen en dan moet jij mij daarop zweren dat je weggaat uit deze stad en zorg draagt voor je ziel; dan zal ik je uit deze noodsituatie bevrijden.'

(7) Toen het Evangelie gebracht was, zwoer hij daarop: 'Behalve deze ene dag die ik nodig heb om mijn bagage naar een schip te brengen, zal ik hier niet langer meer blijven.' Toen hij die eed had uitgesproken, keerde hij terug uit de [droom] extase die hem die nacht was overkomen. Hij stond op en dacht: ook al heb ik die eed in [een droom] extase afgelegd, ik heb hem toch gezworen. Hij bracht al zijn bezittingen naar een boot en vertrok naar Jeruzalem.

 

(8) Daar werd hij begroet door die gezegende vrouw uit Rome, Melania. Maar weer verhardde de duivel zijn hart, net als bij de Farao.  Hij was jong en in de bloei van zijn jeugd en daarom raakte hij in dubio. In zijn tweeslachtigheid vertelde hij niemand iets en hij [dacht erover om] wisselde weer van [burger]kledij [aan te doen], en de [verwarring] verdoving van de ijdele roemzucht [leidde snel tot luiheid] bleek zelfs uit zijn spraakgebruik. Maar God zelf, degene die de vernietiging van ons allen verhindert, dwarsboomde hem door hem een aanval van koorts te bezorgen en daarna in een langdurige ziekte [zodat hij] van maar liefst zes maanden [uitgeschakeld was] zijn lichaam uit te laten teren dat hem zo in de weg zat. [Hij was niet in staat om enige kracht op te brengen]

(9) Toen de dokters geen raad wisten en geen behandeling konden bedenken, zei de gezegende Melania tot hem: 'Mijn zoon [zoon?], die langdurige ziekte van jou bevalt me niet. Vertel me maar wat er op je hart ligt, want het kan niet zo zijn dat die ziekte van jou [alleen maar lichamelijk is] helemaal niets met God te maken heeft.' Toen biechtte hij haar de hele geschiedenis op [wat hem in Constantinopel overkomen was]. Daarna zei ze tot hem: 'Geef mij je erewoord ten overstaan van de Heer dat je het leven als kluizenaar als doel voor ogen houdt. En ook al ben ik een zondares, ik zal [tot God] voor je bidden dat je [voedsel voor je reis gegeven zal worden en dat je een doel in het] nog tijd van leven gegund zal [vinden] worden.' Hij stemde met haar in[, zij bad]  en binnen een paar dagen was hij [een stuk beter] genezen. Toen hij opstond, [Zij kleedde hem] kreeg hij van haar persoonlijk [in een monnikspij] nieuwe kledij en hij [vertrok naar een ver land,] verliet de stad om te gaan wonen op [dat wil zeggen naar] de berg in Nitria in Egypte.

 

(10) Daar woonde hij twee jaar en in het derde jaar vertrok hij naar de woestijn. Hij leefde veertien jaar in de [streek die bekend staat als] zogenaamde Kellia en al die tijd at hij maar drie ons brood per dag en gebruikte hij maar een halve liter olie in de drie maanden, terwijl hij een man was die gewend was aan een leven van verfijning, weelde en gemak. [132] Hij [componeerde zo’n] placht honderd [toespraken] gebeden te zeggen, en hij schreef per jaar [als het enige dat hij zich kon veroorloven voor zijn] niet meer dan nodig was voor het geld dat hij aan die maaltijden besteedde; hij was namelijk [een] zeer bedreven [en snelle schrijver] in het schrijven van het oxyrhynchische lettertype. [Een maand na zijn] Binnen vijftien[de] jaar [werd hij waardig bevonden] had hij de hoogste graad van reinheid van geest bereikt en hem werd daarom de gave[n] van kennis en wijsheid en onderscheiding der geesten [toegekend te worden] waardig gekeurd. Hij schreef drie heilige boeken voor monniken, Antirrhetika geheten, [dat wil zeggen. Weerleggingen,] met adviezen over de strijd tegen de demonen.

(11) De demon van de ontucht kwelde hem zo ernstig, naar hij ons zelf vertelde, dat hij midden in de winter de hele nacht naakt in een waterput bleef staan [om zijn lichaam met de kou te disciplineren.] zodat zijn ledematen bevroren raakten. Een andere keer werd hij gekweld door de demon van de blasfemie. Toen ging hij veertig dagen lang geen huis binnen, naar hij ons zelf vertelde, [zodat zijn lichaam als dat van de wilde beesten werd en met korsten overdekt werd.] en net als bij dieren begon zijn lichaam gezwellen te ontwikkelen.

Op klaarlichte dag werd hij door [D]rie demonen met het uiterlijk van geestelijken [verschenen aan hem] aangevallen. Zij wilden met hem debatteren over het geloof. De een [beschuldigde hem ervan] zei dat hij een Ariaan was, de ander [dat hij] een Eunomiaan [was], en de derde [dat hij] een Apollinariaan [was]. Maar dankzij zijn wijsheid wist hij hen met enkele woorden te overtroeven.

 

(12) Op een andere dag, toen de sleutel van de kerk was kwijtgeraakt, maakte hij het kruisteken over het slot en duwde vervolgens met zijn hand de deur open, terwijl hij de naam van Christus aanriep. Hij werd zo vaak gegeseld door demonen en zo dikwijls door hen verzocht dat het aantal keren niet te tellen is. Hij vertelde een van zijn leerlingen wat hem achttien jaar later zou overkomen, en hij profeteerde hem dat alles zoals hij het geschouwd had. Hij placht te zeggen: 'Sinds ik de woestijn ben ingegaan, heb ik geen sla aangeraakt, ook geen andere groenten, geen fruit, geen druiven, geen vlees, [geen wijn of iets dat gekookt was. Het enige dat ik at was wilde kruiden en water.] en nooit meer een bad genomen.'

(13) Later, toen hij deze levenswijze zonder gekookt voedsel al zestien jaar volhield, kreeg zijn lichaam vanwege een maagprobleem toch behoefte aan op het vuur klaargemaakt voedsel. Toen nam hij [een beetje] geen brood meer, maar at  [voor] twee jaar [maar geen gekookte] lang groenten [behalve wat] of gerst of peulvruchten. [Op deze wijze verzwakte hij zijn lichaam maar gaf leven aan zijn ziel door de heilige Geest] Tijdens dat dieet stierf hij, na in [In] de kerk [heeft hij] de communie te hebben ontvangen, op het feest van Epifanie.

Vlak voor zijn dood vertelde hij ons: 'Ik word nu al drie jaar lang niet meer gekweld door vleselijke begeerten, [133] [dus zelfs] en dat na zo'n lang leven [vol deugden,] vol pijn en moeite [, niet aflatende doelgerichtheid] en ononderbroken gebed [kon de kwaadaardige demon, de vijand van alles dat goed is, nog steeds deze onsterfelijke ziel aanvallen]!' [Als dat het geval is, wat moeten de luie mensen, door hun eihen veronachtzaming, dan wel niet te lijden hebben van die slechte demon?] Toen iemand hem eens het bericht van de dood van zijn vader kwam brengen, zei hij: 'Houd op met die godslastering, want mijn Vader is onsterfelijk!'

 

 

[Niet vertaald, 36 hoofdstukken: PIOR, MOSES of Lybia, CHRONIUS, JACOB, PAPHNUTIUS CEPHALA, SOLOMON, EPHRAEM. JULIAN, INNOCENT, ADOLIUS, ABRAMUS, ELPIDIUS,  SISINNUS, GADDANA, ELIAS, PHILOROMUS, ELEEMON, BISARION, MELANIA, RUFFINUS, MELANIA the younger, MAGNA, MAAGD die Athanasius verborg, Amma TALIDA, Amma TAOR, MAAGD wereldverzaker, MAAGD die boete deed, SILVANIA, OLYMPIAS, CANDIDA, GELASIA, JULIANA, een edele VROUW, ECHTGENOTE van een senator, BROEDER die met PALLADIUS reisde, gevaren van de pelgrimage.]

Historia religiosa

[Niet vertaald, 12 hoofdstukken: JACOBUS, JULIANUS SABAS, MARCIANUS, EUSEBIUS, PUBLIUS, SIMEON PRISCUS, PALLADIUS, APHRAATES, PETER , THEODOSIUS, ROMANUS, ZENO.]

 

HET LEVEN VAN MACEDONIUS

[veel correcties]

(1) Macedonius, ook wel de gerst-eter genoemd (aan dit voedsel had hij namelijk zijn bijnaam te danken), is bij iedereen bekend, FoeniciĎrs, SyriĎrs en CiliciĎrs. Maar ook mensen in verderaf gelegen landen kennen hem. Sommigen hebben met eigen ogen zijn wonderen gezien, anderen hebben daarover horen roemen en vertellen. Toch weet niet iedereen alles. De een weet dit, anderen hebben dat gehoord, en natuurlijk bewonderen ze alleen datgene waarvan ze kennis hebben. Zelf ben ik beter geēnformeerd over dit goddelijke personage dan de andere mensen - want er waren heel wat zaken die me ertoe brachten vaak naar hem toe te gaan en hem te bezoeken - en daarom zal ik naar beste vermogen alles in detail vertellen.

[Een zin door vdH niet vertaald]

(2) Hij had als [Akhara] worstelarena en [paleis] renbaan de toppen van [een] de bergen uitgekozen, waarbij hij zich niet op één plaats vestigde, maar nu eens hier vertoefde en dan weer daarheen verhuisde. Hij deed dat niet omdat hij met bepaalde plekken ontevreden was, maar omdat hij de menigten van mensen die zich van alle kanten bij hem verzamelden, wilde ontlopen. Op die manier leefde hij 45 jaar, zonder een tent te hebben, noch een hutje, maar door van een diepe [spleet in een rots] kuil zijn verblijfplaats te maken, wat hem bij sommigen de bijnaam Goubbas opleverde (een Syrisch woord voor wat wij in het Grieks cisterne zouden noemen). [Betekent dus eigenlijk ‘grot’, denk aan Hindi gupha] Toen hij na al die tijd een oude man was geworden, gaf hij gehoor aan smeekbeden die men hem deed, en bouwde hij een hutje. Nog later maakte hij op aandringen van [zijn volgelingen] vrienden gebruik van kleine woningen, niet van hemzelf overigens maar van anderen. [142] Hij bracht 25 jaar door in het hutje en in de woninkjes, zodat de tijd van zijn [constante] strijd in totaal wel zo'n zeventig jaar bedroeg.

(3) Als voedsel gebruikte hij geen brood en groenten, maar alleen gestampte gerst [en hij dronk alleen het] die in een beetje water [waarin het] was geweekt. Van dit voedsel heeft mijn eigen moeder, die [een volgeling van] met hem bevriend was geraakt, hem jarenlang voorzien. Ze was eens ziek en hij kwam bij haar op bezoek. Toen hij echter hoorde dat zij weigerde het dieet te gebruiken dat bij die ziekte het meest adequaat was - want zij had toen het ascetische leven al omarmd - vermaande hij haar naar de dokters te luisteren en dat voedsel als medicijn te beschouwen, want het was niet voor haar plezier maar uit noodzaak dat ze het zou nemen.

'Ook ik,' zo zei hij, 'die nu al veertig jaar alleen op gerst leef, zoals je weet, heb, toen ik me [onlangs] gisteren ziek voelde, mijn huisgenoot opdracht gegeven een stuk brood te [bakken] halen en het mij te brengen. Als ik zou sterven, bedacht ik, zou ik voor mijn dood rekenschap moeten afleggen bij de rechtvaardige rechter [van het universum waarom ik], als iemand die de [het] strijd[perk zou hebben] heeft willen ontlopen en zich aan de [mijn werk van Hem dienen zou hebben bedorven] inspanningen van de slavernij heeft willen onttrekken. Want [als] terwijl ik met een klein beetje voedsel de dood [kan] had kunnen voorkomen en [me langer] in leven [houd] had kunnen blijven, weliswaar met alle [zodat ik meer tijd heb voor] inspanning [ter disciplinering van mijzelf, waardoor ik de verdiensten verzamel die daarbij horen] en ellende van dien maar tevens een rijke schat verzamelend voor het hiernamaals, had [besloot] ik [dat het beter was] de hongerdood [te vermijden in plaats van vast te houden aan mijn strikte leefregel] verkozen boven het leven in de filosofie. [Met enige aarzeling, sloeg ik de ‘prikkels tegen de verzenen’ van mijn gedachten en] Ik schrok van die gedachte en omdat ik haar het zwijgen wilde opleggen, liet ik een brood halen en nam ervan toen het me gebracht werd. Daarom verzoek ik je mij voortaan geen gerst meer te brengen maar brood.'

[De volgende zin is ook niet helemaal correct, maar het is niet zo belangrijk] Zo hoorde ik uit die oprechte mond dat hij veertig jaar alleen gerst als voedsel had gehad. Dat is toch wel een afdoende bewijs dat deze man een ascetische instelling had en geen inspanning hem te veel was.

(4) De zuiverheid en eenvoud van zijn gewoonten zal ik nog met andere voorbeelden illustreren. Toen de grote Flavianus was aangesteld als herder van de grote kudde van God en over de deugdzaamheid van de man gehoord had (want dit ging rond omdat iedereen het erover had), liet hij hem van de bergtop halen onder het voorwendsel dat er een aanklacht tegen hem was ingediend. Tijdens de viering van het heilige mysterie liet hij hem naar het altaar komen en wijdde hem tot priester. Nadat de liturgie was afgelopen en iemand hem had uitgelegd wat er gebeurd was - want dat had hij totaal niet begrepen - begon hij [143] tekeer te gaan en iedereen allerlei opmerkingen naar het hoofd te slingeren. Daarna pakte hij zijn stok, waarop hij vanwege zijn hoge leeftijd gewoonlijk steunde bij het lopen, en [beklaagde zich bij] rende daarmee achter de aartsbisschop zelf en alle andere aanwezigen aan. Hij dacht namelijk dat die priesterwijding hem zou beroven van zijn geliefde levenswijze op de bergtop. [Geen van de entourage van de bisschop kon] Slechts met moeite lukte het toen enkele vrienden de boze man te kalmeren.

Maar toen [op de zondag] aan het eind van die week de dag van het feest van de Heer opnieuw aanbrak, nodigde de grote Flavianus hem opnieuw uit om met hen aan de viering deel te nemen. Hij zei echter tot de mensen die bij hem kwamen: 'Is het jullie nog niet genoeg wat er al gebeurd is? Willen jullie me nog een keer priester maken?' Toen ze antwoordden dat het onmogelijk was twee keer dezelfde wijding toe te dienen, [weigerde hij (de dienst) bij te wonen] gaf hij toch niet toe en hij ging niet mee, totdat zijn [metgezellen] vrienden hem [vertelden dat het tijd was.] dit mettertijd vaak genoeg hadden duidelijk gemaakt.

(5) Ik besef goed dat niet veel mensen dit nu een erg opbouwend verhaal zullen vinden, maar ik heb het toch verteld als een gedenkwaardige geschiedenis die genoegzaam bewijst hoe eenvoudig van geest en zuiver van ziel hij was. De Heer heeft aan zulke mensen het koninkrijk der hemelen beloofd toen hij zei: 'Voorwaar, ik zeg jullie, als jullie je niet bekeren en worden als deze kinderen, zullen jullie het koninkrijk van God beslist nooit binnengaan.' Nu we in een notendop zijn karakter hebben duidelijk gemaakt, laten we dan nu hetzelfde doen voor zijn vrijmoedigheid die uit zijn deugdzaamheid voortkwam.

(6) Een generaal die veel plezier beleefde aan de jacht, was de berg opgekomen om te jagen. Hij had ook honden bij zich en soldaten en wat er al niet voor de jacht nodig is. Toen de generaal hem van verre zag en van zijn begeleiders hoorde wie dat was, kwam hij direct van zijn paard, ging naar de man toe, [om met hem te praten] begroette hem en vroeg [of er iets bij hemzelf (de generaal) ontbrak om te doen] hoe hij daar nu zijn tijd doorbracht. Hij antwoordde toen [met een wedervraag]: 'En jij, om wat te doen ben jij hier naar boven gekomen?' De generaal zei: 'Om te jagen,' en Macedonius reageerde: 'Ik ben ook op jacht, naar mijn God, ik streef ernaar hem te pakken te krijgen, en ik verlang ernaar hem te zien. Met die mooie jacht zal ik niet ophouden.' Toen de generaal dat hoorde [gaf hij toe dat hij dat respect verdiende] en zich er begrijpelijk over verwonderde, ging hij weg.

 

(.. .) There was a certain city which a demon inspired to run riot and deface the statues of the Emperor. As a result of this, some of the top military commanders came to the city with orders to put the citizens to the sword.

Macedonius came down from the mountain and accosted the commanders in the market place. When they learned who he was they jumped off their horses, and embraced his hands and knees and wished him well.

"Tell your Emperor," he said, " that I am human with the same nature as those who have offered him injury, and although it is part of that nature to show anger, the anger he has used in this case is quite immoderate. To revenge what has been done to the images of himself, he proposes to kill the images of God. Does the destruction of bronze statues merit the death of human bodies? It is a simple and quick matter to refashion bronze statues, but can he, for all that he is the Emperor, bring back to life any bodies he has killed?"

He said all this in the Syrian tongue, but when they had heard an interpreter translating it into Greek they trembled, and signified their intention of passing the message on to the Emperor.

Now I am sure that you must all agree that these words came from the grace of the divine Spirit. How else could he have spoken in the way he did, a man of no learning, who had spent his life on the top of a mountain, completely simple in spirit, who had in no way been trained in divine eloquence? Now that I have made clear his spiritual wisdom, and how faithfully he adhered to the principles of justice (for he trusted in justice with the strength of a lion), I shall pass on to his miracles.

 

[144]

(9) Een vrouw van een edelman leed aan vraatzucht en sommigen zeiden dat die ziekte aan de activiteit van een demon te wijten was, terwijl anderen van mening waren dat het om een lichamelijke aandoening ging. Of het nu het een of het ander was, een feit was dat ze per dag, naar men zei, dertig kippen at zonder dat haar eetlust verzadigd werd, want ze verlangde naar nog meer. Op die manier ging heel haar vermogen verloren. Uit medelijden deden haar verwanten toen een beroep op de man Gods. Hij kwam en bad, strekte zijn hand uit over het water en stempelde het met het heilbrengende zegel, beval haar ervan te drinken en genas zo haar kwaal. Hij was er zozeer in geslaagd haar mateloze eetlust terug te brengen dat ze voortaan aan een klein stukje kip al genoeg had. Daarmee was haar behoefte aan voedsel al gestild, en dat was zijn behandeling voor die kwaal.

 

(10) Toen er eens een meisje [het bed moest houden omdat ze] dat nog niet het huis uit mocht plotseling door een boze demon werd bezeten, snelde haar vader naar de man Gods, hem biddend [en huilend] en smekend zijn dochtertje genezing te laten ontvangen. Macedonius sprak een gebed uit en beval de demon het meisje ter plekke te verlaten. Maar de demon antwoordde dat hij niet vrijwillig bij haar binnen was geslopen, maar had gehandeld onder dwang van een magische bezwering [van een machtige magiĎr]. Hij noemde zelfs de naam van degene die hem daartoe gedwongen had en zei dat [de begeerte om haar te bezitten] hartstocht de oorzaak was van die bezwering.

(11) Toen de vader dit hoorde, kreeg hij een onbedaarlijke aanval van woede [want hij dacht dat] . Hij wachtte zelfs niet op de genezing van zijn kind [niet genezen kon worden en], maar ging direct op zoek naar de hoogste [rechter, de voorzitter van het panel van rechters] gezagsdrager, de gouverneur van de provincie, om te vertellen wat er was gebeurd en om de man aan te klagen.

Toen [de beschuldigde] die werd voorgeleid, ontkende hij alles en noemde de aanklacht laster. De vader had echter als getuige alleen maar de demon die in dienst van de magie stond. Daarom smeekte hij de rechter om naar de man Gods te mogen gaan om [zijn] het getuigenis van de demon te kunnen krijgen. De rechter zei echter dat het onwettig was en zelfs van gebrek aan vroomheid getuigde zo'n ondervraging in een plaats gewijd aan de ascese te laten plaatsvinden. Dientengevolge beloofde de vader van het meisje de Godsman Macedonius naar de rechtszaal te halen. Hij rende naar hem toe, haalde hem over, en bracht hem mee.

De rechter kwam daarop het gebouw van de magistratuur uit en nam [145] plaats om deze keer geen rechter maar toeschouwer te zijn. De grote Macedonius speelde namelijk nu de rol van rechter, gebruikmakend van de macht die in hem aanwezig was. Hij gaf de demon opdracht de gebruikelijke leugens achterwege te laten en waarheidsgetrouw het hele tragische voorval uit de doeken te doen. De demon werd [door de grootst mogelijke superieure macht overwonnen] op die manier onder zeer grote druk gezet en wees [en noemde] zowel de man aan die [hem]  met magische bezweringen de demon in zijn dienst had gedwongen alsmede de slavin die het toverbrouwsel aan het meisje had toegediend. Toen hij aanstalten maakte om ook andere dingen te vertellen die hij, daartoe gedwongen door anderen, had gedaan - van de een het huis in brand gestoken, van een ander het [lastdier] vee gedood, [over] bij een derde [een vloek gebracht] weer andere schade toegebracht - legde de man Gods hem het zwijgen op en beval hem zich [onmiddellijk uit] voortaan verre van het meisje en de stad te [verwijderen] houden. [Hij] Alsof hij gehoorzaamde [de goddelijke] aan een keizerlijke wet [en zo] deed de demon direct wat hem werd opgedragen en hij [vluchtte ver weg] ging ervandoor.

(12) Op die manier bevrijdde de man Gods haar van [haar demonische bezetenheid] die waanzin en sprak daarmee de arme man van de beschuldiging vrij. Hij [maakte het zo mogelijk dat] verbood de rechter namelijk de doodstraf [niet hoefde] uit te spreken [die hij overwogen had.] [de hierna volgende zin staat niet in mijn Theodoretus] met als argument dat het misdadig zou zijn een moord te begaan op grond van beschuldigingen door de demon, maar dat het juist heel goed zou zijn die man de kans op redding door bekering te bieden.

Deze voorbeelden lijken me te volstaan om te demonstreren hoe groot de hem geschonken goddelijke macht wel was. Maar toch wil ik nog enkele andere voorbeelden vertellen.

(13) Een vrouw van een van de zeer rijke edellieden, genaamd Astrion [Assyria], was krankzinnig geworden. Ze herkende niemand uit haar eigen omgeving meer en wilde niet meer eten en drinken. De meeste tijd bracht zij door in een staat van waanzin. Men beschouwde dat als het werk van een demon, hoewel de artsen zeiden dat het een [geestes]ziekte van de hersenen was. Toen alle wetenschappelijke methoden waren geprobeerd zonder dat zij er ook maar iets bij gebaat was, ging haar man — dat was Ovodianus [Abrodianus], een zeer vooraanstaand senator — naar onze heilige, vertelde hem over de ziekte van zijn echtgenote, en smeekte hem haar te behandelen. De man Gods liet zich overhalen, ging met hem mee naar huis, en bad daar een vurig gebed tot God. [146] Na het gebed liet hij water halen, maakte daar het [heilige] reddende kruisteken over en [vroeg] beval haar ervan te drinken. Toen de dokters dit afraadden omdat de kwaal door het drinken van koud water zou kunnen verergeren, stuurde de man [het hele zootje weg] hun hele gilde naar huis en gaf zijn vrouw te drinken. Terwijl ze nog aan het drinken was, kwam ze al tot zichzelf en[,] werd weer gezond van geest. Nadat ze volledig van haar kwaal was genezen, herkende ze de man Gods, [vroeg] smeekte hem zijn [rechter] hand te mogen vasthouden en legde die op haar ogen en bracht die naar haar lippen [om hem met kussen te overdekken]. Sindsdien is zij altijd gezond van geest gebleven.

(14) [Het soort] In de tijd dat hij het leven [dat hij leidde, werd bekend] in de bergen leidde, [en zo] kwam er eens een herder die op zoek was naar zijn verdwaalde schapen bij de plek waar de man Gods zich ophield. Het was midden in de nacht en er was zware sneeuwval. De herder vertelde later dat hij een vuur om Macedonius [omringd zag door vlammen ,met] heen zag branden en twee in het wit geklede mannen [die] hout op het vuur [stookten] zag leggen. [Hij realiseerde zich meteen dat de man Gods] Want omdat hij zo'n toewijding vertoonde, genoot hij goddelijke bijstand [genoot].

(15) Hij [was niet minder begiftigd met] bezat ook de gave van de profetie. Toen er eens een [vooraanstaande burger] generaal die uitblonk in vroomheid bij hem kwam - en wie kent de deugdzaamheid van Lupicinus [Lupicianus] niet? - vertelde die dat hij zich zorgen maakte over [goederen] de mensen die vanuit de keizerlijke hoofdstad over zee voor hem [werden aangevoerd] levensmiddelen aanvoerden. Hij zei dat er al vijftig dagen waren verstreken sinds ze de haven hadden verlaten, maar dat hij sindsdien geen enkel bericht meer over hen had ontvangen. Macedonius zei toen direct: 'Beste vriend, de ene boot is vergaan, [maar] de andere zal morgen de haven van Seleucia bereiken.' Dat hoorde hij [Macedonius] deze goddelijke mond zeggen, en de ervaring leerde hem dat wat hij gezegd had, waar was.

