Vita Antonii Abba's Iconografie Vuur Antonianen Kunsten Cultus Folklore Plant Dier Literatuur Paulus Hilarion Maria Simeon Adolphus
Nederlands Frans Italiaans Spaans Portugees Koptisch Duits Orthodox Engels Amerikaans Aziatisch
De Woestijnvaders van P.W. van der Horst
is een slecht boek

Inhoud van deze kritische boekbespreking
1. Onduidelijke inleiding 5.2 Of was Paulus van Thebe de eerste?
2. Slechte vertalingen 5.3 Of was het alleen maar propaganda?
3. Populistisch voorwoord 6. Invloeden van de Bijbel en van ‘buitenaf'
4. De slechte vertalingen van de teksten 6.1 Bijbelse invloeden
4.1 Blunders in ‘De Heilige Antonius’ 6.2 Griekse en Hellenistische invloeden
4.2 Blunders in ‘Maria van Egypte’ 6.3 Egyptische invloeden
4.3 Blunders in de verhalen andere woestijnvaders 6.4 Indiase invloeden
4.4 Blunders in 'Simeon de Pilaarheilige' 7. Kerkvaders en woestijnvaders
5. Een misleidende Inleiding 8. Christelijke wetenschappers
5.1 Was Antonius de eerste? 9. Noten


1. Onduidelijke inleiding
In zijn Inleiding weet de auteur helaas niet duidelijk te maken waarom tienduizenden mannen in Egypte, Palestina en Syrië in het begin van onze jaartelling zich in de woestijn terugtrokken om als kluizenaars een leven van strenge ascese te gaan leiden. Zoals de auteur het voorstelt lijkt het alsof deze zogenoemde woestijnvaders vrijwel uit het niets ontstaan zijn. Hij noemt wel enkele invloeden van de Bijbel en wat Griekse filosofen, om dit verschijnsel te verklaren, maar dat is het toch ook niet helemaal. Eigenlijk weet hij het niet en komt hij tenslotte aan met de notie dat deze christelijke ascese begonnen is met Egyptische boeren die op de vlucht waren omdat ze weigerden belasting aan de Romeinse bezetter te betalen en zich in de woestijn moesten schuil houden.
Maar goed, we moeten er maar vanuit gaan dat het een populistisch boek is, en dat de meeste lezers wel snel over de inleiding zullen heen lezen om toe te komen aan het deel van het boek waar het werkelijk om gaat, namelijk de vertaling van een aantal klassieke teksten over de woestijnvaders.


2. Slechte vertalingen
Maar helaas gaat de auteur hier vaak de mist in. De vertalingen zijn eigenlijk beneden het peil dat men van een wetenschapper zou mogen verwachten: stukken ontbreken, begrippen worden op verkeerde en zelfs tegenovergestelde manier weergegeven (waken wordt slapen), bijbelcitaten worden soms niet herkend en dus vreemd verminkt weergegeven, enzovoort.
De teksten, zoals door de auteur vertaald, worden dan ook vaak onbegrijpelijke onzin.
En omdat de auteur als professor boven de gemiddelde twijfel verheven is, zullen de lezers óf aan zichzelf gaan twijfelen — ben ik nou zo dom dat ik het niet begrijp? — óf aan de verhalen gaan twijfelen: rare jongens die asceten!

Ik zal mijn kritiek op de vertalingen hieronder in wat meer detail uitwerken.
Mijn kritiek op de Inleiding zal ik tot het laatste bewaren, want het feit dat de auteur de historische uitleg van dit gebeuren zo onduidelijk heeft weergegeven, maakt het juist extra gecompliceerd om die op inzichtelijke manier te weerleggen.


3. Populistisch voorwoord
Op de eerste pagina kondigt de auteur aan dat er niet alleen woestijnvaders zijn maar ook woestijnmoeders, en maakt op die wijze een knipoog in de richting van de feministen en een commerciële buiging naar zijn uitgever. Vrouwen vormen ongetwijfeld de grootste lezersgroep: ze zijn nu eenmaal veel religieuzer dan mannen. Maar de knipoog is ook niet veel meer dan dat, want van het tiental woestijnmoeders dat (naast de honderden woestijnvaders) in de klassieke teksten wordt genoemd, heeft de auteur er slechts één in zijn boek opgenomen (naast de pakweg 25 woestijnvaders), te weten Maria van Egypte.
Zij is ook zeker geen typische vertegenwoordigster van de woestijnmoeders. Dat waren namelijk allemaal ‘maagden’, terwijl Maria van Egypte een vrouw was die een uiterst losbandig leven leidde voor zij bekeerd werd.
Maar ook de behandeling en vertaling van het leven van Maria van Egypte, is misleidend. Zo noemt de auteur haar in zijn inleiding “de Egyptische hoer Maria,”(2) terwijl uit de tekst juist blijkt dat zij het niet voor geld deed, maar alleen om haar eigen lusten te bevredigen. Volgens de gangbare definitie van het woord was zij dus geen hoer, tenzij je het heel breed — en vanuit een preuts moralistisch standpunt — wil interpreteren, en alle ontuchtige vrouwen met als ‘hoer’ wilt betitelen.
Ook in zijn vertaling van de tekst, gebruikt hij het woord ‘hoer’ zoals in ‘hoerenliedjes’ of ‘hoererij’ terwijl dat niet de meest juiste vertalingen zijn en correcter zouden worden weergegeven met ‘losbandige liedjes’ en ‘ontucht’.
Het is maar goed dat in het verhaal van Maria van Egypte haar protagonist Abba Zosimas én de Maagd Maria én God er heel anders over denken.


4. De slechte vertalingen van de teksten
Nu is het ongetwijfeld zo dat er van de levensverhalen van de woestijnvaders verschillende versies bestaan, dus als ik kritiek lever op zijn vertaling, zou de auteur zich altijd daarachter kunnen verschuilen. Maar er zijn fouten die hij maakt — en dat zijn de meeste — waarbij dat absoluut niet mogelijk is. Aan de aanvullingen en verbeteringen die ik aangebracht heb is namelijk direct te zien dat de zinnen en paragrafen plausibeler worden, meer betekenis krijgen. Kortom, dat het geen onzin meer is, zoals zo vaak in de vertaling van de auteur.(3)

Ik heb een aantal gecorrigeerde teksten van “De Woestijnvaders” integraal op mijn website beschikbaar gesteld (als Web pagina versie of als Word versie), zodat de doorspittende lezer voor zichzelf kan constateren op hoe ongelooflijk veel punten de auteur de plank mis slaat.

Maar voor de iets gemakzuchtige lezer zal ik hieronder een aantal vermakelijke voorbeelden van verkeerde vertalingen en krakkemikkig Nederlands geven. (Hoewel, vermakelijk? — vanuit een ander perspectief is het toch een trieste vertoning!)


4.1 Blunders in de vertaling van ‘Het Leven van de Heilige Antonius’(4)
Als we al de blunders van de auteur zo eens bezien, zouden we ons sowieso moeten afvragen waarom hij zo nodig Het Leven van Antonius nog eens moest vertalen, terwijl er al verschillende Nederlandse vertalingen van bestaan zoals het wat oubollige, maar in het algemeen veel correctere, Leven, getuigenissen, brieven van de Heilige Antonius Abt, van Christofoor Wagenaar,(5) en het populistische, maar ook al weer correctere Antonius, Vader van Monniken, van Vincent Hunink.(6)
Temeer omdat hij zo'n 60% van het Leven onvertaald laat, zonder opgaaf van redenen, waaronder toch belangrijke delen, zoals de toespraak van Antonius tot de monniken met daarin vervat zijn demonologie, een aantal van zijn miraculeuze genezingen, zijn strijd met de Arianen, zijn monologen met de Griekse filosofen, een nog een aantal wonderen zoals zijn helderziendheid en onderscheidingsvermogen voor kwade geesten, en de brieven van en aan de keizer.
Zijn vertaling heeft niets toegevoegd aan het al bestaande, eerder schade aangericht door verkeerde, soms zelfs diametraal tegenovergestelde vertalingen.

Voorbeelden van blunders in ‘Het Leven van de Heilige Antonius’

De tekst van vdH is in het blauw.

Versie vdH Mijn versie Commentaar
[p. 21] (3) Zijn enige verlangen was om, zoals geschreven staat, eenvoudig in zijn huis te wonen. Wel ging hij met zijn ouders mee naar de kerk. Als kind was hij geen losbol, en ook toen hij iets ouder was geworden, minachtte hij zijn ouders niet maar gehoorzaamde hen. Hij was oplettend bij [de schriftlezingen en bewaarde wat hij daarin aan nuttigs voor zichzelf vond in zijn innerlijk. (3) Zijn enige verlangen was om, zoals het over Jakobus geschreven staat, als eenvoudig man in zijn huis te wonen. Hij ging gewoonlijk met zijn ouders mee naar de kerk. Als kind was hij niet lui, en ook toen hij ouder was, minachtte hij zijn ouders niet maar gehoorzaamde zowel zijn vader als zijn moeder. Hij was oplettend bij wat gelezen werd en onthield wat hij daarin aan nuttigs voor zichzelf vond. In de eerste zin heeft de auteur de naam Jakobus weggelaten wat naar een passage in de Bijbel verwijst, dus wordt dit een stuk onduidelijker.

‘Niet lui’ is toch heel wat anders dan ‘losbol’.

‘bewaarde... in zijn innerlijk’, dat is toch nauwelijks Nederlands te noemen.
[p.25] Dat was het eerste gevecht van Antonius met de duivel. Het succes van Antonius was echter te danken aan de Heiland die in hem woonde ... Dat was de eerste zege die Antonius op de duivel behaalde, of liever, dit was het werk van de Verlosser in hem ... Het was sowieso niet ‘het eerste gevecht’ dat Antonius met de duivel voerde.

En ‘de Heiland die in hem woonde’ lijkt me metafysisch onjuist, en minstens slecht Nederlands.
[p. 26] (2) Maar toch werd Antonius niet zorgeloos en beeldde hij zich niets in, ook al leek het erop dat de demon zich onderworpen had. (2) Maar toch werd Antonius in het vervolg niet zorgeloos en minachtte hij hem niet, ook al was de Boze gevallen. Toch iets heel anders.
[p. 38-39] (1) De duivel dus (zoals David in een psalm zegt) hield Antonius knarsetandend in de gaten. Maar Antonius werd aangemoedigd door de Heiland en bleef onaangedaan door de talrijke duivelse listen.

(2) Als hij de nacht slapend doorbracht, stuurde de duivel wilde dieren op hem af. Vrijwel alle hyena's van de woestijn kwamen dan uit hun holen en omsingelden hem van alle kanten.

(3) Wanneer elk van hen zijn muil opensperde en dreigde hem te bijten, zei Antonius (omdat hij deze streek van de vijand wel doorhad) tot hen allen: 'Als jullie volmacht hebt gekregen om tegen mij op te treden, dan ben ik bereid door jullie verslonden te worden, maar als jullie door demonen zijn geïnstrueerd, verlies dan geen tijd maar ga weg, want ik ben een dienaar van Christus.' Als Antonius dat zei, renden ze allemaal weg, verjaagd door zijn woorden als door een zweepslag.
(1) De duivel dus (zoals David dat in een psalm zingt) hield Antonius in de gaten en knarsetandende tegen hem. Maar Antonius werd bijgestaan door de Verlosser en bleef onaangetast door zijn sluwheid en veelsoortige trucs.