(16) Ik laat nu de rest achterwege om nog wel een verhaal betreffende [mijzelf] onszelf te kunnen vertellen. Toen mijn moeder al dertien jaar met mijn vader getrouwd was, had ze nog steeds geen kinderen, want ze was onvruchtbaar omdat de natuur haar had beroofd van het vermogen vrucht te dragen. Het kwelde haar niet al te erg - want opgevoed als zij was in godsvrucht, geloofde zij dat het voor haar bestwil was - maar [hoewel ze haar verdriet om haar] hun kinderloosheid [met veel geduld droeg] deed mijn vader bijzonder veel verdriet en hij [vroeg ze waar ze ook] ging overal rond om [aan] de dienaren Gods [om voor haar] te smeken voor hem bij God voorbede te doen in verband met [haar] zijn wens kinderen te krijgen. Terwijl de anderen hem [Sommigen] beloofden [haar] te zullen bidden maar hem aanraadden [haar aan]  zich bij [147] de wil van God neer te leggen, [maar Macedonius] beloofde deze man Gods regelrecht om bij de schepper van het heelal om één zoon te vragen en hij gaf [haar] hem de verzekering dat [zijn gebed verhoord zou worden] hij het gevraagde zou krijgen. Maar toen er drie jaar waren verstreken zonder dat die belofte vervuld was, ging mijn vader [hem aan] vragen wat er van die belofte [herinneren] terechtkwam. Macedonius liet hem toen zijn vrouw halen, en toen mijn moeder gekomen was, zei de man Gods dat hij om het kind zou bidden en dat zij [een zoon] het zou krijgen, maar dat [hij] zij het dan moest [worden toegewijd] teruggeven aan degene die [hem] het gegeven had. Terwijl mijn moeder er alleen maar op uit was de redding van haar ziel en het ontkomen aan [de pijn van de eeuwige dood] het hellevuur te realiseren, zei hij tot haar: 'Bovendien zal Hij in zijn vrijgevigheid jou een zoon schenken, want aan degenen die in oprechtheid iets vragen zal hij het dubbele van het gevraagde geven.' Daarop keerde mijn moeder naar huis terug, zijn beloftevolle zegen met zich mee dragend. In het vierde jaar na de belofte werd ze zwanger en ze kreeg een dikke buik. Ze [haastte zich] ging naar de man Gods [en zegende hem overdadig] toe om hem de opbrengst te tonen van het zaad van zijn zegen.

 

(17) In de vijfde maand van haar zwangerschap was er het risico van een miskraam. Opnieuw zond ze een bericht naar [deze] haar nieuwe Elisa; [ in de engelse tekst wordt verwezen naar 2 Koningen 4.16 [59] ] – [haar ziekte] het risico liet niet toe dat zijzelf naar hem toeging - en herinnerde hem eraan [hoezeer] dat zij geen moeder had willen worden [weer het totaal tegenover gestelde!!] en ze hield hem zijn beloften voor ogen. Hij herkende van verre de boodschapper en wist waarvoor deze kwam. Want de Heer had hem 's nachts laten zien waaraan zij leed en hoe ze genezen kon worden. Leunend op zijn staf kwam hij bij het huis aan en ging naar binnen. Hij bracht zoals gewoonlijk de vredegroet en zei: 'Houd moed en vrees niet, want de gever zal het geschenk niet terugnemen als u zich aan de gemaakte afspraken houdt. U hebt beloofd het kind dat u geschonken zal worden af te staan om het te laten wijden aan de dienst voor God.'

Toen zei mijn moeder: 'Op die voorwaarde wil ik en beloof ik het kind ter wereld te brengen. Want [Hoewel mijn gedachten nu meer gericht zijn op het in leven houden van deze] ik geloof dat een onvoldragen vrucht [dan op een] te verkiezen is boven een andere opvoeding [van een zoon apart van God] van het kind.' [Hij pakte water en zegende het.] 'Drink nu van dit water,' zei de man Gods, 'en dan zul je de goddelijke bijstand ervaren.' Ze dronk zoals hij haar opgedragen had en het gevaar van een miskraam was geweken. Zo waren de wonderen van onze [eigen] Elisa.

(18) Van zijn zegenrijke [en] onderwijs heb ik dikwijls voordeel gehad, want hij zei vaak bij wijze van aanmoediging tegen mij: [148] 'Jongen, je bent met veel moeite geboren. Ik heb heel wat nachten doorgebracht alleen maar dit biddend tot God dat jouw ouders dat [je de naam waardig zou worden die ze jou bij] zouden worden wat zij na jouw geboorte [gegeven hebben.] genoemd werden. Leid nu een [vlijtig] levenswandel die die moeite waardig is. [zoals het past voor iemand die voor] Vóór de bevalling ben je door geloften aan God [is] gewijd. Al wat aan God gewijd is, [staat los van de wereld en wordt door allen vereerd] is heilig voor alle anderen en mag door de grote massa niet aangeraakt worden. Het past nu ook jou om niet meer [om plaats te geven aan] ontvankelijk te zijn voor de slechte [gedachten] bewegingen van de ziel maar alleen maar die dingen te doen en te zeggen en te denken [die] waarmee God, de [bron] wetgever van [alle] de deugdzaamheid, [plezier doen] gediend wordt.'

Dat soort [lessen] adviezen gaf de man Gods mij telkens weer. En ik [leerde] herinner me zijn woorden [te herinneren en dat ik een]  en ik ben onderwezen in het goddelijk geschenk [van God was]. [Ik zal niet alle details van wat hij mij geleerd heeft opnoemen, maar ik bid] Maar omdat ik niet heb getoond zijn aansporingen in daden te hebben omgezet, smeek ik dat ik door zijn gebed [voor altijd] de goddelijke [steun] aandrang krijg om de rest van mijn leven te leiden in overeenstemming met zijn adviezen.

(19) Deze verhalen volstaan wel om duidelijk te maken wat voor iemand hij was en met welke inspanningen hij de genade van God naar zich toe heeft getrokken.

Bij zijn [vertrek van deze wereld] dood werd[en] hem nog in deze wereld een [de] eer[bewijzen gegeven] bewezen die zijn inspanningen waardig [waren] was. Want alle burgers van de stad AntiochiĎ, de vreemdelingen, en de hoogste regeringsfunctionarissen droegen die heilige baar op hun schouders naar het graf van de zegevierende martelaren en ze zetten dat heilige en godgeliefde lichaam in de nabijheid van die andere Godsmannen, Afraätes en Theodosius, bij. Zijn roem bleef onvergankelijk en de tijd kon die niet tenietdoen. Hiermee [beĎindig ik] beĎindigen wij het verhaal [wetende wat een mooie inspiratie hieraan ontleend kan worden.] waarvan wij de welriekende geur genoten hebben.

 

[Niet vertaald, 12 hoofdstukken: MAESYMAS, ACEPSIMAS, MARO, ABRAAMES, EUSEBIUS, SALAMANUS, MARIS, JACOBUS, THALASSIUS  en LIMNAEUS, JOHANNES en MOSES en ANTIOCHUS en ANTONIUS, ZEBINAS en POLYCHRONIUS, ASCLEPIUS en JACOBUS heremieten]

HET LEVEN VAN SIMEON DE PILAARHEILIGE

(1) De beroemde Simeon, het grote wereldwonder, is bekend bij alle onderdanen van het Romeinse Rijk, maar hij is niet minder bekend bij de Perzen, de [IndiĎrs] Meden, en de EthiopiĎrs. Zijn faam is zelfs doorgedrongen tot de Skythische nomaden [die over zijn ijver en levenswijze hebben gehoord] en heeft hen zijn liefde voor ascese en zijn liefde tot wijsheid geleerd. Hoewel ik dus om zo te zeggen alle mensen tot getuige heb van zijn onbeschrijfelijke worstelingen, was ik toch bang dat mijn verhaal over hem voor toekomstige generaties een fabeltje zonder enig waarheidsgehalte zou lijken. [149] Want wat hier gebeurd is gaat de menselijke natuur te boven, en de mensen plegen nu eenmaal wat hun verteld wordt te meten aan de [grenzen van de menselijke] natuur. Zodra er iets verteld wordt wat de grenzen van de natuur overschrijdt, wordt dat voor een leugen gehouden door mensen die niet in goddelijke [mysteriĎn] zaken zijn ingewijd. Maar aangezien de aarde en de zee vol zijn van [goddelijke leden van het ware geloof] gelovigen die, omdat ze [in] met goddelijke zaken zijn [onderwezen] opgevoed en [zich bewust zijn van de genade van] door de Alheilige Geest in de genade zijn onderwezen, wel degelijk [en niet ongelovig zullen zijn maar juist in hun] geloof [versterkt zullen worden] zullen hechten aan wat ik nu ga vertellen, zal ik nu enthousiast en vol goede moed [en] mijn verhaal [met scherpe belangstelling aannemen] op papier zetten. [Uitgaande van deze basis] Ik zal [ik] beginnen met het [beschrijven van hoe] moment dat hij de eer van een roeping van boven waardig gekeurd werd.

(2) Er is een dorp genaamd [Sefa] Sisa dat in het grensgebied tussen ons land en CiliciĎ ligt. Daar werd hij geboren en daar werd hem door zijn ouders allereerst bijgebracht schapen te weiden [zodat] opdat hij in dat opzicht [in het goede gezelschap verkeerde van] zou lijken op grote mannen als de aartsvader Jakob, de [strenge] kuise Jozef, de wetgever Mozes, de koning en profeet David, de profeet Micha, en [al die] andere [goddelijke] geēnspireerde mensen zoals zij. Toen er een keer veel sneeuw was gevallen en de schapen noodgedwongen binnen moesten blijven, benutte hij deze periode van rust om met zijn ouders naar de [kerk] tempel van God te gaan. Dit [volgende] verhaal heb ik uit zijn eigen heilige mond gehoord. Hij zei dat hij [de stem] het woord van het Evangelie hoorde [,die zei: “gezegend zijn degene die] dat de wenenden en rouwenden zaligspreekt, maar [ellendig zijn zij die spotten; gezegend zijn degenen die puur van hart zijn.”] de lachenden, beklagenswaardigen en degenen die hun ziel rein bewaren, benijdenswaardigen noemt, en [de rest van die passage] al het andere dat dan volgt [(Matteüs 5.4 e.v.) [60] ]. Toen vroeg hij een der aanwezigen wat hij moest doen om elk van deze zaken te verkrijgen. Die suggereerde hem het solitaire leven [als de] en schetste hem deze verheven [weg om naar wijsheid te zoeken] filosofie.

(3) Nu hij de kiemen van het goddelijke woord ontvangen had en ze goed in de diepe voren van zijn ziel geborgen had, rende hij - zo zei hij - naar de nabijgelegen kapel van de heilige martelaren. Daar, met de knieĎn en het gezicht op de aarde, smeekte hij hem []die alle mensen wil redden[] [(1 Timoteüs 2.4) [61] ] hem naar de volmaakte weg der vroomheid [en de ware godsdienst] te leiden. [Niet lang daarna viel hij vredig in slaap en] Toen hij daar in die houding al een hele tijd had doorgebracht, kreeg hij een zoete droom waarin hij het volgende visioen zag: 'Ik droomde,' zo zei hij, 'dat ik aan het graven was om funderingen te leggen. Toen hoorde ik iemand die erbij stond te kijken zeggen dat ik dieper moest [150] graven. Nadat ik het gat dieper gemaakt had zoals [hij vroeg] me was opgedragen, probeerde ik even uit te rusten, maar opnieuw droeg hij me op verder te graven en niet op te houden met werken. Toen hij me dit nog een derde en een vierde keer had bevolen, zei hij ten slotte dat de diepte nu voldoende was en gaf hij mij de opdracht voortaan rustig verder te bouwen [zonder te arbeiden] omdat nu alle [arbeid] inspanning voorbij was en het bouwen [in de toekomst zonder arbeid] moeiteloos zou verlopen.' De [toekomstige] feiten kunnen getuigen ten gunste van deze voorspelling, want wat er heeft plaatsgevonden [ging] gaat de [krachten van de menselijke] natuur te boven.

(4) Toen Simeon was opgestaan en weggegaan, kreeg hij onderdak bij een paar [monniken] asceten die bij hem in de buurt woonden. [zijn eerste guru’s] Nadat hij twee jaar bij hen had doorgebracht, begon hij naar een volmaaktere deugd te verlangen en hij ging naar het dorp Teleda, dat we al eerder noemden [In hoofdstuk IV over Eusibius, onvertaald dus hier]. In de buurt daarvan hadden de grote en goddelijke Ammianus en Eusebius hun worstelschool voor ascese [Exact hetzelfde begrip, Akhara, wat ook door de sadhoes wordt gebruikt; maar in de engelse tekst staat er ‘monastic dwelling’. Zo zie je; je zou eigenlijk nog het Latijn ernaast moeten hebben.]  gesticht. Het was echter niet deze school waar [hij] de geēnspireerde Simeon naar toe ging, maar een andere die daaraan was ontsproten. Want Eusebonas en Abibion, die rijkelijk het onderwijs van de grote Eusebius hadden genoten, hadden deze school voor filosofie [Ook waarschijnlijk weer het woord, Akhara, want in de engelse tekst staat er ‘training ground’.] gesticht. Hun leven lang hadden zij dezelfde gedachten en levenswijze gekoesterd, [zodat het leek alsof ze] waarbij ze hadden laten zien dat ze als het ware slechts één ziel in twee lichamen bezaten, en [bij hen waren] zo hadden ze ook vele anderen [die door een] tot liefde voor deze levenswijze [gegrepen werden] gebracht.

Toen zij roemrijk dit leven verlaten hadden, nam de eerbiedwaardige Heliodorus de leiding van de leefgemeenschap op zich. [Hij werd door zijn metgezellen zeer bewonderd want] Deze zou van de 65 jaren die hij uiteindelijk leefde [had hij] er 62 opgesloten binnen het klooster [doorgebracht] doorbrengen. Want toen hij drie jaar door zijn ouders was [verzorgd] opgevoed, sloot hij zich bij deze [gemeenschap] kudde aan zonder ooit iets van de [vele] dingen die er in de wereld gebeuren gezien te hebben. Hij placht te zeggen dat hij niet eens het uiterlijk van varkens of kippen of soortgelijke beesten kende. Ook ik heb dikwijls het genoegen gehad hem te zien en ik [bewonderde] was verbaasd over de eenvoud van zijn [leven] karakter en had [eveneens] de grootste [waardering] bewondering voor de [wonderbaarlijke] reinheid van zijn ziel.

(5) Nadat Simeon bij Heliodorus was gekomen, heeft deze voortreffelijke atleet van de [goddelijkheid] vroomheid daar tien jaar al strijdend [tussen hen] geleefd. Hij had daar tachtig medestrijders, maar hij overtrof hen allen. Terwijl de anderen om de twee dagen voedsel namen, bleef hij de hele week zonder. [151] Zijn superieuren [keurden dat af] konden dat moeilijk verdragen en [discussieerden] maakten voortdurend ruzie met hem [en zeiden dat hij de dagelijkse gang van zaken verstoorde] door zijn gedrag als wanorde te bestempelen, maar hun woorden [deden hem niet van gedachten veranderen] hadden geen effect en konden zijn [godsdienstige] ijver niet beteugelen.

Ik heb degene die nu zelf de leider van deze [gemeenschap] kudde is horen vertellen dat Simeon eens een touw nam dat gemaakt was van palmbladeren [maakte] — en dat is zelfs alleen alom met de handen aan te raken bijzonder [scherp en netelig spul] ruw — en dat rond zijn middel bond, en dat niet boven maar onder zijn kleding, rechtstreeks op de huid. En hij bond dat zo strak dat heel het stuk huid waar het touw omheen zat begon te zweren. Toen hij [dit] meer dan tien dagen [gedragen had] op die manier had doorgebracht en de wond pijnlijker was geworden en er bloed uit [de zweren] druppelde, vroeg iemand die [dit] hem zag waar dat bloed vandaan kwam. Toen hij zei dat hij niets ernstigs had, stak zijn [metgezel met kracht] medestrijder trefzeker zijn hand onder Simeons kleding, ontdekte de oorzaak en rapporteerde dat aan de overste. Deze berispte en vermaande hem onmiddellijk, [en] hij [smeekte hem en benadrukte de verschrikkelijkheid ervan] sprak schande van de wreedheid van Simeons activiteit, en hij kon [hem] maar met moeite [ervan overtuigen ermee op te houden.] dat koord losmaken. Maar ook toen kon hij hem er niet toe bewegen enig medicijn op de wond aan te brengen. [Later,] Toen ze erachter kwamen dat hij ook nog [nog meer van] andere dergelijke dingen uithaalde, bevalen ze hem [het klooster] deze oefenschool te verlaten om te voorkomen dat [anderen] hij schade zou berokkenen aan degenen met een zwakkere fysieke conditie [hem zouden gaan nadoen, tot hun grote nadeel.] die anders zouden kunnen gaan streven naar iets wat boven hun macht ging.

 

(6) Hij vertrok dus en ging naar de nog meer verlaten delen van het gebergte. Daar vond hij een [zeer diep ravijn] cisterne, zonder water[toevoer] en niet al te diep [precies het tegenovergestelde dus], waarin hij zich liet zakken en aan God zijn hymnen opdroeg. Toen er vijf dagen verstreken waren, zonden de oversten van de oefenschool, die spijt hadden gekregen, er twee [broeders] mannen op uit met de opdracht hem te zoeken en terug te brengen. Welnu, zij liepen [over] rond de berg en vroegen aan een paar mannen die daar hun vee weidden of ze iemand gezien hadden die er zus uitzag en zo gekleed was. Toen de herders hen [het ravijn] de cisterne hadden gewezen, [en zij het zagen] riepen ze direct luid [in verbijstering] naar beneden de put in. Daarna [moesten] lieten ze een touw [halen om] zakken en wisten ze hem met veel moeite omhoog te hijsen; want de [plek was makkelijk in dan uit te komen.] weg omhoog is lang niet zo gemakkelijk als de weg omlaag.

(7) Na [nog wat meer] enige tijd bij hen te hebben doorgebracht [152] begaf hij zich naar [Tellanessus] Telanissos, [vlak bij AntochiĎ, waar hij] een dorp dat ligt aan de voet van de bergtop [in bezit nam] waar [hij] Simeon nu nog steeds [leeft] staat. Toen hij daar een klein [huisje] woonvertrek had gevonden, bleef hij er drie jaar [compleet afgesloten] in afzondering wonen.

[In een poging] Omdat hij er altijd naar streefde zijn al [verzamelde] zo rijke deugdzaamheid te vergroten, [besloot] verlangde hij ernaar net zoals de goddelijke Mozes en Elia veertig dagen zonder voedsel door te brengen. Daarom probeerde hij de eerbiedwaardige Bassus, die toen [het beheer had over veel gemeenschappen in zijn capaciteit] langs vele dorpen trok als [leider in de rangen] bezoeker van de dorpspriesters[chap], ervan te overtuigen niets bij hem in huis achter te laten en de [ingang] deur met klei dicht te smeren. Toen de ander hem de moeilijkheid van deze onderneming onder ogen bracht en hem vermaande zich te realiseren dat zelfmoord geen deugd is - want het is [juist] de grootste en ergste misdaad - zei hij: 'Goed dan, vader, zet u dan hier tien broden en een kruik water neer, en als ik merk dat mijn lichaam behoefte aan voedsel heeft, zal ik daarvan nemen.'

Het gebeurde zoals hij het had gevraagd: het voedsel werd neergezet en de [ingang] deur werd met klei verzegeld. Na afloop van de veertig dagen kwam Bassus, die eerbiedwaardige man Gods, terug, haalde de klei [weg] van de deuropening, ging naar binnen en vond daar hetzelfde aantal broden en de kruik nog vol met water. Maar Simeon lag bewusteloos op de grond, [nauwelijks ademend,]  niet in staat te spreken of zich te bewegen. Bassus [vond] zocht naar een spons, bevochtigde en spoelde daarmee zijn mond, en [bediende] bracht hem [met] de [elementen] symbolen van [het] de goddelijke [Avondmaal] mysteriĎn. Daardoor gesterkt [kwam hij weer tot leven] richtte hij zich op en nam een klein beetje voedsel, [wat] wilde sla, [en waterkers] andijvie en dergelijke dingen, die hij tot kleine stukjes kauwde alvorens hij ze inslikte.

(8) Buiten zichzelf van verbazing ging Bassus terug naar zijn eigen kudde en vertelde hun over dit grote wonder. Hij had een groep van meer dan tweehonderd confraters die [geen] hij niet toestond een [last]dier of een molensteen [mochten] te bezitten of [van wie dan ook goud] geld te accepteren wanneer hun dat werd aangeboden. Ook mocht geen van hen de deur uitgaan, hetzij om [noodzakelijkheden] levensmiddelen te kopen, hetzij om een kennis op te zoeken. Men moest binnen blijven en [tevreden zijn met] alleen het door Gods genade gezonden voedsel accepteren. De confraters houden zich tot op de dag van vandaag aan deze [regel] wet en [hoezeer] hoewel hun aantal [ook] is toegenomen hebben ze de hun gegeven geboden niet overtreden.

(9) Maar nu keer ik weer terug naar de grote Simeon. Sindsdien en tot op de dag van vandaag - en er zijn nu 28 jaar voorbij gegaan — [153] brengt hij de veertigdagentijd zonder voedsel door. De tijd en de gewenning hebben het grootste deel van de pijn weggenomen. [Het] Want het was zijn gewoonte gedurende de eerste dagen te staan en hymnen tot God te zingen. Daarna echter, [door hier mee door te gaan en naarmate de tijd verstreek heeft hij die arbeid moeten aanpassen omdat hij door de zwakte van] als zijn lichaam vanwege het vasten het niet meer kon opbrengen te blijven staan, verrichte hij de goddelijke liturgie verder zittend, om ten slotte de laatste dagen languit op de grond te liggen. Omdat zijn kracht gaandeweg was uitgeblust, was hij gedwongen om halfdood te blijven liggen. Maar later, toen hij op de pilaar stond, weigerde hij naar beneden te komen en bedacht hij iets anders om overeind te blijven [staan]. Hij bond een balk vast aan de zuil en bevestigde zichzelf met touwen weer aan die balk. Zo voltooide hij de veertig dagen. [De Engelse tekst is: Vanaf die tijd tolereerden zijn superieuren wat hij deed en accepteerden ze het feit dat hij geen hulp meer nodig had; maar in dit geval lijkt de Nederlandse eigenlijk logischer.] In latere jaren, toen hem de genade van boven in grotere mate deelachtig werd, had hij zelfs dat hulpmiddel niet meer nodig. Hij bleef de volle veertig dagen staan zonder voedsel tot zich te nemen, maar hij putte kracht [voor zijn ziel] uit zijn eigen geloofsijver en de goddelijke genade.

(10) Zoals ik al zei, hij bleef drie jaar in dat huisje, maar daarna [ging hij naar die sindsdien zo beroemd geworden] nam hij die  veelbesproken bergtop in bezit. Op zijn bevel werd een muur rondom deze bergtop opgetrokken. Hij [nam] liet een ijzeren ketting van twintig el maken, waarvan hij het ene eind aan een zeer grote rots liet vastklinken en het andere aan zijn [enkel] rechter been. Zelfs al zou hij het willen, dan nog zou hij niet meer [buiten die grens die hij zo gesteld had] van dat terrein kunnen weggaan. Hij bleef dus [daar] binnen de omheining, waarbij hij [het visoen van de hemel zocht] voortdurend God voor ogen hield en [en kracht ontleende aan de] zichzelf dwong tot contemplatie van [die dingen die boven] de hoogste hemelen [zijn]. De ijzeren boei kon immers niet de vlucht van zijn gedachten verhinderen.

De bewonderenswaardige Meletius kreeg toen de rol van bisschop over heel de regio rond AntiochiĎ [en de stad zelf]. Hij was een verstandig mens[, beroemd om zijn voorzichtigheid] met een helder inzicht en begiftigd met [een buitengewone] scherpzinnigheid. Deze zei tegen hem dat [de ketting] het ijzer overbodig was omdat de geest voldoende was om het lichaam geestelijke [beperkingen op] boeien aan te leggen [zoals die van de ketting]. Daarop gaf Simeon toe; hij nam de vermaning gehoorzaam ter harte, liet een smid roepen, en beval hem de ketting los te maken. Nu had hij een stuk leer [bij] aan zijn [scheen]been [om de ketting genaaid] bevestigd om te voorkomen dat het ijzer zijn lichaam [te beschermen] zou verwonden, en omdat de twee uiteinden aan elkaar genaaid zaten, moest ook dat [wat] losgerukt worden. Men vertelt dat er toen meer dan twintig zeer grote [insecten] luizen te zien waren die zich in [de plooien daarvan] dat leer genesteld [154] hadden. Ook de bewonderenswaardige Meletius heeft dat naar eigen zeggen gezien. Ik vermeld dit om wederom de grote [geestkracht] duldzaamheid van deze man te demonstreren. Immers, hij had gemakkelijk met zijn vingers in het leer kunnen [openbuigen] knijpen om zo al die [insecten] luizen te doden, maar hij verdroeg liever hun [felle] vervelende beten [en naar de grotere dingen te streven door de kleinere te verdragen.] aangezien hij deze kleine worstelingen begroette als oefeningen voor de grotere.