(2) Als hij de nacht wakend doorbracht, stuurde de duivel wilde beesten op hem af en vrijwel alle hyena's van de woestijn kwamen dan uit hun holen en omsingelden hem en hij stond in hun midden terwijl

[(3)] elk van hen zijn muil opensperde en dreigde hem te bijten, en dan zei Antonius (omdat hij deze streek van de vijand wel doorhad) tot hen allen: 'Als jullie macht over mij hebt gekregen, dan ben ik bereid door jullie verslonden te worden, maar als jullie door demonen op mij af zijn gestuurd, blijf dan niet, maar ga weg, want ik ben een dienaar van Christus.' Toen Antonius dat zei, vluchtten ze weg, verjaagd door dat Woord als door een zweepslag.
Er is toch wel enig verschil tussen ‘onaangedaan’ en ‘onaangetast’.

Een enorme fout maakt de auteur in (2), waar hij ‘slapend’ schrijft i.p.v. ‘wakend’, wat natuurlijk precies het tegenovergestelde is. En hierdoor wordt de lezer totaal verkeerd geïnformeerd, want het gaat er in de ascese van Antonius juist om dat hij nachtenlang wakend (en biddend) doorbrengt, en dat dan de duivel ook de beste gelegenheid heeft om bij hem binnen te dringen.

Een andere fundamentele fout staat in (3), waar de auteur ‘zijn woorden’ schrijft i.p.v. ‘dat Woord’, waarmee natuurlijk de naam ‘Christus’ bedoeld wordt, en niet de woorden van Antonius.

En dan zijn er nog wat andere discrepanties.
[p. 43] (3) Antonius had al meermalen de bisschoppen gevraagd het volk daarover nu eens te vermanen. (4) Leken zette hij te kijk en vrouwen schold hij uit en hij maakte hun duidelijk dat zoiets niet geoorloofd en al helemaal niet vroom was. (3) Antonius had er al vaak bij de bisschoppen op aangedrongen de mensen over deze kwestie een gebod te geven. (4) Op dezelfde wijze onderwees hij de leken en berispte hij de vrouwen, zeggende dat dit niet volgens de wet was en al helemaal niet vroom. Het ‘te kijk zetten van leken’ en het ‘uitschelden van vrouwen’ klinkt toch wel erg ‘out of character’ uit de mond van Antonius, en absoluut niet correct vertaald.
Ook op andere punten laat de vertaling te wensen over.
[p. 44-45] (1) Dat was het einde van het leven dat Antonius in zijn lichaam heeft geleid, en zo was het begin van zijn ascese. En ook al is wat ik erover heb geschreven maar weinig in vergelijking met zijn deugdzaamheid, bedenkt u dan toch eens op grond van mijn geschrift wat voor iemand die Godsman Antonius is geweest, een man die vanaf zijn jeugd tot op zo'n hoge leeftijd een onverminderde inzet voor de ascese heeft bewaard. (1) Dit is het einde van het leven van Antonius in het lichaam, en het bovenstaande was het begin van de ascese. Zelfs al is mijn verhaal klein vergeleken met zijn verdienste, gebruik het toch ter overdenking van de grootsheid van Antonius, de man van God. Die vanaf zijn jeugd tot op zo'n hoge leeftijd een onverminderde inzet voor de ascese heeft bewaard. De formulering ‘in zijn lichaam’ is niet fraai, noch helder.

Dit is werkelijk een enorme blunder: ‘zijn ascese’ i.p.v. ‘de ascese’!
Athanasius bedoelt hier natuurlijk dat Antonius met zijn voorbeeldig leven de ascese voor alle toekomstige monniken gestart is.
Hoe de auteur ook zou kunnen denken dat de dood van Antonius het begin zou kunnen zijn van ‘zijn’ ascese is me een raadsel.

Dit soort voorbeelden, waaruit duidelijk blijkt dat het niet aan een verschil in versie kan liggen waardoor de auteur tot een bepaalde term of vertaling is gekomen, zijn met honderden te geven.


4.2 Blunders in de vertaling van ‘Maria van Egypte’(7)

Versie vdH Mijn versie Commentaar
[p. 213] Zosimas placht te vertellen dat hij als het ware al vanaf de moederschoot aan dat klooster was afgestaan en dat hij de wedloop daar 53 jaren lang had gelopen. Zosimas placht te vertellen dat hij als het ware al vanaf de moederschoot aan dat klooster was afgestaan en dat hij het kloosterleven tot de leeftijd van 53 jaar had gevolgd. ‘53 jaren lang’ of tot ‘de leeftijd van 53 jaar’, dat is toch heel wat anders!
[p. 214] Hij bereikte de rivier de Jordaan en degene die het hem had bevolen geleidde hem naar het klooster waarvan God wilde dat hij ernaar toe ging.
Hij klopte met zijn hand op de poort en kwam daar eerst de poortwachter tegen die hem naar de abt bracht.

Die ontving hem en observeerde zijn uiterlijk en gedragingen - Zosimas had zich namelijk ter aarde geworpen zoals bij monniken gebruikelijk is en de abt gevraagd voor hem te bidden - en toen vroeg hij hem: 'Waar kom je vandaan, broeder, en waarom ben je naar deze oude mannen gekomen?'

Hij ging naar de heiligste van alle rivieren de Jordaan en bereikte eindelijk de gemeenschap, waar de engel die met hem gesproken had hem naar toe leidde en waarvan God wilde dat hij ernaar toe ging.
Hij klopte op de poort van het klooster en vertelde de monnik die de poortwachter was, wie hij was en deze vertelde het aan de abt.

Die ontving hem en Zosimas maakte een diepe buiging zoals bij monniken gebruikelijk is en deed zijn gebed, waaruit de abt kon opmaken dat hij een monnik was, en toen vroeg hij hem: 'Waar kom je vandaan, broeder, en waarom ben je naar ons nederige monniken gekomen?'

‘Een engel’ i.p.v. het onduidelijke ‘degene’.

Zosimas deed een gebed, niet de abt.

‘nederige monniken’ i.p.v. ‘oude mannen’

en nog zo wat, waardoor het een heel andere paragraaf wordt.
[p. 216-217] Al voor zonsopgang liep hij weer, met een niet aflatende drang verder te gaan. Zoals hijzelf zei, had hij een verlangen diep in de woestijn door te dringen in de hoop daar een vader te vinden die zijn verlangen kon bevredigen. Ingespannen zette hij zijn reis voort, alsof hij zich spoedde naar een bekende herberg. Met zonsopgang liep hij weer, met een niet aflatende drang verder de woestijn in, in de hoop daar iemand te vinden die een belangrijk voorbeeld, zoals we al gezegd hebben, voor hem kon zijn. Ingespannen zette hij zijn reis voort, alsof hij zich spoedde naar een bepaald persoon. In V.1 staat ‘...honger en dorst bevredigen’. Ik neem aan dat dit spirituele honger en dorst is. In V.2 komt dit niet voor. Maar 'een belangrijk voorbeeld' is eigenlijk nog meer op zijn plaats.

‘Zoals hij zelf zei’ is niet correct, maar dit moet zijn, ‘zoals we al gezegd hebben’.

En hij wist nog niet wie of wat hij zou vinden, dus van een ‘vader’ kan nog geen sprake zijn.

een bekende herberg’, midden in de woestijn?! Dat is toch wel heel erg vreemd gedacht.
[p. 217] Toen Zosimas dat zag, werd hij door een goddelijk genoegen gegrepen, en zeer verheugd over dit wonderlijke schouwspel begon hij te rennen in de richting waarin ook de verschijning zich spoedde. Hij was onuitsprekelijk verheugd, want hij had in al die dagen geen menselijke verschijning gezien, zelfs geen dier of ook maar een schim daarvan. Hij wilde nu weten wie degene was die hij gezien had, hopende dat hij in een groot geheim ingewijd zou worden. Toen Zosimas dat zag, voelde hij een sprankje vreugde in zijn hart opkomen, en zich afvragende of hetgeen hij voor zich zag nu dat was waar hij naar verlangde begon hij in die richting te rennen. Hij was onuitsprekelijk verheugd, want hij had in al die twintig dagen geen menselijk wezen gezien, of dier of vogel of beest. Hij wilde nu weten wat voor wezen het was dat hij daar zag, hopende dat het iemand was die groter was dan hijzelf.
Hoezo, wonderlijk schouwspel?
Hij was naar het woestijnklooster gegaan en daarna de woestijn ingetrokken, in de hoop ‘iemand’ tegen te komen, ‘die groter was dan hijzelf’, en toen hij die verschijning zag dacht hij dat het die ‘iemand’ misschien wel was. Het wordt bij de auteur niet duidelijk, waarom Zosimas nu zo verheugd is en zijn hoop mogelijkerwijs bewaarheid ziet worden, ook al omdat het een paar §§ geleden al niet goed vertaald was, waar de auteur suggereert dat hij op zoek is naar een ‘herberg’.
[p. 217] Maar toen hij Zosimas van verre zag aankomen, zette de verschijning het op een lopen, verder de woestijn in. Maar toen zij Zosimas van verre zag aankomen, vluchtte ze de woestijn in. In V.2 is de figuur al herkend als vrouw, maar in de versie van de auteur zou het juister zijn geweest als hij hier ‘het’ zou hebben geschreven.
[p. 218] 'Waarom wilt u een zondige vrouw ontmoeten, vader Zosimas? Wat wilt u van mij zo graag leren of zie, dat u niet geaarzeld hebt u een zware inspanning te getroosten?'
Daarop viel hij op zijn knieën en vroeg haar hem de gebruikelijke zegen te geven. Maar ook zij knielde neer, en zo zaten zij beiden geknield op de grond en vroegen elkaar om een zegen.
'Waarom zou u deze zondige vrouw willen zien, vader Zosimas? Wat denkt u in mij te zien waar u iets van zou kunnen leren, u die nooit teruggedeinsd bent voor inspanningen?'
Daarop strekte hij zich uit op de grond en vroeg haar hem de zegen te geven op de gebruikelijke manier. Maar ook zij boog voor hem, en zo lagen zij beiden uitgestrekt op de grond en vroegen elkaar om de zegen.
‘Een’ zondige vrouw willen zien is iets heel anders dan ‘deze’.

De ‘inspanningen’ slaan op de ascese die Zosimas al verricht heeft, en niet op de inspanning om haar in de woestijn op te zoeken.

‘Een zegen’ is wel een wat rare formulering.
[p. 218] Met horten en stoten en moeizaam ademend zei hij tot haar: 'Oh geestelijke moeder, het is duidelijk uit heel uw optreden dat u bij God hebt vertoefd en dat u vrijwel aan de wereld bent gestorven.
Nog duidelijker is het dat u een genadegave geschonken is, want u hebt me bij mijn naam aangesproken en gezegd dat ik een priester ben terwijl u me nog nooit had ontmoet. Maar omdat genade niet blijkt uit ambten maar uit geestelijke gaven, moet u mij in Godsnaam zegenen en voor mij bidden, want ik heb uw hulp nodig.'
Bijna zonder kracht en moeizaam ademend zei hij tot haar in tranen: 'Oh geestelijke moeder, het is duidelijk uit uw visioen dat u dicht bij God bent en dat u vrijwel aan de wereld bent gestorven.
Meer dan iets anders is het duidelijk dat u een genadegave geschonken is, want u hebt me bij mijn naam aangesproken en gezegd dat ik een priester ben terwijl u me nog nooit had ontmoet.
Maar zoals u weet wordt genade niet aan mensen gegeven volgens hun status maar volgens de capaciteit van hun zielen om die te ontvangen, dus moet u de zegen in Godsnaam geven en bidden in overeenkomst met uw staat van vervolmaking.
‘visioen’ (V.2) of ‘levenswijze’ (V.1) is toch wel iets heel anders dan ‘optreden’.

Ook de passage over genade is weer heel anders.

En ‘ik heb uw hulp nodig’ klinkt toch wat vreemd uit de mond van een monnik die al een en ander bereikt heeft. Hij kijkt wel op tegen de vrouw die hij als volmaakter ziet dan zichzelf.
[p. 220] En hij zwoer later, God als getuige aanroepend, dat toen hij merkte dat ze maar bleef bidden, hij even opkeek van de grond en zag dat zij wel een halve meter boven de aarde zweefde en gewoon in de lucht hing terwijl ze bad.
Daardoor werd hij door een nog grotere vrees bevangen. Alleen bij zichzelf herhaalde hij telkens: 'Heer, ontferm u!'
En hij zwoer, God als getuige aanroepend, dat toen hij merkte dat ze maar bleef bidden, hij even opkeek van de grond en zag dat zij wel een halve meter boven de aarde opgetild was en in de lucht stond terwijl ze bad.
Door dit schouwspel werd hij door een nog grotere vrees bevangen en hij wierp zich ter aarde, badend in het zweet en huilend in paniek; hij was zo bang dat hij helemaal niets meer durfde zeggen. Alleen herhaalde hij telkens: 'Heer, heb genade met mij!'
Voor de auteur lijkt levitatie een normaal verschijnsel te zijn, dus hij schrijft dat ze ‘gewoon’ in de lucht hangt.

Maar voor Zosimas is het wel zo ongewoon, dat hij zich in grote angst ter aarde werpt, etc., een passage die bij de auteur ontbreekt, maar die zowel in V.1 als V.2 wordt genoemd.

En nog wat andere verschillen, subtieler maar toch van belang.
[p. 221] 'Broeder, mijn vaderland was Egypte'. 'Heilige vader, ik was in Egypte geboren'. Hoezo ineens ‘broeder’?
[p. 222] Wat er toen gebeurde, hoe moet ik u dat vertellen, beste man? O man van God, wat er toen gebeurde, hoe moet ik u dat vertellen? Een bijna denigrerend ‘beste man’ in plaats van ‘man van God. Later doet de auteur dat nog een paar keer.
[p. 225] Ik ging naar de plek waar ik het document met mijn gelofte ondertekend had, knielde daar neer voor de moeder Gods die altijd maagd is, zei tot haar het volgende: ... Op dezelfde plek waar ik mijn eed gezworen had, knielde ik neer voor het gezicht van de heilige Maagd, de moeder Gods, en bad tot haar: ... Wat voor ‘document’ bedoelt de auteur nou? En hoe zou ze dat met een ‘gelofte’ kunnen ondertekenen? Bovendien wordt expliciet in het verhaal vermeld dat ze niet kan lezen of schrijven.
[p. 231] Hij pakte de voeten van de heilige vrouw beet en vroeg haar te bidden voor de kerk, voor het koninkrijk, en voor hemzelf. In tranen liet hij haar gaan en steunend en kreunend ging hij weg, want hij durfde deze onaanraakbare niet langer aan te raken. Hij raakte de voeten van de heilige vrouw even aan en vroeg haar te bidden voor de kerk, voor de keizer, en voor hemzelf. In tranen liet hij haar gaan en steunend en kreunend ging hij weg, want hij kon haar niet langer ophouden ook al had hij dat gewild. De voeten ‘beetpakken’, geeft aan dat de auteur niet op de hoogte lijkt van Oosterse gebruiken, waar men bij begroeting de voeten van een geëerd persoon aanraakt als teken van respect en om de zegen te ontvangen.

Wat zou de auteur nou gedacht hebben toen hij haar een onaanraakbare noemde?



4.3 Blunders in de vertaling van verhalen over andere woestijnvaders (8)

[p. 76] VIII Apollo, wordt in Monachorum Apollonius genoemd, hoofdstuk VII. Terwijl hij in Lausiaca Apollo genoemd wordt, hoofdstuk LII
Versie vdH Mijn versie Commentaar
[p. 86] (59) Hij had zware kritiek op degenen die ijzeren boeien en lang haar droegen. Hij zei: 'Die zijn uit op vertoon en het behagen van mensen, terwijl ze het lichaam door vasten zouden moeten kastijden en in het verborgene het goede doen. Dát doen ze niet, maar ze zetten zich wél voor iedereen te kijk.' Degenen die hun haar knipten of overdreven verzorgden en ijzeren halskettingen droegen, of andere dingen deden om aandacht op zichzelf te vestigen, sprak hij bestraffend toe. ‘Het is duidelijk,’ zei hij, ‘dat deze mensen er alleen op uit zijn menselijke lof te verkrijgen. Ze doen het om op te vallen, maar het gebod is dat zelfs jullie vasten in het geheim moet worden gedaan, zodat alleen God het weet die in het verborgene ziet en openlijk beloont. (Matt.6.18). Er staat, zowel in Monachorum als in Lausiaca: 'die hun haar knipten of overdreven verzorgden', en dat is dus heel wat anders! Wat enigszins blijkt uit de volgende zin, over opvallen.

De ijzeren halskettingen, vermeld in Monachorum maar niet in Lausiaca, zijn toch weer wat minder ernstig dan ijzeren boeien.

En bij vdH ontbreekt het Bijbel citaat..

Uit het leven van Mozes de Ethiopiër
[p. 121.] De grote Isidorus zei tot hem: 'Mozes, houd maar op met de demonen te twisten en ga maar niet meer tegen hen te keer, want er zijn grenzen ook aan de moed die zich uit in ascese.'
Maar hij zei: 'Ik houd niet op voordat die door demonen ingegeven fantasieën ophouden!' Daarop zei Isidorus 'In de naam van Jezus Christus, je dromen zijn opgehouden! Neem nu vol vertrouwen deel aan de communie. Je bent hieraan onderworpen geweest voor je eigen bestwil, om te voorkomen dat je er prat op zou gaan de hartstochten de baas te zijn geworden.'
De grote Isidorus zei tot hem: 'Mozes, houd maar op met de demonen te vechten en houdt maar op met de oorlog tegen hen, want je moet wat gematigder zijn in je levenswijze.'
Maar hij zei: 'Ik houd niet op voordat de fantasieën van mijn dromen ophouden!' Daarop zei Isidorus, de priester, de dienaar van Christus: je smerige dromen zijn vanaf nu opgehouden! Neem nu vol vertrouwen en met een goed geweten deel aan de communie. Maar schep hier niet over op alsof je door je eigen inspanning je hartstochten de baas te bent geworden. Het is God die zijn kracht in jou heeft getoond, voor jouw nut, dus overschat jezelf niet.’
De verschillen in de eerste passages spreken voor zich, maar aan het eind van deze § is de auteur een stuk 'vergeten' en daardoor wordt het eigenlijk onzin wat er staat.
Uit het Leven van Sarapion, die men Sindonius noemde omdat hij nooit iets anders aanhad dan een linnen lap (= een ‘sindon’).
[p. 129.] Trek net als ik al je kleren uit, leg ze op je schouders, en loop dan in deze gedaante dwars door de stad heen met mij voorop.' Trek net als ik al je kleren uit, leg ze op je schouders, en loop dan net als ik alleen gekleed in een ‘sindon’ dwars door de stad heen met mij voorop.' Zoals de auteur het vertelt lijkt het alsof ze naakt door de stad zou moeten lopen, terwijl ze dus eigenlijk op zijn minst nog een lendendoek aan zou hebben.
Uit de lotgevallen van de beroemde diaken Evagrius.
[p.132.] De demon van de ontucht kwelde hem zo ernstig, naar hij ons zelf vertelde, dat hij midden in de winter de hele nacht naakt in een waterput bleef staan zodat zijn ledematen bevroren raakten.
Een andere keer werd hij gekweld door de demon van de blasfemie. Toen ging hij veertig dagen lang geen huis binnen, naar hij ons zelf vertelde, en net als bij dieren begon zijn lichaam gezwellen te ontwikkelen.
De demon van de ontucht kwelde hem zo ernstig, naar hij ons zelf vertelde, dat hij midden in de winter de hele nacht naakt in een waterput bleef staan om zijn lichaam met de kou te disciplineren.
Een andere keer werd hij gekweld door de demon van de blasfemie. Toen ging hij veertig dagen lang geen huis binnen, naar hij ons zelf vertelde, zodat zijn lichaam als dat van de wilde beesten werd en met korsten overdekt werd.
Hier begrijpt de auteur niet waarom Evagrius in de put gaat staan, omdat hij dit blijkbaar niet als een vorm van ascese (her)kent.

In de tweede passage suggereert de auteur dat ‘dieren’ gewoonlijk ‘gezwellen ontwikkelen'. Terwijl het in feite twee verschillende veranderingen zijn die zich aan het lichaam van Evagrius voltrokken.
Uit het Leven van Abba Macedonius, wat wordt verteld door Theodoretus, die het in dit fragment over zichzelf — zijn verwekking en geboorte — en zijn familie heeft.
[p.146-147] Toen mijn moeder al dertien jaar met mijn vader getrouwd was, had ze nog steeds geen kinderen, want ze was onvruchtbaar omdat de natuur haar had beroofd van het vermogen vrucht te dragen. Het kwelde haar niet al te erg - want opgevoed als zij was in godsvrucht, geloofde zij dat het voor haar bestwil was - maar hun kinderloosheid deed mijn vader bijzonder veel verdriet en hij ging overal rond om de dienaren Gods te smeken voor hem bij God voorbede te doen in verband met zijn wens kinderen te krijgen. Toen mijn moeder al dertien jaar met mijn vader getrouwd was, had ze nog steeds geen kinderen, want ze was onvruchtbaar omdat de natuur haar had beroofd van het vermogen vrucht te dragen. Het kwelde haar niet al te erg - want opgevoed als zij was in godsvrucht, geloofde zij dat het voor haar bestwil was - maar hoewel ze haar verdriet om haar kinderloosheid met veel geduld droeg vroeg ze waar ze ook aan de dienaren Gods om voor haar bij God voorbede te doen in verband met haar wens kinderen te krijgen. Moeder was de actieve persoon, niet vader.

En ze heeft toch wel een heel andere houding, berusting namelijk, dan door de auteur wordt gesuggereerd dat vader zou hebben.
[p. 147] ... en herinnerde hem eraan dat zij geen moeder had willen worden en ze hield hem zijn beloften voor ogen. ... en herinnerde hem eraan hoezeer zij moeder had willen worden en ze hield hem zijn beloften voor ogen. Het totaal tegenover gestelde!
[p. 147] Toen zei mijn moeder: 'Op die voorwaarde wil ik en beloof ik het kind ter wereld te brengen. Want ik geloof dat een onvoldragen vrucht te verkiezen is boven een andere opvoeding van het kind.' Toen zei mijn moeder: 'Op die voorwaarde wil ik en beloof ik het kind ter wereld te brengen. Hoewel mijn gedachten nu meer gericht zijn op het in leven houden van deze onvoldragen vrucht dan op een opvoeding van een zoon apart van God.' Een onvoldragen vrucht zou te verkiezen zijn?
[p. 147] 'Drink nu van dit water,' zei de man Gods, 'en dan zul je de goddelijke bijstand ervaren.’ Hij pakte water en zegende het. 'Drink nu van dit water,' zei de man Gods, 'en dan zul je de goddelijke bijstand ervaren.' Het water wordt eerst gezegend.