 

(11) Omdat zijn faam zich nu naar alle kanten verspreidde, kwam[en] er een grote toeloop van allerlei mensen, niet alleen van degenen die uit de omgeving kwamen maar ook van [grote] hen die op een afstand van vele dagen reizen woonden. Sommigen brachten [mensen met verlamming] fysiek verzwakten tot hem, anderen vroegen om [genezing voor hun eigen ziekten] gezondheid voor zieken [wat dom gesteld, zelfs als het origineel Nederlands zou zijn geweest], weer anderen smeekten hem [monnik] vader [wat dom vertaald] te mogen worden en zo via hem [met plezier] te ontvangen wat [ze van hun eigen] de natuur [slechts met moeite konden accepteren] hun niet gaf. [Een wat cryptische zin warmee bedoeld wordt dat ze eruit zichzelf moeilijk toe konden komen monnik te worden en dat ze daarvoor de steun van Simeon nodig hadden; door vdH dus weer zeer slecht vertaald] Wanneer [ze gekregen hadden waar ze om gevraagd hadden] hun gebed dan was verhoord, [gingen] kwamen ze opgetogen [weg] terug en door overal de weldaden te verkondigen die ze ontvangen hadden, zorgden ze ervoor dat een veelvoud van mensen met dezelfde [wensen] beden naar hem toe kwamen. Zo stroomden er allerlei mensen [van overal] uit alle windrichtingen toe, en [als rivieren langs] alle wegen leken wel rivieren. [En zij verzamelden zich] Men kon op die plek namelijk als het ware een zee van mensen zien ontstaan [gevuld door de stromen] omdat daar de rivieren die van alle kanten aanstroomden zich samenvoegden. Want het [was een vloed van] zijn niet alleen [lokale] de mensen die ons deel van de wereld bewonen die hier samenkomen, maar ook IsmaĎlieten, Perzen en aan hen onderworpen ArmeniĎrs, IberiĎrs, Homerieten en [anderen] volken die nog [verder weg] dieper in het binnenland wonen dan zij. Er kwamen [zelfs] ook veel mensen [uit] die in het verre westen wonen, Spanjaarden, Britten, en [GalliĎrs] Kelten [toch wel even wat anders!] die tussen hen in wonen. [Dat ze ook uit] Want over ItaliĎ [kwamen] hoef ik niet eens te [noemen] spreken. Men zegt dat in de grote stad Rome de man zo [in preken wordt geprezen] beroemd is geworden dat [het volk] men [in al hun portieken en] bij de ingangen van alle winkels en werkplaatsen kleine beeldjes van hem heeft [geplaatst] opgericht om zich [door zijn bescherming] op die manier een zekere bewaking en veiligheid te verschaffen.

 

(12) Ontelbaren kwamen naar hem toe en allen probeerden hem aan te raken en zo een zegen te ontvangen door middel van contact met zijn beroemde kleed van dierenhuid. Aanvankelijk vond hij die overmaat aan eerbetoon slechts [belachelijk en onnodig] ongepast, maar gaandeweg [bemerkte] begon hij [dat hij] zich steeds ongelukkiger te voelen over het vermoeiende van die hele situatie [steeds slechter kon verdragen], en [daarom zorgde hij ervoor dat er] zo kwam hij ertoe op een zuil [kwam om op] te gaan staan. Eerst [gaf hij opdracht voor] liet hij er een van zes el houwen, daarna een van twaalf, vervolgens een van 22, en nu [155] heeft hij er een van 36 el. Want het is [onderdeel van] zijn streven om naar de hemel te vliegen en van dit aardse [zaken] verblijf bevrijd te worden.

Zelf geloof ik niet dat [het bouwen van] zijn staan op de zuil [tegen de] zonder goddelijke beschikking tot stand is gekomen. Het is dan ook om die reden dat ik [erop aandring dat degenen die er plezier in hebben dit te bespotten] de critici verzoek hun tong in bedwang te houden, [en] maar eens in ogenschouw te nemen hoe dikwijls de [Heer] Meester dit soort dingen heeft [gearrangeerd] bedacht ten bate van de al te gemakzuchtigen. Zo heeft Hij bijvoorbeeld Jesaja de opdracht gegeven naakt en ongeschoeid rond te lopen [(Jesaja 20.2) [62] ]. Hij heeft Jeremia opgedragen een [lendendoek] gordel om zijn heupen te doen en zo zijn profetie aan de ongehoorzamen te brengen [(Jeremia 13.1) [63] ] en bij een latere gelegenheid om houten en ijzeren jukken om zijn nek te dragen[(Jeremia 27.2) [64] ]. Hij droeg Hosea op een hoer tot[hoerige] vrouw te nemen, en [zijn hoererende] ook om een slechte en overspelige vrouw lief te hebben [(Hosea 1.2 [65] )]. En EzechiĎl droeg hij op veertig dagen op zijn rechterzij te gaan liggen en [driehondernegentig] honderdvijftig op zijn linkerzij [(EzechiĎl 4.5-6) [66] ]; verder om een muur door te breken [(EzechiĎl 12.7) [67] ]  en daardoorheen te vluchten [als een] om op die manier in eigen persoon [die in] de ballingschap [gaat] uit te beelden [(EzechiĎl 12.4 [68] )]; en weer een andere keer om een [scherp scheermes] punt aan een zwaard te [nemen] slijpen en daarmee zijn haar af te snijden, het in vieren te verdelen en links en rechts uit te delen [zodat niemand in staat zou zijn deze in hun geheel te tellen] [(EzechiĎl 5.1 [69] ) Een wat raadselachtige opdracht; maar ja, het is de Bijbel Hoewel ook hier blijkt dat vdH, de theoloog!!, de Bijbel niet zo goed kent, door ‘punt aan een zwaard slijpen’ te schrijven waar het ‘een scherp mes, een scheermes’ moet zijn].

 

Maar laat ik nu maar niet alles opsommen. [Deze zin is er niet in de Engelse versie]

De heerser van het heelal schreef telkens weer al die daden voor om door een [buitengewoon] vreemd schouwspel al diegenen [te overtuigen] bijeen te brengen die niet willen luisteren naar [Zijn woord en dat van de profeten] woorden en weigeren het oor te lenen aan profetie, [en hen weer bij zinnen te doen komen] en hen er zo toe te bewegen naar de goddelijke orakels te [gehoorzamen] luisteren. Immers, wie zou er niet perplex staan als hij een man Gods naakt zou zien rondlopen? Wie zou niet de oorzaak van zo'n voorval willen weten? Wie zou niet [willen weten] gevraagd hebben hoe [een] de profeet het kon [toestaan dat] opbrengen samen te leven met een hoer[erende vrouw bij hem woonde]?

Zoals nu de God van het heelal al deze dingen heeft bevolen omdat hij in zijn voorzienigheid dacht aan het welzijn van degenen die er maar op los leven [of lui zijn], zo heeft hij ook dit nieuwe en wonderbaarlijke schouwspel [van Simeon op zijn pilaar] [verschaft, om] verordineerd. Door [het absoluut nieuwe en bijzondere] de vreemde aard ervan kon hij alle mensen [aan te trekken om] ertoe brengen het te komen bekijken. Op die manier kon hij aan de daarin geboden vermaning voor de bezoekers overtuigingskracht verlenen. Want het nieuwe van het schouwspel is een aanzienlijke garantie voor de kwaliteit van het [ware] onderricht, en degene die [kwamen] komt kijken [vertrokken weer na iets van de ware aard van God geleerd te hebben] is dan ook onderwezen in goddelijke zaken als hij weer naar huis terugkeert. [Deze zin zou zelfs in origineel Nederlands zeer krom klinken] [Net als] Zij die het koningschap over mensen [156] [die] uitoefenen plegen na een zeker verloop van tijd de afbeeldingen op hun munten te veranderen, door [op sommige] er nu eens de beeltenis van [een] leeuwen te plaatsen, [op een andere] dan weer van sterren of [op weer een andere] engelen op af te beelden, [een tautologie als “beeltenis” “af te beelden” zou zelfs in origineel Nederlands krom klinken] in een poging om door die nieuwe [erop geslagen] beeltenis de waarde van het [goud] geld te verhogen. [,] Precies zo handelt ook de koning van het heelal, [door]. Door aan de [goddelijkheid van de ware religie allerlei nieuwe levenswijzen toe te voegen, alsof Hij] vroomheid als het ware allerlei nieuwe beeltenissen [en zegels drukt om] te geven brengt hij niet alleen [ten behoeve van] de tongen van degenen die [vast] in het geloof zijn opgevoed [maar om hen] tot lofprijzing [van God aan te moedigen], maar ook die van hen die nog lijden aan [de ziekte van] het ongeloof.

(13) [Zij werden niet alleen overtuigd door] Het getuigenis dat deze dingen een realiteit zijn is niet een kwestie van alleen maar woorden, het [was ook het zien van de pilaar zelf, dat op zich boekdelen sprak] zijn ook de feiten die het uitschreeuwen. De IsmaĎlieten bijvoorbeeld, die met hun vele tienduizenden de slaven van de duisternis der goddeloosheid waren, zijn door [het simpele feit van] zijn staan op de zuil [met ontelbare duizenden] tot het licht gekomen. Want als [een zeer heldere kaars] het ware op een kandelaar geplaatst, heeft [hij] deze zeer helder schijnende lamp zijn stralen als de zon alle kanten heengezonden. Zoals ik al gezegd heb, [zag hij de] men kan hier zien hoe IberiĎrs, Armenen en Perzen arriveren om de [goddelijke] heilige doop te ontvangen. De IsmaĎlieten, die [ook] in groepen [kwamen] van twee- of driehonderd tegelijk komen, maar soms ook wel met duizend, zweren onder luid geschreeuw hun voorvaderlijke dwalingen af. De door hen aanbeden afgodsbeelden [wezen] breken ze voor de ogen van deze grote lichtdrager [totaal af] aan stukken en ze zweren de [orgieĎn] geheime riten van [Venus] Afrodite af — want [ze aanvaardden dat dit een aanbidding] het was de cultus van deze demon[en was, zoals Simeon van hoog daarboven maar bleef herhalen] die ze oorspronkelijk hadden aangenomen. Ze krijgen deel aan de goddelijke mysteriĎn [Sacramenten], aanvaarden wetten uit deze gewijde mond, zeggen de gewoonten van hun voorvaderen vaarwel, [gingen akkoord met de riten van de vaders] [dat is toch wel iets totaal anders!!!]  en [zworen de barbaarse cultus van] willen geen vlees van wilde ezels en kamelen [af] meer eten. [Ook dat is toch wel iets totaal anders!!! Het verschil zou grappig zijn, als het niet zo schandelijk was, zulke fouten van een hoogleraar in de theologie.]

(14) Ik heb ook zelf gezien en gehoord dat die mensen hun voorvaderlijke goddeloosheid hebben [veroordeelden] afgezworen en [de leer] met het onderricht van het evangelie [aanvaardden] instemden.

Ik ben zelfs een keer in een hoogst gevaarlijke situatie terechtgekomen. Hijzelf had hun namelijk [aangeraden naar mij] bevolen naderbij te komen en van mij de priesterlijke zegen in ontvangst te nemen, waarbij hij zei dat zij daarvan het allergrootste profijt zouden hebben. Toen stormden ze als echte barbaren allemaal tegelijk op mij af en begonnen aan mij te trekken, sommigen [naar voren] aan de voorkant, anderen [naar achteren] aan de achterkant, weer anderen [naar opzij] aan de zijkanten, terwijl degenen die [aan de buitenkant van de menigte]  verderaf stonden [naar binnen drongen] over de anderen heenliepen en hun handen uitstrekten, hetzij om aan mijn baard te trekken hetzij om mijn kleren [te grijpen] aan te raken. [157]  Ik zou onder hun al te [gewelddadige] warmbloedige toeloop gestikt zijn als Simeon niet met een luide schreeuw hen allen had verspreid. Zo groot is de [was de macht, bespot door de kwaadaardigen,] weldaad die uit deze door spotters graag bespotte pilaar is voortgekomen[vloeide], [terwijl Simeon het licht] en zo sterk is de straal van godskennis [uitstraalde] die hij tot in de harten der barbaren heeft neer gezonden. [vdH gebruikt verleden tijd en tegenwoordige tijd op verwarrende manier door elkaar; hier maar ook elders.]

(15) Ik heb nog een ander [dergelijk] geval [zien gebeuren] van zulk gedrag door deze mensen meegemaakt. Een bepaalde stam [van mensen die daar aanwezig was] smeekte de man Gods om een gebed en een zegen voor hun stamhoofd uit te spreken. Maar een andere stam, die daar toen ook aanwezig was, verzette zich daartegen en vond dat de zegen niet voor [het hoofd van die andere stam] hem, maar juist voor hun eigen leider moest worden uitgesproken, want de eerste was [een tiran] buitengewoon onrechtvaardig, terwijl [die van henzelf] de ander in het geheel geen onrechtvaardigheid kende. Er ontstond een [enorme en barbaarse twist] lang debat en een ruzie die typerend is voor deze barbaren, en het eind van het liedje was dat men zich op elkaar stortte. Ik [kwam tussenbeide met een langdurig beroep] gebruikte al mijn welsprekendheid om hen tot rust te manen, aangezien de man Gods voldoende macht had om zowel de een als de ander in de zegen te laten delen. Maar de ene partij bleef [klagen] zeggen dat die ander[en] die zegen niet moest[en]  krijgen, terwijl de andere partij probeerde [te voorkomen dat hun tegenstanders] haar rivaal van de zegen [zouden krijgen] te beroven. Toen begon [Simeon] hij hun [van daarboven te berispen en vergeleek hen met] vanaf de pilaar dreigementen toe te slingeren en hen voor [jankende] honden uit te schelden, en pas op die manier [nam] wist hij met veel moeite hun ruzie [af] onder controle te krijgen. Ik heb dit overigens alleen maar verteld omdat ik wilde aantonen [hoe sterk hun] welk geloof [was dat] er in hun harten [gekomen was] [een essentieel verschil! Want bewerkstelligt door Simeon] leefde, want ze zouden nooit [ruzie gemaakt hebben] als gekken tegen elkaar tekeer zijn gegaan als ze niet hadden geloofd dat de zegen van deze man Gods een zeer grote kracht had.

(16) Ik heb bij een andere gelegenheid nog een [ander] beroemd [wonder] en wonderbaarlijk voorval meegemaakt. [Het] Er kwam iemand - hij was het hoofd van een [van de] Saraceense stam[men] - die de heilige persoon smeekte [kwam vragen] een man te helpen wiens ledematen onderweg verlamd waren geraakt. Hij zei dat deze aanval hem getroffen had bij [Callinicus] Kallinikon - dat is een heel grote citadel. Toen men [de verlamde naar voren bracht] hem in het midden had geplaatst, beval [vroeg] Simeon hem [of hij de goddeloosheid van zijn volk] het ongeloof van zijn voorouders af [wilde] te zweren. Graag stemde hij daarmee in en deed wat hem was opgedragen. Toen vroeg Simeon hem of hij geloofde in de Vader en de eniggeboren Zoon en de Heilige Geest. Toen hij beleed dat hij daarin geloofde, zei Simeon tot hem: '[Bij je geloof] Omdat je in deze namen gelooft, sta op!' Toen de man was opgestaan, [158]  [bood hij onmiddellijk aan] [de ex-verlamde dus; weer heel wat anders dan de versie van vdH] droeg Simeon hem op het stamhoofd op zijn schouders naar zijn tent te dragen[. Het] - en dat stamhoofd [vond dat goed] had een bijzonder fors lichaam! - maar hij pakte hem direct op en [ze] ging[en] er [meteen] met hem vandoor, terwijl de omstanders in liederen tot lof van God uitbarstten.

(17) Simeon [deed dit] gaf hem deze opdracht in navolging van de [Heer] Meester, die ook de verlamde het bevel gaf zijn bed te dragen. [Mattheus 9.6 [70] ] Maar laat niemand deze navolging aanmatiging noemen, want van Hemzelf is het woord: 'Wie in mij gelooft zal de werken die ik verricht ook zelf verrichten, en hij zal zelfs nog grotere verrichten dan deze.' [Johannes 14.12 [71] ] En van die belofte hebben wij de vervulling gezien. Want terwijl de schaduw van de Heer nooit ergens een wonder heeft verricht, heeft [alleen al] de schaduw van [de grote] Petrus de [macht van de] dood [gebroken] tenietgedaan, [zieken genezen] ziekten verdreven en demonen [uitgedreven] op de vlucht gejaagd. [Handelingen 5.15 [72] ] Maar het was de [Heer] Meester die ook deze wonderen verrichtte via zijn [discipelen] dienaren, en door diens [goddelijke] naam aan te roepen, verricht[te] op dezelfde wijze ook nu de goddelijke Simeon [veel] ontelbare wonderen.

 

[Heel §18 ontbreekt in veel manuscripten; w.s. een latere invoeging]

(18) Er gebeurde ook nog een ander wonder [dat hij deed, niet minder miraculeus dan] dat geenszins onderdoet voor het vorige. Onder degenen die in de heilbrengende naam van Christus onze Meester [waren gaan geloven] geloofden was ook een niet onaanzienlijke IsmaĎliet [uit een vrij bekende plaats] die een [gelofte] gebed tot God richtte met Simeon als getuige en die ook een gelofte deed. De gelofte was dat hij zich voorgoed zou onthouden van [de] elke consumptie van vlees [van elk levend wezen]. Hoe het nu kwam weet ik niet precies, maar op zekere dag brak hij [om een of andere reden] deze gelofte [en probeerde iets] door een vogel te doden en die op te eten [dat gedood was]. Maar God wilde hem [berispen en] tot inkeer brengen door hem aan de kaak te stellen en tegelijk zijn eigen dienaar [de] die getuige van de verbroken gelofte[, die nu verbroken] was eren. Daarom [veranderde Hij] werd het vlees van de [kip] vogel veranderd in steen zodat hij hem verder niet kon opeten, zelfs al had hij dat gewild. Want hoe zou het nu mogelijk zijn te eten van [het vlees dat] iets wat in steen was veranderd, hoewel [hij het had willen] het bedoeld was om op te eten? Helemaal perplex door dit [verbazingwekkende en ongelooflijke] uitzonderlijke schouwspel begaf de barbaar zich met gezwinde spoed naar de heilige. Hij [bracht zo] biechtte zijn [verborgen] geheime zonde [aan het licht,] op, verkondigde [biechtte in het bijzijn van] aan iedereen zijn overtreding [op] en vroeg God om vergeving voor zijn misstap. Hij riep de heilige te hulp opdat deze door zijn almachtige gebeden hem van de boeien van de zonde zou bevrijden. Velen zijn ooggetuigen geweest van dit wonder en hebben [gezien hoe in de aanwezigheid van deze persoon] eigenhandig gevoeld dat het gedeelte[s] van de [kippenbotten] vogel bij de borst uit bot en [in] steen [veranderden] bestond. [159]

(19) Ik ben niet alleen van deze wonderen ooggetuige geweest, maar ik heb ook met eigen oren zijn voorspellingen van de toekomst gehoord. Want [een] de droogte die over ons kwam en de [daaruit voortvloeiende] grote misoogst van dat jaar en de daaropvolgende hongersnood [en epidemie] die ook met pest [daarmee] gepaard ging[en], dit alles had hij al twee jaar tevoren [voorspeld] aangekondigd. Hij zei dat hij een [grote] staf had gezien die [tegen de mensheid werd opgeheven, met zwepen eraan om hen te straffen.] de mensen bedreigde en die al van tevoren de slagen bekend maakte die hij zou toebrengen. Een andere keer kondigde hij van tevoren [een sprinkhanenplaag] de aanval van de zogenaamde kampź aan, en hij zei erbij dat die niet veel schade zou aanrichten, want Gods [genade zou in antwoord op de gebeden geschonken worden.] mensenliefde gaat hand in hand met zijn straf. [Dat is toch weer eens totaal anders!] Dertig dagen later [daalde] vloog er een zo enorme zwerm daarvan [op ons neer] over, dat de stralen van de zon door hen werden onderschept zodat ze ons in schaduw hulden; dat hebben wij allemaal heel duidelijk gezien. Maar het bracht alleen maar schade toe aan het [gras] voer voor de dieren, niet aan het voedsel van de mensen.

Toen ikzelf eens het doelwit van iemands vijandig gedrag was, voorspelde hij [dat de ruzie zou eindigen voordat] twee weken [om waren] van tevoren de dood van mijn vijand, en de ervaring leerde mij dat zijn voorspelling juist was. [Toch wel een stuk minder dramatisch]

(Er verschenen hem [Hij zag] ook eens twee staven die uit de hemel [neer kwamen] vielen, de een [viel in het Oosten] naar het oostelijk en de ander [viel in het Westen] naar het westelijk gedeelte van de aarde. De man Gods duidde dat visioen als een opstand van het Perzische en het Skythische volk tegen de Romeinse heerschappij. Hij legde het visioen aan de omstanders uit en door zijn overvloedige tranen en ononderbroken smeekbeden wist hij de[ze] plagen die de wereld bedreigden tot stilstand te brengen. Tenminste, de Perzen die al gewapend klaarstonden om de Romeinen aan te vallen, werden door een goddelijke tegenbeweging [vanaf het begin] afgehouden van hun voorgenomen aanval want interne problemen [zetten hen tegen elkaar op.] namen hen geheel in beslag.)

(20) Ik ken nog vele andere voorvallen van dien aard, maar ik laat ze verder achterwege om te voorkomen dat [ik beschuldigd wordt van wijdlopigheid] het verhaal al te lang wordt. [Wat ik jullie verteld heb, is] Het voorafgaande is, mij dunkt, wel voldoende om het spirituele inzicht duidelijk te maken dat zijn geest bezat.

Zelfs bij de Perzische koning genoot hij [zo’n] grote faam [dat hij] . Zoals de gezanten [stuurde, omdat hij] die hem kwamen bezoeken vertelden, wilde hij immers precies weten hoe de levenswijze van de man was en wat voor wonderen hij verrichtte. Men zegt [ook] dat de [koningin van PerziĎ hem vroeg wat]  echtgenote van de koning zelfs olie [voor haar te zegenen] probeerde te bemachtigen die waardig gekeurd was zijn zegen [160] te ontvangen, en dat ze die ook [accepteerde] kreeg als een bijzonder kostbaar geschenk. Alle leden van het koninklijk hof [waren zeer opgewonden toen ze hierover hoorden, ook al kenden ze], enerzijds onder de indruk van zijn faam en anderzijds ook bekend met de lasterpraatjes [van] die de Perzische [geleerde tovenaars] [of misschien, magi?] priesters tegen hem in het geweer brachten, [Zij] lieten zich precies informeren [en] . Maar toen ze eenmaal op de hoogte waren, [maakten ze de naam van die] noemden ze hem een goddelijke man [zelfs nog in wijdere kring bekend]. [Een grote] De rest van de menigte ging naar de muildierdrijvers, de dienaren en de soldaten toe, bood hun geld aan en smeekte hen [om] een deel van de [ge]zegen[de] te ontvangen die in de olie aanwezig was. [In de versie van vdH klinkt het toch weer als onzin.]

(21) De koningin van de IsmaĎlieten was onvruchtbaar, maar wilde graag kinderen hebben. Eerst zond ze [iemand van gezag en aanzien] enkelen van haar hoogste beambten om hem te [vragen] smeken dat zij moeder zou worden. [Hij deed zijn verzoek] Daarna, toen haar gebed verhoord was en zij [baarde] een kind had gebaard zoals zij gewenst had, [en de] nam zij de pasgeboren koning [dus juist niet de koningin!] [bracht hem] en haastte zich ermee naar de heilige grijsaard. Maar omdat het vrouwen verboden was daar binnen te komen, liet ze de baby naar hem toe brengen met de bede hem [en die vroeg of dit gebeurd was door] zijn zegen deelachtig te laten worden. [Maar deze] Want ze zei: [‘Neen, het was uw eigen handeling die het deed.] 'Deze schoof is van u. Want ik heb weliswaar met mijn tranen het zaad [van het gebed uitgestort] gebracht, maar gij hebt het [was uw] zaad [dat in oogst resulteerde] tot een schoof gemaakt, omdat gij [toen u] door uw gebed daarover de regen van Gods genade hebt gebracht!' [Toch weer eens totaal anders.]

Maar hoelang nog zal ik proberen de diepte van de Atlantische Oceaan te peilen? Want zoals die onmetelijk is voor de mensen, zo gaat alles wat er dagelijks door zijn toedoen geschiedt elke beschrijving te boven.

(22) Zelf bewonder ik zijn volharding meer dan al dit andere. [Deze zin staat niet in de Engelse versie.]

Want dag en nacht [stond] houdt hij zich staande voor het oog van allen. Hij [had] heeft namelijk de [geen] deuren [en kon van alle kanten benaderd worden,] laten weghalen en een heel groot deel van de omheining laten afbreken, en zo [verschafte] staat hij aan allen blootgesteld als een nieuw en wonderbaarlijk schouwspel, nu eens lange tijd staande, dan weer veelvuldig buigend om God aanbidding te brengen. Velen van de omstanders tellen zelfs die aanbiddingen. Eens telde een van mijn begeleiders er [1254] 1244, maar toen raakte hij de tel kwijt doordat [hij een fout maakte] zijn aandacht verslapte. [Omdat] Als hij [zo vaak] neerboog [kon] raakte hij altijd met zijn voorhoofd [bijna] zijn tenen aan[raken], want omdat zijn maag maar eenmaal per week voedsel ontving, en ook dan nog maar heel weinig, [net zo veel als bij het delen in de heilige Sacramenten,] liet zijn rug zich heel gemakkelijk buigen. [vdH laat geregeld stukken weg, zoals hier.]