4.4 Blunders in de vertaling van 'Het Leven van Simeon de Pilaarheilige' (10)

Versie vdH Mijn versie Commentaar
[p. 149] De beroemde Simeon, het grote wereldwonder, is bekend bij alle onderdanen van het Romeinse Rijk, maar hij is niet minder bekend bij de Perzen, de Meden, en de Ethiopiërs. Zijn faam is zelfs doorgedrongen tot de Skythische nomaden en heeft hen zijn liefde voor ascese en zijn liefde tot wijsheid geleerd. De beroemde Simeon, het grote wereldwonder, is bekend bij alle onderdanen van het Romeinse Rijk, maar hij is niet minder bekend bij de Perzen, de Indiërs, en de Ethiopiërs. Zijn faam is zelfs doorgedrongen tot de Skythische nomaden die over zijn ijver en levenswijze hebben gehoord. ‘Meden’, een overbodige 'verdubbeling' van Perzen en i.p.v. ‘Indiërs’ In het kader van het ontkennen van de India connectie?

De laatste passage waar de auteur spreekt over ‘zijn liefde voor ascese’ die Simeon aan de nomaden zou hebben geleerd, komt onwaarschijnlijk over.
[p. 150-151] Terwijl de anderen om de twee dagen voedsel namen, bleef hij de hele week zonder.
Zijn superieuren konden dat moeilijk verdragen en maakten voortdurend ruzie met hem door zijn gedrag als wanorde te bestempelen, maar hun woorden hadden geen effect en konden zijn ijver niet beteugelen.
Terwijl de anderen om de twee dagen voedsel namen, bleef hij de hele week zonder.
Zijn superieuren keurden dat af en discussieerden met hem en zeiden dat hij de dagelijkse gang van zaken verstoorde, maar hun woorden deden hem niet van gedachten veranderen en konden zijn godsdienstige ijver niet beteugelen.
‘Voortdurend ruzie maken’ is wel heel wat anders dan ‘discussiëren’.

En nog zo wat verschillen.
[p. 151] Hij vertrok dus en ging naar de nog meer verlaten delen van het gebergte. Daar vond hij een cisterne, zonder water en niet al te diep waarin hij zich liet zakken en aan God zijn hymnen opdroeg. Hij vertrok dus en ging naar de nog meer verlaten delen van het gebergte. Daar vond hij een zeer diep ravijn, zonder watertoevoer waarin hij zich liet zakken en aan God zijn hymnen opdroeg. Een ‘cisterne’ is niet hetzelfde als een ‘ravijn’, en ‘zeer diep’ precies het tegenovergestelde van ‘niet al te diep’.
[p. 154] Sommigen brachten fysiek verzwakten tot hem, anderen vroegen om gezondheid voor zieken, weer anderen smeekten hem vader te mogen worden en zo via hem te ontvangen wat de natuur hun niet gaf. Sommigen brachten mensen met verlamming tot hem, anderen vroegen om genezing voor hun eigen ziekten weer anderen smeekten hem monnik te mogen worden en zo via hem met plezier te ontvangen wat ze van hun eigen natuur slechts met moeite konden accepteren. ‘vroegen om gezondheid voor zieken’ is wat vreemd gesteld, zelfs als het in origineel Nederlands zou zijn gezegd, en het is ook niet correct.

‘vader’ op deze plaats i.p.v. ‘monnik’ is zeer vreemd vertaald en maakt de zin vrijwel onbegrijpelijk.

Het is sowieso al een wat cryptische zin waarmee bedoeld lijkt te worden dat ze eruit zichzelf moeilijk toe konden komen monnik te worden en dat ze daarvoor de steun van Simeon nodig hadden; maar door de vertaling van VdH wordt dat geheel onduidelijk.
[p. 154] Er kwamen ook veel mensen die in het verre westen wonen, Spanjaarden, Britten, en Kelten die tussen hen in wonen.
Want over Italië hoef ik niet eens te spreken. Men zegt dat in de grote stad Rome de man zo beroemd is geworden dat men bij de ingangen van alle winkels en werkplaatsen kleine beeldjes van hem heeft opgericht om zich op die manier een zekere bewaking en veiligheid te verschaffen.
Er kwamen zelfs veel mensen uit het verre westen, Spanjaarden, Britten, en Galliërs.
Dat ze ook uit Italië kwamen hoef ik niet eens te noemen. Men zegt dat in de grote stad Rome de man zo in preken wordt geprezen dat het volk in al hun portieken en ingangen kleine beeldjes van hem heeft geplaatst om zich door zijn bescherming veiligheid te verschaffen.
‘Kelten’ of ‘Galliërs’, dat is toch wel even wat anders!

Plus nog zo wat afwijkingen
[p. 156] De door hen aanbeden afgodsbeelden breken ze voor de ogen van deze grote lichtdrager aan stukken en ze zweren de geheime riten van Afrodite af — want het was de cultus van deze demon die ze oorspronkelijk hadden aangenomen.
Ze krijgen deel aan de goddelijke mysteriën, aanvaarden wetten uit deze gewijde mond, zeggen de gewoonten van hun voorvaderen vaarwel, en willen geen vlees van wilde ezels en kamelen meer eten.
De door hen aanbeden afgodsbeelden wezen ze voor de ogen van deze grote lichtdrager totaal af en ze zweren de orgieën van Venus af — want ze aanvaardden dat dit een aanbidding van demonen was, zoals Simeon van hoog daarboven maar bleef herhalen.
Ze krijgen deel aan de Sacramenten, aanvaarden wetten uit deze gewijde mond, gingen akkoord met de riten van de vaders en zworen de barbaarse cultus van ezels en kamelen af.
‘Aan stukken breken’ of ‘afwijzen’ is wel wat anders.

Maar ‘de gewoonten van hun voorvaderen vaarwel zeggen’ dat is toch wel iets totaal anders dan ‘gingen akkoord met de riten van de vaders’. Precies het tegenovergestelde!

En ‘geen vlees van wilde ezels en kamelen meer willen eten’ is ook weer iets totaal anders dan het ‘afzweren van de barbaarse cultus van ezels en kamelen’!
Deze blunder zou grappig zijn, als het niet zo misleidend was. Maar dat geldt in feite natuurlijk voor alle hier genoemde blunders.
[p. 157] Toen begon hij hun vanaf de pilaar dreigementen toe te slingeren en hen voor honden uit te schelden, en pas op die manier wist hij met veel moeite hun ruzie onder controle te krijgen.
Ik heb dit overigens alleen maar verteld omdat ik wilde aantonen welk geloof er in hun harten leefde, want ze zouden nooit als gekken tegen elkaar tekeer zijn gegaan als ze niet hadden geloofd dat de zegen van deze man Gods een zeer grote kracht had.
Toen begon Simeon hen van daarboven te berispen en vergeleek hen met jankende honden, en op die manier nam hun ruzie af.
Ik heb dit overigens alleen maar verteld omdat ik wilde aantonen hoe sterk hun geloof was dat er in hun harten gekomen was, want ze zouden nooit ruzie gemaakt hebben als ze niet hadden geloofd dat de zegen van deze man Gods een zeer grote kracht had.
Een heilige asceet die ‘dreigementen’ moet ‘toe slingeren’ en moet ‘uitschelden’? Dat klinkt toch ongeloofwaardig en vooral ook onwaardig.

Evenals het ‘met veel moeite hun ruzie onder controle ... krijgen’.

Het geloof was ‘in hun harten gekomen’ door Simeon, wat dus een essentieel verschil is met de interpretatie van de auteur.
[p. 161] Tijdens de publieke feesten vertoont hij nog een andere vorm van volharding. Want dan strekt hij van zonsondergang tot zonsopgang zijn handen uit naar de hemel, waarbij hij de gehele nacht blijft staan zonder door slaap of door inspanning overmand te worden. Tijdens de publieke feesten vertoont hij nog een andere vorm van volharding. Want dan stond hij van de ondergang van de zon tot de tijd dat deze weer de westerse horizon nadert met zijn handen omhoog gestrekt in gebed zonder slaap en met weinig inspanning. Hij staat dus in feite 24 uur, en niet 12 uur wat de auteur impliceert.
[p. 161-162] Ondanks al deze inspanningen en deze veelheid aan goede daden en deze menigte van wonderen blijft hij toch bescheiden alsof hij de minste van alle mensen in waardigheid is. Naast deze bescheidenheid is hij zeer toegankelijk en aangenaam en charmant, en hij reageert ook op iedereen die hem aanspreekt, of het nu een handwerker of een bedelaar of een boer is. Hij heeft van de Meester, de grote gever van gaven, ook de gave van het onderricht ontvangen. Tweemaal per dag, wanneer hij zijn publiek vermaant, overspoelt hij de oren van zijn toehoorders terwijl hij hen met veel charme toespreekt en hen zo de lessen van de goddelijke Geest onderwijst. Bij al deze inspanningen en ondanks de veelheid aan goede daden die hij uitvoerde was hij begiftigd met een bescheidenheid en zelfcontrole die hem de waardigste van alle mensen maakte. Naast deze bescheidenheid is hij zeer toegankelijk en aangenaam vriendelijk, en hij gaf iedereen die hem aanspreekt gelijke aandacht, of het nu een handwerker of een bedelaar of een boer is. Hem werd door de genereuze en overvloedige Heer de gave van het onderwijzen gegeven. Tweemaal per dag, wanneer hij tot zijn publiek preekte, goot hij het levenswater in de oren van zijn toehoorders terwijl hij heel mooi spreekt en de discipline van de goddelijke Geest toont. Tegenovergesteld vertaald: ‘de minste ... in waardigheid’, i.p.v. ‘de waardigste’.

‘charmant’ is een wat vreemd woord voor een heilige asceet/celibatair!

‘hij reageert’ is betekenisloos.

‘overspoelt hij de oren van zijn toehoorders’; wat een betekenisloze uitdrukking.

En nog een keer ‘charme’.

‘de lessen van de goddelijke Geest onderwijst’ is onjuist: hij toont namelijk de goddelijke Geest in (door) zijn ascese.

Ik laat het nu maar bij deze voorbeelden. Maar met de opsomming van dergelijke blunders zouden nog vele pagina's gevuld kunnen worden. En ik verwijs de geïnteresseerde lezer naar de Web pagina versie of de Word versie van de door mij gecorrigeerde teksten op deze site.
Ik heb niet al zijn vertalingen gecontroleerd maar een oppervlakkige vergelijking leert dat het met die teksten niet veel beter gesteld is.


5. Een misleidende Inleiding

Wat de auteur in zijn inleiding stelt is niet origineel, maar reflecteert opinies van eerdere christelijke historici en theologen. Merkwaardigerwijs geeft hij ook een aantal opvattingen weer die door hedendaagse collega's allang zijn weerlegt (zoals bijvoorbeeld de "Egyptische belastingontduikers"), maar bespreekt niet waarom hij aan die ideeën blijft vasthouden.
Nu is theologie natuurlijk geen wetenschap in de strikte betekenis van dat woord: het wordt namelijk door gelovigen bedreven en de enig juiste wetenschappelijke houding is natuurlijk scepticisme. Ook al wordt het tegenwoordig ‘godsdienstwetenschap’ genoemd, dat alleen maakt het nog niet wetenschappelijk. Als er werkelijk wetenschap ten aanzien van godsdiensten bedreven zou worden, zou dat eigenlijk de deelterreinen omvatten van geschiedkunde, psychologie en sociologie.
Maar als ‘godsdienstwetenschap’ bedreven wordt vanuit de oogkleppen visie van christelijke dogmatici, dan valt er weinig inzicht te verwachten.
Nu is de inleiding ook nogal kort. Te kort om recht te doen aan het onderwerp, dus eigenlijk had hij de inleiding maar beter weg kunnen laten.