(23) Men zegt dat er zich ten gevolge van het lange staan [op één been] bij hem [161] aan zijn linkervoet een [zweer]  wond van Cheiron ontwikkelde waaruit zich voortdurend een grote hoeveelheid etter afscheidde. Toch heeft geen van deze beproevingen zijn [levenswijze] filosofie aan het wankelen gebracht, want hij draagt zowel de vrijwillige als de onvrijwillige beproevingen met een [dappere en] nobele geest en komt beide te boven dankzij zijn geloofsijver.

Hij werd eens gedwongen [zijn zweer] die wond aan iemand te laten zien. De reden daarvan zal ik nu vertellen. Er was iemand gekomen uit [Arabena] Rabaine, een deugdzaam man die geĎerd was met de waardigheid van diaken van Christus.

[Hij] Toen deze op de bergtop gearriveerd was, zei hij: 'Zeg mij eens, in naam van de waarheid [, wat voor een mens is hij die zijn leven zo verandert als u hebt gedaan?] die het menselijk geslacht tot zichzelf bekeerd heeft, bent u [echt] een mens of een onlichamelijk[e geest] wezen?'

Toen de omstanders zich ergerden aan die vraag, [en hem] maande Simeon hen allen tot stilte [maanden] en zei [Simeon] tot hem: 'Waarom heb je mij die [onder]vraag [je me zo] gesteld?' [Twee maal weer totaal anders.]

Daarop zei de ander: 'Ik hoor alle mensen erover praten dat u niet eet en niet slaapt, terwijl dat toch dingen zijn die mensen eigen zijn. Want niemand die een menselijke natuur heeft kan in leven blijven zonder voedsel en slaap.'

Toen [zei] beval Simeon[: ‘pak] dat er een ladder tegen de pilaar aan moest worden gezet en [kom] dat hij naar boven[.‘] moest komen.

[Zodra zijn hand boven de bovenkant van de ladder verscheen, tilde hij de zoom van zijn lange mantel op en begeleidde de hand] Eerst moest hij zijn handen onderzoeken, daarna moest hij zijn hand in zijn dierenhuiden kleed stoppen, en tot slot moest hij niet alleen naar zijn voeten[, waar de man niet alleen Simeons voeten zag] kijken maar ook [die] naar de vreselijke [zweer] wond. Toen de man de enorme omvang van de wond met verbazing had bekeken en van Simeon had gehoord [hoe] dat hij [gevoed werd] wel voedsel nam, daalde hij weer af, kwam naar mij toe en vertelde mij alles.

 

(24) Tijdens de publieke feesten vertoont hij nog een andere vorm van volharding. Want dan [stond] strekt hij van [de] zonsondergang [van de zon] tot [de tijd dat deze weer de westerse horizon nadert] zonsopgang [dus in feite 24 uur, en niet 12 uur wat vdH impliceert] [met] zijn handen [omhoog gestrekt in gebed] uit naar de hemel waarbij hij de gehele nacht blijft staan zonder door slaap [en met weinig inspanning] of door inspanning overmand te worden.

(25) [Bij] Ondanks al deze inspanningen en [ondanks] deze veelheid aan goede daden [die hij uitvoerde] en deze menigte van wonderen [was hij begiftigd met een bescheidenheid en zelfcontrole die hem de waardigste] blijft hij toch bescheiden alsof hij de minste van alle mensen [maakte] in waardigheid is. [weer andersom vertaald] Naast deze bescheidenheid is hij zeer toegankelijk en aangenaam [vriendelijk] en charmant [wat een woord voor een heilige!], en hij [gaf] reageert ook op iedereen die hem aanspreekt [gelijke aandacht], of het nu een handwerker of een bedelaar of een boer is. Hij heeft van de [Hem werd door de genereuze en overvloedige Heer] Meester, de grote gever van gaven, ook de gave van het onderricht[wijzen gegeven] ontvangen. Tweemaal per dag, [162] wanneer hij [tot] zijn publiek [preekte] vermaant, [goot hij het levenswater in] overspoelt [wat een onzin hier van vdH] hij de oren van zijn toehoorders terwijl hij hen [heel mooi] met veel charme toespreekt en hen zo de lessen [de discipline] van de goddelijke Geest [toont] onderwijst. Hij [dringt er bij] draagt hun op [aan] het hoofd naar de hemel te wenden en [hun vleugels te ontvouwen] zich daarheen te verheffen, zich los te maken van de aarde, zich het langverwachte koninkrijk voor te stellen, de [straf] dreiging van de hel te vrezen, aardse dingen te verachten, en [uit] te [zien naar de wereld] wachten op de dingen die komen [gaat] gaan.

(26) Men kan hem ook als rechter zien optreden en juiste en rechtvaardige oordelen zien uitspreken. Maar deze en dergelijke activiteiten verricht hij pas na het negende uur. Want de hele nacht en ook de dag tot aan het negende uur brengt hij door in [voortdurend] gebed. Na het negende uur geeft hij eerst zijn goddelijke onderricht aan de aanwezigen, daarna [luisterde] neemt hij [naar] ieders verzoeken in ontvangst en verricht enkele genezingen, en dan [gaf hij zijn oordelen tegenover] lost hij de conflicten tussen de strijdende partijen op. Tegen zonsondergang herneemt hij dan zijn gesprek met God.

(27) Maar terwijl hij daarmee bezig is [met] en al die activiteiten onderneemt, verwaarloost hij toch niet de zorg voor de heilige kerken, door nu eens tegen de goddeloosheid van de heidenen te strijden, dan weer de onbeschaamdheid van de joden te [weerleggen] ondermijnen, en soms ook de benden der ketters te [overwinnen en] verdrijven. [Bovendien] De ene keer schrijft hij de keizer daarover brieven, [en ook aan] een ander maal tracht hij de [leiders van gemeenschappen en magistraten] machthebbers [om hen] op te wekken tot ijver voor Gods zaak, en soms [ook aan] vermaant hij ook de herders der kerken zelf [hen vermanend] meer zorg te dragen voor hun kudden.

(28) Bij het [voor jullie be]schrijven van dit verhaal heb ik geprobeerd om uitgaande van een [deze paar] regendruppel[s] [hoop ik de lezers enig idee van een levensverwekkende] de regen[bui te hebben gegeven] zelf te laten zien en de lezers van mijn geschrift van de top van mijn vinger de zoetheid van [of hoe het is] de [zoetste] honing te [proeven] laten smaken. [Maar er zijn veel meer] De dingen die door alle mensen bezongen [en gevierd kunnen] worden vormen namelijk een veelvoud van wat men hier vindt, maar ik [had tenslotte] heb dan ook niet beloofd ze allemaal te zullen opschrijven, maar aan de hand van slechts enkele voorbeelden de aard van [zijn] ieders levenswijze [en karakter] te laten zien. [Hoezo nu “ieders”? Dat is toch weer heel wat anders, en dat past toch absoluut niet in de context.] [Laten] Naar te verwachten is, zullen ook anderen [maar] nog veel meer [over hem schrijven, als ze dat willen] voorbeelden daarvan op schrift stellen.

[De volgende paragraaf is niet in mijn Engelse versie]

En als hij blijft leven, zullen ze er zonder twijfel nog grotere wonderen aan toevoegen. Persoonlijk verlang ik ernaar en smeek God erom dat hij (Simeon), geholpen door zijn eigen gebeden, mag volharden in deze goede werken, want hij is een gemeenschappelijk sieraad en een ornament van vroomheid. [163] Ook bid ik dat mijn eigen leven harmonie mag krijgen in die zin dat het in overeenstemming wordt gebracht met de evangelische wijze van leven.

(Men veronderstelt dat het onderstaande stuk aan Het Leven van Simeon is toegevoegd door iemand anders dan Theodoretus na de dood van Simeon.)

[Hij leefde nog een [lange] tijd verder, terwijl hij vele wonderen en andere werken verrichtte. Als enige onder alle[n die er ooit waren] mensen die ooit geleefd hebben [waarschijnlijk wordt met “allen” alle asceten bedoeld en niet “alle mensen”.] werd hij niet overwonnen door de vlammende hitte van de zon, de ijzige kou van de winter, de hevige aanvallen van de wind, en de zwakheid van [zijn] de menselijke natuur[, totdat het hem tenslotte was toegestaan]. Omdat hij voortaan bij Christus [te] moest zijn en de krans [mocht] moest ontvangen voor zijn ontelbare worstelingen, bevestigde hij [met] door zijn dood voor [ongelovigen] degenen die dat niet konden geloven [toch weer even heel wat anders] dat hij [slechts] inderdaad een mens was. Ook na zijn dood bleef hij onwrikbaar: zijn ziel had dan wel de hemel bereikt, maar zijn lichaam [werd] kon het ook toen niet [toegestaan] opbrengen te vallen, en het bleef rechtop staan op [zijn slagveld,] de plaats van zijn worstelingen als een onoverwinnelijke atleet die er een eer in stelt met geen enkel deel van zijn ledematen [die] de grond aan [wilde] te raken[,]. Zo blijft de overwinning [verkondigend voor] bij de strijders [van] voor Christus ook [in zijn dood] als ze gestorven zijn.

In ieder geval [worden] doen er zich tot op de dag van vandaag [zijn] genezingen van allerlei kwalen, [zijn] wonderen en [de kracht van zijn] machtige goddelijke [werken] manifestaties voor, net [zo gevierd als destijds] zoals toen hij nog leefde, en dat niet alleen bij het graf met [verscheidene] zijn heilige [relikwieĎn] overblijfselen maar [vooral] ook [met] bij [dat] het monument [voor] van zijn [grote deugd] dapperheid en zijn [dagelijkse] langdurige strijd - ik bedoel de grote en beroemde zuil [die de rechtvaardigheid en lof] van deze rechtvaardige en veelbezongen Simeon [verkondigt].

[Ik hoop] Wij bidden dat [ik in] wij door zijn heilige voorbeden [mag delen en mag volhouden met mijn heilige werken en ik bid tot God die voor ons allen zorgt, die de pracht van devotie en] ook zelf gered mogen worden en mogen steunen op het ware geloof [is, mijn leven te regeren en mij te kneden in de vorm van het evangelie.], en dat elke stad en elke streek waarover de naam van onze Heer Jezus Christus is uitgeroepen bewaard mogen blijven voor elke ervaring van kwaad en schade van de kant van de hemel of van vijanden. Hem zij de eer tot in de eeuwen der eeuwen.]

[Niet vertaald, 4 hoofdstukken: BARADATUS, THALELAEUS, MARANA en CYRA, DOMNINA.]

[De oorspronkelijke teksten van Euthymius en Sabbas heb ik niet gescand en op correctheid gecontroleerd. Het wordt me wat te veel en deze teksten voegen ook niet echt iets nieuws toe. Het ware beter geweest als vdH hier de Levens van een paar woestijnmoeders had weergegeven, i.p.v. alleen die van Maria van Egypte.]

 

PSEUDO-SOPHRONIUS [211]

 

De echte Sophronius [in mijn Engelse versie wordt deze auteur Saphronius genoemd] leefde van circa 550-638 en werd, na zestig jaar lang een streng ascetisch monnikenleven geleid te hebben, op hoge leeftijd in de laatste jaren van zijn leven nog bisschop van Jeruzalem. Op zijn naam staat het beroemde levensverhaal van Maria de Egyptische, maar het is wel zeker dat hij de echte auteur niet was. In feite weten we niet wie de hier vertaalde tekst heeft geschreven, behalve dan dat het een in Byzantijns Palestina levende auteur was van het begin van de zevende eeuw.

Het verhaal over de Egyptische hoer Maria [Zij was geen hoer want ze deed het niet voor geld, maar alleen voor lust, dus nogal sensationalistisch van Horst om deze term te gebruiken. Ook verderop in de vertaalde tekst, gebruikt hij te onpas het woord ‘hoer’ zoals in ‘hoerenliedjes’ of ‘hoererij’ terwijl dat dus niet de meest juiste vertaling is, en correcter zou worden weergegeven met ‘losbandige liedjes’ en ‘ontucht’. En terwijl hij in zijn Inleiding aankondigt dat er ook woestijnmoeders zijn, is deze in feite de enige die hij bespreekt, en is deze losbandige vrouw eigenlijk niet het beste voorbeeld, want de meesten waren ‘maagden’.]

 

[212]

[]

 

De overgeleverde Griekse tekst is in de loop der eeuwen nogal in het ongerede geraakt; bovendien bestaat er geen goede kritische tekstuitgave van. [Bij V2 wordt er van een Latijnse vertaling, door bisschop Paulus, van het oorspronkelijke Grieks gesproken; zou vdH die niet gebruikt hebben? En hoe kan hij zich dan zo vergissen?] De vertaler moest daarom op een heel aantal plaatsen een min of meer beredeneerde gissing doen naar wat er precies bedoeld zou kunnen zijn. [Wel, vdH zat er zeer vaak totaal naast met zijn ‘beredeneerde gissing’!] Dit betreft echter meestal slechts details en er staat voldoende van de tekst vast om het verhaal goed te kunnen volgen.

 

[Het is eigenlijk veel meer het verhaal van Zosimas, waarin het verhaal van Maria als een raamvertelling ingevoegd is. Het verhaal van Maria is misschien wel spectaculair, maar haar leven is in ieder geval niet typerend voor een woestijnmoeder. De meesten zijn toch maagden, geen vrouwen van losse zeden.]

 

[Voor de vergelijking van teksten maak ik hier gebruik van twee Engelse versies, t.w. Versie Een: http://www.fatheralexander.org/booklets/english/mary_egypt_ext.htm; The Life of our Holy Mother Mary of Egypt; en Versie Twee: http://www.vitae-patrum.org.uk/page47.html; The Life of St Mary of Egypt by Sophronius. De tekst van vdH komt het meest overeen met Versie Twee, dus die zal ik als voornaamste referentie gebruiken.]

Het leven van Maria de Egyptische

(..)[Not translated by VdH, Version One]

"It is good to hide the secret of a king, but it is glorious to reveal and preach the works of God" (Tobit 12:7) So said the Archangel Raphael to Tobit when he performed the wonderful healing of his blindness. Actually, not to keep the secret of a king is perilous and a terrible risk, but to be silent about the works of God is a great loss for the soul. And I (says St. Saphronius), in writing the life of St. Mary of Egypt, am afraid to hide the works of God by silence. Remembering the misfortune threatened to the servant who hid his God-given talent in the earth (Mat. 25:18-25), I am bound to pass on the holy account that has reached me. And let no one think (continues St. Saphronius) that I have had the audacity to write untruth or doubt this great marvel — may I never lie about holy things! If there do happen to be people who, after reading this record, do not believe it, may the Lord have mercy on them because, reflecting on the weakness of human nature, they consider impossible these wonderful things accomplished by holy people. But now we must begin to tell this most amazing story, which has taken place in our generation.

 

(2) In een van de kloosters van Palestina woonde een [zekere ouderling, een priester van het heilige leven, een] man die bekend stond om zijn levenshouding en [theologie] zijn gave van het woord, en die al vanaf zijn kinderjaren was grootgebracht in de monastieke gewoonten en leefwijze. Die [ouderling] oude man heette Zosimas [de volgende tussenzin komt niet voor in Versie 1] (laat nu niemand vanwege deze naam [hem verwarren met] denken dat ik die Zosimas bedoel die destijds vanwege [het onderwijzen van de] zijn leringen [van een andere sekte] als ketter is veroordeeld, want ook al hebben ze dezelfde naam, [er zou geen groter verschil tussen beiden kunnen zijn] het gaat om twee verschillende mensen die verder weinig gemeen hebben). Onze orthodoxe Zosimas nu, die vanaf het begin [zijn hele leven] in een van de kloosters [in] van Palestina woonde, streefde [had] elke vorm van ascese na[gestreefd] en [was zeer ervaren] bekwaamde zich in allerlei [aspecten] soorten van [de] onthouding. Want hij hield zich [met perfecte monastische discipline] geheel aan [elk voorschrift van] de leefregel die [hem] was overgeleverd door [zijn leraren was gegeven, die er zelf van kindsheid af aan mee opgevoed waren] degenen die zich voor die wedstrijd getraind hadden, en hij voegde daaraan vanuit zichzelf nog [meer] veel zaken toe [dan de regels vereisten], omdat hij [zo vurig] het vlees wilde [213] onderwerpen aan de geest. En hij miste zijn doel niet, want de oude man was zo beroemd vanwege zijn geestelijke [leven] gaven dat dikwijls vele monniken uit de omliggende en soms zelfs ook uit verafgelegen kloosters naar hem toe kwamen om [van zijn voorbeeld en]  zich door zijn onderricht [te leren hoe zijn]  in de kunst van de onthouding [na] te [bootsen en zich beter in de hand te houden dan daarvoor] laten vormen.

Ook al was de oude man [met al deze dingen] zo druk bezig met het praktische aspect van het monnikenleven, toch verwaarloosde hij nooit [zijn] de meditatie over de goddelijke [op de heilige Schrift] woorden, of hij nu op zijn bed lag of opstond of [met zijn handen werkte] zijn handwerk in zijn handen had waarmee hij in zijn levensonderhoud voorzag. Als je wilt weten wat voor [of] voedsel hij at [wanneer dat nodig was] [De volgende tussenzin staat niet in versie 2] [— als je die paar kruimels die hij knabbelde nog voedsel kon noemen — ], weet dat hij slechts één [doel] bezigheid had [dat] die nooit ophield, het [stil reciteren van psalmen] ononderbroken psalmzingen en het altijd [onderwijzen van] mediteren over de heilige [Schrift] woorden. [in versie 2: ... en het mediteren op hun heilige wijsheid.]

[De volgende twee zinnen staan niet in versie 1]

Men [zei vaak over hem] zegt dat [hij] de oude man ook dikwijls een goddelijk visioen[en van God] waardig gekeurd werd [en dat is niet echt opmerkelijk of ongelooflijk, want] zodat hij van Godswege verlichting ontving, zoals de Heer zegt: 'Zalig zijn de reinen van hart, want zij zullen God zien.' [Mattheus 5.8] Zij die hun lichaam hebben [gezuiverd] gereinigd en altijd nuchter zijn, [en wiens] zullen met het wakkere oog van hun ziel[en altijd waakzaam zijn, zullen dan wel helemaal] visioenen van [zegeningen die hun in het toekomstige leven] goddelijke verlichting zien en krijgen daarmee een voorproefje van het goede dat hun nog te wachten [staan] staat.

 

(3) Zosimas placht te vertellen dat hij als het ware al vanaf de moederschoot aan dat klooster was afgestaan en dat hij [het kloosterleven] de ascetische [training] wedloop daar [tot de leeftijd van] 53 jaren lang had [gedaan] gelopen. [53 jaar of tot je 53e, dat is toch weer heel wat anders] [Maar toen] Daarna echter, zo vertelde hij, begon hij gekweld te worden door gedachten als zou hij reeds in alle opzichten volmaakt zijn geworden en van niemand anders meer enig onderricht nodig hebben. Hij begon tegen zichzelf te zeggen: 'Is er nog een monnik op aarde die mij iets nieuws of iets nuttigs kan leren, een vorm van ascese die ik nog niet [vaardig ben] ken of nog nooit beoefend heb? Bevindt zich onder de filosofen in de woestijn iemand die mij overtreft [heeft] in daden of gedachten?'

Toen de [ouderling] grijsaard zulke gedachten koesterde, kwam er [verscheen hem een engel] iemand bij hem staan [iemand (V.2) of een engel (V.1)] die tot hem zei: 'Zosimas, je hebt zo [heldhaftig] goed als een mens maar kan gestreden, en je hebt de ascetische [weg heldhaftig] wedloop goed afgelegd. Maar [er is] onder de mensen is er niemand die [kan beweren dat hij] de volmaaktheid heeft bereikt. En voor je [liggen krachtsinspanningen] ligt een strijd die [zwaarder zijn dan degene die je al voleindigd hebt] groter is dan de voorbije, en daarvan hebben jullie geen weet. Om nu ook zelf te weten te komen hoeveel andere wegen er nog zijn die tot [de Verlossing] het heil leiden, moet je nu het land van je geboorte en het huis van je vader verlaten, zoals ook die eerbiedwaardige aartsvader Abraham heeft gedaan, [Genesis 12.1] [214] en naar dat klooster gaan dat vlak bij de rivier de Jordaan gelegen is.'

 

(4) [Zosimas] De oude man gaf [hieraan] direct gehoor aan het bevel en verliet het klooster waar hij van jongs af aan had gewoond. Hij [ging naar] bereikte de heilig[st]e [van alle] rivier[en] de Jordaan [in versie 2 de heiligste rivier; in versie 1 een gewone rivier] en [bereikte eindelijk de gemeenschap, waar de engel die met hem gesproken had hem naar toe leidde en] degene die het hem had bevolen geleidde hem naar het klooster waarvan God wilde dat hij ernaar toe ging. Hij klopte met zijn hand op de poort [van het klooster] en [vertelde de monnik die] kwam daar eerst de poortwachter [was, wie hij was en deze vertelde het aan] tegen die hem naar de abt bracht. Die ontving hem en observeerde zijn uiterlijk en gedragingen - Zosimas [maakte een diepe buiging] had zich namelijk ter aarde geworpen zoals bij monniken gebruikelijk is en [deed zijn gebed] de abt gevraagd voor hem te bidden [waaruit de abt kon opmaken dat hij een monnik was] [In versie 2 staat: De abt ontving hem en zag aan zijn kleding dat hij een godsdienstig man was en, zoals de gewoonte is in kloosters, boog op een knie en zei een gebed alvorens het gesprek te beginnen] en toen vroeg hij hem: 'Waar kom je vandaan, broeder, en waarom ben je naar [ons] deze [nederige monniken] oude mannen gekomen?'

Zosimas antwoordde: 'Waar ik vandaan kom hoef ik niet te vertellen. Ik ben gekomen voor het geestelijke voordeel, vader, want ik heb schitterende en prijzenswaardige dingen over jullie [kennis] gehoord [en dat jullie mijn] die een mensenziel [dichter bij] dicht bij Christus onze God [kunnen] kunnen brengen.'

Toen zei de abt tot hem: 'Broeder, alleen God heelt de [zwakte van de ziel] menselijke ziekte [wat voor onzin is dat nou, menselijke ziekte?!] en [moge] hij zal jou en ons zijn goddelijke [geboden] wil leren en ons [leiden] de weg tonen om het juiste te doen.

[De volgende zin staat niet in versie 1] Een mens kan een [andere] mens [geen verlichting brengen] niet van nut zijn, tenzij elk van hen [zorgzaam is voor de ander] voortdurend in volkomen nuchterheid zichzelf in acht neemt en doet wat [hij kan] gedaan moet worden en daarbij [vertrouwd op de hulp van] God als helper heeft.

Maar omdat nu, zoals je zegt, de liefde voor [Christus] God je ertoe heeft bewogen ons, nederige [monniken] grijsaards, op te zoeken, moet je maar bij ons blijven, als dat tenminste je bedoeling is, en de Goede Herder zal [ons met] door de genade van de [Heilige] Geest [vervullen] voor ons zorgen, hij die zijn leven voor [onze redding] ons als losgeld heeft gegeven en zijn eigen schapen bij name roept.' [Johannes 10, 11-15]

Toen de abt dat tot Zosimas gezegd had, [boog] wierp deze zich opnieuw voor hem neer, vroeg hem om zijn gebed[en en zegen], zei 'Amen' en trok in het klooster in. [Versie 2: Dat gezegd hebbende, bogen ze de knie weer en baden, en Zosimas zei Amen, en bleef bij hen in het klooster.]

(5) Hij [zag] ontmoette daar [ouderlingen] grijsaards die [vaardig waren] [die er niet alleen prachtig uitzagen maar dat ook konden waarmaken] glorieerden in daden [en beschouwingen van God, vurig van geest en werkend voor] en gedachten en slaven van de Heer waren. [ Dus geen slaven, maar dienaren (V.2)] Zij zongen ononderbroken de psalmen, waarbij ze [en stonden] de hele nacht [in gebed] stonden. Altijd hadden zij iets om te werken in hun handen en een [goddelijke] psalm op hun lippen. Er viel geen ijdel woord en [zij wisten niets van het verwerven van] gedachten over wereldse [goederen of de] zaken bestonden daar niet. Over inkomsten en uitgaven door het jaar heen dachten ze niet, zorgen over het levensonderhoud kenden ze niet, zelfs niet bij naam. [Versie 2: ... en zij dachten niet aan zilver of goud of aan andere wereldse goederen. Zij brachten al hun tijd door met het mediteren op de beperkingen van dit tijdelijke bestaan vol met verdriet. Deen enkel persoon stak boven de anderen uit, maar allen hadden één doel, ...] Er was maar één enkel [verlangen] iets wat door allen werd nagestreefd: [doel; voordat ze zouden geboren zouden kunnen worden in het kloosterleven, zou] dat ieder van hen [moeten sterven uit] dood zou zijn voor zijn lichaam, sterven zou aan [voor] de wereld en [voor allen die] alles wat daar [215] in [zijn] is, en daarvoor niet meer zou bestaan. [Elk van hen streefde naar het versterven van de behoeften van het lichaam.] Zeker, zij hadden [het constante]  rijkelijk voedsel, [van het] namelijk de geēnspireerde woorden [van God] (van de Bijbel), maar hun lichamen [onderhielden] voedden zij alleen met het hoognodige, water en brood, [zoveel als hun] want elk van hen brandde van liefde tot God [het mogelijk maakte]. [Versie 2: ... om zich des te beter over te leveren aan de genade van God.]