5.1 Was Antonius de eerste?

De eerste asceet, of de eerste Christelijke asceet, of de eerste kluizenaar, of de eerste Christelijke kluizenaar, of de eerste kluizenaar in de woestijn, of de eerste Christelijke kluizenaar in de woestijn, en dan nog de eerste kloosterling, of de eerste Christelijke kloosterling, of de eerste Christelijke kloosterling in de woestijn?

Volgens de auteur zien we bij de woestijnvaders “een nieuwe vorm van geloofsbeleving”, die met de Heilige Antonius in Egypte voor het eerst is ontstaan. Hoewel hij niet wil uitsluiten dat er al “in de laatste decennia van de derde eeuw ... enkele individuele Egyptische christenen zich hier en daar in kluizenaarscellen ... hebben afgezonderd” is het kluizenaarschap toch pas ontstaan toen “de beroemde Egyptische woestijnheilige Antonius als eerste zeer velen inspireert tot het heremitische anachoretendom.”(11)
Het is wel niet zo'n duidelijke uitspraak; zo wordt in het midden gelaten of hij nou de eerste kluizenaar is geweest of dat hij de eerste inspirator voor andere kluizenaars is geweest, maar in combinatie met wat er verder nog op die pagina gezegd wordt, neem ik maar aan dat hij bedoeld: Antonius was de eerste kluizenaar. Maar dat is eigenlijk in tegenspraak met zijn eerdere opmerking dat eventuele eerdere Egyptische kluizenaars christenen waren. Dit wordt op geen enkele wijze toegelicht of aan de hand van teksten bewezen, dus zouden deze eerdere Egyptische kluizenaars net zo goed — of zelfs beter — heidenen geweest kunnen zijn.
Als we naar de tekst in Het Leven van Antonius kijken, dan zien we dat Athanasius ook nauwelijks beweert dat Antonius de eerste kluizenaar zou zijn. Hij noemt namelijk een aantal andere asceten in het dorp waar Antonius woont en in de buurt, die Antonius als voorbeelden voor zijn eigen ascese neemt (zonder overigens expliciet te vermelden dat het christenen zijn). Alleen wanneer Antonius aan zijn belangrijkste leermeester voorstelt gezamenlijk de ascese in de woestijn voort te zetten, wijst deze dat af omdat hij te oud zou zijn en omdat het ‘toen nog niet de gewoonte was.’(12) Dus volgens Athanasius zou Antonius in ieder geval wel de eerste kluizenaar in de woestijn zijn. Maar tegen het eind van het verhaal, bij het sterven van Antonius, beweert Athanasius overigens weer wel: “Dit is het einde van het leven van Antonius in het lichaam, en het bovenstaande was het begin van de ascese.”(13) Dus was hij toch weer wel de eerste asceet überhaupt.


5.2 Of was Paulus van Thebe de eerste?

Maar, volgens het verhaal over een andere woestijnvader uit die tijd, Paulus van Thebe, wiens Leven beschreven is door een andere vroege kerkvader, namelijk Hiëronymus, zou Paulus de eerste zijn geweest, want Antonius ging bij hem op bezoek toen ze allebei al heel oud waren en Paulus was de oudste van deze twee, dus zou het logisch zijn te veronderstellen dat hij de ‘eerste’ was. Dit bezoek wordt trouwens niet vermeld in het Leven van Antonius, waar de andere asceten en kluizenaars alleen maar vaagjes gemeld worden.
In de volgende passage zien we hoe Hiëronymus het twistpunt van betreffende de eerste woestijnvader in het Leven van Paulus bespreekt:

Voor veel mensen is het een twistpunt wie nu de eerste persoon was die aan een leven als kluizenaar in de woestijn is begonnen. Sommigen gaan wel erg ver terug in de tijd, wanneer ze erop wijzen dat Elia en Johannes de Doper tot de eersten behoorden; maar het lijkt mij dat Elia eerder een profeet dan een monnik was, en wat Johannes betreft, die begon al te profeteren zelfs voordat hij geboren was!
Anderen beweren echter dat Antonius de eerste was en dat is een vrij algemeen aanvaarde mening die de meeste mensen aanhangen. Maar dit is slechts ten dele waar, omdat hij niet zozeer de eerste was als wel dat hij degene was die zoveel heeft gedaan om anderen daartoe te stimuleren.
Trouwens, twee discipelen van Antonius, genaamd Amathias en Macarius, van wie de eerste het lichaam van Antonius heeft begraven, beweren tegenwoordig nog dat Paulus uit Thebe degene is geweest die deze beweging begon, hoewel hij niet de eerste was die die naam droeg, en dit is een mening die ik ook deel.
Sommigen vertellen net naar het ze uitkomt allerlei verhalen over Paulus, zoals bijvoorbeeld het verhaal dat hij alleen maar een man was met lang haar dat tot op zijn voeten hing, die in een onderaardse grot leefde, en andere verzinsels die hier verder niet ter zake doen. Zulke onbeschaamde leugens zijn het nauwelijks waard tegengesproken te worden.(14)

Het is een beetje gekibbel of nou Paulus of Antonius de eerste heremiet was, maar in ieder geval: daarvóór was er dus niets. Hoewel de zinsnede, “hoewel hij niet de eerste was die die naam droeg,” het bestaan van nog eerdere heremieten — misschien wel heidenen — openlaat, en de passage over de “verzinsels” zelfs de mogelijkheid openlaat dat hij helemaal geen asceet was, of geen christelijk asceet — of zelfs een heiden!


5.3 Of was het alleen maar propaganda?

Maar hoe dan ook, dit standpunt waarmee geïmpliceerd wordt dat de ascese en wereldverzaking door een Christen is uitgevonden en voor die tijd niet bestond, kan je een kerkvader uit die periode niet kwalijk nemen. Er werd toen nog niet echt aan geschiedenis gedaan en het Christendom als betrekkelijk nieuwe en bedreigde religie kon wel een propagandistisch steuntje gebruiken.
Want zoals uit andere bronnen duidelijk is, en er zijn ook betrouwbare joods-christelijke geschiedschrijvers die daarover berichten, wemelde het in de woestijn van ascetische groeperingen en individuen, al van vér vóór het bestaan van Antonius en Paulus.(15) En een groot aantal van deze asceten waren zeker niet christelijk.
Hoewel de auteur dat zou kunnen weten (of naar mijn mening zou moeten weten, als deskundige), zien we merkwaardigerwijs dat hij er een zelfde standpunt op na houdt als de vroege kerkvaders, namelijk dat behoudens enkele lichte beïnvloedingen van ‘buitenaf’ de ascese en wereldverzaking een geheel christelijk uitvinding is. Zelfs vrijwel letterlijk praat de auteur de vroege kerkvaders na, zoals ik hierboven al citeerde: “[dat] de beroemde Egyptische woestijnheilige Antonius als eerste zeer velen inspireert tot het heremitische anachoretendom,” wat vrijwel identiek is aan de woorden van Hiëronymus: “omdat hij niet zozeer de eerste was als wel dat hij degene was die zoveel heeft gedaan om anderen daartoe te stimuleren.”
Overigens zou niet alleen het kluizenaarschap en de ascese door de Christenen uitgevonden zijn, maar ook het kloosterdom (en monnikendom) zou in die tijd door de Christenen uitgevonden zijn, wanneer namelijk een andere woestijnvader, “de koptische monnik Pachomius de grondlegger wordt van het zogenaamde cenobitisme.”(16) Het onduidelijk taalgebruik van de auteur laat overigens diffuus of Pachomius nu echt de uitvinder was of alleen maar een grondlegger, maar hij suggereert in ieder geval weer wel dat hij de eerste is.
Ook dit is trouwens onjuist. De eerdere ascetische groeperingen in de woestijn leefden in gemeenschappen (die heel goed aangeduid kunnen worden als kloosters), in gezamenlijkheid van goederen, zonder seks, en zonder vlees en wijn.(17) Misschien dat Pachomius als ex-militair wel de uniformering en reglementering extra doordreef, dat zou kunnen.
Maar als we nagaan dat er in India in 500 v.Chr. al een florerende Boeddhistische kloosterorde bestond en dat invloeden daarvan al tot Egypte waren doorgedrongen, evenals trouwens invloeden van Jainistische (vanaf 500 v.Chr.) en ‘Hindoeïstische’ (sinds 2500 v.Chr.) ascese, dan is het toch wat onzinnig om van ‘uitvinding’ en ‘eerste’ te spreken zowel wat betreft het kloosterdom als de ascese en het woestijnvaderschap. Maar dit is een heel ander, en lang, verhaal, dat ik elders nog eens aan de orde zal stellen.


6. Invloeden van de Bijbel en van ‘buitenaf’


6.1 Bijbelse invloeden

Dit ascetisme van de woestijnvaders, “deze nieuwe vorm van geloofsbeleving,” is vanzelfsprekend door de bijbel geïnspireerd. Zoals de auteur het stelt: “in monastieke kringen kon en kan men vaak horen dat die door de bijbel geïnspireerd werd.” Maar dit, “is historisch gesproken maar ten dele waar.”(18) Zo geeft hij aan dat de bijbel een dubbelzinnig voorbeeld geeft — wat gezien de ontstaanswijze van de bijbel niet echt verbaast — door enerzijds het ascetische voorbeeld van Johannes de Doper en ook Jezus zelf, en “de opmerking van de apostel Paulus dat het goed zou zijn als iedereen, net als hij, ongetrouwd zou blijven en een celibatair leven zou leiden,” wat echter anderzijds in strijd is met ”het allereerste gebod (!) in de bijbel, waar God tot de mens zegt dat hij/zij zich moet vermenigvuldigen.” De auteur brengt hier verwarring te weeg door het OT op één lijn te stellen met het NT, door appels met peren te vergelijken.
Het is nogal evident dat het NT (een totaal ander boek dan het OT) talloze ascetische voorbeelden en raadgevingen kent; het lijkt vaker zelfs geschreven voor de asceet in spé dan voor de gewone man (of vrouw). In Het Leven van Antonius, een verhaal van zo'n 50 pagina's komen zo'n 180 bijbelcitaten voor, en zoals Athanasius het in het begin van het verhaal vertelt, wordt Antonius zelf tot de ascese geïnspireerd door wat hij in de kerk hoort:

(2) ... toen hij eens zoals gewoonlijk naar de kerk ging en bij zichzelf nadacht over de apostelen, hoe deze alles achterlieten en de Verlosser volgden, (Mt 4,20 (19)) hoe anderen (Hand. 4,35 (20)) hun bezittingen verkochten en de opbrengst daarvan aan de voeten van de apostelen legden, zodat die kon worden verdeeld onder de behoeftigen, en wat voor groots hen in de hemel te wachten stond. (Vgl. Kol. 1,5 (21))
Terwijl hij daarover peinsde, ging hij de kerk binnen, en het kwam zo uit dat daar toen uit het Evangelie voorgelezen werd en hij hoorde hoe de Heer tot de rijke man zei: “Als je volmaakt wil zijn, ga dan heen, verkoop al je bezittingen, en geef het aan de armen. Kom dan hier en volg mij, en je zult een schat in de hemel hebben.” (Mt. 19,21 (22)) Alsof God zelf hem deze gedachten aan de heiligen ingegeven had en deze passage juist omwille van hem gelezen werd, ging Antonius onmiddellijk de kerk uit en schonk de bezittingen van zijn voorouders aan zijn dorpsgenoten.
(3) Toen hij weer eens de kerk binnenging, en hoorde dat de Heer in het Evangelie zegt: “Maak je geen zorgen voor de dag van morgen,” (Mt. 6,34 (23)) kon hij niet langer blijven, maar ging naar buiten, en gaf ook die dingen aan de armen. ... Zelf wijdde hij zich voortaan aan de ascese ....