Toen Zosimas dat alles zag, zo vertelde hij, werd hij zeer gesticht en hij [bereidde zich voor op de strijd die] strekte zich uit naar wat vóór hem lag, zich voortspoedend in zijn eigen renbaan [wat voor onzin is dat nou, renbaan?!], want hij [was in het gezelschap van] had mede-arbeiders gevonden die [werkten aan het herscheppen van] voortreffelijke werkers in het goddelijke paradijs waren.

 

(6) Na enige dagen naderde de periode waarin [alle] de christenen het [traditionele] heilige vasten plegen te houden en zich zo reinigen met het oog op de aanbidding van het goddelijke lijden en de opstanding van Christus. Nu is het zo dat de poort van het klooster gewoonlijk nooit werd geopend maar altijd gesloten bleef om zo de monniken het ongestoord [uitoefenen van hun taken] beoefenen van de ascese mogelijk te maken. [De] Het was alleen mogelijk de poort [werd alleen geopend] te laten openen als er daartoe een dringende noodzaak was voor een monnik [voor noodzakelijke zaken arriveerde][als een monnik er voor een boodschap op uit getuurd werd]. De plek was volkomen verlaten [in de woestijn] en [mensen uit de] niet alleen onbereikbaar voor de meeste monniken in de omgeving [uit de wereld] [bezochten het niet alleen weinig], maar [kenden het] zelfs [niet] onbekend. Er werd een regel in dat klooster nageleefd die volgens mij de reden was waarom God Zosimas naar juist dat klooster had geleid.

Wat die regel is en hoe die werd nageleefd, ga ik nu vertellen. Op de [eerste] zondag [van de Vasten] waarnaar de eerste vastenweek is genoemd, werd[en] als gewoonlijk de goddelijke [Sacramenten] mystagogie gevierd en iedereen nam deel aan [het] deze onbevlekte en leven schenkende [lichaam en bloed van onze Heer Jezus Christus] mysteriĎn. [Na de liturgie gingen ze naar de refter om] Het was ook de gewoonte dan een klein beetje [Vasten]voedsel tot zich te nemen. Daarna kwamen allen samen [in de kerk] voor het gebed en na een lang gebed [op de knieĎn groetten zij] met veel knielen omhelsden de grijsaards elkaar en [dan knielde elk voor] de abt, [omhelsde hem] men wierp zich voor elkaar op de grond en vroeg om [de bijstand van zijn] gebed[en] en om medestrijderschap en steun in de komende strijd [van het Vasten].

(7) Als dat achter de rug was, werd de poort van het klooster geopend en onder het [gezamenlijk] eenstemmig zingen van de psalm 'De Heer is mijn licht en mijn heil, wie zal ik vrezen? De Heer is de beschermer van mijn leven, voor wie zal ik bang zijn?' en de rest van de psalm, [psalm 27; 26.1] verlieten alle monniken het klooster. [gingen alle monniken de woestijn in en staken de rivier de Jordaan over] Vaak werden er een of twee broeders als bewakers achtergelaten - niet om de binnen liggende bezittingen te bewaken, want ze hadden nu eenmaal niets wat dieven kon aanlokken - maar om de kapel niet zonder eredienst te laten.

Iedereen nam [216] zo veel voedsel mee als hij kon en wilde. De een nam zo veel brood mee als nodig was voor zijn lichaam, een ander vijgen, weer een ander dadels, of in water gekookt graan [in water geweekte linzen]; soms nam iemand niets mee, behalve zijn eigen lichaam en de vodden die daaromheen hingen [de kleren die ze aan hadden], en die voedde zich dan zo nodig met [planten die] [kruiden die] wat er in de woestijn groeide.

 

[Want de] Maar er was bij hen één regel en die was wet en werd door niemand overtreden: [dat ieder dat voor zichzelf moest beslissen, en dat niemand zich zou bemoeien met de onthouding van of de handelingen van zijn medemonnik] niet van elkaar te weten hoe de ander vastte of leefde. Want direct na het oversteken van de Jordaan ging[en ze verschillende kanten op, ieder geheel op zichzelf, de] men ver bij elkaar uit de buurt de grote woestijn [zelf als zijn eigen stad [leefplek?] beschouwend.] in en niemand kwam in elkaars nabijheid. Zelfs als iemand in de verte een ander van de groep zag aankomen, dan nam hij direct een andere route naar een ander gedeelte van de woestijn, want ieder leefde [alleen met] voor  zichzelf en voor God, onder [veelvuldig] voortdurend psalmzingen en [naar eigen regel] slechts datgene etend wat zijn hand vond.

(8) Wanneer ze alle vastendagen op deze manier hadden doorgebracht, keerden ze terug naar het klooster [een week voor het feest van] op de zondag vóór de levenbrengende opstanding uit de doden van de [onze Heer en] Heiland [Jezus Christus], de [zon]feestdag die de kerk [viert] besloten heeft te vieren met palmtakken vóór het grote feest. Ieder keerde terug met de vruchten van zijn eigen introspectie, zijn eigen geweten [als getuige van hoe hij zijn tijd besteed], wetende hoe hij gewerkt had en [wat de vruchten waren van] de zaden van welke inspanningen [die] hij gezaaid had. [En] Helemaal niemand vroeg aan de ander [naar de resultaten van zijn inspanning en] hoe of op welke manier hij de strijd gestreden had.

 

[Deze § is meer volgens Versie 1] Dit was de regel van het klooster en zo strikt werd die nageleefd. Want in de woestijn streed ieder de strijd op zichzelf, alleen voor het oog van de [Rechter] aanvoerder van de wedstrijd, God, [nogal een verschil!]  [niet met de bedoeling] om op die manier geen mensen te behagen door [voor de ogen van iedereen te vasten] demonstratief zelfbeheersing te betrachten. Wat namelijk ter wille van mensen wordt gedaan, om [lofprijzing en eer te verwerven] die te behagen, is niet alleen van geen nut voor de dader maar kan [soms] zelfs de oorzaak van grote [straf zijn] schade voor hem worden.

 

(9) [Gehoorzaam aan de gebruikelijke regel] Naar de gewoonte van het klooster stak dus ook Zosimas de Jordaan over, met slechts weinig proviand voor onderweg bij zich, net genoeg voor de behoefte van het lichaam, en met het versleten kledingstuk dat hij droeg. Hij hield zich [met vreugde] aan de regel, doorkruiste de woestijn, en gunde zichzelf alleen tijd om te eten als de natuur dat eiste. Hij sliep 's nachts op de grond, altijd op de plek waar hij toevallig was als de avond aanbrak, [om een beetje te rusten en een beetje te slapen.] maar hij bleef dan maar kort liggen en genoot weinig slaap. [Met] Al voor zonsopgang liep hij weer, met een niet aflatende [217] drang verder [de woestijn in] te gaan. Zoals hijzelf zei, had hij een verlangen diep in de woestijn door te dringen in de hoop daar [iemand] een vader te vinden die [een belangrijk voorbeeld, zoals we al gezegd hebben, voor hem kon zijn.] zijn verlangen kon bevredigen. [In V.1 staat ...honger en dorst bevredigen. Ik neem aan dat dit spirituele honger en dorst is] Ingespannen zette hij zijn reis voort, alsof hij zich spoedde naar een [bepaald persoon] bekende herberg. [herberg? Heel wat anders dan persoon (V.2) of plaats (V.1)]

Na [reeds] twintig dagen zo te hebben [gelopen, stopte] gereisd, onderbrak hij zijn tocht even toen het zesde uur aanbrak[,om te rusten en] om naar het oosten gericht zijn gebruikelijke gebed te doen. Het was namelijk zijn gewoonte om op vaste tijden van de dag [zijn tocht] het ingespannen reizen te onderbreken, zich even rust te gunnen, staande psalmen te zingen en geknield te bidden.

(10) Terwijl hij zo aan het psalmzingen was met zijn ogen strak op de hemel gericht, zag hij rechts van de plek waar hij stond te bidden [In versie 2: ...uit zijn ooghoeken..] [iets wat op de verschijning van] de schim van wat een menselijk lichaam leek. Aanvankelijk schrok hij omdat hij [dacht] vermoedde dat hij de verschijning van een demon[ische geest] zag, en hij begon te trillen. Maar na een kruis te hebben geslagen en zo de angst te hebben verjaagd (zijn gebed was inmiddels beĎindigd), wendde hij zijn blik [in die richting] en zag inderdaad [dat het werkelijk] iemand tijdens het middaguur [wat een vreemde invoeging] [of iets was dat op hem af kwam] lopen. [Het] Wat hij zag was naakt, met een zwart lichaam, als door [de hitte van] de zon geblakerd, en met slechts weinig haar, zo wit als wol, dat afhing tot in de nek. [Dit is in V.1, waar het nog even een ‘vorm’ blijft. In V.2 is het vanaf nu al herkend als een vrouw: Het was in feite een vrouw waar hij naar keek, haar huid zwart verbrand door de hitte van de zon. Het weinig haar dat ze had was zo wit als wol, en viel tot op haar schouders.]

 

[De volgende 3 §§ beslaan in V.1 slechts twee regels]

Toen Zosimas dat zag, [voelde hij een sprankje vreugde in zijn hart opkomen] werd hij door een goddelijk genoegen gegrepen, en [zich afvragende of hetgeen hij nu voor zich zag nu dat was waar hij naar verlangde] zeer verheugd over dit wonderlijke schouwspel [hoezo, wonderlijk schouwspel?] begon hij te rennen in [die] de richting waarin ook de verschijning zich spoedde. Hij was onuitsprekelijk verheugd, want hij had in al die [twintig] dagen geen menselijke [wezen] verschijning gezien, zelfs geen dier of [vogel of beest] ook maar een schim daarvan. Hij wilde nu weten [wat voor wezen het was dat hij daar zag] wie degene was die hij gezien had, hopende dat [het iemand was die groter was dan hijzelf] hij in een groot geheim ingewijd zou worden. [Bij vdH wordt het niet duidelijk waarom hij nou zo blij is om iemand tegen te komen, omdat het een paar §§ geleden al niet goed vertaald was, en ook in deze § niet duidelijk gemaakt wordt dat deze verwachting van een ‘groter iemand’ gerelateerd is aan de verwachtingen die hij had toen hij zijn eerste klooster verliet en naar dit klooster ging.]

(11) Maar toen [zij] hij [het zou juister zijn geweest als vdH hier ‘het’ zou hebben geschreven] Zosimas van verre zag aankomen, zette de verschijning het op een lopen, verder [vluchtte ze] de woestijn in. Zosimas vergat toen als het ware zijn hoge leeftijd en [het maakte hem niet uit hoe hard hij moest lopen] dacht niet meer aan hoe moeilijk het pad was, [wat slecht vertaald toch weer]  maar spande zich tot het uiterste in [om haar] de vluchtende in te halen [in zijn verlangen haar eens goed te zien]. [Hij bleef rennen, maar zij ook.] De een achtervolgde, de ander werd achtervolgd. Zosimas [bleek sneller te zijn] rende iets harder en geleidelijk aan [haalde hij haar in.] kwam hij dichter bij de vluchtende. Toen hij binnen gehoorsafstand was gekomen, riep Zosimas in tranen het volgende [hoezo tranen?]:

'Waarom vlucht u weg van mij, een [afgeleefde] oude man en zondaar? Dienaar van God, wacht op mij, wie u ook bent, [ter wille van] in de naam van God [in wiens naam] voor wie u in deze woestijn [gekomen bent] woont! [hoezo, woont?] [Luister naar] Wacht op mij, zwak en onwaardig als ik ben, [ter wille] in naam van de hoop die u hebt als beloning[en die u hoopt te verdienen met] voor al die [218]  inspanningen die u zich getroost. Stop en [bid voor] laat deze oude man delen in uw gebed en zegen [hem], in de naam van God die niemand [afwijst die een beroep op Hem doet] veracht!'

[Al deze dringende verzoeken deed] Dat zei Zosimas in tranen, en intussen waren zij beiden al rennend op een plek gekomen die de vorm had van een droge [rivier]bedding [was, maar waarvan Zosimas dacht dat er nog wel water in stroomde. Toevallig vond daar net een luchtspiegeling plaats, als zo vaak gebeurd in dat land.] van een bergstroom. (Ik denk trouwens niet dat er ooit een bergstroom geweest is, want waar zou die op deze plek vandaan moeten komen? Maar in ieder geval had die plek zo'n vorm van nature.)

(12) [De] Toen ze dan bij voornoemde plek waren aangekomen, rende de vluchtende [ging] naar beneden [de rivierbedding in] en klom aan de overzijde weer omhoog, maar Zosimas [schreeuwde van schrik en durfde] kon van uitputting niet [verder] meer lopen. Hij [dacht naast een woeste stroom te] bleef aan deze kant van de bedding staan en liet zijn tranen en weeklachten de vrije loop[, steeds luider en luider, zodat]. Hij was nu zo dichtbij dat zijn gejammer [het geluid van de denkbeeldige stroom zou overstemmen.] door de ander gehoord kon worden.

 

[Hier lijkt de tekst het meest een samenvoeging van V.1 en V.2 te zijn.]

Toen zei de vluchtende gestalte het volgende [helderziende]:

'Vader Zosimas, vergeef mij in de naam van de Heer, maar ik kan mij niet omdraaien en [om] zo door u [aan te kijken] gezien worden, [precies andersom dus weer eens] want ik ben een vrouw, en ook nog naakt, zoals u ziet, met [zelfs] de schaamte[volle delen] van mijn lichaam onbedekt. Maar als u echt de wens van [samen met] een zondige vrouw wilt [bidden] vervullen, werp dan het kleed dat u aanhebt naar mij toe, zodat ik mijn vrouwelijke zwakheid kan bedekken en me naar u omdraaien om uw zegen te ontvangen.' [Volgens vdH wist Zosimas dus toen pas dat het een vrouw was. Toch sterk dat hij dat niet eerder gezien zou hebben.]

Daarop werd Zosimas door angst en verbijstering bevangen [en zijn geest sprong bijna uit zijn lichaam], want hij hoorde dat zij hem met zijn eigen naam, Zosimas, had aangesproken. Maar [zeer ervaren] schrander en wijs [op het gebied van] in goddelijke [gaven] zaken als hij was, [‘goddelijke zaken’ klinkt toch wat stom.] [wist] begreep hij [iemand] dat zij hem, die [hem] zij nooit had gezien en van wie ze nooit [van hem] had gehoord, [hem] niet met zijn naam had kunnen aanspreken [tenzij dat onthuld was] als zij niet verlicht was door de [klaarblijkelijke] genadegave van de helderziendheid.

(13) Hij deed snel wat hem was opgedragen. Hij [deed] nam zijn [oude en versleten] [mantel uit en] kleed, wierp [die] dat haar toe [terwijl hij zich af]wendde zich af. Zij pakte het [op] kleed en bedekte er die delen van haar lichaam mee die het meer dan andere lichaamsdelen nodig hebben bedekt [behoren] te worden.

Daarna wendde ze zich tot Zosimas en zei:

 

'Waarom [zou] wilt u [deze] een zondige vrouw [willen zien] ontmoeten, vader Zosimas? Wat [denkt] wilt u [in] van mij [te] zo graag leren of zien [waar u iets van zou kunnen leren], dat u [die nooit teruggedeinsd bent voor] niet geaarzeld hebt u een zware inspanning[en] te getroosten?' [iets heel anders dus]

Daarop [strekte hij zich uit op de grond] viel hij op zijn knieĎn en vroeg haar hem de gebruikelijke zegen te geven [op de gebruikelijke manier]. Maar ook zij [boog voor hem] knielde neer, en zo [lagen] zaten zij beiden [uitgestrekt] geknield op de grond en vroegen elkaar om [de] een zegen. [‘een zegen’? Wat is dat voor rare formulering?] Ze zeiden [beiden slechts één woord] niets anders tegen elkaar dan: 'Zegen mij!'

 

Na geruime tijd zei de vrouw echter tot [219] Zosimas:

'Vader Zosimas, het is passend dat u de zegen geeft en [het] een gebed uitspreekt, want u bent bekleed met priesterlijke waardigheid en hebt vele jaren lang aan het heilige altaar gestaan, [de geheimen van de gaven van Christus’ goddelijkheid navorsend.’] om dikwijls de mystagoog van de goddelijke geschenken te zijn.'

Hierdoor werd Zosimas nog banger en angstiger en de oude man [hij] begon [nog meer trillen en] te beven en [erg] te zweten en te hijgen en hij kon niet meer uit zijn woorden komen. [Bijna zonder kracht] Met horten en stoten en moeizaam ademend [in tranen] zei hij tot haar: 'Oh geestelijke moeder, het is duidelijk uit heel uw [visioen] optreden [‘visioen’ (V.2) is toch wel iets heel anders dan ‘optreden’ of ‘levenswijze’ (V.1)] dat u [dicht] bij God [bent] hebt vertoefd en dat u vrijwel aan de wereld bent gestorven. [Meer dan iets anders] Nog duidelijker is het [duidelijk] dat u een genadegave geschonken is, want u hebt me bij mijn naam aangesproken en gezegd dat ik een priester ben terwijl u me nog nooit had ontmoet. Maar [zoals u weet wordt] omdat genade niet [aan mensen gegeven volgens hun status] blijkt uit ambten maar [volgens de capaciteit van hun zielen om die te ontvangen] uit geestelijke gaven, [dus] moet u [de zegen] mij in Godsnaam [geven] zegenen en voor mij bidden [in overeenkomst met uw staat van vervolmaking], want ik heb uw hulp nodig.' [Toch wel weer iets heel anders.]

(14) De vrouw gaf toe aan de [standvastigheid] aandrang van de oude man en zei: '[Gezegend] Geprezen zij [de Heer] God die zorgt voor het heil van mensen en zielen.'

Zosimas zei 'Amen' en beiden stonden op [van de grond] uit hun geknielde houding.

 

[Hier lijkt de tekst het meest op V.1.]

Toen [vroeg] zei de vrouw [aan de ouderling] tot de grijsaard: 'Waarom bent u[, een man van God] naar mij, een zondares, toegekomen? Waarom wilde u een vrouw zien die [naakt (van) en zonder enige deugd is] geen enkele deugdzaamheid bezit? Misschien heeft de genade van de Heilige Geest u helemaal hierheen gebracht om [mij op tijd (in verband met mijn lichamelijke zwakte)] u een of andere dienst te [doen] laten verrichten die bij dit moment past. Vertel mij eens, hoe gaat het tegenwoordig met de christenheid? Hoe zijn de keizers? Hoe wordt de kudde van de kerk geweid?'

Zosimas antwoordde haar kort: 'Dankzij uw gebeden, moeder, heeft Christus aan allen een stabiele vrede geschonken. Maar [vervul] luister naar het [onwaardige] verzoek van een onwaardige oude man, en bid voor de hele wereld en voor mij, een zondaar, dat mijn zwerftocht door deze woestijn niet vruchteloos voor mij zal blijken te zijn.' Daarop antwoordde zij hem: 'Vader Zosimas, u zou juist voor mij en alle anderen moeten bidden, want u hebt het priesterambt, zoals ik al zei, en juist dat hoort bij uw [roeping] taak. Maar omdat ons bevolen is gehoorzaamheid te betrachten, zal ik graag doen wat u mij hebt [gevraagd] opgedragen.'

 

[Hier lijkt de tekst het meest op V.1.]

(15) [Met deze woorden] Nadat ze dat gezegd had, wendde ze zich naar het oosten [waarom naar het oosten?], ze hief haar ogen op naar de hemel en strekte haar handen uit, en ze begon zacht fluisterend te bidden. Haar stemgeluid was [zeer zacht] niet gearticuleerd, zodat Zosimas [de woorden] niets van haar gebed [niet] kon verstaan. Maar hij stond [220] daar, bevend en wel, en staarde naar de grond zonder iets te zeggen. [Waarom stond hij toen al te beven?], En hij zwoer later, God als getuige aanroepend, dat toen hij merkte dat ze maar bleef bidden, hij even opkeek van de grond en zag dat zij wel een halve meter boven de aarde [opgetild was] zweefde en gewoon in de lucht [stond] hing terwijl ze bad. [Hoezo ‘gewoon’ in de lucht?] [Door dit schouwspel] Daardoor werd hij door een nog grotere vrees bevangen [en hij wierp zich ter aarde] [ontbreekt bij vdH, maar zowel in V.1 als V.2 genoemd] [, badend in het zweet en in paniek, huilend]; hij was zo bang dat hij helemaal niets meer durfde zeggen. Alleen bij zichzelf herhaalde hij telkens: 'Heer, [heb genade met mij]  ontferm u!'

 

 

Terwijl hij [uitgestrekt] op de grond lag, werd [hij] de oude man ineens gekweld door de gedachte dat zij misschien een boze geest was en het gebed [misschien schijnheilig vertoon] maar uit een spel bestond. Maar de vrouw draaide zich om, hielp hem overeind en zei: 'Vader, waarom laat u zich in de war brengen door zulke [achterdochtige] kwellende gedachten over mij, dat ik een boze geest zou zijn en mijn gebed [gehuicheld] maar een spel? Weest u ervan overtuigd dat ik een zondige vrouw ben, [hoewel] maar beschermd door de heilige doop. En ik ben geen geest, maar [stof] aarde en as en [alleen] helemaal van vlees, [en geen spirituele verbeelding heeft mijn geest ooit bezeten] [ontbreekt in V.1] zonder geestelijke gedachten.' Op het moment dat ze dat zei, [beschermde ze zichzelf met] maakte ze het kruisteken op haar voorhoofd, haar ogen, haar lippen, en haar borst, en zei vervolgens: 'Vader Zosimas, moge God ons bevrijden van de boze en zijn hinderlagen, want zijn [kwaadaardigheid naar] macht over ons is groot.'

 

[Hier lijkt de tekst het meest op V.1.]

(16) Toen de grijsaard dit alles gehoord en gezien had, wierp hij zich ter aarde, pakte haar voeten beet en riep in tranen uit: 'Ik [smeek] bezweer u in de naam van Christus onze God, die uit een maagd geboren is, ter wille van wie u zich [van kleren ontdaan hebt] met deze naaktheid bekleed hebt [met naaktheid bekleed? Wat een onzin] en uw [vlees] lichaam zo uitgeteerd hebt, verberg toch niet voor uw dienaar wie u bent, vanwaar u komt, [en hoe en waarom] wanneer u in deze woestijn [gekomen] bent komen wonen en hoe u dat doet? Verberg voor mij toch niets aangaande uzelf, maar vertel alles, zodat de grote daden van God [bekend gemaakt kunnen] manifest worden. "Want verborgen wijsheid en een onzichtbare schat, wat voor nut heeft men daarvan?", zo staat er geschreven. (Ecclesiasticus 20.30) Vertel mij alles ter wille van de Heer. Want u zult dat niet doen om op te scheppen of ermee te pronken, maar om mij, een onwaardige zondaar, [met het vertellen van de waarheid] tevreden te stellen. Ik geloof namelijk dat God, [in] voor wie u leeft [‘in’ (V.2) of ‘voor’ (V.1), een belangrijk verschil] en [voor wie u] werkt, mij hiervoor naar deze woestijn heeft geleid, namelijk om mij te openbaren wat hij voor u gedaan heeft. Het ligt niet in onze macht ons te verzetten tegen Gods [plannen] beslissingen. Want als het niet de wil van Christus onze God was geweest dat u en uw [strevingen] strijd bekend zouden worden, dan had hij [mij] nooit toegestaan [221]  [u te zien] dat iemand u zag en had hij mij niet de kracht gegeven [deze] zo'n lange reis te maken, ik die mijn cel nooit [durfde] wilde of kon verlaten.'

 

[Hier lijkt de tekst het meest op V.1. Ik zal toch nog ‘vader’ door Abba vervangen; dat heeft toch een iets andere gevoelswaarde.]

(17) Toen [Abba] vader Zosimas dit en nog veel meer gezegd had, hielp de vrouw hem overeind en zei tot hem: 'Ik schaam me, [Abba] vader, te spreken over de schandelijkheid van mijn daden, vergeef mij ter wille van de Heer. Maar nu u toch al mijn naakte lichaam gezien hebt, zal ik nu voor u [net zo] ook mijn daden onthullen, zodat u weet van hoeveel schande en schaamte[volle begeerten] [en obsceniteiten] mijn ziel vervuld is. Want het is niet zo, zoals u dacht, dat ik uit [ijdelheid wegrende] angst voor opschepperij niets over mijzelf wilde vertellen. (Trouwens, [want] wat heb ik om [trots op te zijn] over op te scheppen, ik die een uitverkoren instrument van de duivel was?) Maar ik weet dat, als ik met mijn verhaal over mijzelf begin, u van mij zult wegrennen, zoals men bij een slang vandaan rent, want uw oren zullen [de walglijkheid van mijn daden] het niet [kunnen] verdragen naar mijn schanddaden te luisteren. Toch zal ik het u vertellen zonder iets te [verbergen] verzwijgen, maar ik smeek u eerst [dat u] ononderbroken voor mij [zult] te bidden [op]dat ik genade mag vinden [op de dag] ten tijde van het laatste oordeel.'

Terwijl de grijsaard onbedaarlijk zat te huilen, begon de vrouw met haar levensverhaal. Dat ging als volgt:

 

(18) '[Heilige vader] Broeder, [Hoezo ineens ‘broeder’?] [ik] mijn vaderland was [in] Egypte [geboren]. Toen mijn ouders nog leefden en ik nog maar twaalf jaar oud was, [verwierp ik hun liefde] zette ik mijn genegenheid voor hen overboord en vertrok [ik in een rebelse opwelling] naar AlexandriĎ. Ik schaam me [om me] te [herinneren hoe] bedenken dat ik daar [om te beginnen] direct al mijn maagdelijkheid [verwoestte] verloor en mij [daarna] ongeremd en onverzadigbaar overgaf aan [een leven van oneindige] seksuele hartstocht. Het is [passender om dit kort te noemen] bijna te erg om nu te vertellen, maar laat ik heel kort dit zeggen, zodat u iets van mijn hartstochtelijke genotzucht [en ontucht afweet] begrijpt: ruim zeventien jaar lang heb ik publiekelijk een leven van vurige bandeloosheid geleid (vergeef me dat ik het zeg), [maar] en ik deed dat echt niet om daarmee iets te verdienen, [ — en hier spreek ik de pure waarheid — ] want [vaak wilden ze] als mensen me er iets voor [betalen] wilden geven, [maar weigerde] nam ik het [geld] heel dikwijls niet eens aan. [Het was eenvoudig weg omdat ik aangevuurd werd door een brandend verlangen naar seks dat het makkelijker was om aan mijn gerief te komen als ik] Ik was eropuit om van zoveel mogelijk mannen [te versieren] de aandacht te trekken en [gratis deed wat mij plezier gaf.] mijn gerief was mijn beloning. Denk niet dat ik niets [om betaling vroeg] aannam omdat ik welgesteld was, want ik moest rondkomen door te bedelen [of] en vaak ook door vlastouw te spinnen. Nee, ik had gewoon een onverzadigbare begeerte en een ontembare lust om mij in de modder te wentelen. Dát was voor mij het [echte] leven, [als ik er maar oneindig mee door kon gaan mijn eigen natuur geweld aan te doen.] en ik vond het heel natuurlijk altijd elke denkbare schanddaad uit te voeren.

 

(19) Toen ik zo op die manier mijn leven leidde, zag ik [op een] 's zomers een [222] keer een grote groep Libysche [Lybische] en Egyptische mannen [zich bij de haven verzamelen] naar de zee rennen. [Het is tenslotte in AlexandriĎ] Ik vroeg aan [een voorbijganger] de eerste de beste die ik kon aanhouden waar die mannen zo haastig naar op weg waren. Hij zei: "Ze gaan allemaal naar Jeruzalem voor het feest van de [Exaltatie] verhoging van het [Heilige Kruis] kostbare kruis dat daar over enkele dagen gevierd gaat worden." [‘verhoging van het kostbare kruis’ is wel een erg krakkemikkige vertaling, die wederom vdH’s gebrekkige kennis van de (christelijke) geschiedenis verraadt.] [Dit feest werd gehouden ter herdenking aan de inwijding in 335 door Keizer Constantijn van een basiliek op de plek van het Heilige Graf.]

Toen zei ik tot hem: "Als ik mee zou willen, denk je dat ze me dan zullen meenemen?" En hij zei tegen mij: "Als je reisgeld en iets te eten hebt, zal niemand je tegenhouden." "Broeder," zei ik, "[om je de waarheid te zeggen,] reisgeld en eten heb ik echt niet, maar toch ga ik mee [aan boord]. Ik ga op een van die gehuurde schepen en ze zullen me voeden ook als ze het niet willen, want ik heb een lichaam en dat [zullen] kunnen ze [wel willen nemen in plaats van] krijgen als reisgeld." [Eigenlijk] In feite wilde ik [vooral] namelijk mee (vergeef mij, vader!) om op die manier een [zo] groot [mogelijk] aantal minnaars binnen handbereik te hebben ter [bevrediging] wille van mijn wellust. Ik [waarschuwde] zei u al, [Abba] vader Zosimas, [me niet te dwingen] word niet boos dat ik u [te] vertel[len] over mijn schaamteloosheid. [God is mijn getuige] De Heer weet dat ik [bang ben om] huiver bij de gedachte u en de lucht te bezoedelen met mijn woorden.'

 

(20) Zosimas, [terwijl hij] die al die tijd met zijn tranen [op de] de grond [drupten] bevochtigde, zei tot haar: 'In Godsnaam, moeder, houd niet op met spreken, onderbreek dit zo heilzame verhaal niet!'

Hierop [vervolgde] hernam zij [haar verhaal] het woord en ging [door] als volgt verder: 'Die jonge man die mijn schandelijke opmerkingen had gehoord ging er lachend vandoor. Ik gooide de spintol die ik bij me had weg (die had ik namelijk al die tijd bij me gedragen [om wat te spinnen]) en rende naar de [kade] zee in de richting waarin ik [iedereen] ook de anderen zag [gaan] rennen. Ik zag daar een aantal jonge mannen bij het strand staan, tien of zelfs meer, [vol levenskracht] sterk van lichaam en [alert] mooi van beweging, en ze leken me wel afdoende voor wat ik wilde. [Sommigen] Ze leken nog op sommige mede-opvarenden te wachten, [terwijl anderen aan wal waren gegaan] maar anderen waren al voor hen uit de boten ingegaan. [Precies andersom, weer eens] Schaamteloos, zoals mijn gewoonte was, [begaf] sprong ik [me onder hen] in hun midden en zei: "Neem ook mij mee waar jullie ook heen gaan. Het zal blijken dat ik niet zonder nut voor jullie ben!" Ik maakte ook nog andere schandelijke opmerkingen en ze moesten er allemaal om lachen. Zodra ze merkten dat ik tot elke schaamteloosheid bereid was, namen ze me [graag] mee [aan boord] naar een van de schepen die klaarlagen. [Degenen die ze verwachtten kwamen ook en we gingen meteen onder zeil] Ook zij waren nu in een toestand gekomen waarin ik altijd al was. Daarop vingen we de zeereis aan.

 

(21) [O man van God,] Wat er toen gebeurde, hoe moet ik u dat vertellen, beste man? [‘beste man’ in plaats van ‘man of God’! Hoe is het in godsnaam mogelijk?!] [223] Welke tong kan verhalen, welk oor [zou willen] kan aanhoren [al dat] wat er tijdens die reis op dat schip is voorgevallen! Zelfs arme [jongelingen] stakkers die het helemaal niet wilden dwong ik mee te doen! Er is geen vorm van bandeloosheid te bedenken, onuitsprekelijk of niet, die ik [hen] die stakkers niet geleerd heb. [Abba] Vader, ik ben nog verbijsterd dat de zee mijn wellust heeft verdragen. Waarom heeft de aarde haar mond niet geopend en [waarom heeft de hel] mij, die zo veel zielen in haar strikken gevangen had, [niet] levend en wel [opgeslokt] naar de onderwereld afgevoerd? Maar ik denk dat God mijn bekering zocht, want hij wil de dood van de zondaar niet, maar hij volhardt in Zijn lankmoedigheid, wachtend [Hij tot de zondaar naar Hem terugkeert] op de ommekeer. [Tenslotte arriveerden we in] Zo gingen wij dan gretig op naar Jeruzalem. [De] En alle dagen die ik voorafgaand aan het [festival] feest in de stad doorbracht gedroeg ik mij evenzo, of [misschien] liever gezegd, nog erger. Want ik had niet meer genoeg aan alleen die jongemannen die ik op zee had gehad en die mij [hadden geholpen naar Jeruzalem te komen] onderweg ten dienste stonden, ik [verleidde] misbruikte nu ook vele anderen[,] en verzamelde daartoe [‘verzamelde’ is toch wel een vreemd begrip in dit verband, en het staat ook niet in V.1.] niet alleen inwoners van de stad maar ook pelgrims. [In V.2 staat: ... en betrok veel andere pelgrims en burgers bij mijn slechte daden.]

 

(22) Toen [de heilige dag] het heilige feest van de [Exaltatie] verhoging van het [Kruis] kruis aanbrak, [was] bleef ik [nog steeds rond aan het fladderen,] als voorheen rondgaan op jacht naar zielen van jongemannen[, hun zielen bezoedelend]. [Juist niet op jacht naar hun ‘zielen’, maar hun lijven natuurlijk.] Ik zag [bij zonsopgang] toen dat vroeg in de ochtend allen [zich naar] bij de kerk [haastten] samenstroomden en ook ik [rende] ging erheen samen met de anderen. Met hen betrad ik de voorhof van het gebouw, en toen het [tijdstip] uur van de [Exaltatie van het Heilige Kruis] goddelijke verhoging aangebroken was, duwde ik [voorwaarts] en werd ik [van achteren voorwaarts] geduwd [maar op de een of andere manier maakte ik niet veel voortgang terwijl ik] en ik deed mijn best om krachtdadig samen met de menigte de [kerk probeerde in te komen.] ingang te bereiken. Zo kwam ik, beklagenswaardig wezen, met veel pijn en moeite tot aan de ingang [van de tempel] waardoor men binnenkwam in het heiligdom [van]waar [de] het levenschenkende [Boom van het Kruis aan de mensen] hout werd getoond. Zodra ik [op] de drempel [stapte] van de poort betrad waardoor[over] alle anderen ongehinderd naar binnen gingen, werd ik echter tegengehouden door een goddelijke kracht die mij niet toeliet naar binnen te gaan. Ik werd [eruit gegooid,] achteruit geduwd en ik constateerde dat ik als enige nog in de voorhof stond. Omdat ik eerst dacht dat dat alleen maar kwam omdat ik als vrouw niet zo sterk ben, mengde ik me onder een andere groep en probeerde opnieuw om mijzelf naar binnen te duwen door zo hard mogelijk met mijn ellebogen te werken. Maar al mijn inspanningen waren tevergeefs.

 

Want zodra mijn armzalige voet de drempel [aanraakte] betrad, [en] ontving het heiligdom opnieuw de anderen zonder [hinder de kerk ingingen] dat iemand [Hoezo ‘iemand’? Eerder, iets, dacht ik zo.] hen tegenhield, [wilde de kerk mij] alleen mijn rampzalige persoontje [224] wilde het niet ontvangen. Het was alsof er een legermacht speciaal stond opgesteld om mij de toegang te verhinderen. [Weer werd ik door] Een [dezelfde machtige] massieve kracht [buitengesloten] hield me tegen en daar stond ik weer in de voorhof.

(23) [Ik probeerde het nog] Dit overkwam me drie of vier keer, [maar toen was ik uitgeput] en toen gaf ik het op, want ik had geen kracht meer om te duwen en teruggeduwd te worden; van de inspanning was mijn lichaam namelijk erg moe geworden. Ik trok me terug en ging in een hoek van de voorhof van het heiligdom staan [mijn verstand nauwelijks in staat te begrijpen]. Op dat moment pas begon het mij langzaam te dagen wat de oorzaak was die verhinderde dat ik het levenschenkende [Kruis] hout te zien zou krijgen[, toen plotseling]. Want een heilzaam inzicht raakte de ogen van mijn hart [zachtjes] aan[raakte] en liet mij [onthulde] zien dat het de vuiligheid van mijn daden was die de toegang voor mij afsloot. Ik begon te huilen en te weeklagen en op mijn borst te slaan, terwijl ik zuchten slaakte die uit de diepte van mijn hart kwamen. Terwijl ik [zo stond te huilen] huilde, zag ik boven [me] de plek waar ik stond een [icoon] beeld van de heilige moeder Gods staan, [in V.2 staat, ‘image’] en [me tot haar wendend en] haar [met mijn lichamelijke en geestelijke] diep in de ogen [op haar gericht] kijkend zei ik:

 

"Maagd en meesteres, die het goddelijke Woord [van God in] naar het vlees hebt [geboren doen worden] voortgebracht, ik weet, ja ik weet [heel goed] dat het [voor u geen eer en lof] niet passend en verantwoord is [als iemand die zo vuil en zedeloos is als] dat ik in zo'n vuile en zedeloze staat een [opkijkt naar een beeltenis] beeld zie van u die altijd maagd bent, u de onbevlekte, u die uw lichaam en ziel altijd rein en onbevlekt hebt gehouden. Het zou juist zijn als u in uw reinheid mij in mijn bandeloosheid haat en veracht. Maar omdat ik heb gehoord dat de God die u gebaard hebt mens is geworden [met het doel] om zondaren tot bekering te roepen, vraag ik u: help mij toch, want ik [sta alleen] ben eenzaam en ik heb niemand om mij te helpen! Beveel toch dat ook [voor] mij [de] toegang tot de kerk [geopend] gegund wordt. [Sta me toe] Misgun mij toch niet het [eerbiedwaardige] hout te zien waarop [Degene] de God die [uit] u [geboren is] gebaard hebt, [in den vleze geleden heeft en waarop hij] vastgespijkerd zijn [heilige] eigen bloed voor [de Verlossing van zondaren en voor] mij[, onwaardig als ik ben,] als een losprijs heeft gegeven. [Ik smeek u] Geef toch bevel, meesteres, dat de deur [te openen] ook voor mij wordt geopend zodat ik [bij] het kruis [van de Heer] kan [komen] aanbidden. Dan [zweer] neem ik [een plechtige eed aan] tegenover de uit u [die waardig was Christus te baren] geboren God uzelf als betrouwbare borg [Wat een kromme en onbegrijpelijke zin heeft vdH ervan gemaakt, met zijn ‘betrouwbare borg’.]  dat ik mij  nooit meer [mijn] aan dit vlees [in de smeerboel van de promiscuēteit zal laten zinken] zal bezondigen [Wat betekent ‘aan dit vlees’?] door wat voor seksuele schanddaad dan ook. [Zodra] Wanneer ik het kruishout van uw Zoon [ge]zie[n heb], zal ik direct de wereld en alles wat in de wereld is [verzaken] vaarwel zeggen en zal ik[, ter vervulling van mijn gelofte,] terstond daarheen gaan waarheen [u] uzelf, de borg van mijn behoud, mij beveelt en leidt."

 

(24) [Terwijl ik] Nadat ik dat [zei, kreeg ik een warm gevoel en] gezegd had, was het alsof ik als een soort [hoop op] bevestiging een [vast] vurig geloof [kreeg] ontving, en [een vertrouwen in] bemoedigd door de barmhartigheid [225] van de moeder Gods[. Ik] verliet ik de plek waar ik [had staan bidden en] mijn bede had gedaan. Opnieuw mengde ik mij onder de mensen die [de kerk in] naar binnen gingen en [deze keer] er was [er niets] niemand meer [dat] die me [terug] wegduwde, [niets dat] niemand meer die me verhinderde bij de deur [naar de kerk] te komen waardoor men het heiligdom binnenging. [Hoezo ‘niemand’? Eerder, niets, dacht ik zo.]  [Ik werd overweldigd door een extatische trilling die alle botten in mijn lijf deed] Angst en extase bevingen me en ik begon helemaal te beven en te trillen. Toen ik de deur, die [ik]  eerst [niet door had kunnen gaan] onbereikbaar voor mij was geweest, bereikt had, was het alsof heel die[zelfde] macht die mij eerst had tegengehouden, mij nu de [weg voor mij vrijmaakte] ingang binnenleidde, [en me naar binnen trok,] zo moeiteloos kwam ik binnen.

Zo [bevond] trad ik [mij in] het [heiligste der] heilige gebouw binnen en ik werd [waardig bevonden om het mysterie van het dierbare en] de aanschouwing van het levenschenkende [hout van het] kruis [te bewonderen] waardig gekeurd. Ik [begreep toen] zag [ook] de [beloften en MysteriĎn] geheimenissen van God en [wat] begreep hoe gaarne hij [had gedaan om de acceptatie van zondaren mogelijk te maken.] bereid is hen die zich bekeren te ontvangen. Ik, ongelukkige, wierp me ter aarde en [vereerde en] kuste [die] de heilige grond. Daarna [ging] rende ik naar buiten en haastte mij naar haar die mijn borg was geweest. [Op dezelfde] Ik ging naar de plek waar ik [mijn eed gezworen] het document met mijn gelofte ondertekend [wat voor ‘document’ bedoelt vdH nou? En hoe zou ze dat met een ‘gelofte’ kunnen ondertekenen?] had, knielde [ik] daar neer voor [het gezicht van de heilige Maagd,] de moeder Gods die altijd maagd is, en [bad] zei tot haar het volgende:

 

(25) "O, [liefhebbende] meesteres die het goede mint, u hebt uw [grote liefde voor alle mensen] menslievendheid jegens mij getoond, [juist niet ‘jegens mij’!] u hebt [mijn] de smeekbede van deze onwaardige [gebeden] vrouw niet geminacht. Ik heb nu [een] de heerlijkheid gezien die [zondaren] de bandelozen terecht niet [verdienen] te zien krijgen.[, de glorie van de almachtige] Eer zij aan God die dankzij u de [boetedoening en het berouw] bekering van zondaars accepteert. [boetedoening (V.2) en berouw (V.1) is toch weer heel wat anders dan ‘bekering’.] Wat kan ik, een zondares, nog meer [te berde brengen] denken of zeggen? Nu is het de tijd [voor mij], oh meesteres, om de gelofte waarvoor u [getuige was] borg hebt gestaan verder in te lossen. [Vertel] Breng mij nu waarheen [ik moet gaan] u wilt, wees mijn [reddende gids] lerares in het heil, en leid mij aan de hand naar de weg die tot [boetedoening en berouw] bekering leidt."

Toen ik dat gezegd had, hoorde ik [een stem van boven] van verre iemand roepen:

"Als je de Jordaan oversteekt, zul je een [antwoord op je gebed] goede rustplaats vinden." [‘goede rustplaats’ is weer zo’n absurde vertaling; in V.1 zou het als ‘glorievolle rust’ opgevat kunnen worden.]

[Toen] Zodra ik die stem hoorde, geloofde ik dat die [speciaal] er ter wille van mij geweest was en ik barstte in tranen uit en riep tot [de beeltenis van] de moeder Gods: "Meesteres, meesteres, laat mij niet [in de steek] alleen!" [Met] Na die [woorden] hartenkreet verliet ik de voorhof van het heiligdom en haastte mij ervandaan.

(26) Terwijl ik wegliep, gaf iemand die mij zag mij drie muntstukken met de opmerking: "Neem die van mij aan, [zuster] moeder." Ik nam [het geld] de gift aan en kocht er drie broden van die ik als [een] gezegende [gift] leeftocht voor onderweg meenam. [‘gift’ is toch weer wat anders dan ‘leeftocht’] Ik vroeg aan de man [die het brood] bij wie ik de broden [ver]kocht: "Meneer, waar [is] loopt de weg die naar de Jordaan leidt?" [Hij wees me de weg naar de] Zodra ik hoorde welke stadspoort [die] in die richting leidde, [en ik rende de poort door] ging ik daar snel de stad uit [226] en begon ik [nog steeds] huilend aan mijn reis.

 

[Aan voorbijgangers] Ik vroeg [ik] overal de weg  en de rest van de dag [liep] reisde ik [verder]; het was geloof ik [negen] het derde uur [dat] toen ik het [Heilige Kruis] kruis [had gezien] zag en het was tegen zonsondergang dat ik [eindelijk] de kerk van [de heilige] Johannes de Doper [op de oever van] vlak bij de Jordaan bereikte. Eerst ging ik in de kerk bidden, direct daarna daalde ik af naar de Jordaan en waste daar mijn gezicht en handen met het heilige water. Ik nam deel aan de [heilige] onbevlekte en levenschenkende MysteriĎn [van Christus de Heer] in de kerk van de Voorloper, en daarna at ik de helft van een van de broden en dronk ik [water] uit de Jordaan. Daar bleef ik die nacht op de grond slapen. De volgende morgen trof ik daar een klein bootje aan en daarmee ging ik naar de overkant. Opnieuw vroeg ik mijn leidsvrouw mij te leiden waarheen zij maar wilde. Zo kwam ik in deze woestijn aan en vanaf dat moment tot op de dag van vandaag ben ik [vervreemd van alles, uit de buurt van mensen blijvend, en van iedereen weglopend] blijven lopen en verblijf ik hier [me vasthoudend aan] wachtend op mijn God, die [allen] diegenen redt die zich vanuit hun kleinmoedigheid [en turbulentie] tot hem wenden.' [Enige discrepantie hier tussen V.1 en V.2 (waar in V.2 een stuk ontbreekt), maar toch ‘in de storm’ is wel erg vreemd vertaald.]

 

(27) Zosimas zei toen tot haar: 'Hoeveel jaren zijn er verstreken, [moeder] mijn meesteres, sinds u in deze woestijn [leeft] komen wonen?' [‘wonen’ kan je het toch niet echt noemen, en dat staat er ook niet.] De vrouw antwoordde: 'Ik [denk] geloof dat het 47 jaar geleden is dat ik de heilige stad verliet.' Daarop zei Zosimas: 'Wat voor voedsel heeft u hier dan kunnen vinden, mijn meesteres?' De vrouw zei: 'Toen ik de Jordaan overstak, had ik nog tweeĎnhalf brood bij me; die [waren spoedig uitgedroogd en werden zo hard als steen] zijn langzamerhand door uitdroging versteend en [een aantal] al die jaren ben ik daarvan kleine stukjes blijven eten.' [‘een aantal’ is toch een stuk minder dan ‘al die’ = 47 jaar, dus het wonder wordt daardoor minder overdreven zoals bij vdH.] Toen zei Zosimas: 'Maar [hoe heeft] bent u al die vele jaren dan [kunnen leven] zonder [ziek te worden] moeite doorgekomen, [toch weer even iets heel anders] zonder dat [u onder die totale] die plotselinge verandering [geleden heeft] u in de problemen heeft gebracht?' [toch weer even heel anders] Daarop antwoordde de vrouw: '[U doet me aan dingen denken] Daar vraagt u me wat, vader Zosimas, [waarover] en ik huiver om erover te spreken. Want als ik nu de herinnering[en] zou ophalen aan al die gevaren [die ik overwonnen] waaraan ik blootgestaan heb en de [gewelddadige] gedachten die me [verward] zo vreselijk gekweld hebben, ben ik bang dat ik opnieuw daarvan te lijden krijg.' Maar Zosimas zei: '[Moeder] Meesteres, houd alstublieft niets achter [en] van wat u mij kunt vertellen [mij alles]!

Want ik heb u dit met maar één doel gevraagd: dat u mij in één keer alles onderwijst zonder iets over te slaan.' [Deze laatste zin staat niet in V.1, maar in V.2 staat:] [ [Nu dat ik u heb ontmoet, bent u in de openbaarheid gebracht, en het zou alleen maar juist voor u zijn om ons voor te lichten zonder iets achter te houden.]

 

(28) Ze zei toen: 'Geloof mij, [Abba] vader, zeventien jaar heb ik door [in] deze woestijn [doorgebracht] rondgetrokken in voortdurend gevecht met de wilde dieren van mijn redeloze begeerten [en hartstochten]. [Het is vreemd dat in de vorige passage over ’47 jaar’ wordt gesproken, maar nu — en in alle volgende passages — over 17 jaar.] Zodra ik [een beetje at] begon te eten, [dacht ik met spijt aan] begeerde ik het vlees en de vissen [die ik altijd in] die Egypte [at] mij te bieden had; ook [betreurde] begeerde ik [het geen] wijn [227] te [hebben] drinken waarvan ik zo [van hield] veel genoegen had gehad, want ik dronk veel wijn toen ik nog in de wereld leefde. Maar hier had ik [nauwelijks] zelfs geen water om te drinken terwijl ik [brandde van de dorst] verging van de hitte en [bijna bezweek door gebrek daaraan.] die behoefte ondraaglijk was. Ook [kwam er] kreeg ik een [waanzinnige] vreemde begeerte naar de [losbandige] hoerenliedjes [daar heb je vdH weer met zijn ‘hoeren’.] [in mij op, die mij] waardoor ik erg [verwarde] in de war raakte en [die mij er toe aanzette] bijna overgehaald werd weer [al] die [duivelse liedjes] demonische liederen te gaan zingen die ik vroeger geleerd had. [Als deze begeerte in mij opkwam, ] Huilend sloeg ik [mezelf] mij dan op de borst en herinnerde mezelf aan de [eed] afspraak die ik [gezworen] gemaakt had toen ik wegtrok naar de woestijn [introk]. Ik ging dan in gedachten [weer] staan voor [de beeltenis] het beeld van de moeder Gods die mij [met haar vertrouwen moed gegeven] aangenomen had en ik bad huilend tot haar dat ze die gedachten zou verjagen die [waaraan] maar in mijn arme ziel [ten onder ging.] ronddraaiden. [dat is toch heel wat erger.] Als ik dan [heel lang] voldoende gehuild had [‘voldoende’ is weer zo’n onvoldoende vertaling] en zo hard als ik kon op mijn borst had geslagen, dan zag ik [uiteindelijk] een licht dat mij van alle kanten [op mij] omstraalde, en [na de woeste storm daalde een kalmte neer] vanaf dat moment veranderden de wilde golven in mij in een kalme windstilte.