Wel, duidelijker kan het haast niet.
Doordat de auteur zichzelf verstrikt in de zogenaamde dubbelzinnigheden van de bijbel komt hij er helaas niet aan toe eens te verklaren hoe het komt dat het NT zo'n sterk ascetische inslag heeft. Ook andere christelijke geschiedschrijvers blijven hier meestal het antwoord schuldig. In ieder geval biedt de Joodse traditie, waaruit het christendom heet te zijn voortgekomen weinig aanknopingspunten, aangezien het officiële jodendom niet ascetisch van aard is (op een enkeling als Elia na, die door Hiëronymus even genoemd wordt, maar als “profeet eerder dan monnik”).
De auteur noemt dus niet (maar kent hij ze ook niet?) de tientallen ascetische groeperingen die voor en in de tijd van Christus in die contreien actief waren, waarvan de meest bekende de Nazarenen en Essenen zijn, en waar mogelijkerwijs Johannes de Doper en Jezus deel van uit gemaakt hebben, en die zo invloed op het NT uitgeoefend hebben.(24)
En over woestijnvaders gesproken: de woestijn als plaats voor ascese speelde in de levens van zowel Johannes de Doper als Jezus een belangrijke rol. En met deze voorbeelden zou niemand toch kunnen beweren dat Antonius of Paulus van Thebe de eerste asceten in de woestijn waren? Overigens hadden ook Johannes de Doper en Jezus voorgangers op dat terrein. Maar waar kwam hún ascetische inslag vandaan?
Het zou te ver voeren om er hier nu dieper op in te gaan, maar naar mijn idee liggen uiteindelijk hun inspiratiebronnen een paar duizend kilometer naar het Oosten; zie mijn eerdere opmerking over Boeddhisme en Hindoeïsme.


6.2 Griekse en Hellenistische invloeden

Maar de bijbel alleen is volgens de auteur niet voldoende om de opkomst van de ascese te verklaren (wat natuurlijk ook inderdaad het geval is, zij het op andere gronden dan hij aanvoert), en de auteur zoekt het daarom ook bij de Grieken, want in “Griekse filosofische milieus bestond er namelijk al een lange traditie van wijsgerige onderbouwing van ascese.”(25)
In kort bestek noemt hij dan een hele rits Griekse filosofieën (Platonisme, Neoplatonisme, Stoïcisme, Pythagoreïsme, Neopythagoreïsme) die de vroegchristelijke ascese en wereldverzaking beïnvloed zouden hebben. Voor elk wat wils, lijkt het zo. Met een schot hagel is het altijd raak.
In deze rits lijkt de grootste invloed te zijn uitgegaan van het Stoïcisme, volgens de auteur: “in de invloedrijke Stoïcijnse filosofie wordt sterke nadruk gelegd op het bereiken van het ideaal van de apatheia, letterlijk: hartstochtloosheid, een toestand waarin de mens zozeer al zijn verlangens, strevingen en emoties de baas is geworden, dat hij met een absoluut minimum genoegen kan nemen.”(26) Dit woord apatheia lijkt een soort buzz word in christelijke historisch-theologische kringen, maar is absoluut niet van toepassing op de woestijnvaders en andere asceten en mystici (christenen of heidenen).
Als je de verhalen van de woestijnvaders en monniken leest, en ziet hoe geëmotioneerd ze in de regel zijn (de tranen van verdriet én blijdschap zijn niet van de lucht) en hoe ze zich met hart en ziel op God, Christus en het Hemelse richten, hoe ze bereid zijn door het vuur te gaan voor hun geloof, hoe ze daarvoor de wereld willen opgeven, dan is het begrip ‘hartstochtloos’ absoluut niet op zijn plaats.
Het is precies andersom. Ze willen de hartstocht niet onderdrukken, maar deze juist intensiveren en op één punt (God) richten.

Überhaupt was de Griekse wereld er een van filosofen, niet van mystici en asceten. Voor zover er sprake was van iets dat leek op ascese had dat betrekking op filosofie, vrijwel niet op religie en zeker niet op mysticisme, “...Grieks ascetisme is puur filosofisch, en heeft niets te maken met fysieke of geestelijke discipline.”(27) En hoewel het waar was dat priesters en priesteressen een buitengewone rituele zuiverheid moesten betrachten was het ook zo dat “het Griekse type van religieuze kuisheid gewoonlijk tijdelijk van karakter was. Geen enkele van de Griekse culten beschouwde het permanente celibaat als een ideale vorm van bestaan.”(28)
Een collega van de auteur (die ook nadrukkelijk vermeld, zelfs bedankt, wordt in De Woestijnvaders), concludeert na een nogal lange uiteenzetting in zijn boek De bloeiende woestijn: “Het is dienstig erop te wijzen dat deze stoïcijnse vorm van ascese door een rationele benadering gekenmerkt wordt, die met religie niets te maken heeft.”(29)
Merkwaardig is dan ook dat de auteur die het boek blijkens zijn literatuuropgave wel gelezen heeft, dat niet ter harte heeft genomen, en een achterhaalde argumentatie te berde brengt.

Dat de Griekse filosofie enige invloed gehad zal hebben is nogal evident. Tenslotte speelt dit alles zich af in de Griekse en Hellenistische invloedssfeer. Alexandrië bijvoorbeeld, het politieke en culturele centrum van Egypte, was een Griekse stad, en dat was in de tijd van Antonius al 600 jaar het geval.
Opvallend in deze Hellenistische omgeving is overigens wel dat de heilige Antonius geen Grieks spreekt, en dat hij in zijn monoloog tot de Griekse wijsgeren gebruik moet maken van een tolk. Nog opvallender in dit verband is dat hij in die monoloog de Grieken op één lijn stelt met de heidenen en hun goden vergelijkt met duivels en demonen.

(37) Zo hebben zij [de demonen] de Grieken misleid en daarom werden zij door hen ten onrechte als goden beschouwd.
(74) En daarna kwamen er weer anderen; en dit waren mannen, die door de Grieken als wijs beschouwd werden ... [die] het goddelijke op één lijn ... stellen met geestloze dieren, en dus viervoetige dieren en kruipende dingen en menselijke gelijkenissen ... aanbidden...
(79) Dus vertel ons eens, waar zijn nu uw orakels? Waar zijn de toverformules van de Egyptenaren? Waar zijn de begoochelingen? Wanneer zijn deze dingen allemaal opgehouden en verzwakt, als het niet was toen het Kruis van Christus verrees?

Deze hoofdstukken over de Griekse filosofie zijn door de auteur overigens niet vertaald en/of in zijn boek De Woestijnvaders opgenomen; een belangrijke omissie, maar misschien kon hij het niet rijmen met zijn nogal positieve ideeën over die zogenaamde ‘stoïcijnse’ invloeden. Maar gezien de vijandige houding van Antonius naar de Griekse wijsgeren kan daar op directe wijze in ieder geval geen sprake van zijn.

De enige ascetische en mystieke groeperingen van enige betekenis die Griekenland gekend heeft, de Orfisten en de Pythagoreeërs (maar we moeten hier slechts in honderdtallen denken), en die mogelijkerwijs als enige juist wel een invloed gehad kunnen hebben op de christelijke asceten, worden door de auteur niet of nauwelijks genoemd. Zo wordt Pythagoras, die zelfs in de Vita van Antonius op de achtergrond een rol speelt,(30) door de auteur nota bene tussen haakjes gezet “(niet voor niets worden in sommige levensbeschrijvingen van woestijnvaders soms hele zinnen overgenomen uit contemporaine 'biografieën' van Pythagoras!).”(31)
De legendarisch Pythagoras was meer dan een filosoof: hij was een asceet en een mysticus. Hij leefde als een soort guru, in een religieuze gemeenschap met discipelen, was vegetariër en vastte vaak. Maar als hij inderdaad een voorbeeld was, dan was dat in de eerste plaats door zijn leefwijze als praktiserend asceet, veel meer nog dan vanwege zijn ideeën, zoals zijn beroemdste: het geloof in reïncarnatie.
Hoewel hij eeuwenlang invloed heeft uitgeoefend (ik denk hierbij bijvoorbeeld aan Apollonius, een tijdgenoot van Jezus (32)), is het de vraag of hij direct van invloed zou zijn geweest op de woestijnvaders En we kunnen ons afvragen of die ‘verschijning’ van Pythagoras in de biografieën van de woestijnvaders niet veel eerder voor rekening van de geletterde auteurs van die biografieën moet komen dan voor de veelal ongeletterde woestijnvaders zelf.
Maar dat hij via tussenliggende ascetische groeperingen en individuen door de eeuwen heen invloed heeft gehad is zeer aannemelijk.

Het interessante aan Pythagoras als asceet en mysticus, is dat hij een speculatieve connectie met India vertegenwoordigt. Er wordt namelijk beweerd dat hij zijn ideeën over ascese en vegetarisme (wat toen in de Griekse wereld een zeldzaamheid moet zijn geweest), transmigratie der zielen en reïncarnatie tijdens een bezoek aan India zou hebben opgedaan. Of hij zou het in Egypte hebben geleerd, waar toen (600 v.Chr.) ook al Indiase asceten en mystici of hun nazaten aanwezig waren. Maar dit is weer een ander verhaal, wat ik elders misschien nog zal vertellen.


6.3 Egyptische invloeden

Maar goed. Terug naar de woestijnvaders, waar de auteur aangeeft dat de Griekse invloeden toch nog niet alles opgelost hebben. Zoals de auteur zegt: “Het ontstaan van het monnikendom is toch nog weer gecompliceerder dan men vaak geneigd is te denken.” (Nu is “monnikendom” iets anders dan “ascetendom” — niet elke monnik is een asceet, en niet elke asceet is een monnik — maar goed.)
Het gecompliceerde zit hem, volgens de auteur, in het “feit” dat de “eerste anachoretische heremieten” zich manifesteren “uitgerekend in de niet door Griekse filosofie beïnvloede kringen van het Egyptische platteland.” (33)
En dan volgt een inderdaad gecompliceerde redenering over “boeren op het platteland” die “de zeer zware belastingen die hun door de Romeinen werden opgelegd niet [konden] opbrengen en ... dan aan 'belastingontduiking' [deden] door zich in de woestijn te verschuilen,” wat daarna dan geleid zou hebben “tot deze vorm van 'protest tegen de wereldgelijkvormigheid' van de kerk.” Jammer genoeg geeft de auteur geen bron aan waar hij deze informatie gevonden heeft. En wat bedoelt hij in hemelsnaam met “wereldgelijkvormigheid”?
De hele redenering over die zogenaamde belastingontduikende Egyptische boeren als ‘uitvinders’ van de ascese is natuurlijk onzin en in ieder geval totaal overbodig. Ook hier is het weer vreemd te moeten constateren dat hij het boek De bloeiende woestijn van zijn collega theoloog niet gelezen lijkt te hebben, ook al is het vermeld in zijn literatuurlijst, want daarin staat toch duidelijk: “Als argument ... heeft men gepoogd de rampzalige consequenties van een steeds zwaardere belastingdruk in de derde eeuwen de groeiende verpaupering van de bevolking aan te voeren. Maar het betoog was niet sluitend te maken. Er bleken nauwelijks concrete aanknopingspunten te zijn.”(34)

Bovendien, zoals ik al eerder vermelde, wemelde het in de woestijn van de asceten, eeuwen voor en na Christus. Deze zouden eventueel Griekse invloeden (van Pythagoras en Apollonius met name) ondergaan kunnen hebben, maar voor de woestijnvaders was het dus helemaal niet nodig om ver van huis te gaan voor hun ideeën over ascese en praktijkvoorbeelden. In feite waren die ruim voorhanden in hun directe omgeving. In het boek De bloeiende woestijn wordt het nogal zwakjes uitgedrukt, maar in ieder geval wel vermeld:

Een niet te verwaarlozen voorstadium voor de christelijke ascese wordt beschreven door de Joodse filosoof Philo van Alexandrië (eerste helft van de eerste eeuw), die in enkele van zijn werken een verbinding legde tussen de ascese en het beleven van God, en die in zijn beschrijving van de Therapeuten, een Joodse ascetische groepering in de buurt van Alexandrië, nader inging op het ideaal van het ascetische gemeenschapsleven.(35)

Als commentaar hierop zou ik willen zeggen dat deze Therapeuten niet alleen Joden waren, en dat ze wel wat talrijker waren dan hier gesuggereerd wordt.(36) Vreemd toch weer dat dit uiterst belangrijke feit in De Woestijnvaders in het geheel niet genoemd wordt.
Bovendien wemelde het niet alleen van asceten in de woestijn van Egypte, en in andere delen van het Midden Oosten, maar ook het kloosterleven bestond er al voordat “de koptische monnik Pachomius” het zou hebben uitgevonden. Zoals ik al eerder vermelde, waren er toen al sekten die in gemeenschappen leefden, zoals de Therapeuten, als vegetariërs zonder vlees en wijn, zonder deel te nemen aan dierenoffers, en die geloofden in zielsverhuizing.(37)


6.4 Indiase invloeden

Deze worden door de auteur in het geheel niet genoemd. Daarentegen wordt er in het al eerder genoemde De bloeiende woestijn het volgende over gezegd:

"Wilde men vroeger soms het ontstaan van het monnikendom voor een belangrijk deel aan invloeden uit het Oosten (Mesopotamië, India) toeschrijven, dergelijke geluiden zijn in de loop van de tijd vrijwel verstomd. Bijna iedereen is het er nu over eens dat het om een authentiek christelijke beweging gaat, ontstaan binnen het kader van het christendom met het evangelie als uitgangspunt.”(38) [Mijn cursieven]

Jammer en zeer onwetenschappelijk dat deze auteur niet aangeeft wie die ‘men’ zijn en die ‘bijna iedereen’. Hij spreekt zichzelf hier ook nog eens tegen, want zijn stelling dat “het om een authentiek christelijke beweging gaat” valt niet te rijmen met zijn opmerking over de Therapeuten als “niet te verwaarlozen voorstadium voor de christelijke ascese.”

Nu zijn Indiase invloeden echt niet zo vergezocht. Want als we slechts een paar duizend kilometer naar het oosten gaan, over land en zee makkelijk te bereiken, dan zien we dat daar al lang asceten bestonden. En ook daar waren al lang kloosters, honderden jaren voordat ze in de woestijn van Egypte opdoken. In het kort, in India waren er al minstens sinds 2500 jaar v.Chr. asceten, kluizenaars en mystici (‘Hindoes’), en sinds 500 jaar v.Chr. monniken (Boeddhisten) in reguliere kloosterorden, met uniforme regels.
Ook heden ten dage zijn in India nog steeds asceten actief die op even extreme wijze als destijds de woestijnvaders de ascese beoefenen. Jarenlang heb ik de praktijken van deze hedendaagse asceten bestudeerd, die als ‘heilige mannen’ beschouwd worden, en die sadhoes of yogi's genoemd worden, (39) en wat mij dan opvalt bij het lezen van de levensgeschiedenissen van deze woestijnvaders is dat hun ascetische praktijken zulke grote overeenkomsten vertonen met die van de hedendaagse asceten in India.
Te meer omdat er geen andere aannemelijke verklaringen voor het ontstaan van de christelijke ascese in die tijd en op die plaats gegeven wordt, kan het dan ook niet anders zijn of er moet een verband bestaan tussen deze schijnbaar zo ver in tijd en plaats uiteen liggende groeperingen.

Dus ook vanuit het tijdperk van de woestijnvaders beschouwd, bestonden ascese en kloosterleven al eeuwenlang, en informatie hierover was al eeuwen v.Chr. in die contreien (Griekenland, het Midden Oosten en Egypte) bekend. Bovendien, zoals ik al eerder opmerkte, bestond ascese ook al eeuwenlang in Egypte en het Midden Oosten.

Voor de informatieoverdracht over ascese en mysticisme vanuit India noem ik maar even een paar voorbeelden, die historisch gedocumenteerd zijn. Zo was er de zeer bekende ontmoeting van Alexander de Grote (in 327 v.Chr.) met de gymnosofisten, de naaktlopende wijsgeren van India. De informatie over Brahmanen en Shramanen (‘Hindoe’ asceten) die via Megasthenes tot in het Westen doordrong. De informatie via Het Leven van Apollonius, een tijdgenoot van Christus, die in India en Egypte geweest was, en waarvan in ander hagiografieën (zelfs die van Antonius) fragmenten en echo's aan te treffen zijn, en die zowel in India als Egypte contacten had met gymnosofisten; een boek dat verscheen in c. 200 n.C.(40)
En dan, om de al eerder genoemde Philo uit Alexandrië aan te halen, waar hij over de inspiratiebronnen van de Therapeuten spreekt: “In India, ook, is er de sekte van Gymnosofisten, die, naast speculatieve filosofie, ook ijverig de ethiek beoefenen en van hun leven een voorbeeld van absolute deugd hebben gemaakt.”(41) Zou de auteur van De bloeiende woestijn dit fragment van Philo niet gelezen hebben?

Zo zijn er heel wat, en nog veel meer dan ik hier opgenoemd heb, aanwijzingen te geven voor contacten met India en informatieoverdracht over ascese en mysticisme, zowel als voor het bestaan van ascese in Egypte en het Midden Oosten.
In ieder geval — ook toen al — wisten de Christenen het!
Zo werden de gymnosofisten en alle daarmee gelieerde sekten (m.n. de Encratieten en de Gnostici), door kerkvader Hyppolitus (c. 200 n.Chr.) expliciet aangemerkt als ketters, omdat “hun meningen niet uit de Heilige Schrift voortkomen, maar uit zichzelf en de gymnosofisten van de Indiërs.”(42)
Nog wat later zal getracht worden deze sporen van beïnvloeding radicaal uit te wissen en wordt bijvoorbeeld de bibliotheek van Alexandrië — honderdduizenden boeken met heidense informatie — op last van Theophilus de christelijke Patriarch van Alexandrië verbrand (391 n.Chr.).


7. Kerkvaders en woestijnvaders

In het boek De Woestijnvaders wordt de toename en populariteit van de ascese in de woestijn gekoppeld aan het feit dat “de christenvervolgingen tot het verleden zijn gaan behoren en er bij velen onvrede over de vervlakking van het christelijk leven begint te ontstaan.”(43)
Maar in de eerste plaats is het de vraag of er wel sprake was van toename, want — nogmaals — er waren vóór die tijd al duizenden asceten op diverse plaatsen in de woestijn. Er vond natuurlijk wel een voortschrijdende kerstening plaats van deze asceten, naarmate het Christendom verder om zich heen greep en uiteindelijk de officiële staatsreligie werd.
En in de tweede plaats is het de vraag of er in de tijd van Antonius (3e en 4e eeuw n.Chr.) al iets als een vastomlijnd “christelijk leven” bestond, laat staan dat er al van “vervlakking” sprake zou kunnen zijn.
Een geheel ander punt is wel dat er in die tijd een einde kwam aan de vervolgingen van Christenen in het Romeinse rijk, waardoor men het christelijk geloof opener kon belijden en waardoor het aantal aanhangers toegenomen zou kunnen zijn, maar tegelijkertijd waren er zo geen martelaren meer die voor propaganda doeleinden gebruikt konden worden. De asceten waren de nieuwe martelaren, zo staat het zelfs letterlijk in Het Leven van Antonius: “Daar was hij dagelijks een martelaar voor zijn geweten en hij streed de strijd van het geloof”,(44) en zo konden de woestijnvaders nu voor de christelijke propaganda gebruikt worden.

Evenzogoed is dit wel een bijzondere periode, voorzover dat asceten — de woestijnvaders — zich met een gevestigde religie bezighielden, en door de gevestigde religie ondersteund en bevestigd, dus respectabel werden. In het algemeen is de kerk namelijk een stuk minder enthousiast over individualistische mystici: deze onttrekken zich teveel aan het gezag van de kerk door er een eigen, directe lijn met God op na te houden in plaats van het contact via priesters te laten verlopen.
Maar dus toen werd het gebruikelijke antagonisme tussen asceten/mystici en priesters tijdelijk opgeheven — van twee kanten — en sterker nog, de ‘kerk’ propageerde de ascetische levenswijze. Als we zien wie de hagiografieën schreven, zoals ze in het boek De Woestijnvaders genoemd worden: Athanasius, bisschop van Alexandrië; de kerkvader Hiëronymus; Theodoretus bisschop van Cyrrhus; Cyrillus van Skythopolis, wiens vader een functie in het bisschoppelijk paleis had; Sophronius bisschop van Jeruzalem, dan is het duidelijk dat op dit tijdstip in de geschiedenis, de kerkvaders op één lijn stonden met de woestijnvaders.


8. Christelijke godsdienstwetenschappers en geschiedschrijvers

De kerkvaders die zulke lovende teksten schreven over de woestijnvaders, en daarmee propaganda bedreven voor de christelijke kerk, konden het — met Hyppolites in het achterhoofd — niet over voorlopers van de woestijnvaders hebben. Dat waren namelijk per definitie heidenen.
Deze propagandisten en latere christelijke geschiedschrijvers, kunnen (of willen) zich niet voorstellen dat heidenen iets als ascese of mysticisme ‘bedacht’ zouden kunnen hebben. Ze gaan er zonder meer vanuit dat er vóór Christus op religieus, mystiek, ascetisch gebied niets van enige betekenis is gebeurd. Meer nog, ze gaan er vanuit dat met Christus de geschiedenis begon. Dus ook ascese kon voor die tijd niet bestaan hebben; het moet door Antonius (of anders wel door Paulus) zijn uitgevonden. Of anders had het zo moeten zijn.
Dus de discussie van Hiëronymus over de eerste woestijnvader, of nu Antonius of Paulus “de grondlegger van het heremieten-ideaal” was,(45) fungeerde vooral als een rookgordijn, waarachter de heidenen verborgen moesten blijven. Met Hyppolites in het achterhoofd kun je je toch moeilijk voorstellen dat de geleerde kerkvaders niet op de hoogte zouden zijn geweest van de aanwijzingen, dat de wijsheid (voor een groot deel) uiteindelijk uit het Oosten kwam.

Nu hebben we er niet zoveel moeite mee dat de kerkvaders uit de vierde eeuw enige geschiedvervalsing pleegden. Historici namen het toen in het algemeen niet zo nauw met de waarheid.
Anders wordt het natuurlijk als een hedendaagse wetenschapper, waarvan je moet aannemen dat deze waardevrij wetenschap bedrijft — in ieder geval geen christelijke propaganda bedrijft — al deze hierboven aangevoerde aanwijzingen over niet-christelijke invloeden, welke historisch vaststaan, niet noemt (zelfs niet in negatieve zin, ontkennend dat er een verband zou zijn), of niet lijkt te kennen, zelfs niet een klein deel daarvan.