 

(29) Maar de [al die] gedachten [aan ontucht] die me weer [nenauwden]  terug wilden duwen in de hoererij, [daar heb je vdH weer met zijn ‘hoeren’.] [Abba] vader, hoe kan ik u [daarover] die nu vertellen? Er brandde een [fel] vuur in mijn arme hart dat mij geheel en al in vlam zette en mijn begeerte naar [seks] genot aanwakkerde. Wanneer zulke gedachten opkwamen, wierp ik mij onmiddellijk [languit] op de grond en maakte [die] de bodem nat met mijn tranen, [een ‘bodem’ is toch wat anders] [terwijl het leek alsof] denkend dat zij die [mijn getuige was] borg voor mij stond [voor] mij [was verschenen] zou bijstaan [heel letterlijk dus en niet van een afstandje ‘bijstaan’] [in mijn ongehoorzaamheid] en mij [met] als overtreedster de straffen voor die overtreding [dreigde] zou voorhouden. Ik stond dan niet eerder op van de grond - en soms moest ik een hele dag en een nacht zo blijven liggen! - voordat dat [rustige en] zoete licht [op] mij [neerdaalde en me verlichtte] omstraalde en mijn kwellende gedachten verjoeg. Ik [hield dan] trachtte altijd mijn geestesoog onafgebroken op haar, mijn [Beschermster] borg, gericht te houden en [vroeg] haar [om haar] hulp [uit] te [strekken tot iemand] vragen voor mij die in de [golven] zee van de woestijn [snel ten onder ging.] aan zo veel gevaren blootstond. [In V.2, misschien wel duidelijker: ...mij in mijn eenzaamheid en boetedoening te helpen.] En ik kreeg haar bijstand, en zij [was er altijd om mij te helpen en mijn berouw te aanvaarden.] hielp mij bij mijn bekering. [Wederom, ‘bekering’ is niet hetzelfde als berouw.] Zo [heb] ben ik die eerste zeventien jaren [geleefd] doorgekomen, levend met [temidden van constante] ontelbare gevaren, maar sindsdien tot op de dag van vandaag[, is de Moeder van God] heeft mijn [constante] helpster [geweest en heeft ze] mij in alles bijgestaan en mij door alles heen geleid.'

 

(30) Zosimas zei tot haar: 'Had u dan geen voedsel en kleding nodig?' Zij antwoordde: 'Zoals ik al zei, toen die broden[, waarover ik al sprak,]  opgeraakt waren, heb ik [me] zeventien jaar lang mij gevoed met planten en andere dingen die ik in de woestijn vond. [Omdat er in de meeste passages over ‘17 jaar’ in de woestijn wordt gesproken, lijkt V.1 het meest plausibel. In V.2 staat namelijk: Ik heb met die broden 17 jaar gedaan, zoals ik u al zei, waarna ik ...] [De kleren die] Het kledingstuk dat ik droeg toen ik de Jordaan overstak, [raakten gescheurd en versleten] versleet natuurlijk en raakte op. Ik heb dan ook veel [228] geleden van de koude en de [extreme] hitte. Ik werd beurtelings verbrand[de] door de zon [in de zomer] en [rilde en] verstijfd[e in de tijden van de vreselijke] door de vorst [en kou], zodat ik vaak alleen nog maar bijna ademloos en bewegingloos op de grond bleef liggen trillen. Ja, ik heb met veel ellende en niet aflatende verzoekingen te maken gehad. Maar tot op heden heeft de kracht van God mijn zondige ziel en mijn vege lijf op allerlei wijzen bewaard. Als ik alleen al bedenk voor wat voor kwaden hij mij heeft behoed, dan [weet] heb ik [dat ik gevoed wordt met het] een onvergankelijk voedsel [dat blijft (Johannes 6.27) [73] ], [vdH citeert deze bijbeltekst niet geheel correct.] de hoop op [verlossing die ik bezit is een feestdis die geheel bevredigt.] mijn heil. [Ik] Want ik [wordt ge]voed mij en [ge]kleed mij met het [almachtige] woord van God [in wie] alles [bestaat] regeert. Immers, een mens zal niet van brood alleen leven, [(Deuteronomium 8.3 [74] & Matteus 4.4 [75] )]  [maar degenen die zelfs geen gat in de grond hebben om zich in te verbergen, (Job 24, volgens de Septuagint)] en als men niets heeft om zich mee te bedekken, degenen die het zondige omhulsel hebben afgelegd[, zijn omringd door de bescherming van de Heer.] worden met een steen bekleed.' [Terwijl er door Zosimas in de volgende § op wordt gewezen, herkent vdH ook dit weer niet als een bijbeltekst, en komt hij aan met het onbegrijpelijke ‘met een steen bekleed’!] [V.1 verwijst naar HebreeĎn 11.38 [76] ]

 

(31) Zosimas [verbaasde zich] constateerde dat ze zelfs bijbelpassages citeerde, uit [de boeken] Mozes, uit Job, en uit het boek van de Psalmen. Daarom zei hij tot haar: '[Moeder] Mijn meesteres, heeft u de Psalmen en andere bijbelboeken gelezen?' Ze moest glimlachen[te een beetje] toen ze dat hoorde en zei tot de oude[re] man: 'Geloof me, beste man, [daar is vdH weer met zijn denigrerende ‘beste man’! En het staat niet in V.1 of V.2, zelfs niet als Man van God.] sinds ik de Jordaan ben overgestoken heb ik geen mens meer gezien, behalve dan vandaag uw persoon. Zelfs geen dier of enig ander levend wezen heb ik gezien sinds ik in deze woestijn verkeer. [Op geen enkele moment in mijn leven heb ik leren lezen.] [In V.1 staat: Ik heb nooit iets uit boeken geleerd.] [Maar deze zin is er bij vdH niet.] Ik heb dus ook [zelfs] nooit iemand horen psalmzingen of uit de Schrift horen voorlezen. Maar het Woord van God, [is] dat levend en [krachtig] werkzaam is, en [dringt door tot het raakpunt van ziel en geest (HebreeĎn 4.12). [77] ]  onderwijst de mens zelf kennis. [vdH herkent dit weer niet als een bijbeltekst!] Wel, dit is het einde van [mijn] het verhaal over mijzelf. Maar wat ik [in] aan het begin [vroeg] van mijn verhaal gedaan heb, [zo verzoek] doe ik [u] nu weer: ik bezweer u bij [ter wille van het vlees geworden Woord van God] de vleeswording van Gods Woord dat u voor mij, [zondaar] zedeloze, [tot] bij de Heer [te blijven] blijft bidden.' [Kan je ‘bij de Heer’ bidden? Is dat Nederlands of metafysisch mogelijk?]

 

Toen ze dat gezegd had en haar [verhaal] betoog zo geĎindigd had, wierp hij zich [languit] neer aan haar voeten om haar om een zegen te vragen. In tranen riep de oude man: 'Geprezen zij [de Heer] God die [als enige] zulke grote [wonderen doet], [(Psalmen 72.18) [78] ] [ zou vdH dit weer niet als een bijbeltekst herkent hebben?!] wonderlijke, [glorieuze] heerlijke en indrukwekkende dingen doet zonder tal. Geprezen [bent u] zij [Heer] God die mij getoond heeft hoeveel hij schenkt aan degenen die hem vrezen. [(Psalmen 31.19)[In mijn bijbel is dat 31.20 [79] ] U hebt [u] werkelijk [niet verborgen voor] hen die u zoeken niet in de steek gelaten, Heer!’

(32) Ze [strekte haar hand uit naar] pakte de [oudere man] grijsaard beet omdat ze niet [wilde] toestond dat hij zo voor haar [ging liggen] knielde en ze zei tot hem: 'Ik bezweer je, [heilige vader] beste man, [daar is vdH weer met zijn denigrerende ‘beste man’! ] bij onze God en Heiland [Jezus] Christus dat [u] je al deze dingen die [u]  je nu gehoord hebt tegen niemand vertelt totdat God me van de[ze] aarde heeft [verlost] weggenomen. [229] Voor dit moment, ga heen in vrede, en volgend jaar zullen wij elkaar weer zien als God ons in zijn genade bewaart. En doe in Gods naam wat ik u nu [vraag] opdraag: in de heilige vastentijd van volgend jaar moet u niet de Jordaan oversteken zoals [jullie gewoonte is] in dat klooster gebruikelijk is.'

Zosimas was perplex te horen dat ze zelfs de regel[s] van [het] dat klooster kende, [en het enige dat hij kon zeggen was] maar hij zei niets, behalve 'Ere zij God die grote [giften] dingen schenkt aan degenen die hem liefhebben.'

 

[En] Maar zij ging verder: 'Blijf in [het] dat klooster, [Abba] vader, zoals ik [gevraagd] gezegd heb. Zelfs als u naar buiten zou willen [vertrekken] gaan, zou [u] dat niet lukken. Maar op de heilige avond van [het Laatste Avondmaal] de mystieke maaltijd moet u voor mij iets van het levengevende lichaam en bloed van Christus nemen en in een heilige [kelk] beker die [geschikt is voor] zulke mysteriĎn waard is [doen en deze] meebrengen, en  blijf daarmee [op mij wachten] aan de bewoonde oever van de Jordaan [die grenst aan het bewoonde gebied]. Als ik dan kom, kan ik [deelhebben in] die levenschenkende gaven ontvangen. Want sinds ik die in de kerk van de Voorloper [de Communie]  heb ontvangen, vlak voordat ik de Jordaan overstak, heb ik die heilige [Communie] gave nooit meer gekregen. En nu [dorst] verlang ik ernaar met een [onbedwingbare liefde en] onblusbaar verlangen. [vdH: ‘verlang’ ‘met een verlangen’, wat een Nederlands!]  Daarom [vraag] bid en smeek ik u ook mijn verzoek niet te weigeren, maar mij toch vooral die levenschenkende goddelijke mysteriĎn te brengen op het [precieze tijdstip] uur dat de Heer zijn leerlingen de goddelijke maaltijd deelachtig deed worden. Tot vader Johannes, de abt van het klooster waarin u woont, moet u het volgende zeggen: "Let op uzelf en uw kudde, want er gebeuren daar [veel] dingen die correctie behoeven." [Helderziend] Maar ik wil niet dat u nu al met hem daarover spreekt, maar pas wanneer de Heer u dat zal opdragen.' Na nog eens 'Bid voor mij!' tegen de oude man gezegd te hebben, rende ze de diepte van de woestijn weer in.

 

Zosimas knielde en kuste de grond waarop haar [voeten hadden gestaan] voetafdrukken nog te zien waren. Hij prees en dankte God en keerde opgetogen van ziel en lichaam weer terug, Christus onze God verheerlijkend en lofprijzend. Hij [bleef de overgebleven tijd in] trok weer de woestijn door en [ging terug naar] kwam aan in het klooster op de dag dat [alle] de daar woonachtige monniken daar plegen terug[keerden] te keren.

(33) Dat hele jaar zweeg hij, want hij durfde niemand iets te zeggen van wat hij [gezien]  meegemaakt had. In stilte bad hij [steeds] tot God hem [toe te staan] dat [haar] gezicht weer te laten zien waarnaar hij [zo] verlangde. [Hij zuchtte over hoe langzaam het] Het ontstemde hem en maakte hem mismoedig als hij bedacht hoe lang een jaar [leek te verstrijken] wel niet duurt en hij had wel gewild dat het mogelijk was dat een jaar maar één dag duurde.

Toen de [eerste] zondag aan het begin van de heilige vastentijd [230] aanbrak, gingen alle anderen [op de] na het gebruikelijke [manier] gebed direct naar buiten onder psalmgezang, maar hij [leed aan] werd tegengehouden door een [lichte] koorts [waardoor hij in het klooster moest achter]die hem dwong binnen te blijven. Toen herinnerde Zosimas zich [hoe die] dat de heilige vrouw gezegd had: 'Zelfs al zou u het klooster willen [weggaan] verlaten, [dan] zou [u] dat niet lukken.' Na verloop van enige dagen herstelde hij van zijn ziekte, maar hij bleef in het klooster.

(34) Toen de monniken weer teruggekeerd waren en de [dag] avond van [het Laatste Avondmaal] de mystieke maaltijd aanbrak, deed hij wat hem opgedragen was. Hij deed in een kleine [kelk] beker iets van het onbezoedelde lichaam en het kostbare bloed van [onze Heer Jezus] Christus onze God en hij deed [een paar] vijgen en dadels en wat geweekte linzen in een mandje. Laat in de avond vertrok hij en ging zitten aan de oever van de Jordaan, wachtend op de komst van de heilige vrouw. [Hoewel] Toen de heilige vrouw [lang] op zich liet wachten, viel Zosimas niet in slaap, maar bleef strak naar de woestijn [in] kijken, [weer wat dom geformuleerd ‘naar’ de woestijn kijken] [verlangend haar] afwachtend of hij zou zien wat hij begeerde te zien. [Hij vroeg zich af: ] De oude man zat daar en zei tot zichzelf: 'Misschien heeft mijn onwaardigheid haar verhinderd te komen. Of misschien is ze al geweest en omdat ze mij niet aantrof weer teruggekeerd.' [Hij] Bij die gedachte barstte hij in tranen uit en huilend en zuchtend hief hij zijn ogen naar de hemel en [bad tot] smeekte God aldus: 'Heer, verhinder mij niet [haar] weer te zien [wie] wat u mij eens toestond te zien! [Laat mij] Ik wil niet [onbeloond] onverrichter zake teruggaan[, als straf voor] en mijn zonden die mij aanklagen met mij meenemen.' [‘onverrichter zake’ is wel erg zakelijk en veronderstelt ook verrichtingen van de kant van Zosimas.]

 

Terwijl hij dat onder tranen bad, viel hem nog een andere gedachte in: wat gaat er gebeuren als ze wél komt? Er is hier namelijk geen [veer]bootje! [Hoe kan ze de Jordaan oversteken en naar mij toe komen?] [Stakker die ik ben! Ach, ik ongelukkige! Ach, wie kan haar verhinderd hebben voor mij te verschijnen?] Wee mijn onwaardigheid, wee mijn armzaligheid! Wie heeft mij van zo'n groot goed beroofd, en terecht!?

(35) Maar zie, terwijl [hij] de oude man dit soort gedachten had, kwam de heilige vrouw opdagen en [bleef] ging aan [de andere] die kant van de rivier staan vanwaar ze gekomen was. Zosimas stond blij op en verheugd [dankte] prees hij God. Maar opnieuw [dacht hij er aan] beklemde de gedachte hem dat zij de Jordaan niet kon oversteken. Toen zag hij haar echter het kruisteken over de [wateren van de] Jordaan maken (want het was een nacht met volle maan) en direct daarna zag hij haar [op] het water [stappen] bestijgen en over de [oppervlakte lopend] golven heen naar hem toekomen [alsof het droog land was]. [het water ‘bestijgen’?, vdH! En hoezo ‘golven’?] [Vervuld van ontzag maakte] Zodra hij aanstalten [zich op de grond uit te strekken] maakte voor haar te knielen, [maar] verhinderde zij [riep hem toe, ] al lopend op het water hem toe te roepen: 'Wat doet u daar [nou], [Abba] vader, u die een priester bent en de heilige mysteriĎn draagt?[!]' [Dit is geen vraag, vdH!]

 

[231] [Hij gehoorzaamde haar meteen en nadat] Nadat hij gehoor had gegeven aan wat zij zei en zij [op de oever] het water af was gekomen, zei ze tot de oude man: 'Zegen mij, vader, zegen mij!'

En hij antwoordde haar bevend (want verbijstering had hem bevangen bij het [zien van zo’n glorieus wonder] wonderlijke schouwspel): 'Werkelijk, God liegt niet als hij belooft dat degenen die zich hebben gereinigd zoveel mogelijk aan hem gelijk zullen worden. Eer zij u, Christus onze God, die mijn gebed niet hebt afgewezen en uw mededogen niet verre van uw dienaar hebt gehouden. [Deze zin komt in V.1 en V.2 niet voor.] Eer zij u, Christus onze God, die mij door deze dienares van u getoond hebt hoever ik van de volmaaktheid verwijderd ben.' Toen hij dit zei, vroeg de vrouw hem [het Credo uit te spreken] de heilige geloofsbelijdenis op te zeggen en het Onze Vader te bidden. Toen het gebed beĎindigd was, gaf zij de oude man de [destijds] gebruikelijke vredeskus op de mond. Daarna [nam] kreeg zij de levenschenkende mysteriĎn [tot zich] en met haar armen ten hemel geheven zuchtte ze en riep in tranen: 'Heer, laat nu naar uw woord uw dienares in vrede gaan, want mijn ogen hebben uw heil gezien.'

(36) Daarop zei ze tegen de oude man: 'Vergeef mij, [Abba] vader, [dat ik ‘t u vraag,] maar vervul ook nog een andere wens van mij. Ga nu terug naar het klooster, [beschermd in] bewaard door Gods genade, maar kom het volgende jaar weer [aan de andere kant van de rivier en reis] naar die [plaats] rivierbedding waar ik u voor het eerst heb ontmoet. Kom alstublieft in Gods naam, dan zult u mij weer zien, zoals de Heer wil.' Hij antwoordde haar: 'Ik wou dat het mogelijk was voortaan met u mee te [volgen] gaan en [het genoegen te smaken] uw [heilige gezicht] kostbare gestalte altijd te zien. Maar vervul in ieder geval één wens van een oude man en neem iets van het weinige voedsel dat ik heb meegebracht.' [En hij] Terwijl hij dat zei, liet hij haar zien wat hij in het mandje [zien] had. Ze raakte met haar vingertoppen de linzen aan, nam er drie [korrels en at ze] en deed die in haar mond en zei dat de genade van de Geest genoeg is om het wezen van de ziel [in leven te houden] onbevlekt te bewaren. Daarna zei ze weer tot [hem] de grijsaard: 'Bid in Gods naam voor mij, en gedenk [een arme stakker] mijn armzaligheid.'

 

Hij [raakte] pakte de voeten van de heilige vrouw [even aan] beet [‘beetpakken’!; het is wel te zien dat vdH niet op de hoogte is van Oosterse gebruiken] en vroeg haar te bidden voor de kerk, voor [de keizer] het koninkrijk, en voor hemzelf. In tranen liet hij haar gaan en steunend en kreunend ging hij weg, want hij [kon haar niet langer ophouden ook al had hij dat gewild.] durfde deze onaanraakbare niet langer aan te raken. [Wat zou vdH nou gedacht hebben toen hij haar een onaanraakbare noemde??? Wat een ongelooflijk slechte vertaling. Zosimas had haar net nog aangeraakt, dus is het onlogisch, terwijl er in V.1 en V.2 iets heel anders staat. In V.1: ...want hij kon er niet op hopen het onverslaanbare te overwinnen.]

Zij sloeg weer een kruis over de Jordaan, [stapte op] besteeg het water en wandelde er weer overheen, net als daarvoor. De oude man keerde terug, door zowel blijdschap als grote vrees bevangen. Hij verweet zichzelf dat hij deze heilige [232] vrouw niet naar haar naam had gevraagd, maar hij hoopte dat het volgende jaar nog te kunnen doen.

 

(37) Toen dat jaar voorbij was, ging hij weer naar de woestijn, waarbij hij alles [ging zoals gewoonlijk] deed naar zijn gewoonte, [en] maar hij haastte zich naar [de plaats waar hij voor het eerst dat] het wonderbaarlijke schouwspel [had gezien]. [Een stukje vergeten, vdH, wat het niet begrip niet bevordert.] Hij [liep] legde de afstand door de woestijn af [maar kon geen] en hij trof enkele tekenen [vinden] aan die erop duidden [hoe] dat hij de [gewenste] gezochte plek [kon vinden] gevonden had. [Precies het tegenovergestelde, vdH, wat het niet begrip zeker niet bevordert.] Hij keek links en rechts en wendde zijn blik alle kanten op[, de omgeving onderzoekend] alsof hij als een [snelle] ervaren jager was die [speurt naar een gunstige prooi] een zeer begeerd stuk jachtbuit probeerde te verschalken. [Toch weer even anders, vdH.] Maar toen hij nergens ook maar iets zag bewegen, liet hij zijn tranen de vrije loop. Hij richtte zijn blik omhoog en bad: 'Heer, toon mij toch uw ongeschonden schat die u in deze woestijn verborgen hebt! Toon mij toch die [vleesgeworden] engel in een lichaam, die [geen vergelijk heeft in heel] de wereld niet waardig is.'

Nadat hij dit gebeden had, kwam hij [meteen] bij de plek die [leek op een woeste rivier] de vorm had van een bergstroom en [toen hij naar de overkant keek] hij zag [hij een schijnend licht en het lichaam van] op de oostelijke helling de heilige vrouw dood liggen met haar handen [op de juiste manier] gevouwen en haar [gezicht] lichaam naar het oosten gericht. [Toch weer even heel anders, vdH.: ‘oostelijke helling’ of ‘gezicht naar het oosten’.] Hij rende naar haar toe en [baadde] waste de voeten van deze gelukzalige vrouw [in] met zijn tranen af. [Toch weer even heel anders, vdH.: ‘afwassen’ of ‘baden’.] [... en kuste ze.] Hij durfde namelijk geen ander deel van haar lichaam aan te raken.

 

(38) Hij huilde geruime tijd, zong toen de bij deze gelegenheid passende psalmen, en sprak het gebed voor de doden uit. Daarna dacht hij: is het wel juist het stoffelijk overschot van deze heilige vrouw hier te begraven? Zou dat wel zijn wat zij gewild zou hebben? [Toen] Terwijl hij dat dacht, zag hij naast haar hoofd in het zand geschreven staan: '[Abba] Vader Zosimas, begraaf op deze plek het [lichaam] stoffelijk overschot van de nederige Maria, geef stof terug aan stof, en bid voortdurend voor mij tot de Heer. Ik stierf in de maand Farmoethi, [volgens de Egyptenaren, en April volgens de Romeinen, op de negende dag, dat is vijf dagen voor de ides van April] in dezelfde nacht als die van [de Passie] het lijden van de [Heer] Heiland, na de [communie van het] goddelijke en [heilige] mystieke [Avond]maaltijd ontvangen te hebben.'

 

Toen de oude man die geschreven woorden zag, [vroeg hij zich eerst af wie die geschreven kon hebben, want ze had gezegd dat ze nooit had leren lezen] [staat niet in V.1!, maar is inderdaad een goeie vraag. Het is vdH ontgaan blijkbaar dat zijn versie niet logisch was] was hij [tegelijkertijd] blij dat hij nu de naam van de heilige vrouw kende. Hij begreep dat zij direct na het ontvangen van [de Communie] het goddelijke mysterie bij de Jordaan [naar] op de plek was [verplaatst] aangekomen waar zij was gestorven. [Zoals vdH het vertaalt, wordt het niet duidelijk dat het hier het wonder van teleporteren betreft.] Een reis die Zosimas met pijn en moeite in twintig dagen had gedaan, had Maria [klaarblijkelijk] in [minder dan] één uur gedaan, en ze was regelrecht naar God vertrokken.

(39) Hij verheerlijkte God en [baadde] bevochtigde haar lichaam met zijn tranen. Daarop zei hij: 'Het is tijd, Zosimas, [haar wens] uit te voeren wat je is op [233] gedragen. Maar hoe wil je een gat graven, mijn arme, als je [alleen maar je] helemaal niets in handen hebt?' [Dat was geen mooi Nederlands, vdH] Op dat moment zag hij [vlakbij] op geringe afstand een klein stuk hout [door een reiziger] in de woestijn [achtergelaten] liggen. Dat pakte hij op en hij begon ermee te graven. De grond was echter [hard en] erg droog en gaf niet [toe aan] mee onder de inspanningen van de oude man, [en de taak was er ook niet gemakkelijker op geworden door zijn zwakte na het vasten, om nog maar te zwijgen van de vermoeidheid van de lange reis,] [staat niet in V.] maar hij bleef [doorwerken, zwaar zuchtend] het toch proberen terwijl het zweet van hem afdroop en hij [kreunde] zuchtte uit het diepst van zijn [hart] geest. [‘zuchten uit je geest’, dat is toch geen Nederlands, vdH!]  [Plotseling] Toen hij opkeek, zag hij een grote leeuw bij het lichaam] overschot van de heilige vrouw staan die haar voeten likte. Zodra hij dat dier zag, begon hij te trillen van angst, vooral omdat hij zich herinnerde dat Maria had gezegd dat ze hier nooit een dier gezien had. Maar hij sloeg een kruis en vertrouwde erop dat de kracht van degene die daar lag hem zou beschermen. De leeuw [kwam dichterbij hem en maakte] begon tegen de grijsaard te kwispelen, niet alleen om hem te groeten maar ook om door die bewegingen [waarmee hij] zijn [genegenheid toonde.] goede bedoelingen kenbaar te maken. Zosimas zei tot de leeuw: 'Dier, omdat deze grote vrouw mij heeft opgedragen haar [lichaam] lichamelijk overschot te begraven maar ik een oude man ben die niet goed kan graven, [zou] doe jij [dat werk] die plicht nu met je [klauwen] nagels [willen doen], want ik heb niets om mee te graven en ik heb de kracht ook niet [en het zou te lang duren] om dat hele eind terug te gaan om een geschikt werktuig te halen. Zo kunnen wij dan de [sterfelijke tempel] aardse woning van de heilige vrouw weer aan de aarde [toevertrouwen] teruggeven.'

[Terwijl hij nog praatte,] Onmiddellijk begon het dier met zijn voorpoten een gat te graven dat groot genoeg was om het lichaam te begraven.