Het boek De Woestijnvaders lijkt geschreven voor een breed publiek (Nederlands, populistisch van stijl en zonder bronverwijzingen) en gezien de huidige belangstelling voor het onderwerp, kunnen we verwachten dat het veel lezers trekt.
Het is dus zeer betreurenswaardig dat de auteur met zijn slechte vertalingen en onduidelijke en onvolledige inleiding vele oprechte zoekers in een stofwolk de woestijn instuurt.

Dolf Hartsuiker


P.S. Toen ik mijn kritiek op het boek van Van der Horst op mijn site publiceerde, heb ik hem hiervan middels een e-mail op de hoogte gesteld en gevraagd eventueel daarop te reageren. Ik heb niets van hem vernomen.
Zes maanden later kwam er wel een reactie van dr. V.J.Chr. Hunink, die het opnam voor zijn collega.
Hij had het helaas alleen maar over mijn 'toon' en niet over de inhoud van mijn kritiek. Hij vond dat we als "onderzoekers van het christendom" "zachtmoedigheid" moesten betrachten.
Voor de e-mail discussie, zie hunink.doc.


9. Noten
1 Horst, P.W. van der. De Woestijnvaders. Levensverhalen van kluizenaars uit het vroege christendom. Amsterdam, 1998.
2 Horst, P.W. van der. p.211.
3 Wat mijn vergelijkingen betreft, heb ik mij moeten beperken tot Engelse vertalingen van de teksten. Voor sommige verhalen heb ik geput uit twee Engelse versies, die onderling nogal aardig kunnen verschillen qua uitgebreidheid bijvoorbeeld of qua bloemrijkheid van de taal, maar die elkaar zelden of nooit tegenspreken.
4 Medieval Sourcebook: Athanasius of Alexandria: VITA S. ANTONI: Life of St. Antony (http://www.fordham.edu/halsall/basis/vita-antony.html)
Wagenaar, Christofoor. Leven, getuigenissen, brieven van de Heilige Antonius Abt. Westmalle, 1981.
Hunink, Vincent. Athanasius van Alexandrië; Verleidingen in de woestijn: het leven van de heilige Antonius. Amsterdam, 2002.
5 Leven, getuigenissen, brieven van de Heilige Antonius Abt, Christofoor Wagenaar ocso, Westmalle, 1983.
6 Hunink, Vincent. Athanasius van Alexandrië; Verleidingen in de woestijn: het leven van de heilige Antonius. Amsterdam, 2002.
7 Voor de vergelijking van teksten maak ik hier gebruik van twee Engelse versies, t.w. Versie Een: http://www.fatheralexander.org/booklets/english/mary_egypt_ext.htm; The Life of our Holy Mother Mary of Egypt; en Versie Twee: http://www.vitae-patrum.org.uk/page47.html; The Life of St Mary of Egypt by Sophronius. De tekst van vdH komt het meest overeen met Versie Twee, dus die heb ik als voornaamste referentie gebruikt.
8 Het is in het algemeen niet duidelijk uit welke bronteksten de verhalen afkomstig zijn, en soms lijken ze een samenvoeging van de twee bronnen, Historia Monachorum in Aegypto
door Rufinus van Aquileia (te vinden op http://www.vitae-patrum.org.uk/page56.html) en Historia Lausiaca door Palladius, bischop van Helenopolis [c.365 tot 425] vertaald door Gentianus Hervetus (te vinden op
http://www.vitae-patrum.org.uk/page107.html)
9 (W) Matt.6.16 Wanneer je vast, zet dan geen somber gezicht zoals de schijnheiligen, want zij vertrekken hun gezicht om met hun vasten op te vallen bij de mensen. Ik verzeker jullie, ze hebben hun loon al. 17 Maar als jij vast, zalf dan je hoofd en was je gezicht, 18 opdat het bij de mensen niet opvalt dat je vast, maar wel bij je Vader, die in het verborgene is; en je Vader, die in het verborgene ziet, zal het je lonen.
10 Historia Religiosa door Theodoretus, bischop van Cyrus De Vitis Patrum, Book IX vertaald in het Latijn door Gentianus Hervetus. (http://www.vitae-patrum.org.uk/page126.html)
11 Horst, P.W. van der. p.12.
12 Horst, P.W. van der. p.30.
13 Horst, P.W. van der. p.45. Zoals eerder al aangegeven maakt vdH hier een enorme blunder in de vertaling, door het “het begin van zijn ascese” te noemen.
14 The Life of St Paul, the first hermit, by Jerome, presbyter & divine; Proloog. De vertaling van Van der Horst, op p.47, laat zeer te wensen over. Te vinden op (http://www.vitae-patrum.org.uk/page5.html) en (http://www.newadvent.org/fathers/3008.htm).
15 Lillie, Arthur. India in Primitive Christianity. London, 1909. p.165. “The theatre of the Eremites was chiefly the valley of the Nile. The huge deserts on each side of the river were peopled with Eremites and monasteries, that of Oxyrinque harboured ten thousand monks and two thousand nuns. Another near Nechia, forty miles from Alexandria, had five thousand monks. To get the dates of the rise of these is now impossible. … Philo, as we have seen, announced that in his day the forty-two districts of Egypt were full of them."
16 Horst, P.W. van der. p.12.
17 Lillie, Arthur. p.165. Zie noot 37.
18 Horst, P.W. van der. p.13.
19 (W) Mt. 4,20 Meteen lieten ze hun netten achter en volgden Hem.
20 (W) Hand. 4,34 Er was immers niemand onder hen die gebrek leed, want allen die grond of huizen bezaten verkochten hun bezit, gingen met de opbrengst naar de apostelen, 35 en legden die aan hun voeten. Daarvan werd uitgedeeld aan een ieder, al naar gelang hij nodig had.
21 (W) Kol. 1,4 Wij hebben immers gehoord van uw geloof in Christus Jezus en van de liefde die u alle heiligen toedraagt, 5 omwille van de hoop die voor u is weggelegd in de hemel. U hebt daarvan gehoord toen het evangelie, het woord van de waarheid, 6 tot u kwam. In heel de wereld is het bezig vrucht te dragen en te groeien, evenals bij u, sinds de dag dat u gehoord hebt van Gods genade en haar hebt leren kennen in haar waarheid.
22 (W) Mt.19,21 Jezus zei: `Als u onverdeeld goed wilt zijn, ga dan uw bezit verkopen en geef het aan de armen, en u zult een schat hebben in de hemel. Kom dan terug om Mij te volgen.'
23 (W) Mt. 6,34 Maak je dus niet bezorgd over de dag van morgen, want de dag van morgen zal zich wel bezorgd maken over zichzelf. Iedere dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad.
24 Lillie, Arthur. p.179. Whether or not Christ belonged to mystical Israel, there can be no discussion about the Baptist. He was a Nazarite "separated from his mother's womb," who had induced a whole "people" to come out to the desert and adopt the Essene rites and their community of goods. And we see, from a comparison of the Essene and early Christian initiations, what such baptism carried with it. It implied preliminary instruction and vows of implicit obedience to the instructor.
25 Horst, P.W. van der. p.14.
26 Horst, P.W. van der. p.14. Maar volgens Wagenaar, voetnoot p. 64: “Het woord apatheia (passieloosheid) komt in het ‘Leven van Antonius’ niet voor. Een ander woord vervangt hetzelfde begrip, namelijk: ataraxia, onverstoorbaarheid.”
27 Sedlar, Jean W. India and the Greek World; A study in the transmission of culture.
New Jersey, 1980. p.36. “... Greek asceticism is purely philosophical, associated with no prescribed form of physical or mental discipline.”
28 Sedlar, Jean W. p.37. “... the Greek type of religious chastity was usually temporary in nature. None of the Greek cults regarded permanent celibacy as an ideal mode of existence.”
29 Bartelink, G.J.M. p. 15.
30 Wagenaar, voetnoot p. 100: “Athanasius heeft geschriften van Pythagoras voor ogen gehad, zoals blijkt uit verschillende zinswendingen die daar eveneens voorkomen.”
31 Horst, P.W. van der. p.15.
32 Philostratus, Flavius. tr. F.C. Conybeare. The life of Apollonius of Tyana. London, 1960. (repr. 1912).
33 Horst, P.W. van der. p.15.
34 Bartelink, G.J.M. p. 24.
35 Bartelink, G.J.M. p. 12-13.
36 Lillie, Arthur. p.171. Hij citeert hier Philo in zijn brief aan Hephestrion: “A passion for ascetic seclusion is becoming daily more prevalent among the devout and the thoughtful, whether Jew or Gentile.”
37 Lillie, Arthur. p.165. Says Philo: "There are many parts of the world in which these folks are found, for both Greece and the Barbarian lands must needs have their share in what is good and perfect. They are, however, in greatest abundance in Egypt, in everyone of the so-called departments, and especially round about Alexandria. The principal persons draw up their colony from all quarters as to a fatherland of Therapeuts, unto a well-regarded spot which lies on Lake Marea, on a somewhat low hill, very well situated both with regard to security and the mildness of the air." [Vita Contemp.] In fact Egypt swarmed with monks, for many centuries after Christ as well as before, and it was difficult to distinguish the sect of Christians from the worshippers of Serapis, whom we shall by-and-by show to have been S'iva a little disguised.
38 Bartelink, G.J.M. p.200.
39 Hartsuiker, Dolf. Sadhus, Holy Men of India. Thames & Hudson, London, 1993. Zie ook Sadhoes & Yogi's van India op deze site.
40 Philostratus, Flavius. tr. F.C. Conybeare. The life of Apollonius of Tyana. London, 1960. (repr. 1912)
41 Lillie, Arthur. p.173. Hij citeert hier Philo in zijn brief aan Hephestrion: "In India, too, there is the sect of the Gymnosophists, who, in addition to speculative philosophy, diligently cultivate the ethical also, and have made their life an absolute example of virtue.”
42 Hyppolitus: Refutation of All Heresies. “What the conceit is of the Encratites, and that their opinions have been formed not from the Holy Scriptures, but from themselves, and the Gymnosophists among the Indians.” “Others, however, styling themselves Encratites, acknowledge some things concerning God and Christ in like manner with the Church. In respect, however, of their mode of life, they pass their days inflated with pride. They suppose, that by meats they magnify themselves, while abstaining from animal food, (and) being water-drinkers, and forbidding to marry, and devoting themselves during the remainder of life to habits of asceticism. But persons of this description are estimated Cynics rather than Christians, inasmuch as they do not attend unto the words spoken against them through the Apostle Paul. Now he, predicting the novelties that were to be hereafter introduced ineffectually by certain (heretics), made a statement thus: "The Spirit speaketh expressly, In the latter times certain will depart from sound doctrine, giving heed to seducing spirits and doctrines of devils, uttering falsehoods in hypocrisy, having their own conscience seared with a hot iron, forbidding to marry, to abstain from meats, which God has created to be partaken of with thanksgiving by the faithful, and those who know the truth; because every creature of God is good, and nothing to be rejected which is received with thanksgiving; for it is sanctified by the word of God and prayer." This voice, then, of the blessed Paul, is sufficient for the refutation of those who live in this manner, and plume themselves on being just; (and) for the purpose of proving that also, this (tenet of the Encratites) constitutes a heresy.”
43 Horst, P.W. van der. p.12.
44 Het Leven van Antonius, hoofdstuk 47.
45 Horst, P.W. van der. p.46.

contact: dolfhart@ziggo.nl