(40) Opnieuw [baadde] bevochtigde de oude man de voeten van de heilige vrouw met zijn tranen. Hij smeekte haar vurig voor allen te bidden en waar de leeuw bij stond, bedekte hij het lichaam met aarde, het lichaam dat naakt was als in het begin en geen andere bedekking had dan het gescheurde kleed dat Zosimas haar had toegeworpen en waarmee Maria met haar rug naar hem toe enkele delen van haar lichaam [gedeeltelijk] had [kunnen bedekken] bedekt. Daarop gingen beiden weg. De leeuw trok zich zo [vriendelijk] als een [lam] terug [midden]in het binnenste van de woestijn. [Een ‘vriendelijk lam’ klinkt toch beter, en is ook correcter, dan een ‘mak schaap’] Zosimas keerde terug naar het klooster, Christus onze [Heer] God lovend en prijzend. Zodra hij weer in het klooster was, vertelde hij alles aan de monniken en hij hield niets achter van wat hij gehoord en gezien had. Vanaf het begin vertelde hij hun alles tot in details, zodat allen die deze grote daden Gods hoorden perplex stonden en in eerbied en liefde de herinnering aan deze heilige vrouw koesterden.

Johannes de abt[, zoals de heilige Maria eerder aan Abba Zosimas had verteld,] vond inderdaad in het klooster [een aantal dingen verkeerd en met God’s hulp kon hij die oplossen.] enkelen die correctie nodig hadden, zodat ook in dat opzicht het woord van de heilige vrouw niet loos of onbegrijpelijk bleek te zijn. Zosimas [bleef] stierf in dat klooster [en vertrok in vrede naar de Heer] op ongeveer honderdjarige leeftijd.

 

[Er is nog een soort PS van Sophronius in V.1 en nog wat gebeden in V.2]

[235]

UITSPRAKEN VAN WOESTIJNVADERS EN -MOEDERS

[Deze zijn voor mij niet van zoveel belang omdat ik meer in de praktijken geēnteresseerd ben. Maar ik vermoed dat ze even slecht vertaald zullen zijn als bovenstaande teksten. Het zou ook weer erg veel werk zijn die allemaal na te lopen.]

 

 

BEKNOPTE LITERATUURLIJST

G.J.M. Bartelink, De bloeiende woestijn. De wereld van het vroege monachisme, Baarn 1993

[1] 4,20 Meteen lieten ze hun netten achter en volgden Hem.

[2] 4, 34 Er was immers niemand onder hen die gebrek leed, want allen die grond of huizen bezaten verkochten hun bezit, gingen met de opbrengst naar de apostelen, 35 en legden die aan hun voeten. Daarvan werd uitgedeeld aan een ieder, al naar gelang hij nodig had.

[3] (W) Kol. 1,4 Wij hebben immers gehoord van uw geloof in Christus Jezus en van de liefde die u alle heiligen toedraagt, 5 omwille van de hoop die voor u is weggelegd in de hemel. U hebt daarvan gehoord toen het evangelie, het woord van de waarheid, 6 tot u kwam. In heel de wereld is het bezig vrucht te dragen en te groeien, evenals bij u, sinds de dag dat u gehoord hebt van Gods genade en haar hebt leren kennen in haar waarheid.

[4] 19,21 Jezus zei: `Als u onverdeeld goed wilt zijn, ga dan uw bezit verkopen en geef het aan de armen, en u zult een schat hebben in de hemel. Kom dan terug om Mij te volgen.'

[5] 6,34 Maak je dus niet bezorgd over de dag van morgen, want de dag van morgen zal zich wel bezorgd maken over zichzelf. Iedere dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad.

[6] 3,10 Ook toen wij bij u waren, hielden wij u telkens deze regel voor: iemand die niet wil werken, zal ook niet eten.

[7] De befaamde monnikentekst, 1 Tess. 5,17, luidt slechts: “bidt onafgebroken”. Het woord ‘afzonderlijk’ zinspeelt op Mt. 6,6.

[8] (W) Gen. 3,5 God weet dat je ogen open zullen gaan als je van die boom eet, en dat je dan gelijk zult worden aan God, door de kennis van goed en kwaad.'

[9] 1 Kor 15,10 Maar door de genade van God ben ik wat ik ben, en zijn genade voor mij is niet vruchteloos geweest. Ik heb harder gewerkt dan alle anderen; dat wil zeggen, niet ik, maar de genade van God met mij.

[10] 112,10 Dat ziet de boze vol jaloezie aan, knarst zijn tanden en bezwijkt; het plan van de boze moet mislukken.

[11] (W) Marc. 8,18 Wanneer hij hem aangrijpt, knijpt hij hem de keel dicht, en dan staat het schuim hem op de mond, knarst hij met de tanden en wordt hij helemaal stijf. Ik vroeg uw leerlingen hem uit te drijven, maar ze waren er niet toe in staat.'

[12] Hos 4,12 Het volk raadpleegt zijn stuk hout, en zijn stok heeft het voor het zeggen. De geest van ontucht heeft hen misleid, door hun ontucht lopen zij weg van hun God.

[13] Ps 118,7 De HEER staat bij mij, de HEER is mijn helper: ik kan lachen om mijn vijanden.

[14] Rom 8,4 Zo moest de eis van de wet vervuld worden door ons die geen zondig leven meer leiden, maar leven volgens de Geest.

[15] 1 Petr, 5,8 Wees nuchter en waakzaam. Uw vijand, de duivel, zwerft rond als een brullende leeuw, op zoek naar een prooi om die te verslinden.

[16] Ef. 6,11 Trek de wapenrusting van God aan om te kunnen standhouden tegen de listen van de duivel. 12 Want onze strijd is niet gericht tegen vlees en bloed, maar tegen de heerschappijen, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van deze duisternis en tegen de geesten van het kwaad in de hemelse regionen.

[17] 27 Ik hard mijzelf en houd mij onder strikte tucht om niet, na voor anderen gepredikt te hebben, zelf verworpen te worden.

[18] Eerst eten na zonsondergang was ook regel bij de Therapeuten, de zoekers van de wijsheid door Philo beschreven. Want, zeiden zij, "de geĎigende tijd voor het mediteren is het licht, die voor de lichaamsbehoeften het donker" (PHILO, De vita cordemplativa, nr. 34). De EsseniĎrs daarentegen aten op het vijfde uur (= elf uur 's morgens?).

[19] 10 Ter wille van Christus zal ik daarom graag zwak zijn: in smaad, nood, vervolging en benauwdheid. Want als ik zwak ben, dan ben ik sterk.

[20] (Willibrord) Filipenzen 3,12 Niet dat ik dat alles al bereikt heb of al volmaakt ben! Maar ik streef er vurig naar het te grijpen, gegrepen als ik ben door Christus Jezus. 13 Nee, broeders en zusters, ik beeld mij niet in dat ik het al in mijn bezit heb. Alleen dit: vergetend wat achter me ligt en me richtend op wat voor me ligt, 14 streef ik naar het doel: de prijs van de hemelse roeping, die God in Christus Jezus tot mij richt. (Staten bijbel) 3,14 Maar een ding [doe] [ik], vergetende, hetgeen achter is, en strekkende mij tot hetgeen voor is, jaag ik naar het wit, tot den prijs der roeping Gods, die van boven is in Christus Jezus.

[21] (Staten bijbel) 1 Kon. 18,15 En Elia zeide: [Zo] [waarachtig] [als] de HEERE der heirscharen leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, ik zal voorzeker mij heden aan hem vertonen! (Willibrord) 18,15 Maar Elia verzekerde: `Zowaar de HEER van de machten leeft, in wiens dienst ik sta: ik verschijn vandaag nog voor Achab.'

[22] 8,35 Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking wellicht of nood, of vervolging, of honger, of naaktheid, of levensgevaar, of het zwaard?

[23]  Ps. 27,3 Al slaat een leger het beleg rond mij, mijn hart zal niet vrezen; al woedt een oorlog tegen mij, ik behoud mijn vertrouwen.

[24] (W) Spr. 18,11 Het bezit van de rijke is een machtige stad voor hem, als een veilige muur in zijn verbeelding.

[25] (W) Hand. 7,54 Toen ze dit hoorden, waren ze diep gekwetst, en ze narsetandden van woede tegen hem.

[26] (Staten bijbel) 8,20 Maar Petrus zeide tot hem: Uw geld zij met u ten verderve, omdat gij gemeend hebt, dat de gave Gods door geld verkregen wordt!

[27] Ps. 68,2 Als God zich verheft, stuift de vijand uiteen, vluchten zijn haters voor zijn aangezicht. 3 Als rook verwaaiend op de wind, was versmeltend in het vuur, zo kwijnen de bozen voor zijn aangezicht weg.

[28] 118,10 Stammen en volken drongen op rondom mij - ik heb hen afgeweerd met de naam van de HEER; (Staten bijbel) 118,10 Alle heidenen hadden mij omringd; het is in den Naam des HEEREN, dat ik ze verhouwen heb.

[29] Dus als het ware in extatische toestand. Athanasius heeft geschriften van Pythagoras voor ogen gehad, zoals blijkt uit verschillende zinswendingen die daar eveneens voorkomen.

[30]  De vertaling "Logos" past geheel in de christologische opzet van Athanasius. Logos betekent zowel woord als rede. Hier is zeker niet de menselijke rede bedoeld, zoals blijkt uit de volgende zin. Zonder het woord te noemen zegt Athanasius dat Antonius gekomen is tot de apatheia, voorwaarde voor de hoogste beschouwing.

[31] De natuur bij de schrijvers uit deze tijd betekent altijd de ongerepte, niet door de zonde verlaagde natuur, de natuur zoals zij bij de schepping uit Gods hand is gekomen, want alles wat God schept is goed. Hoewel uitwendig gelijk gebleven, was Antonius inwendig geheel veranderd, herschapen, had hij de oorspronkelijke gaafheid herwonnen. Hier is sprake van een echte transfiguratie, een geestelijke gedaanteverandering. Een passage in de Vita van sublieme schoonheid! Nu Antonius in de oorspronkelijke gaafheid hersteld is, bezit hij, evenals de eerste mens voor de zondeval, heerschappij ovver de schepping. Athanasius bewijst dit door onmiddellijk enkele wonderen te vermelden door Antonius verricht. Daarbij stelt hij echter uitdrukkelijk dat dit alles een genade was die Antonius dankte aan Christus.

[32] (W) Rom. 8,32 Hij heeft zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard; voor ons allen heeft Hij Hem overgeleverd. En zou Hij ons na zo'n gave ook niet al het andere schenken? (Staten bijbel) 8,32 Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken?

[33] (W) Fil. 3,20 Maar óns vaderland is in de hemel, vanwaar wij ook onze redder verwachten, de Heer Jezus Christus.

[34] (W) Num. 24,5 Hoe mooi zijn uw tenten, Jakob, uw woningen, IsraĎl: 6 als dalen liggen zij verspreid, als tuinen langs een rivier, als aloĎbomen geplant door de HEER, als ceders aan de waterkant.

[35] (W) Lc. 12,22 Hij zei tegen zijn leerlingen: `Daarom zeg Ik jullie: maak je niet bezorgd over wat je zult eten om in leven te blijven, of over de kleding voor je lichaam.

[36] (W) Lc. 12,29 Houd toch eens op te zoeken naar wat je zult eten en wat je zult drinken. Maak je niet langer ongerust. 30 Want naar zulke dingen zijn alle volken van de wereld op zoek, maar jullie Vader weet dat je dat nodig hebt. 31 Nee, zoek zijn koninkrijk, dan krijg je die dingen erbij.

[37] (W) Lc. 11,9 Ik zeg jullie: vraag en jullie zal gegeven worden, zoek en je zult vinden, klop en er zal voor je worden opengedaan. 10 Want ieder die vraagt, krijgt; wie zoekt, vindt; en voor wie klopt, zal worden opengedaan. 11 Welke vader onder jullie zal zijn kind, als het om een vis vraagt, in plaats daarvan een slang geven? 12 Of een schorpioen, als het om een ei vraagt? 13 Als jullie dus, slecht als je bent, het goede weten te geven aan je kinderen, hoeveel te meer zal dan de hemelse Vader de heilige Geest geven aan degenen die Hem erom vragen.'

[38] (W) Ef. 6,12 Want onze strijd is niet gericht tegen vlees en bloed, maar tegen de heerschappijen, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van deze duisternis en tegen de geesten van het kwaad in de hemelse regionen.

[39] (W) Hand. 10,12 Hierin bevonden zich alle viervoetige en kruipende dieren van de aarde en de vogels van de hemel.

[40] (W) Ps. 125,1 Een bedevaartslied. Wie op de HEER vertrouwt, staat als de Sion, onwankelbaar vast als die berg; hij staat daar voor altijd.

[41] (W) Job 5,23 Want je hebt een verbond met de stenen van het veld, vrede met de dieren.

[42] (W) Ps. 35,16 die kring van goddelozen spot met mij, knarsetandt tegen mij.

[43] (W) Rom. 1,1 Van Paulus, dienstknecht van Christus Jezus, door God geroepen tot apostel en bestemd voor de dienst van het evangelie ...

[44] (W) Fil 1,1 Van Paulus en Timoteüs, dienstknechten van Christus Jezus, aan alle heiligen in Christus Jezus te Filippi, met hun leiders en diakens.

[45] (W) Gal 1,10 Tracht ik nu de mensen te winnen of God? Zoek ik soms de gunst van de mensen? Als ik die zocht, zou ik geen dienaar van Christus zijn.

[46] (W) Rom. 1,11 Want ik verlang er vurig naar u te leren kennen, in de hoop u een of andere geestelijke gave te kunnen meedelen om u te sterken, 12 of eigenlijk, om bij u en met u de vertroosting te genieten van ons gemeenschappelijk geloof, het uwe zowel als het mijne.

[47] Niet gevonden. Maar wel, wat er een beetje op lijkt,  bij (W) Spr. 13,25 De rechtvaardige eet en verzadigt zich, maar de maag van de zondaars komt tekort.

[48] (W) Ef. 4,26 Wordt u boos, zondig dan niet. De zon mag over uw boosheid niet ondergaan; 27 geef de duivel geen kans.

[49] (W) 2 Kor. 13,5 Onderzoek en toets uzelf: staat u in het geloof? U kunt toch van uzelf getuigen dat Jezus Christus in u is? Zo niet, dan hebt u de proef niet doorstaan.

[50] (W) 1 Kor. 4,5 Oordeel dus niet voorbarig, voordat de Heer gekomen is. Hij zal wat in het duister verborgen is aan het licht brengen, en openbaar maken wat er in de harten omgaat. Dan zal ieder de lof die hem toekomt, ontvangen van God.

[51] (W) Rom. 2,15 Zij tonen dat wat de wet vereist, in hun hart geschreven staat. Hun geweten getuigt daarvan, en hun gedachten, die hen over en weer beschuldigen of ook wel vrijspreken 16 op de dag dat God volgens mijn evangelie over de verborgen daden van de mens zal oordelen, door Christus Jezus.

[52] (W) Gal. 6,2 Help elkaars lasten te dragen; op die manier zult u de wet van Christus vervullen.

[53] (W) 1 Kor. 9,27 Ik hard mijzelf en houd mij onder strikte tucht om niet, na voor anderen gepredikt te hebben, zelf verworpen te worden.

[54] (W) Joh. 19,41 Op de plaats waar Hij gekruisigd was lag een tuin, en in die tuin lag een nieuw graf, waarin nog nooit iemand was bijgezet. 42 Omdat het de Joodse voorbereidingsdag was en het graf dichtbij lag, legden ze Jezus daarin neer.

[55] (W) Mt. 27,6 2 De volgende dag, dat wil zeggen na de voorbereidingsdag, gingen de hogepriesters en de farizeeĎn samen naar Pilatus 63 en zeiden: `Heer, wij moesten eraan denken dat die misleider tijdens zijn leven gezegd heeft: "Na drie dagen zal Ik tot leven gewekt worden.'' 64 Geef dus het bevel om het graf te beveiligen tot de derde dag. Want anders komen zijn leerlingen Hem stelen en zeggen ze tegen het volk: "Hij is opgewekt uit de doden.'' Die laatste misleiding zou erger zijn dan de eerste.'

[56] (W) Joz. 23,14 Ik ga nu de weg van al het aardse. U weet heel goed dat van alle heerlijke beloften die de HEER uw God u gedaan heeft, er niet één onvervuld is gebleven. Alles is voor u verwerkelijkt en niet één woord ervan is onvervuld gebleven.

[57] (W) Lc. 16,9 Ook Ik zeg jullie: maak je vrienden met behulp van de geldduivel; als die je dan ontvalt, zullen ze je ontvangen in de eeuwige tenten.

[58] (W) Matt.6.16 Wanneer je vast, zet dan geen somber gezicht zoals de schijnheiligen, want zij vertrekken hun gezicht om met hun vasten op te vallen bij de mensen. Ik verzeker jullie, ze hebben hun loon al. 17 Maar als jij vast, zalf dan je hoofd en was je gezicht, 18 opdat het bij de mensen niet opvalt dat je vast, maar wel bij je Vader, die in het verborgene is; en je Vader, die in het verborgene ziet, zal het je lonen.

[59] 2 Kon 4,16 En Elisa zei: `Volgend jaar om deze tijd zult u een zoon aan uw hart drukken.' Zij antwoordde: `Och nee, mijn heer, man van God, u moet uw dienares niets voorspiegelen.' 17 Maar de vrouw werd zwanger en baarde het jaar daarop rond dezelfde tijd een zoon, zoals Elisa voorspeld had.

[60] Toespraak op de berg 3 `Gelukkig die arm van geest zijn, want hun behoort het koninkrijk der hemelen. 4 Gelukkig die verdriet hebben, want zij zullen getroost worden. 5 Gelukkig die zachtmoedig zijn, want zij zullen het land erven. 6 Gelukkig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden. 7 Gelukkig die barmhartig zijn, want zij zullen barmhartigheid ondervinden. 8 Gelukkig die zuiver van hart zijn, want zij zullen God zien. 9 Gelukkig die vrede brengen, want zij zullen kinderen van God genoemd worden. 10 Gelukkig die vervolgd worden vanwege de gerechtigheid, want hun behoort het koninkrijk der hemelen. 11 Gelukkig zijn jullie, als ze jullie uitschelden en vervolgen en je van allerlei kwaad betichten vanwege Mij.

[61] 1 Tim 2,3 Dit is goed en welgevallig in de ogen van God, onze redder, 4 die wil dat alle mensen gered worden en tot de kennis van de waarheid komen. Christus Jezus.

[62] 20,2 sprak de HEER bij monde van Jesaja, de zoon van Amos. Hij had hem bevolen: `Doe het haren kleed om uw lendenen uit en trek uw sandalen uit.' De profeet had dit gedaan en liep naakt en blootsvoets rond. 3 Toen verklaarde de HEER: `Mijn dienaar Jesaja heeft drie jaar naakt en blootsvoets rondgelopen, als teken en zinnebeeld van wat de Egyptenaren en de Kusieten te wachten staat: 4 de koning van Assur zal hen allemaal, jong en oud, als krijgsgevangenen en ballingen wegvoeren, naakt en blootsvoets en met ontbloot achterste, tot schande van Egypte!

[63] 13,1 Zo spreekt de HEER tegen mij: `Ga een linnen lendendoek kopen, sla die om uw middel en zorg dat hij niet nat wordt.' 2 Ik kocht dus een lendendoek, zoals de HEER gevraagd had, en sloeg die om mijn middel. 3 Weer kwam het woord van de HEER tot mij: 4 `Ga naar de Eufraat met de lendendoek die u gekocht hebt, draag die om uw middel en verberg hem daar in een rotsspleet.' 5 Ik ging naar de Eufraat en verborg hem daar, zoals de HEER bevolen had. 6 Geruime tijd later zei de HEER tegen mij: `Ga naar de Eufraat en haal de lendendoek op die u daar op mijn bevel hebt verborgen.' 7 Ik ging naar de Eufraat, zocht de plek op waar ik de lendendoek had verborgen en haalde hem weer tevoorschijn. Maar de lendendoek was vergaan, hij deugde nergens meer voor.

[64] 27,2 `Zo spreekt de HEER tegen mij: U moet een juk maken met riemen en dat op uw schouders nemen.

[65] 1,2 Hier beginnen de woorden van de HEER tot Hosea. De HEER sprak tot Hosea: `U moet een hoerige vrouw trouwen en hoerenkinderen bij haar verwekken, want werkelijk, het land loopt door zijn overspel van de HEER weg.'

[66] 4,4 Ga dan op uw linkerzijde liggen om de schuld van het volk van IsraĎl te dragen. Het aantal dagen dat u zo zult liggen, zult u hun schuld dragen. 5 Want Ik reken het aantal jaren van hun schuld in dagen om: driehonderdnegentig dagen moet u de schuld van het volk van IsraĎl dragen. 6 Als die dagen om zijn, moet u opnieuw gaan liggen, nu op uw rechterzijde, en de schuld van het volk van Juda dragen, veertig dagen lang. Voor elk jaar leg Ik u een dag op. 7 Ontbloot uw arm, richt uw blik op Jeruzalem en profeteer tegen de belegerde stad. 8 Ik zal u met touwen knevelen, zodat u zich niet van de ene zijde op de andere kunt keren totdat de dagen van de belegering voorbij zijn. 9 Neem tarwe, gerst, bonen, linzen, gierst en spelt; doe alles in een pot en maak er brood van; al de driehonderdnegentig dagen dat u op uw zijde ligt, moet u dat eten.

[67] 12,7 Ik deed zoals mij bevolen was; ik bracht de bagage die ik als balling nodig had overdag naar buiten, en tegen de avond maakte ik met mijn hand een gat in de muur; in het donker laadde ik voor hun ogen de bagage op mijn schouder en vertrok.

[68] 12,4 Breng de bagage voor uw ballingschap overdag voor hun ogen naar buiten en vertrek voor hun ogen tegen het vallen van de avond als een balling. 5 Maak voor hun ogen in de muur een gat en stap daar doorheen. 6 Uw bagage moet u voor hun ogen op uw schouders laden en u moet in het donker vertrekken; u moet uw gezicht bedekken, zodat u de grond niet kunt zien; want Ik maak u tot een teken voor het volk van IsraĎl'.

[69] 5,1 Mensenkind, neem een scherp mes, een scheermes, en laat het over uw hoofd en uw baard gaan. Neem dan een weegschaal en verdeel de haren. 2 Een derde deel moet u in de stad verbranden, wanneer de dagen van de belegering ten einde zijn; een derde deel moet u in het omliggende gebied met een zwaard klein hakken; het laatste deel moet u in de wind strooien en Ik zal het met het zwaard achtervolgen. 3 Maar een beetje haar moet u in een slip van uw kleed opbergen. 4 Toch moet u daarvan nog iets afnemen, het in het vuur werpen en daarin laten verbranden. Uit dat vuur zal een vlam overslaan naar het huis van IsraĎl.'

[70] 9,6 Maar opdat u weet dat de Mensenzoon bevoegd is om op aarde zonden te vergeven' - toen zei Hij tegen de verlamde: `Sta op, pak uw bed op en ga naar huis.' 7 En hij stond op en ging naar huis. 8 Toen de menigte dit zag, kregen ze ontzag, en ze verheerlijkten God, die deze bevoegdheid aan mensen geeft.

[71] 14,2 Waarachtig, Ik verzeker jullie: wie in Mij gelooft, zal de daden die Ik verricht, ook zelf verrichten; ja nog grotere zal Hij verrichten, want zelf ga Ik naar de Vader, 13 maar wat jullie zullen vragen in mijn naam, zal Ik doen, zodat de Vader verheerlijkt wordt in de Zoon. 14 Als jullie Mij iets zullen vragen in mijn naam, dan zal Ik het doen.

[72] 5,15 zelfs droeg men de zieken de straat op en legde hen daar neer op een bed of een matras, in de hoop dat wanneer Petrus voorbijkwam in ieder geval zijn schaduw op een van hen zou vallen. 16 Ook de bevolking uit de steden rondom Jeruzalem stroomde in groten getale toe; ze brachten zieken mee en mensen die te lijden hadden van onreine geesten, en allen werden genezen.

[73] 6.27 U moet niet zoveel werk maken van vergankelijk voedsel, maar liever van het voedsel dat blijft, het voedsel van het eeuwige leven, dat de Mensenzoon u zal geven; want op Hem heeft de Vader, God zelf, zijn zegel gedrukt.'

[74] 8.3 Hij heeft u vernederd en u honger laten lijden, maar u ook het manna te eten gegeven dat u noch uw vaderen ooit hadden gezien. Hij wilde u daardoor laten beseffen dat de mens niet leeft van brood alleen, maar van alles wat uit de mond van de HEER  komt.

[75] 4.4 Hij antwoordde: `Er staat geschreven: De mens zal niet leven van brood alleen, maar van ieder woord dat uit de mond van God komt.'

[76] 11.38 Zij waren te goed voor deze wereld. Ze hielden zich op in woestijnen en in de bergen, in spelonken en in de krochten van de aarde.

[77] 4.12 Want het woord van God is levend en krachtig. Het is scherper dan een tweesnijdend zwaard en dringt door tot het raakpunt van ziel en geest, van merg en beenderen. Het ontleedt de bedoelingen en gedachten van het hart.

[78] 72.18 Gezegend is de HEER God, de God van IsraĎl, die wonderen verricht, Hij alleen.

[79] 31.20 Hoe talrijk zijn de weldaden, HEER, die U bereid houdt voor degenen die U vrezen, voor degenen die hun heil zoeken bij U, ieder die wil, kan het zien.